Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: vewin_werkblad_3.8_200406.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

WERKBLAD LEIDINGWATERINSTALLATIES
WB 3.8
DATUM: JUNI 2004
VEWIN
BEVEILIGING (GEVAARLIJKE)
TOESTELLEN
Auteursrechten voorbehouden
Uitgave Vereniging van Waterbedrijven in Nederland VEWIN
Sir Winston Churchilllaan 273 Postbus 1019 2280 CA Rijswijk telefoon 070 4144750
Met betrekking tot in de aansluiting van (gevaarlijke) toestellen geplaatste
beveiligingen tegen het binnendringen van vreemde stoffen in drinkwaterinstallaties
en warmtapwaterinstallaties is in artikel 3.8 van NEN 1006
(AVWI-2002) het volgende gesteld:
3.8.2 De aansluiting van een gevaarlijk toestel moet zijn voorzien van een
terugstroom beveiliging. De aard van terugstroombeveiliging moet zijn
aangepast aan de mate van gevaar van het toestel en de daarin
aanwezige stoffen
3.8.3 In de leidingwaterinstallatie geplaatste beveiligingstoestellen1 moeten
zo zijn aangebracht dat zij gemakkelijk kunnen worden onderhouden en
vervangen. De controleerbare beveiligingstoestellen moeten tevens zo
zijn aangebracht dat deze gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd.
1. Titels van de vermelde normen en andere publicaties
NEN 1006 Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties
(AVWI – 2002)
NEN-EN 806-1 Eisen voor drinkwaterinstallaties in gebouwen – Deel
1: Algemeen.
NEN-EN 1717 Bescherming tegen verontreiniging van drinkwaterinstallaties
en algemene eisen voor inrichtingen ter
voorkoming van verontreiniging door terugstroming,
december 2000
Model Aansluitvoorwaarden Drinkwater, 2004 VEWIN
Model Algemene Voorwaarden Drinkwater, 1994 VEWIN
WTV Verklaring Waterleidingtechnische Veiligheid (KIWA)
BRL-K656 Warmtewisselaars bestemd voor het indirect
verwarmen van drinkwater
Tevens wordt in 5 (de beschrijving van de diverse beveiligingen)
verwezen naar de volgende normen:
NEN-EN 12729 Beveiligingen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroming;
Controleerbare terugstroombeveiliging met
gereduceerde druk; Familie B; Type A
1 In NEN 1006 wordt gesproken over beveiligingstoestellen. In dit werkblad zijn
beveiligingstoestellen omschreven als “beveiligingseenheden”.
Herziening van september 1997
Pagina 2 van 38 VEWIN WB 3.8
NEN-EN 13077 Onderbrekingsinrichtingen zonder bewegende
delen ter voorkoming van verontreiniging van
water door terugstroming; Specificatie voor
vrije uitlopen, Familie A; Type B
NEN-EN 13078 Onderbrekingsinrichtingen zonder bewegende
delen ter voorkoming van verontreiniging van
water door terugstroming; Specificatie voor
Familie A; Type C vrije uitlopen met ondergedompelde
voeding en geïntegreerde beluchter
met een overloop uit de houder
NEN-EN 13079 Onderbrekingsinrichtingen zonder bewegende
delen ter voorkoming van verontreiniging van
water door terugstroming; Specificatie van
Familie A; Type D vrije uitlopen met injector
NEN-EN 13433 Direct gestuurde onderbrekers Familie G; Type
A; Eigenschappen en beproevingen
NEN-EN 13434 Hydraulisch gestuurde onderbrekers Familie G;
Type B; Eigenschappen en beproevingen
NEN-EN 13959 Terugslagkleppen tegen verontreiniging; DN 6
tot DN 250; Familie E; Types A, B, C, D
NEN-EN 14451 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroom; In-line anti
vacuümklep; Klasse A; Familie D; Type A
NEN-EN 14452 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroom;
Pijponderbreker met atmosferische ontluchting
en bewegend element DN 10 tot DN 20
inclusief; Familie D; Type B
NEN-EN 14453 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroom;
Pijponderbreker met permanente
atmosferische ontluchting DN 10 tot DN 20
inclusief; Familie D, Type C
NEN-EN 14454 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroming;
Slangkoppeling met terugstroombeveiliging
DN 15 tot DN 32 inclusief; Familie H, type A
NEN-EN 14455 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroming; Onder
druk staande luchtinlaatkleppen DN 15 tot DN
50; Familie L; Type A en B
NEN-EN 14506 Middelen ter voorkoming van verontreiniging
van drinkwater door terugstroming;
Automatische omleiding; Familie H; Type C
NEN-EN 14622 Terugstroombeveiligingen voor drinkwater;
Vrije uitloop met ronde overloop (begrensd);
Familie A; Type F
Pagina 3 van 38 VEWIN WB 3.8
NEN-EN 14623 Terugstroombeveiligingen voor drinkwater;
Vrije uitloop met overloop (door vacuümmeting);
Familie A; Type G
BRL-K 628 Beluchters
BRL-K 629 Keerkleppen voor water in nominale maten tot
en met 50mm
BRL-K 646 Controleerbare terugstroombeveiligingstoestellen,
Familie B; Type A
BRL-K 647 Controleerbare terugstroombeveiligingstoestellen
voor zuig-, of perskruisverbindingen met
beluchting van de gereduceerde drukzone
BRL-K 648 Niet controleerbare terugstroombeveiligingen
voor zuig, – of perskruisverbindingen met
ontlastvoorziening
2. Algemeen
In dit werkblad is een overzicht opgenomen van beveiligingen die
kunnen worden toegepast bij de beveiliging van drink- en warmtapwaterinstallaties,
zie 5.
2.1 Model Aansluitvoorwaarden
In de door de VEWIN uitgegeven Model Aansluitvoorwaarden
Drinkwater en in de hiervan afgeleide aansluitvoorwaarden van de
drinkwater leverende bedrijven, zijn voorschriften opgenomen
betreffende de melding aan het waterleidingbedrijf bij plaatsing van
(gevaarlijke) toestellen.
2.2 Algemene Voorwaarden Drinkwater
Ingevolge de Algemene Voorwaarden Drinkwater moet de eigenaar
zorg dragen dat de leidingwaterinstallatie (dus ook de aanwezige
beveiligingen) wordt onderhouden.
2.3 Inbouw beveiliging
Indien in een gevaarlijk toestel de vereiste beveiligingseenheid op de
juiste wijze waarneembaar is ingebouwd, behoeft vóór het toestel
geen beveiligingseenheid te worden toegepast. Voor alle overige
uitvoeringen zie 4.
2.4 Aansluiting aan de afvoerleiding
In de afvoerleiding (bijvoorbeeld naar een riolering) van een
(gevaarlijk) toestel moet een zichtbare vrije uitloop zijn aangebracht
volgens figuur 1 en tabel 1.
Pagina 4 van 38 VEWIN WB 3.8
Figuur 1: Uitvoering aansluiting afvoer
Tabel 1: Legenda aansluiting aan afvoer
1 Uitlaat afvoer
2 Overloopniveau
E Uitlaat afvoer
G Afvoer
S1, S2 etc. Oppervlakte luchtinlaat
b Afstand tussen uitlaatafvoer en
overloopniveau
e Kleinste afmeting voor berekening
luchtinlaat
Eisen:
÷ b × G en tevens b × 20 mm;
÷ e × 4 mm;
÷ G × E (G moet zo groot dat de complete hoeveelheid uit E kan
worden afgevoerd zonder dat de af te voeren vloeistof
niveau 2 kan bereiken);
÷ S1+S2+… × 1/3 * b * 2 θ G.
2.5 Aansluiting op de drink- en warmtapwaterinstallatie
Indien een (gevaarlijk) toestel wordt aangesloten met een koud- en
een warmtapwaterleiding moeten beide aansluitleidingen worden
voorzien van de vereiste beveiligingseenheid.
E
G
b
1
2
S1, S2,
e
G
E
Pagina 5 van 38 VEWIN WB 3.8
3. Begripsomschrijvingen
3.1 Toestellen
÷ Drinkwatertoestellen
Voor en na het toestel moet drinkwaterkwaliteit aanwezig zijn.
Voorbeelden zijn o.a. reduceertoestellen en sanitaire kranen.
÷ Ontvangtoestellen
Tot aan de aansluitbeveiliging in of aan een toestel moet
drinkwaterkwaliteit aanwezig zijn. Voorbeelden zijn o.a.
koffieautomaten en doseerapparaten.
3.2 Huishoudelijk gebruik
Voorbeelden van huishoudelijk gebruik zijn:
÷ keukentappunten en wastafels;
÷ bad en douche;
÷ was- en afwasmachine;
÷ toilet en bidet;
÷ watergebruik in de tuin.
Huishoudelijk gebruik in collectieve installaties is beperkt tot die
toepassingen zoals hierboven beschreven. Voorbeelden van
collectieve installaties zijn scholen en kantoren.
3.3 Niet-huishoudelijk gebruik
Alle toepassingen gerelateerd aan professioneel gebruik in industrie,
handel, agrarisch gebruik, zorgsector etc. Tevens toepassingen
gerelateerd aan privé en openbare zwembaden en badhuizen
(sauna´s).
3.4 Mogelijke contactsituaties
÷ Zuigkruisverbindingen
Een contactsituatie waarbij door “terughevelen” ongewenste
stoffen in de drinkwaterinstallatie kunnen terugstromen. Een
dergelijke situatie kan zich voordoen als de waterleidingdruk
gedurende een bepaalde tijd (bijv. door grote waterafname elders)
van overdruk in onderdruk verandert.
÷ Perskruisverbindingen
Een contactsituatie waarbij door “terugpersen” ongewenste
stoffen in de drinkwaterinstallatie kunnen stromen. Dit kan
gebeuren als de druk in een toestel gedurende een bepaalde tijd
groter is dan de druk in de drinkwaterinstallatie.
÷ Enkele en dubbele scheiding
Enkele scheiding
Bij een enkele scheiding is het drinkwater door één wand
gescheiden van een andere vloeistof. De andere zijde is in contact
met een andere vloeistof dan drinkwater. Een enkele scheiding
beveiligt tegen zowel vloeistofklasse 1, 2 als 3.
Pagina 6 van 38 VEWIN WB 3.8
Dubbele scheiding
Bij een dubbele scheiding zijn het drinkwaterdeel en de andere
vloeistof permanent gescheiden door een neutrale zone.
De neutrale zone kan een vloeistof bevatten van klasse 1, 2 of 3,
dan wel een gas of inert poreus materiaal. Een dubbele scheiding
beveiligt zowel tegen vloeistofklasse 1, 2, 3, 4 als 5.
Voor nadere informatie over enkele en dubbele scheiding, zie
WB 4.4 B en BRL-K656.
3.5 Beveiligingseenheden
Een beveiligingseenheid is een voorziening om het terugpersen en/of
terughevelen van verontreinigingen van benedenstroom naar
bovenstrooms tegen te gaan. Een beveiligingseenheid omvat naast
het beveiligingstoestel ook de voor de goede werking en controle
noodzakelijke randapparatuur, (bijv. afsluiter, zeef, controlekraan).
De soort eenheid wordt met twee hoofdletters aangegeven.
÷ De eerste hoofdletter geeft de familie aan waartoe de eenheid
behoord.
÷ De tweede hoofdletter geeft het type van de beveiligingseenheid
aan.
Bijv.: Beveiliging DC behoort tot familie D=beluchters, type C staat
voor de beluchter zonder beweegbare delen
3.6 Vloeistofklassen
De classificatie van vloeistof die in contact staat of kan komen te
staan met drinkwater speelt een belangrijke rol bij de bepaling van
het verontreinigingrisico. Het gaat hierbij om de aard van de
verontreiniging. Zie ook bijlage A; “Indeling vloeistoffen”
De volgende 5 klassen worden hierbij onderscheiden:
÷ Klasse 1
Water bedoeld voor menselijke consumptie, afkomstig van een
drinkwater distributiesysteem.
÷ Klasse 2
Vloeibare stof, welke geen schade voor de menselijke gezondheid
oplevert. Vloeibare stof waarvan is vastgesteld dat ze geschikt is
voor menselijke consumptie, inclusief water, verkregen uit een
drinkwater distributiesysteem, en wat een verandering mag
hebben ondergaan voor wat betreft smaak, geur, kleur of
temperatuur (verwarming of koeling).
÷ Klasse 3
Vloeibare stof die in enige mate de menselijke gezondheid kan
schaden ten gevolge van de aanwezigheid van één of meerdere
toxische of zeer toxische substanties met een LD 50 > 200
mg/kg.
Pagina 7 van 38 VEWIN WB 3.8
In dit geval wordt met LD50 bedoeld: Lethale Dosis 50%.
Het betreft hier de oraal toegediende dosis van de gevaarlijke stof die nodig
is om 50% van de doelgroep (ratten of konijnen) te doden, binnen een
bepaalde tijd. Voor de bepaling van de toxiciteit worden bij deze methode
tegenwoordig slechts bij hoge uitzondering daadwerkelijk proefdieren
gebruikt. Hiervoor in de plaats hanteert men een berekeningsmethodiek die
de effecten van de oorspronkelijke proefnemingen kan simuleren. De LD50-
methode staat overigens ter discussie omdat de onderverdeling tussen
schadelijk en gevaarlijk niet volledig door deskundigen wordt onderschreven.
De methode biedt op dit moment als enige echter wel het gewenste
praktische hulpmiddel om met name oplossingen en mengsels snel en
eenduidig te kunnen classificeren en is als zodanig ook beschreven in:
Community document 93/21/EEC van 27 april 1993.
÷ Klasse 4
Vloeibare stof die gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid
ten gevolge van de aanwezigheid van een of meerdere toxische of
zeer toxische substantie met een LD 50 ⁄ 200 mg/kg, of ten
gevolge van radioactieve, mutagenen of carcinogenen
bestanddelen.
Voorbeeld: LD50 < 200 = Klasse 4. Een gevaarlijke stof wordt in een hoeveelheid van 200 mg per kg lichaamsgewicht van een proefdier oraal aan het proefdier toegediend. Indien de stof, toegediend aan bijvoorbeeld 100 proefdieren, resulteert in de dood van tenminste 50 van deze proefdieren binnen 2 weken na toediening, wordt de stof in Klasse 4 ingedeeld. Deze stof is voor de proefdieren dus al dodelijk bij minder dan 200 mg per kg lichaamsgewicht. Het zal duidelijk zijn, dat ingeval er van een stof meer dan 200 mg per kg lichaamsgewicht kan worden toegediend, zonder dat het de dodelijk is voor 50 % of meer van de populatie proefdieren, deze stof minder gevaar oplevert. Deze stof wordt daarom in Klasse 3 ingedeeld ÷ Klasse 5 Vloeibare stof die gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene bacteriën of virussen. 3.7 De analyse methode bestaat uit 2 onderdelen. 3.7.1 Onderdeel 1 richt zich op het analyseren van het verontreinigingrisico binnen het toestel, apparaat of installatie. Het verontreinigingrisico wordt als volgt bepaald: ÷ Maak een inventarisatie van de apparatuur die terugstroming kan veroorzaken. ÷ Bepaal waar de beveiligingseenheid moet worden geplaatst indien er nog geen is geplaatst. ÷ Bepaal de aard van de mogelijke verontreiniging (vloeistofklassen 1 t/m 5, zie 3.6). ÷ Bepaal de wijze waarop een verontreiniging vanuit het toestel in de drinkwaterinstallatie kan geraken als men de eventueel Pagina 8 van 38 VEWIN WB 3.8 ingebouwde beveiligingen buiten beschouwing laat (terughevelen (p=atm) en/of via terugpersen (p>atm)).
÷ Plaats de van toepassing zijnde parameters in een installatiematrix
overeenkomstig tabel 2.
Tabel 2: Installatiematrix
Vloeistofklassen
Druk 1 2 3 4 5
p=atm
p>atm
Geef door middel van een of meer zwarte
stippen welk verontreinigingrisico er
optreedt.
Opmerking:
÷ Stel vast of het toestel eventueel is voorzien van een enkele of
dubbele scheidingswand, zie 3.4.
÷ Verifieer of de afvoer overeenkomstig figuur 1 is uitgevoerd.
3.7.2 Onderdeel 2 richt zich op het bepalen van de minimaal noodzakelijke
aansluitbeveiliging waarbij het risico, verkregen uit de
installatiematrix, wordt afgedekt.
Het risicoafdekkend vermogen per beveiligingseenheid wordt in tabel
3 aangegeven door middel:
÷ een zwarte stip () geeft aan dat de betreffende
beveiligingseenheid een bepaald risico afdekt onder zowel p=atm
en p>atm;
÷ een open stip () geeft aan dat het betreffende
beveiligingseenheid een bepaald risico afdekt bij alleen p=atm;
÷ een horizontaal streepje (-) geeft aan dat de betreffende
beveiliging een bepaald risico niet afdekt;
÷ een “sterretje” (*) geeft aan dat de betreffende beveiliging niet
van toepassing is.
Pagina 9 van 38 VEWIN WB 3.8
Tabel 3: Matrix met beveiligingseenheden in relatie tot
vloeistofklassen
Vloeistofklasse
Beveiligingseenheid 1 2 3 4 5
AA Atmosferische onderbreking (vrije uitloop
boven rand) *    
AB Atmosferische onderbreking met niet ronde
overloop *    
AC Atmosferische onderbreking met beluchte
ondergedompelde voeding inclusief en
overloop
*   – –
AD Atmosferische onderbreking met injector *    
AF Atmosferische onderbreking met ronde
overloop *    –
AG Atmosferische onderbreking, vrije uitloop met
overloop beproefd met vacuümtest *   – –
BA Onderbreker met verschildrukzone,
controleerbaar     –
CA Onderbreker met verschildrukzone, niet
controleerbaar    – –
DA Beluchter met beweegbare delen    – –
DB Atmosferische contactonderbreker met
bewegende element.
    –
DC Beluchter zonder beweegbare delen     
EA Controleerbare keerklep   – – –
EB Niet controleerbare keerklep Zie 3.8
EC Dubbele Controleerbare keerklep   – – –
ED Dubbele Niet controleerbare keerklep Zie 3.8
GA Mechanische onderbreker, direct gestuurd    – –
GB Mechanische onderbreker, hydraulisch
gestuurd     –
HA Doorstroombeluchter voor slangaansluiting    – –
HB Anti-vacuümklep voor een doucheslang   – – –
HC Automatische omstelinrichting Zie 3.8
HD Doorstroombeluchter met keerklep voor
slangaansluiting    – –
LA Drukbelaste beluchter   – – –
LB Drukbelaste beluchter met keerklep    – –
3.7.3 Men komt tot de juiste keuze van een beveiligingseenheid door uit
tabel 3 de beveiliging te selecteren die het risico afdekken volgens
tabel 2.
3.8 Huishoudelijke toepassingen
Voor een aantal huishoudelijke toepassingen uit tabel 3 is voor de
beveiligingseenheid in relatie tot vloeistofklassen een uitzondering
Pagina 10 van 38 VEWIN WB 3.8
gemaakt. Deze uitzonderingen in beveiligingsniveau van tappunten
voor huishoudelijk gebruik zijn opgenomen in tabel 4.
Tabel 4: Beveiliging van tappunten voor huishoudelijk gebruik
Toestel Vloeistofklasse
Aangepast
beveiligingsniveau
Tapkraan met handdouche
op wastafel, douche, bad
met uitzondering van toilet
en bidet
5 Beveiligingseenheid
geschikt voor
vloeistofklasse 2 en EB, ED
en HC
Bad met vulopening lager
dan de badrand B
5 Beveiligingseenheid
geschikt voor
vloeistofklasse 3
Aansluitkraan voor
slangen A B
5 Beveiligingseenheid
geschikt voor
vloeistofklasse 3
Ingegraven tuin
irrigatiesysteem B
5 Beveiligingseenheid
geschikt voor
vloeistofklasse 4
A Toepassing voor wassen, schoonmaken en tuinsproeien.
B De beveiligingseenheid moet hoger worden gemonteerd dan het
hoogste werkingsniveau.
4. Kiwa Verklaring Waterleidingtechnische Veiligheid
Indien voor (gevaarlijke) toestellen een Verklaring Waterleidingtechnische
Veiligheid (WTV) van Kiwa is afgegeven, kunnen deze
toestellen zonder aanvullende beveiliging overeenkomstig de
bijbehorende installatievoorschriften op de drink- en
warmtapwaterinstallatie worden aangesloten.
De toestellen geleverd onder de Verklaring Waterleidingtechnische
Veiligheid moeten zijn voorzien van het Kiwa Waterleidingtechnisch
Veiligheidsmerk.
Als het waterleidingtechnische deel van een (gevaarlijk) toestel
afwijkend is van de soortgroep en/of als er uitzonderlijke
omgevingsomstandigheden aanwezig zijn, kan het waterleidingbedrijf
aanvullende eisen stellen met betrekking tot de toe te passen
beveiligingseenheid. Voor de wijze van opstellen van de
beveiligingseenheid ten opzichte van het (gevaarlijke) toestel, wordt
Pagina 11 van 38 VEWIN WB 3.8
verwezen naar 5 waar wordt ingegaan op de kenmerken van de
beveiligingseenheden.
5. Beveiligingen
In dit hoofdstuk worden de eigenschappen omschreven van
beveiligingseenheden zoals genoemd in tabel 3.
In de grafische weergave van de afzonderlijke beveiligingseenheden
worden de symbolen toegepast zoals omschreven in tabel 5.
Tabel 5: Symbolen
Afsluiter
Testkraan voor
drukmeting
Testkraan voor het
nemen van
watermonsters
Zeef
Zeef met aftap
Onderbroken afvoer
STR
STR
Pagina 12 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Omschrijving familie Code familie
Type Type beveiliging Code type
Symbool beveiligingseenheid
Het symbool is een gelijkzijdige zeshoek
met daarin de code zoals omschreven in de
eerste kolom van tabel 3: Matrix met
beveiligingseenheden in relatie tot
vloeistofklassen.
Dit symbool wordt gebruikt in tekeningen
om de beveiligingseenheid te omschrijven.
Grafisch symbool beveiligingseenheid
Het grafisch symbool is een uitwerking van
het symbool zoals omschreven in het vak
links.
Het grafisch symbool geeft de beveiliging en
de vereiste randapparatuur aan zoals de
afsluiter, zeef en controle- en aftapkraan.
Het grafische symbool kan worden gebruikt
om de beveiligingseenheid samen te stellen
met de benodigde randapparatuur.
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
In het ontwerpprincipe is
een principeschets
opgenomen van de
doorsnede van het
beveiligingstoestel zonder
de randapparatuur.
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Hier wordt een omschrijving opgenomen van het
ontwerpprincipe op hoofdcomponenten en de werking van
de beveiliging.
Producteisen
De producteisen zijn een omschrijving van de functionele eisen waaraan de beveiliging
moet voldoen. Er wordt verwezen naar een Nederlandse (Europese) norm, een
beoordelingsrichtlijn of een Werkblad.
Installatie-eisen
De installatie-eisen omschrijven de wijze van installeren van de beveiligingseenheid zodat
de werking zoals omschreven in de producteisen mag worden verwacht.
Pagina 13 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop boven rand A
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Een vrije uitloop boven een rand is een zichtbare,
onbelemmerde en volledige atmosferische onderbreking.
Deze onderbreking heeft een permanente en verticale
afstand tussen het laagste punt van de inlaatopening en het
hoogste oppervlak van het voorraadvat. Deze afstand wordt
bepaald door het maximale gebruiksniveau waarbij het
beveiligingstoestel overstroomt.
Producteisen
Indien er bij toepassing geen sprake is van terugpersing en/of schuimvorming mag de AA
beveiligingseenheid worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoering in Bijlage 2. Voor
alle overige toepassingen wordt verwezen naar NEN-EN 13076.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar het voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De richting van de volumestroom van de toevoerleiding naar het voorraadvat met een
atmosferische onderbreking (AA) moet uitstromen in de atmosferische omgeving,
moet naar beneden zijn gericht en mag geen grotere hoek met de verticaal maken dan
15°.
÷ Wanneer buizen worden gebruikt die niet rond van vorm zijn, zal de binnendiameter
van een ronde buis worden gebruikt om de vergelijke oppervlakte doorsnede te
bepalen van de niet ronde buizen.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AA
Pagina 14 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop met niet ronde
overloop B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een vrije uitloop met niet ronde overloop is een
permanente en verticale afstand tussen het laagste punt
van de inlaatopening en het hoogste kritische
waterniveau.
÷ De overloop moet een niet rond ontwerp hebben en de
maximale toevoer van water onder overdruk kunnen
afvoeren.
÷ De toevoer van water kan bestaan uit de volumestroom
om het voorraadvat te vullen en volumestr(o)om(en) die
kunnen terugstromen in het voorraadvat.
Producteisen
Indien er bij toepassing geen sprake is van terugpersing en/of schuimvorming mag de AB
beveiligingseenheid worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoering in Bijlage 2. Voor
alle overige toepassingen wordt verwezen naar NEN-EN 13077.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar het voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De inlaat mag niet in contact komen met producten benedenstrooms van die inlaat,
veroorzaakt door terugstroming, verbuiging of vervorming van de beveiligingseenheid.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AB
Pagina 15 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop met beluchte
ondergedompelde voeding en
overloop
C
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een vrije uitloop met beluchte ondergedompelde voeding
en overloop heeft een permanente en verticale afstand
tussen het laagste punt van de lucht inlaatopening en
het hoogste kritische waterniveau.
÷ De overloop moet een niet rond ontwerp hebben en de
maximale toevoer van water onder overdruk kunnen
afvoeren.
÷ De beluchte ondergedompelde voeding komt in
aanraking met het medium in voorraadvat.
Producteisen
Een beveiligingseenheid moet voldoen aan NEN-EN 13078.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar een voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AC
Pagina 16 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop met injector D
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een vrije uitloop met injector is een permanente
atmosferische onderbreking tussen de bovenstroomse
toevoeropening en de benedenstroomse inlaatopening.
÷ De permanente atmosferische onderbreking wordt
verkregen door de ruimte tussen de uitlaat van de
watertoevoer (links op de tekening) en de inlaat van het
voorraadvat (rechts op de tekening).
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet voldoen aan NEN-EN 13079.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar een voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AD
Pagina 17 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop met ronde
overloop F
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een vrije uitloop met ronde overloop is een permanente
en verticale onderbreking tussen het laagste punt van de
watertoevoer en het kritische waterniveau.
÷ De overloop moet een rond ontwerp hebben en de
maximale toevoer van water onder overdruk kunnen
afvoeren.
÷ Het verschil met de AB beveiligingseenheid is de vorm
van de overloop.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet voldoen aan NEN-EN 14622.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar een voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De inlaat mag niet in contact komen met welk product dan ook benedenstrooms van
die inlaat, veroorzaakt door terugstroming, verbuiging of vervorming van de
beveiligingseenheid.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AF
Pagina 18 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Atmosferische onderbreking A
Type Vrije uitloop met ronde
overloop beproefd met
vacuümtest
G
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Een vrije uitloop met ronde overloop beproefd met
vacuümtest AG is een permanente en verticale onderbreking
tussen het laagste punt van de watertoevoer en het
kritische waterniveau.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet voldoen aan NEN-EN 14623.
Installatie-eisen
÷ Een vlotterkraan of ander apparaat dat de volumestroom regelt naar een voorraadvat
moet stevig en onbeweegbaar zijn gemonteerd.
÷ De toevoerleiding naar een vlotterkraan of ander apparaat moet gefixeerd zijn en mag
niet kunnen buigen of knikken.
÷ De inlaat mag niet in contact komen met welk product dan ook benedenstrooms van
die inlaat, veroorzaakt door terugstroming, verbuiging of vervorming van de
beveiligingseenheid.
÷ De beveiligingseenheid zal niet op plaatsen worden gemonteerd waar overstroming
kan optreden.
AG
Pagina 19 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Controleerbare onderbreking B
Type
Terugstroombeveiliging met
verschildrukzone,
controleerbaar
A
Str.
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Met de waterdruk p1 wordt de verschildrukzone pi door het
membraan afgesloten van de atmosfeer waarna het water
kan gaan stromen van p1 naar p2. Indien bij p1 de
waterdruk wegvalt, zal ook de waterdruk boven het
membraan wegvallen waardoor de verschildrukzone weer
met de atmosfeer wordt verbonden en een scheiding
bewerkstelligt tussen p1 en p2.
Het controleren wordt uitgevoerd door het meten van de
(verschil)drukken tussen p1, pi en p2.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 12729. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 646 of 647 wordt geacht aan NEN-EN 12729
te zijn voldaan.
Installatie-eisen
÷ De beveiligingseenheid wordt horizontaal gemonteerd, met de afvoeropening naar
beneden gericht.
÷ Afsluiters moeten het mogelijk maken om, zonder de beveiliging te demonteren,
controles uit te voeren.
÷ De beveiligingseenheid wordt alleen geïnstalleerd tegen terugstroming waarbij de
afvoercapaciteit van de beveiligingseenheid niet zal worden overschreden.
÷ De beveiligingseenheid wordt zal niet op plaatsen worden geïnstalleerd waar
overstroming kan optreden.
÷ De beveiligingseenheid wordt moet makkelijk bereikbaar zijn.
÷ De beveiligingseenheid wordt moet worden geïnstalleerd in een geventileerde
omgeving (geen verontreinigde atmosfeer).
÷ De beveiligingseenheid wordt moet beschermd zijn tegen vorst en extreem hoge
temperaturen.
BA
Pagina 20 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Niet controleerbare
onderbreking C
Type
Terugstroombeveiliging met
verschildrukzone niet
controleerbaar
A
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Met de waterdruk p1 wordt de verschildrukzone pi door
afgesloten van de atmosfeer waarna het water kan gaan
stromen van p1 naar p2. Indien bij p1 de waterdruk
wegvalt, wordt de verschildrukzone weer met de atmosfeer
verbonden en een scheiding bewerkstelligt tussen p1 en p2.
Een CA is niet controleerbaar.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 14367 (zodra
beschikbaar). Indien het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 648 wordt geacht aan
NEN-EN 14367 te zijn voldaan.
Installatie-eisen
De beveiligingseenheid:
÷ zal niet op plaatsen worden geïnstalleerd waar overstroming kan optreden;
÷ moet geïnstalleerd worden in een geventileerd omgeving (geen verontreinigde
atmosfeer);
÷ moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen;
÷ wordt alleen geïnstalleerd tegen terugstroming waarbij de afvoercapaciteit van de
beveiligingseenheid niet zal worden overschreden;
÷ moet makkelijk bereikbaar zijn.
CA
Pagina 21 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Beluchters D
Type Beluchter met beweegbare
delen A
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een mechanisch toestel met een luchtinlaat dat wordt
gesloten door water met een druk groter dan
atmosferisch. Zodra de watertoevoer wordt onderbroken
of een onderdruk optreedt wordt er lucht toegelaten. De
luchtinlaat sluit weer waterdicht af zodra de waterdruk
terugkeert naar het gebruiksniveau.
÷ Bij een onderdruk zorgt de klep ervoor dat benedenstrooms
van de beveiliging lucht wordt toegelaten en de
watertoevoer afsluit.
÷ Het toestel beveiligt tegen terugheveling middels een
verbinding naar de atmosfeer. Het toestel beveiligt niet
tegen tegendruk.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 14451. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 628 wordt geacht aan NEN-EN 14451 te zijn
voldaan
1 Maximaal benedenstrooms niveau
Installatie-eisen
÷ h > 300 mm.
÷ Benedenstrooms van een DA mag geen
afsluitorgaan worden gemonteerd.
÷ De oppervlakte doorsnede van de
beveiliging moet minimaal gelijk zijn aan
de met de beveiliging verbonden
leidingwaterinstallatie.
÷ Geen installatie op plaatsen waar
overstroming kan optreden.
÷ Installatie in een geventileerde omgeving
(geen verontreinigde atmosfeer)
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme
temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
Installatie
DA
Pagina 22 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Beluchters D
Type
Atmosferische
contactonderbreker met
bewegend element
B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Pijponderbrekers met een elastisch membraan zijn
voorzien van luchtinlaten die zijn gesloten zodra er water
doorstroomt met een druk groter dan atmosferisch.
÷ Zodra de watertoevoer wordt onderbroken of een
onderdruk optreedt worden de waterdoorlaten afgesloten
en benedenstrooms lucht toegelaten. De luchtinlaten
sluiten weer waterdicht af zodra de waterdruk terugkeert
naar het gebruiksniveau.
÷ Het toestel beveiligt tegen terugheveling maar niet tegen
tegendruk.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 14452. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 14452 te zijn
voldaan
1 Maximaal benedenstrooms niveau
Installatie-eisen
÷ h > 150 mm
÷ Benedenstrooms de DB mag geen
afsluitorgaan worden gemonteerd.
÷ De diameter van de beveiliging moet
minimaal gelijk zijn aan de, met de
beveiliging verbonden, leidingwaterinstallatie.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ Geïnstalleerd worden in een geventileerde
omgeving (geen verontreinigde
atmosfeer).
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme
temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
Installatie
DB
Pagina 23 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Beluchters D
Type Beluchter zonder beweegbare
delen C
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Pijponderbrekers met een permanente verbinding met de
atmosfeer zijn voorzien van luchtinlaten. De luchtinlaten
zijn permanent volledig geopend.
÷ Het toestel beveiligt tegen terugheveling door de
verbinding met de atmosfeer zowel bovenstrooms als
benedenstrooms.
÷ Door de constructie van de beveiliging wordt het water
drukloos en is de beveiliging niet bestand tegen
terugpersing.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 14453. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 14453 te zijn
voldaan.
1 Maximaal benedenstrooms niveau
Installatie-eisen
÷ h > 150 mm
÷ Benedenstrooms de DC mag geen afsluitorgaan
worden gemonteerd.
÷ De diameter van de beveiliging moet
minimaal gelijk zijn aan de, met de beveiliging
verbonden, leidingwaterinstallatie.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ Geïnstalleerd worden in een geventileerd
omgeving (geen verontreinigde atmosfeer).
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn. Installatie
DC
Pagina 24 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Keerkleppen E
Type Controleerbare keerklep A
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een controleerbaar mechanisch beveiligingstoestel
voorzien van een afsluitorgaan en testkraan die stroming
toelaat in één richting.
÷ De klep opent automatisch zodra de druk in de
stroomrichting bovenstrooms het afsluitorgaan groter is
dan de druk benedenstrooms het afsluitorgaan.
÷ Zodra de druk benedenstrooms het afsluitorgaan hoger
is of er geen stroming is, wordt de klep gesloten door
een kracht, bijv. mechanische bediening of een veer.
÷ Door de toepassing van de testkraan en afsluiter
bovenstrooms van de keerklep is het mogelijk te
controleren of de keerklep terugstroming voorkomt en
niet doorlekt.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 13959. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 13959 te zijn
voldaan
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
EA
Pagina 25 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Keerkleppen E
Type Niet controleerbare keerklep,
inclusief inzet B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een niet controleerbaar mechanisch beveiligingstoestel
die stroming toelaat in één richting.
÷ De klep opent automatisch zodra de druk in de
stroomrichting bovenstrooms het afsluitorgaan groter is
dan de druk benedenstrooms het afsluitorgaan.
÷ Zodra de druk benedenstrooms het afsluitorgaan hoger
is of er geen stroming is wordt de klep gesloten door een
kracht, bijv. mechanische bediening of een veer.
÷ Deze keerklep is niet standaard controleerbaar. Sommige
appendages zijn zodanig uitgevoerd dat de keerklep wel
controleerbaar wordt, zoals inlaatcombinaties.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 13959. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 13959 te zijn
voldaan.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
EB
Pagina 26 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Keerkleppen E
Type Controleerbare dubbele
keerklep C
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een controleerbaar mechanisch beveiligingstoestel
voorzien van een afsluitorgaan en testkraan die stroming
toelaat in één richting.
÷ De klep opent automatisch zodra de druk in de
stroomrichting bovenstrooms het afsluitorgaan groter is
dan de druk benedenstrooms het afsluitorgaan.
÷ Zodra de druk benedenstrooms het afsluitorgaan hoger
is of er geen stroming is wordt de klep gesloten door een
kracht, bijv. een mechanische bediening of een veer.
÷ Door de toepassing van de testkraan en afsluiter
bovenstrooms van de keerklep is het mogelijk te
controleren of de keerklep terugstroming voorkomt en
niet doorlekt.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 13959. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 13959 te zijn
voldaan.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
EC
Pagina 27 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Keerkleppen E
Type Niet controleerbare dubbele
keerklep C
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Definitie
÷ Een niet controleerbaar mechanisch beveiligingstoestel
voorzien van een afsluitorgaan en testkraan die stroming
toelaat in één richting.
÷ De klep opent automatisch zodra de druk in de
stroomrichting bovenstrooms het afsluitorgaan groter is
dan de druk benedenstrooms het afsluitorgaan.
÷ Zodra de druk benedenstrooms het afsluitorgaan hoger
is of er geen stroming is wordt de klep gesloten door een
kracht, bijv. een mechanische bediening of een veer.
÷ Deze keerklep is niet standaard controleerbaar.
Producteisen
Het beveiligingstoestel moet op functionele aspecten voldoen aan NEN-EN 13959. Indien
het beveiligingstoestel voldoet aan BRL-K 629 wordt geacht aan NEN-EN 13959 te zijn
voldaan.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
ED
Pagina 28 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Controleerbare mechanische
onderbreker
G
Type Mechanische onderbreker,
direct gestuurd
B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een direct gestuurde onderbreker GA heeft twee
drukzones in doorstroompositie: bovenstrooms en
benedenstrooms. In de leeglooppositie (geen
doorstroming) zijn er 3 zones; bovenstrooms,
tussenzone en benedenstrooms.
÷ De GA gaat doorstromen zodra pf ⁄ ps + 50 kPa (50 kPa
= 0,5 bar).
÷ Het ontlastventiel opent bij een insteldruk ps × pstat + 50
kPa
÷ De ontlastpositie wordt bereikt bij een druk p0 × ps – 36
kPa
÷ Een GA heeft een vastgestelde ontlastvolumestroom en
de stand van het ontlastventiel is direct zichtbaar
middels een positie-indicator.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar
wordt de NEN-EN 13433 toegepast.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ De diameter van de beveiliging moet
minimaal gelijk zijn aan de, met de
beveiliging verbonden, leidingwaterinstallatie.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ Geïnstalleerd worden in een
geventileerde omgeving (geen
verontreinigde atmosfeer).
÷ De ontlastopening moet groot genoeg
zijn om de hoeveel water af te voeren.
÷ Veer = h (m) + 5 (m)
Installatie
GA
zeef
Pagina 29 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Controleerbare mechanische
onderbreker
G
Type Mechanische onderbreker,
hydraulisch gestuurd B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Een hydraulische gestuurde onderbreker GB heeft twee
drukzones in doorstroompositie: bovenstrooms en
benedenstrooms.
÷ In leeglooppositie (geen doorstroming) zijn er 3 zones:
bovenstrooms, tussenzone en benedenstrooms. Het
bovenstroomse veerbelaste afsluitorgaan met
ontlastvoorziening en de benedenstroomse keerklep
scheiden de tussendrukzone van de bovenstroomse en
benedenstroomse zone.
÷ Bij geen doorstroming moet de onderbreker in
ontlastpositie staan.
÷ Het ontlastventiel opent bij een drukverschil tussen de
bovenstroomse en benedenstroomse zone Εp × 15 kPa
(0,15 bar).
÷ De doorstroompositie wordt bereikt bij een drukverschil
Εp < 100 kPa (1 bar). ÷ Een GB heeft een vastgestelde ontlastvolumestroom en de stand van het ontlastventiel is direct zichtbaar middels een positie-indicator Producteisen Voor het beveiligingstoestel is (nog) geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar wordt NEN-EN 13434 toegepast. Installatie-eisen ÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen. ÷ Makkelijk bereikbaar zijn. ÷ De diameter van het beveiliging moet minimaal gelijk zijn aan de met de beveiliging verbonden leidingwaterinstallatie. ÷ Zal niet op plaatsen worden geïnstalleerd waar overstroming kan optreden. ÷ Geïnstalleerd worden in een geventileerd omgeving (geen verontreinigde atmosfeer). ÷ De ontlastopening moet groot genoeg zijn om de hoeveel water af te voeren. ÷ Het beveiligingstoestel moet horizontaal worden gemonteerd met de ontlastopening naar beneden. Kranen moeten het mogelijk maken het beveiligingstoestel te controleren. ÷ Het beveiligingstoestel kan worden toegepast bij terugheveling waarbij de ontlastcapaciteit niet wordt overschreden. GB Pagina 30 van 38 VEWIN WB 3.8 Familie Onderbreking aan het tappunt H Type Doorstroombeluchter voor slangaansluiting A Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool Ontwerpprincipe Werkingsprincipe ÷ Twee drukzones gescheiden door een keerklep. ÷ Zonder doorstroming is de keerklep gesloten en zijn de luchtinlaten geopend. ÷ Bij doorstroming is de keerklep geopend en zijn de luchtinlaten gesloten. Producteisen Voor het beveiligingstoestel is (nog) geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar wordt NEN-EN 14454 toegepast. Installatie-eisen ÷ De beveiliging mag niet permanent worden belast op tegendruk. ÷ Het benedenstroomse leidingdeel moet flexibel zijn en kunnen worden verwijderd met behulp van standaard gereedschap dan wel door toepassing van een slangpilaar met schroefdraadaansluiting. ÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme temperaturen ÷ Makkelijk bereikbaar zijn ÷ Zal niet op plaatsen worden geïnstalleerd waar overstroming kan optreden. ÷ De beveiliging moet verticaal worden gemonteerd. ÷ h > 200 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau
1 maximaal benedenstrooms niveau
Installatie
HA
Pagina 31 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Onderbreking aan het tappunt H
Type Anti-vacuümklep voor de
doucheslang B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Het vrij beweegbare afsluitorgaan sluit de luchtinlaten bij
stilstand en bij doorstroming.
÷ Bij terugheveling in de toevoerleiding werkt het vrij
beweegbare onderdeel als een keerklep en smoort de
toevoerleiding.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar
wordt de betreffende NEN-EN norm toegepast.
Installatie-eisen
÷ De beveiliging mag niet permanent
worden belast op tegendruk.
÷ Het benedenstroomse leidingdeel moet
flexibel zijn en kunnen worden
verwijderd.
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ De beveiliging moet verticaal worden
gemonteerd.
÷ h > 250 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau.
1: maximaal benedenstrooms niveau
HB
Pagina 32 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Onderbreking aan het tappunt H
Type Automatische omstelinrichting C
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
÷ Schakelt naar de douchestand na handmatige bediening.
÷ Schakelt automatisch terug naar de kraanuitloop en
onderbreekt door ontluchting naar de atmosfeer in geval
van:
÷ onderbreking van de doorstroming;
÷ terugheveling in de toevoerleiding.
÷ De kraanuitloop doet dienst als luchtinlaat.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is (nog) geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra
beschikbaar wordt de NEN-EN 14506 toegepast.
Installatie-eisen
÷ De douche-uitlaat mag niet worden
aangesloten op een vast leidingdeel.
÷ De beveiliging moet benedenstrooms
van het afsluitorgaan worden
gemonteerd.
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ De beveiliging moet in een geventileerde
omgeving worden gemonteerd (schone
omgeving).
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ h > 25 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau.
1 maximaal benedenstrooms niveau
Installatie
HC
Pagina 33 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Onderbreking aan het tappunt H
Type Doorstroombeluchter met
keerklep voor slangaansluiting D
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Definitie
÷ Deze beveiliging is een combinatie van een keerklep EB
en terughevelbeveiliging HB.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar
wordt de betreffende NEN-EN norm toegepast.
Installatie-eisen
÷ De beveiliging mag niet permanent worden
belast op tegendruk.
÷ Het benedenstroomse leidingdeel moet
flexibel zijn en kunnen worden verwijderd.
÷ De beveiliging moet verticaal worden
gemonteerd.
÷ De beveiliging moet benedenstrooms van het
afsluitorgaan worden gemonteerd.
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of extreme
temperaturen.
÷ De beveiliging moet in een geventileerde
omgeving worden gemonteerd (schone
omgeving).
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ Zal niet op plaatsen worden geïnstalleerd
waar overstroming kan optreden.
÷ h > 250 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau.
1 maximaal benedenstrooms niveau
Installatie
HD
Pagina 34 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Onderbreking aan het tappunt L
Type Drukbelaste beluchter A
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Definitie
Luchtinlaatkleppen in onder druk staande leidingen zijn
voorzien van een luchtinlaat die normaal gesloten is als het
water een gelijke of hogere druk heeft dan de atmosferische
druk. De klep opent bij een druk in de leiding lager dan
atmosferische druk en sluit weer zodra de watertoevoerdruk
terugkeert op de gebruikelijke toevoerdruk.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar
wordt NEN-EN 14455 toegepast.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ De beveiliging moet in een geventileerde
omgeving worden gemonteerd (schone
omgeving).
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ h > 300 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau.
÷ De diameter van de beveiliging moet
overeenkomen met de diameter van de
toevoerleiding.
1 maximaal benedenstrooms niveau
Installatie
LA
Pagina 35 van 38 VEWIN WB 3.8
Familie Onderbreking aan het tappunt L
Type Drukbelaste beluchter met
keerklep
B
Beveiligingseenheid – Symbool Beveiligingseenheid – Grafisch symbool
Ontwerpprincipe
Werkingsprincipe
Luchtinlaatkleppen in onder druk staande leidingen zijn
voorzien van een luchtinlaat die normaal gesloten is als het
water een gelijke of hogere druk heeft dan de atmosferische
druk. De klep opent bij een watertoevoerdruk lager dan
atmosferische druk en sluit weer zodra de watertoevoerdruk
weer terugkeert op de gebruikelijke toevoerdruk.
De LB is een LA met een geïntegreerde keerklep EB
benedenstrooms van LA gemonteerd.
Producteisen
Voor het beveiligingstoestel is geen Nederlandse norm beschikbaar. Zodra beschikbaar
wordt NEN-EN 14455 toegepast.
Installatie-eisen
÷ Moet beschermd zijn tegen vorst of
extreme temperaturen.
÷ De beveiliging moet in een geventileerde
omgeving worden gemonteerd (schone
omgeving).
÷ Makkelijk bereikbaar zijn.
÷ Zal niet op plaatsen worden
geïnstalleerd waar overstroming kan
optreden.
÷ h > 300 mm boven het maximale
benedenstroomse vloeistofniveau.
÷ De diameter van de beveiliging moet
overeenkomen met de diameter van de
toevoerleiding.
1 maximaal benedenstrooms niveau
Installatie
LB
Pagina 36 van 38 VEWIN WB 3.8
Bijlage 1 Tabel vloeistofklassen
1 Water voor menselijke consumptie Vloeistofklasse
1.1 Drinkwater 1
1.2 Drinkwater onder verhoogde druk 1
1.3 Stagnerend water2 2
1.4 Gekoeld water 2
1.5 Warm tapwater 2
1.6 Stoom (voor bereiding van voedsel, zonder
additieven 2
1.7 Behandeld water3 2
2
Water met additieven of in contact met
vloeistoffen of vaste stoffen andere dan
genoemd om vloeistofklasse 1
vloeistofklasse
2.1 Onthard water niet bedoeld voor menselijke
consumptie 3/44
2.2 Water + anticorrosiemiddel, niet bestemd voor
menselijke consumptie 3/4
2.3 Water + antivries 3/4
2.4 Water + algacide 3/4
2.5 Water + vloeibaar voedsel (vruchtensappen,
koffie, soep etc) 3/4
2.6 Water + voedsel 2
2.7 Water + alcohol 2
2.8 Water + wasmiddelen 3/4
2.9 Water + surfactants 3/4
2.10 Water + desinfectiemiddelen, niet bedoeld
voor menselijke consumptie 3/4
2.11 Water + reinigingsmiddelen 3/4
2.12 Water + koelmiddelen 3/4
3 Water voor andere toepassingen vloeistofklasse
3.1 Water voor het bereiden van voedsel 2
3.2 Water voor het wassen van groente en fruit 3/55
3.3 Voorwas- en waswater voor vaatwerk en
kookhulpmiddelen 5
3.4 Spoelwater voor vaatwerk en
kookhulpmiddelen 3
3.5 Centrale verwarmingswater zonder additieven 3
3.6 Rioolwater 5
3.7 Bad- en douchewater 5
3.8 Water in een stortbak van een toilet 3
3.9 Water in het toilet 5
3.10 Drinkwater voor dieren 5
3.11 Zwembad water 5
3.12 Water voor het wassen van kleding 5
3.13 Gesteriliseerd water 2
3.14 Gedeminiraliseerd water 2
2 Mede afhankelijk van temperatuur en materiaal gebruik
3 Behandeld water in installaties
4 Zie beschrijving LD 50 waarden
5 Vloeistofklasse 5 voor voorwassen en wassen, vloeistofklasse 3 voor spoelen
Pagina 37 van 38 VEWIN WB 3.8
Bijlage 2 Principetekeningen atmosferische onderbrekingen code AA en AB
2.1 Atmosferische onderbreking, vrije uitloop boven rand, code AA
÷ Afstand A × 2*D, met een minimum van 20 mm.
3
5
2
1
A
D
15°
1 Watertoevoerleiding
2 Watertoevoeropening (D)
3 Watervoorraadtank
4 Overloopniveau
Pagina 38 van 38 VEWIN WB 3.8
2.2 Atmosferische onderbreking, vrije uitloop met overloop, code AB
÷ Afstand A × 2*D, met een minimum van 20 mm;
÷ De oppervlaktedoorsnede van de overloop × 4 * de oppervlaktedoorsnede
van de watertoevoeropening;
÷ De afmeting van de overloop × 4 mm.
3
1
2
D
A
1 Watertoevoerleiding
2 Watertoevoeropening (D)
3 Watervoorraadtank