Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: ro_rbs_regeling.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

Nr. 1349
10 januari
2018
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister voor
Medische Zorg van 9 januari 2018, nr. IENM/BSK-2017/291098, houdende
vaststelling van nadere regels ter bescherming van personen tegen de
gevaren van blootstelling aan ioniserende straling (Regeling
basisveiligheidsnormen stralingsbescherming)
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid en de Minister voor Medische Zorg,
Gelet op Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen
voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling,
en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/
Euratom en 2003/122/Euratom (PbEG L 13/1) en Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011
tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte
splijtstof en radioactief afval (PbEU 2011, L 199);
Gelet op de artikelen 2.3, eerste lid, 3.2, eerste en vierde lid, 3.4, vierde lid, 3.6, derde lid, onder e, 3.17,
vijfde lid, 3.20, vierde lid, 3.22, derde lid, 4.7, eerste lid, 4.15, derde lid, 5.4, derde en vierde lid, 5.5,
derde lid, 5.7, zesde lid, 6.2, zesde lid, 6.7, eerste lid, 6.21, eerste en derde lid, 9.8, eerste lid, 9.10,
eerste en tweede lid, 10.4, derde lid, en 10.8, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming en artikel 76, derde lid, van de Kernenergiewet;
Gelet op de artikelen 1, 18, eerste lid, 19, 41, 41a en 42 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en
ertsen en de artikelen 1b, 1c, 2, 4c, 23, 27 en 32 van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en
radioactieve stoffen;
Gelet op artikel 33 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
BESLUITEN:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 (begripsomschrijvingen)
In deze regeling wordt verstaan onder:
besluit: Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming;
categorie 1-stof: radioactieve stof die is aangewezen als categorie 1-stof in bijlage 4.1 of die op grond
van de in die bijlage opgenomen voorwaarden behoort tot categorie 1;
categorie 2-stof radioactieve stof die is aangewezen als categorie 2-stof in bijlage 4.1 of die op grond
van de in die bijlage opgenomen voorwaarden behoort tot categorie 2;
categorie 3-stof: radioactieve stof die is aangewezen als categorie 3-stof in bijlage 4.1 of die op grond
van de in die bijlage opgenomen voorwaarden behoort tot categorie 3;
cyclotron: circulaire versneller;
diploma: diploma, certificaat of ander getuigschrift:
a. als bedoeld in de Tijdelijke regeling erkenning opleidingen deskundigen radioactieve stoffen en
toestellen 2013,
b. als bedoeld in de Regeling erkenning opleidingen deskundigen radioactieve stoffen zoals deze
regeling luidde op 19 juli 2003, of
c. dat is afgegeven door een erkende instelling;
erkende instelling: instelling als bedoeld in artikel 5.11 van het besluit;
erkenning: erkenning als bedoeld in artikel 5.11 van het besluit;
Minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
Ministers: Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
en Minister voor Medische Zorg;
opleiding: opleiding of opleidingen van de instelling waarvoor een erkenning is aangevraagd of
verleend;
opleidingsverantwoordelijke: persoon of personen die door de instelling zijn aangewezen voor de
borging van de kwaliteit van de opleiding;
STAATSCOURANT
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
1 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
register: register als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van het besluit;
stralingsbeschermingseenheid: stralingsbeschermingseenheid als bedoeld in artikel 5.9 van het
besluit.
HOOFDSTUK 2. RECHTVAARDIGING
Artikel 2.1 (generieke aanwijzing handelingen en maatregelen als gerechtvaardigd of nietgerechtvaardigd)
1. De in bijlage 2.1, onderdeel A, genoemde categorieën of soorten handelingen of maatregelen
worden generiek als gerechtvaardigd aangewezen overeenkomstig artikel 2.3, eerste lid, van het
besluit.
2. De in bijlage 2.1, onderdeel B, genoemde categorieën of soorten handelingen of maatregelen
worden generiek als niet-gerechtvaardigd aangewezen overeenkomstig artikel 2.3, eerste lid, van
het besluit.
HOOFDSTUK 3. CONTROLESTELSEL
§ 3.1. Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal
Artikel 3.1 (handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)
1. Als categorieën of soorten handelingen als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van het besluit,
waarbij van nature voorkomend radioactief materiaal is betrokken en werknemers of leden van de
bevolking daardoor een blootstelling ondergaan of kunnen ondergaan die vanuit het oogpunt van
stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd, worden aangewezen de in bijlage 3.1,
onderdeel A, genoemde categorieën of soorten handelingen.
2. Als handelingen met natuurlijke bronnen als bedoeld in artikel 3.2, vierde lid, van het besluit,
waarvoor vanuit het oogpunt van stralingsbescherming bezorgdheid bestaat dat een handeling
kan leiden tot de aanwezigheid van in de natuur voorkomende radionucliden in het water,
waardoor de kwaliteit van het drinkwater of andere blootstellingsroutes wordt of worden
beïnvloed, worden aangewezen de in bijlage 3.1, onderdeel B, genoemde handelingen.
§ 3.2. Vergunning, registratie en kennisgeving
Artikel 3.2 (complexvergunning)
Een complexvergunning is vereist:
a. in een onderneming en op locaties, indien in verschillende organisatieonderdelen of op verschillende
locaties door de ondernemer verschillende handelingen met in totaal meer dan 100 bronnen
worden verricht;
b. in specifieke overige door de Autoriteit bij de aanvraag om een vergunning aangewezen gevallen,
waarin sprake is van een qua risico’s vergelijkbaar complex van handelingen als bedoeld onder a.
Artikel 3.3 (aanwijzing van gevallen waarin bij een aanvraag om een vergunning gegevens m.b.t. een
beveiligingsplan, bedrijfsnoodplan of beëindigingsplan dienen te worden verstrekt)
In gevallen, waarin krachtens artikel 4.2, 6.2 of 10.1 een beveiligingsplan, bedrijfsnoodplan of
beëindigingsplan is vereist, worden bij een aanvraag om een vergunning gegevens met betrekking tot
die plannen verstrekt als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, aanhef en onderdeel e, van het besluit.
§ 3.3. Vrijstelling en vrijgave controlestelsel
Artikel 3.4 (vrijstelling radioactieve materialen)
1. Vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie voor onbeperkte
hoeveelheden als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit, zijn opgenomen in
bijlage 3.2, tabel A.
2. Vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van de totale activiteit als bedoeld in artikel 3.17,
vijfde lid, onderdeel a, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 3.2, tabel B, kolom 3.
3. Vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie voor handelingen
met matige hoeveelheden van elk type materiaal als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel b,
2 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 3.2, tabel B, kolom 2.
Artikel 3.5 (vrijgavewaarden radioactieve materialen)
Vrijgavewaarden voor radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie voor handelingen met
onbeperkte hoeveelheden radioactieve materialen als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van het
besluit, zijn opgenomen in bijlage 3.2, tabel A.
HOOFDSTUK 4. ALGEMENE REGELS VOOR BRONNEN EN HANDELINGEN IN GEPLANDE
BLOOTSTELLINGSITUATIES
§ 4.1. Beveiligingsplan
Artikel 4.1 (afbakening werkingssfeer)
Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en
splijtstoffen van toepassing is.
Artikel 4.2 (aanwijzing gevallen waarin een beveiligingsplan is vereist)
De verplichting tot het zorgen voor een beveiligingsplan krachtens artikel 4.7, eerste lid, van het
besluit, berust op de ondernemer die houder is van een vergunning voor het verrichten van handelingen
met categorie 1-, 2-, of 3-stoffen.
§ 4.2. Financiële zekerheid hoogactieve bronnen
Artikel 4.3 (financiële zekerheid hoogactieve bronnen)
Het minimumbedrag waarvoor per volume-eenheid af te voeren hoogactieve bron, de daarbij
behorende bronhouder en de vaste afscherming financiële zekerheid als bedoeld in artikel 4.15, derde
lid, van het besluit, wordt gesteld, bedraagt ! 175 per dm3, of gedeelte daarvan, af te voeren
materiaal.
HOOFDSTUK 5. INFORMATIE EN DESKUNDIGHEID
AFD. 5.1. STRALINGSBESCHERMINGSDESKUNDIGEN
§ 5.1.1. Eisen deskundigheid en opleiding
Artikel 5.1 (vereiste niveau van deskundigheid)
Deskundigheid van een stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, van het
besluit, voor een handeling waarvoor een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist of voor
een maatregel of blootstellingsituatie waarvoor een kennisgeving is vereist, is ten minste van het
niveau:
a. van een algemeen coördinerend deskundige, overeenkomstig artikel 5.2, voor:
1°. omvangrijke handelingen of handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende
straling vereisen en waarvoor een complexvergunning is vereist;
2°. handelingen waarvoor overeenkomstig artikel 5.28 een stralingsbeschermingseenheid wordt
vereist;
3°. door de Autoriteit bij beschikking of verordening aangewezen specifieke handelingen met een
aanmerkelijk risico; of
b. van een coördinerend deskundige, overeenkomstig artikel 5.4, voor andere dan in onderdeel a
bedoelde handelingen, maatregelen of blootstellingsituaties.
Artikel 5.2 (eisen stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend
deskundige)
1. Aan de eisen met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden van een stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, wordt voldaan, indien:
a. een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend
deskundige bij een erkende instelling is gevolgd, en
b. de deskundige beschikt over de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage
5.1, onderdeel B.
2. Aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens voldaan door een persoon die overeenkom-
3 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
stig paragraaf 5.1.3 heeft aangetoond te beschikken over competenties en kwalificaties die
gelijkwaardig zijn.
Artikel 5.3 (eisen opleiding stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige)
Een opleiding bij een erkende instelling tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
algemeen coördinerend deskundige:
a. voorziet cursisten van de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.1,
onderdeel B;
b. beschikt over faciliteiten die nodig zijn om cursisten van de kerncompetenties en overige kwalificaties,
bedoeld onder a, te voorzien;
c. beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging als bedoeld in de
artikelen 5.25 en 5.26;
d. heeft een opleidingsverantwoordelijke die is geregistreerd als stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a; en
e. verstrekt uitsluitend diploma’s tot algemeen coördinerend deskundige aan cursisten die de
opleiding, bedoeld in de aanhef, met goed gevolg hebben doorlopen.
Artikel 5.4 (eisen stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige)
1. Aan de eisen met betrekking tot de kennis, vaardigheden en bekwaamheden van een stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, wordt voldaan indien:
a. een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige
bij een erkende instelling is gevolgd, en
b. de deskundige beschikt over de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage
5.1, onderdeel C.
2. Aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, wordt tevens voldaan door een persoon die overeenkomstig
paragraaf 5.1.3 heeft aangetoond te beschikken over competenties en kwalificaties die
gelijkwaardig zijn.
Artikel 5.5 (eisen opleiding stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend
deskundige)
Een opleiding bij een erkende instelling tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige:
a. voorziet cursisten van de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.1,
onderdeel C;
b. beschikt over faciliteiten die nodig zijn om cursisten van de kerncompetenties en kwalificaties,
bedoeld onder a, te voorzien;
c. beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging als bedoeld in de
artikelen 5.25 en 5.26;
d. heeft een opleidingsverantwoordelijke die is geregistreerd als stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a; en
e. verstrekt uitsluitend diploma’s tot coördinerend deskundige aan cursisten die de opleiding,
bedoeld in dit artikel, met goed gevolg hebben doorlopen.
§ 5.1.2. Registratie (inschrijving register, herregistratie of buitengewone registratie)
Artikel 5.6 (registratie)
1. Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:
a. registratie: inschrijving in het register;
b. herregistratie: herinschrijving in het register;
c. buitengewone registratie: herregistratie waarbij wordt afgeweken van de eis, bedoeld in artikel
5.8, eerste lid, aanhef en onder b, of 5.9, eerste lid, aanhef en onder b.
2. Registratie, herregistratie of buitengewone registratie van een stralingsbeschermingsdeskundige
vindt plaats door de Autoriteit indien is voldaan aan de voorwaarden die krachtens deze paragraaf
daaraan worden gesteld.
Artikel 5.7 (criteria voor registratie)
1. Voor registratie als stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, is een
4 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige vereist.
2. Voor registratie als stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b, is een
diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend
deskundige vereist.
3. Registratie is eenmalig en kent een duur van vijf jaar.
Artikel 5.8 (criteria voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
algemeen coördinerend deskundige)
1. Voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel
a, is vereist:
a. een diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
algemeen coördinerend deskundige;
b. een werkgeversverklaring of ondernemersverklaring die aantoont dat diegene in de vijf jaar
voorafgaande aan de datum van de aanvraag minimaal 500 uur per jaar werkzaam is geweest
binnen het toepassingsgebied van ioniserende straling, en
c. documentatie waaruit blijkt dat diegene in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag conform
onderdeel A van bijlage 5.1, 200 punten heeft verdiend met kennisonderhoud binnen het
toepassingsgebied van ioniserende straling.
2. Een herregistratie kent een duur van maximaal vijf jaar.
Artikel 5.9 (criteria voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige)
1. Voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel
b, is vereist:
a. een diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige;
b. een werkgeversverklaring of ondernemersverklaring die aantoont dat diegene in de vijf jaar
voorafgaande aan de datum van de aanvraag minimaal 250 uur per jaar werkzaam is geweest
binnen het toepassingsgebied van ioniserende straling, en
c. documentatie waaruit blijkt dat diegene in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag conform
bijlage 5.1, onderdeel A, 120 punten heeft verdiend met kennisonderhoud binnen het toepassingsgebied
van ioniserende straling.
2. Een herregistratie kent een duur van maximaal vijf jaar.
Artikel 5.10 (criteria voor buitengewone registratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het
niveau van algemeen coördinerend deskundige)
1. Voor een buitengewone registratie als stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1,
onderdeel a, is vereist:
a. een eerdere registratie of herregistratie,
b. een diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
algemeen coördinerend deskundige, en
c. voldoen aan de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.1, onderdeel B.
2. Een buitengewone registratie kent een duur van maximaal vijf jaar.
Artikel 5.11 (criteria voor buitengewone registratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het
niveau van coördinerend deskundige)
1. Voor een buitengewone registratie als stralingsbeschermingsdeskundige als bedoeld in artikel 5.1,
onderdeel b, is vereist:
a. een eerdere registratie of herregistratie:
b. een diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige, en
c. voldoen aan de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.1, onderdeel C.
2. Een buitengewone registratie kent een duur van maximaal vijf jaar.
5 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
§ 5.1.3. Erkenning EU-beroepskwalificaties
Artikel 5.12 (begrippen)
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
algemene wet: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
aanvraag: aanvraag als bedoeld in artikel 5 van de algemene wet, tot het verlenen van erkenning van
beroepskwalificaties voor het beroep van stralingsbeschermingsdeskundige;
aanvrager: migrerende beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene wet die op grond
van deze regeling erkenning van zijn beroepskwalificaties aanvraagt voor het gereglementeerd beroep
van stralingsbeschermingsdeskundige.
Artikel 5.13 (aanvraag)
1. Een aanvraag wordt ingediend bij de Autoriteit.
2. De aanvrager overlegt de documenten, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a tot en met d,
van de algemene wet. Op verzoek van de Autoriteit worden ook de documenten, bedoeld in
onderdeel e of f van het genoemde artikel, overgelegd.
3. Desgevraagd verschaft de aanvrager tevens de informatie, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de
algemene wet.
Artikel 5.14 (aanpassingsstage of proeve van bekwaamheid)
1. Indien bij de toepassing van artikel 11, eerste, tweede en derde lid, van de algemene wet is
gebleken dat de kennis, vaardigheden en bekwaamheden van de aanvrager wezenlijk verschillen
van de daaraan gestelde eisen, bedoeld in artikel 5.5, derde lid, van het besluit, en dat het
daardoor noodzakelijk is dat een aanpassingsstage wordt doorlopen of een proeve van bekwaamheid
wordt afgelegd, maakt de aanvrager zijn keuze tussen de aanpassingsstage of de proeve van
bekwaamheid kenbaar, tenzij artikel 11, vijfde lid, van de algemene wet van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, kan, in geval artikel 11, zesde lid, van de algemene wet van
toepassing is, worden bepaald dat zowel een aanpassingsstage wordt doorlopen als een proeve
van bekwaamheid wordt afgelegd.
3. Bij de toepassing van dit artikel wordt artikel 11, zevende en achtste lid, van de algemene wet in
acht genomen.
Artikel 5.15 (aanpassingsstage)
Indien de aanvrager voor een aanpassingsstage in aanmerking wenst te komen, stelt de Autoriteit
vast:
a. de inhoudsgebieden of onderdelen van inhoudsgebieden waarop de aanpassingsstage betrekking
heeft,
b. de duur van de aanpassingsstage,
c. in voorkomend geval, de aanvullende opleiding die deel uitmaakt van de aanpassingsstage, en
d. de wijze waarop de aanpassingsstage wordt beoordeeld.
Artikel 5.16 (proeve van bekwaamheid)
Indien de aanvrager voor een proeve van bekwaamheid in aanmerking wenst te komen, stelt de
Autoriteit vast:
a. met betrekking tot welke inhoudsgebieden of onderdelen van inhoudsgebieden de proeve wordt
afgelegd, en
b. de wijze waarop en de termijn waarbinnen de diverse onderdelen van de proeve zullen worden
afgenomen.
Artikel 5.17 (kosten)
De kosten die samengaan met de aanvraag, zoals het in behandeling nemen van de aanvraag, de
afgifte van de beslissing op de aanvraag en het organiseren van een proeve van bekwaamheid en van
een aanpassingsstage, kunnen, met inachtneming van artikel 33, derde lid, van de algemene wet, ten
laste van de aanvrager komen.
6 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.18 (afwijzen aanvraag)
De aanvraag wordt afgewezen, indien de aanvrager de aanpassingsstage of de proeve van bekwaamheid
niet met goed gevolg heeft volbracht of de daaraan verbonden kosten niet heeft voldaan.
Artikel 5.19 (intrekken afgegeven erkenning EU-beroepskwalificatie)
Indien na afgifte van de erkenning van de EU-beroepskwalificaties is gebleken, dat de bij de aanvraag
overgelegde documenten niet geldig, vals of vervalst waren, wordt de erkenning ingetrokken en
vervangen door een afwijzing van de aanvraag.
Artikel 5.20 (tijdelijke en incidentele dienstverrichting)
1. Voorafgaand aan de eerste dienstverrichting in Nederland door een dienstverrichter als bedoeld in
artikel 21 van de algemene wet, in een functie die gewoonlijk wordt uitgeoefend door een
stralingsbeschermingsdeskundige, overlegt deze dienstverrichter aan de Autoriteit de documenten,
bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel a tot en met d, van de algemene wet. Op verzoek
van de Autoriteit worden ook de documenten, bedoeld in onderdeel e of f, van het genoemde
artikel, overgelegd.
2. Onverminderd het eerste lid, overlegt de dienstverrichter die een functie wil gaan verrichten die
gewoonlijk door een stralingsbeschermingsdeskundige wordt uitgeoefend, voorafgaande aan de
eerste dienstverrichting in Nederland aan de afnemer van zijn dienst, de gegevens, bedoeld in
artikel 29, onder a tot en met d, van de algemene wet.
Artikel 5.21 (informatieplichten IMI)
1. Ten behoeve van de uitvoering van artikel 31b van de algemene wet, informeert de Autoriteit
onmiddellijk de Minister en de Minister wie het aangaat nadat een migrerende beroepsbeoefenaar
door een rechterlijke instantie of een andere bij of krachtens de wet bevoegde instantie in
Nederland schuldig is bevonden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties in verband met
een procedure als bedoeld in de hoofdstukken 2, 3 en 3a van de algemene wet of de daarop
gebaseerde bepalingen van deze regeling.
2. Onverminderd het eerste lid, verstrekt de Autoriteit de Minister en de Minister wie het aangaat op
diens verzoek alle informatie die hij nodig heeft ten behoeve van de uitvoering van de algemene
wet.
AFDELING 5.2. TOEZICHTHOUDEND MEDEWERKER STRALINGSBESCHERMING
Artikel 5.22 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming)
1. Een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming heeft voor toepassingen die behoren tot
een hierna genoemde categorie een opleiding gevolgd die voldoet aan de eisen, genoemd in het
bijbehorend onderdeel van bijlage 5.2:
a. medische toepassingen: bijlage 5.2, onderdeel A;
b. tandheelkunde:
1°. basisniveau: bijlage 5.2, onderdeel B-1;
2°. Conebeam CT (CBCT): bijlage 5.2, onderdeel B-2;
c. diergeneeskunde: bijlage 5.2, onderdeel C;
d. splijtstofcyclus:
1°. niveau C: bijlage 5.2, onderdeel D-1;
2°. niveau B: bijlage 5.2, onderdeel D-2;
e. verspreidbare radioactieve stoffen:
1°. niveau B: bijlage 5.2, onderdeel E-1;
2°. niveau C: bijlage 5.2, onderdeel E-2;
3°. niveau D: bijlage 5.2, onderdeel E-3;
f. handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal: bijlage 5.2, onderdeel F;
g. versnellers: bijlage 5.2, onderdeel G;
h. industriële radiografie: bijlage 5.2, onderdeel H;
i. meet- en regeltoepassingen: bijlage 5.2, onderdeel I.
2. Een opleiding bij een erkende instelling voorziet een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
voor een in het eerste lid bedoelde toepassing van de bijbehorende kerncompetenties
en overige kwalificaties, bedoeld in het desbetreffende onderdeel van bijlage 5.2.
7 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
3. Een opleiding bij een erkende instelling als bedoeld in het tweede lid:
a. beschikt over faciliteiten die nodig zijn om cursisten van de kerncompetenties en overige
kwalificaties, bedoeld in dat lid, te voorzien;
b. beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging, bedoeld in de
artikelen 5.25 en 5.26;
c. beschikt over een opleidingsverantwoordelijke die is geregistreerd als stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b;
d. verstrekt uitsluitend diploma’s voor de desbetreffende toepassing aan cursisten die een
opleiding als bedoeld in het eerste lid met goed gevolg hebben afgerond.
AFDELING 5.3. EISEN AAN OPLEIDINGEN VOOR MEDISCH-RADIOLOGISCHE
HANDELINGEN
Artikel 5.23 (eisen opleidingen voor medisch-radiologische handelingen)
1. Een opleiding bij een erkende instelling voor opleidingen voor medisch-radiologische handelingen
voorziet een persoon als bedoeld in het tweede, derde of vierde lid van de in die leden bedoelde
kerncompetenties en overige kwalificaties.
2. Voor andere medische specialisten als bedoeld in artikel 3 van de Regeling stralingsbescherming
medische blootstelling, onder wiens verantwoordelijkheid medisch-radiologische handelingen
worden uitgevoerd: de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.3, onderdeel
A.
3. Voor radiotherapeuten-oncoloog als bedoeld in artikel 3 van de Regeling stralingsbescherming
medische blootstelling: de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.3,
onderdeel B.
4. Voor radiologen als bedoeld in artikel 3 van de Regeling stralingsbescherming medische blootstelling:
de kerncompetenties en overige kwalificaties, bedoeld in bijlage 5.3, onderdeel C.
Artikel 5.24 (eisen opleidingen voor medisch-radiologische handelingen, vervolg)
Een opleiding bij een erkende instelling voor opleidingen voor medisch-radiologische handelingen:
a. beschikt over faciliteiten die nodig zijn om cursisten van de kerncompetenties, bedoeld in artikel
5.23, te voorzien;
b. beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging als bedoeld in de
artikelen 5.25 en 5.26;
c. beschikt over een opleidingsverantwoordelijke die is geregistreerd als stralingsbeschermingsdeskundige
als bedoeld in artikel 5.1, onderdeel b;
d. verstrekt uitsluitend diploma’s voor medisch-radiologische handelingen aan cursisten die een
opleiding als bedoeld in artikel 5.23 met goed gevolg hebben afgerond.
AFDELING 5.4. KWALITEITSBORGING ERKENDE INSTELLINGEN
Artikel 5.25 (eisen procedures en examens)
Een opleiding aan een erkende instelling beschikt over adequate procedures ten behoeve van de
kwaliteitsborging van de examens indien:
a. een examenreglement is vastgesteld waarbij ten minste is geregeld:
1°. de samenstelling van de examencommissie, voor wat betreft de vereiste deskundigheid op het
gebied van stralingsbescherming en didactiek;
2°. de betrokkenheid van een ambtenaar van de Autoriteit of van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport indien het een medische opleiding betreft;
3°. de duur en wijze van examineren;
4°. de geheimhouding van de examenopgaven;
5°. de beoordelingsnormen en de normen voor slagen, herexamens en afwijzen;
6°. bepalingen omtrent een practicum;
7°. een beroepsprocedure en een klachtenprocedure over het examen;
8°. een regeling voor de examinering van kandidaten met dyslexie of een arbeidshandicap;
b. de opleidingsverantwoordelijke na afloop van elk examen een examenverslag vaststelt;
c. de instelling aan iedere kandidaat het examenreglement kenbaar maakt;
d. het schriftelijk examenwerk gedurende ten minste een jaar na afloop van het examen wordt
bewaard en op verzoek van de cursist voor hem ter inzage wordt gelegd.
8 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.26 (eisen procedures en diploma’s)
Een opleiding aan een erkende instelling beschikt over adequate procedures ten behoeve van de
kwaliteitsborging van de diploma’s, hetgeen in ieder geval omvat dat:
a. de instelling een model heeft vastgesteld voor het diploma van de opleiding;
b. verstrekte diploma’s worden ondertekend door de voorzitter van de examencommissie en door de
erkende instelling;
c. de instelling over een actueel administratiesysteem beschikt waarin cursisten, geaccordeerde
scoringslijsten en uitgegeven diploma’s van de opleiding worden geregistreerd.
AFDELING 5.5. ORGANISATIE DESKUNDIGHEID
§ 5.5.1. Organisatie algemeen
Artikel 5.27 (verplichtingen ondernemer)
1. De ondernemer zorgt ervoor dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zo vaak
als nodig, maar in ieder geval jaarlijks voor 1 juni, over het voorafgaande kalenderjaar verantwoording
aan de ondernemer aflegt door middel van een rapportage.
2. De rapportage bevat een opsomming van de activiteiten in dat kalenderjaar in het kader van de
stralingsbescherming en de resultaten daarvan.
3. De rapportage wordt opgeslagen in het beheersysteem en bevat in ieder geval:
a. een overzicht van de uitgevoerde taken, bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van het besluit;
b. mutaties in de organisatie van de stralingsbescherming, en
c. een beschrijving van calamiteiten en stralingsincidenten.
§ 5.5.2 Stralingsbeschermingseenheid
Artikel 5.28 (vereiste aanwezigheid stralingsbeschermingseenheid)
1. De aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist in gevallen waarin overeenkomstig
artikel 3.2 een complexvergunning is vereist.
2. De aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is voorts vereist binnen inrichtingen als
bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet, waarop het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en
ertsen van toepassing is.
3. Bij andere vergunningen dan bedoeld in het eerste of tweede lid kan worden bepaald dat de
aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, indien in de desbetreffende
onderneming:
a. handelingen worden verricht die naar het oordeel van de Autoriteit overeenkomen met
gevallen als bedoeld in het eerste lid of een inrichting als bedoeld in het tweede lid, en
b. naar het oordeel van de Autoriteit een beheersysteem is vereist, dat vergelijkbaar is met dat in
de ondernemingen of inrichtingen, bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 5.29 (nadere regels taken, bevoegdheden en werkwijze stralingsbeschermingseenheid)
Indien de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid wordt vereist, beschikt de ondernemer
over een interne regeling stralingsbescherming, waarin in ieder geval is vastgelegd:
a. de doelstellingen en uitgangspunten van het beheersysteem;
b. het werkingsgebied;
c. de stralingsbeschermingsorganisatie, met een omschrijving van de verantwoordelijkheden, taken,
bevoegdheden van de bij het verrichten van handelingen betrokken organisatie-onderdelen en
werknemers, alsmede het interne toezicht en de rapportage daarover;
d. de formatieve omvang van de stralingsbeschermingseenheid, de vereiste deskundigen en de
aanvullend benodigde administratieve of technische ondersteuning;
e. een verbod om zonder interne toestemming handelingen te verrichten;
f. een beheersysteem van interne toestemmingen;
g. werkwijzen en procedures voor handelingen inclusief de toelatingseisen voor werknemers of
blootgestelde werknemers, registratieverplichtingen en periodieke controles;
h. een plan voor de inzameling, de opslag en de overdracht van radioactief afval; en
i. een calamiteitenregeling voor incidenten of ongevallen met bronnen.
9 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.30 (taken stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend
deskundige in de stralingsbeschermingseenheid)
De stralingsbeschermingsdeskundige, bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a, in de stralingsbeschermingseenheid
heeft tot taak:
a. het voorbereiden en opstellen van het stralingsbeschermingsbeleid en het adviseren over dit
beleid;
b. het voorbereiden en, indien daartoe gemandateerd, verlenen van interne toestemmingen;
c. het houden van intern toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen en van de voorschriften
in de interne regeling, in de stralingsbeschermingsvoorschriften en in de interne
toestemmingen;
d. het kennisgeven van de nieuwe toepassingen aan de Autoriteit, voor zover de verplichting tot
kennisgeving volgt uit een voorschrift in de vergunning;
e. het beheren en onderhouden van een deugdelijke administratie van relevante gegevens die
betrekking hebben op de stralingsbescherming, op de stralingstoepassingen en de bronnen; en
f. het zo vaak als nodig, maar in ieder geval jaarlijks voor 1 juni over het voorafgaande kalenderjaar,
zorgdragen voor een rapportage over de stralingsbescherming aan de ondernemer en de
Autoriteit.
HOOFDSTUK 6. ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE BLOOTSTELLING
§ 6.1. Stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties
Artikel 6.1 (systeem voor het registreren en analyseren van stralingsincidenten, ongevallen of
radiologische noodsituaties)
De verplichting tot het invoeren en in werking houden van een systeem voor het registreren en
analyseren van stralingsincidenten, ongevallen of radiologische noodsituaties, bedoeld in artikel 6.2,
zesde lid, van het besluit, berust op de in artikel 4.2, aangewezen vergunninghouders.
Artikel 6.2 (bedrijfsnoodplan)
De verplichting tot het zorgen voor een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, van het
besluit, berust op de in artikel 4.2 aangewezen ondernemer.
§ 6.2. Bouwmaterialen
Artikel 6.3 (aanwijzing bouwmaterialen)
1. Als bouwmaterialen, bedoeld in artikel 6.21, eerste lid, van het besluit, worden aangewezen de in
bijlage 6.1 genoemde bouwmaterialen.
2. In geval met toepassing van de in artikel 6.21, tweede lid, van het besluit bedoelde methode door
de ondernemer is bepaald dat er een gerede kans is dat het referentieniveau van 1 millisievert in
een kalenderjaar als bedoeld in artikel 9.10, achtste lid, van het besluit wordt overschreden, doet
de ondernemer ter uitvoering van artikel 6.21, derde lid, van het besluit een kennisgeving aan de
Autoriteit.
HOOFDSTUK 7.
(gereserveerd).
HOOFDSTUK 8. MEDISCHE BLOOTSTELLING
Artikel 8.1 (eisen aan medisch-radiologische apparatuur)
De ondernemer zorgt ervoor dat:
a. indien nieuwe apparatuur in gebruik wordt genomen, deze, indien uitvoerbaar, een voorziening
heeft die de stralingsdosis tijdens een radiologische verrichting aangeeft;
b. bij een toestel waarmee radiodiagnostische verrichtingen worden toegepast, een filter wordt
gebruikt teneinde de stralingsbelasting van de patiënt te beperken;
c. een toestel beschikt over een vaste of automatische diafragma-instelling zodat de randen van de
röntgenbundel zichtbaar zijn, tenzij het mammografisch of tandheelkundig onderzoek betreft;
d. een toestel waarmee radiodiagnostische verrichtingen worden toegepast is voorzien van een
diafragma of tubus met het doel de röntgenbundel te beperken tot het juiste gebied;
e. het diafragma een middel bevat om afmetingen van de bundel vooraf te kunnen aangeven;
10 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
f. een toestel, geschikt voor doorlichting, bij cumulatief doorlichten frequent een akoestisch signaal
afgeeft.
HOOFDSTUK 9. BLOOTSTELLING VAN LEDEN VAN DE BEVOLKING
Artikel 9.1 (dosisbeperking registratieplichtige handelingen)
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een multifunctionele individuele dosis verstaan: een
effectieve dosis die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige
wijze dat dit de hoogst mogelijke dosis geeft.
2. De ondernemer zorgt ervoor dat bij het verrichten van een handeling, behorend tot een categorie
als genoemd in artikel 3.10, derde lid, van het besluit, waarvoor een registratie is vereist:
a. de bijdrage aan de effectieve dosis voor personen op enig punt buiten de locatie ten gevolge
van die handelingen zo laag als redelijkerwijs mogelijk is, en
b. de multifunctionele individuele dosis op enig punt buiten de locatie in geen geval de waarde
van 10 microsievert per kalenderjaar overschrijdt.
3. In geval van handelingen met van nature voorkomende radionucliden waar de schade ten gevolge
van die handelingen bepaald en getoetst wordt via de externe straling ten gevolge van de
besmetting van enig niet-bereikbaar oppervlak, geldt met het oog op de stralingsbescherming dat,
indien de externe straling onder normale bedrijfsomstandigheden op 0,1 meter afstand van enig
bereikbare buitenzijde van een bron een hoger omgevingsdosisequivalenttempo veroorzaakt dan
10 microsievert per uur, zodanige maatregelen worden genomen dat voor die handelingen een
dosisbeperking van 1 millisievert effectieve dosis in een kalenderjaar wordt gehanteerd.
Artikel 9.2 (referentieniveaus)
1. Voor blootstelling van leden van de bevolking in een radiologische noodsituatie geldt een
referentieniveau als bedoeld in artikel 9.8, eerste lid, onder a, van het besluit van 100 millisievert
als acute effectieve dosis of jaarlijkse effectieve dosis.
2. Voor blootstelling van leden van de bevolking in de transitie van een radiologische noodsituatie
naar een bestaande blootstellingsituatie, in het bijzonder bij de beëindiging van langetermijnbeschermingsmaatregelen
zoals vestiging elders, geldt een referentieniveau als bedoeld in artikel
9.8, eerste lid, onder b, van het besluit van 20 millisievert als jaarlijkse effectieve dosis.
3. Voor blootstelling van leden van de bevolking in een bestaande blootstellingsituatie geldt een
referentieniveau als bedoeld in artikel 9.10, eerste lid, van het besluit, van 20 millisievert als
jaarlijkse effectieve dosis.
HOOFDSTUK 10. HET BEHEER EN HET ZICH ONTDOEN VAN RADIOACTIEVE
AFVALSTOFFEN
Artikel 10.1 (aanwijzing categorieën van gevallen waarin een beëindigingsplan vereist is)
In gevallen behorend tot de volgende categorieën handelingen zorgt de ondernemer voor een
beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8, eerste lid, van het besluit:
a. handelingen met een versneller die deeltjes met een energie van meer dan 20 mega-elektronvolt
produceert of handelingen met een cyclotron die deeltjes met een energie van meer dan 8
mega-elektronvolt produceert;
b. handelingen ten behoeve van olie- of gasexploratie of olie- of gasproductie als bedoeld in bijlage
3.1, onderdeel A, onderdeel 4, waarbij van nature voorkomend radioactief materiaal voorhanden
is;
c. handelingen ten behoeve van kolengestookte energieproductie als bedoeld in bijlage 3.1,
onderdeel A, onderdeel 14, of
d. handelingen ten behoeve van thermische fosforproductie als bedoeld in bijlage 3.1, onderdeel A,
onderdeel 7.
HOOFDSTUK 11. INTREKKING EN WIJZIGING OVERIGE REGELINGEN
Artikel 11.1 (intrekking)
De Uitvoeringsregeling stralingsbescherming en de Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik
van ioniserende straling worden ingetrokken.
11 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 11.2 (wijziging Regeling nucleaire drukapparatuur)
De Regeling nucleaire drukapparatuur wordt als volgt gewijzigd:
1. Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op artikel 19 van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen in
samenhang met artikel 4.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
2. Artikel 8, tweede volzin, komt te luiden:
Zij zendt het rapport aan de vergunninghouder en aan de Autoriteit.
Artikel 11.3 (wijziging Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen)
In artikel 3, tweede lid, van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen wordt
‘werknemer als bedoeld in artikel 1 van het Besluit stralingsbescherming’ vervangen door: werknemer
als bedoeld in artikel 1.2 juncto bijlage 1 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Artikel 11.4 (wijziging Regeling detectie radioactief besmet schroot)
De Regeling detectie radioactief besmet schroot wordt als volgt gewijzigd:
1. In artikel 1 wordt ‘omgevingsdosisequivalenttempo: hetgeen daaronder wordt verstaan in het
Besluit stralingsbescherming’ vervangen door: omgevingsdosisequivalenttempo: hetgeen daaronder
wordt verstaan in bijlage 1 juncto bijlage 2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
2. Na artikel 1 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op artikel 6b van het besluit.
Artikel 1b
Degene die een inrichting drijft met een vergunning krachtens artikel 15 of 29 van de wet voor het
voorhanden hebben van radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen, welke vergunning mede
omvat het onvoorzien in ontvangst nemen van schroot met een verhoogd stralingsniveau waarbij
de kans bestaat dat diegene in het bezit kan komen van radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen,
beschikt over een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 van het Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming.
Artikel 11.5 (wijziging bijlage bij artikel 1, § 1.1, van de Regeling indicatieve vaststelling
reikwijdte Dienstenwet)
De bijlage bij artikel 1 van de Regeling indicatieve vaststelling reikwijdte Dienstenwet wordt als volgt
gewijzigd:
1. In Hoofdstuk 1, § 1.1 – Vergunningstelsels van de Rijksoverheid, worden de rijen van de tabel waar
in de kolommen staat ‘Ministerie van Infrastructuur en Milieu – Besluit stralingsbescherming – artikel
4, eerste en zevende lid’ tot en met ‘Ministerie van Infrastructuur en Milieu – Besluit stralingsbescherming
– artikel 123’ vervangen door de onderstaande rijen:
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 2.3, eerste en derde lid
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 7.23
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 7.15, tweede lid
12 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 5.9, derde lid
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikelen 3.5 jo. 3.8; 3.9 jo. 3.10
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 7.13, eerste lid
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 7.17. tweede lid
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 11.7
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 10.6, vijfde, zesde en zevende
lid
2. In Hoofdstuk 1, § 1.2 – Eisen van de Rijksoverheid, worden de rijen van de tabel waar in de
kolommen staat ‘Ministerie van Infrastructuur en Milieu- Besluit stralingsbescherming-artikel 31,
eerste, tweede en vierde lid’, respectievelijk ‘Ministerie van Infrastructuur en Milieu – Besluit stralingsbescherming
– artikel 120’ vervangen door de onderstaande rijen:
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Ministerie van Infrastructuur en
Waterstaat
Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Artikel 4.2
Artikel 11.6 (wijziging Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen)
In de bijlage behorend bij artikel 1 van de Regeling vaststelling gereglementeerde beroepen wordt in
de kolom behorend bij ‘Infrastructuur en milieu’ in de alfabetische rangschikking toegevoegd:
stralingsbeschermingsdeskundige.
Artikel 11.7 (wijziging Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties)
De Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties wordt als volgt gewijzigd:
1. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a. De begripsomschrijving behorend bij ‘stralingsincident’ komt te luiden: stralingsincident als bedoeld
in artikel 1.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in samenhang met bijlage 1
van dat besluit.
b. De begripsomschrijving behorend bij ‘werknemer’ komt te luiden: werknemer als bedoeld in artikel
1.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming in samenhang met bijlage 1 van dat
besluit.
2. In artikel 14, derde lid, onder d, wordt ‘het interventieplan, bedoeld in artikel 115 van het Besluit
stralingsbescherming’ vervangen door: het onderdeel ‘interventies’ van een bedrijfsnoodplan,
bedoeld in artikel 6.8, eerste lid, van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
HOOFDSTUK 12. NADERE OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 12.1 (nadere regels overgangsrecht, algemeen)
Indien in een vergunning, ontheffing of andere beschikking, die voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling is verleend op grond van de wet of een daarop gebaseerde algemene maatregel van
bestuur of ministeriële regeling, wordt verwezen naar een bepaling of bijlage van het Besluit
stralingsbescherming of van een op dat besluit gebaseerde ministeriële regeling, geldt die verwijzing
met ingang van dat tijdstip als een verwijzing naar de volgens de concordantietabel, opgenomen in de
nota van toelichting bij het besluit, overeenkomstige bepaling van het besluit of van de op die
bepaling gebaseerde bepaling van een ministeriële regeling of verordening.
Artikel 12.2 (nadere regels overgangsrecht vergunningen, algemeen)
Indien een vergunning die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling is verleend
13 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
krachtens het Besluit stralingsbescherming, krachtens artikel 12.5, derde of zesde lid, van het besluit
wordt aangemerkt als een registratie, blijven de aan die vergunning verbonden voorschriften,
voorwaarden en beperkingen met ingang van dat tijdstip van kracht, tenzij strijdig met de bij of
krachtens het besluit voor de desbetreffende handeling of bron gestelde algemene regels.
Artikel 12.3 (nadere regels overgangsrecht, vervoer)
1. Voor zover een handeling meldingsplichtig was ingevolge het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen
en radioactieve stoffen, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit, en
voor deze handeling een vergunningplicht is gaan gelden ingevolge het Besluit vervoer splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen, als gewijzigd door artikel 13.2 van het besluit, wordt binnen een
jaar na dat tijdstip een aanvraag om een vergunning ingediend. De melding of globale melding
geldt als tijdelijke vergunning tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk
is geworden, doch uiterlijk tot het tijdstip waarop de melding of globale melding zou zijn vervallen.
2. Voor zover ingevolge het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen, zoals dat
luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit, een vergunning is verleend voor een
handeling die ingevolge het besluit kennisgevingsplichtig is geworden, geldt die vergunning met
ingang van dat tijdstip als een kennisgeving, tot het tijdstip waarop de vergunning zou zijn
ingetrokken of zou zijn vervallen.
Artikel 12.4 (nadere regels overgangsrecht; sommatie)
Indien in een vergunning, ontheffing of andere beschikking, die voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling is verleend op grond van de wet of een daarop gebaseerde algemene maatregel van
bestuur of ministeriële regeling, wordt verwezen naar een in de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming
opgenomen sommatiemethode, geldt die verwijzing met ingang van dat tijdstip als een
verwijzing naar de overeenkomstige methode, bedoeld in artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit, met
inachtneming van artikel 3.17, tweede en derde lid, van het besluit.
Artikel 12.5 (nadere regels overgangsrecht, sommatie met Asom of Csom)
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ‘Asom’ of ‘Csom’ verstaan: de gewogen sommatie
van de activiteit of activiteitsconcentratie van de natuurlijke radionucliden, volgens de in bijlage
7.2 behorende bij artikel 7.3 van de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming, zoals deze luidde
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, aangegeven methode, waarbij voor de
wijze van uitvoering van de gewogen sommatie wordt verwezen naar bijlage 1.2 behorende bij
artikel 1.2, tweede lid, van de genoemde regeling.
2. Indien in een vergunning, ontheffing of andere beschikking, die voor het tijdstip van inwerkingtreding
van deze regeling is verleend op grond van de wet of een daarop gebaseerde algemene
maatregel van bestuur of ministeriële regeling, een voorschrift, voorwaarde of beperking is
opgenomen waarin een waarde wordt bepaald met behulp van de begrippen ‘Asom’ of ‘Csom’,
blijft die waarde met de daaraan ten grondslag liggende berekeningsmethode, bedoeld in het
eerste lid, ook na het genoemde tijdstip onverminderd van toepassing.
Artikel 12.6 (nadere regels overgangsrecht, financiële zekerheid hoogactieve bronnen)
In gevallen waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling op grond van het Besluit
stralingsbescherming een verplichting tot financiële zekerheidstelling voor een hoogactieve bron gold,
wordt binnen drie maanden na dat tijdstip aan artikel 4.3 voldaan.
Artikel 12.7 (nadere regels overgangsrecht, reguliere procedure Awb voor vergunningen voor
bepaalde handelingen met van nature voorkomende radionucliden)
Artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de
voorbereiding van een beschikking op een aanvraag om vergunning voor handelingen met van nature
voorkomende radionucliden, met dien verstande dat in deze gevallen voor ‘handelingen met open
bronnen’ wordt gelezen ‘handelingen met van nature voorkomende radionucliden’ en dat bij de
sommatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, wordt getoetst aan de vrijstellingswaarden
voor de totale activiteit, bedoeld in bijlage 3, onderdeel B, tabel B, kolom 3, van het besluit of
bijlage 3.2, tabel B, kolom 3, van deze regeling.
14 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
HOOFDSTUK 13. SLOTBEPALINGEN
Artikel 13.1 (inwerkingtreding)
1. Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming in werking treedt.
2. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na de datum van
uitgifte van het koninklijk besluit waardoor het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
in werking treedt, treedt deze regeling, in afwijking van het eerste lid, in werking met ingang
van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt zij
terug tot en met de datum van inwerkingtreding van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Artikel 13.2 (citeertitel)
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark
De Minister voor Medische Zorg,
B.J. Bruins
15 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
BIJLAGEN BIJ DE REGELING BASISVEILIGHEIDSNORMEN STRALINGSBESCHERMING
Bijlage bij hoofdstuk 2. Rechtvaardiging, optimalisatie, dosislimitering
Bijlage 2.1, behorend bij artikel 2.1 (aanwijzing van categorieën of soorten gerechtvaardigde of
niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen).
Bijlagen bij hoofdstuk 3. Controlestelsel
Bijlage 3.1, behorend bij artikel 3.1 (aanwijzing van handelingen met van nature voorkomend
radioactief materiaal).
Bijlage 3.2, behorend bij de artikelen 3.4 en 3.5 (vrijstellings- en vrijgavewaarden).
Bijlage bij hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande
blootstellingsituaties
Bijlage 4.1, behorend bij de artikelen 1.1 en 4.2 (begrippen en indeling van radioactieve stoffen in
categorieën met het oog op het beveiligingsplan).
Bijlagen bij hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid
Bijlage 5.1, behorend bij afdeling 5.1, de paragrafen 5.1.1 en 5.1.2 (eisen deskundigheid en opleiding
stralingsbeschermingsdeskundigen).
Bijlage 5.2, behorend bij afdeling 5.2 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend medewerker
stralingsbescherming).
Bijlage 5.3, behorend bij afdeling 5.3 (eisen opleidingen medisch-radiologische handelingen).
Bijlage bij hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling
Bijlage 6.1, behorend bij artikel 6.3, eerste lid (lijst van grondstoffen en bouwmaterialen die gezien de
uitgezonden gammastraling in aanmerking moeten worden genomen, omdat ze kunnen leiden tot een
overschrijding van het desbetreffende referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar en om
die reden aandacht vragen vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming).
Bijlage bij hoofdstuk 2. rechtvaardiging, van de regeling basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming
Bijlage 2.1, behorend bij artikel 2.1 (aanwijzing van categorieën of soorten gerechtvaardigde of
niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen).
Bijlage 2.1, onderdeel A. Categorieën of soorten gerechtvaardigde handelingen en
maatregelen.
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
I Onderzoeks- en Industriële toepassingen
I.A Ingekapselde bronnen voor:
I.A.1 Meet- en regel
techniek
¨ diktemeting ¨ meten en regelen van of binnen
diverse productie-processen
¨ optimalisatie van processen
¨ dichtheidsmeting ¨ kostenbesparing
¨ niveaumeting ¨ veiliger en betrouwbaarder
procesvoering
¨ gramgewichtsmeting (bijv.
bandweegmeting)
¨ reduceren van milieubelasting
door geringere uitval van productie
¨ vochtigheidsmeting ¨ geen contact met procesmedium,
dus geringere toxische belasting bij
onderhoud
¨ concentratiemeting
¨ verplaatsingsmeting
¨ debietmeting
¨ samenstelling olie-, gas en water
mengsels meten
I.A.2 IJking ¨ diverse ijkbronnen ¨ testen en ijken van diverse
apparatuur en stoffen
¨ optimaliseren van processen,
meet- en regelsystemen en
analyseopstellingen
¨ voorkomen van te grote of te
kleine bestralingen
16 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
I.A.3 Analyse ¨ gaschromatografie ¨ analyseren van bepaalde stoffen
en materialen
¨ benutting van fysische mogelijkheden
¨ elementenanalyse m.b.v. neutronenactivering
¨ controle kwaliteit producten en
productproces, dus minder afval en
minder gevaar bij gebruik
¨ stofmonitoring ¨ vermeerdering van kennis
¨ stofemissiemeting
¨ röntgenfluorescentie-analyse
¨ bètascoop (bepaling dikte dunne
metaallagen)
I.A.4 Niet destructief onderzoek (NDO) ¨ transmissie en backscatter ¨ verkrijgen van inzicht in de
kwaliteit van een te onderzoeken
object (controle) zonder dit object te
beschadigen
¨ verhoging integriteit van
procesinstallaties
¨ gammagrafie ¨ optimalisatie van processen
¨ neutronenactivering ¨ tijd- en kostenbesparing
¨ neutronenradiografie ¨ benutting van fysische mogelijkheden
¨ vermeerdering van kennis
I.A.5 Afscherming of ballast met behulp
van verarmd uranium
¨ afscherming van relatief grote
stralingsbronnen
¨ ballast of afscherming ¨ benutting van fysische mogelijkheden
¨ ballast- en uitbalanceermateriaal,
bijv. in de uiteinden van vleugels
van vliegtuigen
¨ kostenbesparing
¨ hergebruik
I.A.6 Productbewerking ¨ voedseldoorstraling ¨ steriliseren, desinfecteren en
bewerking van materialen
¨ optimalisatie van processen
¨ sterilisatie ¨ benutting van fysische mogelijkheden
¨ modificatie van plastic folie en
²solid state² materialen
¨ verbetering volksgezondheid
I.A.7 Procestechnologisch onderzoek ¨ gammatransmissie, gammabackscatter
en neutronenbackscatter met
mobiele bronnen
¨ karakterisering en opsporing van
storingen in chemische processen
¨ optimalisatie van processen
¨ verstoppingen in leidingen
opsporen
¨ doelmatiger plannen van
onderhoud
¨ werking destillatiebronnen
onderzoeken
¨ opsporen oorzaken processtoringen
¨ aangroeiing in procesapparaten
en depositie in leidingen meten
¨ tijdige signalering van onveilige
situaties
I.A.8 Exploratie onderzoek ¨ gammabackscatter t.b.v.
dichtheidsmetingen van gesteenten
in gas- en olievelden via boorputten
¨ verhoging rendement olie- en
gasvelden
¨ optimalisatie ontginning van
energiebronnen
¨ neutronenbackscatter voor
opsporen water-, gas- en olievelden
via boorputten
¨ betere benutting van energievoorraden
¨ beter in beeld brengen van
energiereserves
I.A.9 (Consumenten)
producten
¨ aanwijsinstrumenten2 (klokken,
horloges, navigatie-instrumenten)
¨ (nood) verlichting ¨ vermindering van (mogelijk)
gevaar
¨ lampen (H-3, Kr-85, Th-228,
Th-230, Thorium (Th-232 en Th-228
inclusief vervalproducten en Th-230)
¨ bevorderen ontsteking van
lampen of betere werking
¨ effectiviteit
¨ starters (H-3 en
Kr-85)
¨ bevordering ontsteking van
(TL-)lampen
¨ elektronische componenten ¨ snellere werking
Luminescente vluchtwegaanduiding
¨ helderheid
¨ luminescente noodverlichting in
bijv. vliegtuigen en bioscopen
¨ helderheid
¨ luminescente bronnen in
richtmiddelen op dienstwapen
politie
¨ veilig kunnen gebruiken van een
dienstwapen bij slecht licht
¨ voorkomen van gevaarstelling
personen bij gebruik dienstwapen
¨ ionisatie rookmelders voor
bedrijfsmatige toepassingen
¨ beeldschermen
I.A.10 Ontsteking ¨ spark gap tubes H-3 en Ni-63 ¨ ontsteking olie of gas brander
door middel van hoge energie
ontsteeklans
¨ optimalisatie van processen
17 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
¨ veiliger en betrouwbaarder
procesvoering
¨ kostenbesparing
I.B Open bronnen bij:
I.B.1 Procesindustrie ¨ ertsverwerkende industrie ¨ bewerken van primaire en
secundaire grondstoffen in de
procesindustrie
¨ verbetering van marktpositie
¨ olie- en gaswinning ¨ bevordering van investeringen
¨ minerale delfstoffen en -zanden ¨ bevordering hergebruik
¨ pigmentindustrie ¨ vermindering afvalstromen
¨ thoriumverwerkende industrie ¨ benutting natuurlijke voorraden
¨ chemische industrie ¨ verbetering maatschappelijke
aspecten
I.B.2 Energie-opwekking ¨ kolencentrales ¨ elektriciteitsproductie ¨ elektriciteits-productie
¨ aardgasstook ¨ energieproductie ¨ energieproductie
¨ kernenergiecentrale Borssele ¨ het Strategisch Akkoord (mbt tot
de Kerncentrale Borssele)
¨ olie- en gastransport
¨ geothermie
I.B.3 Onderzoek en experimenten ¨ industriële-, onderzoeks- en
ziekenhuisradio-nuclidenlaboratoria
¨ uitvoering van experimenten ¨ bevordering van kennis
¨ Hoge Flux Reactor ¨in vivo onderzoek ¨ benutten van fysische mogelijkheden
¨ Hoger Onderwijs Reactor ¨ labeling ¨ optimalisatie van processen
¨ kernfysisch- en materiaalonderzoek
¨ verbetering volksgezondheid
¨ bevordering van kennis en inzicht
I.B.4 Tracermetingen ¨ verrichten van biologisch en/of
milieukundig onderzoek in het vrije
veld
¨ tracermetingen ¨ kostenbesparing
¨ tracermetingen in de industrie
t.b.v. procestechnologisch onderzoek
¨ optimalisatie van processen
¨ tracermetingen t.b.v. olie- en
gaswinning (stromen)
¨ verhoging veiligheid
¨ debietmetingen ¨ benutten van fysische mogelijkheden
¨ karakterisering procesvoering
(bijv. bepaling menging, verblijftijd,
kortsluitingen, dode volumina etc)
I.B.5 Productie van onderzoeks- en
therapeutische middelen
¨ productie van radiofarmaca ¨ vervaardigen radioactieve stoffen
t.b.v. medisch onderzoek of therapie
¨ (volks)gezondheid
¨ productie van Mo/Tc- en
Kr-generatoren
¨ wetenschappelijk onderzoek ¨ optimalisatie van processen
¨ Hoge Flux Reactor ¨ industriële toepassingen ¨ industriële behoeften
¨ cyclotron
I.B.6 Verhoging van de massieke
activiteits-concentratie van U-235
¨ verrijking via ultracentrifuge ¨ geschikt maken van uraniumerts
of gebruikte brandstof voor
(her)gebruik als brandstof
¨ benutting natuurlijke voorraden
¨ verbetering marktpositie
¨ toelevering brandstof kernreactoren
I.B.7 Schoonmaken of decontamineren ¨ schoonmaken van vervuilde
apparatuur en installatieonderdelen
¨ schoonmaken t.b.v. product- of
materiaal (her)gebruik
¨ voorkomen van grote hoeveelheden
radioactief afval
¨ scales verwijderen ¨ schoonmaken ten behoeve van
scheiden van afval
¨ bevorderen hergebruik
¨ sanering vervuilde grond
I.B.8 Bouwmaterialen ¨ materialen voor grond-, weg- en
waterbouw
¨ toepassingen bij grote constructies
zoals wegen, dijken etc.
¨ (her)gebruik van primaire en
secundaire grondstoffen uit de
procesindustrie
I.C Toestellen en/of versnellers voor:
I.C.1 Analyse en onderzoek d.m.v.
ioniserende straling
¨ röntgendiffractie-apparaat ¨ analyses ¨ bevordering van kennis
¨ röntgenspectrograaf ¨ fluorescentie-analyse ¨ benutten van fysische mogelijkheden
18 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
I.C.2 Doorlichten van objecten m.b.v.
ioniserende straling
¨ doorlichten van bagage ¨ opsporing wapens, drugs etc. ¨ voorkoming of opsporing van
misdrijven
¨ industriële radiografie ¨ verkrijgen van inzicht in de
kwaliteit van een te onderzoeken
object (controle) zonder dit object te
beschadigen
¨ verhoging integriteit van
procesinstallaties
¨ röntgengrafie ¨ geautomatiseerd sorteren van
metalen
¨ optimalisatie van processen
¨ tijds- en kostenbesparing
¨ benutting van fysische mogelijkheden
I.C.3 Doorlichten van objecten m.b.v.
ver-snellers
¨ doorlichten van containers in
havens en vliegvelden
¨ opsporing ¨ voorkoming of opsporing van
misdrijven
I.C.4 Onderzoek m.b.v. versnellers ¨ cyclotron ¨ onderzoek ¨ bevordering van kennis
¨ lineaire versnellers ¨ experimenten
¨ Van der Graaff-generatoren ¨ diagnosestelling
¨ elektronenmicroscoop
I.C.5 Productie van elektronica m.b.v.
ionen-implantatie
¨ ionenimplantatie t.b.v. chipindustrie
¨ controle kwaliteit chips ¨ kostenbesparing
I.C.6 Productie van radionucliden m.b.v.
versnellers
¨ productie van I-123 en FDG-18 ¨ medische toepassingen ¨ verbetering volksgezondheid
¨ (wetenschappelijk) onderzoek ¨ bevordering kennis
¨ industriële toepassingen ¨ optimalisatie van processen
I.C.7 Meet- en regeltechniek ¨ toestel of versneller ¨ diktemetingen ¨ optimalisering van processen
¨ kostenbesparing
¨ veiliger en betrouwbaarder
procesvoering
I.C.8 Productbewerking ¨ vervaardigen materialen ¨ bewerking van materialen ¨ optimalisatie van processen
¨ benutting van fysische mogelijkheden
I.D Toepassingen die zowel met ingekapselde bronnen, open bronnen als toestellen en/of versnellers kunnen plaatsvinden:
I.D.1 Onderwijs ¨ natuurkunde onderwijs op
middelbare scholen, in het
beroepsonderwijs en op de
universiteit
¨ onderwijs waarbij bronnen
worden gebruikt
¨ bevordering kennis
¨ stralingshygiënische opleidingen ¨ onderwijs in het toepassen van
bronnen
¨ opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige
of toezichthoudend
medewerker stralingsbescherming
I.D.2 Demonstraties ¨ exposities bij wetenschappelijke
vergaderingen
¨ demonstratie producten ¨ verkoopbevordering
¨ beurzen
I.D.3 Oefeningen ¨ brandweeroefeningen ¨ oefenen in het detecteren van
bronnen
¨ vermindering van gevaar
¨ veiligheidsoefeningen ¨ bevorderen van kennis
I.D.4 Afvalverwerking en afvaldeponie ¨ erkende ophaaldienst radioactief
afval
¨ afvalverwerking ¨ gecontroleerde en beheersbare
afvaldeponie of -verwerking
¨ afvaldeponie ¨ opslag van afval
I.D.5 Eerste hulp bij ongewenste situaties
door het veiligstellen en indien
nodig afvoeren bij derden van
radioactieve stoffen of splijtstoffen
of ertsen, in het geval van het
onverwacht of niet gepland en
ongewild aanwezig zijn van die
stoffen bij die derden en die derden
niet gerechtigd zijn die stoffen
voorhanden te hebben
¨ schroot- en afvalverwerkers,
veembedrijven, container terminals,
onderhouds- en servicebedrijven
voor de olie en gasproductiebedrijven
¨ opheffen van een ongewenste en
illegale situatie
¨ vermindering van (mogelijk)
gevaar voor mens en milieu
¨ veiligstellen of het afvoeren van
bij derden onbevoegd voorhanden
zijnde stoffen
¨ opheffen van illegale situaties
I.D.6 Ontmantelen installatie of versneller,
inclusief de door de toepassing
veroorzaakte besmetting of
activering van installaties en
bouwdelen
¨ kernenergiecentrale ¨ veilig demonteren en voor afvoer
gereedmaken
¨ gecontroleerde en veilige
ontmanteling
¨ (proces)installatie
¨ cyclotron
19 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
¨ lineaire versnellers
¨ Van der Graaf generatoren
¨ elektronenmicroscoop
I.D.7 (wetenschappelijk) onderzoek en
experimenten
¨ industriële-, onderzoeks- en
ziekenhuislaboratoria
¨ uitvoering van experimenten ¨ bevorderen van kennis en inzicht
¨ in vivo en in vitro onderzoek ¨ benutten van fysische mogelijkheden
¨ optimalisatie van processen
¨ verbeteren volksgezondheid
¨ bevorderen van kwaliteit
II Medische en veterinaire toepassingen3
II.A Medische praktijk met toestellen en/of versnelllers en open- of ingekapselde bronnen:
II.A.1 Therapie ¨ therapie m.b.v. toestellen of
versnellers
¨ curatieve of palliatieve therapie
i.v.m. de behandeling van kanker,
littekenweefsel of andere huiddefecten
en voor pijnbestrijding etc.
¨ individuele gezondheid
¨ therapie of simulatie- of planningsdoeleinden
t.b.v. therapie
¨ volksgezondheid
¨in vivo nucleair geneeskundige
therapie
¨ brachytherapie / telecurie
¨ Boron Neutron Capture Therapy
(in HFR) -> a + Li-7 kern
II.A.2 Onderzoek van personen op
medische indicatie
¨ statische afbeelding en/of
doorlichting; gefixeerd of mobiel
¨ verkrijgen van informatie over de
medische toestand van een patiënt
(diagnostiek)
¨ individuele gezondheid
¨ interventie radiologie en/of
cardiologie
¨ de bevordering van de keuze
en/of uitvoering van therapie
¨ volksgezondheid
¨ tandheelkundige of kaakchirurgische
opnamen
¨ ondersteuning bij in vivo diagnostiek
¨ ondersteuning bij urologische,
pulmonologische, chirurgische of
anaesthesiologische procedures
¨ CT-scan
¨ PET-scan
¨ in vivo en in vitro nucleair
geneeskundig onderzoek
II.A.3 (Bio)medisch onderzoek bij vrijwilligers
¨ uittesten nieuwe radiofarmaca ¨ bevordering medische kennis
omtrent diagnostische en therapeutische
technieken
¨ volksgezondheid
¨ uittesten nieuwe onderzoeks- of
therapeutische technieken
¨ vermeerdering van kennis
II.A.4 Preventie of vroeg-diagnostiek bij
bevolkings-groepen en individuen
¨ radiologisch onderzoek m.b.v.
mammografie
¨ vroege detectie van ziekten of
afwijkingen
¨ volksgezondheid
¨ tuberculose longonderzoek ¨ individuele gezondheid
¨ preventief onderzoek, bijv.
preoperatief
¨ arbeidsgeneeskundig onderzoek
II.A.5 Niet-medische beeldvorming ¨ het radiologisch onderzoek van
personen vanwege verzekeringstechnische
overwegingen of
vanwege het in of op het lichaam
opsporen van verboden voorwerpen
of stoffen
¨ verkrijgen van inzicht in de fysieke
toestand van personen
¨ zekerstelling
¨ voorkoming van lichamelijk
onderzoek
¨ voorkoming van misdrijven
II.B Veterinaire praktijk met toestellen en/of versnellers en open- of ingekapselde bronnen:
II.B.1 Diagnostiek ¨ diagnostiek ¨ diagnostiek bij dieren ¨ bevordering van kennis
¨ nucleaire geneeskunde ¨ zonder de toepassing doel vaak
niet haalbaar
II.B.2 Therapie ¨ radiotherapie ¨ therapie bij dieren ¨ bevordering van kennis
20 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
NR Categorie of soort Voorbeelden Doel Argumenten rechtvaardiging1
¨ nucleaire geneeskunde ¨ zonder de toepassing doel vaak
niet haalbaar
1 Voor alle toepassingen gelden in meer of mindere mate de argumenten ‘werkgelegenheid’, ‘de verhoging van gemak’ en ‘economische of sociale voordelen voor
de maatschappij’.
2 Bepaalde aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, zijn voor ‘civiel’ gebruik niet te rechtvaardigen en daarom
ingevolge het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming verboden.
3 Voor zover het de blootstelling van het personeel of leden van de bevolking ten gevolge van onderzoek of therapie van anderen of dieren betreft en niet de blootstelling
van personen of dieren die zelf een onderzoek of therapie ondergaan.
NR Categorie of soort Doel Argumenten rechtvaardiging
III Vervoer en opslag in verband met vervoer, en het binnen en/of buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen, van splijtstoffen, ertsen en
radioactieve stoffen (inclusief radioactieve afvalstoffen en splijtstof of erts bevattende afvalstoffen)
III.A Vervoer:
III.A.1 Het binnen en/of buiten Nederlands grondgebied
(doen) brengen, het vervoeren op Nederlands
grondgebied van splijtstoffen die vallen onder
de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en
splijtstoffen, naar een ontvanger die gerechtigd
is om deze stoffen te ontvangen. Een bewijsstuk
wordt overlegd, waaruit blijkt dat de ontvanger
gerechtigd is deze stoffen te ontvangen.
¨ aan- en afvoer van splijtstoffen binnen, van,
naar en door Nederland
¨ indien de ontvanger gerechtigd is om de
splijtstoffen die vallen onder de Regeling
beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen
voorhanden te hebben, is het binnen en/of
buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen,
het vervoeren op Nederlands grondgebied
gerechtvaardigd.
III.A.2 Het binnen en/of buiten Nederlands grondgebied
(doen) brengen, het vervoeren op Nederlands
grondgebied van splijtstoffen die niet vallen
onder de Regeling beveiliging nucleaire
inrichtingen en splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen naar een ontvanger die gerechtigd
is om deze stoffen te ontvangen.
¨ aan- en afvoer van splijtstoffen, ertsen en
radioactieve stoffen binnen, van, naar en door
Nederland
¨ indien de ontvanger gerechtigd is om de
splijtstoffen die niet vallen onder de Regeling
beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen voorhanden
te hebben, is het binnen en/of buiten Nederlands
grondgebied (doen) brengen, het
vervoeren op Nederlands grondgebied gerechtvaardigd
III.A.3 Het vervoer van radioactieve afvalstoffen en
splijtstof of erts bevattende afvalstoffen door
een erkende ophaaldienst van deze stoffen
¨ afvoer van radioactieve afvalstoffen en
splijtstof of erts bevattende afvalstoffen door
een erkende ophaaldienst
¨ gecentraliseerde radioactief afvalberging bij
een aangewezen instelling
III.A.4 Het vervoer van radioactieve afvalstoffen en
splijtstof of erts bevattende afvalstoffen naar een
aangewezen instelling voor de ontvangst van
deze stoffen
¨ afvoer van radioactieve afvalstoffen en
splijtstof of erts bevattende afvalstoffen naar een
aangewezen instelling
¨ gecentraliseerde radioactief afvalberging bij
een aangewezen instelling
III.A.5 Het vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen die in bezit zijn genomen door een
daartoe aangewezen instelling of persoon
¨ afvoer van in bezit genomen splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen
¨ bij inbeslagname moeten de splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen veilig worden
gesteld
III.A.6 Het vervoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen in situaties zoals bedoeld in I.D.5
naar een locatie waar nader onderzoek kan
plaatsvinden of een locatie van een ondernemer
die gerechtigd is die stoffen voorhanden te
hebben
¨ afvoer van splijtstoffen, ertsen en radioactieve
stoffen bij derden die niet gerechtigd zijn deze
stoffen voorhanden te hebben
¨ bij niet gepland of onverwacht aantreffen van
splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
moeten deze stoffen veilig worden gesteld
III.A.7 Opslag in verband met vervoer1, indien het
desbetreffende vervoer splijtstoffen, ertsen en
radioactieve stoffen gerechtvaardigd is
¨ tijdelijk opslag dat nodig is om splijtstoffen,
ertsen en radioactieve stoffen te kunnen
vervoeren (onder andere bij overslag)
¨ noodzakelijk onderdeel van vervoer en dus
gerechtvaardigd
III.B In-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
en splijtstof of erts bevattende afvalstoffen:
III.B.1 In-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen
en splijtstof of erts bevattende afvalstoffen,
naar een ontvanger die gerechtigd is om de
radioactieve afvalstoffen en splijtstof of erts
bevattende afvalstoffen voorhanden te hebben
en schriftelijk bekend gemaakt is dat het
transitland of het land van bestemming deze
stoffen accepteert
¨ aan- en afvoer van radioactieve afvalstoffen en
splijtstof of erts bevattende afvalstoffen
¨ indien de ontvanger gerechtigd is om de
radioactieve afvalstoffen en splijtstof of erts
bevattende afvalstoffen voorhanden te hebben,
is de in-, uit- en doorvoer van deze stoffen
gerechtvaardigd
1 Er is slechts sprake van opslag in verband met vervoer, indien deze opslag in het kader van het vervoer noodzakelijk is en in beginsel niet langer duurt dan twee
werkdagen. Indien een langere periode noodzakelijk is, dient dit te worden gemotiveerd.
Bijlage 2.1, onderdeel B. Categorieën of soorten niet-gerechtvaardigde handelingen en
maatregelen.
Nr Categorie of soort Voorbeelden Doel Argument
I (Consumenten) producten:
21 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Categorie of soort Voorbeelden Doel Argument
I.A Opzettelijke toevoeging van
radioactieve stoffen aan speelgoed,
sieraden of cosmetische producten
¨ verfraaiing ¨ nut van de toepassing weegt niet
op tegen de schade
¨ verboden in Richtlijn 2013/59/
EURATOM
I.B Gebruik van schoenfluoroscopen en
kryptoscopen
¨ kindervoet-metingen in normale
schoenwinkels
¨ voetmetingen voor juiste
schoenen
¨ nut van de toepassing is
onvoldoende aantoonbaar
¨ voordelen zijn zeer gering ten
opzichte van het nadeel voor leden
van de bevolking en werkers
I.C Toepassing van radiumhoudende
korsetten, etc.
¨ vermeende gezondheidsvoordelen
¨ nut van de toepassing is niet
aantoonbaar;
¨ vermeende voordelen zijn niet
aantoonbaar en wegen daarom niet
op tegen het gezondheidsnadeel
I.D Toepassing van radioactieve
bliksemafleiders
¨ vermeende betere werking ¨ fysisch werkings-mechanisme is
niet aangetoond
I.E Diverse toepassingen van luminescente
bronnen
¨ in visdobbers ¨ visdobber bij nacht waar te
nemen
¨ goede alternatieven voorhanden
¨ bij het labellen van dieren ¨ om dieren ’s nachts te kunnen
volgen
¨ het beperkte voordeel weegt niet
op tegen het nadeel van potentiële
en oncontroleerbare blootstelling
¨ het gebruik en bezit van luminescente
bronnen in richtmiddelen
(anders dan op dienstwapen politie)
¨ gebruik door sportschutters op
schiet-verenigingen
¨ goede alternatieven beschikbaar
I.F Toepassing van lexiscopen ¨ nut van de toepassing is
onvoldoende aantoonbaar
¨ het beperkte voordeel weegt niet
op tegen het nadeel van potentiële
en oncontroleerbare blootstelling
¨ microafweging valt in het
voordeel uit van andere diagnostische
technieken
I.G Detailhandel in thoriumlasstaven ¨ lassen van hooggelegeerde
staalsoorten en non-ferro metalen
¨ kwalitatief hoogwaardig lasresultaat
¨ inhalatiedoses tijdens lassen zijn
relatief hoog
¨ goede alternatieven zijn beschikbaar
I.H Detailhandel in gloeikousjes, die
thorium bevatten
¨ verlichting in tenten, caravans etc. ¨ verlichting zonder de aanwezigheid
van een elektriciteitsnet
¨ bij onoordeelkundig verwisselen
van de kousjes in besloten ruimtes
zoals tenten en caravans kan de
inhalatiedosis te hoog worden
¨ goede alternatieven zijn beschikbaar
I.I Detailhandel in antistatische
middelen die Po-210 of Am-241
bevatten
¨ borsteltjes voor schoonmaak van
fotografisch materiaal
¨ statische elektriciteit op bijv.
foto-grafisch materiaal verminderen
¨ de voordelen van de toepassing
weegt niet op tegen de dosis voor
personeel
¨ goede alternatieven zijn beschikbaar
I.J Detailhandel in gasontladingsbuizen,
die Co-60 bevatten
¨ elektronische apparaten ¨ snelheid en betrouwbaarheid van
de buizen verbeteren
¨ de voordelen van de toepassing
wegen niet op tegen de dosis voor
personeel
¨ goede alternatieven zijn beschikbaar
I.K Detailhandel in cameralenzen die
thorium bevatten
¨ oculairen, camera’s ¨ brekingsindex van lenzen
vergroten
¨ de voordelen van de toepassing
wegen niet op tegen de dosis voor
personeel
¨ goede alternatieven zijn beschikbaar
I.L Verkoop van ionisatie rookmelders
aan particulieren met uitzondering
van rookmelders die vallen onder
Richtlijn 2014/35/EU van het
Europees Parlement en de Raad van
26 februari 2014 betreffende de
harmonisatie van de wetgevingen
van de lidstaten inzake het op de
markt aanbieden van elektrisch
materiaal bestemd voor gebruik
binnen bepaalde spanningsgrenzen
(PbEU 2014, L 96).
¨ detectie van rook ¨ snelheid en betrouwbaar-heid van
rookmelder verbeteren
¨ Goede alternatieven zijn beschikbaar
II Consumptie:
22 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Categorie of soort Voorbeelden Doel Argument
II.A Toepassing van radiumhoudende
drinkbekers
¨ vermeende gezondheidsvoordelen
¨ nut van de toepassing is
onvoldoende aantoonbaar
¨ relatief hoge dosis
II.B Opzettelijke toevoeging van
radioactieve stoffen aan levensmiddelen
of diervoeder
¨ levensmiddelen en diervoeder
voor normaal gebruik
¨ opzettelijke vermenging besmette
en niet-besmette levensmiddelen
¨ verboden in Richtlijn 2013/59/
EURATOM
¨ verdunning met het doel om
onder niveaus te komen
¨ opzettelijk toevoegen besmette
(grond)stoffen aan niet-besmette
levensmiddelen
III Radioactief schroot:
III.A Opslag van radioactief schroot op
locaties, waar schroot wordt
opgeslagen, bewerkt, verwerkt of
overgeslagen tenzij als opslag in
verband met vervoer en tenzij als
opslag bij een erkende ophaaldienst
of aangewezen instelling, zoals
bedoeld in artikel 10.6, zesde,
onderscheidenlijk vijfde of zevende
lid
¨ aluminium-, ijzer- of roestvrijstaalschroothandelaren
¨ terzijde plaatsen tot verdere
afhandeling van schroot dat
radioactief is gebleken en niet kan
worden teruggezonden
¨ de mogelijke blootstelling van
personen op locaties die daar niet
voor geschikt zijn
¨ schrootverwerkingsbedrijven ¨ aangewezen of erkende alternatieve
opslaglocaties zijn beschikbaar
IV Medische toepassingen:
IV.A Praktijkoefeningen met toestellen
en/of versnellers op proefpersonen
¨ beroepsonderwijs en op de
universiteit
¨ praktijk-ervaring tijdens opleiding
met toestellen en/of versnellers
opdoen
¨ gevaar voor de gezondheid van
de proefpersonen
Bijlagen bij hoofdstuk 3. Controlestelsel, van de Regeling basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming.
Bijlage 3.1, behorend bij artikel 3.1 (aanwijzing van handelingen met van nature voorkomend
radioactief materiaal).
Bijlage 3.1, onderdeel A, behorend bij artikel 3.1, eerste lid.
Lijst van handelingen waarbij van nature voorkomend radioactief materiaal is betrokken en werknemers
of leden van de bevolking daardoor een blootstelling ondergaan of kunnen ondergaan die vanuit
het oogpunt van stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd.
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
1 Bewerking van minerale delfstoffen,
minerale zanden, zeldzame aarden
zoals:
1.1 Op- en overslag van genoemde materialen, besmette installatiedelen en van slib,
scale en andere producten die vrijkomen bij normale productie, decontaminatie,
onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden
zirkoonzanden,
baddeleyte,
bauxiet,columbiet
1.2 Malen, breken, zeven, microniseren en drogen van genoemde materialen
coltan, ilmeniet,
monaziet,
rutiel, scheelite,
struversiet,
tantaliet,
tantaal- en
fosforslakken
1.3 Lozen in water of lucht van radionucliden van natuurlijke oorsprong die vrijkomen
bij de bewerkingen
1.4 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval
van besmette installatiedelen, filterstof, slib, scale en andere producten die
vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden
1.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
2 Productie van thoriumverbindingen of
thoriumhoudende producten
2.1 Opslag van materialen en grondstoffen zoals zirkoonoxide, rutielerts en ilmeniet,
thoriumhoudend wolfraam, zirkoonzanden en producten zoals laselektroden en
lasdraden
2.2 Productie van thoriumverbindingen en thoriumhoudende producten zoals
laselektroden en lasdraden
2.3 Ontmantelen, amoveren en saneren
23 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
3 Las- en
loodgieters
bedrijven
3.1 Opslag laselektroden en lasdraden
3.2 Aanslijpen laselektroden
3.2 WIG/TIG lassen
4 Olie- of gasexploratie
en olie- of
gasproductie,
gastransport en
hieraan dienstverlenende bedrijven
4.1 Opslag van besmette installatiedelen, sludge, scale, gas en andere producten die
vrijkomen bij normale productie, decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden.
4.2 Opslag van kaliumzouten, brine en mud
4.3 Boor- en testfase: omgang met sludge, brine, mud, testwater en gas
4.4 Productiefase: omgang met sludge, scale, brine, productiewater en gas
4.5 Reparatie, decontaminatie, onderhoud of slopen van met o.a. scale, slib of sludge
besmette installatiedelen
4.6 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie, transport of verwerking van olie of gas
4.7 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
besmette installatiedelen, sludge, scale, slib en andere producten die vrijkomen bij
normale productie, decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden,
kaliumzouten, brine en muds
4.8 Raffinage: omgang met besmette installatiedelen
4.9 Ontmantelen, amoveren en saneren: omgang met alle hierboven genoemde
materialen
5 Geothermie en
warmte/
koude opslag
5.1 Opslag van gebruikte filters
5.2 Boor- en testfase: omgang van sludge, brine, testwater en gas
5.3 Productiefase: omgang met sludge, scale, brine, gas en productiewater
5.4 Reparatie, decontaminatie, onderhoud of slopen van met o.a. scale, sludge of slib
besmette installatiedelen en filters
5.5 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie
5.6 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van filters en installatiedelen
5.7 Ontmantelen, amoveren en saneren van besmette installatiedelen
6 Titaandioxide pigment
productie
6.1 Opslag van grondstoffen en van (afval)stoffen zoals filterkoek en filterdoek
6.2 Productie en verwerking van ruwe ertsen, titaanslakken en metaalchloriden
6.3 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
(afval)stoffen (o.a. scale, filterkoek en -doek) die vrijkomen ten gevolge van de
productie van titaandioxide pigment
6.4 Lozen in (oppervlakte)water of lucht van radionucliden van natuurlijke oorsprong
6.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
24 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
7 Thermische fosforproductie 7.1 Opslag van stoffen die vrijkomen ten gevolge van de productie van elementair
fosfor, fosforzuur en afgeleide producten zoals fosforslakken, cotrellstof, cotrellslurry
en calcinaat
7.2 Productie van elementair fosfor, fosforzuur en afgeleide producten
7.3 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud of slopen van installaties die
besmet zijn of isolatiemateriaal (slakken- en zirkoonwol) bevatten
7.4 Intern materiaal (her)gebruik van o.a. cotrellstof en -slurry, ovenwandmateriaal en
ovenuitruimmateriaal en van stoffen die vrijkomen bij decontaminatie,
onderhouds- of schoonmaak-werkzaamheden en van besmette installatiedelen
7.5 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie van elementair fosfor, fosforzuur en
afgeleide producten
7.6 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van o.a. fosforslakken,
cotrellstof, cotrellslurry, calcinaat, besmette installatiedelen en isolatiemateriaal
(slakken- en zirkoonwol)
7.7 Ontmantelen, amoveren en saneren
8 Fijn en grof keramiek 8.1 Opslag en mengen van zirkoonhoudende grond- en hulpstoffen
8.2 Ontmantelen, amoveren en saneren van productieinstallaties
9 Gieterijen 9.1 Opslag van zirkoonzanden en zirkoonmeel
9.2 Gebruik en hergebruik van zirkoonzanden bij productieproces.
9.3 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
zirkoonzanden, zirkoonmeel en filters
9.4 Lozen in water of lucht van zirkoonhoudend stof
9.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
10 (Metaal)oppervlaktebehandeling
10.1 Plasma coaten, plasma spuiten en reinigen met zirkoonoxide of yttriumoxide.
10.2 Gebruik van straal- en polijstmiddelen op basis van zirkoon-verbindingen en
ceriumoxide
10.3 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
(gebruikt) straal- en polijstmiddel, afval van coatings, filterstof, doekenfilters
10.4 Lozen in water of lucht van zirkoon-, ytrium- of ceriumhoudend stof
10.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
11 Productie van
fosforzuur en
fosfaat-meststoffen
11.1 Opslag van grondstoffen en halffabricaten zoals fosfaaterts, fosforzuur, enkel en
triple super fosfaat, fosforgips, mono- en diammoniumfosfaten, kaliumverbindingen
11.2 Productie, mengen, granuleren of vermalen van grondstoffen en halffabricaten
zoals fosforzuur, enkel en triple super fosfaat, fosforgips, mono- en diammoniumfosfaten
en kaliumverbindingen
11.3 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken of onderhoud van besmette installatiedelen
en omgang met slib
11.4 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong
11.5 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van besmette installatiedelen,
mono- en diammoniumfosfaten, fosforgips en (stof)filters
11.6 Ontmantelen, amoveren en saneren
25 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
12 Glasindustrie 12.1 Opslag van zirkoniumhoudende hittebestendige materialen of ovenonderdelen
12.2 Bouw, gebruik, reparatie, decontaminatie, onderhoud of slopen van installaties:
omgang met scale, zirkoniumhoudende hittebestendige materialen en isolatiemateriaal
(slakken- en zirkoonwol)
12.3 Productie: omgang met zirkoonoxide en -silicaat en kalium
12.4 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
zirkoniumhoudende hittebestendige materialen of ovenonderdelen
12.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
13 Cementproductie, onderhoud
van (Portland)-klinkerovens
13.1 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong
13.2 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud of slopen van installaties die
isolatiemateriaal (slakken- en zirkoonwol) bevatten
14 Kolencentrales,
onderhoud stoomketels
14.1 Opslag van besmette installatiedelen en materiaal dat vrijkomt bij decontaminatie,
onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden en isolatiemateriaal (zoals slakkenen
zirkoonwol)
14.2 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud of slopen van installaties die
besmet zijn of isolatiemateriaal (slakken- en zirkoonwol) bevatten
14.3 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong
14.4 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van besmette installatiedelen
en isolatiemateriaal (zoals slakken- en zirkoonwol)
14.5 Ontmantelen, amoveren en saneren
15 Staal- en ijzerproductie 15.1 Opslag van stoffen die vrijkomen ten gevolge van de ertsvoorbereiding, de
cokesproductie, doekfilters, filterkoek, scale, hoogovenslakken, sinterstof,
hoogovenstof en bij decontaminatie van installatiedelen
15.2 Productie: gebruik van vuurvaste materialen
15.3 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud of slopen van installaties die
besmet zijn of isolatiemateriaal (slakken- en zirkoonwol) of vuurvaste materialen
bevatten
15.4 Intern materiaal-hergebruik van stoffen die vrijkomen ten gevolge van de ertsvoorbereiding
15.5 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie van ruwijzer of cokes en ten gevolge van
de ertsvoorbereiding
15.6 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van o.a. filterstof en besmette
installatiedelen, doekfilters, filterkoek, scale, hoogovenslakken, sinterstof,
hoogovenstof en isolatiemateriaal (slakken- en zirkoonwol)
15.7 Ontmantelen, amoveren en saneren
16 Metallurgische industrie (anders dan
staal)
16.1 Onderhoud,ontmantelen, amoveren en saneren van zirkonium bevattend installatiedelen
17 Filtreer-inrichtingen
voor grondwater
17.1 Opslag van gebruikte filterzanden, gebruikte ionenwisselaarsharsen en materiaal
met natuurlijke radionucliden dat vrijkomt bij decontaminatie, onderhouds- of
schoonmaakwerkzaamheden
17.2 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van materiaal met natuurlijke
radionucliden dat vrijkomt bij decontaminatie, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden
17.2 Ontmantelen, amoveren en saneren
18 Zinkproductie 18.1 Opslag van stoffen die vrijkomen ten gevolge van de productie van zink, zoals
kobalt- en koperkoek en (wastoren)slib
18.2 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken of onderhoud van besmette installatiedelen
18.3 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
kobalt- en koperkoek, (wastoren)slib en besmette installatiedelen
18.4 Ontmantelen, amoveren en saneren
26 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
19 Grond-, wegen
waterbouw
19.1 Opslag van (fosfor)slakken
19.2 Materiaal(her)gebruik van (fosfor)slakken
20 Chemische industrie 20.1 Opslag van (verbindingen van) zeldzame aarden, zirkoon en isolatiemateriaal
(slakken- en zirkoonwol)
20.2 Productie van Fluid Cracking Catalyst met zeldzame aarden en zirkoon
20.3 Productie van katalysatoren op basis van (verarmd) uranium of (verbindingen) van
zeldzame aarden en zirkoon
20.4 Reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud of slopen van installaties die
besmet zijn (bv met radiumscale) of isolatie-materiaal (slakken- en zirkoonwol) of
vuurvaste materialen bevatten.
20.5 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van besmette installatiedelen
(met bijvoorbeeld radiumscale) en isolatiemateriaal (zoals slakken- en zirkoonwol)
21 Sloopbedrijven 21.1 Opslag van isolatiemateriaal (zoals slakken- en zirkoonwol)
21.2 Slopen van installaties met isolatiemateriaal (zoals slakken- en zirkoonwol)
21.3 Overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
isolatiemateriaal (zoals slakken- en zirkoonwol)
22 Opslag van afval
(op aangewezen deponieën)
22.1 Verwerking en overslag van radioactief (besmet) afval
22.2 Opslaan van radioactief afval dat in deponie gebracht wordt of zich daar bevindt
23 Onderzoeks-instituten en laboratoria 23.1 Onderzoek aan, en opslag van, materialen die nucliden van natuurlijke oorsprong
bevatten
24 Transport (intern en extern) van
materialen die radionucliden van
natuurlijke oorsprong bevatten
24.1 Opslag in verband met vervoer, laden, lossen en transport van materialen die op
deze lijst staan
25 Schroothandel en schroot verwerkende
bedrijven die onder het Besluit detectie
radioactief schroot vallen
25.1 Verwerking, zich ontdoen en opslag van gecontamineerd schroot
25.2 Ontmantelen, amoveren en saneren
26 Industriële reinigings- of schoonmaakbedrijven,
ontmanteling en decontaminatie
26.1 Schoonmaken van besmette materialen, apparaten etc.
26.2 Opslag, verwerking, overdracht aan derden voor (her)gebruik of als afval van
materialen met radionucliden van natuurlijke oorsprong zoals fosforslik, fosforslak,
scale, calcinaat, rotschlamm, fosfaaterts, isolatiematerialen (zoals slakken- en
zirkoonwol) en verontreinigde bodem
27 Afvalverwerkingsbedrijven 27.1 Opslag van bijvoorbeeld sludge, scale, brine, mud, filters, filterkoek en besmette
installatiedelen
27.2 Verwerken, decontaminatie en reinigen van sludge, scale, brine, mud, filters,
installatiedelen, oppervlaktebesmettingen, afvalwater
27.3 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong
27.4 Ontmantelen, amoveren en saneren
28 Ontginning van andere ertsen dan
uraniumerts
28.1 Mijnbouw
28.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong
29 Overige
bedrijven
29.1 Gebruik van kalium en kaliumverbindingen
29.2 Mineralenverzamelingen (o.a. musea)
Bijlage 3.1, onderdeel B, behorend bij artikel 3.1, tweede lid.
Lijst van handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal, waarvoor vanuit het oogpunt
van stralingsbescherming bezorgdheid bestaat dat een handeling kan leiden tot de aanwezigheid van
in de natuur voorkomende radionucliden in het water, waardoor de kwaliteit van het drinkwater of
andere blootstellingsroutes wordt of worden beïnvloed.
27 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Nr Type Industrie Nr Soort handeling
W1 Olie- of gasexploratie en
olie- of
gasproductie
en hieraan dienstverlenende bedrijven
W1.1 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de exploratie, productie of verwerking van olie of gas
W1.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud
van besmette installatiedelen of het ontmantelen, amoveren en saneren
W2 Geothermie en
warmte/koude
opslag
W2.1 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de exploratie of productie
W2.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud
van besmette installatiedelen of het ontmantelen, amoveren en saneren
W3 Titaandioxide pigmentproductie W3.1 Lozen van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong naar (oppervlakte-
)water
W3.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud
van besmette installatiedelen of het ontmantelen, amoveren en saneren
W4 Thermische fosforproductie W4.1 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie van elementair fosfor, fosforzuur en
afgeleide producten zoals fosforslakken, cotrellstof, cotrellslurry en calcinaat
W4.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud
van besmette installatiedelen of het ontmantelen, amoveren en saneren
W5 Staal- en
IJzerproductie
W5.1 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van de productie van ruwijzer of cokes en ten gevolge van
de ertsvoorbereiding
W5.2 Lozen in water of lucht van (vluchtige) radionucliden van natuurlijke oorsprong die
vrijkomen ten gevolge van reparatie, decontaminatie, schoonmaken, onderhoud
van besmette installatiedelen of het ontmantelen, amoveren en saneren
Bijlage 3.2, behorend bij de artikelen 3.4 en 3.5 (vrijstellings- en vrijgavewaarden)
Bijlage 3.2, tabel A.
Waarden voor de activiteitsconcentratie voor de vrijstelling of vrijgave van materialen die standaard
op elke hoeveelheid en op elk type vaste materialen kunnen worden toegepast.
Vrijstellings- en vrijgavewaarden voor radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie voor
onbeperkte hoeveelheden als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit, respectievelijk
artikel 3.20, vierde lid, van het besluit.
Deel 1: kunstmatige radionucliden;
Deel 2: van nature voorkomende radionucliden.
Tabel A, deel 1
Kunstmatige radionucliden
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Be-10 1 E+02 Eu-147 1 E+01
C-11 1 E+03 Eu-148 1 E+00
N-13 1 E+02 Eu-149 1 E+01
O-15 1 E+02 Eu-150 (34,2 y) 1 E-01
Mg-281
1 E+01 Eu-156 1 E+00
Al-26 1 E-01 Eu-157 1 E+02
Si-32 1 E+02 Eu-158 1 E+01
Cl-39 1 E+08 Gd-145 1 E+03
K-44 1 E+01 Gd-1461
1 E+00
K-45 1 E+01 Gd-147 1 E+02
Ca-41 1 E+02 Gd-148 1 E+00
Sc-43 1 E+03 Gd-149 1 E+01
28 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Sc-44 1 E+02 Gd-151 1 E+01
Sc-44m 1 E+01 Gd-152 1 E+02
Sc-49 1 E+03 Tb-147 1 E+03
Ti-441 1 E-01 Tb-149 1 E-01
Ti-45 1 E+03 Tb-150 1 E+02
V-47 1 E+01 Tb-151 1 E+01
V-49 1 E+04 Tb-153 1 E+01
Cr-48 1 E+01 Tb-154 1 E+02
Cr-49 1 E+01 Tb-155 1 E+02
Fe-601 1 E+01 Tb-156 1 E+00
Ni-56 1 E+01 Tb-156m (24,4 h) 1 E+01
Ni-57 1 E+01 Tb-157 1 E+02
Ni-66 1 E+03 Tb-158 1 E-01
Cu-60 1 E+01 Tb-161 1 E+03
Cu-61 1 E+03 Dy-155 1 E+02
Cu-67 1 E+02 Dy-157 1 E+02
Zn-62 1 E+02 Dy-159 1 E+03
Zn-63 1 E+01 Ho-155 1 E+02
Zn-71m 1 E+02 Ho-157 1 E+02
Zn-72 1 E+00 Ho-159 1 E+02
Ga-65 1 E+01 Ho-161 1 E+03
Ga-66 1 E+01 Ho-162 1 E+02
Ga-67 1 E+02 Ho-162m 1 E+03
Ga-68 1 E+03 Ho-164 1 E+03
Ga-70 1 E+03 Ho-164m 1 E+03
Ga-73 1 E+03 Ho-166m 1 E-01
Ge-66 1 E+03 Ho-167 1 E+03
Ge-67 1 E+01 Er-161 1 E+03
Ge-681
1 E+01 Er-165 1 E+04
Ge-69 1 E+01 Er-172 1 E+01
Ge-75 1 E+03 Tm-162 1 E+01
Ge-77 1 E+01 Tm-166 1 E+01
Ge-78 1 E+03 Tm-167 1 E+03
As-69 1 E+01 Tm-172 1 E+01
As-70 1 E+08 Tm-173 1 E+02
As-71 1 E+01 Tm-175 1 E+01
As-72 1 E+01 Yb-162 1 E+02
As-78 1 E+02 Yb-166 1 E+04
Se-70 1 E+01 Yb-167 1 E+02
Se-73 1 E+02 Yb-169 1 E+01
Se-73m 1 E+03 Yb-177 1 E+03
Se-79 1 E-01 Yb-178 1 E+03
Se-81 1 E+03 Lu-169 1 E+03
Se-81m 1 E+03 Lu-170 1 E+03
Se-83 1 E+01 Lu-171 1 E+01
Br-74 1 E+01 Lu-172 1 E+00
Br-74m 1 E+10 Lu-173 1 E+00
Br-75 1 E+03 Lu-174 1 E+00
Br-76 1 E+01 Lu-174m 1 E+01
Br-77 1 E+01 Lu-176 1 E-01
Br-80 1 E+02 Lu-176m 1 E+03
Br-80m 1 E+03 Lu-177m 1 E-01
Br-83 1 E+03 Lu-178 1 E+02
Br-84 1 E+02 Lu-178m 1 E+01
Rb-79 1 E+01 Lu-179 1 E+03
Rb-81 1 E+03 Hf-170 1 E+03
Rb-81m 1 E+03 Hf-1721
1 E+01
Rb-82m 1 E+01 Hf-173 1 E+01
29 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Rb-831
1 E+00 Hf-175 1 E+00
Rb-84 1 E+01 Hf-177m 1 E+01
Rb-87 1 E+01 Hf-178m 1 E+01
Rb-88 1 E+03 Hf-179m 1 E+01
Rb-89 1 E+01 Hf-180m 1 E+02
Sr-80 1 E+03 Hf-182 1 E-01
Sr-81 1 E+01 Hf-182m 1 E+03
Sr-821 1 E+03 Hf-183 1 E+03
Sr-83 1 E+01 Hf-184 1 E+03
Y-86 1 E+01 Ta-172 1 E+01
Y-86m 1 E+02 Ta-173 1 E+03
Y-871 1 E+01 Ta-174 1 E+03
Y-88 1 E-01 Ta-175 1 E+03
Y-90m 1 E+03 Ta-176 1 E+01
Y-94 1 E+01 Ta-177 1 E+03
Y-95 1 E+01 Ta-178 1 E+01
Zr-86 1 E+01 Ta-179 1 E+01
Zr-88 1 E+00 Ta-180 1 E+03
Zr-89 1 E+02 Ta-180m 1 E+03
Nb-88 1 E+01 Ta-182m 1 E+02
Nb-89 (2,03 h) 1 E+01 Ta-183 1 E+01
Nb-89 (1,01 h) 1 E+01 Ta-184 1 E+03
Nb-90 1 E+01 Ta-185 1 E+02
Nb-91 1 E+02 Ta-186 1 E+01
Nb-91m 1 E+01 W-176 1 E+03
Nb-92m 1 E+01 W-177 1 E+03
Nb-95m 1 E+02 W-1781
1 E+02
Nb-96 1 E+00 W-179 1 E+02
Nb-97m 1 E+04 W-1881
1 E+01
Mo-93m 1 E+01 Re-177 1 E+03
Tc-93 1 E+03 Re-178 1 E+01
Tc-93m 1 E+03 Re-181 1 E+01
Tc-94 1 E+02 Re-182 (64 h) 1 E+00
Tc-94m 1 E+09 Re-182 (12,7 h) 1 E+01
Tc-95 1 E+01 Re-183 1 E+01
Tc-95m1 1 E+00 Re-184 1 E+00
Tc-98 1 E-01 Re-184m 1 E-01
Tc-101 1 E+02 Re-186m 1 E+00
Tc-104 1 E+01 Re-187 1 E+03
Ru-94 1 E+09 Re-188m 1 E+02
Rh-99 1 E+03 Re-1891
1 E+02
Rh-99m 1 E+03 Os-180 1 E+02
Rh-100 1 E+02 Os-181 1 E+03
Rh-101 1 E+00 Os-182 1 E+01
Rh-101m 1 E+01 Os-189m 1 E+07
Rh-102 1 E-01 Os-1941 1 E+00
Rh-102m 1 E+00 Ir-182 1 E+01
Rh-106 1 E+03 Ir-184 1 E+02
Rh-106m 1 E+03 Ir-185 1 E+03
Rh-107 1 E+02 Ir-186 (15,8 h) 1 E+02
Pd-100 1 E+00 Ir-186 (1,75 h) 1 E+03
Pd-101 1 E+02 Ir-187 1 E+02
Pd-107 1 E+03 Ir-188 1 E+03
Ag-102 1 E+03 Ir-1891 1 E+02
Ag-103 1 E+03 Ir-190m (1,12 h) 1 E+09
Ag-104 1 E+02 Ir-192m 1 E+03
Ag-104m 1 E+01 Ir-193m 1 E+04
Ag-106 1 E+03 Ir-194m 1 E+01
30 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Ag-106m 1 E+00 Ir-195 1 E+03
Ag-108 1 E+03 Ir-195m 1 E+03
Ag-108m1
1 E-01 Pt-186 1 E+03
Ag-110 1 E+03 Pt-1881 1 E+02
Ag-112 1 E+02 Pt-189 1 E+02
Ag-115 1 E+01 Pt-190 1 E+00
Cd-104 1 E+02 Pt-193 1 E+01
Cd-107 1 E+04 Pt-195m 1 E+03
Cd-113 1 E-01 Pt-199 1 E+02
Cd-113m 1 E-01 Pt-200 1 E+02
Cd-117 1 E+03 Au-193 1 E+02
Cd-117m 1 E+02 Au-194 1 E+01
In-109 1 E+03 Au-195 1 E+01
In-110 (4,9 h) 1 E+02 Au-196 1 E+01
In-110 (69,1 min) 1 E+03 Au-198m 1 E+01
In-112 1 E+02 Au-200 1 E+02
In-114 1 E+03 Au-200m 1 E+02
In-115 1 E+01 Au-201 1 E+02
In-116m 1 E+08 Hg-193 1 E+03
In-117 1 E+01 Hg-193m 1 E+03
In-117m 1 E+03 Hg-1941
1 E-01
In-119m 1 E+02 Hg-195 1 E+02
Sn-110 1 E+02 Hg-195m1
1 E+02
Sn-111 1 E+02 Hg-199m 1 E+02
Sn-117m 1 E+02 Tl-194 1 E+01
Sn-119m 1 E+01 Tl-194m 1 E+01
Sn-121 1 E+03 Tl-195 1 E+03
Sn-121m1 1 E+00 Tl-197 1 E+03
Sn-123 1 E+02 Tl-198 1 E+02
Sn-123m 1 E+02 Tl-198m 1 E+03
Sn-1261
1 E-01 Tl-199 1 E+02
Sn-127 1 E+03 Pb-195m 1 E+01
Sn-128 1 E+08 Pb-198 1 E+03
Sb-115 1 E+01 Pb-199 1 E+03
Sb-116 1 E+01 Pb-200 1 E+02
Sb-116m 1 E+03 Pb-201 1 E+01
Sb-117 1 E+04 Pb-202 1 E-01
Sb-118m 1 E+02 Pb-202m 1 E+02
Sb-119 1 E+05 Pb-205 1 E+01
Sb-120 (5,76 d) 1 E+02 Pb-209 1 E+03
Sb-120 (15,89 min) 1 E+00 Pb-2101
1 E-01
Sb-124m 1 E+02 Pb-2121 1 E+01
Sb-126 1 E+00 Bi-200 1 E+01
Sb-126m 1 E+03 Bi-201 1 E+02
Sb-127 1 E+01 Bi-202 1 E+02
Sb-128 (9,01 h) 1 E+01 Bi-203 1 E+03
Sb-128(10,4 min) 1 E+01 Bi-205 1 E+03
Sb-129 1 E+02 Bi-208 1 E-01
Sb-130 1 E+01 Bi-210m1
1 E-01
Sb-131 1 E+01 Bi-211 1 E+04
Te-116 1 E+03 Bi-2121
1 E+03
Te-119m 1 E+00 Bi-213 1 E+03
Te-121 1 E+01 Po-206 1 E+00
Te-121m 1 E+00 Po-208 1 E+00
Te-123 1 E-01 Po-209 1 E+00
I-120 1 E+03 Po-210 1 E+00
I-120m 1 E+02 At-207 1 E+02
I-121 1 E+03 Fr-2211 1 E+04
31 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
I-124 1 E+01 Fr-222 1 E+03
I-128 1 E+02 Fr-223 1 E+03
I-132m 1 E+02 Ra-2231
1 E+01
Cs-125 1 E+01 Ra-224 1 E+01
Cs-127 1 E+02 Ra-226 1 E-01
Cs-130 1 E+02 Ra-228 1 E-01
Cs-135m 1 E+09 Ac-224 1 E+03
Ba-126 1 E+05 Ac-2251 1 E+01
Ba-128 1 E+02 Ac-226 1 E+02
Ba-131m 1 E+02 Ac-2271 1 E-02
Ba-133 1 E-01 Ac-228 1 E+02
Ba-133m 1 E+02 Th-227 1 E+01
Ba-135m 1 E+02 Th-2281
1 E-01
Ba-139 1 E+03 Th-230 1 E-01
Ba-141 1 E+01 Th-231 1 E+03
Ba-142 1 E+01 Th-2321 1 E-01
La-131 1 E+08 Th-2341
1 E+02
La-132 1 E+02 Pa-227 1 E+03
La-135 1 E+03 Pa-228 1 E+01
La-137 1 E+02 Pa-231 1 E-02
La-138 1 E-01 Pa-232 1 E+01
La-141 1 E+03 Pa-234 1 E+01
La-142 1 E+03 Pa-234m 1 E+03
La-143 1 E+02 U-234 1 E+00
Ce-134 1 E+03 U-2351
1 E+00
Ce-135 1 E+01 U-2381 1 E+00
Ce-137 1 E+03 Np-232 1 E+03
Ce-137m 1 E+02 Np-233 1 E+02
Pr-136 1 E+01 Np-234 1 E+01
Pr-137 1 E+03 Np-235 1 E+03
Pr-138m 1 E+03 Np-236 (1,52E+5 y) 1 E+00
Pr-139 1 E+03 Np-236 (22,5 h) 1 E+02
Pr-142m 1 E+07 Np-238 1 E+01
Pr-144 1 E+03 Np-240m 1 E+03
Pr-144m 1 E+04 Pu-245 1 E+02
Pr-145 1 E+03 Pu-246 1 E+01
Pr-147 1 E+01 Am-237 1 E+03
Nd-136 1 E+09 Am-238 1 E+05
Nd-138 1 E+03 Am-239 1 E+03
Nd-139 1 E+02 Am-240 1 E+01
Nd-139m 1 E+03 Am-244 1 E+01
Nd-1401 1 E+04 Am-244m 1 E+04
Nd-141 1 E+06 Am-245 1 E+03
Nd-151 1 E+01 Am-246 1 E+01
Pm-141 1 E+01 Am-246m 1 E+01
Pm-143 1 E+00 Cm-238 1 E+03
Pm-144 1 E-01 Cm-240 1 E+02
Pm-145 1 E+01 Cm-241 1 E+01
Pm-146 1 E-01 Cm-249 1 E+03
Pm-148 1 E+01 Cm-250 1 E-02
Pm-148m1
1 E+00 Bk-245 1 E+02
Pm-150 1 E+03 Bk-246 1 E+03
Pm-151 1 E+01 Bk-247 1 E-01
Sm-141 1 E+03 Bk-250 1 E+03
Sm-141m 1 E+01 Cf-244 1 E+04
Sm-142 1 E+03 Es-250 1 E+03
Sm-145 1 E+02 Es-251 1 E+05
Sm-146 1 E+00 Fm-252 1 E+03
32 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Radionuclide Activiteitsconcentratie
(kBq.kg-1)
Sm-147 1 E+00 Fm-253 1 E+02
Sm-155 1 E+02 Fm-257 1 E+01
Sm-156 1 E+02 Md-257 1 E+05
Eu-145 1 E+00 Md-258 1 E+01
Eu-146 1 E+00
1 Moeder-radionucliden en hun dochternucliden waarvan de dosisbijdragen in de dosisberekening worden opgenomen (zodat
enkel het vrijstellingsniveau van de moeder-radionuclide moet worden beschouwd), worden in Aanhangsel A bij tabel A gegeven.
Aanhangsel A bij tabel A.
Lijst van de in tabel A bedoelde radionucliden in seculair evenwicht met hun dochters
Moedernuclide Dochternuclide(n)
(De waarde tussen haakjes is de fractie die naar dat nuclide vervalt)
Mg-28 Al-28
Ti-44 Sc-44
Fe-60 Co-60m
Ge-68 Ga-68
Rb-83 Kr-83m
Sr-82 Rb-82
Y-87 Sr-87m
Tc-95m Tc-95 (0,04)
Ag-108m Ag-108
Sn-121m Sn-121 (0,776)
Sn-126 Sb-126m
Nd-140 Pr-140
Pm-148m Pm-148 (0,046)
Gd-146 Eu-146
Hf-172 Lu-172
W-178 Ta-178
W-188 Re-188
Re-189 Os-189m (0,241)
Os-194 Ir-194
Ir-189 Os-189m
Pt-188 Ir-188
Hg-194 Au-194
Hg-195m Hg-195 (0,542)
Pb-210 Bi-210 Po-210
Pb-212 Bi-212, Po-212 (0,64), Tl-208 (0,36)
Bi-210m Tl-210
Bi-212 Po-212 (0,64), Tl-208 (0,36)
Fr-221 At-217
Ra-223
Rn-219, Po-215, Pb-211, Bi-211, Po-211 (0,003),
Tl-207 (0,997)
Ac-225
Fr-221, At-217, Bi-213, Po-213 (0,978), Tl-209 (0,0216),
Pb-209 (0,978)
Ac-227
Fr-223, Th-227, Ra-223, At-219 (< 0,001), Rn-219, Bi-215 (< 0,001), Po-215, Pb-211, Bi 211 Th-228 Ra-224, Rn-220, Po-216, Pb-212, Bi-212, Po-212 (0,64), Tl-208 (0,36) Th-232 Ra-228, Ac-228, Th-228, Ra-224, Rn-220, Po-216, Pb-212, Bi-212, Po-212 (0,64), Tl-208 (0,36) Th-234 Pa-234m, Pa-234 U-235 Th-231 U-238 Th-234, Pa-234m, Pa-234 Tabel A, deel 2 Van nature voorkomende radionucliden. 33 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Waarden voor de activiteitsconcentratie voor de vrijstelling of vrijgave van materialen die standaard op elke hoeveelheid en op elk type vaste materialen kunnen worden toegepast. Van nature voorkomende radionucliden Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq.kg-1) Rb-87 1 Cd-113 1 In-115 1 La-138 1 Sm-147 1 Gd-152 1 Lu-176 1 Re-187 1 Pt-190 1 Bijlage 3.2, tabel b Tabel B. Vrijstellingswaarden voor de totale activiteit (kolom 3) en vrijstellingswaarden voor de activiteitsconcentratie in matige hoeveelheden van elk type materiaal (kolom 2). Vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van de totale activiteit als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit, (kolom 3) en vrijstellingswaarden voor handelingen met matige hoeveelheden van elk type materiaal als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel b, van het besluit (kolom 2). Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) H-3 (elementair en getritiëerde verbindingen incl. OBT1 1E+6 1E+9 Be-10 1E+4 1E+6 C-11 1E+1 1E+6 C-11 monoxide 1E+1 1E+9 C-11 dioxide 1E+1 1E+9 C-14 monoxide 1E+8 1E+11 C-14 dioxide 1E+7 1E+11 N-13 1E+2 1E+9 Ne-19 1E+2 1E+9 Mg-282 1E+1 1E+5 Al-26 1E+1 1E+5 Si-32 1E+3 1E+6 S-35 (organisch) 1E+5 1E+8 S-35 (damp) 1E+6 1E+9 Cl-39 1E+1 1E+5 Ar-39 1E+7 1E+4 K-44 1E+1 1E+5 K-45 1E+1 1E+5 Ca-41 1E+5 1E+7 Sc-43 1E+1 1E+6 34 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Sc-44 1E+1 1E+5 Sc-44m3 1E+2 1E+7 Sc-49 1E+3 1E+5 Ti-442 1E+1 1E+5 Ti-45 1E+1 1E+6 V-47 1E+1 1E+5 V-49 1E+4 1E+7 Cr-48 1E+2 1E+6 Cr-49 1E+1 1E+6 Fe-602 1E+2 1E+5 Ni-56 1E+1 1E+6 Ni-57 1E+1 1E+6 Ni-66 1E+4 1E+7 Cu-60 1E+1 1E+5 Cu-61 1E+1 1E+6 Cu-67 1E+2 1E+6 Zn-62 1E+2 1E+6 Zn-63 1E+1 1E+5 Zn-71m 1E+1 1E+6 Zn-723 1E+2 1E+6 Ga-65 1E+1 1E+5 Ga-66 1E+1 1E+5 Ga-67 1E+2 1E+6 Ga-68 1E+1 1E+5 Ga-70 1E+3 1E+6 Ga-73 1E+2 1E+6 Ge-66 1E+1 1E+6 Ge-67 1E+1 1E+5 Ge-682 1E+1 1E+5 Ge-69 1E+1 1E+6 Ge-75 1E+3 1E+6 Ge-77 1E+1 1E+5 Ge-78 1E+2 1E+6 As-69 1E+1 1E+5 As-70 1E+1 1E+5 As-71 1E+1 1E+6 As-72 1E+1 1E+5 As-78 1E+1 1E+5 Se-70 1E+1 1E+6 Se-73 1E+1 1E+6 Se-73m 1E+2 1E+6 Se-79 1E+4 1E+7 Se-81 1E+3 1E+6 Se-81m3 1E+3 1E+7 Se-83 1E+1 1E+5 Br-74 1E+1 1E+5 35 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Br-74m 1E+1 1E+5 Br-75 1E+1 1E+6 Br-76 1E+1 1E+5 Br-77 1E+2 1E+6 Br-80 1E+2 1E+5 Br-80m3 1E+3 1E+7 Br-83 1E+3 1E+6 Br-84 1E+1 1E+5 Kr-81m 1E+3 1E+10 Rb-79 1E+1 1E+5 Rb-81 1E+1 1E+6 Rb-81m 1E+3 1E+7 Rb-82m 1E+1 1E+6 Rb-832 1E+2 1E+6 Rb-84 1E+1 1E+6 Rb-87 1E+4 1E+7 Rb-88 1E+1 1E+5 Rb-89 1E+1 1E+5 Sr-80 1E+3 1E+7 Sr-81 1E+1 1E+5 Sr-822 1E+1 1E+5 Sr-83 1E+1 1E+6 Y-86 1E+1 1E+5 Y-86m 1E+2 1E+7 Y-872 1E+1 1E+6 Y-88 1E+1 1E+6 Y-90m 1E+1 1E+6 Y-94 1E+1 1E+5 Y-95 1E+1 1E+5 Zr-86 1E+2 1E+7 Zr-88 1E+2 1E+6 Zr-89 1E+1 1E+6 Nb-88 1E+1 1E+5 Nb-89 (2,03 h) 1E+1 1E+5 Nb-89 (1,01 h) 1E+1 1E+5 Nb-90 1E+1 1E+5 Nb-95m 1E+2 1E+7 Nb-96 1E+1 1E+5 Mo-93m 1E+1 1E+6 Tc-93 1E+1 1E+6 Tc-93m 1E+1 1E+6 Tc-94 1E+1 1E+6 Tc-94m 1E+1 1E+5 Tc-95 1E+1 1E+6 Tc-95m3 1E+1 1E+6 Tc-98 1E+1 1E+6 Tc-101 1E+2 1E+6 Tc-104 1E+1 1E+5 Ru-94 1E+2 1E+6 36 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Rh-99 1E+1 1E+6 Rh-99m 1E+1 1E+6 Rh-100 1E+1 1E+6 Rh-101 1E+2 1E+7 Rh-101m 1E+2 1E+7 Rh-102 1E+1 1E+6 Rh-102m 1E+2 1E+6 Rh-106m 1E+1 1E+5 Rh-107 1E+2 1E+6 Pd-1003 1E+2 1E+7 Pd-101 1E+2 1E+6 Pd-107 1E+5 1E+8 Ag-102 1E+1 1E+5 Ag-103 1E+1 1E+6 Ag-104 1E+1 1E+6 Ag-104m 1E+1 1E+6 Ag-106 1E+1 1E+6 Ag-106m 1E+1 1E+6 Ag-112 1E+1 1E+5 Ag-115 1E+1 1E+5 Cd-104 1E+2 1E+7 Cd-107 1E+3 1E+7 Cd-113 1E+3 1E+6 Cd-113m 1E+3 1E+6 Cd-1173 1E+1 1E+6 Cd-117m3 1E+1 1E+6 In-109 1E+1 1E+6 In-110 (4,9 h) 1E+1 1E+6 In-110 (69,1 min) 1E+1 1E+5 In-112 1E+2 1E+6 In-114 1E+3 1E+5 In-115 1E+3 1E+5 In-116m 1E+1 1E+5 In-117 1E+1 1E+6 In-117m3 1E+2 1E+6 In-119m 1E+2 1E+5 Sn-1103 1E+2 1E+7 Sn-111 1E+2 1E+6 Sn-117m 1E+2 1E+6 Sn-119m 1E+3 1E+7 Sn-121 1E+5 1E+7 Sn-121m2 1E+3 1E+7 Sn-123 1E+3 1E+6 Sn-123m 1E+2 1E+6 Sn-1262 1E+1 1E+5 Sn-127 1E+1 1E+6 Sn-1283 1E+1 1E+6 Sb-115 1E+1 1E+6 Sb-116 1E+1 1E+6 Sb-116m 1E+1 1E+5 Sb-117 1E+2 1E+7 37 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Sb-118m 1E+1 1E+6 Sb-119 1E+3 1E+7 Sb-120 (5.76 d) 1E+1 1E+6 Sb-120 (15,89 min) 1E+2 1E+6 Sb-124m 1E+2 1E+6 Sb-126 1E+1 1E+5 Sb-126m 1E+1 1E+5 Sb-1273 1E+1 1E+6 Sb-128 (9,01 h) 1E+1 1E+5 Sb-128 (10,4 min) 1E+1 1E+5 Sb-1293 1E+1 1E+6 Sb-130 1E+1 1E+5 Sb-131 1E+1 1E+6 Te-1163 1E+2 1E+7 Te-121 1E+1 1E+6 Te-121m 1E+2 1E+6 Te-123 1E+3 1E+6 I-120 1E+1 1E+5 I-120m 1E+1 1E+5 I-121 1E+2 1E+6 I-124 1E+1 1E+6 I-128 1E+2 1E+5 I-132m 1E+2 1E+6 Xe-120 1E+2 1E+9 Xe-121 1E+2 1E+9 Xe-1222 1E+2 1E+9 Xe-123 1E+2 1E+9 Xe-125 1E+3 1E+9 Xe-127 1E+3 1E+5 Xe-129m 1E+3 1E+4 Xe-133m 1E+3 1E+4 Xe-135m 1E+2 1E+9 Xe-138 1E+2 1E+9 Cs-125 1E+1 1E+4 Cs-127 1E+2 1E+5 Cs-130 1E+2 1E+6 Cs-135m 1E+1 1E+6 Ba-126 1E+2 1E+7 Ba-128 1E+2 1E+7 Ba-131m 1E+2 1E+7 Ba-133 1E+2 1E+6 Ba-133m 1E+2 1E+6 Ba-135m 1E+2 1E+6 Ba-137m 1E+1 1E+6 Ba-139 1E+2 1E+5 Ba-141 1E+1 1E+5 Ba-142 1E+1 1E+6 La-131 1E+1 1E+6 La-132 1E+1 1E+6 La-135 1E+3 1E+7 La-137 1E+3 1E+7 La-138 1E+1 1E+6 38 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) La-141 1E+2 1E+5 La-142 1E+1 1E+5 La-143 1E+2 1E+5 Ce-134 1E+3 1E+7 Ce-135 1E+1 1E+6 Ce-137 1E+3 1E+7 Ce-137m3 1E+3 1E+6 Pr-136 1E+1 1E+5 Pr-137 1E+2 1E+6 Pr-138m 1E+1 1E+6 Pr-139 1E+2 1E+7 Pr-142m 1E+7 1E+9 Pr-144 1E+2 1E+5 Pr-145 1E+3 1E+5 Pr-147 1E+1 1E+5 Nd-1363 1E+2 1E+6 Nd-138 1E+3 1E+7 Nd-139 1E+2 1E+6 Nd-139m3 1E+1 1E+6 Nd-141 1E+2 1E+7 Nd-151 1E+1 1E+5 Pm-141 1E+1 1E+5 Pm-143 1E+2 1E+6 Pm-144 1E+1 1E+6 Pm-145 1E+3 1E+7 Pm-146 1E+1 1E+6 Pm-148 1E+1 1E+5 Pm-148m2 1E+1 1E+6 Pm-150 1E+1 1E+5 Pm-151 1E+2 1E+6 Sm-141 1E+1 1E+5 Sm-141m 1E+1 1E+6 Sm-142 1E+2 1E+7 Sm-145 1E+2 1E+7 Sm-146 1E+1 1E+5 Sm-147 1E+1 1E+4 Sm-155 1E+2 1E+6 Sm-156 1E+2 1E+6 Eu-145 1E+1 1E+6 Eu-146 1E+1 1E+6 Eu-147 1E+2 1E+6 Eu-148 1E+1 1E+6 Eu-149 1E+2 1E+7 Eu-150 (34,2 y) 1E+1 1E+6 Eu-150 (12,6 h) 1E+3 1E+6 Eu-156 1E+1 1E+6 Eu-157 1E+2 1E+6 Eu-158 1E+1 1E+5 Gd-145 1E+1 1E+5 Gd-1462 1E+1 1E+6 Gd-147 1E+1 1E+6 39 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Gd-148 1E+1 1E+4 Gd-149 1E+2 1E+6 Gd-151 1E+2 1E+7 Gd-152 1E+1 1E+4 Tb-147 1E+1 1E+6 Tb-149 1E+1 1E+6 Tb-150 1E+1 1E+6 Tb-151 1E+1 1E+6 Tb-153 1E+2 1E+7 Tb-154 1E+1 1E+6 Tb-155 1E+2 1E+7 Tb-156 1E+1 1E+6 Tb-156m (24,4 h) 1E+3 1E+7 Tb-156m (5 h) 1E+4 1E+7 Tb-157 1E+4 1E+7 Tb-158 1E+1 1E+6 Tb-161 1E+3 1E+6 Dy-155 1E+1 1E+6 Dy-157 1E+2 1E+6 Dy-159 1E+3 1E+7 Ho-155 1E+2 1E+6 Ho-157 1E+2 1E+6 Ho-159 1E+2 1E+6 Ho-161 1E+2 1E+7 Ho-162 1E+2 1E+7 Ho-162m 1E+1 1E+6 Ho-164 1E+3 1E+6 Ho-164m3 1E+3 1E+7 Ho-166m 1E+1 1E+6 Ho-167 1E+2 1E+6 Er-1613 1E+1 1E+6 Er-165 1E+3 1E+7 Er-172 1E+2 1E+6 Tm-162 1E+1 1E+6 Tm-166 1E+1 1E+6 Tm-167 1E+2 1E+6 Tm-172 1E+2 1E+6 Tm-173 1E+2 1E+6 Tm-175 1E+1 1E+6 Yb-162 1E+2 1E+7 Yb-1663 1E+2 1E+7 Yb-167 1E+2 1E+6 Yb-169 1E+2 1E+7 Yb-177 1E+2 1E+6 Yb-1783 1E+3 1E+6 Lu-169 1E+1 1E+6 Lu-170 1E+1 1E+6 Lu-171 1E+1 1E+6 Lu-172 1E+1 1E+6 Lu-173 1E+2 1E+7 Lu-174 1E+2 1E+7 40 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Lu-174m 1E+2 1E+7 Lu-176 1E+2 1E+6 Lu-176m 1E+3 1E+6 Lu-177m3 1E+1 1E+6 Lu-178 1E+2 1E+5 Lu-178m 1E+1 1E+5 Lu-179 1E+3 1E+6 Hf-170 1E+2 1E+6 Hf-1722 1E+1 1E+6 Hf-173 1E+2 1E+6 Hf-175 1E+2 1E+6 Hf-177m 1E+1 1E+5 Hf-178m 1E+1 1E+6 Hf-179m 1E+1 1E+6 Hf-180m 1E+1 1E+6 Hf-182 1E+2 1E+6 Hf-182m 1E+1 1E+6 Hf-183 1E+1 1E+6 Hf-184 1E+2 1E+6 Ta-172 1E+1 1E+6 Ta-173 1E+1 1E+6 Ta-174 1E+1 1E+6 Ta-175 1E+1 1E+6 Ta-176 1E+1 1E+6 Ta-177 1E+2 1E+7 Ta-178 1E+1 1E+6 Ta-179 1E+3 1E+7 Ta-180 1E+1 1E+6 Ta-180m 1E+3 1E+7 Ta-182m 1E+2 1E+6 Ta-183 1E+2 1E+6 Ta-184 1E+1 1E+6 Ta-185 1E+2 1E+5 Ta-186 1E+1 1E+5 W-176 1E+2 1E+6 W-177 1E+1 1E+6 W-1782 1E+1 1E+6 W-179 1E+2 1E+7 W-1882 1E+2 1E+5 Re-177 1E+1 1E+6 Re-178 1E+1 1E+6 Re-181 1E+1 1E+6 Re-182 (64 h) 1E+1 1E+6 Re-182 (12,7 h) 1E+1 1E+6 Re-184 1E+1 1E+6 Re-184m 1E+2 1E+6 Re-186m 1E+3 1E+7 Re-187 1E+6 1E+9 Re-188m 1E+2 1E+7 Re-1892 1E+2 1E+6 Os-180 1E+2 1E+7 Os-181 1E+1 1E+6 Os-1823 1E+2 1E+6 41 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Os-189m 1E+4 1E+7 Os-1942 1E+2 1E+5 Ir-182 1E+1 1E+5 Ir-184 1E+1 1E+6 Ir-185 1E+1 1E+6 Ir-186 (15,8 h) 1E+1 1E+6 Ir-186 (1,75 h) 1E+1 1E+6 Ir-187 1E+2 1E+6 Ir-188 1E+1 1E+6 Ir-1892 1E+2 1E+7 Ir-190m (3.10 h) 1E+1 1E+6 Ir-190m (1.2 h) 1E+4 1E+7 Ir-192m 1E+2 1E+7 Ir-193m 1E+4 1E+7 Ir-194m 1E+1 1E+6 Ir-195 1E+2 1E+6 Ir-195m3 1E+2 1E+6 Pt-186 1E+1 1E+6 Pt-1882 1E+1 1E+6 Pt-189 1E+2 1E+6 Pt-193 1E+4 1E+7 Pt-195m 1E+2 1E+6 Pt-199 1E+2 1E+6 Pt-2003 1E+2 1E+6 Au-193 1E+2 1E+7 Au-194 1E+1 1E+6 Au-195 1E+2 1E+7 Au-198m 1E+1 1E+6 Au-2003 1E+2 1E+5 Au-200m 1E+1 1E+6 Au-201 1E+2 1E+6 Hg-193 1E+2 1E+6 Hg-193m 1E+1 1E+6 Hg-1942 1E+1 1E+6 Hg-195 1E+2 1E+6 Hg-195m2 (organisch) 1E+2 1E+6 Hg-195m2 (anorganisch) 1E+2 1E+6 Hg-197m (organisch) 1E+2 1E+6 Hg-197m (anorganisch) 1E+2 1E+6 Hg-199m 1E+2 1E+6 Tl-194 1E+1 1E+6 Tl-194m 1E+1 1E+6 Tl-195 1E+1 1E+6 Tl-197 1E+2 1E+6 Tl-198 1E+1 1E+6 Tl-198m 1E+1 1E+6 Tl-199 1E+2 1E+6 Pb-195m 1E+1 1E+6 Pb-198 1E+2 1E+6 Pb-199 1E+1 1E+6 Pb-200 1E+2 1E+6 Pb-201 1E+1 1E+6 42 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Pb-202 1E+3 1E+6 Pb-202m 1E+1 1E+6 Pb-205 1E+4 1E+7 Pb-209 1E+5 1E+6 Pb-2113 1E+2 1E+6 Pb-2143 1E+2 1E+6 Bi-200 1E+1 1E+6 Bi-201 1E+1 1E+6 Bi-202 1E+1 1E+6 Bi-203 1E+1 1E+6 Bi-205 1E+1 1E+6 Bi-210m2 1E+1 1E+5 Bi-213 1E+2 1E+6 Bi-214 1E+1 1E+5 Po-206 1E+1 1E+6 Po-208 1E+1 1E+4 Po-209 1E+1 1E+4 At-2073 1E+1 1E+6 Fr-2223 1E+3 1E+5 Fr-223 1E+2 1E+6 Ac-224 1E+2 1E+6 Ac-2252 1E+1 1E+4 Ac-2263 1E+2 1E+5 Ac-2272 1 1E+3 Th-232 1E+1 1E+4 Th-232-sec2 1 1E+3 Pa-2273 1E+3 1E+6 Pa-2283 1E+1 1E+6 Pa-232 1E+1 1E+6 Pa-234 1E+1 1E+6 U-2302 1E+1 1E+5 U-235-sec2 1 _ _ U-238-sec2 1 1E+3 Np-232 1E+1 1E+6 Np-233 1E+2 1E+7 Np-234 1E+1 1E+6 Np-235 1E+3 1E+7 Np-236 (1,15 10 5 y) 1E+2 1E+5 Np-236 (22,5 h) 1E+3 1E+7 Np-238 1E+2 1E+6 Pu-2453 1E+2 1E+6 Pu-2463 1E+2 1E+6 Am-237 1E+2 1E+6 Am-238 1E+1 1E+6 Am-239 1E+2 1E+6 Am-2403 1E+1 1E+6 Am-244 1E+1 1E+6 43 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Radionuclide Activiteitsconcentratie (kBq kg– 1) Activiteit (Bq) Am-244m 1E+4 1E+7 Am-245 1E+3 1E+6 Am-246 1E+1 1E+5 Am-246m 1E+1 1E+6 Cm-2383 1E+2 1E+7 Cm-240 1E+2 1E+5 Cm-241 1E+2 1E+6 Cm-249 1E+3 1E+6 Cm-2503 1E-1 1E+3 Bk-245 1E+2 1E+6 Bk-246 1E+1 1E+6 Bk-247 1 1E+4 Bk-250 1E+1 1E+6 Cf-244 1E+4 1E+7 Es-250 1E+2 1E+6 Es-251 1E+2 1E+7 Fm-252 1E+3 1E+6 Fm-253 1E+2 1E+6 Fm-257 1E+1 1E+5 Md-257 1E+2 1E+7 Md-258 1E+2 1E+5 1 OBT = organisch gebonden tritium. 2 Moeder-radionucliden en hun dochternucliden waarvan de dosisbijdrage in de dosisberekening worden opgenomen (zodat enkel het vrijstellingsniveau van het moeder-nuclide moet worden beschouwd), worden hierna in Aanhangsel A bij tabel B vermeld: Moeder-radionuclide-sec: Moeder-radionucliden in evenwicht met hun dochternucliden waarvan de dosisbijdrage in de dosisberekening worden opgenomen (zodat enkel het vrijstellingsniveau van het moeder-nuclide moet worden beschouwd), worden hierna in Aanhangsel A bij tabel B vermeld. 3 Radionucliden, waarvoor dosisberekening de activiteit, respectievelijk activiteitsconcentratie van de kortlevende dochternucliden opgeteld moeten worden bij die van de moeder, worden hierna in Aanhangsel B bij tabel B vermeld. Aanhangsel A bij tabel B. Lijst van de in tabel B bedoelde radionucliden in seculair evenwicht met hun dochters Moedernuclide Dochternuclide(n) (De waarde tussen haakjes is de fractie die naar dat nuclide vervalt) Mg-28 Al-28 Ti-44 Sc-44 Fe-60 Co-60m Ge-68 Ga-68 Rb-83 Kr-83m Sr-82 Rb-82 Y-87 Sr-87m Sn-121m Sn-121 (0,776) Sn-126 Sb-126m Xe-122 I-122 Pm-148m Pm-148 (0,046) Gd-146 Eu-146 Hf-172 Lu-172 W-178 Ta-178 W-188 Re-188 Re-189 Os-189m (0,241) Os-194 Ir-194 Ir-189 Os-189m 44 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Moedernuclide Dochternuclide(n) (De waarde tussen haakjes is de fractie die naar dat nuclide vervalt) Pt-188 Ir-188 Hg-194 Au-194 Hg-195m Hg-195 (0,542) Bi-210m Tl-210 Ac-225 Fr-221, At-217, Bi-213, Po-213 (0,978), Tl-209 (0,0216), Pb-209 (0,978) Ac-227 Fr-223 (0,0138) Th-232-sec Ra-228, Ac-228, Th-228, Ra-224, Rn-220, Po-216 U-230 Th-226, Ra-222, Rn-218, Po-214 U-235-sec Th-231, Pa-231, Ac-227, Th-227 (0,986), Fr-223 (0,014), Ra-223, Rn-219, Po-215, Pb-211, Bi-211 U-238-sec Th-234, Pa-234m, U-234, Th-230, Ra-226, Rn-222, Po-218, Pb-214, Bi-214, Po-214, Pb-210, Bi-210, Po-210 Aanhangsel B bij tabel B. Radionucliden, waarvan voor dosisberekening de activiteit, resp. activiteitsconcentratie van de kortlevende dochternucliden opgeteld moeten worden bij die van de moeder. De in Aanhangsel B bij tabel B genoemde radionucliden hebben dochters met halveringstijden van 10 dagen of minder, die voor 10% of meer bijdragen aan de dosis. Deze dochters zijn ook niet meegenomen bij de evenwichten als opgenomen in aanhangsel A van tabel B. Zij dienen derhalve bij dosisberekeningen in de sommatie meegenomen te worden. Voorts is de ratio tussen de moeder en dochter bij evenwicht gegeven. Moedernuclide Dochternuclide Ratio Sc-44m Sc-44 0,986 Zn-72 Ga-72 1 Se-81m Se-81 1 Br-80m Br-80 1 Tc-95m Tc-95 1 Pd-100 Rh-100 1 Cd-117 In-117m 0,92 In-117 0,5124 Cd-117m In-117 1 In-117m 0,01 In-117m In-117 0,47 Sn-110 In-110 (korte halfwaardetijd) 1 Sn-128 Sb-128 1 Sb-127 Te-127 0,824 Sb-129 Te-129 0,775 Te-116 Sb-116 1 Ce-137m Ce-137 0,99 Nd-136 Pr-136 1 Nd-139m Pr-139 1 Nd-139 0,12 Ho-164m Ho-164 1 Er-161 Ho-161 1 Yb-166 Tm-166 1 Yb-178 Lu-178 1 Lu-177m Lu-177 0,21 Os-182 Re-182 Ir-195m Ir-195 0,04 Pt-200 Au-200 1 Au-200m Au-200 0,18 Pb-211 Bi-211 1 Pb-214 Bi-214 1 45 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Moedernuclide Dochternuclide Ratio Po-214 1 At-207 Bi-203 0,1 Fr-222 Ra-222 1 Ac-226 Th-226 0,828 Ra-222 0,828 Pa-227 Ac-223 0,85 Fr-219 0,85 At-215 0,85 Bi-211 0,85 Tl-207 0,85 Pa-228 Ac-224 0,02 Pu-245 Am-245 1 Pu-246 Am-246 1 Am-240 Np-236 1 Cm-238 Am-238 0,9 Cm-250 Bk-250 0,14 Bijlage 3.2, tabel C Hoeveelheidsgrenzen als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c, laatste volzin, van het besluit. (gereserveerd) Bijlagen bij hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Bijlage 4.1, behorend bij de artikelen 1.1 en 4.2 (begrippen en indeling van radioactieve stoffen in categorieën met het oog op het beveiligingsplan). In deze bijlage wordt verstaan onder: A: activiteit van een radionuclide als gedefinieerd in bijlage 2 van het besluit; D: D-waarde van een radionuclide, bepaald overeenkomstig tabel 1 van het document ‘Dangerous Quantities of Radioactive Material (D-Values)’, EPR-D-Values 2006, van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA1), waarbij de laagste waarde wordt genomen. Categorie Radioactieve stoffen: 1 Kunstmatige radioactieve stoffen ten behoeve van: • nucleaire batterijen (‘radioisotope thermoelectric generators’) • bestraling ten behoeve van sterilisatie en inactivatie van biologisch materiaal, alsmede onderzoek hiernaar • teletherapie apparatuur of Overige kunstmatige radioactieve stoffen waarvan: A/D>1000
2 Kunstmatige radioactieve stoffen ten behoeve van:
• industriële radiografie (gammagrafie)
• brachytherapie (‘high dose rate’ en ‘medium dose rate’)
of
Overige kunstmatige radioactieve stoffen waarvan:
1000 >A/D >10
3 Kunstmatige radioactieve stoffen ten behoeve van:
• hoogactieve bronnen in vaste industriële meetapparatuur
• bemetingsapparatuur t.b.v. olie- en gaswinning (‘well logging’)
of
Overige kunstmatige radioactieve stoffen waarvan:
10 >A/D
Voor de toepassing van deze tabel wordt de indeling in een categorie bepaald op basis van de
expliciete aanwijzing in de tabel of, indien deze er niet, is door de A/D waarde.
Indien verschillende radioactieve stoffen worden gebruikt of opgeslagen in één ruimte, maar er per
stof afzonderlijk beveiligingsmaatregelen zijn getroffen, wordt de categorie indeling per stof bepaald
als hierboven aangegeven. Indien geen afzonderlijke beveiligingsmaatregelen getroffen zijn, dan
wordt de categorie-indeling bepaald door de categorie met de laagste cijferaanduiding, door voor de
afzonderlijke stoffen te vergelijken:
• De categorie-indeling op basis van de expliciete aanwijzing in de tabel indien deze er is; en
1 http://www-pub.iaea.org/MTCD/publications/PDF/EPR_D_web.pdf
46 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
• De categorie-indeling op basis van de gesommeerde A/D waarde.
De gesommeerde A/D-waarde wordt daarbij bepaald volgens de formule:
Waar
Ai,n = activiteit van iedere radioactieve stof i met radionuclide n,
Dn = D waarde voor radionucliden.
Bijlagen bij hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid, van de Regeling
basisveiligheidsnormen stralingsbescherming.
Bijlage 5.1, behorend bij afdeling 5.1, de paragrafen 5.1.1 en 5.1.2 (eisen deskundigheid en opleiding
stralingsbeschermingsdeskundigen).
Bijlage 5.1, onderdeel A: Puntensysteem t.b.v. bij- en nascholing stralingsbeschermingsdeskundigen
op het niveau van (algemeen) coördinerend deskundige
Activiteit Toelichting Waardering Minimum te behalen punten
per 5 jaar bij herregistratie
stralingsbeschermingsdeskundige
Na- en bijscholing Bewijs van deelname aan een
door de aangewezen instelling
goedgekeurde cursus
10 punten per dag Niveau coördinerend deskundige:
60 punten
Niveau algemeen coördinerend
Na- en bijscholing met examen Bewijs van positief resultaat op deskundige: 70 punten
examen/toets bij door de
aangewezen instelling
goedgekeurde cursus
15 punten per dag
Bijwonen symposia en
congressen
Bewijs van deelname aan een
door de aangewezen instelling
goedgekeurd symposium,
congres, e.d.
5 punten per dag Niveau coördinerend deskundige:
20 punten
Niveau algemeen coördinerend
deskundige: 60 punten
(Poster)presentatie op
symposium, congressen,
gastdocentschap
Bewijs via programma van het
symposium
10 punten per lezing
Publicatie in vaktijdschrift Ingestuurd tijdschrift 5 punten per publicatie
Publicatie in gerefereerd
tijdschrift
Ingestuurd tijdschrift 10 punten per publicatie
Doceren aan erkend opleidingsinstituut
of erkende nascholing
Cursusprogramma 2 punten per lesuur
Deelnemen aan (inter)nationale
commissies
Deelnemerslijst 10 punten per commissie per
jaar
Lidmaatschap één of meerdere
vakverenigingen
Bewijs van lidmaatschap van
één of meer van de verenigingen
op een door de aangewezen
instelling samengestelde
lijst
2 punten per jaar
Bijlage 5.1, onderdeel B: Kerncompetenties stralingsbeschermings-deskundige op het niveau van
algemeen coördinerend deskundige.
Om te voldoen aan de kerncompetenties om te worden ingeschreven als stralingsbeschermingsdeskundige
op het niveau van algemeen coördinerend deskundige dient deze persoon aan te tonen over
de volgende kerncompetenties te beschikken:
Kerncompetentie 1:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige kan op overtuigende wijze inhoudelijk
leiding geven aan meerdere toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming en aan een stralingsbeschermingseenheid
teneinde in complexe organisaties het systeem van stralingsbescherming vorm en inhoud te geven. Dit betekent dat hij vooraf
schriftelijke interne toestemmingen op basis van gedane risico-inventarisaties (RI&E’s) kan verlenen voor alle handelingen (en
werkzaamheden) met ioniserende straling in of door de organisatie (ondernemer). Hij kan de eerst aanspreekbare functionaris zijn
voor compliance met alle betreffende (stralings)regelgeving inclusief de verleende complexvergunning op grond van de Kernenergiewet
voor zowel de ondernemer als de overheid (inspecties) en kan daarom op reguliere basis intern toezicht organiseren,
bijvoorbeeld door het houden van audits. Ook bij non-compliance, incidenten en andere onverwachte gebeurtenissen betreffende
stralingstoepassingen gerelateerd aan de organisatie (ondernemer) kan de stralingsbeschermingsdeskundige het initiatief tot
beheersing van de situatie nemen en tot probleemoplossing komen en met maatregelen ter voorkoming van herhaling.
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige:
47 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
1. een stralingsbeschermingseenheid kan opzetten;
2. in overleg met de ondernemer een beleidsplan voor de stralingshygiëne kan opstellen;
3. de vigerende regelgeving kent en kan toepassen;
4. alle (potentiële) stralingsrisico’s in kaart kan brengen;
5. contact kan leggen en onderhouden met alle relevante belanghebbenden in de organisatie;
6. kan participeren in relevante formele en informele overleggen;
7. medewerkers van de stralingsbeschermingseenheid inhoudelijk kan aansturen, motiveren en
coachen;
8. adequaat kan reageren op stralingsincidenten;
9. een up-to-date Kernenergiewetdossier kan voeren;
10. een auditplan kan opstellen en uitvoeren;
11. een stralingsjaarverslag kan schrijven;
12. adequate veiligheidsmaatregelen kan voorstellen; en
13. helder kan communiceren naar alle relevante belanghebbenden bij non-compliance.
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau algemeen coördinerend
deskundige):
1. zich bewust is kan zijn van zijn rol in de organisatie;
2. wet- en regelgeving kan interpreteren en implementeren, inclusief aanpalende regelgeving;
3. de good practices in het vak kent en kan toepassen;
4. effectief overleg kan organiseren dan wel daarin effectief kan participeren;
5. globaal bekend is met de verspreidingsmodellen van activiteit in water, bodem en lucht en deze
kan toepassen of kan laten toepassen;
6. de ecologische risico’s van bedoelde of onbedoelde lozingen van activiteit door de organisatie kan
inschatten en evalueren;
7. de stralingsveiligheidsaspecten bij ontwerp en gebruik van deeltjesversnellers kan toepassen;
8. de lokale en (inter)nationale hulpverlenings- en rampenorganisaties kent;
9. een bedrijfsnoodplan kan opstellen.
Kerncompetentie 2:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige kan communiceren met en geeft
proactief advies aan alle geledingen in de organisatie en daarbuiten betreffende stralingsaangelegenheden. Hij kan zowel in de
diepte als in de breedte over stralingsbeschermingszaken adviseren en kan daarbij als een betrouwbare partner worden gezien. Bij
nieuwe ontwikkelingen kan hij zich hiervan in een vroeg stadium inhoudelijk op de hoogte stellen teneinde de stralingsbeschermingsaspecten
te kunnen beoordelen en optimaliseren. Hij kan een kwalitatief goede vergunnings(wijzigings)aanvraag opstellen.
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige kan bij het bovenstaande rekening
houden met alle belanghebbenden en met de basisprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, het ALARA-principe en
de dosislimieten).
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau van algemeen
coördinerend deskundige):
1. afschermings- en dosisberekeningen in complexe situaties kan beoordelen of zelf kan uitvoeren;
2. doelgroepgericht kan communiceren;
3. heldere en vakmatig goed onderbouwde adviezen kan geven; en
4. vanwege zijn kennis gezag kan opbouwen.
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau algemeen coördinerend
deskundige):
1. de werkwijze en de inhoud van de publicaties van nationale en internationale organisaties kent; en
2. goede kennis heeft van de fysische basis van het vakgebied en deze kan toepassen.
Kerncompetentie 3:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige kan actief werken aan de eigen
deskundigheidsbevordering en aan die van anderen, zowel binnen als buiten de eigen organisatie (voorlichting en instructie,
actieve deelname aan studiedagen en (internationale) congressen). Dit betekent dat hij wetenschappelijke publicaties kan vertalen
naar voor de praktijk van de stralingsbescherming relevante informatie en daarmee verder kan bouwen aan dit vakgebied. Samen
met andere stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundigen in Nederland kan hij de
stralingsbeschermingscultuur actief uitdragen en is zich van de ethische en communicatieve aspecten van het vakgebied bewust.
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige:
1. kritisch kan reflecteren op wetenschappelijke publicaties, rekenmodellen en regelgeving en
daarover zijn mening onder woorden kan brengen;
2. actief kan participeren bij congressen en symposia;
3. in databases en literatuurzoeksystemen de weg kent;
4. de grondslagen van het vakgebied stralingsbescherming beheerst;
5. voorlichting en instructie kan geven, voordrachten houden, onderwijs verzorgen, posters maken
en effectief met de pers kan omgaan;
6. de ethische aspecten van het vakgebied stralingsbescherming kan bespreken; en
48 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
7. in een debat op argumenten gebruikmakend van debattechnieken overtuigend over komt.
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau algemeen coördinerend
deskundige):
1. boven de leerstof van de opleiding Stralingsbeschermingsdeskundige staat;
2. de grondbeginselen van het vak epidemiologie kan toepassen;
3. de normatieve en ethische basisprincipes die gerelateerd zijn aan het vakgebied; stralingsbescherming
en de uitwerking daarvan in nationale en internationale codes beheerst;
4. de aspecten van de stralingsbeschermingscultuur kent;
5. de relatie tussen gezondheidseffect en blootstelling kan benoemen en onderbouwen;
6. risicovergelijkingen kan maken;
7. de methoden voor risicocommunicatie beheerst;
8. grondbeginselen van de radiobiologie goed beheerst, van moleculaire effecten tot gezondheidsschade,
voor het gehele dosisbereik van laag tot hoog;
9. de stralingsongevallencasuïstiek kent; en
10. de wetenschappelijke discussies over de validiteit van bijvoorbeeld de Linear- Non-Thresholdhypothese
en de relatie tussen de effecten van lage versus hoge blootstellingen kent.
Bijlage 5.1, onderdeel C: Kerncompetenties stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige.
Kerncompetentie 1:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige kan op overtuigende wijze inhoudelijk adequate
adviezen en aanwijzingen van preventieve aard geven aan een organisatie, toezicht houden en relevante wet- en regelgeving
handhaven (inclusief verleende Kernenergiewetvergunning) op het gebied van de ioniserende straling.
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau van coördinerend
deskundige):
1. een adequate risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) kan maken, gerelateerd aan het ondernemingsdoel
met inachtneming van de werknemersbelangen; zich bewust is van het spanningsveld
tussen verschillende (deel)belangen en dat in de praktijk soepel en flexibel kan hanteren zonder
het te behalen doel (een veilige werkplek) uit het oog te verliezen;
2. adequate werkplannen en procedures kan opstellen, evalueren en verbeteren;
3. adviezen (zowel gevraagd als ongevraagd) kan geven voor beleid gericht op risicobeperking en
praktische implicaties daarvan voor medewerkers, bezoekers van de organisatie en de leefomgeving
en dit beleid adequaat en overtuigend kan uitdragen en implementeren in de organisatie;
4. het spanningsveld tussen het toepassen van het ALARA-principe en de daarmee gepaard gaande
kosten kan hanteren;
5. zijn positie in de organisatie en naar buiten toe goed kan inschatten (organisatiesensitiviteit) en
daardoor proportioneel en in een bestuurlijke context kan handelen;
6. op basis van kennis van verschillende detectiemethoden adequaat kan adviseren en oordelen over
de inzet/toepassing van bepaalde werkwijzen bij bekende en (soms) onbekende stralingsbronnen;
7. bij nieuw- en verbouw kan adviseren over de gewenste bouwkundige voorzieningen met betrekking
tot stralingsveiligheid;
8. betrouwbaar en reproduceerbaar het stralingsniveau, een oppervlaktebesmetting, de activiteit
(bijvoorbeeld in excreta) en het dosis(tempo) kan meten (meettechniek, meetstatistiek);
9. reguliere kwaliteitsmonitoringsystemen kan opzetten en audits kan houden;
10. geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen kan adviseren voor de te onderscheiden
werkzaamheden/handelingen (wijze van blootstelling) en situaties (bijvoorbeeld een zwangere
blootgestelde werker);
11. aan blootgestelde werkers de meest geschikte vorm van persoonsdosimetrie kan toekennen;
12. verkregen meetgegevens kan interpreteren en duiden in het kader van normen en limieten;
13. met radiometrische grootheden kan rekenen;
14. afschermingsberekeningen kan uitvoeren, blootstellingspaden en afgeleide operationele limieten
kan bepalen en de effectieve (volg)dosis door uitwendige bestraling en inwendige besmettingen
kan berekenen (via vuistregels, ICRP-modellen en metingen).
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige):
1. (voor)kennis heeft van de wiskunde, fysica en scheikunde op het examenniveau van het voortgezet
onderwijs;
2. over een verzameling van basisvaardigheden beschikt om vakliteratuur te kunnen lezen en de
inhoud toe te kunnen passen (wiskunde: integreren/differentiëren, statistiek, rekenvaardigheden,
werken met rekenbladen (spreadsheets) etc.);
3. kennis heeft van de drie hoofdprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, ALARA,
limieten);
4. kennis heeft van de basisanatomie en fysiologie van de mens;
5. voor alle toegepaste stralingstypen afschermingsberekeningen kan maken;
49 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
6. de verleende Kernenergiewetvergunning kan interpreteren en weet wanneer deze gewijzigd moet
worden;
7. de terreingrensdosis kan berekenen – mede via de daartoe gepubliceerde modellen – en daarnaast
de medewerkers- en bezoekersdoses binnen de terreingrens;
8. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving en de hieromtrent benodigde administratie
adequaat uitvoert;
9. kennis heeft van beveiliging van stralingsbronnen;
10. een aan de gestelde eisen voldoende vergunningsaanvraag of -wijziging c.q. revisie kan opstellen;
11. alle dosis- en aanverwante begrippen kent die in de regelgeving worden genoemd en er mee kan
werken;
12. de eisen kent die aan een Kernenergiewetdossier worden gesteld en deze kan toepassen voor de
eigen organisatie;
13. de regels kent en toepast die gelden per onderdeel van de levenscyclus/logistieke beheersketen
van radioactieve stoffen en bronnen/toestellen;
14. een indeling in speciale, bewaakte en gecontroleerde zones kan maken, inclusief beschrijving van
vereiste bouwkundige voorzieningen en toegangsprocedures;
15. bekend is met transportregelgeving (ADR) met betrekking tot radioactieve stoffen, kan vaststellen
of aan de eisen van ADR-klasse 7 moet worden voldaan, etiketten kan (her)kennen, een
transportindex-bepaling kan uitvoeren en een vervoersdocument correct kan invullen;
16. de actuele ICRP-modellen voor inwendige-besmettingsberekeningen kent en er mee kan rekenen,
met inbegrip van de daarbij voorkomende begrippen zoals U, SEE en SAF;
17. het ALARA-beginsel kan toepassen op handelingen en werkzaamheden van uiteenlopende
complexiteit;
18. op de hoogte is van de ecologische aspecten van ioniserende straling (gezondheidseffecten op
planten, dieren en ecosystemen);
19. bekend is met de nuclidenkaart (of analoog) en de daarop vermelde gegevens in berekeningen kan
toepassen;
20. voldoende kennis en inzicht heeft in de radiobiologie om risicoschattingen te maken en daarop
gebaseerde adviezen te geven aan (onder andere zwangere) blootgestelden;
21. effectieve, doelgroepgerichte (werk)instructie en voorlichting geeft, zowel individueel als in
groepen;
22. kennis heeft van de fysische en radiobiologische eigenschappen van alfastraling, bètastraling,
positronen, fotonen, neutronen, protonen en ioniserende straling producerende toestellen (met
name röntgenapparatuur) en bronnen;
23. secundaire effecten kent bij hoogenergetische straling (remstraling; (g, n)-reacties);
24. brede algemene kennis heeft van de achtergrondstraling (aard, type, oorsprong, dosisbelasting per
bronterm en belastingspad).
Kerncompetentie 2:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige handelt een (dreigend) incident of ongewenste
gebeurtenis adequaat af.
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend
deskundige):
1. bij een (dreigend) incident, onder druk en op locatie de urgentie/risicogrootte adequaat kan
inschatten;
2. (verdere) contaminatie van de omgeving kan voorkomen door het toepassen van de juiste
maatregelen;
3. de daarbij passende maatregelen, detectie- en meetmethoden kan kiezen, initiëren en/of toepassen
of laten toepassen en de daaruit voortkomende meetresultaten kan interpreteren;
4. een decontaminatieplan kan opstellen en laten uitvoeren;
5. de verantwoordelijkheid die bij zijn rol past actief op zich kan nemen;
6. een ontstane afwijkende situatie zo nodig binnen een dag terug kan brengen naar de normale
werkbare situatie (tenzij fysisch onmogelijk);
7. binnen een uur een eerste dosisschatting kan geven aan de hand van meetwaarden en gegevens
zoals vermeld in het Handboek Radionucliden (of vergelijkbaar);
8. ervoor kan zorgen dat in overleg met de leiding van de organisatie adequate regie en samenwerking
met andere deskundigen en disciplines plaatsvindt (bijvoorbeeld met de afdeling
Communicatie/Voorlichting), inclusief melding aan de Inspectie conform een vergunningsvoorschrift;
9. het incident kan evalueren en de uitkomsten naar beleid en interne procedures vertaalt.
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige):
1. de situatie snel overziet omdat hij bekend is met de bronnen en de locatie, vanwege reguliere
contacten, verrichte audits en bekendheid met de werkzaamheden/handelingen;
2. praktische vuistregels kent en deze vlot toepast;
50 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
3. kennis heeft van (uitwendige) decontaminatiemethoden voor mens en ruimtes;
4. inschat wanneer de situatie acute medische hulp vereist als gevolg van stralingsincidenten;
5. blootgestelde personen (of zij die denken te zijn blootgesteld) op onderbouwde wijze geruststelt en
het gevoel van veiligheid op de werkvloer terugbrengt.
Kerncompetentie 3:
De stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige kan actief werken aan de eigen deskundigheidsbevordering
en aan die van anderen met name binnen de eigen organisatie.
In deze context gaat het erom dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend
deskundige):
1. met alle betrokkenen (van laag tot hoog in de organisatie) effectief kan communiceren over
stralingsrisico’s en werkwijzen;
2. het vakgebied stralingsbescherming in brede zin kan overzien en daarin een bepaalde diepgang
kan verwerven;
3. stralingsrisico’s in een maatschappelijke context kan plaatsten, zowel binnen als buiten de
organisatie;
4. de relatie tussen de stralingsrisico’s en die van andere agentia en risico’s op de werkvloer kan
vergelijken met het (arbo)risicobeleid en daarbij rekening kan houden met verschillen in risicoperceptie;
5. leesbare werkprotocollen kan opstellen en beoordelen;
6. kan reflecteren op zijn eigen normen en waarden, integriteit en ethiek;
7. zich open kan stellen voor intervisie en kritiek;
8. kan reflecteren op zijn eigen risicoperceptie ten aanzien van stralingsblootstelling;
9. de grens van zijn expertise kan onderkennen en zichzelf bijschoolt.
Daarvoor is het nodig dat de stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige):
1. aan het systeem van stralingsbescherming praktische invulling kan geven;
2. in voldoende mate de weg kent op internet en in de literatuur om de eigen kennis up to date te
houden en bekend is met het systeem van nascholing in Nederland;
3. globaal bekend is met de eigenschappen en risico’s van niet-ioniserende straling;
4. globaal bekend is met de brontermen en handelingen of werkzaamheden in de (inter)nationale
nucleaire industrie; de medische toepassingen (nucleaire geneeskunde incl. cyclotron, radiotherapie,
radiodiagnostiek); de industriële wereld (olie/gas, bagger, niet-destructief onderzoek) en de
luchtvaart.
Bijlage 5.2, behorend bij afdeling 5.2 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend medewerker
stralingsbescherming).
Bijlage 5.2, onderdeel A: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor
medische toepassingen.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen
zijn primair bedoeld voor de medewerker die toezicht houdt op toepassingen met medischbeeldvormende
röntgenapparatuur ten einde werknemer en omgeving tegen de nadelige gevolgen
van ioniserende straling bij radiologische toepassingen te beschermen en daarmee – indirect – ook de
patiënt beschermt. De medisch professional is primair verantwoordelijk voor zijn/haar medisch
handelen en is daarmee verantwoordelijk voor de bescherming van de patiënt met inachtneming van
de bescherming van werknemer en omgeving.
Kerncompetentie 1
De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen geeft in afstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige
inhoudelijk adviezen en aanwijzingen van preventieve aard en bewaakt de veiligheid van medewerkers en leden van de
bevolking voor de betreffende toepassing op het gebied van ioniserende straling.
Nadere typering van de context
De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen heeft wettelijke taken
met betrekking tot het verzorgen van opleiding en bij- en nascholing van werknemers en het voorlichten
van werknemers over toepasselijk vastgestelde procedures en ter plekke geldende regelgeving.
In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische
toepassingen in staat is:
1. zorg te dragen dat de toepasselijk vastgestelde procedures ten aanzien van stralingsbescherming
en ter plekke geldende regelgeving worden nageleefd;
2. zorg te dragen dat voorschriften en instructies ter kennis worden gebracht aan medewerkers en
andere betrokkenen;
3. protocollen op te stellen met betrekking tot stralingshygiënisch werken.
4. zorg te dragen voor voorlichting aan derden over stralingsbeschermingsaangelegenheden;
51 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
5. werknemers aan te spreken op onveilig/ongewenst gedrag betreffende stralingsveiligheid;
6. uit hoofde van zijn functie contact te onderhouden met werknemers (al dan niet blootgesteld) op
de afdeling over stralingsbeschermingsaspecten; bij zwangere medewerkers op het moment van
melding;
7. toezicht te houden op de klinische workflow, zodat het risico van stralingsblootstelling van
werknemers en leden van de bevolking is geminimaliseerd;
8. de regels, geldende veiligheidsnormen/eisen en protocollen toe te passen ten behoeve van
stralingsbescherming van personeel, leden van de bevolking en daarmee tevens van patiënten;
9. zorg te dragen voor de lokale organisatie van persoonsdosimetrie;
10. te controleren dat voor personen die radiologische handelingen verrichten de passende persoonsgerichte
stralingsbeschermingsvoorzieningen worden getroffen;
11. toe te zien op de uitvoering van werkplekgerelateerde en individuele dosismonitoringsprogramma’s;
12. zorg te dragen voor het juiste gebruik van apparatuur, voorzieningen en beschermingsmiddelen;
13. werkzaamheden te verrichten in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige voor de
uitvoering van Risico Inventarisaties en Evaluaties Stralingshygiëne (RIAS);
14. structurele taken te verrichten betreffende kwaliteitsbewaking, stralingsveiligheid en de opvolging
daarvan (Plan-Do-Check-Act (PDCA) cyclus;
15. verbeteruitkomsten te implementeren op basis van de uitkomsten van de risico-inventarisatie en
evaluatie (RI&E) of inspectie- en auditbevindingen;
16. werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de stralingsbeschermingsdeskundige, verband
houdend met vergunningen en aangifteregelingen;
17. toepassingsspecifieke vragen bij een inspectiebezoek te beantwoorden;
18. in afstemming met stralingsbeschermingsdeskundige de regie bij stralingsincidenten te nemen en
op de hoogte te zijn van de lokale procedures betreffende incidenten en ongevallen.
Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen:
1. op de hoogte is van de landelijke standaarden voor RI&E;
2. de methoden kent voor prospectieve risicoanalyse;
3. de systematiek van kwaliteitsborging (PDCA-cyclus) kent;
4. kennis heeft van de drie hoofdprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, ALARA,
dosislimieten);
5. alle relevante dosis- en aanverwante begrippen kent, begrijpt en kan toepassen die in de regelgeving
worden genoemd;
6. de aard van röntgenstraling begrijpt en de wijze waarop deze wordt geproduceerd en verder het
elektromagnetische spectrum, röntgenspectra, interactie van röntgenstraling met materie en
achtergrondstraling;
7. het ALARA-beginsel toepast op handelingen en werkzaamheden van uiteenlopende complexiteit;
8. bekend is met de gangbare dosisbeperkende hulpmiddelen en de effectiviteit daarvan in verschillende
situaties.
Kerncompetentie 2
De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen houdt toezicht op het handhaven van de relevante
wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling binnen het – door de stralingsbeschermingsdeskundige vastgestelde –
kader van de betreffende medische toepassing(en).
Nadere typering van de context
De rol van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen is altijd
dezelfde: lokaal toezicht houden op de handelingen met straling teneinde de stralingsbescherming van
werknemers en leden van de bevolking te waarborgen. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
medische toepassingen werkt binnen de kaders en verantwoordelijkheid van de stralingsbeschermingsdeskundige.
In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische
toepassingen in staat is:
1. toezicht te houden op de stralingsbescherming rondom de betreffende medische toepassing;
2. te signaleren wanneer stralingstoestellen alsmede de hulp- en beveiligingsmiddelen niet voldoen
aan de eisen van goed en veilig werken;
3. onvoorziene gebeurtenissen te signaleren;
4. zorg te dragen voor rapportage en meldingen aan betrokken stralingsbeschermingsdeskundige
en/of klinisch fysicus;
5. er voor te zorgen dat de afgesproken periodieke controles worden uitgevoerd;
6. kwaliteitsrapportages op te stellen voor de afdeling en de stralingsbeschermingsdeskundige;
7. voor de betreffende medische toepassing een Kernenergiewetdossier kan opstellen en bijhouden
conform landelijke en lokale richtlijnen;
8. mede zorg te dragen voor het uitvoeren van de taken van de Commissie Stralingshygiëne;
52 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
9. afwijkingen/non-conformiteit met betrekking tot vastgelegde afspraken en procedure te rapporteren
aan de betrokkenen (bijvoorbeeld arts, MBB’er/laborant, klinisch fysicus, stralingsbeschermingsdeskundige);
10. zorg te dragen dat stralingsbronnen (toestellen) die vermeld zijn in vergunning of verleende
schriftelijke interne toestemming afdoende zijn beveiligd tegen onbevoegd gebruik;
11. de verantwoordelijkheid te nemen dat radiologische handelingen die naar zijn oordeel een
ontoelaatbaar stralingsrisico vormen of een calamiteit (kunnen) veroorzaken worden beperkt of
beëindigd conform afgesproken protocollen;
12. zich op de hoogte te stellen van het lokale beleid voor kwaliteitsbewaking en het te volgen
veiligheidsbeleid.
Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen:
1. de functie kent van de verschillende onderdelen van de beeldvormende apparatuur;
2. de invloed kent van het aanpassen van de diverse instelparameters en het gebruiken van de
diverse opties van een diagnostiektoestel op beeldkwaliteit en dosis;
3. eenvoudige afschermingsberekeningen kan uitvoeren;
4. stralingsniveaus op de correcte wijze weet te meten;
5. voldoende kennis heeft van radiobiologie om de achtergronden van dosislimieten en
-referentieniveaus te begrijpen en aan derden te kunnen uitleggen;
6. de relevante (meetbare) parameters voor dosimetrie en beeldkwaliteit kent binnen de betreffende
medische toepassing(en), zoals de operationele grootheden: dosis-oppervlakteproduct, DOP;
omgevingsdosisequivalent, H*(10) en persoonsdosisequivalent, Hp(10);
7. zich bewust is van de formele aspecten van een toezichthoudende rol en hoe die in een (ziekenhuis)
organisatie is waar te maken;
8. eventueel noodzakelijke wijzigingen signaleert in de RI&E en de op grond daarvan benodigde
wijzigingen in de indeling van werknemers en dit voorlegt aan de SBD;
9. afdelingsprotocollen en andere stralingsrelevante zaken kan toetsen aan de Kernenergiewetvergunning
en de vigerende wet- en regelgeving.
Kerncompetentie 3
De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen werkt actief aan de eigen deskundigheidsbevordering
en aan die van medewerkers met betrekking tot de stralingsbescherming bij de betreffende medische toepassing(en).
Nadere typering van de context
Kennis, met betrekking tot regelgeving, werkmethoden en toepassingen, kan snel verouderen en moet
daarom continu worden bijgehouden en uitgebreid. Dit geldt niet alleen voor de toezichthoudend
medewerker stralingsbescherming medische toepassingen zelf, maar ook voor de werknemers, die
binnen het betreffende toepassingsgebied, onder zijn toezicht staan.
In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische
toepassingen in staat is:
1. zorg te dragen voor eigen bij- en nascholing op het gebied van stralingsbescherming;
2. zorg te dragen voor bij- en nascholing van medewerkers op het gebied van stralingsbescherming;
3. instructie en voorlichting te geven aan nieuwe medewerkers en bij gebruik nieuwe apparatuur,
inclusief het gebruik van hulpmiddelen die de stralingsbelasting kunnen verlagen;
4. collega’s te trainen bij de implementatie van gewijzigde protocollen waarbij stralingsbescherming
een rol speelt;
5. effectief te communiceren met alle betrokkenen over stralingsrisico’s en werkwijzen;
6. te reflecteren op eigen competenties, kennis en vaardigheden.
Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen:
1. kennis heeft van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving uit (o.a. Kew, Arbo);
2. kennis heeft van de inhoud van de Kernenergiewetvergunning;
3. de relevante aanbevelingen en rapporten van de Overheid (o.a. de ministeries van SZW, VWS,
ANVS, Inspecties) en beroepsgroepen/commissies (o.a. NVMBR, NVKF, NCS) kent;
4. invulling kan geven aan het systeem van praktische stralingsbescherming binnen de betreffende
medische toepassing(en);
5. communicatieve en didactische kennis en vaardigheden heeft.
Bijlage 5.2, onderdeel B-1: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
voor tandheelkunde (basisniveau).
53 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor tandheelkunde (basisniveau)
Onderwerp
EQF1
1 Atomaire structuur, stralingsproductie en interactie van straling
– Bouw van materie
– Ionisatie, excitatie
– Elektromagnetische straling
– Kwadratenwet
– Wisselwerking straling met materie; foto-en comptoneffect
– Afhankelijkheid effecten van fotonenergie
– Verzwakkingscoëfficienten en transmissie
4
2 Radiologische grootheden en eenheden
– Geabsorbeerde dosis
– Stralingsweegfactor en equivalente dosis
– Weefselweegfactoren en effectieve dosis
– Gray, sievert
4
3 Fysische eigenschappen van röntgentoestellen
– Bouw en werking röntgenbuis; productie van straling
– Stralingskwaliteit en energiespectrum
– Invloed buisspanning op dosis en contrast
– Invloed van buisstroom op dosis en contrast
– Effect van filtering
– Bundelbegrenzing
5
4 Principes van stralingsdetectie
– Dosismeters (zowel persoonlijk als ruimtedosimetrie)
– Gebruik van dosismeters (zowel persoonlijk als ruimtedosimetrie)
– Beeldvormende systemen (film, SPP, CCD, CMOS e.a.)
4
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging
– Kosten-baten analyse (rechtvaardiging van het protocol/procedure in het algemeen en voor de
specifieke patiënt in het bijzonder).
6
6 Principes van radiobiologie, biologische effecten van straling
– Interactie van straling en levend weefsel
– Factoren van invloed op het biologisch effect
– Stochastische en deterministische effecten
– Principe van lineaire dosis-effect relatie
4
7 Risico’s op tumoren en erfelijke afwijkingen
– Latentietijd
– Genetische effecten
5
8 Optreden van weefselreacties (deterministische effecten) 4
9 Algemene principes van stralingsbescherming inclusief optimalisatie
– Effect van afstand
– Effect van filtering
– Effect van diafragmering
– Rechtvaardiging, ALARA en dosislimieten
– Afschermende werking van materialen
6
10 Toepassing van stralingsbescherming
– Stralingsrisicoinventarisatie en -analyse
– Persoonsdosimetrie
– Ruimtedosimetrie
– Organisatorische maatregelen
6
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten
– Toepassing rechtvaardigingsprincipe
– Keuze apparatuur
– Keuze opnametechniek in relatie tot diagnostische vraagstelling
– Bundelbegrenzing
– Effecten van filtering
– Keuze receptor
– Keuze opnametechniek
– Beleid van röntgenopnamen en zwangerschap
– Kwaliteitsbewaking en foutherkenning
– Gebruik van loodkraag (schild) en loodschort
– Bepaling van noodzaak overige beschermende maatregelen
6
54 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor tandheelkunde (basisniveau)
Onderwerp
EQF1
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en medewerkers
– Wanneer is persoonsdosimetrie noodzakelijk
– Toezicht op stralingsbescherming in de praktijk
– Verantwoordelijkheden naar stralingsbeschermingsdeskundige
– Stralingshandelingen bij zwangerschap
– Bouwkundige aspecten
6
13 Diagnostische referentieniveaus
– Intra-orale opnamen
– Extra-orale opnamen
– Bijzondere opnamen (o.a. CBCT)
– Vergelijking met andere opnametechnieken
5
14 Risico bij zwangerschap en voor de foetus 5
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering
– Referentiedoses
– Praktijkinstructies en protocollen
– Standaardisatie van opnametechniek
– Beeldoptimalisatie en beeldbewerking
5
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen
– ICRP-Europese richtlijnen
– Kernenergiewet en Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
– Melding en vergunning
– Praktijkrichtlijn NMT en veldnormen
5
1 European Qualifications Framework for Lifelong Learning. Het betreft een voorstel tot harmonisatie van de verschillende opleidingsniveaus
in de landen van de Europese Unie, waarbij niveau 1 het laagste niveau is en niveau 8 het hoogste.
Bijlage 5.2, onderdeel B-2: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
voor tandheelkunde (Conebeam CT)
Opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor tandheelkunde (Conebeam CT,
CBCT)
Onderwerp
EQF
0 De inhoud van de opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor tandheelkunde
(Basisniveau) wordt bekend verondersteld
3 Fysische eigenschappen van CBCT
– Principe van CBCT
– CBCT systemen
– Mogelijkheden voor belichtingsinstellingen
– Selectie volume en resolutie
– Effect van buisspanning
– Effect van buisstroom
– Effect van beam hardening
5
4 Principes van stralingsdetectie bij CBCT
– Beeldacquisitiesystemen
– Principe van CT-beeldreconstructie
– Partial volume effect
– 3D-rendering en visualisatie
5
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging
– Kosten-baten analyse (rechtvaardiging van het protocol/procedure in het algemeen en voor de
specifieke patiënt in het bijzonder) met betrekking tot CBCT.
6
10 Toepassing van stralingsbescherming bij CBCT
– Effect van bundelbegrenzing en beperking Volume of Interest
– Effect van aantal basisprojecties
– Effect van opnamehoek
– Resolutie
– Risicoanalyse en vereiste afscherming rondom toestel.
6
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten
– Effecten van belichtingsinstellingen op de patiëntendosis
6
55 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor tandheelkunde (Conebeam CT,
CBCT)
Onderwerp
EQF
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en medewerkers
– Stralingsbelasting op de omgeving bij CBCT-toestellen
– Effecten van belichtingsinstellingen op de omgevingsdosis
6
13 Diagnostische referentieniveaus
– Voor verrichtingen met CBCT
5
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering bij een CBCT
– Controle op goede werking
– Vereiste training van gebruiker
6
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen
– Besluit stralingsbescherming
– Risicoanalyse
– Afscherming rondom CBCT-toestel
– Melding/vergunning
– Rechtvaardiging
– SedentexCT
– Vergelijking met andere opnamemodaliteiten
– Praktijkinstructies en protocollen
6
17 Interpretatie en diagnostiek
– Anatomie en het normale beeld
– Implantologie
– Endodontologie
– Gnathologie
– Traumatologie
– Overige pathologie
– Herkennen van fouten in belichtingsinstelling, positionering en gevolgen van mechanische problemen.
– Artefacten
6
Bijlage 5.2, onderdeel C: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor
de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur.
De eindtermen zijn verdeeld in drie categorieën met de aanduidingen K (kennis), V (vaardigheden) en
C (competenties). Deze zijn in de genoemde volgorde hiërarchisch gerangschikt en een hogere
categorie-aanduiding impliceert dat ook aan de voorgaande categorie of categorieën moet zijn
voldaan (K < V < C). Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur verricht handelingen en/of houdt toezicht op de uitvoering van de handelingen met röntgentoestellen op een gerechtvaardigde en veilige manier om onnodige blootstelling van zichzelf en anderen te voorkomen. Hierbij worden rechtvaardiging, optimalisatie (ALARA-principe) en de dosislimieten in acht genomen. Nadere typering van de context De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur zal toezien op een verantwoord gebruik van röntgenstraling en wanneer mogelijk gebruik maken van alternatieven. Hij dient een actieve rol te vervullen in de toepassing van het ALARAprincipe als het gaat om afstand nemen en afscherming. Ook de opnametechniek is van belang: wanneer röntgenopnamen gemaakt worden met een goede opnametechniek en een correcte diagnostische beeldkwaliteit, kan voorkomen worden dat er opnamen moeten worden overgemaakt. Dit is een belangrijke vorm van stralenreductie. Het is dan ook essentieel voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur om praktische vaardigheden op te doen tijdens de opleiding. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur: 1. toeziet op risicobeperking volgens het ALARA principe en de praktische implicaties daarvan (zoals tijd, afstand en afscherming) voor medewerkers en bezoekers van de praktijk. Hij zal dit principe adequaat en overtuigend uitdragen en implementeren (C); 2. het gebruik van röntgenstraling te allen tijde kan verantwoorden (rechtvaardiging) (C); 3. bekend is met strooistralenrichting en actief toeziet de hoeveelheid strooistralen te verminderen (bv. door diafragmering) (C); 4. in het kader van afstand nemen, de kwadratenwet weet toe te passen (V); 5. de belangrijkste projectierichtingen bij gezelschapsdieren en paarden kan maken (inclusief juiste centrering) en de juiste naamgeving van deze opnamerichtingen gebruikt (V); 56 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 6. een correcte belichting voor een opname kan gebruiken en helderheid en contrast kan verbeteren door het aanpassen van de kV en mAs (V); 7. wanneer nodig het contrast van een opname kan verbeteren door diafragmeren en/of het gebruiken van een strooistralenrooster (V); 8. de invloed kent van kV en mAs op de geabsorbeerde dosis en op de hoeveelheid strooistraling (V). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur kennis heeft over: 1. de bouw en onderdelen van de röntgenbuis, lichtvizier en diafragma inclusief hun functies; 2. de buisspanning en buisstroom in relatie tot de kwaliteit van beeldvorming; 3. het mechanisme van het opwekken van röntgenstraling; 4. het energiespectrum en de filterwaarde; 5. de warmteontwikkeling binnen een röntgenbuis en de spreiding hiervan (o.a. draaianode, lijnfocusprincipe); 6. de verschillende typen toestellen en detectiemethoden/beeldopnemers (fotografische emulsie/ analoge film, CR/DR en fluorescopie, inclusief de voor- en nadelen); 7. het gebruik van een strooistralenrooster (inclusief de opnametechnische voordelen en consequenties qua belichtingswaarden); 8. de verschillende vormen van onscherpte; 9. het principe van vergroting en vertekening; 10. de veterinaire anatomie, inclusief de kenmerken van de te onderscheiden weefseltypen in relatie tot de kwaliteit van de beeldvorming. Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur zorgt ervoor dat de administratie voor het beheer en gebruik van de röntgentoestellen volgens de geldende wetgeving op orde is. Hij weet wanneer het nodig is experts te consulteren en volgt na- en bijscholing om kennis op peil te houden en op de hoogte te blijven van nieuwe ontwikkelingen. Nadere typering van de context De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur is ervoor verantwoordelijk dat met een röntgenapparaat gewerkt wordt binnen een veilige werkomgeving (inclusief beschermingsmiddelen) volgens de huidige wet- en regelgeving en dient te zorgen voor schriftelijke en mondelinge instructies voor medewerkers. Hij ziet erop toe dat een correcte administratie wordt gevoerd en weet wanneer hij experts moet raadplegen, bijvoorbeeld voor het opstellen of laten goedkeuren van de risicoanalyse. Bij de controle van de administratie wordt ook de blootstelling van de medewerkers en derden (inclusief dosislimieten) in ogenschouw genomen. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur: 1. de grenzen kent van zijn of haar eigen kennis en deskundigheid (C); 2. de rol kent van een geregistreerd stralingsbeschermingsdeskundige en deze indien noodzakelijk om ondersteuning vraagt (C); 3. reflecteert op zijn of haar eigen stralingsrisicoperceptie en integriteit en zich open stelt voor intervisie en kritiek (C); 4. een overzichtelijk administratief beheersysteem bijhoudt met up-to-date Kernenergiewetdossier en stralingshygiënisch jaarverslag (V); 5. toeziet op de aanwezigheid van een adequate, door een stralingsbeschermingsdeskundige goedgekeurde (en evt. opgestelde) risicoanalyse, gerelateerd aan het gebruiksdoel, met inachtneming van de stralingsrichting (V); 6. toeziet op planning en uitvoering van de acceptatietest voor ingebruikneming van een toestel, het periodieke onderhoud van het toestel en de periodieke controle van röntgen- en stralingsmeetapparatuur en (persoonlijke) beschermingsmiddelen, dit alles door of onder toezicht van een stralingsbeschermingsdeskundige (V); 7. heldere werkprotocollen opstelt/beoordeelt en toeziet op naleving hiervan (V); 8. zorg draagt voor een veilige werkomgeving die volgens de wettelijke voorschriften is ingericht en aangeduid (C); 9. weet waar en hoe de relevante wet- en regelgeving te raadplegen en zich op de hoogte houdt van relevante wijzigingen (V); 10. er op toeziet dat de dosislimieten niet worden overschreden (V); 11. in voldoende mate de weg kent op het internet en in de literatuur om de eigen kennis actueel te houden en bekend is met het systeem van na- en bijscholing in Nederland en de administratie hiervan (C); 12. geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen kiest voor de werkzaamheden (V); 13. zorgt voor geschikte persoonsdosimetrie voor blootgestelde werkers (V); 14. verbeterpunten implementeert naar aanleiding van uitkomsten van een risicoanalyse en/of inspectie. 57 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur kennis heeft over: 1. de betrokken overheidsinstanties en inspecties, inclusief Euratom en ICRP; 2. de Kernenergiewet en onderliggende relevante besluiten en regelingen; 3. de verschillende professionele rollen van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de stralingsbeschermingsdeskundige; 4. de vergunnings- en meldingsplicht van röntgentoestellen; 5. dosismeters en persoonlijke controlemiddelen (ionisatiekamers, TLD, GM telbuizen, DOP-meter); 6. het principe van dosisreductie door afscherming. Kerncompetentie 3 De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur beschikt over communicatieve vaardigheden om gevraagd en ongevraagd, op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen en aanwijzingen van preventieve aard te verstrekken over het werken met ioniserende straling en de stralingsrisico’s aan medewerkers en eigenaren van dieren. Nadere typering van de context Omdat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur verantwoordelijk is voor het gebruik van röntgenstraling bij een dier, moet hij de risico’s hiervan kennen en kunnen uitleggen. Om de risico’s goed te begrijpen is kennis over algemene fysische onderwerpen, dosimetrie en de biologische effecten van straling essentieel. Om de risico’s op een proactieve en heldere manier te kunnen overdragen, dient de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming over een professionele houding en communicatieve vaardigheden te beschikken. Naast de communicatie met medewerkers en eigenaren van dieren betreft dit ook de communicatie met deskundigen en de inspectiedienst. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur: 1. indien noodzakelijk met alle betrokkenen mondeling en of schriftelijk communiceert over zaken betreffende stralingsbescherming, de stochastische effecten en weefselreacties van straling en zwangerschap gerelateerde zaken (humaan) (C); 2. indien noodzakelijk wijst op de risico’s van strooistraling (inclusief de richtingsgevoeligheid hiervan) (V); 3. stralingsrisico’s in het perspectief ziet van de andere aanwezige risico’s en de maatschappelijke context (V); 4. toelichting kan geven over dosimetrie (geabsorbeerde dosis, equivalente dosis en effectieve dosis en stralings- en weefselweegfactoren) en dosis-effect relaties (V); 5. incidenten herkent en beoogt te voorkomen en correct reageert op voorziene en onvoorziene onbedoelde gebeurtenissen en deze rapporteert (V). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de veterinaire toepassing van röntgenapparatuur kennis heeft over: 1. algemene fysische onderwerpen, inclusief de bouw van het atoom (model van Bohr), ionisatie, excitatie, luminescentie, het begrip straling (deeltjes vs. elektromagnetische straling) en het elektromagnetisch spectrum; 2. onderscheid tussen ioniserende en niet-ioniserende straling; 3. de fysische eigenschappen van alfa-, bèta-, röntgen- en gammastraling; 4. karakteristieke straling en remstraling; 5. de interactiemechanismen van straling; 6. relatie tussen foto-elektrische en Compton-effecten en dikte, dichtheid en atoomnummer (Z) van het object en de golflengte van de straling; 7. open vs. gesloten bronnen, uitwendige bestraling vs. inwendige besmetting; 8. de effecten van straling op biologisch materiaal (directe en indirecte effecten/ stochastische effecten en weefselreacties (radicalen); effecten op cel- en weefselniveau; somatische en genetische effecten en teratogene effecten); 9. methoden voor stralingsmeting en (persoons)dosimetrie; 10. achtergrondstraling. Bijlage 5.2, onderdeel D: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus kent twee niveaus: 1. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus (niveau C), 2. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus (niveau B). De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus niveau B is in de nabijheid van een handeling of is oproepbaar. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus niveau C zal lokaal aanwezig zijn of in de nabijheid zijn van een handeling en 58 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 zal altijd onder een geconsigneerd toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus niveau B werkzaam zijn. De kerncompetenties voor deze twee niveaus worden in bijlage 5.2 onderdelen D-1 en D-2 verder uitgewerkt. Bijlage 5.2 onderdeel D-1. Kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus (niveau C) Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C houdt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, toezicht en handhaaft de relevante wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling. Hij geeft in afstemming met de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen aan de werknemers en organisatie in het nucleaire veld. Nadere typering van de context Deze werkzaamheden worden voor een groot deel ter plaatse of in de nabijheid van de handeling uitgevoerd. Daarnaast omvatten de werkzaamheden administratieve taken en het deelnemen aan regulier overleg. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C schakelt de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B in voor de aan toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B voorbehouden taken en handelt verder binnen de door de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B aangegeven kaders. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C stemt waar nodig met de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B op professionele wijze af ter waarborging van de kwaliteit van de stralingsbescherming bij de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de nucleaire industrie: 1. audits en inspecties uitvoert op de werkplek; 2. betrouwbaar en reproduceerbaar het stralingsniveau (cps/dosis/dosistempo) en een (oppervlakte- )besmetting meet; 3. verkregen meetgegevens interpreteert in het kader van dosisbeperkingen en limieten; 4. oordeelt of handelingen voldoen aan de gestelde eisen in de Kernenergiewet (Kew) vergunning, Interne Toestemming (indien van toepassing) en interne regelingen; 5. Inzicht heeft in de risico’s van de industrie waarin hij werkt; 6. proactief bijstuurt: de benodigde instrumenten en vaardigheden inzet om te interveniëren indien dit naar zijn oordeel nodig is; 7. intervenieert door onderbreken/stilleggen van de werkzaamheden indien hiertoe aanleiding is; 8. intervenieert door advisering van blootgestelde werknemers, management en toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B of stralingsbeschermingsdeskundige; 9. bijdraagt aan het opstellen van een adequate risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E); 10. bijdraagt aan het opstellen, evalueren en verbeteren van adequate werkplannen en procedures en daarbij het principe van een Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA-cyclus) hanteert; 11. bijdraagt aan een vergunningsaanvraag of -wijziging; 12. bijdraagt aan de indeling in bewaakte en gecontroleerde zones, inclusief de beschrijving van toegangsprocedures en uitgangsprocedures; 13. het spanningsveld tussen het toepassen van het optimalisatie-/ALARA-principe en de daarmee gepaard gaande kosten adequaat hanteert; 14. de brongerichte aanpak en het ALARA principe in de praktijk implementeert; 15. bijdraagt aan adviezen (zowel gevraagd als ongevraagd) voor beleid gericht op risicobeperking en praktische implicaties daarvan voor medewerkers, bezoekers en de leefomgeving; 16. adequaat adviseert en oordeelt over inzet/toepassing van bepaalde werkwijzen bij stralingsbronnen; 17. bijdraagt aan de advisering bij nieuw- en verbouw met betrekking tot bouwkundige voorzieningen en inrichting in relatie tot de stralingshygiëne; 18. bijdraagt aan het opzetten van een regulier kwaliteitsmonitoringsysteem in het kader van de PDCA-cyclus; 19. geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen adviseert; 20. adviseert over het gebruik van geschikte meetapparatuur; 21. dosimetriegegevens verwerkt van blootgestelde werknemers; 22. controle op besmettingen uitvoert of laat uitvoeren; 23. meetinstrumenten periodiek op juiste werking controleert of laat controleren; 24. blootstellingspaden kent en de effectieve (volg)dosis door uitwendige bestraling en inwendige besmettingen berekent; 25. (externe) werkers instrueert en/of begeleidt bij werkzaamheden in nucleair gebied waar nodig; 59 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 26. op de hoogte is van de ‘best practices’ en adequate maatregelen om verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen en daarnaar handelt; 27. op de hoogte is van de ‘best practices’ en adequate maatregelen omtrent handelingen met splijtstoffen en daarnaar handelt. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. (voor)kennis heeft van de wiskunde, fysica, natuurkunde en scheikunde op het examenniveau van ten minste het havo of gelijkwaardig; 2. over basisvaardigheden beschikt om vakliteratuur te kunnen lezen; 3. kennis heeft van de basisanatomie en fysiologie van de mens; 4. kennis heeft van radioactief verval (inclusief moeder-dochter relaties); 5. kennis heeft van de fysische eigenschappen van alfastraling, bètastraling, fotonen en neutronen en in beperkte mate van protonen; 6. bekend is met de nuclidenkaart en de daarop vermelde gegevens in berekeningen kan toepassen; 7. kennis heeft van de radiobiologische eigenschappen van alfastraling, bètastraling, fotonen, neutronen en protonen; 8. kennis en inzicht heeft in de radiobiologie om risicoschattingen te maken; 9. kennis heeft van relevante meetapparatuur en hun geschiktheid voor toepassing bij straling van diverse aard; 10. kennis heeft van dosistempo monitoren en besmettingsdetectoren en kennis heeft van hun toepassing; 11. adequate afschermingsmaterialen kent voor relevante stralingstypen; 12. correcte afschermingsberekeningen uitvoert voor alle relevante stralingstypen; 13. kennis heeft van secundaire effecten bij straling; 14. dosisberekeningen voor externe straling uitvoert met behulp van bronconstanten en/of vuistregels; 15. eenvoudige inwendige-besmettingsberekeningen uitvoert met behulp van dosisconversiecoëfficiënten (e50-waarden); 16. alle dosis- en aanverwante begrippen kent die in de vigerende regelgeving en vergunningen worden genoemd; 17. kennis heeft om een audit/inspectie uit te voeren; 18. kennis heeft van de drie hoofdprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, optimalisatie/ALARA, limieten); 19. globale kennis heeft van de achtergrondstraling (aard, type, oorsprong, dosisbelasting per pad); 20. de regels kent die gelden voor radioactieve afvalstoffen; 21. de vereiste inhoud van een Kernenergiewetdossier en de eisen aan overige administratieve verplichtingen kent; 22. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving voor radioactieve stoffen; 23. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving voor kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen; 24. globale kennis heeft van beveiliging van stralingsbronnen (non-proliferatie); 25. bekend is met transportregelgeving (ADR) met betrekking tot radioactieve stoffen en splijtstoffen en ertsen, etiketten (her)kent, een transportindex-bepaling uitvoert en een vervoersdocument correct invult; 26. kennis heeft van neutronen activatie; 27. kennis heeft van kriticiteit; 28. kennis heeft over het voorkomen, verzwakken en versterken van kriticiteit; 29. globale kennis heeft van de splijtstofcyclus; 30. globale kennis heeft van uranium verrijking; 31. globale kennis heeft van de werking van een kernreactor (zoals PWR, RR). Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C draagt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, bij aan een adequate afhandeling van een (voorziene) onbedoelde gebeurtenis of (dreigend) incident. Nadere typering van de context Adequate preventie en voorzorgsmaatregelen sluiten niet uit dat op zeker moment een incident, waarbij stralingsrisico’s een rol spelen, dreigt of zich daadwerkelijk voordoet. In een dergelijke situatie wordt van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C verwacht dat deze eerstelijnsacties onderneemt, de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B of stralingsbeschermingsdeskundige (waarschuwt en zich vervolgens aan diens aanwijzingen houdt. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. bij een (dreigend) incident, een adequate inschatting maakt van de urgentie/risicogrootte; 2. bij een (dreigend) incident de passende maatregelen, detectie- en meetmethoden kent, toepast of laat toepassen en de daaruit voortkomende meetresultaten interpreteert; 60 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 3. de situatie snel overziet omdat hij bekend is met de situatie en de locatie en bekend is met de handelingen; 4. bij onbedoelde gebeurtenissen of incidenten (verdere) contaminatie van de omgeving voorkomt door het toepassen van de juiste maatregelen; 5. de verantwoordelijkheid die bij zijn rol past actief op zich neemt; 6. bijdraagt aan het terugbrengen van een ontstane afwijkende situatie naar de normale werksituatie; 7. bijdraagt aan het opstellen van een decontaminatieplan en dit uitvoert of laat uitvoeren; 8. tijdig een eerste dosisschatting geeft aan de hand van meetwaarden en gegevens zoals vermeld in het Handboek Radionucliden (of vergelijkbaar); 9. bijdraagt aan adequate regie en samenwerking met andere deskundigen en disciplines (bijvoorbeeld met de afdeling Communicatie/Voorlichting), inclusief eventuele meldingen aan de Inspectie; 10. bijdraagt aan de evaluatie van het incident en de vertaling van de uitkomsten daarvan naar beleid en interne procedures. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. kennis heeft van de risico-inventarisatie en -evaluatie; 2. kennis heeft van (uitwendige) decontaminatiemethoden voor mens en materiaal; 3. indien mogelijk in overleg met de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B of stralingsbeschermings-deskundige maar zo nodig zelfstandig inschat wanneer de situatie acute medische hulp vereist als gevolg van stralingsincidenten; 4. blootgestelde personen (of zij die denken te zijn blootgesteld) op onderbouwde wijze adequaat informeert; 5. globale kennis heeft van gebeurde ongevallen in de nucleaire wereld; 6. praktische vuistregels voor zowel inwendige besmetting (Ainh = 3x neussnuitsel) als uitwendige bestraling kent en deze vlot toepast. Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C kent zijn positie binnen het bedrijf en communiceert effectief naar zowel blootgestelde werkers als naar de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B en stralingsbeschermingsdeskundige. Tevens werkt de toezichthoudend medewerker splijtstofcyclus-C actief aan de eigen deskundigheidsbevordering en aan die van anderen waarvoor hij verantwoordelijk is. Nadere typering van de context Met de juiste houding, overtuiging en communicatieve vaardigheden zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C effectief zijn werk kunnen uitvoeren. Daarnaast is het van belang dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C op de hoogte is van de meest recente ontwikkelingen. Kennis, zoals met betrekking tot regelgeving en werkmethoden/toepassingen, veroudert soms snel en moet daarom continu worden bijgehouden en uitgebreid. Dit geldt niet alleen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zelf, maar ook voor de werkers die in de organisatie onder zijn toezicht staan. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C heeft taken met betrekking tot de voorlichting aan en instructie van (blootgestelde) werkers (al dan niet zwanger). Verder zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-C betrokken zijn bij calamiteitenoefeningen. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. met alle betrokkenen (op de eigen werkvloer en de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B of stralingsbeschermingsdeskundige) effectief communiceert over stralingsrisico’s, werkwijzen, enz.; 2. het beleid gericht op risicobeperking en praktische implicaties adequaat en overtuigend uitdraagt; 3. zijn positie in de afdeling en/of organisatie goed inschat (organisatiesensitiviteit) en daardoor proportioneel handelt; 4. op aanwijzing van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B bijdraagt aan de voorbereiding en begeleiding van overheidsinspecties; 5. zich bewust is van zijn positie in de stralingsbeschermingsorganisatie en zijn verhouding tot de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B en daarnaar handelt; 6. zijn deelgebied binnen de stralingsbescherming in voldoende mate overziet en daarin een bepaalde diepgang verwerft zodat hij daadwerkelijk als deskundig wordt gezien en daar overtuigende en onderbouwde adviezen en voorlichting over kan geven; 7. adequate en effectieve, doelgroepgerichte (werk)instructie en voorlichting geeft, zowel aan individuen als aan groepen; 8. risico’s voor zwangere (blootgestelde) werknemers kan inschatten en adequaat advies kan geven, waar nodig in overleg met een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B en stralingsarts; 9. blootgestelde personen (of zij die denken te zijn blootgesteld) op onderbouwde wijze adequaat informeert; 10. de inhoud van, en de deelnemers aan, instructie of voorlichting administreert in het Kew-dossier; 11. stralingsrisico’s in een maatschappelijke context plaatst; 61 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 12. de relatie tussen de stralingsrisico’s en die van andere risico’s op de werkvloer vergelijkt met het (arbo)risicobeleid en daarbij rekening houdt met verschillen in risicoperceptie; 13. bijdraagt aan het opstellen en beoordelen van leesbare werkprotocollen; 14. reflecteert op zijn eigen normen en waarden, integriteit en ethiek; 15. de grens van zijn expertise onderkent en zichzelf bijschoolt; 16. zich open stelt voor, of – indien hij zijn eigen expertise in twijfel trekt – actief verzoekt om intervisie, kritiek of advies, in het bijzonder van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B; 17. reflecteert op zijn eigen risicoperceptie ten aanzien van stralingsblootstelling. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. verschillende technieken van communicatie kent; 2. ethische problemen herkent; 3. weet wat wordt bedoeld met risicoperceptie; 4. globale kennis heeft van andere risico’s dan stralingsrisico’s binnen het bedrijf en de verhouding kent tussen de verschillende risico’s; 5. bekend is met de administratie van instructie in het Kew-dossier; 6. bekend is met bij- en nascholingsmogelijkheden en in voldoende mate de weg kent in de literatuur en op internet om de eigen kennis op peil te houden; 7. zich bewust is van (de grenzen van) zijn eigen vaardigheden en competenties. Bijlage 5.2 onderdeel D-2. Kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de splijtstofcyclus (niveau B) De eindtermen voor de opleiding tot toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus op B-niveau bestaan uit twee modules. De eerste module is gelijk aan de opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige. De tweede module, de module splijtstofcyclus, bestaat uit twee delen: 1. de toezichthoudende taken 2. de specifieke kennis aspecten nucleaire industrie Deel twee van de module splijtstofcyclus kan ook gebruikt worden voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus op C-niveau in navolging op een opleiding verspreidbare stoffen op C-niveau. Deel een: Toezichthoudende taken Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus op B niveau houdt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, toezicht en handhaaft de relevante wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling. Hij geeft in afstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen aan de werknemers en organisatie in het nucleaire veld. Nadere typering van de context Deze werkzaamheden worden voor een groot deel ter plaatse of in de nabijheid van de handeling uitgevoerd. Daarnaast omvatten de werkzaamheden administratieve taken en het deelnemen aan regulier overleg. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B schakelt de stralingsbeschermingsdeskundige in voor de aan stralingsbeschermings-deskundige voorbehouden taken en handelt verder binnen de door de stralingsbeschermingsdeskundige aangegeven kaders. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B stemt waar nodig met de stralingsbeschermingsdeskundige op professionele wijze af ter waarborging van de kwaliteit van de stralingsbescherming bij de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de nucleaire industrie: 1. audits en inspecties uitvoert op de werkplek; 2. oordeelt of handelingen voldoen aan de gestelde eisen; 3. inzicht heeft in de risico’s van de industrie waarin hij werkt; 4. proactief bijstuurt: de benodigde instrumenten en vaardigheden inzet om te interveniëren indien dit naar zijn oordeel nodig is; 5. intervenieert door onderbreken/stilleggen van de werkzaamheden indien hiertoe aanleiding is; 6. intervenieert door advisering van blootgestelde werknemers, management en stralingsbeschermingsdeskundige; 7. bijdraagt aan het opstellen van een adequate risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E); 8. bijdraagt aan het opstellen, evalueren en verbeteren van adequate werkplannen en procedures en daarbij het principe van een Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA-cyclus) hanteert; 9. bijdraagt aan een vergunningsaanvraag of -wijziging; 62 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 10. bijdraagt aan de indeling in bewaakte en gecontroleerde zones, inclusief de beschrijving van toegangsprocedures en uitgangsprocedures; 11. bijdraagt aan adviezen (zowel gevraagd als ongevraagd) voor beleid gericht op risicobeperking en praktische implicaties daarvan voor medewerkers, bezoekers en de leefomgeving; 12. bijdraagt aan de advisering bij nieuw- en verbouw met betrekking tot bouwkundige voorzieningen en inrichting in relatie tot de stralingshygiëne; 13. bijdraagt aan het opzetten van een regulier kwaliteitsmonitoringsysteem in het kader van de PDCA-cyclus; 14. (externe) werkers begeleidt bij werkzaamheden in nucleair gebied, waar nodig. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. kennis heeft van neutronen activatie; 2. kennis heeft van kriticiteit; 3. kennis heeft over het voorkomen, verzwakken en versterken van kriticiteit; 4. globale kennis heeft van de splijtstofcyclus; 5. globale kennis heeft van uranium verrijking; 6. globale kennis heeft van de werking van een kernreactor (zoals PWR, RR). Alle overige kennis en vaardigheden om deze competentie uit te voeren zijn aan bod gekomen in de opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige). Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus op B niveau draagt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, bij aan een adequate afhandeling van een (voorziene) onbedoelde gebeurtenis of (dreigend) incident. Nadere typering van de context Adequate preventie en voorzorgsmaatregelen sluiten niet uit dat op zeker moment een incident, waarbij stralingsrisico’s of kriticiteitsrisico’s een rol spelen, dreigt of zich daadwerkelijk voordoet. In een dergelijke situatie wordt van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus-B verwacht dat deze eerstelijnsacties onderneemt en de stralingsbeschermingsdeskundige waarschuwt. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. globale kennis heeft van gebeurde ongevallen in de nucleaire wereld. 2. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving voor kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen; Alle overige kennis en vaardigheden om deze competentie uit te voeren zijn aan bod gekomen in de opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige). Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus kent zijn positie binnen het bedrijf en communiceert effectief naar zowel blootgestelde werkers als naar de stralingsbeschermingsdeskundige. Tevens werkt de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming actief aan de eigen deskundigheidsbevordering en aan die van anderen waarvoor hij verantwoordelijk is. Nadere typering van de context Met de juiste houding, overtuiging en communicatieve vaardigheden zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming-splijtstofcyclus effectief zijn werk kunnen uitvoeren. Daarnaast is het van belang dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming-splijtstofcyclus op de hoogte is van de meest recente ontwikkelingen. Kennis, zoals met betrekking tot regelgeving en werkmethoden/toepassingen, veroudert soms snel en moet daarom continu worden bijgehouden en uitgebreid. Dit geldt niet alleen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zelf, maar ook voor de werkers die in de organisatie onder zijn toezicht staan. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming-splijtstofcyclus heeft taken met betrekking tot de voorlichting aan en instructie van (blootgestelde) werkers (al dan niet zwanger). Verder zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming-splijtstofcyclus betrokken zijn bij calamiteitenoefeningen. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus op niveau B naast de opgedane vaardigheden in de stralingsbeschermingsdeskundige opleiding (niveau coördinerend deskundige) ook: 1. op aanwijzing van de stralingsbeschermingsdeskundige bijdraagt aan de voorbereiding en begeleiding van overheidsinspecties; 2. zich bewust is van zijn positie in de stralingsbeschermingsorganisatie en zijn verhouding tot de stralingsbeschermingsdeskundige en daarnaar handelt; 3. de relatie tussen de stralingsrisico’s en die van andere risico’s op de werkvloer vergelijkt met het (arbo)risicobeleid en daarbij rekening houdt met verschillen in risicoperceptie. 63 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming: 1. globale kennis heeft van andere risico’s dan stralingsrisico’s binnen het bedrijf en de verhouding kent tussen de verschillende risico’s. Overige kennis en vaardigheden nodig om kerncompetentie 3 uit te voeren zijn aan bod gekomen in de opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige (niveau coördinerend deskundige). Deel 2 specifieke nucleaire kennis Kerncompetenties: 1. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus houdt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, toezicht en handhaaft de relevante wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling. Hij geeft in afstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen aan de werknemers en organisatie in het nucleaire veld. 2. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus draagt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, bij aan een adequate afhandeling van een (voorziene) onbedoelde gebeurtenis of (dreigend) incident. 3. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus kent zijn positie binnen het bedrijf en communiceert effectief. Tevens werkt de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming actief aan de eigen deskundigheidsbevordering en aan die van anderen waarvoor hij verantwoordelijk is. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus: 1. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving voor kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen; 2. kennis heeft van neutronen activatie; 3. kennis heeft van kriticiteit; 4. kennis heeft over het voorkomen, verzwakken en versterken van kriticiteit; 5. globale kennis heeft van de splijtstofcyclus; 6. globale kennis heeft van uranium verrijking; 7. globale kennis heeft van de werking van een kernreactor (zoals PWR, RR); 8. globale kennis heeft van gebeurde ongevallen in de nucleaire wereld. Bijlage 5.2, onderdeel E: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen kent drie niveaus, waarbij om pragmatische redenen is aangesloten bij de grenzen van de Richtlijn Radionuclidenlaboratoria2, die in elk geval voor reguliere handelingen aansluiten bij de graduele aanpak: 1. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau B) voor radionuclidenlaboratoria op B-niveau (Amax = 2000 Reinh 3) 2. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) voor radionuclidenlaboratoria op C-niveau onder directe verantwoordelijkheid van een stralingsbeschermingsdeskundige (Amax = 20 Reinh 4) 3. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) voor radionuclidenlaboratoria op D-niveau onder directe verantwoordelijkheid van een stralingsbeschermingsdeskundige (Amax = 0,2 Reinh 5) De kerncompetenties voor deze drie niveaus worden in bijlage 5.2, onderdelen E-1, E-2 en E-3 nader uitgewerkt. Bijlage 5.2, onderdeel E-1. Kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau B). Voor een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau B) zijn geen aparte eindtermen geformuleerd – deze persoon dient de opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van een (algemeen) coördinerend deskundige succesvol te hebben afgerond. Bijlage 5.2, onderdeel E-2. Kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C). 2 Richtlijn Radionucliden-laboratoria, Min. van VROM, Hoofdinspectie Milieuhygiëne, Publicatie 94-02, 1994 – ingetrokken in 2002; relevante delen zijn in veel vergunningen opgenomen. 3 bij p=-1 en hoogst mogelijke q waarde, bij opslag mag p=0 gekozen worden 4 bij p=-1 en hoogst mogelijke q waarde, bij opslag mag p=0 gekozen worden 5 bij p=-1 en hoogst mogelijke q waarde, bij opslag mag p=0 gekozen worden 64 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) houdt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, toezicht en handhaaft de relevante wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling en geeft in afstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen aan de werknemers en organisatie. Nadere typering van de context Deze werkzaamheden worden voor een groot deel op of in de nabijheid van het laboratorium uitgevoerd. Daarnaast omvatten de werkzaamheden administratieve taken en het deelnemen aan regulier overleg. Voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) is dit doorgaans een belangrijk nevenbestanddeel van zijn overige werkzaamheden. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) schakelt de stralingsbeschermings-deskundige in voor de aan de stralingsbeschermingsdeskundige voorbehouden taken en handelt verder binnen de door de stralingsbeschermingsdeskundige aangegeven kaders. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) stemt waar nodig met hem op professionele wijze af ter waarborging van de kwaliteit van de stralingsbescherming bij de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. bijdraagt aan het opstellen van een adequate risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E), gerelateerd aan het ondernemingsdoel met inachtneming van de werknemersbelangen; zich bewust is van het spanningsveld tussen verschillende (deel)belangen en dat in de praktijk soepel en flexibel hanteert zonder het te behalen doel (een veilige werkplek) uit het oog te verliezen; 2. adequate werkplannen en procedures opstelt, evalueert en verbetert; daarbij rekening houdt met de organisatiespecifieke kenmerken/ risico’s/ toepassingsmogelijkheden/ aanwezige deskundigheden en daarbij het principe van een Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA-cyclus) hanteert; 3. de brongerichte aanpak in de praktijk kan implementeren; 4. bijdraagt aan adviezen (zowel gevraagd als ongevraagd) voor beleid gericht op risicobeperking en praktische implicaties daarvan voor medewerkers, bezoekers van de toepassing en de leefomgeving en dit beleid adequaat en overtuigend uitdraagt en implementeert binnen de toepassing; 5. het spanningsveld tussen het toepassen van het optimalisatie-/ALARA-principe en de daarmee gepaard gaande kosten adequaat hanteert; 6. zijn positie in de afdeling en/of organisatie goed inschat (organisatiesensitiviteit) en daardoor proportioneel handelt; 7. zich bewust is van zijn positie in de stralingsbeschermingsorganisatie en zijn verhouding tot de stralingsbeschermingsdeskundige en daarnaar handelt; 8. op basis van kennis van verschillende detectiemethoden adequaat adviseert en oordeelt over inzet/toepassing van bepaalde werkwijzen bij stralingsbronnen; 9. bijdraagt aan de advisering bij nieuw- en verbouw met betrekking tot bouwkundige voorzieningen en inrichting in relatie tot de stralingshygiëne; 10. betrouwbaar en reproduceerbaar het stralingsniveau (dosistempo), een oppervlaktebesmetting, de activiteit (bijvoorbeeld in excreta) en de dosis meet (meettechniek, meetstatistiek); 11. kennis heeft van het periodiek op juiste werking controleren van meetinstrumenten; 12. bijdraagt aan het opzetten van een regulier kwaliteitsmonitoringsysteem in het kader van de PDCA-cyclus; 13. geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen adviseert voor de te onderscheiden werkzaamheden/handelingen (wijze van blootstelling) en situaties; 14. risico’s voor zwangere (blootgestelde) werknemers kan inschatten en adequaat advies kan geven, waar nodig in overleg met een stralingsbeschermingsdeskundige en stralingsarts; 15. aan blootgestelde werkers de meest geschikte vorm van persoons-dosimetrie verstrekt en deze beheert; 16. verkregen meetgegevens interpreteert en duidt in het kader van dosisbeperkingen en -limieten; 17. correcte afschermingsberekeningen uitvoert, blootstellingspaden en afgeleide operationele limieten bepaalt en de effectieve (volg)dosis door uitwendige bestraling en inwendige besmettingen berekent. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. (voor)kennis heeft van de wiskunde, fysica, natuurkunde en scheikunde op het examenniveau van ten minste het havo of gelijkwaardig; 2. over basisvaardigheden beschikt om vakliteratuur te kunnen lezen en toe te kunnen passen (wiskunde, statistiek, rekenvaardigheden, werken met spreadsheets etc.); 65 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 3. kennis heeft van de drie hoofdprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, optimalisatie/ALARA, limieten); 4. kennis heeft van de basisanatomie en fysiologie van de mens; 5. voor alle relevante stralingstypen afschermingsberekeningen maakt; 6. de verleende Kernenergiewetvergunning interpreteert en weet wanneer deze gewijzigd moet worden; 7. bijdraagt aan de berekening van de terreingrensdosis en de dosis van medewerkers en bezoekers; 8. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving; 9. globale kennis heeft van beveiliging van stralingsbronnen; 10. bijdraagt aan een vergunningsaanvraag of -wijziging; 11. alle dosis- en aanverwante begrippen kent die in de vigerende regelgeving en vergunningen worden genoemd en er mee werkt; 12. de vereiste inhoud van een Kernenergiewetdossier en de eisen aan overige administratieve verplichtingen kent en deze toepast voor de eigen werksituatie; 13. de regels kent en toepast die gelden per onderdeel van de levenscyclus/ logistieke beheersketen van radioactieve stoffen (inclusief radioactieve afvalstoffen); 14. bijdraagt aan de indeling in bewaakte en gecontroleerde zones, inclusief de beschrijving van vereiste bouwkundige voorzieningen (laboratorium inrichting) en toegangsprocedures; 15. bekend is met transportregelgeving (ADR) met betrekking tot radioactieve stoffen, vaststelt of de eisen van ADR klasse 7 van toepassing zijn, etiketten (her)kent, een transportindex-bepaling uitvoert en een vervoersdocument correct invult; 16. de ICRP-modellen voor inwendige-besmettingsberekeningen kent en daarmee eenvoudige berekeningen uitvoert; 17. het optimalisatie-/ALARA-beginsel toepast op handelingen en werkzaamheden van uiteenlopende complexiteit; 18. bekend is met de nuclidenkaart en de daarop vermelde gegevens in berekeningen kan toepassen; 19. voldoende kennis en inzicht heeft in de radiobiologie om risicoschattingen te maken en daarop gebaseerde adviezen te geven aan (blootgestelde) werknemers; 20. adequate en effectieve, doelgroepgerichte (werk)instructie en voorlichting geeft, zowel individueel als in groepen; de inhoud van, en de deelnemers aan deze instructie of voorlichting administreert in het Kew-dossier; 21. kennis heeft van de fysische en radiobiologische eigenschappen van alfastraling, bètastraling, positronen en fotonen en in beperkte mate van neutronen en protonen; 22. kennis heeft van relevante detectiemethoden en hun geschiktheid voor toepassing bij radioactieve stoffen van diverse aard; 23. kennis heeft van secundaire effecten bij straling (remstraling); 24. globale kennis heeft van de achtergrondstraling (aard, type, oorsprong, dosisbelasting per pad). Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) draagt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, bij aan een adequate afhandeling van een (voorziene) onbedoelde gebeurtenis of (dreigend) incident. Nadere typering van de context Adequate preventie en voorzorgsmaatregelen sluiten niet uit dat op zeker moment een incident, waarbij stralingsrisico’s een rol spelen, dreigt of zich daadwerkelijk voordoet. In een dergelijke situatie wordt van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) verwacht dat deze eerstelijnsacties onderneemt, de stralingsbeschermingsdeskundige waarschuwt en zich vervolgens aan diens aanwijzingen houdt. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. bij een (dreigend) incident, een adequate inschatting maakt van de urgentie/risicogrootte; 2. de daarbij passende maatregelen, detectie- en meetmethoden kent, toepast of laat toepassen en de daaruit voortkomende meetresultaten interpreteert; 3. de verantwoordelijkheid die bij zijn rol past actief op zich neemt; 4. bijdraagt aan het terugbrengen van een ontstane afwijkende situatie naar de normale werksituatie; 5. tijdig een eerste dosisschatting geeft aan de hand van meetwaarden en gegevens zoals vermeld in het Handboek Radionucliden (of vergelijkbaar); 6. bijdraagt aan adequate regie en samenwerking met andere deskundigen en disciplines (bijvoorbeeld met de afdeling Communicatie/Voorlichting), inclusief eventuele meldingen aan de Inspectie; 7. bijdraagt aan de evaluatie van het incident en de vertaling van de uitkomsten daarvan naar beleid en interne procedures. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 66 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 1. de situatie snel overziet omdat hij bekend is met de bronnen en de locatie, bekend is met de handelingen en kennis heeft van de risico-inventarisatie en -evaluatie; 2. praktische vuistregels voor zowel inwendige besmetting als uitwendige bestraling kent en deze vlot toepast; 3. indien mogelijk in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige maar zo nodig zelfstandig inschat wanneer de situatie acute medische hulp vereist als gevolg van stralingsincidenten; 4. blootgestelde personen (of zij die denken te zijn blootgesteld) op onderbouwde wijze adequaat informeert. Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) werkt actief aan de eigen deskundigheids-bevordering en aan die van anderen waarvoor hij verantwoordelijk is. Nadere typering van de context Kennis veroudert soms snel, zoals met betrekking tot regelgeving en werkmethoden/toepassingen en moet daarom continu worden bijgehouden en uitgebreid. Dit geldt niet alleen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zelf, maar ook voor de werknemers die in de organisatie onder zijn toezicht staan. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) heeft wettelijke taken met betrekking tot het verzorgen van opleiding en bij- en nascholing van werknemers en het voorlichten van werknemers over toepasselijk vastgestelde procedures en ter plekke geldende regelgeving, zoals beschreven in artikel 7.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Verder zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) betrokken zijn bij calamiteitenoefeningen en op aanwijzing van de stralingsbeschermingsdeskundige bijdragen aan de voorbereiding en begeleiding van overheidsinspecties. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. met alle betrokkenen (op de eigen werkvloer en de stralingsbeschermingsdeskundige) effectief communiceert over stralingsrisico’s, werkwijzen, enz.; 2. zijn deelgebied binnen de stralingsbescherming in voldoende mate overziet en daarin een bepaalde diepgang verwerft zodat hij daadwerkelijk als deskundig wordt gezien en daar overtuigende en onderbouwde adviezen en voorlichting over kan geven; 3. stralingsrisico’s in een maatschappelijke context plaatst; 4. de relatie tussen de stralingsrisico’s en die van andere agentia en risico’s op de werkvloer vergelijkt met het (arbo)risicobeleid en daarbij rekening houdt met verschillen in risicoperceptie; 5. leesbare werkprotocollen opstelt/beoordeelt; 6. reflecteert op zijn eigen normen en waarden, integriteit en ethiek; 7. de grens van zijn expertise onderkent en zichzelf bijschoolt; 8. zich open stelt voor, of – indien hij zijn eigen expertise in twijfel trekt – actief verzoekt om intervisie, kritiek of advies, in het bijzonder van de stralingsbeschermingsdeskundige; 9. reflecteert op zijn eigen risicoperceptie ten aanzien van stralingsblootstelling. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. aan het systeem van stralingsbescherming praktische invulling geeft binnen zijn toepassing; 2. bekend is met bij- en nascholingsmogelijkheden en in voldoende mate de weg kent in de literatuur en op internet en om de eigen kennis op peil te houden; 3. zich bewust is van de kritische succesfactoren van op diverse doelgroepen afgestemde (risico- )communicatie; 4. zich bewust is van (de grenzen van) zijn eigen vaardigheden en competenties. Kerncompetentie 4: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) beschikt over kennis, vaardigheden, attitudes en competenties die specifiek betrekking hebben op radioactieve stoffen in verspreidbare vorm. Nadere typering van de context In de kerncompetenties 1 tot en met 3 zijn in generieke zin de basiscompetenties weergegeven waarover een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) dient te beschikken. De uitwerking van deze competenties is in de meeste – maar niet alle – gevallen nog algemeen van aard. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C) dient met betrekking tot het verspreidbare karakter van radioactieve stoffen specifieke kennis te hebben. 67 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. op de hoogte is van de ‘best practices’ en adequate maatregelen om verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen en daarnaar handelt; 2. bij onbedoelde gebeurtenissen of incidenten (verdere) contaminatie van de omgeving voorkomt door het toepassen van de juiste maatregelen, bijdraagt aan het opstellen van een decontaminatieplan en dit uitvoert of laat uitvoeren. 3. het gebied ‘werken met radioactieve stoffen in verspreidbare vorm’ in voldoende mate overziet; 4. RI&E methodieken voor verspreidbare radioactieve stoffen toepast; 5. bijdraagt aan het opzetten of aankopen en het implementeren van een administratiesysteem voor radioactieve stoffen; 6. besmettingssurveys initieert en uitvoert of laat uitvoeren; Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C): 1. globaal bekend is met toepassingen van radioactieve stoffen in verspreidbare vorm in research-, medische of industriële omgevingen; 2. kennis heeft van (de werking van) de toegepaste meetapparatuur zoals besmettingsmonitoren en vloeistofscintillatietellers en deze kan toepassen; 3. kennis heeft van relevante RI&E methodieken en hiermee kan rekenen; 4. kennis heeft en vaardigheden bezit van (uitwendige) decontaminatiemethoden voor mens en materiaal; 5. beschikt over goede organisatorische vaardigheden voor het administreren van inkoop, verbruik, afval en voorraad van radioactieve stoffen. Bijlage 5.2, onderdeel E-3: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D). Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) houdt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, toezicht en handhaaft de relevante wet- en regelgeving op het gebied van ioniserende straling en geeft in afstemming met de stralingsbeschermingsdeskundige inhoudelijk adequate adviezen van preventieve aard aan de werknemers en organisatie. Nadere typering van de context Dit preventieve werk wordt voor een groot deel op of in de nabijheid van het laboratorium uitgevoerd. Daarnaast omvatten de werkzaamheden administratieve taken en het deelnemen aan regulier overleg. Voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) is dit doorgaans een belangrijk nevenbestanddeel van zijn overige werkzaamheden. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) schakelt de stralingsbeschermingsdeskundige in voor de aan stralingsbeschermings-deskundige voorbehouden taken en handelt verder binnen de door de stralingsbeschermingsdeskundige aangegeven kaders. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) stemt waar nodig met hem op professionele wijze af ter waarborging van de kwaliteit van de stralingsbescherming bij de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) globaal kan begrijpen en ernaar kan handelen; 2. bijdraagt aan het opstellen, evalueren en verbeteren van adequate werkplannen volgens het principe van een Plan-Do-Check-Act-cyclus; 3. de brongerichte aanpak in de praktijk kan implementeren; 4. bijdraagt aan adviezen voor beleid gericht op risicobeperking en praktische implicaties daarvan voor medewerkers; 5. zich bewust is van zijn positie in de stralingsbeschermingsorganisatie en zijn verhouding tot de stralingsbeschermingsdeskundige en daarnaar handelt; 6. op basis van globale kennis van verschillende detectiemethoden in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige adviseert en oordeelt over inzet/toepassing van bepaalde werkwijzen bij bekende stralingsbronnen; 7. betrouwbaar en reproduceerbaar het stralingsniveau (oppervlaktebesmetting, dosistempo) meet; 8. persoonlijke beschermingsmiddelen adviseert en gebruikt voor de te onderscheiden werkzaamheden/handelingen (wijze van blootstelling) en situaties; 9. in overleg met een stralingsbeschermingsdeskundige risico’s voor zwangere blootgestelde werkers kan inschatten en adequaat advies kan geven; 10. aan blootgestelde werkers, op aanwijzing van de stralingsbeschermingsdeskundige, de meest geschikte vorm van persoonsdosimetrie toekent; 68 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 11. verkregen meetgegevens interpreteert en duidt in het kader van normen en limieten; 12. de effectieve dosis door uitwendige bestraling via vuistregels berekent of door eenvoudige metingen bepaalt en adviezen betreffende afscherming kan geven; 13. aan de hand van eenvoudige berekeningen de effectieve volgdosis door inwendige besmetting bepaalt; 14. de stralingsbeschermingsdeskundige inschakelt voor de aan hem voorbehouden taken en op professionele wijze zijn contact met de stralingsbeschermingsdeskundige gebruikt. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. (voor)kennis heeft van de wiskunde, fysica en scheikunde op het examenniveau van het havo (profiel NG / NT) / mbo (technische richting). 2. kennis heeft van de drie hoofdprincipes van de stralingsbescherming (rechtvaardiging, optimalisatie/ALARA, limieten); 3. globale kennis heeft van de basisanatomie en fysiologie van de mens; 4. voor alle toegepaste stralingstypen afschermingsberekeningen kan interpreteren en eenvoudige afschermingsberekeningen kan maken; 5. de vereiste inhoud van een Kernenergiewetdossier en de eisen aan overige administratieve verplichtingen kent en deze toepast voor de eigen werksituatie; 6. kennis heeft van actuele en relevante wet- en regelgeving; 7. dosis- en aanverwante begrippen kent die in de Kernenergiewet worden genoemd en er mee werkt; 8. de regels kent en toepast die gelden per onderdeel van de levenscyclus/logistieke beheersketen van radioactieve stoffen; 9. de indeling in bewaakte en gecontroleerde zones kent; 10. globaal bekend is met transportregelgeving (ADR7) met betrekking tot radioactieve stoffen; 11. bekend is met de nuclidenkaart en de daarop vermelde relevante gegevens in berekeningen kan toepassen; 12. voldoende kennis en inzicht heeft in de radiobiologie om risicoschattingen te interpreteren; 13. effectieve, individueel gerichte (werk)instructie geeft; 14. globale kennis heeft van de fysische en radiobiologische eigenschappen van alfastraling, bètastraling, positronen, fotonen; 15. globaal secundaire effecten kent bij hoogenergetische straling (remstraling); 16. globale kennis heeft van de achtergrondstraling. 17. Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) draagt, voor de toepassing waarvoor hij verantwoordelijk is, bij aan een adequate afhandeling van een (voorziene) onbedoelde gebeurtenis of (dreigend) incident. Nadere typering van de context Adequate preventie en voorzorgsmaatregelen sluiten niet uit dat op zeker moment een incident, waarbij stralingsrisico’s een rol spelen, dreigt of zich daadwerkelijk voltrekt. In een dergelijke situatie wordt van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) verwacht dat deze eerstelijnsactie onderneemt, de stralingsbeschermingsdeskundige waarschuwt en zich vervolgens aan diens aanwijzingen houdt. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. bij een (dreigend) incident, in overleg met de stralingsbeschermings-deskundige, de urgentie/ risicogrootte adequaat inschat; 2. (verdere) contaminatie van de omgeving voorkomt door het toepassen van de juiste maatregelen; 3. de daarbij passende maatregelen, detectie- en meetmethoden kiest, initieert en/of toepast en de daaruit voortkomende meetresultaten interpreteert; 4. in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige een decontamina-tieplan opstelt en uitvoert; 5. de verantwoordelijkheid die bij zijn rol past actief op zich neemt; 6. tijdig een conservatieve dosisschatting geeft aan de hand van meetwaarden en gegevens van de toepaste radioactieve stoffen; 7. bijdraagt aan de evaluatie van het incident. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. de situatie snel overziet omdat hij bekend is met de bronnen en de locatie, en bekend is met de handelingen; 2. praktische vuistregels voor zowel inwendige besmetting als uitwendige bestraling kent en deze vlot toepast; 69 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 3. blootgestelde personen (of zij die denken te zijn blootgesteld) op onderbouwde wijze adequaat informeert. Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) werkt actief aan de eigen deskundigheidsbevordering en aan die van anderen waarvoor hij verantwoordelijk voor is. Nadere typering van de context Kennis veroudert soms snel, zoals met betrekking tot regelgeving en werkmethoden/toepassingen en moet daarom continu worden bijgehouden en uitgebreid. Dit geldt niet alleen voor toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zelf, maar ook voor de werknemers die in de organisatie onder zijn toezicht staan. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) heeft wettelijke taken met betrekking tot het verzorgen van opleiding en bij- en nascholing van werknemers en het voorlichten van werknemers over toepasselijk vastgestelde procedures en ter plekke geldende regelgeving, zoals beschreven in artikel 7.2 van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Verder zal de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) betrokken zijn bij calamiteitenoefeningen en op aanwijzing van de stralingsbeschermingsdeskundige bijdragen aan de voorbereiding en begeleiding van overheidsinspecties. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. met alle betrokkenen (op de eigen werkvloer en de stralingsbeschermingsdeskundige) effectief communiceert over stralingsrisico’s, werkwijzen, enz.; 2. zijn deelgebied binnen de stralingsbescherming in voldoende mate overziet en daar overtuigende en onderbouwde adviezen en voorlichting over kan geven; 3. de relatie tussen de stralingsrisico’s en die van andere agentia en risico’s op de werkvloer vergelijkt met het (arbo)risicobeleid en daarbij rekening houdt met verschillen in risicoperceptie; 4. bijdraagt aan het opstellen/beoordelen van leesbare werkprotocollen; 5. reflecteert op zijn eigen normen en waarden, integriteit en ethiek; 6. de grens van zijn expertise onderkent en zichzelf bijschoolt. 7. zich open stelt voor, of – indien hij zijn eigen expertise in twijfel trekt – actief verzoekt om intervisie, kritiek of advies, in het bijzonder van de stralingsbeschermingsdeskundige; 8. reflecteert op zijn eigen risicoperceptie ten aanzien van stralingsblootstelling. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. aan het systeem van stralingsbescherming praktische invulling geeft binnen zijn toepassing; 2. in voldoende mate de weg kent op internet en in de literatuur om de eigen kennis op peil te houden en zich in overleg met de stralingsbeschermingsdeskundige bijschoolt. 3. zich bewust is van de kritische succesfactoren van op diverse doelgroepen afgestemde (risico- )communicatie; 4. zich bewust is van (de grenzen van) zijn eigen vaardigheden en competenties. Kerncompetentie 4: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) beschikt over kennis, vaardigheden, attitudes en competenties die specifiek betrekking hebben op radioactieve stoffen in verspreidbare vorm. Nadere typering van de context In de kerncompetenties 1 tot en met 3 zijn in generieke zin de basiscompetenties weergegeven waarover een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) dient te beschikken. De uitwerking van deze competenties is in de meeste – maar niet alle – gevallen nog algemeen van aard. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D) dient met betrekking tot het verspreidbare karakter van radioactieve stoffen specifieke kennis te hebben. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. op de hoogte is van de ‘best practices’ en adequate maatregelen om verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen en daarnaar handelt; 2. bij onbedoelde gebeurtenissen of incidenten (verdere) contaminatie van de omgeving voorkomt door het toepassen van de juiste maatregelen, bijdraagt aan het opstellen van een decontaminatieplan en dit uitvoert of laat uitvoeren. 70 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 3. het aandachtsgebied ‘werken met radioactieve stoffen in verspreidbare vorm’ in voldoende mate overziet; 4. RI&E methodieken voor verspreidbare radioactieve stoffen toepast; 5. bijdraagt aan het implementeren van een administratiesysteem voor radioactieve stoffen; 6. besmettingssurvey’s initieert en uitvoert of laat uitvoeren. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D): 1. globaal bekend is met toepassingen van radioactieve stoffen in verspreidbare vorm in research-, medische of industriële omgevingen; 2. globale kennis heeft van (de werking van) besmettingsmonitoren en vloeistofscintillatietellers en deze kan toepassen; 3. kennis heeft en vaardigheden bezit van (uitwendige) decontaminatiemethoden voor mens en ruimtes; 4. beschikt over voldoende organisatorische vaardigheden voor het administreren van inkoop, verbruik, afval en voorraad van radioactieve stoffen. Bijlage 5.2, onderdeel F: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal. Kerncompetentie 1: Het verrichten van metingen, het houden van toezicht op handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal en het verstrekken van aanwijzingen, het nemen van maatregelen, zodanig dat werkzaamheden verantwoord en veilig uitgevoerd worden in overeenstemming met door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde voorschriften en richtlijnen. Nadere typering van de context De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal houdt toezicht op handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal waarbij normaal gesproken de blootstelling kleiner is dan 1 mSv/jaar. Deze handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal worden veelal uitgevoerd in een omgeving met andere (overheersende) veiligheid- en gezondheidsrisico’s. Om tot een juiste risico inschatting te komen en de juiste afwegingen te kunnen maken met betrekking tot de voor te schrijven beschermingsmaatregelen, is het van belang dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voldoende bekend is met de industrie waarin de handelingen uitgevoerd worden, en dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zich voldoende op de hoogte stelt van de in deze industrie, en tijdens de specifieke handelingen aanwezige veiligheids-, gezondheids- en milieurisico’s. De toezichthoudende taken van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming worden uitgevoerd binnen de taken en verantwoordelijkheden zoals deze zijn vastgelegd in de voorschriften en procedures van de organisatie waarbinnen de handelingen worden uitgevoerd. In deze organisatie werkt de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming onder verantwoording van de stralingsbeschermingsdeskundige en legt aan hem zo nodig verantwoording af. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal: 1. zorgdraagt voor een veilige en verantwoorde omgang met het van nature voorkomend materiaal, door middel van het opvolgen van de door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen; 2. uitsluitend toezicht houdt op handelingen die gerechtvaardigd zijn en waartoe de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming door de stralingsbeschermingsdeskundige geautoriseerd is; 3. in overleg met betrokkenen de voor de handelingen vereiste beschermingsmiddelen en werkmethodiek bepaalt; 4. zorgt voor het juiste gebruik van (persoonlijke) beschermingsmiddelen en indien nodig een speciaal werkgebied inricht; 5. in de voorbereiding van en tijdens de uitvoering van handelingen het ALARA principe toepast; 6. in staat is toezicht te houden op de naleving van de door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen, en op de gemaakte werkafspraken; 7. aanvullende maatregelen treft indien dit vanwege de bescherming tegen het van nature voorkomend radioactief materiaal noodzakelijk is; 8. handelingen stil legt indien niet aan de gestelde eisen of werkafspraken voldaan kan worden; 9. vrijkomende onderdelen, materialen, afval en reststoffen op basis van door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde eisen classificeert als besmet of niet-besmet met natuurlijke radionucliden en de hoeveelheid van nature voorkomend radioactief materiaal zo veel mogelijk beperkt; 10. in staat is representatieve monsters te nemen en deze conform de voorschriften te versturen; 11. zorgt dat met natuurlijke radionucliden besmette onderdelen, materialen, afval en reststoffen deugdelijk verpakt en opgeslagen worden; 12. zorg draagt voor de juiste opvolging in geval van calamiteiten. 71 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal: 1. voldoende bekend is met de eigenschappen van ioniserende straling en radioactiviteit, de specifieke kenmerken van het van nature voorkomend radioactief materiaal, de schadelijk eigenschappen van het van nature voorkomend radioactief materiaal en de wijze waarop mens en milieu hiertegen voldoende beschermd kunnen worden; 2. bekend is met de grootheden voor radioactiviteit, besmetting en straling en meeteenheden; 3. bekend is met de door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen en de wettelijke context hiervan; 4. voldoende bekend is met beschikbare (persoonlijke) beschermingsmiddelen voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal en de effectiviteit daarvan; 5. bekend is met het ALARA principe en in staat dit toe te passen; 6. voldoende bekend is met de beschikbare meetapparatuur, in staat is deze op een verantwoorde wijze te gebruiken en bekend is met de gestelde limieten; 7. bekend is met de gangbare procedures in geval van calamiteiten; 8. zijn kennis en vaardigheden op peil houdt. Kerncompetentie 2: Het adequaat communiceren met betrokken medewerkers (onder meer voorlichting en instructie), de operationele en/of projectorganisatie en de stralingsbeschermingsdeskundige, en het verzorgen van de door de stralingsbeschermingsdeskundige voorgeschreven rapportage en administratie. Nadere typering van de context Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal kunnen in een omgeving met een complexe verantwoordelijkheidsstructuur worden uitgevoerd. Daarnaast kunnen andere werkzaamheden van invloed zijn op handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal en zijn vaak meerdere werknemers direct bij de handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal betrokken. Het is daarom van belang dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zich hiervan bewust is en met alle relevante betrokkenen effectief communiceert. In deze context gaat het er om dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met natuurlijke bronnen: 1. bekend is met de taken en de bevoegdheden die betreffende stralingsbeschermingsorganisatie aan de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming stelt en de stralingsbeschermingsdeskundige informeert indien deze taken niet conform de voorschriften uitgevoerd (kunnen) worden; 2. ervoor zorgt dat betrokken medewerkers voldoende voorlichting ontvangen met betrekking tot ioniserende straling, radioactieve stoffen, het van nature voorkomend radioactief materiaal en de vereiste beschermingsmaatregelen; 3. voldoende bekend is met voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal beschikbare (persoonlijke) beschermingsmiddelen en er voor zorgt dat betrokken werknemers voldoende geïnstrueerd worden met betrekking tot de voor de handelingen vereiste beschermingsmiddelen en werkmethodiek; 4. de stralingsbeschermingsdeskundige voldoende informeert door middel van voorgeschreven rapportages, registraties en meldingen; 5. voldoende overleg voert met de stralingsbeschermingsdeskundige en de stralingsbeschermingsdeskundige informeert indien procedures niet werkbaar en/of de uitvoering onvoldoende in overeenstemming met het ALARA-principe kan zijn; 6. voldoende overleg heeft met de operationele organisatie en uitvoerenden en zich laat informeren over andere veiligheids- en gezondheidsrisico’s die het werk met zich meebrengt; 7. conform de voorschriften het lokale dossier bijhoudt en in geval van wijzigingen en afwijkingen de stralingsbeschermingsdeskundige daarover informeert. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal: 1. bekend is met de door de stralingsbeschermingsdeskundige gestelde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen en de wettelijke context hiervan; 2. de stralingsbeschermingsdeskundige kent en bekend is met de stralingsbeschermingsorganisatie; 3. bekend is met de taken en de bevoegdheden die de betreffende stralingsbeschermingsorganisatie aan de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming stelt; 4. beschikt over voldoende communicatieve vaardigheden en (achtergrond) informatie om voorlichting en instructie te kunnen geven; 5. beschikt over voldoende administratieve vaardigheden. Bijlage 5.2, onderdeel G: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers kent drie niveaus, welke 72 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 aansluiten bij de drie niveaus voor de toezichthoudend medewerker voor verspreidbare radioactieve stoffen (zie bijlage 5.2, onderdeel E): 1. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers (niveau B), door wie of onder wiens toezicht handelingen worden uitgevoerd met verspreidbare radioactieve stoffen met een maximale activiteit groter dan 20 Reinh 6 . 2. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers (niveau C), door wie of onder wiens toezicht handelingen worden uitgevoerd met verspreidbare radioactieve stoffen met een maximale activiteit tot 20 Reinh. 3. toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers (niveau D), door wie of onder wiens toezicht handelingen worden uitgevoerd met verspreidbare radioactieve stoffen met een maximale activiteit tot 0,2 Reinh of waarbij geen activering optreedt. De kerncompetenties voor de drie niveaus toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers zijn in onderstaande tabel samengevat. Toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming voor versnellers: Kerncompetenties niveau B Kerncompetenties zoals beschreven voor de stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige (bijlage 5.1, onderdeel C) niveau C Kerncompetenties zoals beschreven voor de toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C), aangevuld met de specifieke kerncompetentie 5 voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers zoals hieronder beschreven. niveau D Kerncompetenties zoals beschreven voor de toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau D), aangevuld met de specifieke kerncompetentie 5 voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers zoals hieronder beschreven. Specifieke kerncompetentie voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers: Kerncompetentie 5: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers beschikt over kennis, vaardigheden en competenties die specifiek betrekking hebben op versnellers. Nadere typering van de context: Kerncompetentie 5 is een doornummering van de kerncompetenties 1 t/m 4 genoemd in de leerdoelen van de opleiding voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen, zoals beschreven in de bijlage 5.2, onderdeel E-2 (voor niveau C) en onderdeel E-3 (voor niveau D). Hierin geven kerncompetenties 1 tot en met 3 in generieke zin de basiscompetenties weer waarover een toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen dient te beschikken. De uitwerking van deze competenties is in de meeste – maar niet alle – gevallen nog algemeen van aard. Kerncompetentie 4 van bijlage 5.2, onderdelen E-2 en E-3, beschrijft de specifieke leerdoelen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor verspreidbare radioactieve stoffen (niveau C en D) met betrekking tot het verspreidbare karakter van radioactieve stoffen. In kerncompetentie 5 komen de specifieke leerdoelen aan de orde die de toezichthoudend medewerker versnellers niveau C of toezichthoudend medewerker versnellers niveau D moet beheersen met betrekking tot het veilig kunnen werken met en rondom een versneller. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers: 1. op basis van kennis van verschillende detectiemethoden adequaat adviseert en oordeelt over inzet/ toepassing van bepaalde werkwijzen bij handeling met alle relevante stralingstypen. 2. bij nieuw- en verbouw naar gelang de afspraken met de stralingsbeschermingsdeskundige adviseert over de gewenste bouwkundige voorzieningen met betrekking tot stralingsveiligheid en in het bijzonder voor mogelijk te activeren materialen rondom de versneller ter minimalisering van radioactief afval bij toekomstige decommissioning. 3. op de hoogte is van de ‘best practices’ en adequate maatregelen ten bate van de stralingsbescherming rondom een versneller en daarnaar handelt; 4. bij onbedoelde gebeurtenissen of incidenten (verdere) bestraling/ contaminatie van de omgeving 6 Voor versnellers is geen bovengrens voor de maximale activiteit aan te geven, omdat bijvoorbeeld voor activering de grenzen zoals bij radiologische laboratoria niet gelden. 73 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 voorkomt door het toepassen van de juiste maatregelen, bijdraagt aan het opstellen van de onderdelen (over)bestraling en decontaminatie) in het bedrijfsnoodplan en dit uitvoert of laat uitvoeren. 5. het gebied ‘werken met een versneller’ in voldoende mate overziet; 6. basale kennis heeft van principes van Monte Carlo berekeningen. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor versnellers: 1. voor alle gangbare toegepaste stralingstypen in een eenvoudige casus afschermingsberekeningen maakt voor alle relevante stralingstypen. 2. kennis heeft van de fysische en radiobiologische eigenschappen van neutronen, protonen, hoogenergetische fotonen en zware (on)geladen deeltjes. 3. secundaire effecten kent bij hoogenergetische straling (remstraling en g,n-reacties). 4. kennis en vaardigheden bezit over het omgaan met (onverwacht) hoge stralingsvelden en (over)bestraling van personen (medewerkers). 5. kennis heeft van activeringsreacties in materiaal rondom de versneller en in lucht. Bijlage 5.2, onderdeel H: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie. In de beschrijvingen van de kerncompetenties wordt specifiek onderscheid gemaakt tussen kennis (K), vaardigheden (V) en competenties (C). Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie zorgt voor een veilige uitvoering van lokale taken. Nadere typering van de context De handelingen worden binnen de terreingrenzen van het eigen bedrijf of op wisselende plaatsen in geheel Nederland uitgevoerd. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie zal ter plaatse zelfstandig of met collega(’s) moeten handelen. Er wordt gewerkt met zeer sterke bronnen van ioniserende straling. Door de relatief hoge risico’s zijn verantwoordelijkheidsgevoel en veiligheidsgevoel van groot belang. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. (mede) toezicht houdt tijdens transport, zowel intern als extern (C). De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie is niet de verantwoordelijk persoon tijdens het transport maar zal wel kennis moeten hebben van ADR klasse 7 (K); 2. een werkplek gerelateerde monitoring uitvoert (V); 3. lokale regelgeving en procedures kent (K); 4. werkplannen begrijpt (C); 5. vooraf een risicoschatting maakt en daarbij bepaalt of een werkplan uitgevoerd kan worden of dat er contact gezocht moet worden met de verantwoordelijk stralingsbeschermingsdeskundige voor nader overleg (C); 6. een gecontroleerde zone correct uitzet (V); 7. de veiligheid waarborgt (V); 8. rekening houdt met lokale omgevingsfactoren (C); 9. werkt volgens het ALARA principe (C); 10. incidenten herkent en voorkomt (C); 11. bij een noodsituatie het gebied veilig stelt en de bedrijfseigen noodprocedure in gang zet (C); 12. verslag uitbrengt aan het (lokaal) management (V); 13. juist omgaat met het materiaal bij industriële radiografie (V); 14. het materiaal bij industriële radiografie onderhoudt (V); 15. ervoor zorgt dat bronnen op de juiste manier teruggeplaatst worden in de bergplaats (V). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. een degelijke kennis heeft van straling en stralingsbronnen (K), en zich bewust is van de mogelijke gevaren die hieruit kunnen ontstaan (C); 2. kennis heeft van chemische notatievormen, rekenkundige voorvoegsels, machten en eenvoudige algebraïsche rekenregels (K); 3. kennis heeft van het basisprincipe van radioactief verval (K); 4. bekend is met de eenheden Becquerel en Curie en de omrekenfactor ertussen (K); 5. het verschil kent tussen alfa, bèta-, gamma-, röntgen- en neutronen-straling (K); 6. de wisselwerking met materie van gamma, röntgenstraling en neutronen begrijpt (K); 74 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 7. kennis heeft van het werkingsprincipe van een röntgenbuis (K); 8. kennis heeft van de invloed van buisspanning en buisstroom (K); 9. kennis heeft van de begrippen geabsorbeerde dosis, equivalente dosis en effectieve dosis (K); 10. de orde grootte binnen de dosimetrie begrijpt (V); 11. kennis heeft van de biologische effecten van straling bij hoge en lage dosis (K); 12. op de hoogte is van dosiswaarden door achtergrondstraling (K); 13. weet waarmee het vervoermiddel voor transport van radioactieve bronnen uitgerust moet zijn (K); 14. transport index (TI) kan bepalen (K); 15. kennis heeft van de gevaar etiketten en waarschuwingssignalering voor ioniserende straling (K); 16. kennis heeft van de drie maatregelen voor het beschermen tegen uitwendige straling (afstand, tijd en afscherming) (K); 17. weet wat een dosis(tempo)monitor wel en niet kan meten (K); 18. kennis heeft van het verschil tussen een persoons- en een omgevingsdosistempo-monitor (K); 19. kennis heeft van de limietwaarden voor een gecontroleerde zone (K); 20. kennis heeft van het werkingsprincipe van de TLD en EPD (K); 21. kennis heeft van de praktische beveiligingseisen voor hoogactieve bronnen (HASS) en van de reden achter de beveiligingseisen (K); 22. kennis heeft van de praktische beveiligingseisen van röntgenapparaten (K); 23. weet wat te doen wanneer er afgeweken moet worden van de standaard procedure (V); 24. kennis heeft van in het verleden gebeurde ongevallen en incidenten met radiografische bronnen en de geleerde lessen daaruit begrijpt (K); 25. op de hoogte is van periodieke controle van ingekapselde bronnen (lektesten) en van röntgentoestellen (K). Kerncompetentie 2 De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie voert een sluitende administratie van de handelingen onder zijn toezicht. Nadere typering van de context De administratieve taken zijn een klein maar belangrijk deel van de werkzaamheden. Het gaat hier vooral om het voorkómen van het verlies van radioactieve bronnen. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. de redenen begrijpt voor (V) en in staat is tot het voeren van een sluitende administratie (C). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. op de hoogte is van de voor industriële radiografie belangrijke (internationale en nationale) organisaties en regelgeving (K); 2. bekend is met de uitgangspunten van de kernenergiewet (rechtvaardiging, ALARA, limieten) (K); 3. globale kennis heeft van de vigerende wetgeving omtrent het gebruik van ioniserende straling (K); 4. kennis heeft van de wettelijke dosislimieten (K); 5. zijn verantwoordelijkheden kent (C). Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie onderhoudt contact met de stralingsbeschermingsdeskundige en communiceert op overtuigende wijze met overige werknemers en eventuele omstanders. Nadere typering van de context De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie zal voldoende communicatieve vaardigheden moeten bezitten om de werksituatie te beschrijven. Ook moet hij voldoende vaardig zijn om omstanders op veilige afstand te houden en hen een gerust gevoel te geven. Tot slot moet hij zijn ervaring kunnen delen met zijn collega. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. contacten onderhoudt met de stralingsbeschermingsdeskundige en met het management (V); 2. advies en uitleg geeft aan overige werknemers en in staat moet zijn goed om te gaan met omstanders (C); 3. begrijpt in welke bedrijfsstructuur hij werkzaam is en wat de wettelijke regels en eisen zijn (C). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 75 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 1. een eenvoudige uitleg over straling kan geven (V); 2. de juiste attitude heeft (C); 3. handigheden beheerst om toeschouwers op de juiste manier te benaderen (C); 4. zijn positie, bevoegdheid en verantwoordelijkheid kent binnen de bedrijfsorganisatie (C). Leerdoelen stralingspracticum voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: Vanwege het belang dat aan het practicum in de opleiding wordt gehecht, worden op basis van de genoemde eindtermen de specifieke en minimale practicumleerdoelen hieronder samengevat. De intentie van het practicum is vaardigheden te verwerven die relevant zijn voor de werkomgeving. De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de industriële radiografie: 1. kan meetapparatuur gebruiken voor het meten van fotonstraling; 2. kan een afscherming construeren bij fotonstraling; 3. voert betrouwbare dosis(tempo)metingen uit; 4. meet invloed op de dosis bij verschillende afstanden tot de bron; 5. meet invloed op strooistraling bij verschillend kV en collimator/blender gebruik; 6. voert oefening uit van het omgaan met een noodsituatie. Bijlage 5.2, onderdeel I: kerncompetenties toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen. De geformuleerde eindtermen voor toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen zijn verdeeld in drie categorieën met de volgende aanduidingen K (kennis), V (vaardigheid), en C (competentie). Toepassen van C impliceert dat aan K en V moet zijn voldaan. Kerncompetentie 1: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen verricht handelingen en/of houdt toezicht op de uitvoering van handelingen, zodanig dat de werkzaamheden verantwoord en veilig uitgevoerd worden om onnodige blootstelling van zichzelf en anderen te voorkomen. Hierbij worden de gestelde voorschriften en richtlijnen, rechtvaardiging, optimalisatie (ALARA-principe) en de dosislimieten in acht genomen. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meeten regeltoepassingen: 1. toeziet op risicobeperking volgens het ALARA principe en de praktische invulling daarvan in de praktijk (zoals tijd, afstand en afscherming). Hij zal dit principe adequaat en overtuigend uitdragen en implementeren (C); 2. zorgdraagt voor een veilig en verantwoord gebruik van de toepassing, door middel van het opvolgen van de gestelde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen (C); 3. zorgt voor het juiste gebruik van (persoonlijke) beschermingsmiddelen en indien nodig speciale werkgebieden inricht (K); 4. in staat is toezicht te houden op de naleving van het gestelde in het zorgsysteem en gemaakte werkafspraken (V); 5. aanvullende maatregelen treft indien dit vanwege de bescherming noodzakelijk is (V). Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen: 1. voldoende kennis heeft van de eigenschappen van ioniserende straling en radioactiviteit; 2. voldoende kennis heeft van de grootheden voor radioactiviteit en besmetting; 3. voldoende kennis heeft van soorten blootstelling en de meeteenheden kan interpreteren; 4. enige kennis heeft van de biologische effecten van straling bij hoge en lage dosis; 5. enige kennis heeft van de begrippen geabsorbeerde dosis, equivalente dosis en effectieve dosis; 6. voldoende kennis heeft van de wettelijke voorschriften en richtlijnen voor M&R toepassingen; 7. bekend is met het ALARA principe en in staat dit toe te passen; 8. voldoende kennis heeft van stralingsmeetapparatuur, in staat is deze op een verantwoorde wijze te gebruiken, te onderhouden; 9. voldoende kennis heeft van de gestelde limieten en competent is die toe te passen; 10. bekend is met de werking en toepassing van persoonsdosimetrie; 11. bekend is met de basisvoorschriften op gebied van vervoer van radioactieve bronnen (klasse 7); 12. bekend is met de wijze hoe te handelen bij incidenten en calamiteiten; 13. zijn kennis en vaardigheden op peil houdt; Kerncompetentie 2: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen zorgt ervoor dat de administratie voor het beheer en gebruik van de toepassing volgens de geldende wetgeving op orde is. Hij weet wanneer nodig experts te consulteren en volgt na- en bijscholing om de kennis op peil te houden. 76 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Nadere typering van de context: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen is er voor verantwoordelijk dat er veilig wordt gewerkt volgens de wet- en regelgeving en dient te zorgen voor schriftelijke en mondelinge instructies voor medewerkers. Hij draagt zorg voor het gebruik van de juiste meetapparatuur en beschermingsmiddelen. Hij ziet erop toe dat een correcte administratie wordt gevoerd en weet wanneer hij de stralingsbeschermings-deskundige moet raadplegen, bijvoorbeeld voor het opstellen of laten goedkeuren van de risicoanalyse. Hij zorgt voor een gedegen administratie voor blootstelling van de medewerkers en derden (inclusief dosislimieten). Hij is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het beheerssysteem op gebied van stralingsbescherming. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meeten regeltoepassingen: 1. de grenzen kent van zijn eigen kennis en deskundigheid (C); 2. de rol kent van de geregistreerde stralingsbeschermingsdeskundige en deze indien noodzakelijk om ondersteuning vraagt (C); 3. een overzichtelijk administratief beheersysteem bijhoudt met up-to-date Kernenergiewetdossier en stralingshygiënisch jaarverslag (V); 4. toeziet op de aanwezigheid van een adequate, door een stralingsbeschermingsdeskundige goedgekeurde risicoanalyse, gerelateerd aan het gebruiksdoel, met inachtneming van de omgevingsomstandigheden (V); 5. toeziet op planning en uitvoering van de acceptatietest(en) voor ingebruikneming van een toestel of apparaat, het periodieke onderhoud van het toestel of apparaat, de periodieke controle van stralingsmeetapparatuur en persoonlijke beschermingsmiddelen (V); 6. heldere werkprotocollen opstelt of beoordeelt en toeziet op naleving hiervan (V); 7. zorg draagt voor een veilige werkomgeving die volgens de wettelijke voorschriften is ingericht en aangeduid (C); 8. weet waar en hoe de relevante wet- en regelgeving te raadplegen en zich op de hoogte houdt van relevante wijzigingen (V); 9. er op toeziet dat de dosislimieten niet worden overschreden (V); 10. geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen voorschrijft voor de werkzaamheden (C); 11. kan beoordelen of persoonsdosimetrie voor de toepassing vereist is (C); 12. verbeteringen implementeert naar aanleiding van uitkomsten van een risicoanalyse of inspectie. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen kennis heeft van: 1. de van toepassing zijnde wet- en regelgeving; 2. veiligheidsvoorschriften en veiligheidsaanduidingen; 3. de verantwoordelijkheidsgebieden van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de stralingsbeschermingsdeskundige; 4. de eigen KEW vergunning en weet hoe hij een melding doet; 5. De technische toepassingen meet- en regelapparatuur en versnellers; 6. stralingsmeetapparatuur, dosismeters en persoonlijke beschermingsmiddelen; 7. het principe van dosisreductie: tijdsduur, afstand en afscherming; 8. de landelijke protocollen voor het opstellen van de RI&E. Kerncompetentie 3: De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen beschikt over communicatieve vaardigheden om gevraagd en ongevraagd, op overtuigende wijze inhoudelijk adequate adviezen en aanwijzingen te geven en te vragen over het veilig werken met ioniserende straling. In deze context gaat het erom dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meeten regeltoepassingen: 1. bekend is met de taken en de bevoegdheden van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de stralingsbeschermingsdeskundige. Hij raadpleegt de stralingsbeschermingsdeskundige indien hij zijn taken niet conform de voorschriften kan uitvoeren; 2. ervoor zorgt dat betrokken medewerkers voldoende voorlichting en instructie ontvangen m.b.t. de gevaarsaspecten en blootstellingsrisico’s van ioniserende straling; 3. voldoende bekend is met de beschikbare beschermingsmiddelen en ervoor zorgt dat betrokken medewerkers voldoende geïnstrueerd zijn met het gebruik; 4. de stralingsbeschermingsdeskundige voldoende raadpleegt over rapportages, registraties en meldingen en overleg voert bij afwijkingen; 5. voldoende overleg heeft met de operationele organisatie en stafdienst(en) Veiligheid en milieu; 6. toelichting kan geven op meetwaarden van stralingsmetingen en dosimetrie; 7. incidenten herkent, hierop correct reageert en verbeteracties initieert en dit rapporteert. Daarvoor is het nodig dat de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor meet- en regeltoepassingen: 77 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 1. kennis heeft over de van toepassing zijnde voorschriften, richtlijnen en aanwijzingen en de wettelijke context hiervan; 2. kennis heeft van de taken en bevoegdheden die de betreffende organisatie aan de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming stelt; 3. beschikt over goede communicatieve vaardigheden om voorlichting en instructie te kunnen geven 4. beschikt over goede administratieve vaardigheden; 5. in staat is de eisen m.b.t. stralingsbescherming uit te dragen binnen de organisatie en verslag kan uitbrengen aan het management. Bijlage 5.3, behorend bij afdeling 5.3 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (eisen opleidingen medisch- radiologische handelingen). Bijlage 5.3, onderdeel A: Opleiding Stralingshygiëne voor Medisch Specialisten die gebruik maken van röntgenapparatuur De eindtermen zijn voorzien van de aanduidingen K = kennis (knowledge); V = vaardigheden (skills) en C = competenties (competences). Deze drie categorieën zijn in de genoemde volgorde hiërarchisch ondergeschikt: een hogere categorie-aanduiding impliceert dat ook aan de voorgaande moet zijn voldaan (K < V < C). Kerncompetentie 1 De medisch specialist verricht zijn op de juiste wijze gerechtvaardigde medische procedure op zodanige manier, dat de patiënt een redelijk lage stralingsbelasting ontvangt, waarbij het totale risico van de procedure voor de patiënt zo laag mogelijk wordt gehouden (het ALARA-principe). Bovendien gebruikt de medisch specialist de binnen de klinische context geschikte beeldacquisitietechniek met de geschikte diagnostische beeldkwaliteit (C). Nadere typering van de context De procedures onder doorlichting zullen doorgaans worden uitgevoerd in daartoe geschikte ruimtes (bewaakte of gecontroleerde zones), zoals operatiekamers, katheterisatiekamers of angioruimtes. Vaak – maar niet altijd en overal, afhankelijk van de lokale afspraken – wordt de doorlichting uitgevoerd of ondersteund door een MBB’er, een verpleegkundige of een OK-assistent. Gedurende de procedure is de aanwezige medisch specialist (de opdrachtgever conform de Wet BIG) verantwoordelijk voor (optimalisatie van) zowel de dosis die de patiënt ontvangt als die van de in de onderzoeks- of behandelruimte aanwezige medewerkers. In deze context gaat het erom dat de medisch specialist: 1. volgens geaccepteerde professionele medische standaarden handelt met betrekking tot de rechtvaardiging van de blootstelling. Hierbij wordt het PROLARA-concept7 gehanteerd, hetgeen inhoudt, dat het stralingsrisico wordt afgewogen naar de totale uitkomst van de medische procedure betreffende risico’s en levensverwachting (C); 2. de medische procedure uitvoert met daartoe geschikte (bijvoorbeeld qua projectiemogelijkheden) en voor het specifieke doel optimaal ingestelde doorlichtapparatuur, zoals voor pediatrische behandelingen, langdurige procedures (V); 3. de röntgenapparatuur op de geschikte wijze voor een specifiek doorlichtprotocol gebruikt, daarbij gebruik makend van de aanwezige opties en hulpmiddelen tot dosisreductie (V); 4. zorg draagt voor juiste patiëntpositionering zonder gebruik te maken van doorlichting en de gewenste projectiestanden indien mogelijk direct kiest zonder de proefondervindelijke methode met doorlichting te gebruiken (C); 5. handelt volgens standaarden (Good Medical Practice) voor specifieke doorlichtprocedures teneinde de totale doorlichttijd te beperken (C). Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist8: 6. de aard van röntgenstraling begrijpt en de wijze waarop deze wordt geproduceerd en verder het elektromagnetische spectrum, röntgenspectra, interactie van röntgenstraling met materie, achtergrondstraling (K); 7. de functie beschrijft van de onderdelen van de beeldvormende keten (K); 8. beeldkwaliteit globaal beschrijft in termen van resolutie (spatieel en temporeel), signaalruisverhouding en contrast en het onderscheid benoemd en herkent tussen bijvoorbeeld hoog- en laagcontrastbeelden, etc. (K/V); 9. bekend is met de invloed die het aanpassen van verschillende instelparameters of het gebruik van diverse opties heeft op beeldkwaliteit en patiëntendosis en dit toepast: buisspanning, kilovolt (kV); buisstroom (mA); filters (extra bundelopharding); wigfilters, diafragma (beperken veldgrootte); 7 Prognosis-based Lifetime Attributable Risk Approximation. 8 De items genoemd onder deze en de twee hierna volgende, analoge rubrieken zijn de feitelijke leerdoelen van de stralingsbeschermingscursus. 78 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 gepulste doorlichting (pulshoogte, -lengte, -frequentie); beeldfrequentie; vastzetten laatste beeld (Last Image Hold); filmmodus (cine; vastzetten belichtingswaarde (set point)); hoge-dosis/ lage-dosisbelichtingsregeling; vergroting; strooistralenrooster; projectie- en angulatiestanden (PA, LAT etc.); automatische belichtingsregeling; geometrie (positie röntgenbuis/positie beeldontvanger en omgekeerde kwadratenwet), het gebruik van contrast; routeplanning (road mapping) en deze waar nodig toepast (V); 10. de principes van de stralingsbescherming kent en toepast: rechtvaardiging; ALARA, dosislimieten voor werkers (K/V); 11. bekend is met de relevante basis- en operationele grootheden (geabsorbeerde dosis, intreehuiddosis, orgaandosis (equivalente dosis), effectieve dosis, dosis-oppervlakte-product, detectordosis) (K); 12. globaal de dosisverdeling in en rond de patiënt beschrijft (verzwakkingscurve, bijdragen van strooistraling) (K); 13. de functie kent van de in de röntgenopstelling ingebouwde dosismeter (Dosis-Oppervlakte- Product, DOP); op de hoogte is van dosisreferentiewaarden voor diagnostische procedures en in voorkomende situaties een klinisch fysicus raadpleegt, bijvoorbeeld wanneer een schatting van een orgaandosis of de effectieve dosis nodig is na een intensieve/lange doorlichtprocedure (K/V); 14. zich realiseert, dat er speciale pediatrische doorlichtprotocollen bestaan en de doorlichtparameters aanpast bij het doorlichten van kinderen in diverse leeftijdsklassen (V); 15. de procedure kent en die volgt indien onjuiste of onbedoelde blootstelling heeft plaatsgevonden (V/C); 16. de voor- en nadelen kent van het toepassen van afscherming op de patiënt (bijvoorbeeld gonadenafscherming, bismut-afdekking, etc.) (K); 17. niet terughoudend is bij het behandelen van een urgente (zwangere) patiënt waarbij doorlichting nodig is (V). Kerncompetentie 2 De medisch specialist werkt op een veilige manier volgens het ALARA-principe met röntgenstraling om onnodige blootstelling van zichzelf, de andere aanwezige werkers en eventuele ondersteuners te voorkomen (C). Nadere typering van de context In het algemeen zal het werken volgens gebruikelijke protocollen (Good Medical Practice) leiden tot geoptimaliseerde patiëntendoses en relatief lage doses voor de medewerkers, met andere woorden: dosisreductie voor de patiënt is meestal congruent met een lagere dosis voor de arts en de omloopmedewerker. Desondanks moet er – zeker bij een hoog werkaanbod en bij bepaalde procedures – extra aandacht worden gegeven aan beschermende maatregelen voor de medewerkers. De dosislimieten voor de medisch specialist en de medewerkers mogen niet worden overschreden. In deze context gaat het erom dat de medisch specialist: 18. een persoonsdosismeter draagt indien noodzakelijk of verplicht (V); 19. uitslagen van persoonsdosimetrie relateert aan werkbelasting en type van uitgevoerde procedures op specifieke doorlichtapparatuur (V); 20. de geschikte afschermingshulpmiddelen gebruikt (bijvoorbeeld een aan het plafond gemonteerd beweegbaar loodglas) (C); 21. zich bewust is van de positie die alle medewerkers innemen rondom een patiënt die wordt doorlicht en dat hij de voor de procedure niet essentiële omstanders een grotere afstand laat houden of vraagt de ruimte te verlaten (C); 22. niet terughoudend is in de zorg voor en de (acute) behandeling van patiënten die (mogelijk) radioactief zijn vanwege een voorafgaand nucleair-geneeskundig onderzoek of ten gevolge van stralingsincidenten/ ongevallen (V); 23. speciale aandacht geeft aan zwangere medewerkers (dosislimiet foetus, toepassen van het ALARA-principe, voldoen aan de gestelde (ziekenhuis) regels, risicoperceptie) (C). Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist: 24. de basisprincipes van de stralingsbescherming (tijd, afstand, afscherming) kent en in de praktijk toepast om onnodige blootstelling te vermijden (V); 25. de relevante dosislimieten kent (effectieve dosis en equivalente dosis voor geselecteerde organen, bijvoorbeeld extremiteiten, ooglens) voor blootgestelde (radiologisch) werkers en nietblootgestelde werkers (niet- radiologisch werkers, zoals verpleging, helpers) (K); 26. weet welke posities rond een patiënt beter kunnen worden vermeden tijdens doorlichten (indien mogelijk) en dit toepast (K/V); 27. de specifieke maatregelen kent die genomen moeten worden indien medewerkers zwanger zijn (K); 28. vertrouwd is met de relevante operationele dosisgrootheden (persoonsdosisequivalent, Hp(10) en omgevingsdosisequivalent, H*(10))(K); 79 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 29. de relatie begrijpt tussen de uitslag van een persoonsdosismeting en de effectieve dosis (afhankelijk van de draagpositie van de dosismeter, loodequivalent van het loodschort, kV-instelling enzovoort) en hiermee rekening houdt (V); 30. bekend is met de risico’s van radioactiviteit die in speciale medische procedures wordt toegepast, zoals de schildwachtkliermethode (sentinel node) met 99mTc en de lokalisatie van niet-palpabele tumoren met 125I en hiermee zodanig omgaat, dat het risico laag blijft (V); 31. de functie en de doelmatigheid kent van de beschikbare afschermings-hulpmiddelen (loodschorten, schildklierkraag, loodglasbril) (K). Kerncompetentie 3 De medisch specialist legt op verzoek of indien noodzakelijk stralingsrisico’s globaal uit aan de patiënt, diens familie of andere betrokkenen. Daarnaast communiceert de medisch specialist met klinisch fysici, MBB’ers, verpleegkundigen/OK-assistenten en stralingsdeskundigen over het optimaliseren van de stralingsbescherming op de afdeling. Daarbij wordt behalve patiëntenblootstelling ook de blootstelling van de medewerkers en derden in ogenschouw genomen, evenals de wettelijke begrenzingen. De medisch specialist aarzelt niet om wanneer nodig experts (klinisch fysicus, radioloog) te consulteren (C). Nadere typering van de context Aangezien de medisch specialist verantwoordelijk is voor de toegediende stralingsdosis aan de patiënt, moet hij de risico’s hiervan kennen en kunnen uitleggen. Omdat een deel van de kennis een beperkte houdbaarheid heeft, is het van belang dat de medisch specialist de funderende principes uit de stralings-hygiëne en aanverwante vakgebieden begrijpt, zodat hij in staat is zijn kennis bij te houden. In deze context gaat het erom dat de medisch specialist: 32. de grenzen van zijn eigen kennis en deskundigheid betreffende de effecten van straling kent en erkent, de juiste vragen daarover weet te formuleren en zo nodig ondersteuning vraagt bij de aangewezen deskundigen (zoals MBB’er of klinisch fysicus) (C); 33. indien noodzakelijk met alle betrokkenen communiceert over zaken betreffende stralingsbescherming (V); 34. stralingsrisico’s in het perspectief ziet van de andere aanwezige risico’s en de maatschappelijke context (V); 35. op zijn eigen stralingsrisicoperceptie reflecteert (C). Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist: 36. aan een borstvoeding gevende patiënt uitlegt, dat blootstelling aan röntgenstraling geen reden is om de borstvoeding te onderbreken of staken, maar een toegediend contrastmiddel eventueel wel (K, V); 37. de verschillende meebepalende factoren van (stralings)risicoperceptie kent en tevens rekening houdt met de valkuilen om effectief te communiceren over stralingsrisico’s (V); 38. een globale kennis heeft van de niet-ioniserende stralingsrisico’s in vergelijking met die van ioniserende straling (K); 39. onderscheid weet te maken tussen feiten en aannames betreffende de risico’s van ioniserende straling (K); 40. herkent dat er een gecompliceerde relatie is tussen enerzijds wetenschappelijke kennis over stralingsbescherming en anderzijds de soms oplaaiende maatschappelijke onrust en persoonlijke emoties hierover (K); 41. de rechtvaardiging als de sleutel tot acceptatie van medische blootstelling aan ioniserende straling beschouwt (K); 42. zich bewust is van de verschillende professionele rollen van MBB’ers, klinisch fysici, toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming enz. (K); 43. kennis heeft van de effectieve-dosiswaarden van de belangrijkste, meest voorkomende medische procedures (K); 44. de dosisbegrippen begrijpt die in de stralingsbescherming worden gebruikt (geabsorbeerde dosis, equivalente dosis, effectieve dosis, orgaandosis, intree-huiddosis, foetale dosis, ooglensdosis, extremiteitendosis) (K); 45. fundamentele kennis heeft van de relevante aspecten van de radiobiologie van de mens: stochastische effecten, weefselreacties, teratogene en genetische effecten (K); 46. op de hoogte is van de relevante wet- en regelgeving betreffende medische stralingstoepassingen (K). Bijlage 5.3, onderdeel B: opleiding stralingshygiëne voor radiotherapeuten-oncoloog Onderstaande eindtermen hebben als algemeen leerdoel kennis en inzicht te verwerven aangaande de basisprincipes van stralingsfysica, radiotherapeutisch toegepaste fysica, radiobiologie en stralingshygiëne. De eindtermen zijn voorzien van de aanduidingen K = kennis (knowledge): feiten, principes, 80 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 theorieën, praktijken; V = vaardigheden (skills): cognitief en praktisch en C = competenties (competences): verantwoordelijkheid en autonomie. Deze drie categorieën zijn in de genoemde volgorde hiërarchisch ondergeschikt: een hogere categorie-aanduiding impliceert dat ook aan de voorgaande moet zijn voldaan (K < V < C). Dus een competentie vereist beheersing van de daaronder behorende vaardigheden en kennis. B. Eindtermen stralingshygiëne voor radiotherapeuten-oncoloog. B.1. Radiobiologie Kennis K1 Heeft kennis van de interactie van straling op moleculair niveau K2 Legt DNA-schade uit K3 Kent de cellulaire effecten en mechanismen van celdood K4 Heeft kennis van herstel van stralingsschade K5 Verklaart de celoverlevingscurves K6 Heeft kennis van de hiërarchische opbouw van normale weefselsystemen (compartimenten, celproliferatie, turnover time, end cell systeem, renewal systeem, expanding systeem) K7 Heeft kennis van verschillen in gevoeligheid voor stralingsgeïnduceerde tumorinductie en latente periode tussen solide tumoren en leukemieën K8 Verklaart het effect van zuurstof, sensitizers (sensibilisatoren) en beschermende middelen K9 Verklaart het effect van tijd-dosisfractionering, linear energy transfer (lineïeke energieoverdracht, LET), verschillende stralingsmodaliteiten en de interactie tussen cytotoxische therapie en bestraling K10 Heeft kennis van voorspellende testen K10a1 Verklaart verschillen in stralingsrespons tussen gezond weefsel en tumoren als basis voor radiotherapie K10a2 Definieert en verklaart stochastische en teratogene stralingseffecten en weefselreacties Vaardigheden V1 Brengt kennis van klinische en radiologische anatomie, fysica en biologie over op diagnose en therapie Competenties geen B.2. Basis van stralingsfysica Kennis K11 Heeft kennis van de structuur van atomen en kernen K12 Heeft kennis van radioactief verval K13 Heeft kennis van radio-isotopen K13a1 Benoemt en verklaart de interactiemechanismen K13a2 Specificeert soorten en orde van grootte van stralingsblootstelling door natuurlijke en kunstmatige bronnen K13a3 Heeft kennis van principes van afschermingsberekeningen Vaardigheden V2 Analyseert de eigenschappen van deeltjes en elektromagnetische straling V2a Voert eenvoudige risicoanalyse uit voor stralingsbronnen Competenties geen 81 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 B.3. Toegepaste stralingsfysica voor radiotherapie Kennis K14 Legt het werkingsprincipe van een röntgenbuis uit K14a Begrijpt de werking van CT/CBCT K15 Legt het werkingsprincipe van een lineaire versneller uit en de stralingsbescherming rondom een versnellerruimte K16 Heeft kennis van collimatiesystemen K17 Heeft kennis van apparatuur voor brachytherapie inclusief stralingsbeschermingsaspecten K18 (vervallen) K19a Verklaart de grootheden geabsorbeerde dosis, kerma, orgaan- en effectieve dosis met bijbehorende eenheden K20 Definieert de geabsorbeerde dosis in het doelvolume bij uitwendige bestraling K21 Definieert geabsorbeerde dosis in het doelvolume bij brachytherapie K22 Geeft voorbeelden van algoritmes voor 3D-dosisberekeningen K23 Legt uit hoe de volgende technieken worden toegepast: conformatietherapie, IMRT (intensity modulated radiation therapy), IGRT (image guided radiation therapy), stereotactische radiotherapie en deeltjestherapie K23a Heeft kennis van de fysische basisbegrippen die samenhangen met de dosisverdeling van fotonenelektronen- en protonenbundels Vaardigheden V3 Past ‘treatment planning’ toe, inclusief 3D-planning, IMRT en virtuele simulatie. Deze procedures worden toegepast om de behandeling van de patiënt voor te bereiden V4 Evalueert de voordelen van conformatietherapie en andere speciale radiotherapietechnieken (IORT (intraoperatieve radiotherapie), stereotactische radiotherapie) V5 Past berekeningsmethoden voor 2D-dosisberekeningen toe V6 Onderzoekt behandelopties in het licht van de prognose V7 Ontwikkelt een behandelstrategie gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en maakt een afweging per patiënt voor curatieve dan wel palliatieve uitwendige radiotherapie en/of brachytherapie V8 Analyseert en interpreteert wetenschappelijk onderzoek om behandelpraktijken te veranderen V9 Ontwikkelt een strategie voor radiotherapeutische behandeling en toe te passen techniek V10 Past behandelplannen aan voor wat betreft de individuele situatie van de patiënt, zoals conditie vóór behandeling en de toxiciteit van de radiotherapie en systemische behandelingen V11 Evalueert en voert de regie over patiënten die met uitwendige radiotherapie en/of brachytherapie worden behandeld V12 Past de bestralingsbehandeling aan voor die patiënten, waarvoor bijvoorbeeld te grote acute toxiciteit dat noodzakelijk maakt; inclusief correctie voor gemiste dosis Competenties C1 Licht patiënten betreffende de radiotherapiebehandeling voor en verleent eventuele nazorg bij behandelreacties C2 Doet de aanbeveling voor een geschikte dosis en bijbehorend fractioneringsschema voor curatieve of palliatieve uitwendige radiotherapie en brachytherapie C3 Verifieert een behandelplan voor start van de uitwendige radiotherapie/brachytherapie in samenwerking met klinisch fysici en MBB’ers en is zich bewust van de gevolgen van ieders actie C4 Bepaalt het risico van een uitwendige radiotherapie en brachytherapie-behandelplan C5 Is betrokken bij IMRT-planning en andere technieken zoals stereotactische bestraling, deeltjestherapie en IGRT C6 Autoriseert een radiotherapiebehandeling 82 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 C7 Selecteert patiënten voor therapie met gecombineerde modaliteiten C8 Neemt de klinische verantwoordelijkheid voor het toepassen van radiotherapie samen met systemische middelen (en waar nodig in samenwerking met andere medisch specialisten die betrokken zijn bij systemische therapieën) voor zowel poliklinische als klinische patiënten C9 Neemt verantwoordelijkheid voor de klinische implicaties van IGRT C10 Neemt verantwoordelijkheid voor de klinische implicaties en procedures betreffende brachytherapie met gesloten en open bronnen B.4. Concepten en uitgangspunten van stralingsbescherming Kennis K24 Legt de algemene principes van de stralingsbescherming uit, inclusief ALARA K25 Legt het risico op inductie van secundaire tumoren uit K26 Heeft kennis van de betekenis van de stralingsweegfactor K27 Licht de grootheid equivalente dosis toe met inbegrip van de weefselweegfactor K28 Legt uit wat de gevolgen voor de gezondheid zijn van stralingsblootstelling van werkers en bevolking evenals de wijze van bescherming en de van toepassing zijnde dosislimieten K29 Verduidelijkt de aanpak van onverwachte/niet-bedoelde blootstellingen K30 Beschrijft de Europese en nationale wetgeving K31 Beschrijft de wetenschappelijke grondslagen van de stralingsbescherming Vaardigheden V13 Analyseert stochastische effecten en weefselreacties V14 Onderzoekt onverwachte/niet-bedoelde blootstellingen van patiënten Competenties C11 Is betrokken bij kwaliteitsbewaking en volgt het veiligheidsbeleid C12 Neemt de medische leiding bij onverwachte/niet-bedoelde patiëntblootstellingen Bijlage 5.3, onderdeel C: opleiding stralingshygiëne voor radiologen De opbouw van de hierna volgende eindtermen is een directe vertaling van de tabellen van het Europese MEDRAPET-rapport waarbij de originele nummering en systematiek zijn gehandhaafd met betrekking tot de onderdelen radiologie, nucleaire geneeskunde voor radiologen, nucleair geneeskundigen en interventieradiologie. Hierin zijn de leerdoelen op het gebied van de stralingshygiëne gedefinieerd waarbij de termen kennis (K), vaardigheden (V) en competenties (C) worden gehanteerd in oplopende hiërarchische volgorde. Ten behoeve van de herkenbaarheid in dit document zijn de eindtermen voor de verschillende doelgroepen aangegeven met de toevoeging ‘r’ voor alle radiologen, ‘i’ voor interventieradiologen en ‘n’ voor nucleair radiologen (bijv. Kr.1 of Cn.7). Als voorwoord voor ieder deel is een corresponderend stuk uit het MEDRAPET-rapport vrij vertaald en op de Nederlandse situatie geijkt en verwoord. Aangezien alle volgens de nieuwe opleiding opgeleide radiologen in Nederland enkele van oudsher nucleair-geneeskundige verrichtingen gaan uitvoeren zijn enkele eindtermen voor nucleair radiologen overgeheveld naar de eindtermen voor alle radiologen, conform de suggestie in het MEDRAPETrapport. Sommige hiervan zijn aangepast met betrekking tot het vereiste kennisniveau en hebben een achtervoegsel ‘a’ gekregen (bijv. Kn.2a). Om zo veel mogelijk het Europese brondocument te volgen zijn deze leerdoelen in originele vorm blijven staan bij de aanvullende leerdoelen voor nucleair radiologen. Enkele specifieke toevoegingen zijn aangeduid met nl. C.1. Eindtermen stralingshygiëne voor radiologen C.1.1 Stralingsfysica Kennis Kr.1 Maakt een overzicht van bronnen en eigenschappen van ioniserende straling 83 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kr.2 Benoemt en verklaart de interactiemechanismen Kr.3 Benoemt en verklaart de mechanismen van radioactief verval Kr.4 Verklaart de interactie van röntgenstraling met materie en de consequenties voor beeldvorming, beeldkwaliteit en stralingsbelasting Kr.5 Maakt een opsomming van de definities, grootheden en eenheden kerma, geabsorbeerde (energie) dosis (Gy), orgaan- en effectieve dosis (Sv) en licht deze begrippen toe, alsmede voor exposietempo en dosistempo Vaardigheden Vr.1 Past stralingsfysica toe om de optimale keuze te maken voor de beeldvormende modaliteit Vr.2 Past stralingsfysica toe om de protocollen te optimaliseren, gebruikt de minimale blootstelling die nodig is om het niveau van beeldkwaliteit te bereiken dat nodig is voor de taak Vr.3 Gebruikt de fysicawetten om verstrooiing te minimaliseren en het contrast te optimaliseren Vr.4a Gebruikt de correcte termen om de blootstelling te karakteriseren van de dagelijkse opnames, doorlichtingen en CT-onderzoeken en definieert orgaanrisico, het genetische risico en het risico op kanker en benoemt de (beperkte) toepasbaarheid ervan C.1.2 Apparatuur Kennis Kr.6 Legt het mechanisme uit van de opwekking van röntgenstraling Kr.7 Benoemt de componenten van een röntgenopstelling en verklaart het proces van het opwekken van röntgenstraling Kr.8 Verklaart de functie van filters en diafragma’s Kr.9a Benoemt de gebruikelijke digitale beeldopnemers, verklaart hun functie en de relatieve voor- en nadelen Kr.10a Legt de werking van roosters uit en het effect op beeldkwaliteit en blootstelling Vaardigheden Vr.5 Controleert beeldkwaliteit voortdurend om technische defecten te herkennen en corrigeren Vr.6 Vraagt om de beste beeldkwaliteit, technische innovatie en dosisreductie tegen de laagste kosten Vr.7 Coördineert de ingebruikname van nieuwe apparatuur met de andere leden van het kernteam (MBB’er, klinisch fysicus, toezichthoudend medewerkers stralingsbescherming) Vr.8 Gebruikt de technische eigenschappen van de specifieke apparatuur en profiteert van alle kwaliteitsverbeterende en dosisreducerende mogelijkheden met inachtneming van de beperkingen van het toestel Competenties Cr.1 Kiest de meest geschikte apparatuur voor de patiënt gebaseerd op de beschikbare middelen C.1.3 Radiobiologie Kennis Kr.11 Beschrijft stralingseffecten op cellen en DNA Kr.12 Beschrijft cellulaire mechanismen van stralingsrespons, herstel en celoverleving Kr.13 Beschrijft stralingseffecten op weefsels en organen Kr.14 Verklaart verschillen in stralingsrespons tussen gezond weefsel en tumoren als basis voor radiotherapie Kr.15 Definieert en verklaart stochastische en teratogene stralingseffecten en weefselreacties Kr.16 Beschrijft typen en orde van grootte van stralingsrisico’s ten gevolge van medische blootstelling 84 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Vaardigheden Vr.9 Informeert patiënten over hun gezondheidsproblemen en de geplande procedure/verrichting Vr.10a Communiceert het stralingsrisico in perspectief van rechtvaardiging en optimalisatie van het onderzoek of de behandeling op een begrijpelijke manier met de patiënt als er een significant deterministisch of stochastisch risico bestaat of wanneer de patiënt een vraag heeft C.1.4 Stralingshygiëne algemeen Kennis Kr.17 Beschrijft de basisprincipes van stralingshygiëne, zoals uiteengezet door de ICRP Kr.18 Specificeert soorten en orde van grootte van stralingsblootstelling door natuurlijke en kunstmatige bronnen Kr.19 Beschrijft het concept van dosisbepaling en dosismeting voor patiënten, beroepsmatig blootgesteld personeel en het publiek Kr.20 Verduidelijkt de aard van de blootstelling en de relevante dosislimieten voor de werker, inclusief orgaandoses en dosislimieten voor zwangere werkers, verzorgers, familieleden en het algemene publiek Kr.21nl Somt geïndiceerde en niet-geïndiceerde onderzoeken bij vraagstellingen volgens richtlijnen op Vaardigheden Vr.11 Communiceert met de verwijzer over rechtvaardiging; stelt indien noodzakelijk een ander onderzoek voor Vr.12a Past rechtvaardiging toe in de dagelijkse radiologische praktijk en bij medisch-wetenschappelijk onderzoek, met inachtneming van bestaande richtlijnen, maar ook in individuele gevallen (bijv. polymorbiditeit) Competenties Cr.2 Neemt verantwoordelijkheid voor de keuze van de beeldvormende modaliteit voor de individuele patiënt (radiologische opname, CT, alternatieven zoals echo of MRI), waarbij het risico van de ziekte, leeftijd, geslacht en afmeting van de patiënt, het dosisniveau van de procedure en blootstelling van verschillende kritische organen in ogenschouw wordt genomen Cr.3 Informeert zowel de patiënt als de staf over zwangerschapsgerelateerde zaken in de stralingshygiëne Cr.4 Neemt verantwoordelijkheid voor het beleid t.a.v. patiëntdosis in verschillende beeldvormende modaliteiten en is zich bewust van de hoogte van de bijbehorende specifieke patiëntdoses C.1.5 Stralingshygiëne in de radiologie (röntgenstraling) Kennis Kr.21 Definieert ALARA en de toepasbaarheid in een radiologische werkomgeving Kr.22 Licht de concepten en hulpmiddelen voor dosisbeheersing toe in de diagnostische radiologie voor zowel volwassen als pediatrische patiënten Kr.23 Verklaart de factoren die beeldkwaliteit en dosis in de diagnostische radiologie beïnvloeden Kr.24 Beschrijft de methoden en hulpmiddelen voor dosisbeheersing in diagnostische radiologie: opnamen, doorlichting, CT, mammografie en die voor pediatrische patiënten. Kr.25 Verklaart de basisconcepten van het meten en berekenen van patiëntdoses voor de verschillende modaliteiten in de diagnostische radiologie Kr.26 Beschrijft de belangrijkste afwegingen die van belang zijn voor de stralingshygiëne bij het ontwerpen van een radiologieafdeling Kr.27 Maakt een overzicht van de diagnostische procedures die buiten de radiologieafdeling worden gemaakt met daarbij behorende relevante afwegingen inzake de stralingshygiëne Kr.28 Maakt een overzicht van te verwachten doses (referentiepersoon) voor veel voorkomende diagnostische procedures Kr.29 Beschrijft het kwantitatieve risico en de dosisbepaling voor werkers en het algemene publiek in de diagnostische radiologie Kr.30 Licht de concepten en hulpmiddelen toe voor het optimaliseren van stralingshygiëne 85 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kr.a nl Licht de ethische en juridische aspecten toe betreffende de stralingsblootstelling van vrijwilligers bij medisch onderzoek Vaardigheden Vr.13 Optimaliseert beeldvormende protocollen door standaard uitvoeringsprocedures te gebruiken (SOP’s) en door deze aan te passen aan de specifieke afmetingen van de patiënt Vr.14a Gebruikt specifieke pediatrische protocollen en weegt daarbij de van een volwassen patiënt afwijkende anatomische verhoudingen en weefselsamenstelling af die gevolgen hebben voor de instelling van de apparatuur, maar ook het verhoogde risico, de gevoeligheid en de specifieke pathologie van elke leeftijdsgroep Vr.15 Kiest het beste compromis tussen risico-voordeelverhouding, beeldkwaliteit, en stralingsblootstelling van geval tot geval Vr.16 Houdt toezicht op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Ondersteunt monitoring van de werkplek en van individuen. Ondersteunt het bepalen van de blootstelling, onderzoek en opvolging, toezicht op de gezondheid en het registreren hiervan Vr.17 Past stralingshygiënische maatregelen toe in de diagnostische radiologie (maken van opnames, doorlichting bij interventies, CT, mammografie en pediatrische patiënten) en adviseert over het gebruik Vr.18 Blijft in de dagelijkse praktijk binnen de richtlijn/referentieniveaus Vr.19 Maakt afmetings-specifieke protocollen voor hoge-dosisprocedures Vr.20 Schat orgaandoses en effectieve doses voor diagnostische onderzoeken, gebaseerd op meetbare blootstellingsparameters (DOP, DLP) Vr.a nl Meldt blootstelling aan straling van vrijwilligers/patiënten als gevolg van medisch onderzoek in klinische studies aan voor ethische en wettelijke goedkeuring Competenties Cr.5 Adviseert patiënten over de stralingsgerelateerde risico’s en voordelen van een geplande procedure Cr.6 Neemt verantwoordelijkheid voor rechtvaardiging van stralingsblootstelling voor iedere individuele patiënt, met speciale aandacht voor zwangere patiënten Cr.7 Neemt verantwoordelijkheid voor de keuze en de uitvoering van de diagnostische procedure met de laagste dosis uitgaande van een gegeven aanvraag van een verwijzer Cr.8 Neemt verantwoordelijkheid voor het optimaliseren van de opnametechniek/het protocol die/dat wordt gebruikt voor een gegeven diagnostische procedure gebaseerd op patiënt-specifieke informatie Cr.9 Neemt verantwoordelijkheid voor het bij hoge-dosisprocedures (CT, interventieprocedure) toepassen van een aan de afmeting van de patiënt en aan de probleemstelling aangepast individueel protocol Cr.10 Implementeert de concepten en hulpmiddelen voor het optimaliseren van de stralingshygiëne Cr.a nl Neemt verantwoordelijkheid voor het voldoen aan wettelijke en ethische vereisten bij het blootstellen van vrijwilligers aan straling bij medisch onderzoek of patiënten in klinische studies C.1.6 Kwaliteit Kennis Kr.31 Definieert kwaliteitsbewaking in de radiologie, het management hiervan en de verantwoordelijkheden, beschrijft een programma voor kwaliteitsbewaking en stralingshygiëne voor diagnostische radiologie Kr.32 Maakt een overzicht van de belangrijkste componenten van beeldkwaliteit en de relatie met patiëntblootstelling Kr.33 Legt de principes uit van diagnostische referentieniveaus Vaardigheden Vr.21 Past standaarden toe voor acceptabele beeldkwaliteit. Voert analyses uit van onjuiste opnamen. Begrijpt de effecten van beelden van slechte kwaliteit op de diagnostische betrouwbaarheid Vr.22 Vermijdt onnodige stralingsblootstelling gedurende zwangerschap door de patiënt voor het onderzoek te screenen (waarschuwingsbordjes, vragenlijst, zwangerschapstest, etc.) 86 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Vr.23 Controleert de geëigende beschermingsmaatregelen bij blootstelling van een zwangere patiënte tweemaal (afmeting en positionering van het röntgenveld, focus-huidafstand, juiste bundelfiltratie, beperking en vastlegging van de doorlichtduur, uitsluiten van niet-essentiële projecties, vermijden van herhaalde opnames) Vr.24 Ontwikkelt een afdelingsbeleid om de doses voor de medewerkers ALARA te houden Competenties Cr.11 Houdt toezicht op kwaliteitscontroleprocedures en op alle apparatuur die met patiëntblootstelling in verband staat Cr.12 Neemt verantwoordelijkheid voor het vaststellen van formele werkmethoden (SOP’s) Cr.13 Neemt verantwoordelijkheid voor organisatorische zaken en de implementatie van verantwoordelijkheden en lokale afspraken Cr.14 Neemt verantwoordelijkheid voor het organiseren van de radiologische werkstroom teneinde blootstellingen die niet zijn bedoeld of per ongeluk worden gedaan te voorkomen en voor de adequate afhandeling van een dergelijke gebeurtenis C.1.7 Wet- en regelgeving Kennis Kr.34 Maakt een overzicht van nationale en internationale organisaties die zijn betrokken bij wetgevende processen over stralingshygiëne Kr.35 Specificeert het relevante wetgevingskader (besluiten, richtlijnen, voorschriften, etc.) dat de medische toepassing van ioniserende straling in Nederland en in de EU bestuurt Kr.36 Specificeert het relevante wetgevingskader dat in de praktijk van de diagnostische radiologie in Nederland richtinggevend is Vaardigheden Vr.25 Vindt en past de relevante regelgeving en richtlijnen toe voor elke klinische situatie in de radiologie Competenties Cr.15 Neemt verantwoordelijkheid om te voldoen aan de wettelijke vereisten betreffende beroepsmatige en publieke stralingsblootstelling Cr.16 Neemt verantwoordelijkheid om te voldoen aan het ALARA-principe betreffende beroepsmatige en publieke stralingsblootstelling Cr.17 Neemt verantwoordelijkheid om overeenkomstig de regelgeving voor de bescherming van de patiënt te werken (DRN’s, waar toepasbaar) C.1.8 Aanvullende leerdoelen voor aios radiologie in het begin van de opleiding Deze leerdoelen zijn een naar voren gehaalde selectie uit die voor Nucleair Radiologen ten behoeve van het onderwijs in het begin van de opleiding vanwege het (beperkte) gebruik door alle radiologen van open en ingekapselde bronnen voor diagnostische doeleinden (zie verderop in dit document; de oorspronkelijke nummering is aangehouden). Deze naar voren gehaalde leerdoelen zijn uitsluitend van toepassing op de door de radioloog protocollair uitgevoerde nucleair geneeskundige verrichtingen. Sommige leerdoelen (aangevuld met ‘a’) zijn aangepast voor de doelgroep, waarbij het uitgangspunt is dat een nucleair radioloog/nucleair geneeskundige op de afdeling primair verantwoordelijk is voor het geheel van de stralingshygiënische aspecten. De radioloog voert bepaalde verrichtingen protocollair uit. C.1.9 Stralingshygiëne patiënt in de nucleaire geneeskunde Kennis Kn.1 Specificeert het relevante kader van wet- en regelgeving betreffende de uitoefening van de nucleaire geneeskunde in Nederland Kn.2 Maakt een opsomming van verwachte doses voor de gebruikte nucleair geneeskundige verrichtingen Kn.3 Legt de ordegrootte uit van het stralingsrisico als functie van de patiëntdosis, geslacht, leeftijd en de behandelprognose 87 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kn.8a Heeft kennis van de principes en het ermee gepaard gaande proces van toediening van radiofarmaca (intraveneus, oraal en per inhalatie) en heeft basiskennis van het fysiologisch gedrag van radiofarmaca en de gevolgen daarvan voor de geabsorbeerde doses Kn.9a Heeft kennis van de te nemen actie na onjuiste toediening van radiofarmaca Kn.13 Verklaart de opties voor het optimaliseren van de patiëntdosis voor CT tijdens het gebruiken van gecombineerde beeldvormende modaliteiten zoals PET/CT, SPECT/CT etc. Vaardigheden Vn.1a Past de principes van rechtvaardiging (inschatting van risico/voordeel) toe en heeft kennis van optimalisatie (inclusief ALARA) met inachtneming van bestaande richtlijnen over de indicaties voor de gebruikte nucleair geneeskundige verrichtingen Vn.3a Past voor iedere uitgevoerde diagnostische nucleair geneeskundige verrichting de Europese en nationale wetten, voorschriften, aanbevelingen en standaarden toe met betrekking tot patiëntveiligheid Vn.10 Identificeert klinische indicaties die het gebruik van lage-dosis-CT toestaan in de multimodale beeldvormende procedures Competenties Cn.1 Adviseert patiënten over de risico’s en voordelen van een geplande nucleair geneeskundige verrichting Cn.2 Neemt de verantwoordelijkheid voor de rechtvaardiging van de stralingsblootstelling van elke patiënt, met speciale afweging voor zwangere patiënten Cn.3 Neemt op basis van de aanvraag van de verwijzend arts verantwoordelijkheid voor de keuze en uitvoering van de nucleair geneeskundige verrichting met de minste dosisbelasting, rekening houdend met zowel de beschikbaarheid van radiofarmaca als met andere beeldvormende modaliteiten, welke al dan niet ioniserende stralingsbelasting voor de patiënt geven Cn.4 Neemt verantwoordelijkheid om te voldoen aan referentiedoses waar dat van toepassing is C.1.10 Stralingsbescherming voor medewerkers en omgeving in de nucleaire geneeskunde Kennis Kn.17 Beschrijft algemene regels voor het werken met open en ingekapselde radioactieve bronnen (kwaliteitscontrole/markering) C.2. Aanvullende eindtermen stralingshygiëne voor interventieradiologen C.2.1 Stralingsfysica Kennis Ki.1 Begrijpt de speciale vereisten van beeldvorming en de beeldkwaliteitsaspecten bij doorlichten Vaardigheden Vi.1 Past stralingsfysica toe om interventieprotocollen te optimaliseren, waarbij minimale blootstelling wordt gebruikt om de gewenste procedure-uitkomst te bereiken C.2.2 Apparatuur Kennis Ki.2 Verklaart en begrijpt in detail de volgende eigenschappen van doorlichttoestellen: flat-panel/ beeldversterker-detectoren (inclusief problemen met beeldversterkers zoals geometrische vertekening, effecten van magneetvelden in de omgeving), continue en gepulste acquisitie (inclusief beeldfrequentie, automatische helderheidsregeling, hoge-dosistempo-doorlichting, filmopnames, ‘last image hold’ en ‘road mapping’) Vaardigheden Vi.2 Gebruikt de technische eigenschappen van het specifieke toestel, van dag tot dag, waarbij alle kwaliteitsverbeterende en dosisreducerende mogelijkheden worden benut, waarbij de beperkingen van het interventie-doorlichtstatief worden onderkend 88 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Competenties Ci.1 Kiest de beste interventieapparatuur voor de patiëntenpopulatie, gebaseerd op de beschikbare middelen/voorzieningen C.2.3 Radiobiologie Kennis Ki.3 Licht radiobiologische dosis-effectrelaties toe die relevant zijn voor interventieradiologie met betrekking tot patiëntveiligheid, inclusief discussie over de fysische en biologische achtergrond; respons van weefsel na bestraling op moleculair, cellulair en macroscopisch niveau; modellen van stralingsgeïnduceerde tumoren, erfelijkheidsrisico’s; en stralingseffecten voor volwassenen, kinderen en op de conceptie C.2.4 Stralingshygiëne in de interventieradiologie (röntgenstraling) Kennis Ki.4 Definieert ALARA en de toepasbaarheid bij de interventiepraktijk Ki.5 Legt de betekenis uit van rechtvaardiging en optimalisatie zoals toegepast voor interventiepraktijken Ki.6 Verduidelijkt de concepten en hulpmiddelen om voor volwassen en pediatrische patiënten de dosis te beheersen bij interventieprocedures Ki.7 Licht de factoren toe die beeldkwaliteit en dosis beïnvloeden bij interventieradiologie Ki.8 Beschrijft de methoden en hulpmiddelen voor dosisbeheersing in de interventieradiologie Ki.9 Legt de basisconcepten uit voor patiëntdosismeting en -berekening in de interventieradiologie Ki.10 Beschrijft de belangrijkste afwegingen relevant voor stralingsbescherming bij het ontwerp van een interventiekamer Ki.11 Maakt een overzicht van te verwachten doses (referentiepersoon) voor de belangrijkste interventieprocedures Ki.12 Verklaart kwantitatief het risico en de dosisbepaling voor werkers en publiek bij interventieradiologie Ki.13 Verklaart en bediscussieert de meest recente onderbouwing van lage-dosiseffecten op interventieradiologen Vaardigheden Vi.3 Optimaliseert de procedureprotocollen door SOP’s te gebruiken en deze aan de patiëntomvang aan te passen Vi.4 Kiest per situatie het beste compromis tussen de verhouding nadeel/voordeel, beeldkwaliteit, uitkomst van de procedure en de stralingsbelasting Vi.5 Houdt toezicht op het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen door de interventiestafleden, ondersteunt de monitoring van werkplekken en personen en het vaststellen van de blootstelling, nader onderzoek en opvolging hiervan, het gezondheidstoezicht en het vastleggen hiervan Vi.6a Adviseert over stralingshygiënische maatregelen en past deze toe voor alle relevante organen Vi.7 Maakt een schatting van de effectieve dosis ten gevolge van interventieprocedures gebaseerd op meetbare blootstellingsparameters (DOP, huiddosis) Vi.8 Schat in wanneer een hoge huiddosis is te verwachten Vi.9 Berekent het risico voor de patiënt uit de gemeten waarden van de dosimetriegrootheden die worden gebruikt om schadelijke biologische effecten vast te stellen Competenties Ci.2 Adviseert patiënten over de stralingsgerelateerde risico’s en voordelen van een geplande interventieprocedure Ci.3 Neemt voor iedere individuele patiënt die een interventieprocedure ondergaat de verantwoordelijkheid voor de justificatie van de stralingsblootstelling, met speciale aandacht voor zwangere (of mogelijk zwangere) patiënten Ci.4 Neemt verantwoordelijkheid voor het optimaliseren van de techniek/het protocol dat bij een bepaalde interventieprocedure wordt gebruikt, gebaseerd op de specifieke behoeftes van de patiënt 89 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Ci.5a Neemt verantwoordelijkheid voor het toepassen van de principes van rechtvaardiging (afweging vooren nadelen), optimalisatie (inclusief ALARA) en het opzetten van referentieniveaus (indien relevant, anders het bepalen van te verwachten doses) teneinde de patiënt te beschermen tegen onnodig stralingsrisico Ci.6 Neemt de verantwoordelijkheid voor het toepassen van de optimale (aan de afmeting en het probleem aangepast) individuele protocollering voor hoge-dosisprocedures (TIPS etc.) Ci.7a Neemt de verantwoordelijkheid voor het vermijden van hoge huiddoses, die deterministische effecten kunnen veroorzaken en voor de optimalisatie van de procedure als deterministische effecten onvermijdelijk zijn Ci.8 Volgt patiënten om na te gaan of er deterministische effecten optreden Ci.9 Neemt verantwoordelijkheid voor dosisbeperking en voert routines in die dosisbeperking van de staf verzekeren C.2.5 Kwaliteit Kennis Ki.14 Definieert kwaliteitsbewaking in de interventieradiologie. Legt de taken en verantwoordelijkheden uit. Ki.15 Somt de belangrijke componenten op van beeldkwaliteit en de relatie hiervan met de blootstelling van de patiënt bij een procedure Ki.16a Legt het principe uit van diagnostische referentieniveaus bij interventieprocedures waar dat relevant voor is of anders de te verwachten doses. Begrijpt de effecten van beelden van slechte kwaliteit bij interventieprocedures Vaardigheden Vi.10 Begrijpt de effecten van beelden van slechte kwaliteit bij interventieprocedures Vi.11 Vermijdt onnodige blootstelling van de patiënt gedurende interventieprocedures door de gebruikte technieken te optimaliseren (positionering en afmeting van de bundel, gonadenafscherming, focushuidafstand, juiste bundelfiltratie, beperking van de doorlichttijd en het vastleggen daarvan, geen onnodige projecties gebruiken) Vi.12 Ontwikkelt een afdelingsbeleid om de doses van de interventiemedewerkers en -staf zo laag als redelijkerwijs mogelijk te houden C.2.6 Wet- en regelgeving Kennis Ki.17 Specificeert het relevante regelgevingskader dat van toepassing is op de praktijk van de interventieradiologie in Nederland Vaardigheden Vi.13 Past de gevonden relevante richtlijnen toe op elke klinische situatie in de interventieradiologie Competenties Ci.10 Neemt verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de richtlijnen voor de bescherming van de patiënt (inclusief referentieniveaus per procedure, waar toepasbaar) C.3 Aanvullende eindtermen stralingshygiëne voor nucleair radiologen C.3.1 Stralingshygiëne patiënt in de nucleaire geneeskunde Kennis Kn.1 Specificeert het relevante kader van wet- en regelgeving betreffende de uitoefening van de nucleaire geneeskunde in Nederland Kn.2 Maakt een opsomming van verwachte doses voor de gebruikelijke nucleair geneeskundige verrichtingen Kn.3 Legt de ordegrootte uit van het stralingsrisico als functie van de patiëntdosis, geslacht, leeftijd en de behandelprognose 90 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kn.4 Legt de principes en hulpmiddelen uit om de aangepaste activiteit te bepalen voor pediatrische nucleair geneeskundige verrichtingen (EANM pediatrische doseringstabel) Kn.5 Legt de relevante regelgeving uit betreffende de keuze voor poliklinische behandeling met radionucliden dan wel opname van de patiënt, inclusief ontslagcriteria Kn.6 Verklaart het principe en de procedure van kwaliteitsbewaking voor niet-beeldvormende apparatuur zoals activiteitsmeters (dosiskalibratoren) en meetsondes (probes) Kn.7 Verklaart het principe en de procedure van kwaliteitsbewaking voor beeldvormende apparatuur, zoals gammacamera’s, SPECT, PET (en de combinatie met CT) Kn.8a Beschrijft de principes en het ermee gepaard gaande proces van toediening van radiofarmaca (intraveneus, oraal en per inhalatie) en heeft basiskennis van het fysiologisch gedrag van radiofarmaca en de gevolgen daarvan voor de geabsorbeerde doses Kn.9 Beschrijft de te nemen actie na onjuiste toediening van radiofarmaca Kn.10 Legt de klinische consequenties uit van therapie met radiofarmaca aan een (mogelijk) zwangere patiënt of een patiënt die zwanger wordt in de weken na toediening Kn.11 Beschrijft de procedures hoe om te gaan met incontinente patiënten Kn.12 Legt de belangrijkste factoren uit die bepalend zijn voor de optimalisatie van de beeldkwaliteit versus de toegediende dosis (activiteit), zoals: de keuze van collimator, energievenster of tomografisch reconstructie-algoritme Kn.13 Verklaart de opties voor het optimaliseren van de patiëntdosis voor CT tijdens het gebruiken van gecombineerde beeldvormende modaliteiten zoals PET/CT, SPECT/CT etc. Kn.14 Verklaart de basisprincipes van het MIRD-schema, inclusief tijdsgeïntegreerde activiteit in de bronregio (gecumuleerde activiteit) en tijdsgeïntegreerde activiteitscoëfficiënt (verblijftijd) Kn.15 Verklaart op basis van een radioactief jodium-uptake meting welke procedure wordt gebruikt voor de behandeling van een benigne schildklieraandoening Kn.16 Somt de therapeutische nucleair geneeskundige verrichtingen op die minder frequent of in gespecialiseerde instituten worden uitgevoerd en de daarbij horende speciale stralingshygiënische aspecten Kn.a nl Somt geïndiceerde en niet-geïndiceerde onderzoeken bij vraagstellingen volgens richtlijnen op Kn.25 Licht de ethische en juridische aspecten toe betreffende de stralingsblootstelling van vrijwilligers bij medisch onderzoek waarbij radiofarmaca worden toegediend Vaardigheden Vn.1 Past de principes van rechtvaardiging (inschatting van risico/voordeel) en optimalisatie (inclusief ALARA) toe, met inachtneming van bestaande richtlijnen over de indicaties voor nucleair geneeskundige verrichtingen Vn.2 Besluit welke radiofarmaca en procedures worden gebruikt, met inachtneming van dosisreferentieniveaus Vn.3 Past voor iedere diagnostische of therapeutische verrichting Europese en nationale wetten, voorschriften, aanbevelingen en standaarden toe met betrekking tot patiëntveiligheid Vn.4 Evalueert het stralingsrisico voor embryo/foetus ten opzichte van de voordelen van een nucleair geneeskundige verrichting Vn.5 Bepaalt de toe te passen dosis (activiteit) voor pediatrische patiënten, afhankelijk van de lichaamsmassa Vn.6 Berekent orgaandoses en effectieve dosis vanuit verblijftijden, daarbij gebruikmakend van daartoe ontwikkelde software-hulpmiddelen Vn.7 Kiest de toe te passen procedure voor de behandeling van benigne schildklierziekte, op basis van de verkregen gegevens van de radioactief jodium-uptake meting Vn.8 Stelt een patiënt-specifiek behandelplan op (samen met een klinisch fysicus) voor een gegeven nucleair geneeskundige therapie Vn.9 Ontwerpt geschikte veiligheidsmaatregelen voor het te volgen beleid voor opgenomen patiënten die therapeutische doses radiofarmaca toegediend hebben gekregen Vn.10 Identificeert klinische indicaties die het gebruik van lage-dosis-CT toestaan in multimodale beeldvormende procedures Vn.11 Ontwerpt geschikte maatregelen voor de afwikkeling van onbedoelde of accidentele blootstelling aan radioactiviteit, bijv. extravasale toediening 91 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Vn.17 Meldt blootstelling aan straling van vrijwilligers/patiënten als gevolg van medisch onderzoek in klinische studies aan voor ethische en wettelijke goedkeuring Competenties Cn.1 Adviseert patiënten over de risico’s en voordelen van een geplande nucleair geneeskundige verrichting Cn.2 Neemt de verantwoordelijkheid voor de rechtvaardiging van de stralingsblootstelling van elke patiënt, met speciale afweging voor zwangere patiënten Cn.3 Neemt op basis van de aanvraag van de verwijzend arts verantwoordelijkheid voor de keuze en uitvoering van de nucleair geneeskundige verrichting met de minste dosisbelasting, rekening houdend met zowel de beschikbaarheid van radiofarmaca als met andere beeldvormende modaliteiten, welke al dan niet ioniserende stralingsbelasting voor de patiënt geven Cn.4 Neemt verantwoordelijkheid om te voldoen aan referentiedoses waar dat van toepassing is Cn.5 Neemt de verantwoordelijkheid voor het op basis van patiënt-specifieke informatie optimaliseren van het soort radiofarmacon en de toegediende dosis (activiteit) dat wordt gebruikt voor een bepaalde diagnostische nucleair geneeskundige verrichting Cn.6 Neemt de verantwoordelijkheid voor het optimaliseren van de CT-patiëntdosis bij multimodale beeldvormende modaliteiten, afhankelijk van de klinische situatie en de eigenschappen van het beeldvormende apparaat Cn.7 Bewaakt kwaliteitscontroleprocedures voor alle apparatuur die van belang is voor patiëntblootstelling (bijv. activiteitsmeters, meetsondes, beeldvormende apparatuur zoals gammacamera’s, SPECT, PET) Cn.8 Neemt verantwoordelijkheid voor therapeutische nucleair geneeskundige verrichtingen betreffende indicatiestelling en naleving van geautoriseerde protocollen Cn.9 Neemt verantwoordelijkheid voor het toepassen van de optimale dosis (activiteit) voor een gegeven therapeutische nucleair geneeskundige verrichting zoals bepaald in een patiënt-specifiek behandelplan (opgesteld samen met een klinisch fysicus) Cn.10 Implementeert standaardprotocollen voor alle diagnostische nucleair geneeskundige verrichtingen die regelmatig plaatsvinden Cn.11 Implementeert standaardprotocollen voor alle therapeutische nucleair geneeskundige verrichtingen die regelmatig in een kliniek worden uitgevoerd Cn.12 Implementeert standaardprotocollen voor het afhandelen van onbedoelde of accidentele blootstelling aan ioniserende straling Cn.13 Adviseert borstvoeding gevende patiënten over tijdelijke of definitieve stopzetting hiervan naar gelang het toegediende radiofarmacon en de toegediende dosis activiteit Cn.14 Adviseert zowel mannelijke als vrouwelijke patiënten over de periode gedurende welke zij conceptie zouden moeten voorkomen na een radionuclidentherapie Cn.21 Neemt verantwoordelijkheid voor het voldoen aan wettelijke en ethische vereisten bij het blootstellen van vrijwilligers aan straling bij medisch onderzoek of patiënten in klinische studies C.3.2 Stralingsbescherming voor medewerkers en omgeving in de nucleaire geneeskunde Kennis Kn.17 Beschrijft algemene regels voor het werken met open en ingekapselde radioactieve bronnen (kwaliteitscontrole/markering) Kn.18 Beschrijft de belangrijkste afwegingen die van belang zijn voor de stralingsbescherming bij het ontwerp van een nieuwe afdeling nucleaire geneeskunde, inclusief een radionuclidenlaboratorium voor de bereiding van radiofarmaca of handelingen met open bronnen Kn.19 Legt de aard en de bronnen van inwendige en externe stralingsblootstelling uit voor medewerkers op de afdeling nucleaire geneeskundige en voor het publiek Kn.20 Legt het kwantitatieve risico en de wijze van dosisbepaling uit voor medewerkers op de afdeling nucleaire geneeskunde Kn.21 Maakt een overzicht van nucleair geneeskundige verrichtingen die een potentieel hoge dosis op de extremiteiten of de ooglens kunnen veroorzaken, zoals het gebruik van hoge-energie-bètastralers Kn.22 Legt het kwantitatieve risico en de wijze van dosisbepaling (waar van toepassing) uit voor publieke blootstelling, met betrekking tot nucleair geneeskundige verrichtingen 92 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Kn.23 Beschrijft waaraan wettelijk moet worden voldaan betreffende het beheer en gebruik van open en gesloten radioactieve bronnen; inclusief de vereisten voor opslag, afscherming, het vastleggen van gegevens en controle (audit) Kn.231 Beschrijft waar wettelijk aan moet worden voldaan met betrekking tot het beheer en de afvoer van radioactief afval en het transport van radioactief materiaal Kn.24 Maakt een overzicht van de relevante dosislimieten voor medewerkers (inclusief orgaandoses), voor zwangere medewerkers en het algemene publiek alsmede voor familieleden en verzorgers Kn.25 Verplaatst naar 3.1 Kn.26 Maakt een overzicht van de relevante zaken betreffende beroepsmatige blootstelling die gekoppeld zijn aan alle gespecialiseerde procedures die in de eigen kliniek worden verricht en licht dit toe, bijv. radiosynovectomie, ‘targeted’-therapieën met alfa- of bètastralers Vaardigheden Vn.12 Ontwikkelt een afdelingsbeleid voor het veilig hanteren van open en ingekapselde radioactieve bronnen (o.a. opslag, afscherming, administratie, transport, afval) Vn.13 Ontwikkelt een afdelingsbeleid om zowel de dosis van medewerkers door externe bestraling als die door inwendige besmetting (inhalatie, ingestie) zo laag als redelijkerwijs mogelijk is te houden Vn.14 Identificeert procedures die speciale operationele stralingsbeschermingsmaatregelen vereisen, bijv. extra afscherming of bediening op afstand Vn.15 Identificeert procedures die speciale dosismonitoring vereisen, bijv. vingerdosimetrie of bepaling van inwendige besmetting Vn.16 Identificeert procedures die vereisen, dat aan de patiënt (en familie en verzorgers) instructie wordt gegeven over het minimaliseren van de stralingsbelasting (uitwendig en inwendig) Vn.17 Verplaatst naar 3.1 Vn.18 Ontwikkelt beleid in de organisatie voor het optimaliseren van de blootstelling van patiënten en medewerkers aan ioniserende straling voor alle gespecialiseerde nucleair geneeskundige verrichtingen en procedures Competenties Cn.15 Neemt verantwoordelijkheid om te voldoen aan wettelijke vereisten en het ALARA-principe met betrekking tot beroepsmatige blootstelling en blootstelling van publiek op de eigen afdeling aan (ioniserende) straling Cn.16 Neemt verantwoordelijkheid voor het vaststellen van formele werkmethoden (SOP’s) Cn.17 Implementeert een – bij de te verrichten procedures met bijbehorende risico’s – passend monitoring programma voor werkers voor zowel externe bestraling als inwendige besmetting Cn.18 Implementeert een afdelingsbeleid om zwangere werkers te beschermen tegen inwendige-besmetting Cn.19 Implementeert instructies aan patiënten die de afdeling verlaten na een diagnostische nucleair geneeskundige verrichting, in het bijzonder met indium-111 Cn.20 Geeft instructie aan patiënten die na therapie met radionucliden worden ontslagen (klinisch dan wel poliklinisch), in het bijzonder indien jodium-131 is toegediend voor de behandeling van schildklierkanker of hyperthyreoïdie Cn.21 Verplaatst naar 3.1 Cn.22 Implementeert standaardprotocollen voor alle gespecialiseerde procedures die regelmatig worden verricht in de eigen kliniek Bijlage bij hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling, van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming. Bijlage 6.1, behorend bij artikel 6.3, eerste lid Lijst van grondstoffen en bouwmaterialen die gezien de uitgezonden gammastraling in aanmerking moeten worden genomen, omdat ze kunnen leiden tot een overschrijding van het betreffende referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar en om die reden aandacht vragen vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming. 1. Natuurlijke materialen: a. Aluinschalie. b. Bouwmaterialen of grondstoffen van natuurlijke magmatische oorsprong: 93 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 – granitoiden (zoals graniet, syeniet en orthogneis); – porfier; – tuf; – puzzolaan; – lava; – zirkoonzand. 2. Grondstoffen op basis van restmateriaal uit industrieën: – vliegas; – fosfo(r)gips; – fosforhoudende slakken; – tinslakken; – koperslakken; – slib van de aluminiumproductie; – restmateriaal van de staalproductie. 94 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Algemeen deel Hoofdstuk 1. Inleiding § 1.1. Doel van de regeling De Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (hierna: de regeling) bevat bepalingen ter uitwerking en met het oog op een goede uitvoering van het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming (hierna: het besluit). Het besluit en daarmee de regeling implementeren Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PbEG L 13/1), hierna te noemen: de richtlijn. Deze diende met ingang van 6 februari 2018 te zijn geïmplementeerd. Daarnaast vormt deze een voortgezette implementatie van Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PbEU 2011, L 199). De regeling bevat daartoe regels en bijlagen met technische en overige uitvoeringsvoorschriften, zoals administratieve vereisten, vrijstellings- en vrijgavewaarden, kerncompetenties en overige kwalificaties voor deskundigen en daarmee samenhangende opleidingsvereisten, generieke rechtvaardiging van handelingen en maatregelen, enzovoorts. Voor een toelichting op de richtlijn, de implementatie in de vorm van een nieuw besluit, de opzet en systematiek daarvan, de beginselen van stralingsbescherming, het controlestelsel, de specifieke regels voor bronnen, beroepsmatige blootstelling, medische blootstelling en bevolkingsblootstelling enzovoorts, wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij het besluit. Dat geldt ook voor de effecten en gevolgen van het besluit en de daarmee verband houdende uitwerking in de regeling. Ook voor de implementatie- en concordantietabellen wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het besluit. Naast het overgangsrecht van het besluit voorziet de regeling in de benodigde aanvullende overgangsrechtelijke bepalingen. Voor zover de regeling aanvullend beleid bevat in het kader van de implementatie (bijvoorbeeld ten aanzien van vrijgave en vrijstelling) worden de specifieke gevolgen daarvan in deze toelichting beschreven. Hierna wordt kort ingegaan op de opzet van de regeling en de diverse hoofdstukken (hoofdstuk 2). Vervolgens wordt ingegaan op het proces van voorbereiding en de effecten (hoofdstuk 3), gevolgd door een artikelsgewijze toelichting. § 1.2. Opzet van de regeling De regeling volgt de indeling in hoofdstukken van het besluit waarbij de nummering van de hoofdstukken correspondeert met die van het besluit, zodat de indeling van het besluit herkenbaar blijft in de regeling. In hoofdstuk 2 van deze toelichting is een korte toelichting per hoofdstuk opgenomen en waar nodig, een onderbouwing van specifieke onderwerpen, zoals de in deze regeling opgenomen additionele vrijstellings- en vrijgavewaarden om een zo lastenluw als mogelijke implementatie te realiseren. In de regeling zijn vooralsnog alleen de bepalingen opgenomen waartoe het besluit met het oog op implementatie of een goede uitvoering verplicht, door middel van verplichte delegatiegrondslagen. Aan de overige, facultatieve delegatiegrondslagen is nog geen invulling gegeven voor zover daarvoor nog geen noodzaak is gebleken. De bijlagen bij deze regeling zijn genummerd overeenkomstig de hoofdstukken waar deze bij horen. Dit met het oog op de inzichtelijkheid in het grote aantal bijlagen. § 1.3. Overige uitvoeringsregelgeving In deze regeling zijn de bepalingen opgenomen waarvoor hetzij de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), hetzij deze Minister en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) of de Minister voor Medische Zorg verantwoordelijk zijn. Zie daarvoor de delegatiegrondslagen van het besluit, genoemd de in de aanhef van de regeling, en de overige daar genoemde delegatiegrondslagen van andere besluiten of wetten. Daarnaast zijn op grond van de hoofdstukken 7 en 8 van het besluit specifieke regelingen vastgesteld door de beide laatstgenoemde Ministers, evenals voorheen het geval was. Dit omvat de Regeling stralingsbescherming beroepsmatige blootstelling 2018 en de Regeling stralingsbescherming medische blootstelling. Voorts is ter uitvoering van het besluit op grond van artikel 4 van de Kernenergiewet (hierna: de wet) en de specifieke delegatiegrondslagen op basis van dat artikel in het besluit een verordening vastgesteld door de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (hierna: de Autoriteit). 95 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Hoofdstuk 2. Inhoud § 2.1. Hoofdlijnen regeling De regeling bevat in de eerste plaats uitwerkingen van de hoofdstukken van het besluit. Het betreft bepalingen van administratieve aard, uitwerking van de details, voorschriften die dikwijls wijziging behoeven en voorschriften waarvan te voorzien is dat zij mogelijk met grote spoed moeten worden vastgesteld (zoals bijvoorbeeld voorschriften met betrekking tot rechtvaardiging). Daarnaast gaat het om de verwerking in de regelgeving van bepalingen van de richtlijn die de Minister(s), behoudens op ondergeschikte punten, geen ruimte laten voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard. Hierbij is voortgebouwd op de voorheen in de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming (hierna: uitvoeringsregeling) opgenomen bepalingen en andere regelingen. Ook de inhoud van de Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik ioniserende straling (hierna: regeling rechtvaardiging) is na een beperkte actualisatie opgenomen in de regeling. Beide genoemde regelingen vervallen bij de inwerkingtreding van het besluit omdat daarbij het Besluit stralingsbescherming, dat de grondslag vormde voor die regelingen, wordt ingetrokken. Het gaat om de volgende onderwerpen: – Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen, waaronder begripsomschrijvingen. – Hoofdstuk 2: Rechtvaardiging. – Hoofdstuk 3: Controlestelsel (handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal; vergunning, registratie en kennisgeving; vrijstelling en vrijgave controlestelsel). – Hoofdstuk 4: Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties (beveiligingsplan; financiële zekerheid hoogactieve bronnen). – Hoofdstuk 5: Informatie en deskundigheid (stralingsbeschermingsdeskundigen; toezichthoudend medewerker stralingsbescherming; eisen opleidingen medisch-radiologische handelingen; kwaliteitsborging erkende instellingen; organisatie deskundigheid (o.a. stralingsbeschermingseenheid)). – Hoofdstuk 6: Algemene bepalingen inzake blootstelling (stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties; bouwmaterialen). – Hoofdstukken 7 en 8 (gereserveerd). – Hoofdstuk 9: Blootstelling van leden van de bevolking (referentieniveaus). – Hoofdstuk 10: Het beheer en het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen (beëindigingsplan). – Hoofdstuk 11: Wijzigingen overige regelingen. – Hoofdstuk 12: Overgangsbepalingen. – Hoofdstuk 13: Slotbepalingen. De bijlagen omvatten: Bijlage bij hoofdstuk 2. Rechtvaardiging, optimalisatie, dosislimitering. – Bijlage 2.1, behorend bij artikel 2.1 (aanwijzing van categorieën of soorten gerechtvaardigde of niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen). Bijlagen bij hoofdstuk 3. Controlestelsel. – Bijlage 3.1, behorend bij artikel 3.1 (aanwijzing van handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal). – Bijlage 3.2, behorend bij de artikelen 3.3 en 3.4 (vrijstellings- en vrijgavewaarden). Bijlage bij hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties. – Bijlage 4.1, behorend bij artikel 4.2 (begrippen en indeling van radioactieve stoffen in categorieën met het oog op het beveiligingsplan). Bijlagen bij hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid. Bijlage 5.1, behorend bij afdeling 5.1, de paragrafen 5.1.1 en 5.1.2 (eisen deskundigheid en opleiding stralingsbeschermingsdeskundigen). Bijlage 5.2, behorend bij afdeling 5.2 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend medewerker stralingsbescherming). Bijlage 5.3, behorend bij afdeling 5.3 (eisen opleidingen medisch-radiologische handelingen). Bijlage bij hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling. Bijlage 6.1 behorend bij artikel 6.2, eerste lid (lijst van grondstoffen en bouwmaterialen die gezien de uitgezonden gammastraling in aanmerking moeten worden genomen, omdat ze kunnen leiden tot een overschrijding van het betreffende referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar en om die reden aandacht vragen vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming). In de volgende paragraaf wordt per hoofdstuk een kort overzicht gegeven. 96 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 § 2.2. Hoofdstuksgewijs Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen. Hoofdstuk 1 bevat de begripsomschrijvingen voor de toepassing van de regeling. Deze zijn aanvullend ten opzichte van de in het besluit (in bijlagen 1 en 2) opgenomen begripsomschrijvingen. De begripsomschrijvingen van het besluit zijn ook van toepassing op de lagere regelgeving. Hoofdstuk 2. Rechtvaardiging Hoofdstuk 2 bevat, middels een verwijzing naar bijlage 2.1, onderdelen A en B, de generieke aanwijzing van categorieën of soorten handelingen of maatregelen die met de regeling als gerechtvaardigd, respectievelijk als niet-gerechtvaardigd zijn aangewezen. Het betreft hier een technische omzetting van de in de eerdergenoemde Regeling rechtvaardiging opgenomen categorieën van gerechtvaardigde en niet-gerechtvaardigde handelingen. Daarnaast zijn enkele categorieën of soorten handelingen, of voorbeelden daarvan, toegevoegd. Deze toevoegingen zijn het gevolg van de beoordeling van de rechtvaardiging van (nieuwe) handelingen, door middel van individuele vergunningaanvragen, in de periode sinds de laatste aanpassing van de voormalige Regeling rechtvaardiging. Hoofdstuk 3. Controlestelsel § 3.1. Handelingen met van nature voorkomende radioactieve materialen. Paragraaf 3.1 bevat in samenhang met de bijbehorende bijlage 3.1 onderdelen A en B, niet-limitatieve lijsten van handelingen met van nature voorkomend radionucliden waarbij mogelijk een verhoogde blootstelling optreedt of kan optreden die vanuit het oogpunt van stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd. De in onderdeel A opgenomen niet-limitatieve lijst is opgesteld aan de hand van een herinventarisatie die door het RIVM werd uitgevoerd en gecoördineerd. De lijst in onderdeel A is een voortzetting van de lijst die was opgenomen in bijlage 7.1 behorende bij artikel 7.2 van de uitvoeringsregeling. De lijst in bijlage 3.1, onderdeel B, is nieuw. Onderdeel B bestaat uit een niet-limitatieve lijst van handelingen met natuurlijke bronnen waarvoor bezorgdheid bestaat dat een handeling kan leiden tot de aanwezigheid van in de natuur voorkomende radionucliden in het water, waardoor de kwaliteit van het drinkwater of andere blootstellingsroutes wordt of worden beïnvloed. Ook deze lijst werd opgesteld aan de hand van onderzoek dat door RIVM werd uitgevoerd en gecoördineerd. Het opstellen van deze lijst volgt als nieuwe verplichting uit artikel 25, derde lid, van de richtlijn. § 3.2. Vergunningen, registratie en kennisgeving Complexvergunningen In deze paragraaf zijn regels uitgewerkt in welke gevallen een complexvergunning wordt voorgeschreven. Een complexvergunning is verplicht in een onderneming en op locaties, indien in verschillende organisatieonderdelen of op verschillende locaties, door de ondernemer verschillende handelingen met in totaal meer dan 100 bronnen worden verricht. Een complexvergunning kan ook worden voorgeschreven indien op een locatie, naar het oordeel van de Autoriteit, sprake is van een qua risico’s vergelijkbaar complex van handelingen. Aanwijzing van gevallen waarin een beveiligingsplan, noodplan of beëindigingsplan wordt vereist In drie artikelen van het besluit is een grondslag opgenomen om categorieën van gevallen aan te wijzen voor ondernemers die een specifiek plan moeten opstellen. Dit betreft een beveiligingsplan als bedoeld in artikel 4.7 van het besluit, een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 van het besluit of een beëindigingsplan als bedoeld in artikel 10.8 van het besluit. De aanwijzing van categorieën van gevallen is gekoppeld aan het bezit van bepaalde bronnen. De categorie-indeling voor het beveiligingsplan bestond al in het Bs. Ondernemers die in het bezit zijn van categorie-1, -2 of -3 bronnen (zie begripsomschrijving art. 1.1 en bijlage 4.1) zijn verplicht zo’n beveiligingsplan op te stellen. Deze categorieën zijn gebaseerd op richtlijnen van het Internationale Atoomenergieagentschap (IAEA), en houdt rekening met de mate van risico’s van kwaadwillig gebruik zoals bijvoorbeeld ongecontroleerde verspreiding in de omgeving. Gezien de vergelijkbare risico’s die deze bronnen kunnen hebben als ze betrokken zijn bij stralingsincidenten, ongevallen of radiologische noodsituaties is gekozen om de criteria voor het verplicht stellen van een bedrijfsnoodplan aan te doen sluiten bij de categorie-indeling voor beveiligingsplannen (artikel 4.7 besluit). Nieuw in het besluit ten opzichte van het Bs is dat (gegevensverstrekking met betrekking tot) het beveiligingsplan, en in aanvulling daarop nu ook het bedrijfsnoodplan, onderdeel uitmaakt van de vergunningaanvraag. Deze informatie is voor het bevoegd gezag noodzakelijk omdat stralingsinciden- 97 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 ten of radiologische noodsituaties binnen een onderneming kunnen leiden tot effecten buiten die onderneming, waarvoor mogelijk plannen op nationaal niveau in werking gesteld moeten worden. Op basis van artikel 3.6 van het besluit is het mogelijk om gegevens die in strijd zijn met het belang van de veiligheid of beveiliging buiten de openbaarmaking te houden. Een ander nieuw onderdeel is dat ook (gegevensverstrekking met betrekking tot) het beëindigingplan onderdeel kan uitmaken van de vergunningaanvraag. De categorie-indeling voor het beëindigingplan wijkt af van die van het beveiligingsplan omdat deze gebaseerd is op de inschatting van de hoogte van de kosten voor beëindiging. De categorie-indeling voor het beëindigingsplan sluit niet direct aan op het radiologische risico van de bronnen zoals bij de categorie-indeling voor het beveiligingsplan en het bedrijfsnoodplan wel het geval is. Voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is het daarom wenselijk dat de daarvoor noodzakelijke gegevens reeds bij een vergunningaanvraag worden verstrekt. Daardoor dient de ondernemer zich vroegtijdig rekenschap te geven van de vereiste voorzieningen en is het mogelijk bij de vergunningverlening tot een beter onderbouwde afweging te komen. § 3.3. Vrijstelling en vrijgave radioactieve materialen Paragraaf 3.3 in samenhang met de bijbehorende bijlage 3.2, onderdelen A en B, bevat aanvullende vrijstellings- en vrijgavewaarden voor radionucliden die niet zijn opgenomen in bijlage 3, onderdeel B, van het besluit. Bijlage 3.2, onderdeel A, deel 1, van de regeling bevat ca. 500 aanvullende vrijstellings- en vrijgavewaarden voor de activiteitsconcentratie voor kunstmatige radionucliden in onbeperkte hoeveelheden vast materiaal. Hierbij is aangesloten bij door de Zwitserse overheid vastgesteld beleid en daaruit volgende grenswaarden. Deze aanvullende grenswaarden zijn door de Zwitserse autoriteiten vastgesteld met behulp van dezelfde methode van de IAEA (IAEA 2004, Safety Standards Series RS-G-1.7; IAEA 2005, Safety Report Series 44) waarmee de vrijstellings- en vrijgavewaarden van Bijlage VII van de richtlijn zijn vastgesteld en die zijn overgenomen in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, van het besluit. Het onderliggende rapport waarop de vaststelling door de Zwitserse autoriteiten is gebaseerd, werd opgesteld door Brenk Systemplanung (Berechnung von Freigrenzen und Freigabewerten für Nuklide, für die keine Werte im IAEA-BSS vorliegen – Enbericht, BS-projekt-nr. 1110-01, 20-april-2012). Dit rapport en de toepasbaarheid van de aanvullende grenswaarden werden door het RIVM geëvalueerd. Bijlage 3.2, onderdeel B, van de regeling bevat ca. 500 aanvullende grenswaarden voor de vrijstelling van handelingen met kunstmatige radionucliden. Het betreft zowel vrijstellingswaarden voor de totale activiteit van de radionucliden binnen een locatie als vrijstellingswaarden voor de activiteitsconcentratie van matige hoeveelheden radioactief materiaal; een matige hoeveelheid is in het besluit gedefinieerd als een hoeveelheid materiaal van ten hoogste 1.000 kg. Deze grenswaarden zijn bepaald in publicatie NRPB-R306 van de National Radiological Protection Board uit het Verenigd Koninkrijk (NRPB-UK). Dit rapport en de toepasbaarheid van de aanvullende grenswaarden werden door het RIVM geëvalueerd. De berekening werd uitgevoerd met behulp van dezelfde methode die werd gebruikt voor de afleiding van de vrijstellingswaarden die zijn opgenomen in bijlage 3, onderdeel B, tabel B van het besluit (Publicatie van de Commission of the European Communities, Radiation Protection EU-RP-65, Principles and Methods for Establishing Concentrations and Quantities (Exempt Values) Below which no Reporting is Required in the European Directive). Op deze wijze zijn er, net als in de voormalige uitvoeringsregeling, vrijstellingswaarden voor ca. 800 radionucliden vastgelegd in het besluit en de regeling. Hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande blootstellingsituaties § 4.1. Beveiligingsplan Ingevolge artikel 4.7 van het besluit moet de vergunninghouder de beveiligingsmaatregelen treffen die nodig zijn om bepaalde risicovolle radioactieve stoffen te beveiligen tegen diefstal of misbruik. In paragraaf 4.1 van de regeling wordt bepaald voor welke (handelingen met) radioactieve stoffen een ondernemer een beveiligingsplan dient te hebben. Hierbij is aangesloten bij het eerdergenoemde criterium ‘houder zijn van een vergunning voor het verrichten van handelingen met categorie 1-, 2-, of 3-stoffen’ (zie de toelichting, hiervoor onder par. 2.2). Nadere regels met betrekking tot het beveiligingsplan en eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit ervan zijn bij verordening van de Autoriteit vastgesteld. § 4.2. Financiële zekerheid hoogactieve bronnen In paragraaf 4.2, artikel 4.3, is de hoogte van het minimumbedrag vastgesteld waarvoor een ondernemer financiële zekerheid dient te stellen ter dekking van de kosten van het nakomen van de voor hem geldende verplichtingen met betrekking tot het veilig afvoeren van een afgedankte hoogactieve bron. 98 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 Deze bedraagt ! 175 per dm3, of gedeelte daarvan, af te voeren materiaal. Op grond van artikel 12.5 dient in gevallen waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van de regeling reeds op grond van het Besluit stralingsbescherming een verplichting tot financiële zekerheidstelling voor een hoogactieve bron gold, binnen drie maanden na dat tijdstip aan artikel 4.3 te worden voldaan. Hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid Afd. 5.1. Stralingsbeschermingsdeskundigen § 5.1.1. Eisen deskundigheid en opleiding Paragraaf 5.1.1 geeft de eisen weer die aan de deskundigheid en opleiding van stralingsbeschermingsdeskundigen gesteld worden. Nieuw daarbij is dat het niveau van deskundigheid van de stralingsbeschermingsdeskundige in artikel 5.1 van de regeling gekoppeld wordt aan het risico van de handeling, waarbij voor risicovolle omvangrijke handelingen of risicovolle handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende straling vereisen, deskundigheid van een stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van een algemeen coördinerend deskundige wordt vereist. Hiermee wordt invulling gegeven aan de graduele aanpak, vereist door de richtlijn. § 5.1.2. Registratie Er gelden registratie-eisen voor stralingsbeschermingsdeskundigen om te borgen dat zij aantoonbaar blijven voldoen aan de gestelde vakbekwaamheidseisen. Bij de beoordeling van de registratieaanvraag zijn er met betrekking tot de vakbekwaamheid van de stralingsbeschermingsdeskundige drie factoren relevant. Het betreft hier de genoten opleiding, de mate van werkervaring en de mate van de genoten bij- en nascholing. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een registratie, een herregistratie en een buitengewone registratie. Afhankelijk van het niveau van deskundigheid waarop een persoon als stralingsbeschermingsdeskundige geregistreerd wil worden, zijn verschillende vereisten en voorwaarden voorgeschreven. De registratie is eenmalig en kent een duur van vijf jaar. Binnen dit tijdvak dient de stralingsbeschermingsdeskundige te voldoen aan de criteria voor een herregistratie. Hieronder wordt verstaan dat de stralingsbeschermingsdeskundige naast een diploma van een opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van (algemeen) coördinerend deskundige, een vastgesteld aantal uren per jaar werkzaam is geweest binnen het toepassingsgebied van ioniserende straling in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag zoals vastgelegd in een werkgeversverklaring of ondernemersverklaring. Ook moet documentatie worden aangeleverd waaruit blijkt dat diegene voldoet aan de daarvoor in bijlage 5.1, onderdeel A, gestelde eisen voor kennisonderhoud. Het is mogelijk dat een stralingsbeschermingsdeskundige na de registratieperiode van vijf jaar niet aan alle eisen voldoet om de registratie via een herregistratie te verlengen. In dat geval zal deze stralingsbeschermingsdeskundige alleen geregistreerd kunnen worden door middel van een buitengewone registratie. Bij de aanvraag voor buitengewone registratie zal worden getoetst of de stralingsbeschermingsdeskundige beschikt over de kerncompetenties en overige kwalificaties die horen bij het vereiste deskundigheidsniveau. De buitengewone registratie kent een duur van maximaal vijf jaar. Na afloop van deze periode wordt de stralingsbeschermingsdeskundige geacht te kunnen voldoen aan de reguliere eisen die met het oog op een herregistratie worden gesteld. In de praktijk zal een persoon die voor de eerste keer als stralingsbeschermingsdeskundige erkend wil worden, starten met een registratie. De voorwaarden voor registratie, buitengewone registratie en herregistratie als stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van (algemeen) coördinerend deskundige zijn opgenomen in deze paragraaf. § 5.1.3. Erkenning EU-beroepskwalificaties De artikelen in deze afdeling zien met name op personen die buiten Nederland een opleiding hebben genoten en die als stralingsbeschermingsdeskundige in Nederland werkzaam willen zijn. Artikel 5.6 van het besluit houdt uitdrukkelijk rekening met opleidingen in andere lidstaten van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Op grond van artikel 5.6 schrijft de Minister ook een persoon in in het register indien op grond van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (hierna: algemene wet) en met toepassing van de op grond van artikel 33 van die wet gestelde regels is aangetoond dat deze persoon over kwalificaties bezit die gelijkwaardig zijn aan de kwalificaties zoals opgenomen in paragraaf 5.1.2 waaraan een stralingsbeschermingsdeskundige moet voldoen om te kunnen worden geregistreerd. Nieuw is dat compenserende maatregelen, zoals een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid, door de Autoriteit kunnen worden vereist van de aanvrager, indien niet aan de gestelde kwalificaties wordt voldaan. Verder worden in paragraaf 5.1.3 van de regeling nadere regels gesteld ten aanzien van de aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning, de stukken die bij die aanvraag dienen te worden gevoegd, alsmede ten aanzien van de aanpassingsstage en de proeve van 99 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 bekwaamheid en de wijze waarop deze worden beoordeeld. Voor het geval een migrerende beroepsbeoefenaar tijdelijk of incidenteel diensten wil verrichten, worden nadere regels gesteld ten aanzien van de documenten, bedoeld in artikel 23 van de algemene wet. Afd. 5.2. Toezichthoudend medewerker stralingsbescherming De toezichthoudend medewerker stralingsbescherming moet over een diploma van een opleiding op het gebied van stralingsbescherming, specifiek voor de toepassing, beschikken op het niveau dat correspondeert met de handelingen die binnen de onderneming worden uitgevoerd. Deze toepassingsspecifieke opleidingen vervangen de eerdere opleidingen voor de toezichthoudend deskundige onder het Bs (voorheen niveaus 4A/B en 5A/B). Er zijn nieuwe toepassingsspecifieke opleidingen ontwikkeld voor de volgende toepassingen: medische toepassingen, tandheelkunde (basis en Conebeam CT (CBCT)), diergeneeskunde, splijtstofcyclus, verspreidbare radioactieve stoffen, handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal, versnellers, industriële radiografie en meet- en regel toepassingen. De kerncompetenties en overige kwalificaties (eindtermen) waartoe het volgen van deze opleidingen moet leiden zijn in de bijlage bij deze paragraaf opgenomen. Afd. 5.3. Eisen aan opleidingen voor medisch-radiologische handelingen Naast de bovengenoemde toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en stralingsbeschermingsdeskundige, is deskundigheid op het gebied van de stralingsbescherming vereist voor een andere groep beroepsbeoefenaren. Dit betreft de medisch deskundigen en andere personen die betrokken zijn bij de praktische onderdelen van medisch-radiologische procedures als bedoeld in artikel 5.14 van het besluit, waarop bovengenoemd artikel van toepassing is, en de hierop gebaseerde Regeling stralingsbescherming medische blootstelling van de Minister voor Medische Zorg. Hierin wordt een koppeling gelegd met de op basis van artikel 5.11 van het besluit erkende opleidingen en beroepen in de medische sector zoals radiotherapeuten-oncoloog, radiologen (met inbegrip van nucleair radiologen) en andere medisch specialisten onder wiens verantwoordelijkheid medischradiologische handelingen worden uitgevoerd. Afd. 5.4. Erkende instellingen Deze afdeling van de regeling geeft aan hoe instellingen die opleiding(en) tot deskundigheid in de stralingsbescherming verzorgen, erkend kunnen worden. Voor opleidingen voor de stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van (algemeen) coördinerend deskundige zijn dat de vereisten die ook al in de uitvoeringsregeling opgenomen waren. Voor de opleidingen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming zijn dat de nieuwe vereisten die zijn vastgelegd in de regeling. Deze toepassingsspecifieke vereisten (eindtermen) voor de negen opleidingsvarianten hangen samen met de kerncompetenties en overige kwalificaties waarover de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor de desbetreffende toepassing moet beschikken. De vereiste kerncompetenties en overige kwalificaties zijn opgesteld door de beroeps- en brancheverenigingen en de opleiders. De Adviescommissie stralingsbescherming heeft positief geoordeeld over deze kerncompetenties en overige vereiste kwalificaties. De eindtermen stralingshygiëne voor medisch specialisten (niet zijnde radiotherapeuten-oncoloog en radiologen) zijn in samenspraak met relevante veldpartijen opgesteld. De eindtermen worden daarom aangemerkt als een veldnorm. De veldnorm behelst niet alleen eisen aan de kennis van de beroepsbeoefenaar, maar ook eisen aan het gedrag. De kwaliteitseisen waaraan een opleiding moet voldoen om erkend te kunnen worden zijn ook vastgelegd. Het doel van de erkenning is dat vooraf kan worden beoordeeld of een instelling in staat is om zowel inhoudelijk als organisatorisch een goede opleiding te kunnen verzorgen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de zogenaamde opleidingsverantwoordelijke. Aan de opleidingsverantwoordelijke worden dan ook eisen gesteld. Voorgeschreven is dat de opleidingsverantwoordelijke een hoger kennisniveau moet hebben dan het niveau van de opleiding waarvoor hij verantwoordelijk is. De opleidingsverantwoordelijke moet tevens voldoen aan de overige geldende kwaliteitseisen, zoals registratie wanneer de opleidingsverantwoordelijke moet voldoen aan de criteria voor de stralingsbeschermingsdeskundige. Er zijn ook voorschriften voor de examencommissie, de manier en zorgvuldigheid van examineren, waaronder bijvoorbeeld wordt verstaan dat kandidaten vooraf worden geïnformeerd over hun rechten. Daarnaast wordt een aantal administratieve voorwaarden gesteld, zoals de verplichting om verstrekte diploma’s te registreren. Verder bieden de voorschriften de mogelijkheid om rekening te houden met meer recente onderwijsontwikkelingen zoals e-learning. Afd. 5.5. Organisatie § 5.5.1. Organisatie algemeen In deze paragraaf wordt de ten aanzien van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming 100 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 vereiste deskundigheid beschreven voor verschillende handelingen die vanwege hun risico en toepassing een bepaald niveau van deskundigheid behoeven. Zodoende wordt met de gedifferentieerde invulling van deskundigheidseisen voldaan aan de door de richtlijn vereiste graduele aanpak. § 5.5.2. Stralingsbeschermingseenheid Om te borgen dat deskundigheid van voldoende niveau aanwezig is bij risicovolle handelingen die een uitgebreider en hoger niveau van bescherming tegen ioniserende straling behoeven wordt in de regeling het vereiste van het beschikken over een stralingsbeschermingseenheid gekoppeld aan het vereiste van het beschikken over een complexvergunning zoals in artikel 3.4, vierde lid, van het besluit en artikel 3.2 van de regeling is bepaald. Om verder invulling aan deze borging van deskundigheid te geven zijn in de regeling nadere regels, taken, bevoegdheden en werkwijze van de stralingsbeschermingseenheid vastgelegd evenals de taken van een stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige in deze eenheid. Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling § 6.1. Stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties In paragraaf 6.1 van de regeling is een tweetal artikelen opgenomen. Dit betreft de nadere uitwerking van de categorie-indeling voor het beschikken over van systeem voor registratie en analyse van stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties en de categorie-indeling voor het moeten beschikken over een bedrijfsnoodplan. Bij beide categorie-indelingen is aangesloten bij de categorie-indeling die is gebruikt voor het moeten beschikken over een beveiligingsplan gezien de mogelijke gevaarzetting die bepaalde radioactieve bronnen kunnen hebben voor mens en milieu als ze in verkeerde handen vallen of betrokken zijn bij een ongeval. § 6.2. Bouwmaterialen In de richtlijn en het besluit is, vanuit het oogpunt van stralingsbescherming, een referentiewaarde van 1 millisievert per kalenderjaar vastgesteld voor de blootstelling binnenshuis aan door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling. In bijlage XIII van de richtlijn en in bijlage 9 van het besluit is een indicatieve lijst van natuurlijke materialen en grondstoffen op basis van restmateriaal van industrieën (hierna: grondstoffen) opgenomen, omdat bij toepassing van deze grondstoffen in bouwmaterialen mogelijk het gestelde referentieniveau kan worden overschreden. Deze lijst met natuurlijke materialen en grondstoffen is in de regeling nagenoeg ongewijzigd vastgesteld. Het is echter ook een gegeven dat in Nederlandse woningen de gemiddelde blootstelling aan door bouwmaterialen uitgezonden gammastraling met een netto-bijdrage van 0,2 millisievert per jaar ruim beneden het gestelde referentieniveau van 1 millisievert per kalenderjaar blijft. De verwachting is dat verreweg de meeste toegepaste bouwmaterialen het referentieniveau van 1 millisievert per jaar niet zullen overschrijden. Voor de regeling is nader naar deze lijst met bouwgrondstoffen gekeken in het licht van de methodiek, die is ontwikkeld om bouwmaterialen te kunnen maken, die juist géén aandacht meer behoeven vanuit het oogpunt van stralingsbescherming en waarvoor geen kennisgeving nodig is. Deze methodiek wordt nader gespecificeerd bij verordening van de Autoriteit. Met deze methodiek krijgt de ondernemer een alternatief aangereikt voor de ‘Index-I’-methode uit de richtlijn (zie Annex VIII van de richtlijn) zodat hij de dosis ten gevolge van zijn bouwmateriaal kan toetsen aan het gestelde referentieniveau. De ondernemer hoeft geen kennisgeving te doen als het referentieniveau niet wordt overschreden. Anderzijds kan hij de aangereikte methode gebruiken om te voorkomen dat zijn bouwmateriaal onverhoopt het referentieniveau overschrijdt, als hij een of meer van die bouwgrondstoffen van de lijst verwerkt in zijn product. Als een bouwmateriaal volgens de bepalingen in de verordening het referentieniveau zou kunnen overschrijden – bijvoorbeeld omdat hij de methodiek met zijn receptuur niet gebruikt – dient op grond van artikel 6.21, derde lid, van het besluit en artikel 6.3, tweede lid, van de regeling door de ondernemer een kennisgeving te worden gedaan; daarbij kan worden aangetoond dat het referentieniveau niet overschreden zal gaan worden bij de beoogde toepassing van de bouwmaterialen. Hoofdstuk 7. (gereserveerd). Hoofdstuk 8. Medische blootstelling Hoofdstuk 8 van de regeling bevat eisen over medisch-radiologische apparatuur. Deze eisen waren 101 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018 reeds opgenomen in de artikelen 68 en 69 van het Bs en zijn in de nu voorliggende regeling opgenomen ter implementatie van artikel 60, tweede lid, van de richtlijn. Vanwege de mate van detail is ervoor gekozen om deze eisen te verankeren op het niveau van een ministeriële regeling. Voor een meer specifieke toelichting op de eisen over medisch-radiologische apparatuur wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.1. Hoofdstuk 9. Blootstelling van leden van de bevolking Hoofdstuk 9 omvat dosisbeperkingen voor leden van de bevolking voor registratieplichtige handelingen (geplande blootstellingsituaties) en referentieniveaus voor bestaande bloostellingsituaties en radiologische noodsituaties. De dosisbeperking voor leden van de bevolking met betrekking tot handelingen met radioactieve stoffen waarvoor een registratie is vereist, is bepaald op een effectieve dosis van 10 microsievert in een kalenderjaar voor personen die zich buiten een locatie bevinden. Met deze dosisbeperking wordt, samen met de dosisbeperking ten aanzien van toestellen en versnellers zoals opgenomen in artikel 9.4 van het besluit, beoogd om de dosis die een lid van de bevolking buiten een locatie kan oplopen als ten gevolge van alle registratieplichtige handelingen te beperken tot een effectieve dosis van 10 microsievert in een kalenderjaar. In het besluit worden voor meerdere blootstellingsituaties referentieniveaus voorgeschreven. Zo ook voor de drie volgende blootstellingsituaties: radiologische noodsituaties, bestaande situaties en de transitie van een radiologische noodsituatie naar een bestaande situatie. De richtlijn geeft voor de blootstelling van leden van de bevolking geen vaste waarde, zoals bijvoorbeeld voor de bescherming van werknemers in radiologische noodsituaties wel het geval is, maar bepaalt dat elke lidstaat een waarde moet vaststellen binnen een vastgestelde bandbreedte. Nederland heeft gekozen voor de bovenkant van de bandbreedte. Hiermee sluit zij aan bij de beleidskeuze van veel andere lidstaten binnen Europa. Met de introductie van referentieniveaus is afgestapt van het werken met interventieniveaus onder het Bs. Interventieniveaus waren niveaus waarbij, als deze werden overschreden, bepaalde maatregelen gerechtvaardigd waren om te nemen. Referentieniveaus zijn niveaus waarvan overschrijding zoveel als mogelijk moet worden voorkomen door beheersmaatregelen te nemen. Deze beheersmaatregelen omvatten niet alleen dosisbeperkende effecten, maar ook wordt hierbij gelet op de uitvoerbaarheid en de sociale en economische effecten. Dit geheel aan maatregelen maakt onderdeel uit van de optimalisatiestrategie die nader wordt uitgewerkt in de nationale crisisplannen. Vooralsnog is gekozen om één referentieniveau voor elke van de drie blootstellingsituaties vast te stellen, hoewel het besluit de mogelijkheid biedt om voor specifieke situaties specifieke referentieniveaus te kiezen. De uitwerking van de optimalisatie van de stralingsbeschermingsstrategie is een complex vraagstuk dat nog verder doorontwikkeld moet worden. In een later stadium zal, mede op basis van deze stralingsbeschermingsstrategie, bekeken worden of specifieke referentieniveaus noodzakelijk zijn. Ondanks dat per blootstellingsituatie slechts één referentieniveau is vastgesteld, en wel op het hoogste niveau van de bandbreedte, betekent dit niet een hoger risico voor de bevolking. Ook als bij een daadwerkelijke radiologische noodsituatie, bestaande blootstellingsituatie of de transitie daartussen de verwachte stralingsdosis onder het referentieniveau blijft, is er vanuit het besluit de plicht om verder te optimaliseren om de bevolking niet onnodig bloot te stellen. Hoofdstuk 10. Het beheer en het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen (beëindigingsplan). Ingevolge artikel 10.8 van het besluit zorgen ondernemers behorend tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie voor een beëindigingsplan. In dit hoofdstuk wordt bepaald voor welke ondernemers dit geldt. Daarbij is voor handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal aansluiting gezocht bij de industriesectoren van bijlage 3.1 van de regeling. De categorie indeling is gebaseerd op eerder beleidsonderzoek uit 2013 door Agentschap NL (‘Inventarisatie hoeveelheden radioactieve stoffen vergunninghouders’) waarin drie sectoren naar voren zijn gekomen met hoge kosten voor beëindiging. Dat zijn ondernemers in de olie- en gaswinningsector, exploitanten van kolencentrales en ondernemers die handelingen uitvoeren met lineaire versnellers (> 20 MeV) en
cyclotrons. In artikel 10.8, tweede lid, van het besluit is bepaald dat de aanwijzing voor het opstellen
van een beëindigingplan uitsluitend plaatsvindt voor ondernemers waarvoor het treffen van een
financiële voorziening met betrekking tot beëindiging niet al op grond van andere wetgeving geëist
wordt of kan worden.
Hoofdstuk 3. Effecten
In hoofdstuk III van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het besluit is uitvoerig ingegaan
102 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
op de gevolgen van het besluit. Dit omvat mede de gevolgen van de op het besluit gebaseerde
uitvoeringsregelgeving, zoals de regeling. Voor sommige onderwerpen zijn daarbij bandbreedtes voor
de nalevingskosten opgenomen, omdat deze nog niet exact konden worden bepaald. Voor zover de
regeling beleid bevat in aanvulling op of ter uitwerking van in het besluit opgenomen beleid, en de
gevolgen daarvan nader kunnen worden geduid, zijn de effecten nader onderzocht. Voor wat betreft
de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid, algemene regeldrukeffecten, milieueffecten en bedrijfseffecten
wordt kortheidshalve verwezen naar de nota van toelichting bij het besluit. Op de specifieke
gevolgen van de regeling en verordening voor de regeldruk wordt hierna ingegaan. Omdat in het
onderzoek niet steeds een scherp onderscheid kon worden gemaakt tussen de effecten van de in de
regeling en in de verordening geregelde onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de ten opzichte van het
besluit additionele vrijstelling en vrijgave, zijn de effecten op de regeldruk van de bij regeling en
verordening gestelde regels als één geheel onderzocht. Op die effecten wordt hierna verder ingegaan.
Dat omvat derhalve mede de effecten van de in de verordening opgenomen regels.
§ 3.1 Regeldrukeffecten, algemeen
In 2016 heeft Sira Consulting9 een eerste onderzoek verricht naar de financiële en overige effecten van
de richtlijn, zoals geïmplementeerd in het besluit en verder uitgewerkt in de regeling en verordening.
Een van de uitkomsten uit het onderzoek is dat de implementatie van de richtlijn invloed heeft op
bedrijven die te maken hebben met ioniserende straling. De bedrijfseffecten ten gevolge van de
implementatie van de richtlijn hebben met name betrekking op de regeldrukeffecten. Dit zijn de
administratieve lasten en inhoudelijke nalevingkosten. Uitgangspunt was een zoveel mogelijk
lastenluwe implementatie zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van mens en milieu. Gezocht is
naar een goede balans tussen de risico’s die moeten worden beheerst en de impact van de regels op
de lasten van bedrijven.
In het genoemde onderzoek zijn de regeldrukeffecten in kaart gebracht, onderscheiden naar administratieve
lasten en nalevingskosten. Daarbij was het voor verschillende onderwerpen niet mogelijk om
een precieze schatting te maken. Nu de uitwerking in de regeling en verordening heeft plaatsgevonden,
konden de regeldrukeffecten nauwkeuriger in kaart gebracht worden. Dit is bij vervolgonderzoek
door Sira in 2017 gebeurd.
In de paragraaf hieronder wordt eerst een samenvatting gegeven van de regeldrukeffecten die zijn
bepaald ten gevolge van het besluit, zoals beschreven in onderdeel III van de nota van toelichting van
het besluit. Vervolgens is uiteengezet voor welke onderdelen er aanvullend onderzoek is uitgevoerd
om de regeldrukeffecten preciezer in kaart te brengen en wat de resultaten daarvan zijn.
§ 3.2 Samenvatting van de gevolgen voor de nationale regeldrukeffecten
In onderdeel III van de nota van toelichting van het besluit is (samengevat) toegelicht dat de regeldruk
als gevolg van de implementatie van de richtlijn ten opzichte van de regeldruk onder het Besluit
stralingsbescherming structureel toeneemt met maximaal ! 3,6 miljoen per jaar en met een eenmalige
regeldruk van maximaal ! 15,6 miljoen. Wanneer onzekerheid bestond over de nalevingseffecten,
zijn de minimale en maximale variant van de berekeningen weergegeven. De regeldrukgevolgen zijn
per onderwerp weergegeven in onderstaande tabellen. Naast de regeldrukeffecten zoals die hieronder
zijn beschreven, worden geen andere kosten en baten verwacht ten gevolge van de implementatie van
de richtlijn.
Tabel. Overzicht verandering structurele regeldruk
Onderwerp Minimale variant Maximale variant
Administratieve
lasten bedrijven
Nalevingskosten
bedrijven
Administratieve
lasten bedrijven
Nalevingskosten
bedrijven
Controlestelsel: Melding naar vergunning ! 125.000 ! 0 ! 125.000 ! 0
Controlestelsel: Melding naar registratie ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Actueel overzicht van bronnen ! 530.800 ! 0 ! 530.800 ! 0
Vrijstelling en vrijgave ! 0 ! 68.000 ! 0 ! 586.000
Eisen aan deskundigheid ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Beëindigingsplan 40.000 ! 0 ! 40.000 ! 0
Vliegtuigbemanning ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Ooglensdosis ! 0 ! 250.000 ! 0 ! 250.000
Bouwmaterialen ! 0 ! 400.000 ! 0 ! 2.000.000
Radon op de werkplek Beperkte toename
Bedrijfsnoodplan ! 84.000 ! 0 ! 84.000 ! 0
9 Sira Consulting, 2016. Effecten implementatie Richtlijn 2013/59/Euratom, Regeldrukgevolgen Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming.
103 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Kennisname ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Totaal ! 779.800 ! 718.000 ! 779.800 ! 2.836.000
Tabel. Overzicht verandering eenmalige regeldruk
Onderwerp Minimale variant Maximale variant
Administratieve
lasten
bedrijven
Nalevingskosten
bedrijven
Administratieve
lasten bedrijven
Nalevingskosten
bedrijven
Controlestelsel: Melding naar vergunning ! 1.250.000 ! 0 ! 1.250.000 ! 0
Controlestelsel: Melding naar registratie ! 423.700 ! 0 ! 423.700 ! 0
Actueel overzicht van bronnen ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Vrijstelling en vrijgave ! 7.850.000 ! 0 ! 13.100.000 ! 0
Eisen aan deskundigheid ! 112.500 ! 0 ! 112.500 ! 0
Beëindigingsplan ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Vliegtuigbemanning ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Ooglensdosis ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Bouwmaterialen ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Radon op de werkplek Beperkte toename
Bedrijfsnoodplan ! 420.000 ! 0 ! 420.000 ! 0
Kennisname ! 315.400 ! 0 ! 315.400 ! 0
Totaal ! 10.371.600 ! 0 ! 15.621.600 ! 0
De in de tabellen 2 en 3 vermelde bedragen worden gevormd door de wijzigingen met betrekking tot
de in paragraaf III.1.3 beschreven onderwerpen.
§ 3.3 Onderwerpen die nader zijn onderzocht
In bovenstaande tabellen zijn voor een aantal onderwerpen verschillen zichtbaar tussen de verwachte
kosten bij de minimale variant en de verwachte kosten bij de maximale variant. In de regeling (en
verordening) zijn de bepalingen van het besluit verder uitgewerkt en kon voor deze kosten een betere
schatting worden gegeven.
Het vervolgonderzoek richtte zich op de volgende onderwerpen:
• Controlestelsel: van melding naar registratie
In het onderzoek voor het ontwerpbesluit is ervan uit gegaan dat er alleen een check op de
aanwezigheid van de risicoanalyse moest worden gedaan. In de uitwerking wordt geregeld dat de
uitkomst (blootstellingniveaus) van de risicoanalyse moet worden geregistreerd. Daardoor moet er
nu iets meer werk worden uitgevoerd.
Het opzoeken van de risicoanalyse, de specifieke informatie hierin en het overnemen van deze
gegevens kost naar verwachting gemiddeld 5 minuten.
Voor de structurele administratieve lasten geeft dit een toename van circa ! 3.75010 per jaar
uitgaande van ongeveer 1.000 registraties per jaar. Voor de eenmalige administratieve lasten is de
toename circa ! 16.740 uitgaande van de 4.464 registratie die extra moeten worden gedaan.
• Vrijstelling en vrijgave
Vrijgave van kunstmatige radionucliden.
Bij de eerdere berekeningen van de verwachte regeldruk waren nog veel onduidelijkheden over de
daadwerkelijke uitwerking van de verplichtingen op de diverse doelgroepen. Daarbij heeft de
Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne (NVS) opgemerkt dat de eerder aangeleverde
gegevens door verschillende ziekenhuizen vermoedelijk verkeerd waren ingeschat. Daarom heeft
de NVS onderzoek gedaan bij de ziekenhuizen. De resultaten van dat onderzoek zijn geëvalueerd.
In een werkgroep zijn voorstellen uitgewerkt om de nadelige effecten te beperken waar dat kon
met behoud van voldoende bescherming. Dat heeft geleid tot een aantal aanvullingen in de
regeling en de verordening.
In de regeling zijn grenswaarden en voorwaarden opgenomen waaronder een algemene vrijgave
en vrijstelling geldt voor circa 500 (kunstmatige) radionucliden. Voor niet-vaste afvalstoffen wordt
hiermee in veel situaties voorkomen dat er aanvullende kosten ontstaan om een specifieke
vrijstelling aan te vragen of voor een duurdere verwerking bij de COVRA. Er blijft nog wel een
aantal situaties over die leiden tot aanvullende kosten. Dit betreft:
• Laboratoria: ! 156.300 per jaar. Omdat het beeld van de laboratoria niet goed bepaald kon
worden is een grote marge aangehouden. Daarbij konden alleen administratieve lasten
bepaald worden.
10 (5 minuten x ! 45/uur) x 1.000 meldingen per jaar.
104 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
• Ziekenhuizen: ! 48.800 per jaar voor in totaal 62 perifere ziekenhuizen en acht UMC’s.
• Producenten van radionucliden: ! 1.900 voor in totaal drie bedrijven.
Voor enkele situaties die kunnen voorkomen bij voornamelijk ziekenhuizen zijn ook nog geen
oplossingen bepaald. Het betreft specifiek twee situaties:
1. Bouw- en sloopafval dat vloeibaar radioactief afval bevat.
2. Apparaten die buiten het ziekenhuis worden gebracht en nog radioactieve vloeistoffen bevatten.
Naar verwachting betreft dit kleine stromen waarvoor ook nog wordt gezocht naar een passende
oplossing. Hiervoor zijn dan ook geen extra kosten opgenomen.
De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de weergegeven regeldrukeffecten. De totale
structurele nalevingskosten worden geraamd op maximaal ! 3.321.700 per jaar. In de minimale
variant vervallen enkele posten. De totale nalevingskosten komen dan op circa ! 516.200 per jaar.
Tabel. Samenvatting structurele regeldrukeffecten vrijstelling/vrijgave kunstmatige radionucliden
Sector
Deelstroom Laboratoria
(250)
Perifere
ziekenhuizen
(62)
UMC’s (8) Producenten
van
radionucliden
(3)
Totaal
SZA – – – –
Chemisch Max:
! 2.520.000
Min:
! 75.600
– ! 50.200 –
Huishoudelijk – – – ! 83.400
Linnen – – Max:
! 361.100
Min: ! 0

Overhead ! 156.300 ! 38.800 ! 10.000 ! 1.900
Totaal max. ! 2.675.300 ! 38.800 ! 521.300 ! 85.300 ! 3.321.700
Totaal min. ! 231.900 ! 38.800 ! 160.200 ! 85.300 ! 516.200
Vrijgave van natte sludges
In de verordening is een algemene vrijgave opgenomen voor natte sludges die vrijkomen bij olieen
gaswinning en geothermische installaties. Hiermee zouden de kosten de eerder zijn geraamd
voor eenmalige onderzoek voor een specifieke vrijgave vervallen. Mogelijke verder effecten voor
natuurlijke bronnen konden niet nauwkeuriger in beeld worden gebracht.
• Beëindigingsplan
In tegenstelling tot de resultaten van het eerdere onderzoeken is gebleken dat een aantal organisaties
die een beëindigingsplan hebben, al een verplichting voor financiële zekerheid hebben op
grond van de Mijnbouwwet. Er is onderzocht hoeveel organisaties er onder de Mijnbouwwet
vallen die ook onder de reikwijdte van deze verplichting vallen. Die vallen dus buiten de reikwijdte
van de effecten van de implementatie van de richtlijn. Dit betreft naar schatting 1/3 van de eerder
meegenomen aantallen bedrijven. De eerder geraamde administratieve lasten toename neemt
daarom af met circa ! 13.300 per jaar tot een bedrag van ! 26.700 per jaar.
• Bouwmaterialen
De discussie over de uitvoering van deze verplichting loopt nog. De aannames over de bouwmaterialen
uit het rapport ‘Effecten implementatie Richtlijn 2013/59/Euratom’ worden met de VNOprojectgroep
radon geëvalueerd.
De volgende onderwerpen zijn niet betrokken in het vervolgonderzoek omdat ze niet zijn veranderd:
• Controlestelsel: melding naar vergunning
• Actueel overzicht van bronnen
• Eisen aan deskundigheid
• Bedrijfsnoodplan
§ 3.4 Resultaten
Ten aanzien van de beantwoording van de vragen de Bedrijfseffectentoets (BET) worden geen
aanpassingen nodig geacht ten aanzien van het eerdere rapport. Wel zijn voor de beschreven
onderwerpen de regeldrukeffecten veranderd. In de onderstaande tabel worden de effecten samengevat
zoals in dit rapport beschreven.
In de onderstaande tabellen is het totaaloverzicht opgenomen van de regeldrukeffecten zoals
berekend in het voorgaande onderzoek gecorrigeerd met de huidige cijfers. De voornaamste toename
van de lasten is te vinden bij de structurele lasten voor vrijstelling en vrijgave. Dit is voornamelijk het
105 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
gevolg van het meenemen van de effecten van laboratoria die in het eerdere onderzoek op dit punt
niet waren meegenomen.
Tabel. Overzicht verandering structurele regeldruk totaal tabel
Onderwerp Minimale variant Maximale variant
AL Bedrijven NK Bedrijven AL Bedrijven NK Bedrijven
Controlestelsel: Melding naar vergunning ! 125.000 ! 0 ! 125.000 ! 0
Melding naar registratie ! 3.750 ! 0 ! 3.750 ! 0
Actueel bronnenoverzicht ! 530.800 ! 0 ! 726.800 ! 0
Vrijstelling en vrijgave ! 0 ! 516.200 ! 0 ! 3.321.700
Eisen aan deskundigheid ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Beëindigingsplan ! 26.700 ! 516.200 ! 26.700 ! 3.321.700
Luchtvaart ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Bouwmaterialen ! 1.100.000 ! 0 ! 2.000.000 ! 0
Radon op de werkplek Beperkte toename
Bedrijfsnoodplan ! 84.000 ! 0 ! 84.000 ! 0
Totaal !1.661.250 !516.200 !2.757.250 !3.321.700
Tabel. Overzicht verandering eenmalige regeldruk totaal tabel
Onderwerp Minimale variant Maximale variant
AL Bedrijven NK Bedrijven AL Bedrijven NK Bedrijven
Controlestelsel: Melding naar
vergunning ! 1.250.000 ! 0 ! 1.250.000 ! 0
Melding naar registratie ! 440.820 ! 0 ! 440.820 ! 0
Actueel bronoverzicht ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Vrijstelling en vrijgave ! 7.850.000 ! 0 ! 13.100.000 ! 0
Eisen aan deskundigheid ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Beëindigingsplan ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Luchtvaart ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Bouwmaterialen ! 0 ! 0 ! 0 ! 0
Radon op de werkplek Beperkte toename
Bedrijfsnoodplan ! 420.000 ! 0 ! 420.000 ! 0
Kennisname ! 315.400 ! 0 ! 315.400 ! 0
Totaal !8.606.220 !0 !13.856.220 !0
Uit deze resultaten blijkt dat de eenmalige nalevingseffecten zijn verminderd met ca. ! 1.800.000 ten
gevolge van de inzet om die te verminderen bij de verdere uitwerking. De schatting van de structurele
kosten is toegenomen omdat door de betere inzichten bij bedrijven meer structurele nalevingskosten
naar voren zijn gekomen waardoor de maximale inschatting met ca. ! 500.000 per jaar is toegenomen.
Hoofdstuk 4. Voorbereiding
§ 4.1 Consultatie en toetsen
De regeling is voorbereid door het Ministerie van IenW, de Autoriteit Nucleaire veiligheid en Stralingsbescherming
(ANVS) en de ministeries van SZW en VWS. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van
beleidsonderbouwend onderzoek van het RIVM (m.n. herinventarisatie en evaluatie van handelingen
met natuurlijke bronnen en aanvullende vrijstellings- en vrijgavewaarden) en van andere betrokken
instanties. Bij de voorbereiding zijn stakeholders zoals NOGEPA, VNO/NCW, NVS, specifieke belangenorganisaties
bijv. uit de medische sector, specifieke beroepsgroepen en milieuorganisaties betrokken.
Tevens is voor advies en toetsen op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid overleg gevoerd met de
met uitvoering, toezicht en verdere handhaving belaste diensten en instanties. Van internetconsultatie
is afgezien omdat het strikte implementatie betreft en deze niet tot significante wijzigingen zou leiden.
In de voorbereidende fase werd mede op basis van de voorpublicatie van de concept-regeling op
13 juli 2017 een informatiebijeenkomst gehouden.
Op 1 september 2017 is de ontwerpregeling ter consultatie en inspraak voorgelegd aan de diensten en
instanties die belast zijn met uitvoering, toezicht en verdere handhaving en aan de organisaties van
belanghebbenden. Tijdens de consultatiefase werd op 21 september 2017 een consultatiebijeenkomst
gehouden. De partijen hadden tot 2 oktober 2017 de gelegenheid om te reageren op de conceptrege-
106 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
ling. De resultaten van deze consultatie zijn verwerkt en worden hierna besproken.
Handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudegevoeligheid (HUF)
Begin september 2017 is aan diverse overheidsinspecties, de vergunningverlener van de Autoriteit en
andere overheidsinstanties gevraagd de conceptregeling te beoordelen op handhaafbaarheid,
uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid (HUF). Het gaat onder meer om de volgende partijen:
1. Afdeling vergunningverlening Autoriteit (ANVS)
2. Afdeling inspectie Autoriteit (ANVS)
3. Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT)
4. Inspectie Veiligheid en Justitie
5. Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)
6. Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Inspectie SZW)
7. Nationale Politie
8. Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)
9. Veiligheidsregio’s Zeeland en Haaglanden
Belanghebbenden
Op 1 september 2017 werd de conceptregeling eveneens aan de stakeholders voorgelegd. Ook zij
hadden tot 2 oktober 2017 de gelegenheid om te reageren op de conceptregeling. De volgende
belanghebbenden hebben in de consultatiefase een reactie ingediend:
1. Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne (NVS)
2. Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie (NOGEPA) en de Dutch Association
Geothermal Operators (DAGO)
3. URENCO
4. Philips
5. Energie-Nederland
6. VNO-NCW Projectgroep Radon
7. Particuliere belanghebbende 1.
8. Nederlandse Commissie voor Stralingsdosimetrie (NCS)
9. Aqua Minerals
10. Particuliere belanghebbende 2.
Type reacties
Het binnengekomen commentaar vanuit het werkveld is gestructureerd verwerkt in een inspraakdocument.
Aan de hand van het inspraakdocument is, indien dat nodig was, in (technische) werkgroepen
verder inhoudelijk overleg gevoerd. Alle gedane voorstellen en op- en aanmerkingen zijn met zorg
geanalyseerd. De reacties uit het werkveld waren globaal te onderscheiden in de volgende typen
reacties:
1. Bepalingen die vragen oproepen:
2. Sommige bepalingen roepen vragen op, bijvoorbeeld door de complexiteit van het onderwerp, de
gehanteerde definities of door de gekozen (juridische) formuleringen of verwijzingen. Waar
mogelijk is de tekst vereenvoudigd of verduidelijkt in de artikelen van de regeling en/of de nota
van toelichting.
3. Bepalingen die inconsistent zijn met andere artikelen of bepalingen:
Fouten en inconsistenties in de conceptregeling zijn zo veel mogelijk opgelost. In een enkel geval
is nader onderzoek noodzakelijk gebleken en wordt de inconsistentie via de beleidsagenda later
uitgewerkt. Ook zijn enkele spel- of stijlfouten verbeterd.
4. Bestaand beleid:
Meerdere partijen hebben opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op bepalingen die zijn
overgenomen uit het Bs of de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ en dus bestaand
beleid betreffen. Zoals al in de toelichting van het besluit vermeld, is overeenkomstig kabinetsbeleid
sprake van een beleidsarme implementatie van de richtlijn zodat de opmerkingen, voor zover
gericht tegen bestaand beleid, niet tot wijzigingen van de regeling konden leiden. Uitsluitend in
gevallen waarbij aanpassingen van de regeling eenvoudig waren en beleidsarm konden worden
doorgevoerd is dit gedaan. Diverse naar voren gebrachte punten aangaande het bestaand beleid
zijn wel op de beleidsagenda gezet en worden, waar mogelijk, later in een ander traject uitgewerkt.
5. Bepalingen die nadelige gevolgen hebben voor de belanghebbende:
Tenslotte zijn er bepalingen waarvan de belanghebbende mogelijk negatieve gevolgen kan
ondervinden. Bij deze reacties is, waar mogelijk, geprobeerd in overleg met de belanghebbende
een oplossing te vinden, waarbij de veiligheid voor werknemers, patiënten en leden van de
bevolking altijd voorop heeft gestaan.
Hieronder volgen de belangrijkste elementen uit de reacties en de beoordeling daarvan.
107 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Rechtvaardiging
Naar aanleiding van de binnengekomen reacties is de omschrijving van de categorieën of soorten
gerechtvaardigde of niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen in bijlage 2 aangepast. Deze
reacties kwamen van zowel van overheidspartijen (HUF-toets) als van enkele stakeholders. Dit heeft
geleid tot enkele aanpassingen van of aanvullingen op de genoemde categorieën of bijbehorende
voorbeelden.
Controlestelsel, aanwijzing van handelingen met van nature voorkomende radioactieve materialen
Er werden enkele opmerkingen gemaakt. Deze opmerkingen hebben niet geleid tot wijzigingen van de
typen industrieën die zijn opgenomen in bijlage 3.1. Wel werden enkele omschrijvingen ter verduidelijking
aangepast, verbeterd of aangevuld met voorbeelden.
Controlestelsel, vereisten complexvergunningen
Van diverse stakeholders volgden reacties op en vragen over de complexvergunningseisen van artikel
3.2. De reacties hadden vooral betrekking op de eis dat een complexvergunning is voorgeschreven
indien een ondernemer op een of meerdere locaties of organistieonderdelen meer dan 100 vergunningplichtige
bronnen toepast. Het 100-bronnencriterium is bestaand beleid en wordt al sinds de
invoering van het Bs gehanteerd. Een complexvergunning kan ook worden voorgeschreven indien op
een locatie, naar het oordeel van de Autoriteit, sprake is van een qua risico’s vergelijkbaar complex
van handelingen. De nadere uitwerking van de criteria voor complexvergunningen, als onderdeel van
de graduele aanpak van het controlestelsel, is een onderwerp dat op de beleidsagenda is geplaatst.
Naar aanleiding van de reacties is de tekst van artikel 3.2 en de artikelsgewijze toelichting aangepast.
Dit om te verduidelijken dat het 100 bronnencriterium ook van toepassing is wanneer een ondernemer
beschikt over meerdere locaties of organisatieonderdelen.
Controlestelsel, vrijstelling en vrijgave van radioactieve materialen
Het besluit en de regeling zullen belangrijke veranderingen met zich meebrengen met betrekking tot
de vrijstelling en vrijgave van radioactieve materialen. Net als bij de consultatie van het besluit,
volgden ook hier van diverse stakeholders vragen om verduidelijking van de onderwerpen. De vragen
hadden betrekking op de toepasbaarheid van bijlage 3.2, tabel A, deel 1 en deel 2 voor de vrijstelling
of vrijgave van onbeperkte hoeveelheden vast materiaal of van bijlage 3.2 tabel B voor de vrijstelling
van matige hoeveelheden materiaal. Tevens werden er vragen gesteld over de achterliggende
methodes waarmee de grenswaarden zijn berekend. Dit heeft ertoe geleid dat in de toelichting enkele
tekstuele aanpassingen zijn aangebracht. Opgemerkt wordt dat de consultatie van het besluit ertoe
heeft geleid dat in het besluit enkele tekstuele aanpassingen aan artikelen en bijlage 3 zijn aangebracht.
Ook zijn in de toelichting van het besluit op diverse plaatsen tekstuele aanpassingen aangebracht.
Er wordt derhalve ook verwezen naar het vastgestelde besluit.
Deskundigheid
Meerdere partijen reageerden op de artikelen van hoofdstuk 5 die gaan over de gestelde eisen aan
deskundigheid en opleiding tot stralingsbeschermingsdeskundige, criteria voor registratie van deze
deskundigen, eisen aan de deskundigheid van en opleiding tot toezichthoudend medewerker
stralingsbescherming of voor medisch-radiologische handelingen en de eisen die worden gesteld aan
erkenning van instellingen die deze opleidingen verzorgen. Diverse opmerkingen hebben geleid tot
aanpassingen en verbetering van de artikelen. Een belangrijke reden was om beter aan te sluiten bij
de terminologie van het besluit. Dit had met name betrekking op ‘deskundigheid’ en ‘medischradiologische
handelingen’. Verder werd de toelichting met betrekking tot registratie aangevuld om de
verschillen en overeenkomsten tussen registratie, herregistratie en buitengewone registratie te
verduidelijken. Er werden ook een aantal inhoudelijke opmerkingen gemaakt en wijzigingsvoorstellen
gedaan over de eindtermen, kerncompetenties en overige kwalificaties die verbonden zijn aan de
opleidingen tot het niveau van (algemeen) coördinerend deskundige of toezichthoudend medewerker
stralingsbescherming en opleidingen voor medisch-radiologische handelingen. Deze opleidingseisen
zijn opgesteld door werkgroepen bestaande uit branche/beroepsverenigingen en opleiders en zijn
voorgelegd aan de Adviescommissie stralingsbescherming. De Adviescommissie heeft positief
geoordeeld over het opnemen van de opleidingseisen in wet- en regelgeving. Kortom, het wijzigen
van de reeds vastgestelde opleidingscriteria is op dit moment niet mogelijk omdat dit overleg
verlangd met de belanghebbende partijen en beoordeling door de Adviescommissie. De opmerkingen
kunnen wel meegenomen worden bij toekomstige herevaluatie van de opleidingseisen. Verder is in de
toelichting verduidelijkt wat de primaire doelgroep is van de negen verschillende toepassingsspecifieke
opleidingen voor toezichthoudend medewerker stralingsbescherming.
108 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Bouwmaterialen
Mede naar aanleiding van de reactie van de bouwsector is de redactie van de algemene en artikelsgewijze
toelichting van art 6.3 herzien.
Blootstelling van leden van de bevolking
De belangrijkste opmerking die werd gemaakt naar aanleiding van de HUF-toets betrof het ontbreken
van een dosisbeperking indien natuurlijke bronnen vanuit niet-bereikbare oppervlakken door externe
bestraling schade kunnen veroorzaken. Hiertoe is in artikel 9.1 een extra lid met een beperking voor
het omgevingsdosisequivalenttempo aan de buitenzijde van dit soort oppervlakken en voor de
effectieve dosis opgenomen.
Beëindigingsplan
Naar aanleiding van opmerkingen van de olie en gasindustrie is in de artikelsgewijze toelichting van
artikel 10.1 van de regeling verwezen naar artikel 10.8 van het besluit en is herhaald dat een beëindigingsplan
niet wordt verlangd indien in de Mijnbouwwet of andere wetgeving vergelijkbare voorzieningen
voor een van de aangewezen categorieën worden geëist.
Overgangsrecht
De afdeling vergunningverlening van de Autoriteit heeft naar voren gebracht dat er met de inwerkingtreding
van het nieuwe besluit zonder nadere regels voor overgangsrecht onzekerheden en onduidelijkheden
zouden gaan ontstaan voor vergunningen die zijn verleend voor handelingen met natuurlijke
bronnen als ook bij het aanvragen van vergunningen voor dit soort bronnen. De reden hiervoor is dat
met ingang van 6 februari 2018 niet langer vrijstellingswaarden gelden op basis van totale activiteit.
Verder gelden er vanaf dan strengere vrijstellingswaarden voor de activiteitsconcentaties van een
aantal van nature voorkomende radionucliden. Met deze veranderingen zou de gewogen sommatie
van de vergunde activiteiten (‘Asom’) niet langer kunnen worden berekend en dit zou ook leiden tot
wijzigingen in de uitkomst van de gewogen sommatie van de vergunde activiteitsconcentraties
(‘Csom’). In artikel 12.5 is hiervoor overgangsrecht opgenomen om de bij reeds verleende vergunningen
gebruik te kunnen blijven maken van de berekeningsmethode van het vorige Besluit stralingsbescherming.
Vanwege het verdwijnen van vrijstellingswaarden voor de activiteit van, van nature
voorkomende radionucliden bleken er ook onduidelijkheden te gaan ontstaan voor de termijn
waarbinnen vergunningaanvragen voor handelingen met natuurlijke bronnen moeten worden
doorlopen. Met artikel 12.7 wordt de mogelijkheid geboden om, net als bij aanvragen voor handelingen
met kunstmatige radioactieve stoffen, te toetsen of bij aanvragen de reguliere (korte) procedure of
de lange procedure (Afdeling 3.4 Awb, zes maanden) moet worden doorlopen.
De afdeling transport van de Autoriteit bracht naar voren dat er in aanvulling op artikel 13.11 van het
besluit behoefte was aan nader overgangsrecht voor meldingsplichtig vervoer dat met ingang van
6 februari 2018 vergunningplichtig wordt. Deze behoefte werd eveneens geïdentificeerd voor
vergunningplichtig vervoer dat per 6 februari 2018 kennisgevingsplichtig wordt. Hiertoe zijn aanvullende
overgangsregels opgenomen in artikel 12.3.
Naar aanleiding van een opmerking van een van de stakeholders zijn nadere regels voor overgangsrecht
voor de financiële zekerheidstelling voor hoogactieve bronnen opgenomen in artikel 12.6 van de
regeling.
§ 4.2 Notificatie
De ontwerpregeling is op 1 september 2017 op grond van artikel 33 van het EURATOM-Verdrag
genotificeerd. Binnen de standstill periode van drie maanden zijn geen opmerkingen of aanbevelingen
van de Europese Commissie ontvangen.
109 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
ARTIKELSGEWIJS
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1 (begripsomschrijvingen)
Voor de toepassing van paragraaf 4.1 (beveiligingsplan) en hoofdstuk 6 (systeem voor het registreren
van stralingsincidenten, ongevallen of radiologische noodsituaties; bedrijfsnoodplan) zijn in artikel 1.1
begripsomschrijvingen voor ‘categorie 1-, 2- of 3-stof’ opgenomen. Als categorie 1-, 2- of 3-stof zijn de
in bijlage 4.1 genoemde kunstmatige radioactieve stoffen aangewezen. Het betreft kunstmatige
radioactieve stoffen die voor specifiek genoemde toepassingen worden gebruikt en kunstmatige
radioactieve stoffen met een A/D-waarde groter of gelijk aan 1. Afhankelijk van de toepassing of de
A/D-waarde zijn de stoffen ingedeeld in categorie 1, 2 of 3. Bij het berekenen van de A/D-waarde moet
rekening worden gehouden met sommatie, waardoor stoffen met een A/D-waarde lager dan 1
mogelijk alsnog onder de reikwijdte van de regeling komen. Deze categorie-indeling is niet van
toepassing op van nature voorkomend radioactief materiaal (natuurlijke bronnen) of toestellen.
Verdere toelichting op de D-waarde is te vinden in bijlage 4.1 van de regeling alsmede in paragraaf
3.4.3 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Besluit basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming (hierna: het besluit) en de artikelsgewijze toelichting op artikel 3.15 van het
besluit.
Verder zijn in artikel 1.1 begripsomschrijvingen opgenomen die van toepassing zijn voor met name
hoofdstuk 5 (Informatie en deskundigheid). Het gaat om begrippen die betrekking hebben op de
opleiding van deskundigen.
Voor de toepassing van artikel 10.1 (aanwijzing gevallen waarin een beëindigingsplan vereist is) en de
voorbeelden genoemd in de bijlage bij hoofdstuk 2 is in artikel 1.1 het begrip ‘cyclotron’ opgenomen.
Een ‘cyclotron’ wordt in artikel 1.1 omschreven als een ‘circulaire versneller’. Een cyclotron is een type
versneller waarbij de geladen deeltjes in een cirkelvormige baan versneld worden. Bij een lineaire
versneller is dat in een rechte lijn. Doordat de versnelling in de cirkelvormige baan in principe vele
malen kan plaatsvinden worden hoge energieën bereikt voor cyclotrons met een relatief beperkte
omvang.
Hoofdstuk 2. Rechtvaardiging
Artikel 2.1 (generieke aanwijzing handelingen en maatregelen als gerechtvaardigd of
niet-gerechtvaardigd)
Artikel 2.1, in samenhang met bijlage 2.1, onderdelen A en B, bevat de generieke aanwijzing van
categorieën en soorten gerechtvaardigde c.q. niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen.
Grondslag voor de aanwijzing is artikel 2.3, eerste lid, van het besluit. In bijlage 2.1 zijn de bijlagen 1
en 2 van de voormalige Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende straling
opgenomen. De onderdelen A en B van bijlage 2.1 zijn op een aantal punten aangepast ten opzichte
van de bijlagen 1 en 2 van de Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende
straling (hierna: de Regeling rechtvaardiging). De aanpassingen betreffen in de eerste plaats een
actualisatie van de in bijlage 2.1 gehanteerde omschrijvingen, in verband met de vervanging van de
oude richtlijnen door de nieuwe richtlijn. Inhoudelijke wijzigingen zijn daarbij niet beoogd. In de
tweede plaats zijn enkele categorieën of soorten handelingen, of voorbeelden daarvan, toegevoegd.
Dit is het gevolg van de beoordeling van de rechtvaardiging van (nieuwe) handelingen, door middel
van individuele vergunningaanvragen, in de periode sinds de laatste aanpassing van de Regeling
rechtvaardiging. Deze positieve en negatieve beoordelingen zijn ter verbetering van de transparantie
nu opgenomen in bijlage 2.1.
De specifieke wijzigingen van de in bijlage 2.1, onderdeel A, opgenomen lijst van generiek gerechtvaardigde
handelingen en maatregelen ten opzichte van de eerdere Regeling rechtvaardiging komen
tegemoet aan verzoeken uit het bedrijfsleven om de desbetreffende toepassingen met ioniserende
straling te rechtvaardigen en daarmee mogelijk te maken. Uit het oogpunt van gezondheid en
veiligheid van werknemers en de bescherming van het milieu zijn er geen bezwaren tegen deze
toepassingen. De economische, sociale en andere voordelen wegen daarmee op tegen de gezondheidsschade
die deze handelingen tot gevolg kunnen hebben.
Voor de wijzigingen van de in bijlage 2.1, onderdeel B, opgenomen lijst van generiek nietgerechtvaardigde
handelingen en maatregelen ten opzichte van de eerdere Regeling rechtvaardiging
geldt dat voor deze toepassingen alternatieven beschikbaar zijn of dat deze toepassingen leiden tot
ongewenste blootstelling. Zo is de onder I.L opgenomen categorie ‘verkoop van ionisatie rookmelders
aan particulieren’ aangepast. De aanpassing van de onder I.L opgenomen verwijzing naar de
desbetreffende EU-richtlijn is opgenomen vanwege de intrekking van Richtlijn 2006/95/EG (per 20 april
110 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
2016) en vervanging door Richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari
2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt
aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PbEU
2014, L 96). Richtlijn 2014/35/EU betreft een herziening van Richtlijn 2006/95/EG.
Met bijlage 2.1, inclusief de aanpassingen, is zoveel mogelijk continuïteit voor de praktijk beoogd. In
artikel 12.2 van het besluit is overgangsrecht voor generiek als gerechtvaardigd of nietgerechtvaardigd
aangewezen handelingen of maatregelen opgenomen. Dit houdt in bestaande en
eerder ingevolge de Regeling rechtvaardiging gerechtvaardigde handelingen of maatregelen die
ingevolge deze regeling niet langer als gerechtvaardigd worden aangemerkt mogen worden voortgezet
tot 1 januari 2019.
Hoofdstuk 3. Controlestelsel
§ 3.1. Handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal
Artikel 3.1 (handelingen met van nature voorkomend radioactief materiaal)
Eerste lid.
Het eerste lid is gebaseerd op artikel 3.2, eerste lid, van het besluit en vormt met bijlage 3.1, onderdeel
A, een voortzetting van artikel 102, eerste lid, van het voormalige Besluit stralingsbescherming
(hierna: het besluit), in samenhang met artikel 7.2 en bijlage 7.1 van de voormalige Uitvoeringsregeling
stralingsbescherming EZ (hierna: uitvoeringsregeling). Een ondernemer die een handeling met
van nature voorkomend radioactief materiaal wil uitvoeren dient vooraf na te gaan of daarvoor een
kennisgeving, registratie of vergunning voor nodig is. Hiertoe worden categorieën of soorten
handelingen aangewezen waarbij het mogelijk is dat werknemers of leden van de bevolking een
blootstelling oplopen die uit het oogpunt van stralingsbescherming niet kan worden verwaarloosd.
Ingevolge het besluit en de regeling is deze aanwijzing, evenals dat in het besluit het geval was,
vastgesteld aan de hand van het mogelijke overschrijden van de vrijstellings- of vrijgavewaarden. De
lijst categorieën of soorten handelingen waarbij overschrijding mogelijk aan de orde is, is in bijlage
3.1, onderdeel A, opgenomen. Deze niet-limitatieve lijst is opgesteld aan de hand van een herinventarisatie
die door het RIVM werd uitgevoerd en gecoördineerd. De lijst in bijlage 3.1, onderdeel A is een
voortzetting van de lijst die was opgenomen in bijlage 7.1 van de uitvoeringsregeling, behorende bij
artikel 7.2 van die regeling. Bij het opstellen van deze lijst is eveneens rekening gehouden met het
overzicht van industriële sectoren die met van nature voorkomende materialen handelingen verrichten,
welk overzicht is opgenomen in bijlage VI van de richtlijn.
De lijst is niet-limitatief. Indien een handeling met van nature voorkomend radioactief materiaal niet
op de lijst voorkomt, houdt dit met andere woorden geen vrijwaring in. De ondernemer is in dat geval
dus niet per definitie vrijgesteld van de bepalingen van het controlestelsel. Indien om wat voor reden
dan ook de ondernemer of het bevoegde gezag een redelijk vermoeden heeft of kan hebben dat hetzij
de vrijstellings- en vrijgavewaarden hetzij de vergunningplichtige lozingshoeveelheden worden
overschreden, moet een en ander door de ondernemer worden nagegaan. Het kan blijken dat voor de
handelingen een kennisgeving, registratie of vergunning nodig is op grond van afdeling 3.2 van het
besluit, derhalve ook bij niet op de lijst opgenomen handelingen.
Tweede lid.
Het tweede lid is gebaseerd op artikel 3.2, vierde lid, van het besluit en vormt een nieuwe door artikel
25, derde lid, van de richtlijn vereiste bepaling.
Een ondernemer die een handeling met van nature voorkomend radioactief materiaal wil uitvoeren,
waarvoor vanuit het oogpunt van stralingsbescherming bezorgdheid bestaat dat die handeling kan
leiden tot de aanwezigheid van in de natuur voorkomende radionucliden in het water, waardoor de
kwaliteit van het drinkwater of andere blootstellingsroutes wordt of worden beïnvloed, dient daarvan
op grond van artikel 3.13, aanhef en onderdeel c, van het besluit, kennisgeving te doen. De nietlimitatieve
lijst met handelingen waarbij dit mogelijk nodig is, is in bijlage 3.1, onderdeel B, opgenomen.
Ook deze lijst werd opgesteld aan de hand van onderzoek dat door RIVM werd uitgevoerd en
gecoördineerd. Bij het opstellen van deze lijst is eveneens rekening gehouden met het overzicht van
industriële sectoren die met van nature voorkomende materialen handelingen verrichten, welk
overzicht is opgenomen in bijlage VI van de richtlijn.
Indien een handeling niet op de lijst voorkomt, houdt dit geen vrijwaring van de verplichting tot
kennisgeving of van de bepalingen van het controlestelsel in. Indien om wat voor reden dan ook de
ondernemer of het bevoegde gezag een redelijk vermoeden heeft of kan hebben dat de handelingen
kunnen leiden tot de aanwezigheid van natuurlijke bronnen in het water waardoor de kwaliteit van het
drinkwater of andere blootstellingsroutes wordt of worden beïnvloed, moet een en ander door de
ondernemer worden onderzocht. Het kan blijken dat kennisgeving van de handelingen nodig is (zie
artikel 3.2, vierde lid, en artikel 3.13, onder c, van het besluit).
111 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
§ 3.2. Vergunning, registratie en kennisgeving
Artikel 3.2 (complexvergunning)
Een complexvergunning is in bijlage 1 van het besluit gedefinieerd als: vergunning als bedoeld in
artikel 3.4, vierde lid, voor omvangrijke handelingen of handelingen die een uitgebreide bescherming
tegen ioniserende straling vereisen. In artikel 3.4, vierde lid, van het besluit is bepaald dat indien
binnen een locatie, onder verantwoordelijkheid van een ondernemer, meerdere handelingen plaatsvinden
die tot verschillende in artikel 3.8 of 3.10 van het besluit genoemde categorieën van handelingen
behoren, in afwijking van het eerste lid van artikel 3.4 een vergunning voor het geheel van die
handelingen is vereist, waarbij de zwaarste bron bepalend is voor de op de aanvraag van toepassing
zijnde procedure. Verder wordt in artikel 3.4, vierde lid, van het besluit bepaald dat de minister met het
oog op een goede uitvoering nadere regels kan stellen en kan bepalen dat in daarbij aangewezen
gevallen een complexvergunning wordt verleend. Op grond van die bepaling zijn in artikel 3.2 de
gevallen aangewezen waarin een complexvergunning is vereist. Deze is verplicht indien in verschillende
organisatieonderdelen van de onderneming of op verschillende locaties door de ondernemer
verschillende handelingen met in totaal meer dan 100 bronnen worden verricht (onderdeel a). Daarbij
zal veelal sprake zijn van diversiteit van de bronnen of van de handelingen. Daarnaast is een complexvergunning
verplicht in overige specifieke door de Autoriteit bij de aanvraag om een vergunning
aangewezen gevallen, waarin sprake is van een qua risico’s vergelijkbaar complex van handelingen (te
weten indien een ondernemer naar het oordeel van de Autoriteit handelingen verricht die qua
complexiteit en risico vergelijkbaar zijn met de handelingen samenhangend met het hiervoor
genoemde complexvergunning vereiste) (onderdeel b). De Autoriteit kan met andere woorden bij een
vergunningaanvraag bepalen dat een complexvergunning moet worden aangevraagd. Deze beslissing
is niet zelfstandig vatbaar voor bezwaar of beroep. Het betreft een beslissing inzake de procedure ter
voorbereiding van een beschikking welke op grond van artikel 6.3 van de Algemene wet bestuursrecht
niet vatbaar is voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te
bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.
In de hier bedoelde gevallen kan tevens de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid
worden vereist (zie artikel 5.28).
Artikel 3.3 (aanwijzing van gevallen waarin bij een aanvraag om een vergunning gegevens
m.b.t. een beveiligingsplan, bedrijfsnoodplan of beëindigingsplan dienen te worden
verstrekt)
In artikel 3.3 wordt geregeld in welke gevallen bij een aanvraag om een vergunning gegevens met
betrekking tot een beveiligingsplan, bedrijfsnoodplan of beëindigingsplan dienen te worden verstrekt.
Grondslag van artikel 3.3 is artikel 3.6, derde lid, aanhef en onder e, van het besluit. De gegevens
dienen te worden verstrekt bij de aanvraag, en wel in alle gevallen waarin een beveiligingsplan,
bedrijfsnoodplan of beëindigingsplan wordt vereist (zie de artikelen 4.2 van de regeling voor het
beveiligingsplan, 6.2 voor het bedrijfsnoodplan en 10.1 voor het beëindigingsplan). In deze gevallen
wordt het gezien de aard en omvang van de risico’s en met het oog op de uitvoerbaarheid en
handhaafbaarheid noodzakelijk geacht dat bij de aanvraag om vergunning al direct de vereiste
gegevens met betrekking tot deze plannen worden overgelegd door de aanvrager.
§ 3.3. Vrijstelling en vrijgave controlestelsel
Artikel 3.4 (vrijstelling radioactieve materialen)
Algemeen.
Ten aanzien van de vrijstelling van radioactieve materialen is artikel 26 van de richtlijn van toepassing
in samenhang met de bijlage VII van de richtlijn waarin zijn opgenomen de tabellen A en B met
vrijstellingswaarden voor radionucliden.
Tabel A van bijlage VII van de richtlijn omvat de grenswaarden voor de activiteitsconcentratie voor de
vrijstelling of vrijgave van materialen die standaard op elke hoeveelheid en op elk type vast materiaal
kunnen worden toegepast (deel 1: kunstmatige radionucliden; deel 2: van nature voorkomende
radionucliden). Tabel B van bijlage VII van de richtlijn omvat vrijstellingswaarden voor de totale
activiteit (kolom 3) en vrijstellingswaarden voor de activiteitsconcentratie in matige hoeveelheden van
elk type materiaal (kolom 2). Deze laatste waarden gelden in afwijking van de desbetreffende
vrijstellingswaarden voor de activiteitsconcentratie in onbeperkte hoeveelheden materiaal in tabel A.
Artikel 26 van de richtlijn en de tabellen A en B van bijlage VII zijn geïmplementeerd in de artikelen
3.17 en volgende van het besluit, in samenhang met bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1 en deel 2,
en tabel B, van het besluit. In deze regeling zijn aanvullend vrijstellingswaarden opgenomen. Op
grond van artikel 3.17, vijfde lid, aanhef en onder a, van het besluit kunnen bij ministeriële regeling,
indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen verzet, ook voor andere radionucli-
112 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
den dan bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, van dat artikel, vrijstellingswaarden worden
vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld. Het betreft additionele
waarden voor niet in tabel A of B van bijlage 3 van het besluit genoemde radionucliden, op basis van
de totale activiteit (tabel B, kolom 3) of de activiteitsconcentratie (tabel A, deel 1 en 2). Voorts voorziet
artikel 3.17, vijfde lid, aanhef en onder b, van het besluit in de bevoegdheid om voor handelingen met
matige hoeveelheden van elk type materiaal vrijstellingswaarden vast te stellen voor andere radionucliden
dan bedoeld in het eerste lid, onder c, van dat artikel (dit betreft andere dan in bijlage 3,
onderdeel B, tabel B, van het besluit genoemde radionucliden). Een matige hoeveelheid is ten hoogste
1.000 kg dan wel een lagere door de Minister vastgestelde hoeveelheid (artikel 3.17, eerste lid, van het
besluit).
Artikel 3.4 van de regeling in samenhang met bijlage 3.2, tabel B, kolom 2, bevat de hier bedoelde
additionele vrijstellingswaarden.
Eerste lid.
Op grond van het eerste lid zijn vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie
als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit opgenomen in bijlage 3.2,
tabel A, van de regeling. Deze waarden gelden voor elke hoeveelheid en elk type materiaal.
Deze bepaling is een voortzetting van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bs in samenhang
met artikel 1.2, eerste lid, en bijlage 1.1, tabel 1, van de uitvoeringsregeling. Ten opzichte van de
radionucliden, genoemd in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, deel 1, van het besluit en de desbetreffende
vrijstellingswaarden zijn in bijlage 3.2, tabel A, van de regeling voor andere radionucliden vrijstellingswaarden
op basis van de activiteitsconcentratie, voor elke hoeveelheid, opgenomen. Krachtens artikel
3.17, vijfde lid, aanhef en onderdeel b, van het besluit gelden voor matige hoeveelheden afwijkende
waarden (zie de toelichting hieronder bij het derde lid).
De lijst met aanvullende grenswaarden die is opgenomen in bijlage 3.2, tabel A, van de regeling is tot
stand gekomen op basis van een beslissing van de Zwitserse autoriteiten. Deze aanvullende grenswaarden
werden door de Zwitserse autoriteiten vastgesteld met behulp van dezelfde methode van de
IAEA (IAEA 2004, Safety Standards Series RS-G-1.7; IAEA 2005, Safety Report Series 44) waarmee de
vrijstellings- en vrijgavewaarden werden bepaald die vanuit bijlage VII van de richtlijn zijn overgenomen
in bijlage 3, onderdeel B, tabel A van het besluit. Het onderliggende rapport waarop de vaststelling
door de Zwitserse autoriteiten is gebaseerd, werd opgesteld door Brenk Systemplanung
(Berechnung von Freigrenzen und Freigabewerten für Nuklide, für die keine Werte im IAEA-BSS
vorliegen – Enbericht, BS-projekt – nr. 1110-01, 20 – april – 2012). Dit rapport werd door het RIVM
geëvalueerd. Op basis van het door Brenk Systemplanung uitgevoerde onderzoek en de door RIVM
uitgevoerde evaluatie van dit onderzoek, is vastgesteld dat het belang van de stralingsbescherming
zich niet verzet tegen deze aanvullende vrijstellingswaarden.
Tweede lid.
Op grond van het tweede lid van artikel 3.4 zijn vrijstellingswaarden voor radionucliden op basis van
de totale activiteit als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel a, van het besluit opgenomen in
bijlage 3.2, tabel B, kolom 3 van de regeling. Deze vrijstellingswaarden voor de totale activiteit gelden
voor elke hoeveelheid.
De bepaling is een voortzetting van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bs in samenhang
met artikel 1.2, eerste lid, en bijlage 1.1, tabel 1, van de uitvoeringsregeling. In aanvulling op de
radionucliden, bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, onder a, van het besluit (opgenomen in bijlage 3,
onderdeel B, tabel B, van het besluit) zijn in bijlage 3.2, tabel B, kolom 3, van de regeling additionele
vrijstellingswaarden op basis van de totale activiteit voor andere radionucliden opgenomen. De lijst
van bijlage 3.2, tabel B, kolom 3, van de regeling bevat additionele vrijstellingswaarden voor circa 500
radionucliden die niet in bijlage 3, onderdeel B, tabel B, van het besluit zijn opgenomen. Deze
grenswaarden zijn beschreven in publicatie NRPB-R306 van de National Radiological Protection Board
(Verenigd Koninkrijk) (NRPB-UK). De berekeningen daarvan werden uitgevoerd met behulp van
dezelfde methode die werd gebruikt voor de afleiding van de vrijstellingswaarden die zijn opgenomen
in bijlage 3, onderdeel B, tabel B van het Besluit (Publicatie van de Commission of the European
Communities, Radiation Protection EU-RP-65, Principles and Methods for Establishing Concentrations
and Quantities (Exempt Values) Below which no Reporting is Required in the European Directive). Op
deze wijze zijn er, net als in de uitvoeringsregeling, vrijstellingswaarden voor in totaal circa 800
radionucliden vastgelegd in zowel het besluit als de regeling. Op basis van het genoemde onderzoek
is ook in deze gevallen vastgesteld dat het belang van de stralingsbescherming zich niet verzet tegen
deze aanvullende vrijstellingswaarden.
Derde lid.
Op grond van het derde lid zijn additionele vrijstellingswaarden voor handelingen met matige
hoeveelheden11 van elk type materiaal als bedoeld in artikel 3.17, vijfde lid, onderdeel b, van het
11 Voor het begrip ‘matige hoeveelheid’ is in artikel 3.17, eerste lid, van het besluit een bovengrens van 1.000 kg vastgesteld.
113 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
besluit opgenomen in bijlage 3.2, tabel B, kolom 2, van de regeling. Het betreft vrijstellingswaarden op
basis van de activiteitsconcentratie voor niet in bijlage 3, onderdeel B, tabel B, van het besluit
genoemde radionucliden. De lijst van bijlage 3.2, tabel B, kolom 2, is eveneens gebaseerd op de in de
toelichting op het tweede lid genoemde publicatie EU-RP-65 en het NRPB-UK-onderzoek. Op basis
daarvan is vastgesteld dat het belang van de stralingsbescherming zich niet verzet tegen deze
vrijstellingswaarden.
Artikel 3.5 (vrijgavewaarden radioactieve materialen)
Algemeen.
Ten aanzien van vrijgave is artikel 30, tweede lid, van de richtlijn van toepassing in samenhang met
tabel A van bijlage VII van de richtlijn.
Tabel A van bijlage VII van de richtlijn bevat de waarden voor de activiteitsconcentratie voor de
vrijstelling of vrijgave van materialen die standaard op elke hoeveelheid en op elk type vast materiaal
kunnen worden toegepast (deel 1: kunstmatige radionucliden; deel 2: van nature voorkomende
radionucliden).
Artikel 30, tweede lid, en tabel A van bijlage VII van de richtlijn zijn met betrekking tot vrijgavewaarden
geïmplementeerd in artikel 3.20 en volgende van het besluit in samenhang met bijlage 3, onderdeel B,
tabel A, deel 1 en deel 2 van het besluit. Op grond van artikel 3.20, vierde lid, van het besluit kunnen
voorts bij ministeriële regeling, indien het belang van de stralingsbescherming zich daar niet tegen
verzet, ook voor andere radionucliden dan bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1 of 2, van dat
artikel, vrijgavewaarden worden vastgesteld en kunnen daarmee verbonden regels worden vastgesteld.
Het betreft additionele waarden voor niet in bijlage 3, onderdeel B, tabel A, besluit, genoemde
radionucliden. Artikel 3.5, eerste lid, van de regeling voorziet hierin, onder verwijzing naar bijlage 3.2,
tabel A (die tabel bevat de vrijstellings- en vrijgavegrenzen voor elke hoeveelheid op basis van de
activiteitsconcentratie voor zowel kunstmatige als natuurlijke radionucliden).
In samenhang met artikel 3.5 zijn additionele vrijgavewaarden voor kunstmatige en natuurlijke
radionucliden op basis van de activiteitsconcentratie als bedoeld in artikel 3.20, vierde lid, van het
besluit, opgenomen in bijlage 3.2, onderdeel A. Deze waarden gelden voor elke hoeveelheid. De
bepaling is een voortzetting van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bs in samenhang met
artikel 1.2, eerste lid, en bijlage 1.1, tabel 1, van de uitvoeringsregeling. De vaststelling van deze
aanvullende grenswaarden kwam op dezelfde manier tot stand als hierboven bij de toelichting op
artikel 3.4, eerste lid, beschreven, voor de aanvullende vrijstellingswaarden op basis van de activiteitsconcentraties
voor onbeperkte hoeveelheden en elk type materiaal. Op basis van het hiervoor
genoemde, door Brenk Systemplanung en in opdracht van de Zwitserse autoriteiten uitgevoerde
onderzoek en de evaluatie van dit onderzoek door het RIVM, is vastgesteld dat het belang van de
stralingsbescherming zich niet verzet tegen deze aanvullende vrijstellingswaarden.
Hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande
blootstellingsituaties
§ 4.1. Beveiligingsplan
Paragraaf 4.1 bevat een uitwerking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit. Dit betreft regels met
betrekking tot het beveiligingsplan. Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit zorgt de
ondernemer in gevallen, behorend tot een bij regeling van de Minister aangewezen categorie, voor
een beveiligingsplan waarin wordt beschreven welke voorzieningen met betrekking tot de beveiliging
van een bron zijn getroffen. Hierbij is sprake van voortzetting van artikel 6.6 van de uitvoeringsregeling,
dat een vergunninghouder verplichtte om over een beveiligingsplan te beschikken. Op grond van
artikel 4.7, tweede lid, van het besluit staat de aanwijzing in een passende verhouding tot de aard en
zwaarte van de betrokken risico’s, overeenkomstig de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1 van
het besluit. Het voorgaande is verder uitgewerkt in artikel 4.2 en bijlage 4.1 van de regeling. Artikel 4.2
bevat de aanwijzing van categorieën vergunninghouders voor wie de verplichting tot het zorgen voor
een beveiligingsplan geldt.
Op grond van artikel 4.7, tweede lid, van het besluit kunnen bij verordening van de Autoriteit
afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en kwaliteit
van het beveiligingsplan worden gesteld. Deze eisen kunnen een plicht tot rapportage aan de
Autoriteit omvatten.
Artikel 4.1 (afbakening werkingssfeer)
De Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen verplicht vergunninghouders als
bedoeld in artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet (hierna: de wet), te beschikken over een
114 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
beveiligingsplan (artikel 1e, eerste lid, van die regeling). Dit betreft de beveiliging van splijtstoffen. De
verplichting geldt niet indien de vergunninghouder tevens een vergunninghouder als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet is en voor de desbetreffende inrichting voldaan wordt aan paragraaf 2
van de genoemde regeling. Krachtens die paragraaf gelden voor de vergunninghouder als bedoeld in
artikel 15, onder b, van de wet, specifieke regels. Ook de vervoerder dient op grond van artikel 17 van
de genoemde regeling te beschikken over een beveiligingsplan. Ook hier betreft het splijtstoffen.
Paragraaf 4.1 van deze regeling heeft geen betrekking op splijtstoffen maar op radioactieve stoffen (zie
voor het onderscheid artikel 1, eerste lid, van de wet). Met het oog op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
en helderheid voor de praktijk is dit verduidelijkt door middel van een afbakeningsbepaling
in artikel 4.1. In geval met zowel splijtstoffen als radioactieve stoffen wordt gewerkt zijn zowel deze
regeling als de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen van toepassing en kan
worden uitgegaan van één integraal beveiligingsplan.
Artikel 4.2 (aanwijzing gevallen waarin een beveiligingsplan is vereist)
Uit artikel 4.4, derde lid, van het besluit volgt een algemene zorgplicht van een ondernemer om zoveel
als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen dat een bron zoekraakt, wordt ontvreemd of ongewild wordt
verspreid; hij dient daartoe, indien zich een zodanige situatie voordoet, alle noodzakelijke maatregelen
te nemen om de bron weer onder zijn controle of beheer te brengen en een eventuele besmetting te
verwijderen of verdere blootstelling van personen te voorkomen. Het is de verantwoordelijkheid van
de ondernemer om voldoende effectieve maatregelen te treffen om adequaat te voldoen aan deze
verplichting. De term ‘redelijkerwijs mogelijk’ is opgenomen in artikel 4.4, derde lid, van het besluit,
omdat een absolute verplichting niet reëel zou zijn; het is onmogelijk om iedere vorm van diefstal en
misbruik te voorkomen.
Op grond van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit moet de ondernemer in bij regeling van de Minister
aangewezen gevallen voor een beveiligingsplan zorgen waarin wordt beschreven welke voorzieningen
met betrekking tot de beveiliging van een bron zijn getroffen. In artikel 4.2 van de regeling is deze
aanwijzing opgenomen. Deze geldt voor de ondernemer die vergunninghouder is voor het verrichten
van handelingen met categorie 1-, 2-, of 3-stoffen. Wat de vergunningplicht voor handelingen met
radioactieve stoffen betreft is op grond van artikel 29, eerste lid, van de wet in artikel 3.5 van het
besluit bepaald voor welke handelingen met die stoffen en in welke gevallen een vergunning is
vereist. De verplichting van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit om te zorgen voor een beveiligingsplan
geldt ingevolge artikel 4.2, eerste lid, van de regeling voor de ondernemer die houder is van een
vergunning voor het verrichten van handelingen met categorie 1-, 2-, of 3-stoffen. De aanwijzing van
de betrokken categorie ondernemers dient op grond van artikel 4.7, tweede lid, van het besluit, in een
passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s te staan, overeenkomstig de
graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1 van het besluit. Hierbij is uitgegaan van dezelfde criteria
als bij artikel 6.2, waar het de verplichting tot het beschikken over een bedrijfsnoodplan betreft.
Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op genoemd artikel 6.2, omdat de verplichting tot
het beschikken over een bedrijfsnoodplan en de daaraan ten grondslag liggende criteria hierin leidend
zijn. Op grond van het tweede lid van artikel 4.7 van het besluit kunnen bij verordening van de
Autoriteit afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud en
kwaliteit van het beveiligingsplan en de wijze van uitvoering ervan worden gesteld. Deze eisen kunnen
een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten. Op grond van artikel 4.7, derde lid, van het
besluit kunnen voorts aanvullend bij verordening van de Autoriteit in het belang van de stralingsbescherming
en beveiliging nadere regels worden gesteld ten aanzien van het beveiligingsplan en de
beveiliging van het voorhanden hebben van radioactieve stoffen, bestemd voor handelingen
waarvoor krachtens de wet of het besluit een vergunning is vereist.
§ 4.2. Financiële zekerheid hoogactieve bronnen
Artikel 4.3 (financiële zekerheid hoogactieve bronnen)
Op grond van artikel 4.15, eerste lid, van het besluit, stelt de ondernemer financiële zekerheid ter
dekking van de kosten van het nakomen van de voor hem geldende verplichtingen met betrekking tot
het veilig afvoeren van een afgedankte hoogactieve bron voor het geval:
a. hij failliet gaat of anderszins zijn bedrijfsactiviteiten beëindigt, of
b. degene met wie een overeenkomst was gesloten om de afgedankte hoogactieve bron af te nemen,
niet meer tot die afname in staat is.
Op grond van het derde lid van dat artikel wordt bij ministeriële regeling een minimumbedrag
vastgesteld waarvoor per volume-eenheid af te voeren bron, de daarbij behorende bronhouder en de
vaste afscherming financiële zekerheid wordt gesteld. Artikel 4.3 van de regeling bevat dit minimumbedrag.
Het in dit artikel vastgestelde bedrag komt overeen met de kosten die verbonden zijn aan het
115 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
laten afvoeren van een hoogactieve bron door en naar COVRA. Relevant voor de kosten is het volume
van het af te voeren materiaal. De COVRA houdt bij het bepalen van het volume ook rekening met het
volume van de meegeleverde bronhouder en eventuele vaste afschermingen, omdat de hoogactieve
bron inclusief deze afschermingen wordt verwerkt. Daarom dient voor de berekening van het volume
af te voeren bronnen daarvan te worden uitgegaan.
In de uitvoeringsregeling was het bedrag voor financiële zekerheid van hoogactieve bronnen
vastgesteld op ! 120 per dm3, dit bedrag was ongewijzigd overgenomen uit de oorspronkelijke
regeling12. Omdat gebleken is dat het in 2006 vastgestelde bedrag thans niet meer toereikend is om
afvoer van een hoogactieve bron door en naar de COVRA te laten verzorgen, is het minimumbedrag
geactualiseerd en verhoogd tot ! 175 per dm3.
Hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid
Afd. 5.1. Stralingsbeschermingsdeskundigen
§ 5.1.1. Eisen deskundigheid en opleiding
Artikel 5.1 (vereist niveau van deskundigheid)
In artikel 5.1 wordt in algemene zin bepaald voor welke soort handelingen, maatregelen of blootstellingsituaties
welk niveau van deskundigheid van een stralingsbeschermingsdeskundige is vereist.
Grondslag is artikel 5.4, derde lid, van het besluit. Naast die bepaling zijn specifieke bepalingen van de
hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 van het besluit met betrekking tot de stralingsbeschermingsdeskundige van
toepassing (zie artikel 5.4, eerste lid, van het besluit).
In artikel 5.1 van de regeling betreft het de vereiste deskundigheid van een stralingsbeschermingsdeskundige
voor handelingen waarvoor een vergunning, registratie of kennisgeving is vereist dan wel
voor maatregelen of blootstellingsituaties waarvoor een kennisgeving is vereist.
Voor de in onderdeel a bedoelde handelingen is ten minste deskundigheid op het niveau van een
stralingsbeschermingsdeskundige met een opleiding tot algemeen coördinerend deskundige
(overeenkomstig artikel 5.2) vereist. Dit betreft omvangrijke risicovolle handelingen of risicovolle
handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende straling vereisen en waarvoor een
complexvergunning als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het besluit is vereist (onder 1°), voor
handelingen waarvoor overeenkomstig artikel 5.29 een stralingsbeschermingseenheid wordt vereist
(onder 2°) of voor door de Autoriteit bij beschikking of verordening aangewezen specifieke handelingen
met een aanmerkelijk risico (onder 3°).
Voor overige handelingen, maatregelen en blootstellingsituaties is deskundigheid op ten minste het
niveau van een stralingsbeschermingsdeskundige met een opleiding tot coördinerend deskundige
(overeenkomstig artikel 5.4) vereist (onderdeel b).
Afdeling 5.5 bevat bepalingen met een verdere uitwerking en toedeling van deskundigheid per
categorie toepassingen.
Artikel 5.2 (eisen stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige)
Artikel 5.2, eerste lid, bevat een regeling met betrekking tot de vereiste deskundigheid van een
stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van een algemeen coördinerend deskundige (als
bedoeld in artikel 5.1, onderdeel a). Aan de eisen met betrekking tot kennis, vaardigheden en
bekwaamheden van een algemeen coördinerend deskundige wordt voldaan indien met goed gevolg
een opleiding tot algemeen coördinerend deskundige bij een krachtens artikel 5.11 van het besluit
erkende instelling is gevolgd en de deskundige beschikt over de kerncompetenties en overige
kwalificaties van bijlage 5.1, onderdeel B (voorheen bijlage 3.1, onderdeel B, van de uitvoeringsregeling).
Grondslag voor artikel 5.2 is artikel 5.5, derde lid, van het besluit.
Het tweede lid verwijst voor het bepaalde in artikel 5.6 van het besluit met betrekking tot gelijkwaardige
competenties en kwalificaties (in het kader van de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties) naar paragraaf 5.1.3 van de regeling. Overeenkomstig het bepaalde in de
Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de op grond van artikel 33 van die wet in
paragraaf 5.1.3 opgenomen regels dient te worden aangetoond dat sprake is van gelijkwaardige
competenties en overige kwalificaties.
12 Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 2 mei 2006, nr. SAS/2005218535, houdende enige bepalingen met betrekking tot hoogactieve
bronnen, Stcrt 15 juni 2006, nr. 114 (vervallen per 1 januari 2014).
116 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.3 (eisen opleiding stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige)
Artikel 5.3 is met bijlage 5.1, onderdeel B, een voortzetting van artikel 3.14 en bijlage 3.1, onderdeel B,
van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.11, derde lid, van het besluit. Dit artikel met de
bijbehorende bijlage bevatten de eisen waaraan een opleiding bij een erkende instelling tot stralingsbeschermingsdeskundige
op het niveau van algemeen coördinerend deskundige moet voldoen. Deze
opleiding voorziet cursisten van de kerncompetenties en overige kwalificaties zoals opgenomen in
bijlage 5.1, onderdeel B, van de regeling. Met ‘faciliteiten’ wordt hier en in de overige artikelen van
deze paragraaf bedoeld voorzieningen als een cursusprogramma, ruimten (binnen en buiten) voor
theorie- en practicumlessen, een cursusadministratie en een documentenbeheersysteem.
Artikel 5.4 (eisen stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend
deskundige)
Artikel 5.4 bevat een regeling van de vereiste deskundigheid van een stralingsbeschermingsdeskundige
op het niveau van coördinerend deskundige als bedoeld in artikel 5,1, onderdeel b. Aan de
eisen met betrekking tot kennis, vaardigheden en bekwaamheden van een coördinerend deskundige
wordt voldaan indien (met goed gevolg) een opleiding tot coördinerend deskundige bij een krachtens
artikel 5.11 van het besluit erkende instelling is gevolgd en de deskundige beschikt over de kerncompetenties
en overige kwalificaties van bijlage 5.1, onderdeel C (voorheen bijlage 3.1, onderdeel C, van
de uitvoeringsregeling). Grondslag voor artikel 5.4 is artikel 5.5, derde lid, van het besluit.
Het tweede lid verwijst voor het bepaalde in artikel 5.6 van het besluit met betrekking tot gelijkwaardige
competenties en overige kwalificaties (in het kader van de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties) naar paragraaf 5.1.3 van de regeling. Overeenkomstig het bepaalde in de
Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de op grond van artikel 33 van die wet in
paragraaf 5.1.3 opgenomen regels dient te worden aangetoond dat sprake is van gelijkwaardige
competenties en overige kwalificaties.
Artikel 5.5 (eisen opleiding stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van
coördinerend deskundige)
Artikel 5.5 met bijlage 5.1, onderdeel C, is een voortzetting van artikel 3.15 en bijlage 3.1, onderdeel C,
van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.11, derde lid, van het besluit. Dit artikel met de
bijbehorende bijlage bevatten de eisen waaraan een opleiding aan een erkende instelling tot stralingsbeschermingsdeskundige
op het niveau van coördinerend deskundige moet voldoen. Deze opleiding
voorziet cursisten van de kerncompetenties en overige kwalificaties zoals opgenomen in bijlage 5.1,
onderdeel C.
§ 5.1.2. Registratie (inschrijving register, herregistratie of buitengewone registratie)
De in deze paragraaf gestelde registratie-eisen voor stralingsbeschermingsdeskundigen borgen dat
deze deskundigen aantoonbaar blijven voldoen aan de gestelde vakbekwaamheidseisen. Bij de
beoordeling van de registratieaanvraag zijn de genoten opleiding, de mate van werkervaring en de
mate van de genoten bij- en nascholing met name van belang. Er wordt onderscheid gemaakt tussen
een registratie, een herregistratie en een buitengewone registratie. De registratie is eenmalig en kent
een duur van vijf jaar. Binnen dit tijdvak dient de stralingsbeschermingsdeskundige te voldoen aan de
criteria voor een herregistratie. Het is mogelijk dat een stralingsbeschermingsdeskundige na de
registratieperiode van vijf jaar niet aan alle eisen voldoet om de registratie via een herregistratie te
verlengen. In dat geval zal deze stralingsbeschermingsdeskundige alleen geregistreerd kunnen
worden door middel van een buitengewone registratie. Bij de aanvraag voor buitengewone registratie
zal worden getoetst of de stralingsbeschermingsdeskundige beschikt over de kerncompetenties en
overige kwalificaties die horen bij het vereiste deskundigheidsniveau. De buitengewone registratie
kent een duur van maximaal vijf jaar. Na afloop van deze periode wordt de stralingsbeschermingsdeskundige
geacht te kunnen voldoen aan de reguliere eisen die met het oog op een herregistratie
worden gesteld. In de praktijk zal een persoon die voor de eerste keer als stralingsbeschermingsdeskundige
erkend wil worden, starten met een registratie. De voorwaarden voor registratie, buitengewone
registratie en herregistratie als stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van (algemeen)
coördinerend deskundige zijn opgenomen in deze paragraaf.
Artikel 5.6 (registratie)
Artikel 5.6 vormt een voortzetting van artikel 3.2 van de uitvoeringsregeling, dat algemene bepalingen
bevatte met betrekking tot de (her)registratie of buitengewone registratie door de Minister. Deze taak
is overgegaan op de Autoriteit. Grondslag van artikel 5.6 is artikel 5.5, derde lid, van het besluit.
117 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.7 (criteria voor registratie)
Artikel 5.7 vormt een voortzetting van artikel 3.3 van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.5,
derde lid, van het Besluit. Artikel 3.3 van de uitvoeringsregeling bevatte vereisten met betrekking tot
registratie van een (algemeen) coördinerend stralingsbeschermingsdeskundige door de Minister. Deze
taak is zoals hiervoor toegelicht overgegaan op de Autoriteit. In paragraaf 2.2 van het algemeen deel
van de toelichting, bij de beschrijving van hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.2, wordt verder ingegaan op de
systematiek van (her)registratie en buitengewone registratie. Kortheidshalve wordt daarnaar
verwezen.
Artikel 5.8 (criteria voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het
niveau van algemeen coördinerend deskundige)
Artikel 5.8 vormt met bijlage 5.1, onderdeel A, een voortzetting van artikel 3.4 met bijlage 3.1,
onderdeel A, van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.5, derde lid, van het besluit. Artikel 3.4
van de uitvoeringsregeling bevatte criteria (vereisten) voor de herregistratie van een algemeen
coördinerend deskundige. In de formulering van artikel 5.8 is verduidelijkt dat het om vereisten gaat.
Toegevoegd is de mogelijkheid om te beschikken over een ondernemersverklaring in geval een ZZP’er
herregistratie wil aanvragen, om aan te tonen dat de aanvrager het vereiste aantal uren werkzaam is
geweest binnen het toepassingsgebied.
Artikel 5.9 (criteria voor herregistratie van een stralingsbeschermingsdeskundige op het
niveau van coördinerend deskundige)
Artikel 5.9 vormt met bijlage 5.1, onderdeel A, een voortzetting van artikel 3.5 en bijlage 3.1, onderdeel
A, van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.5, derde lid, van het besluit. Artikel 3.5 van de
uitvoeringsregeling bevatte criteria (vereisten) voor de herregistratie van een coördinerend deskundige.
In de formulering van artikel 5.9 is verduidelijkt dat het om vereisten gaat. Toegevoegd is ook
hier de mogelijkheid om te beschikken over een ondernemersverklaring in geval een ZZP’er herregistratie
wil aanvragen om aan te tonen dat de aanvrager het vereiste aantal uren werkzaam is geweest
binnen het toepassingsgebied.
Artikel 5.10 (criteria voor buitengewone registratie van een
stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen coördinerend deskundige)
Artikel 5.10 vormt met bijlage 5.1, onderdeel B, een voortzetting van artikel 3.6 met bijlage 3.1,
onderdeel B, van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.5, derde lid, van het besluit. Artikel 3.6
van de uitvoeringsregeling bevatte criteria (vereisten) voor de buitengewone registratie van een
algemeen coördinerend deskundige. In de formulering van artikel 5.10 is verduidelijkt dat het om
vereisten gaat.
Artikel 5.11 (criteria voor buitengewone registratie van een
stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van coördinerend deskundige)
Artikel 5.11 vormt met bijlage 5.1, onderdeel C, een voortzetting van artikel 3.7 en bijlage 3.1,
onderdeel C, van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.5, derde lid, van het besluit. Artikel 3.7
van de uitvoeringsregeling bevatte criteria (vereisten) voor de buitengewone registratie van een
coördinerend deskundige. In de formulering van artikel 5.11 is verduidelijkt dat het om vereisten gaat.
§ 5.1.3. Erkenning EU-beroepskwalificaties
Paragraaf 5.1.3 van de regeling dient ter uitvoering van de Algemene wet erkenning
EU-beroepskwalificaties (hierna: de algemene wet). Deze wet is met ingang van 21 december 2007 in
werking getreden en was noodzakelijk in verband met de implementatie van de op 7 september 2005
vastgestelde richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie nr. 2005/36/EG
betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255). Deze richtlijn (hierna: de
richtlijn beroepskwalificaties) heeft tot doel de grensoverschrijdende toegang tot gereglementeerde
beroepen in EU-lidstaten te vergemakkelijken door te waarborgen dat EU-onderdanen die hun
beroepskwalificaties in een lidstaat hebben behaald, toegang hebben tot hetzelfde gereglementeerde
beroep in een andere lidstaat en dit beroep kunnen uitoefenen met dezelfde rechten als de onderdanen
van die andere lidstaat.
Artikel 33, eerste lid, van de algemene wet geeft de opdracht per gereglementeerd beroep nadere
regels stellen. In paragraaf 5.1.3 van de onderhavige regeling worden nadere regels gesteld ten
aanzien van de aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning, de stukken die bij die aanvraag dienen
te worden gevoegd, alsmede ten aanzien van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid en
de wijze waarop deze worden beoordeeld. Voor het geval een migrerende beroepsbeoefenaar tijdelijk
118 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
of incidenteel diensten wil verrichten, worden nadere regels gesteld ten aanzien van de documenten,
bedoeld in artikel 23 van de algemene wet. In verband met paragraaf 5.1.3 wordt een aantal voor deze
regeling relevante onderwerpen uit de richtlijn en de algemene wet hier meer uitgebreid toegelicht:
a. Stralingsbeschermingsdeskundige gereglementeerde beroepen
De richtlijn beroepskwalificaties heeft betrekking op zogenaamde gereglementeerde beroepen. Dit
is een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waarvoor geldt dat de
toegang daartoe of de uitoefening daarvan krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen
direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. Het
beroep van stralingsbeschermingsdeskundige wordt hiervan afhankelijk gesteld. Op grond van de
wet en het besluit zijn alleen personen die aan die wet en het besluit voldoen, bevoegd de
genoemde functie uit te oefenen.
b. Elders verkregen beroepskwalificaties
Op grond van de definitie van ‘betrokken staat’ (in artikel 1 van de algemene wet), heeft de
erkenning van beroepskwalificaties slechts betrekking op beroepskwalificaties die zijn verkregen in
een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende
de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.
c. De erkenning van beroepskwalificaties
De erkenning van de betreffende opleidingen tot stralingsbeschermingsdeskundige valt onder het
zogenaamde algemene stelsel. Kenmerk van dit algemene stelsel is dat dit is gebaseerd op
wederzijdse erkenning van diploma’s zonder voorafgaande harmonisatie van studieprogramma’s.
Erkenning vindt plaats nadat de bevoegde autoriteit van het ontvangende land de kwalificaties van
de migrerende beroepsbeoefenaar heeft vergeleken met de vereiste kwalificaties van de lidstaat
van herkomst. Dit systeem is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de algemene wet. Indien bovendien
het beroep in de lidstaat van herkomst net als in Nederland is gereglementeerd moet, om in
aanmerking te kunnen komen voor erkenning, de beroepskwalificatie van de beroepsbeoefenaar
ten minste gelijk zijn aan het niveau direct onder het niveau dat in het ontvangende land wordt
gevraagd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 5.14 tot
en met 5.18 van de regeling.
d. Tijdelijke en incidentele dienstverrichting
Wat betreft de procedure bij tijdelijke en incidentele dienstverrichting gaat de richtlijn uit van een
flexibel regime. De richtlijn maakt het mogelijk dat iedere burger van de EU die rechtmatig is
gevestigd in een lidstaat, tijdelijk en incidenteel in een andere lidstaat diensten kan verrichten
zonder dat hij om erkenning van zijn beroepskwalificaties hoeft te vragen. Artikel 23 van de
algemene wet geeft de Minister echter wel de mogelijkheid te bepalen dat de tijdelijke dienstverrichter
bepaalde stukken overlegt alvorens aan de eerste dienstverrichting in Nederland te
beginnen. In artikel 5.20 van de regeling wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Immers
een stralingsbeschermingsdeskundige moet borg staan voor de stralingsbescherming bij de
handelingen waarbij hij door de ondernemer moet worden betrokken. Daarvoor is een langdurige
opleiding vereist. Een ondernemer die een advies van een stralingsbeschermings-deskundige
ontvangt moet ervan op aan kunnen dat deze persoon de omstandigheden kent en over voldoende
kennis en ervaring beschikt om de desbetreffende handeling veilig te kunnen verrichten. Omdat
het voor een tijdelijke of incidentele dienstverrichter nauwelijks mogelijk is hieraan op afdoende
wijze te kunnen voldoen, worden in artikel 5.20 aanvullende eisen gesteld met betrekking tot
stukken die een dergelijke dienstverlener dient te overleggen, alvorens een dienst te mogen
verrichten. Omdat het beroep van stralingsbeschermingsdeskundige is opgenomen in de (op
artikel 27, eerste lid, van de algemene wet gebaseerde) Regeling vaststelling lijst gereglementeerde
beroepen, mogen deze stukken voorafgaande aan de eerste dienstverrichting worden
gecontroleerd.
In verband met de implementatie van Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad
van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties
en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het
Informatiesysteem interne markt (‘de IMI-verordening’) (Pb EU L 316) (hierna: de wijzigingsrichtlijn) is
de bovengenoemde algemene wet gewijzigd13. De wijzigingen zijn op 18 januari 2016 van kracht
geworden. Deze zijn verwerkt in paragraaf 5.1.3 van de regeling.
13 Wet van 2 december 2015 tot wijziging van onder meer de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in verband met de
implementatie van Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot
wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende
de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (‘de IMI-verordening’) (Stb. 2015, 478).
119 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 5.12 (begrippen)
In artikel 5.12 worden de begrippen gedefinieerd die in deze paragraaf worden gebruikt en die
gebaseerd zijn op de algemene wet.
Artikel 5.13 (aanvraag)
Dit artikel regelt, door de verwijzing naar artikel 13, eerste lid van de algemene wet, welke stukken bij
de aanvraag voor een erkenning van beroepskwalificaties moeten worden overgelegd. Het betreft
onder meer een bewijs van nationaliteit, zo nodig een verblijfsvergunning (of vergelijkbaar bewijs),
bekwaamheidsattesten of opleidingstitels en bewijzen van opgedane beroepservaring.
Artikelen 5.14 tot en met 5.18 (aanpassingsstage, proeve van bekwaamheid en afwijzen
aanvraag)
Op grond van de aanvraag wordt beoordeeld in hoeverre aan de Nederlandse eisen wordt voldaan.
Indien de aanvrager daaraan niet geheel voldoet of niet aantoont dat hij daaraan zou voldoen, wordt
hij in de gelegenheid gesteld om door middel van een aanpassingsstage de ontbrekende ervaring op
te doen of door middel van een proeve van bekwaamheid aan te tonen dat hij de vereiste beroepsbekwaamheid
bezit. Het wordt aan de betrokken aanvrager overgelaten voor welk instrument hij kiest. In
de onderhavige artikelen is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de daarvoor geldende eisen voor
de reguliere opleidingen stralingsbeschermingsdeskundige. Hieraan moet nog wel toegevoegd dat de
aanpassingsstage ten hoogste drie jaar mag duren (artikel 11, eerste lid, van de algemene wet). Het
voorgaande neemt overigens niet weg dat betrokkene in geval er nadien voor het betreffende beroep
of de betreffende functie doorlopende opleidingsverplichtingen gelden om zijn kennis up-to-date te
houden, ook deze aanvullende opleiding zal moeten gaan volgen om bevoegd te blijven het beroep of
de functie uit te oefenen.
Door de als gevolg van de eerdergenoemde wetswijziging nieuwe leden vijf tot en met acht van artikel
11 van de algemene wet zijn de gronden waarop een migrerende beroepsbeoefenaar geen keuze
wordt gelaten tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid, bij een verschil tussen
genoten en in Nederland vereiste kennis, vaardigheden en competenties, uitgebreid. Deze uitbreiding
is ook relevant voor het beroep van stralingsbeschermingsdeskundige en daarom verwerkt in artikel
5.14 van de regeling. Daardoor is het ook mogelijk dat van een migrerende beroepsbeoefenaar zowel
een aanpassingsstage als een proeve van bekwaamheid kan worden verlangd.
Op grond van artikel 5.17 van de regeling kunnen de aan een aanpassingsstage of proeve van
bekwaamheid verbonden kosten en ook overige aan de aanvraag verbonden kosten bij de aanvrager
in rekening worden gebracht (zie artikel 33, derde lid, van de algemene wet). Omdat een aanvraag van
erkenning van beroepskwalificaties maatwerk is, zal steeds per aanvraag moeten worden bepaald wat
de daaraan verbonden kosten zullen zijn.
Artikel 5.19 (intrekken afgegeven erkenning EU-beroepskwalificatie)
Dit artikel biedt de mogelijkheid op te treden tegen fraude.
Artikel 5.20 (tijdelijke en incidentele dienstverrichting)
Zie de toelichting bij paragraaf 5.1.3, onder d.
Artikel 5.21 (informatieplichten IMI)
Een nieuw onderdeel in de algemene wet is het zogenaamde waarschuwingsmechanisme (zie de
artikelen 31a tot en met 31c van de algemene wet). De Minister die het aangaat moet, indien een
migrerende beroepsbeoefenaar is veroordeeld vanwege het gebruik van valse beroepskwalificaties bij
zijn aanvraag om erkenning, hiervan melding doen in het Europese IMI-systeem. Hierdoor worden ook
de autoriteiten in andere lidstaten geïnformeerd over het gebruik van valse kwalificaties. Voor de
Autoriteit is slechts artikel 31b van de algemene wet relevant. In het eerste lid van artikel 5.21 van de
regeling wordt bepaald dat de Autoriteit, de Minister (in de praktijk de inspecteur-generaal van de
Inspectie Leefomgeving en Transport, ILT) en de Minister wie het aangaat zo spoedig mogelijk
informeert over personen die zijn veroordeeld wegens het gebruik van valse beroepskwalificaties. De
Minister van IenW of Minister wie het aangaat zal hiervan melding doen in het IMI. Omgekeerd zal de
Minister van IenW of de Minister wie het aangaat de Autoriteit informeren nadat een melding is
ontvangen van het gebruik van valse beroepskwalificaties in een andere lidstaat. In het tweede lid van
artikel 5.21 is een algemene informatieverplichting opgenomen voor de Autoriteit. Een dergelijke
verplichting is nodig omdat aan de EU steeds informatie zal moeten worden verstrekt in verband met
de uitvoering van de wijzigingsrichtlijn.
120 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Afdeling 5.2. Toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
Artikel 5.22 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend medewerker
stralingsbescherming)
Artikel 5.22 bevat eisen met betrekking tot de deskundigheid en opleiding van een toezichthoudend
medewerker stralingsbescherming. Onderscheid is gemaakt naar negen categorieën toepassingen,
met uitwerking in bijlage 5.2 van de eindtermen behorend bij deze toepassingen. De eindtermen voor
de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming medische toepassingen zijn daarbij primair
bedoeld voor de medewerker die toezicht houdt op toepassingen met medisch-beeldvormende
röntgenapparatuur ten einde werknemer en omgeving tegen de nadelige gevolgen van ioniserende
straling bij radiologische toepassingen te beschermen en daarmee – indirect – ook de patiënt
beschermt.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming tandheelkunde basis zijn
daarbij primair bedoeld voor de tandarts, met inbegrip van de tandheelkundig specialist kaakchirurg,
onder wiens verantwoordelijkheid patiënten worden blootgesteld aan ioniserende straling en die
toezicht houdt op handelingen met röntgenapparatuur in de tandheelkundige praktijk.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming ConeBeam CT zijn daarbij
primair bedoeld voor een tandarts of een tandheelkundig specialist kaakchirurg onder wiens medische
verantwoordelijkheid patiënten worden blootgesteld aan de ioniserende straling van een ConeBeam
CT en die op deze handelingen toezicht houdt.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming diergeneeskunde zijn
daarbij primair bedoeld voor dierenartsen onder wiens verantwoordelijkheid röntgenopnamen
worden gemaakt bij dieren en die op deze handelingen toezicht houden.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming splijtstofcyclus zijn daarbij
primair bedoeld voor degene die de taken van de toezichthoudend medewerker binnen de nucleaire
industrie en bij vergunninghouders waar handelingen met splijtstof worden uitgevoerd, verricht.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming verspreidbare radioactieve
stoffen zijn primair bedoeld voor de taken van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming
die op of in nabijheid werkt van een radionuclidenlaboratorium. Deze eindtermen zijn onderverdeeld
in drie niveaus (niveau-B, niveau-C en niveau-D), waarbij is aangesloten bij de grenzen van de
richtlijn radionuclidenlaboratoria14. In deze eindtermen zijn tevens de eindtermen voor het toezicht op
meet- en regelbronnen opgenomen omdat in radionuclidenlaboratoria veelal ingekapselde ijk- en/of
kalibratiebronnen aanwezig zijn.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming voor handelingen met van
nature voorkomende radioactief materiaal zijn primair bedoeld voor toezichthoudend medewerkers in
de industrie waar handelingen worden verricht met van nature voorkomende stoffen. In bijlage 3.1
van de regeling is een aanwijzing opgenomen van handelingen met van nature voorkomend radioactief
materiaal.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming versnellers zijn primair
bedoeld voor degene die de taken van de toezichthoudend deskundige verricht bij versnellers en bij
de handelingen met in de versneller bestraalde materialen of isotopen tot aan het transport naar het
radionuclidenlaboratorium voor verdere verwerking. Dit betekent dat deze toezichthoudend medewerker
naast kennis van versnellers ook kennis, vaardigheden en competenties op het gebied van
verspreidbare radioactieve stoffen moet hebben. Naast de eindtermen voor verspreidbare radioactieve
stoffen moet daarom een extra competentie versnellers verworven worden zoals is weergegeven in
bijlage 5.2, onderdeel G.
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming industriële radiografie zijn
primair bedoeld voor de taken van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming binnen de
industriële radiografie. Industriële radiografie omvat naast het niet-destructief onderzoek, ook de
productbewerking zoals bijvoorbeeld voedseldoorstraling en exploratieonderzoek (zoals gebruikelijk in
de olie- en gasindustrie).
De eindtermen voor de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming meet- en regeltoepassin-
14 Richtlijn Radionucliden-laboratoria, Ministerie van VROM, Hoofdinspectie Milieuhygiëne, Publicatie 94-02, 1994 – ingetrokken in
2002; relevante delen zijn in veel vergunningen opgenomen.
121 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
gen zijn primair bedoeld voor medewerkers die toezicht houden op toepassingen van ioniserende
straling voor meet- en regeldoeleinden.
Voor toepassingen die niet zijn opgenomen in de negen onderscheiden categorieën wordt de best
passende categorie aangewezen al dan niet aangevuld met toepassingsspecifieke na- en bijscholing.
De bepalingen zijn gebaseerd op artikel 5.7, zesde lid, van het besluit.
Afdeling 5.3 Eisen aan opleidingen voor medisch-radiologische handelingen
Artikel 5.23 (eisen aan opleidingen voor medisch-radiologische handelingen)
Artikel 5.23 bevat met bijlage 5.3 een uitwerking van de eisen aan opleidingen voor medischradiologische
handelingen met betrekking tot de kerncompetenties en overige kwalificaties. De eisen
aan die opleidingen dienen te worden onderscheiden van de eisen aan de zorgprofessionals zelf. Deze
laatste zijn opgenomen in de desbetreffende regelgeving van de Minister voor Medische Zorg
waaronder de Regeling stralingsbescherming medische blootstelling.
De eisen ten aanzien van de opleidingen zijn opgenomen in:
– het tweede lid juncto bijlage 5.3, onderdeel A (voor medisch specialisten),
– het derde lid juncto bijlage 5.3, onderdeel B (voor radiotherapeuten-oncoloog) en
– het vierde lid juncto bijlage 5.3, onderdeel C (voor radiologen).
Artikel 5.23 met bijlage 5.3, onderdelen A tot en met C, bouwt voort op artikel 3.20 en bijlage 3.3,
onderdelen A tot en met E, van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.14, vierde lid, van het
besluit. De opleidingsverplichting is opgenomen in artikel 8.4, derde lid, van het besluit.
Artikel 5.24 (eisen aan opleidingen voor medisch-radiologische handelingen, vervolg)
Artikel 5.24 met bijlage 5.3, onderdelen A tot en met C, bevat de tevens eisen ten aanzien van
opleidingen voor medisch-radiologische handelingen waar het betreft de faciliteiten, kwaliteitsborging
examens en diploma’s enzovoorts. Grondslag zijn de artikelen 5.11, derde lid, en 5.14, vierde lid, van
het besluit.
Afdeling 5.4. Kwaliteitsborging erkende instellingen
Artikel 5.25 (eisen procedures en examens).
Artikel 5.25 omvat de eisen die gesteld worden aan procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging
van de examens. Het omvat hetgeen in het examenreglement moet zijn opgenomen evenals de
verplichting tot het opstellen van een examenverslag, het kenbaar maken van het reglement aan de
examenkandidaten en de termijnen voor het bewaren en de inzage van examens. Artikel 5.25 vormt
een voortzetting van artikel 3.21 van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.11, derde lid, van
het besluit.
Artikel 5.26 (eisen procedures en diploma’s)
Artikel 5.26 vormt een voortzetting van artikel 3.22 van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel
5.11, derde lid, van het besluit. Artikel 5.26 bevat de eisen die gesteld worden aan de procedures ten
behoeve van de kwaliteitsborging van diploma’s, waaronder het vaststellen van een modeldiploma, de
ondertekening van diploma’s en de beschikking over een actueel administratiesysteem.
Afdeling 5.5. Organisatie deskundigheid
§ 5.5.1 Organisatie algemeen
Artikel 5.27 (verplichtingen ondernemer)
Artikel 5.27 omvat een nadere uitwerking van de verplichting van artikel 5.7 van het besluit, met name
ten aanzien van de mandatering van de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming en de
rapportageverplichting. De bepaling is een gedeeltelijke voorzetting van artikel 4.3 van de uitvoeringsregeling.
Artikel 5.28 (vereiste aanwezigheid stralingsbeschermingseenheid)
Artikel 5.28 is een voortzetting van artikel 2.2 van de uitvoeringsregeling. Grondslag is artikel 5.9,
122 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
eerste lid, van het besluit. Daarin wordt bepaald dat bij regeling van de Minister soorten ondernemingen
of locaties kunnen worden aangewezen waar zeer diverse of omvangrijke handelingen worden
uitgevoerd of handelingen die een uitgebreide bescherming tegen ioniserende straling vereisen,
waarin de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist. Daartoe behoren volgens
dat lid in elk geval gevallen waarin op grond van artikel 3.4, vierde lid, van het besluit een complexvergunning
is vereist. Bij de regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de taken,
bevoegdheden en werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid, het op peil blijven van de
expertise van de eenheid en de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige in die eenheid.
In het eerste lid van artikel 5.28 van de regeling worden in de eerste plaats als ondernemingen of
locaties waarbinnen de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid is vereist, aangewezen
de gevallen waarin krachtens artikel 3.2 een complexvergunning wordt vereist. Deze is vereist in een
onderneming en op locaties, indien in verschillende organisatieonderdelen of op verschillende
locaties, door de ondernemer verschillende handelingen met in totaal meer dan 100 bronnen worden
verricht, dan wel in naar het oordeel van de Autoriteit vergelijkbare gevallen.
In het tweede lid van artikel 5.28 is deze verplichting gekoppeld aan inrichtingen als bedoeld in artikel
15, onder b, van de wet, waarop het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen van toepassing is
(grondslag van deze bepaling is artikel 18 van het Bkse).
In het derde lid is deze verplichting gekoppeld aan overeenkomstige handelingen met een naar het
oordeel van de Autoriteit vergelijkbaar, aanmerkelijk risico.
Artikel 5.29 (nadere regels taken, bevoegdheden en werkwijze
stralingsbeschermingseenheid)
Artikel 5.29 is een ongewijzigde voortzetting van artikel 2.3 van de uitvoeringsregeling. Grondslag is
artikel 5.9, eerste lid, laatste volzin, van het besluit. Een interne regeling stralingshygiëne als bedoeld
in artikel 2.3 van de uitvoeringsregeling geldt als een interne regeling stralingsbescherming zoals
vereist door artikel 5.30. Inhoudelijk is er geen verschil. Artikel 5.29 regelt wat de ondernemer moet
vastleggen ten aanzien van een stralingsbeschermingseenheid. De interne regeling van de ondernemer
wordt beoordeeld bij de vergunningverlening. Deze bepalingen moeten waarborgen dat de
ondernemer middels de stralingsbeschermingseenheid voldoende aandacht kan besteden aan
stralingsbescherming.
Artikel 5.30 (taken stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau van algemeen
coördinerend deskundige in de stralingsbeschermingseenheid)
Artikel 5.30 vormt een ongewijzigde voortzetting van artikel 2.4 van de uitvoeringsregeling. Grondslag
is artikel 5.9, eerste lid, laatste volzin van het besluit. Bij de rapportageverplichting is aangesloten bij
hetgeen gebruikelijk in vergunningen is opgenomen. Artikel 5.30 legt de taken van de stralingsbeschermingsdeskundige
op het niveau van algemeen coördinerend deskundige in de stralingsbeschermingseenheid
vast. Deze taken zijn vastgelegd om te waarborgen dat de stralingsbeschermingsdeskundige
(niveau algemeen coördinerend deskundige) ook wordt betrokken bij zaken waarvoor dat
nodig is. Ook de uitwerking van deze bepalingen worden beoordeeld bij de vergunningverlening.
Hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling
§ 6.1. Stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties
Artikel 6.1 (systeem voor het registreren en analyseren van stralingsincidenten, ongevallen
of radiologische noodsituaties) en artikel 6.2 (bedrijfsnoodplan)
Op grond van artikel 6.2, zesde lid, van het besluit, is een ondernemer in gevallen behorend tot een bij
regeling van de Minister aangewezen categorie, verplicht tot het invoeren en in werking houden van
een systeem voor het registreren en analyseren van stralingsincidenten, ongevallen of radiologische
noodsituaties. Artikel 6.1 van de regeling voorziet daarin. Daarbij is aangesloten bij de aanwijzing van
ondernemers die over een beveiligingsplan dienen te beschikken (artikel 4.2) en de bijbehorende
categorie-indeling (artikel 1.1 en bijlage 4.1). Ook de verplichting om te zorgen voor een bedrijfsnoodplan
(artikel 6.7, eerste lid, van het besluit) is hieraan gekoppeld (zie artikel 6.2 van de regeling). De
verplichting tot het zorgen voor een beveiligingsplan als bedoeld in artikel 4.7 van het besluit is van
toepassing op ondernemers die een vergunning hebben voor het voorhanden hebben of het gebruik
van radioactieve stoffen waarbij deze radioactieve stoffen (in soort of hoeveelheid) een bepaald hoog
risico hebben voor mens en milieu, mochten deze radioactieve stoffen in verkeerde handen vallen.
Ditzelfde risico bestaat als deze radioactieve stoffen betrokken raken bij een stralingsincident, ongeval
of radiologische noodsituatie.
In de nota van toelichting van het besluit is al een korte analyse van de ‘doelgroep’ voor het bedrijfs-
123 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
noodplan geschetst. Een nadere analyse van de bedrijven die vallen onder de categorie waarvoor een
beveiligingsplan noodzakelijk wordt geacht bleek te matchen met de eerder ingeschatte doelgroep
voor het bedrijfsnoodplan. Vandaar dat gekozen is om aan te sluiten bij de categorieën waarvoor een
beveiligingsplan noodzakelijk is.
De onderliggende redenen voor de aanwijzing van de categorie ondernemers waarvoor het beveiligingsplan
en het bedrijfsnoodplan noodzakelijk zijn, zijn ook de onderliggende redenen waarom
gekozen wordt om deze categorie ondernemers ook te verplichten tot het invoeren en in werking
houden van het eerdergenoemde systeem voor registratie en analyse van stralingsincidenten,
ongevallen of radiologische noodsituaties (artikel 6.2, zesde lid, van het besluit).
Primair zijn werkzaamheden zo ingericht dat er veilig gewerkt wordt en dat incidenten en ongevallen
worden voorkomen. Risico-inventarisaties, werkinstructies etc. liggen hieraan ten grondslag. Toch
leert de praktijk dat het soms (bijna) mis gaat, ondanks alle zorgvuldige voorbereidingen. Onbedoelde
gebeurtenissen beginnen vaak klein, maar kunnen leiden tot situaties met zeer ernstige gevolgen. Om
die reden wordt het noodzakelijk geacht om ondernemers die radioactieve stoffen voorhanden hebben
die de potentie hebben (soort en/of hoeveelheden) ernstige gevolgen te kunnen veroorzaken voor
mens en milieu, de verplichting op te leggen om deze gebeurtenissen op een systematische manier te
registreren en te analyseren.
Dat niet alle vergunninghouders de verplichting opgelegd krijgen voor het hebben van een systeem
voor registratie en analyse als ook een bedrijfsnoodplan heeft te maken met de graduele aanpak.
Vanuit de richtlijn is de verplichting tot het hebben van een rampenbestrijdingssysteem geschetst. Dit
rampenbestrijdingssysteem dient te worden uitgewerkt op verschillende niveaus (Rijk, regio’s,
ondernemers) waarbij de elementen op elkaar dienen te worden aangesloten. Met de gekozen
categorie voor het bedrijfsnoodplan en het registratiesysteem wordt hieraan invulling gegeven.
Nucleaire installaties vallen niet onder de hier genoemde categorie waarvoor een beveiligingsplan is
vereist. In de Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties worden de verplichtingen van de richtlijn
en die van richtlijn 2014/87 voor de nucleaire sector geregeld. In artikel 14, derde lid, van die regeling
wordt de vergunninghouder van een kerninstallatie verplicht een bedrijfsnoodplan te hebben. De
verplichting tot het beschikken over systeem van registratie en analyse is geregeld in artikel 8, tweede
lid, onder f, van die regeling.
Met betrekking tot het systeem van registratie en analyse kunnen met het oog op een goede uitvoering
op grond van artikel 6.2, zevende lid, van het besluit bij verordening van de Autoriteit nadere
regels worden gesteld.
Op de aanwijzing van de categorie ondernemers waarvoor een bedrijfsnoodplan verplicht is, is in het
voorgaande ingegaan. Op grond van artikel 6.7, tweede lid, van het besluit kunnen bij verordening van
de Autoriteit afhankelijk van de aard en zwaarte van de betrokken risico’s, eisen aan de vorm, inhoud
en kwaliteit van het bedrijfsnoodplan en aan de wijze van uitvoering ervan worden gesteld. Deze eisen
kunnen een plicht tot rapportage aan de Autoriteit omvatten.
Voorts bevat de regeling ingevolge artikel 11.4 een verplichting met betrekking tot noodplannen voor
bedrijven die onder het Besluit detectie radioactief schroot vallen.
Ingevolge artikel 13.9 van het besluit is het Besluit detectie radioactief besmet schroot op enkele
punten gewijzigd. Met het nieuwe artikel 6b (tweede lid) van dat besluit wordt diegene die een
inrichting drijft, en valt binnen een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, verplicht om te
beschikken over een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.7 van het besluit. In artikel 11.4 van de
regeling wordt deze categorie-indeling nader uitgewerkt. In de Regeling detectie radioactief besmet
schroot wordt daartoe een nieuw artikel 1b ingevoegd. Dit artikel verplicht degene die een inrichting
drijft met een vergunning krachtens artikel 15 of 29 van de wet (voor het voorhanden hebben van
radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen), welke vergunning mede omvat het onvoorzien in
ontvangst nemen van schroot met een verhoogd stralingsniveau, waarbij de kans bestaat dat diegene
in het bezit kan komen van radioactieve stoffen, splijtstoffen of ertsen, tot het hebben van een
bedrijfsnoodplan conform artikel 6.7 van het besluit.
§ 6.2. Bouwmaterialen
Artikel 6.3 (aanwijzing bouwmaterialen)
Artikel 6.21, eerste lid, van het besluit bepaalt dat bij regeling van de Minister in overeenstemming
met de Minister die het mede aangaat, rekening houdend met de in bijlage 9 van het besluit
genoemde materialen, bouwmaterialen kunnen worden aangewezen die aandacht behoeven vanuit
het oogpunt van de stralingsbescherming. De bedoelde materialen zijn hoofdzakelijk natuurlijke
materialen en grondstoffen op basis van restmateriaal van industrieën (hierna: grondstoffen), die op
124 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
grond van artikel 6.3, eerste lid, van de regeling zijn aangewezen in bijlage 6.1 van de regeling.
Bijlage 9 van het besluit bevat een indicatieve lijst, waarmee de Minister rekening moet houden bij de
uiteindelijke vaststelling bij de regeling. De lijst, bedoeld in artikel 6.3 en bijlage 6.1 van de regeling, is
inhoudelijk gelijk aan de (indicatieve) lijst van bijlage 9 van het besluit, maar heeft hier een andere,
signalerende en tevens beschermende functie. Het betreft de door de Minister uiteindelijk vastgestelde
lijst van natuurlijke materialen en grondstoffen op basis van restmateriaal uit de industrie die in
bouwmaterialen kunnen worden toegepast en waarvoor de ondernemer aandacht moet hebben vanuit
het oogpunt van stralingsbescherming.
Met de in artikel 6.21, tweede lid, in het besluit bedoelde methode geeft de ondernemer, vanuit het
oogpunt van stralingsbescherming, aandacht aan de toepassing van de op de lijst voorkomende
bouwgrondstoffen in zijn bouwmaterialen. Door de met die methodiek gecontroleerde toepassing van
de natuurlijke materialen of grondstoffen van de lijst, kan de ondernemer voorkomen dat de door hem
op de markt gebrachte bouwmaterialen zelf aandacht behoeven. Bij gecontroleerde toepassing zijn de
bouwmaterialen veilig en is geen kennisgeving nodig.
Sommige bouwmaterialen kunnen verhoogde concentraties primordiale radionucliden bevatten
waardoor de blootstelling binnenshuis aan de door deze materialen uitgezonden gammastraling kan
leiden tot overschrijding van het referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar. Op grond van
artikel 6.21, derde lid, van het besluit wordt met het oog op die gevallen in artikel 6.3, derde lid, van de
regeling (in samenhang met artikel 3.13, aanhef en onder b, van het besluit) bepaald, dat de ondernemer
een kennisgeving doet aan de Autoriteit. Bij de kennisgeving kan de ondernemer aantonen, dat
met de wijze waarop zijn bouwmateriaal wordt toegepast het referentieniveau als bedoeld in artikel
9.10, achtste lid, van het besluit in de praktijk niet overschreden wordt.
Hoofdstuk 7.
(Gereserveerd).
Hoofdstuk 8. Medische blootstelling
Artikel 8.1 (eisen aan medisch-radiologische apparatuur)
Artikel 8.1 bevat de eisen aan medisch-radiologische apparatuur. Deze eisen gelden krachtens artikel
4.27, derde lid, van het Bbs eveneens bij gebruik van deze apparatuur voor niet-medische beeldvorming.
Deze eisen waren reeds onderdeel van de artikelen 68 en 69 van het Bs. Deze eisen betreffen
onder meer de filtratie van de röntgenbundel komend uit de buis voordat deze de patiënt treft
(onderdeel b). Door de toepassing van het filter vermindert de stralingsbelasting van de patiënt. De
totale filtratie (de som van de inherente en toegevoegde filtratie) dient te voldoen aan algemeen
gehanteerde normen. De eisen die zijn opgenomen in de onderdelen c, d en e, betreffen de aanwezigheid
van een diafragma, dat ervoor zorgt dat de randen van de röntgenbundel altijd zichtbaar zijn op
de beelddrager. Hierdoor wordt voorkomen dat een deel van de röntgenbundel geen bijdrage heeft
aan de beeldvorming en wel aan de stralingsbelasting van de patiënt. In beginsel dient na elke vijf
minuten doorlichten een bel of zoemer te klinken opdat de gebruiker bewust blijft van de tijd
(onderdeel f).
Hoofdstuk 9. Blootstelling van leden van de bevolking
Artikel 9.1 (dosisbeperking registratieplichtige handelingen)
Artikel 9.1 is gebaseerd op artikel 9.5 van het besluit en betreft een aangepaste voortzetting van artikel
4.4 (tweede lid) en 7.5, vijfde lid, (derde lid) van de uitvoeringsregeling. Het artikel omvat dosisbeperkingen
voor leden van de bevolking met betrekking tot handelingen met radioactieve stoffen waarvoor
een registratie is vereist.
Eerste en tweede lid
Ten eerste betreft dit een effectieve dosis van 10 microsievert in een kalenderjaar voor personen die
zich buiten een locatie bevinden (tweede lid). De dosisbeperking geldt voor handelingen behorend tot
de categorieën zoals opgenomen in artikel 3.10, derde lid van het besluit. Dat betreft een beperkt
aantal handelingen met radioactieve stoffen, zowel ingekapselde bronnen als open bronnen. Met dit
artikel wordt, samen met de dosisbeperking ten aanzien van toestellen en versnellers zoals opgeno-
125 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
men in artikel 9.4 van het besluit, beoogd om de dosis die een lid van de bevolking buiten een locatie
kan oplopen als ten gevolge van alle registratieplichtige handelingen te beperken tot een effectieve
dosis van 10 microsievert in een kalenderjaar. Omdat in geval van handelingen met ingekapselde en
open bronnen naast externe blootstelling ook blootstelling door ingestie of inhalatie kan plaatsvinden
wordt in dit geval de effectieve dosis bepaald als multifunctionele individuele dosis. Het begrip
multifunctionele individuele dosis (MID) is in het besluit nader toegelicht en is gedefinieerd in het
eerste lid van artikel 9.1 van de regeling als een effectieve dosis die het gevolg is van het gebruik van
een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit de hoogst mogelijke dosis geeft. De ondernemer
is gehouden ervoor te zorgen dat de effectieve dosis voor personen op enig punt buiten de locatie
ten gevolge van deze handelingen zo laag als redelijkerwijs mogelijk is (optimalisatie-verplichting).
Door de invoering van de dosisbeperking voor registratieplichtige handelingen in het tweede lid,
onder b, wordt beoogd dat deze handelingen, in overeenstemming met de graduele benadering,
slechts in geringe mate bijdragen aan de dosis die een lid van de bevolking als gevolg van handelingen
in geplande blootstellingsituaties kan oplopen.
Derde lid
Het derde lid omvat de dosisbeperking zoals voorheen opgenomen in artikel 7.5, vijfde lid, van de
uitvoeringsregeling, voor gevallen waarin overeenkomstig het bij verordening van de Autoriteit
bepaalde, de schade ten gevolge van handelingen met van nature voorkomende radionucliden,
waarin de activiteitsconcentratie in combinatie met de activiteit geen juiste indicatie geeft van de
nadelige gevolgen ten gevolge van blootstelling aan straling door de werkzaamheden, deze wordt
bepaald en getoetst door de bepaling, onderscheidenlijk de toetsing van de externe straling ten
gevolge van de besmetting van enig niet-bereikbaar oppervlak.
Het derde lid is opgenomen voor de in artikel 4.42, eerste lid onder b, van de Verordening basisveiligheidsnormen
stralingsbescherming aangewezen handelingen met van nature voorkomende radionucliden.
Het is opgenomen omdat het ook nog mogelijk is dat er geen oppervlaktebesmetting van enig
bereikbaar oppervlak is, maar een niet-bereikbaar oppervlak een externe straling op 0,1 meter afstand
een omgevingsdosisequivalent van meer dan 10 microsievert per uur geeft. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn als kleppen besmet zijn. Normaal gesproken zullen werknemers zich in ongunstige
omstandigheden gemiddeld over een jaar op meer dan één meter afstand bevinden. Voor deze
ongunstige omstandigheden en 2000 uren werk per jaar, garandeert de 10 microsievert per uur dat de
waarde van maximaal 1 millisievert per jaar voor werknemers niet wordt overschreden. Wanneer deze
10 microsievert per uur wel wordt overschreden, moeten zodanige arbeidsomstandigheden worden
geschapen dat het dosiscriterium van 1 millisievert effectieve dosis in een jaar niet wordt overschreden.
Voor leden van de bevolking is het bedoelde scenario met betrekking tot dit soort bronnen niet
realistisch, zodat ook voor hen de 10 microsievert per uur op 0,1 m afstand voldoende veiligheid biedt.
Overigens staat dit criterium niet op zichzelf. Ook al is de externe straling minder dan 10 microsievert
per uur op 0,1 m afstand, toch kan het nodig zijn te bezien of aan de overige criteria wordt voldaan,
omdat de externe straling geen juiste indicatie geeft van de mogelijke schade.
Artikel 9.2 (referentieniveaus)
Artikel 9.2 bevat de krachtens de artikelen 9.8, eerste lid, en 9.10, eerste lid, van het besluit vast te
stellen referentieniveaus.
Krachtens artikel 9.8, eerste lid, van het besluit vast te stellen referentieniveaus betreffen:
a. een of meer referentieniveaus vastgesteld voor blootstelling van leden van de bevolking in een
radiologische noodsituatie, en
b. een of meer referentieniveaus vastgesteld voor blootstelling van leden van de bevolking in de
transitie van een radiologische noodsituatie naar een bestaande blootstellingsituatie, in het
bijzonder bij de beëindiging van langetermijnbeschermingsmaatregelen, zoals vestiging elders.
De referentieniveaus moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 9.8, tweede lid, van het besluit, te
weten dat een referentieniveau voor blootstelling van leden van de bevolking in een radiologische
noodsituatie gelijk is aan of hoger dan 20 millisievert en niet hoger dan 100 millisievert als acute
effectieve dosis of effectieve dosis in een jaar, en onverminderd de bij ministeriële regeling krachtens
artikel 9.8, eerste lid, van het besluit, vast te stellen referentieniveaus voor equivalente doses.
Op basis hiervan zijn de volgende referentieniveaus vastgesteld:
– voor blootstelling van leden van de bevolking in een radiologische noodsituatie: 100 millisievert
(acute effectieve dosis of jaarlijkse effectieve doses) (eerste lid);
– voor blootstelling van leden van de bevolking in de transitie van een radiologische noodsituatie
naar een bestaande blootstellingsituatie, in het bijzonder bij de beëindiging van lange-termijn-
126 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
beschermingsmaatregelen zoals vestiging elders: 20 millisievert (jaarlijkse effectieve dosis)
(tweede lid).
De krachtens artikel 9.10, eerste lid, van het besluit vast te stellen referentieniveaus betreffen een of
meer referentieniveaus voor blootstelling van de bevolking in een bestaande blootstellingsituatie.
Deze moeten voldoen aan het tweede lid van dat artikel, te weten gelijk zijn aan of hoger dan 1
millisievert en niet hoger dan 20 millisievert als effectieve dosis in een kalenderjaar, onverminderd de
bij regeling van de Minister vastgestelde referentieniveaus voor equivalente doses. Op basis hiervan
is een referentieniveau voor blootstelling van leden van de bevolking in een bestaande blootstellingsituatie
vastgesteld van 20 millisievert (jaarlijkse effectieve dosis) (derde lid).
Hoofdstuk 10. Het beheer en het zich ontdoen van radioactieve afvalstoffen
Artikel 10.1 (aanwijzing gevallen waarin een beëindigingsplan vereist is)
Artikel 10.1 bepaalt in welke gevallen een ondernemer moet zorgen voor een beëindigingsplan als
bedoeld in artikel 10.8 van het besluit alsmede de aan dat plan te stellen eisen. Op grond van artikel
10.8, eerste lid, van het besluit zorgt de ondernemer voor een beëindigingsplan waarin wordt
beschreven welke voorzieningen met betrekking tot de beëindiging van het gebruik en het zich
ontdoen van de bron zijn getroffen, waaronder in elk geval financiële voorzieningen. De aanwijzing
dient in een passende verhouding tot de aard en zwaarte van de betrokken risico’s te staan, overeenkomstig
de graduele benadering, bedoeld in artikel 1.1 van het besluit. De aanwijzing vindt voorts
uitsluitend plaats voor zover niet bij of krachtens de Mijnbouwwet of een andere wet voor de
desbetreffende processen een vergelijkbare voorziening wordt of kan worden vereist.
Het faillissement van Thermphos heeft inzichtelijk gemaakt dat het van groot belang is meer inzicht te
krijgen in de kosten van beëindiging van deze handelingen. Kortheidshalve wordt voor de aanleiding
en achtergrond van deze verplichting verwezen naar de toelichting op artikel 10.8 van het besluit.
In artikel 10.1 van de regeling zijn de ondernemers aangewezen die moeten zorgen voor een beëindigingsplan.
In beleidsonderzoek verricht door Agentschap NL in 2013 (‘Inventarisatie hoeveelheden
radioactieve stoffen vergunninghouders’) is naar voren gekomen dat er drie sectoren zijn waarbij de
kosten voor beëindiging hoog zijn. Dat is de sector die handelingen uitvoert met cyclotrons en lineaire
versnellers die deeltjes produceren met een hoge energie ((resp. > 8 MeV en > 20 MeV), de olie- en
gaswinningsector en ondernemers die zich bezighouden met de bewerking en verwerking van
grondstoffen met daarin van nature voorkomend radioactief materiaal, en dan met name exploitanten
van kolencentrales. Het hierboven genoemde faillissement van Thermphos heeft laten zien dat ook
van belang is dat een beëindigingplan wordt verlangd bij thermische fosforproducenten.
Ondernemers in de olie- en gaswinningsector hebben doorgaans een Mijnbouwwetvergunning
waarbij de Minister van EZK de bevoegdheid heeft te verplichten tot het stellen van financiële
zekerheid met betrekking tot beëindiging (verwijdering, sluiting geheten). Volgens artikel 10.8 van het
besluit is de vergunninghouder die in het bezit is van een Mijnbouwwetvergunning dan niet verplicht
tot het opstellen van een beëindigingsplan. Het is echter mogelijk dat installaties en infrastructuur in
de olie- en gaswinningsector overgedragen worden aan ondernemers die niet over een mijnbouwwetvergunning
beschikken, bijvoorbeeld voor sloopwerkzaamheden. Voor deze genoemde specifieke
situaties volgt uit de aanwijzing van artikel 10.1 dat een beëindigingsplan moet worden opgesteld.
Voor de invoering van het beëindigingsplan geldt op grond van artikel 12.11, derde lid, van het besluit
een invoeringstermijn tot 1 januari 2020.
Hoofdstuk 11. Wijziging en overgangsbepalingen overige regelingen
Artikel 11.1 (intrekking)
De Uitvoeringsregeling stralingsbescherming en de Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik
van ioniserende straling worden ingetrokken. Het overgangsrecht van hoofdstuk 12 is van toepassing.
Artikel 11.2 (wijziging Regeling nucleaire drukapparatuur)
Onderdeel 1 past de grondslag van de Regeling nucleaire drukapparatuur aan in verband met de
intrekking van het Bs en het noemen van artikel 120 van dat besluit in de aanhef. Artikel 120 van het
Bs is vervangen door artikel 4.2 van het besluit. Onderdeel 2 bevat een actualisatie in verband met de
instelling van de Autoriteit.
127 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 11.3 (wijziging Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen)
Dit betreft een technische aanpassing van de verwijzing naar het begrip werknemer van het Bs,
vanwege de intrekking van het Bs met vervanging door het besluit.
Artikel 11.4 (wijziging Regeling detectie radioactief besmet schroot)
Onderdeel 1 betreft een technische aanpassing.
Onderdeel 2 past met artikel 1a de grondslag van de regeling aan in verband met het nieuw ingevoegde
artikel 6b van het Besluit detectie radioactief schroot (ingevolge artikel 13.9 van het besluit).
Dat artikel bevat in het tweede lid een bevoegdheid voor de Minister om categorieën van gevallen aan
te wijzen waarin degene die een inrichting drijft dient te beschikken over een bedrijfsnoodplan als
bedoeld in artikel 6.7 van het besluit. Daaraan wordt invulling gegeven door middel van een nieuw
ingevoegd artikel 1b in de Regeling detectie radioactief besmet schroot. Kortheidshalve wordt voor
een verdere toelichting verwezen naar de toelichting op de artikelen 6.1 en 6.2, hiervoor.
Artikel 11.5 (wijziging bijlage bij artikel 1, hoofdstuk 1, § 1.1, Regeling indicatieve
vaststelling reikwijdte Dienstenwet)
Artikel 11.5 bevat technische aanpassingen van de bijlage bij artikel 1 van de Regeling indicatieve
vaststelling reikwijdte Dienstenwet in verband met de intrekking van het Bs met vervanging door het
besluit. De eerdere verwijzing naar de specifieke vergunningplichten van het Bs zijn daarbij (vanwege
de andere systematiek van het besluit) vervangen door een verwijzing naar de artikelen die de
vergunning- of registratieplicht bevatten en de daaraan gekoppelde categorieën van gevallen. Voorts
zijn verwijzingen naar inmiddels vervallen artikelen van het Bs die niet meer zijn opgenomen in het
besluit geschrapt. Inhoudelijke wijzigingen zijn niet beoogd.
Artikel 11.6 (wijziging Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen)
Deze wijziging hangt samen met afdeling 5.1 van de regeling. Het beroep van stralingsbeschermingsdeskundige
is een gereglementeerd beroep in de zin van de eerdergenoemde Algemene wet
erkenning EU-beroepskwalificaties; abusievelijk was dit beroep nog niet toegevoegd aan de bijlage
van de Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen (gebaseerd op artikel 27 van de
genoemde wet).
Artikel 11.7 (wijziging Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties)
Artikel 11.7 bevat een aantal technische aanpassingen van de Regeling nucleaire veiligheid kerninstallaties
in verband met de verwijzingen in die regeling naar het voormalige Bs.
Onderdeel 1 bevat gewijzigde verwijzingen naar de begrippen ‘stralingsincident’ en ‘werknemer’ zoals
opgenomen in het besluit.
Het begrip ‘stralingsincident’ is in het besluit gedefinieerd als onbedoelde gebeurtenis of situatie of
ongewilde verspreiding waarbij gevaar bestaat, dan wel gevaar is opgetreden voor:
– een blootstelling aan ioniserende straling van leden van de bevolking van meer dan 0,1 millisievert,
– een lozing op of in de bodem, in het riool, in het oppervlaktewater of in de lucht boven een door de
Minister van IenW vastgestelde waarde, of
– een blootstelling aan ioniserende straling van werknemers van meer dan 2 millisievert.
Het begrip ‘werknemer’ is in het besluit gedefinieerd als persoon die hetzij in dienst hetzij onder gezag
van de ondernemer gehouden is tot het verrichten van arbeid ten behoeve van die ondernemer.
Het tweede lid vervangt de verwijzing in artikel 14, derde lid, onder d, naar ‘het interventieplan,
bedoeld in artikel 115 van het Besluit stralingsbescherming’ door een verwijzing naar het onderdeel
‘interventies’ van een bedrijfsnoodplan als bedoeld in artikel 6.8 van het besluit. Op grond van het
overgangsrecht van artikel 12.10, tweede lid, van het besluit geldt een reeds vastgesteld noodplan als
bedrijfsnoodplan en geldt het interventieplan als het onderdeel interventies van dat plan.
Hoofdstuk 12. Nadere overgangsbepalingen
Evenals het besluit heeft de regeling onmiddellijke werking, dat wil zeggen deze gaat direct gelden
voor alle bestaande en toekomstige situaties waar de regeling betrekking op heeft. Kortheidshalve
128 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
wordt voor een toelichting verwezen naar hoofdstuk III, paragraaf 5, van het algemeen deel van de
nota van toelichting bij het besluit.
Hoofdstuk 12 bevat in aanvulling op de hoofdstukken 12 en 13 van het besluit nadere bepalingen van
overgangsrecht, gebaseerd op artikel 76, derde lid, van de Kernenergiewet. Daarin wordt bepaald dat
ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 67, geregelde
onderwerpen de betrokken Ministers nadere regelen kunnen stellen. Het besluit is mede gebaseerd op
artikel 67, eerste lid, van die wet. In de hoofdstukken 12 en 13 van het besluit zijn primaire overgangsrechtelijke
bepalingen opgenomen.
Artikel 12.1 (nadere regels overgangsrecht, algemeen)
Artikel 12.1 van de regeling bevat algemeen overgangsrecht voor beschikkingen waarin wordt
verwezen naar het oude recht. Gebleken is dat vergunningen en andere beschikkingen die zijn
verleend (mede) op basis van de wet of het Bs of een ander besluit of regeling verwijzingen bevatten
naar het Bs of daarop gebaseerde regelingen. Het artikel verduidelijkt dat die verwijzingen na de
inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving gelden als verwijzingen naar de volgens de concordantietabel
(zoals opgenomen in de bijlage bij de nota van toelichting bij het besluit) vervangende
bepalingen of daarop gebaseerde bepalingen van deze of een andere regeling. Daarmee worden
onduidelijkheden en rechtsonzekerheid zoveel mogelijk voorkomen en wordt tevens voorkomen dat
vergunningen of andere beschikkingen alleen met het oog op veelal technische verwijzingen naar de
oude regelgeving dienen te worden gewijzigd.
Artikel 12.2 (nadere regels overgangsrecht, vergunningen, algemeen)
Artikel 12.2 maakt expliciet dat de aan een vergunning verbonden voorschriften, voorwaarden en
beperkingen van kracht blijven indien de vergunning ingevolge het overgangsrecht van het besluit
gaat gelden als een registratie, tenzij strijdig zijn met de algemene regels van besluit, regeling of
verordening. Reden hiervoor is gelegen in de rechtszekerheid, die ermee gediend is als ondernemers
kunnen blijven uitgaan van specifieke condities die in hun vergunning zijn vastgelegd (zoals bijvoorbeeld
de gevallen, bedoeld in artikel 12.5). Voor nieuwe gevallen speelt dit aspect niet waardoor het
verschil (registraties op basis van oude vergunningen, met voorschriften, waarop tevens de algemene
regels van toepassing zijn, en nieuwe registraties, waarop alleen algemene regels van toepassing zijn)
niet bezwaarlijk wordt geacht.
Artikel 12.3 (nadere regels overgangsrecht, vervoer)
Artikel 12.3 strekt tot een nadere invulling van afdeling 13.1 van het besluit en bevat aanvullingen op
artikel 13.11 van het besluit. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat een melding of globale melding,
gedaan onder het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen (Bvser), geldt als een
kennisgeving of jaarkennisgeving onder de nieuwe regelgeving. Artikel 12.3 bevat in aanvulling
daarop overgangsrecht voor vervoershandelingen waarvoor krachtens het Bvser een meldingsplicht
of globale meldingsplicht gold en die ingevolge het Bvser, als gewijzigd door het besluit, vergunningplichtig
zijn geworden. Binnen een jaar na de inwerkingtreding moet een aanvraag worden ingediend.
Tot het tijdstip waarop de beslissing op de aanvraag onherroepelijk is geworden, doch uiterlijk tot het
tijdstip waarop de (globale) melding zou zijn vervallen, geldt de (globale) melding als tijdelijke
vergunning. Aangesloten is bij de regeling van de artikelen 12.5 en 12.11 van het besluit. Het tweede
lid van artikel 12.3 bevat een overgangsbepaling voor onder het Bvser verleende vergunningen voor
handelingen die onder de nieuwe regelgeving kennisgevingsplichtig zijn geworden.
Artikel 12.4 (nadere regels overgangsrecht; sommatie)
Artikel 12.4 bevat een verduidelijking met het oog op verwijzingen in beschikkingen naar sommatiemethoden
zoals opgenomen in de voormalige uitvoeringsregeling. Deze verwijzingen gaan gelden als
verwijzingen naar de overeenkomstige krachtens artikel 3.4, vijfde lid, van het besluit bij verordening
van de Autoriteit geregelde sommatiemethode, met inachtneming van artikel 3.17, tweede lid, van het
besluit. Dat laatste is ter verduidelijking opgenomen en houdt in dat ingevolge de richtlijn geen
sommatie meer plaatsvindt van van nature voorkomende radionucliden; deze worden steeds aan de
eigen vrijstellingswaarde getoetst. Dit volgt uit artikel 3.17, tweede lid, aanhef en onder a en slotzin
van het besluit.
Alleen in geval van meerdere soorten kunstmatige of van nature voorkomende radionucliden
waarvoor krachtens artikel 3.19 van het besluit een of meer specifieke vrijstellingswaarden zijn
vastgesteld, is sommatie van van nature voorkomende radionucliden nog aan de orde (zie onderdeel
b van artikel 3.17, tweede lid, van het besluit).
129 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Artikel 12.5 (nadere regels overgangsrecht, sommatie met Asom of Csom)
Ingevolge de richtlijn (en het besluit) gelden met ingang van 6 februari 2018 voor van nature voorkomende
radionucliden alleen nog vrijstellingswaarden op basis van de activiteitsconcentraties, en niet
langer op basis van totale activiteit (bijlage 3, tabel A, deel 2 van het besluit). In beschikkingen wordt
soms gebruik gemaakt van de begrippen ‘Asom’ en ‘Csom’, waarbij voor het vergunde (of vrijgestelde)
handelen wordt uitgegaan van waarden met een sommatie op basis van de totale activiteit of
activiteitsconcentratie van natuurlijke (van nature voorkomende) radionucliden. Omdat voor van
nature voorkomende radionucliden met ingang van 6 februari 2018 niet langer vrijstellingswaarden
gelden op basis van de totale activiteit, zouden zonder nadere regeling verwijzingen in vergunningen
naar die waarden of naar sommatiemethoden op basis van de totale activiteit van die radionucliden
hun betekenis verliezen. Dit zou zonder nadere regeling tot rechtsonzekerheid en complicaties in de
uitvoering en handhaving kunnen leiden. Artikel 12.5 bepaalt daarom voor deze gevallen dat de in
deze beschikkingen opgenomen waarden bepaald met de begrippen ‘Asom’ en ‘Csom’ en de daaraan
ten grondslag liggende berekeningsmethode ook na de inwerkingtreding van de regeling onverminderd
van toepassing blijven.
Artikel 12.6 (nadere regels overgangsrecht, financiële zekerheid hoogactieve bronnen)
In gevallen waarin op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling reeds op grond van het Bs
financiële zekerheid voor een hoogactieve bron moest worden gesteld, dient binnen drie maanden na
dat tijdstip aan artikel 4.3 van de regeling voor het krachtens het besluit en de regeling verhoogde
bedrag van de zekerheid te worden voldaan.
Artikel 12.7 (nadere regels overgangsrecht, reguliere procedure Awb voor vergunningen
voor bepaalde handelingen met van nature voorkomende radionucliden)
Bij de voorbereiding van de regeling is de vraag opgekomen of aanvragen om vergunning voor
handelingen met van nature voorkomende radionucliden volgens de reguliere (korte) procedure van
acht weken van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden behandeld.
Ingevolge artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het besluit kan worden getoetst of vergunningaanvragen
voor handelingen met open radioactieve bronnen de reguliere (korte) procedure of de
lange procedure (Afdeling 3.4 Awb, zes maanden) moeten doorlopen. Toetsing wordt uitgevoerd door
de gevraagde activiteiten gewogen te sommeren en de uitkomst te toetsen aan de grenswaarde 104.
De gewogen sommatie wordt uitgevoerd door de activiteit van het (de) betrokken radionuclide(n) te
delen door de vrijstellingswaarde(n) van het (de) radionuclide(n). In het besluit zijn voor kunstmatige
radionucliden wel grenswaarden voor de totale activiteit opgenomen (zie Bijlage 3, onderdeel B, tabel
B). Voor van nature voorkomende radionucliden zijn echter geen vrijstellingswaarden voor de totale
activiteit vastgelegd, terwijl dit in het voormalige Bs wel het geval was.
Het zou zonder nadere regeling voor ondernemers, die vergunningplichtige handelingen met
natuurlijke bronnen willen verrichten, niet mogelijk zijn om gebruik te maken van de bij wijze van
uitzondering aangewezen reguliere (korte) procedure van de Awb. Dit zou zonder nadere regeling niet
mogelijk zijn omdat voor de activiteit van van nature voorkomende radionucliden geen vrijstellingswaarden
zijn opgenomen in het besluit. De gewogen som voor de totale activiteit die voorhanden is
kan niet meer berekend worden, omdat het besluit voor van nature voorkomende radionucliden geen
vrijstellingswaarden kent voor de activiteit (alleen maar voor de activiteitsconcentratie, zie Bijlage 3,
Tabel A, deel 2, van het besluit).
Uit een eerste analyse van verleende vergunningen blijkt dat ca. 10 van de 80 verleende vergunningen
voor handelingen met natuurlijke bronnen met de regels van het voormalige Bs beoordeeld zouden
kunnen worden volgens de reguliere (korte) procedure. Het is zonder nadere regeling voorts niet
ondenkbeeldig dat daarnaast in de toekomst vergunningaanvragen voor bijv. branddeuren met
slakkenwol, handelingen met relatief beperkte hoeveelheden mineralen of collecties van mineralen
worden ingediend. In al deze gevallen is het wenselijk dat de mogelijkheid van de reguliere (korte)
procedure behouden blijft, omdat de uitgebreide procedure niet proportioneel is en onnodig veel tijd
en administratieve lasten en nalevingskosten vergt. Er is kortom behoefte om ook bij vergunningaanvragen
voor handelingen met van nature voorkomende radioactieve materialen gebruik te kunnen
maken van de mogelijkheid om te beschikken volgens de reguliere (korte) procedure van acht weken.
Artikel 12.7 bevat daartoe een nadere regeling, waarbij is aangesloten bij artikel 11.2, eerste lid, aanhef
en onder a, van het besluit. Uitsluitend ter bepaling van de van toepassing zijnde procedure wordt
daarbij gebruik gemaakt van de vrijstellingswaarden voor activiteit van het besluit van Bijlage 3,
onderdeel B, tabel B of van de regeling, bijlage 3.2, tabel B van het besluit.
130 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
Met behulp van artikel 11.2, eerste lid, van het besluit kan worden getoetst of vergunningaanvragen
voor handelingen met open radioactieve bronnen de korte procedure (beschikken binnen acht weken)
of de lange procedure (Afdeling 3.4 Awb, zes maanden) moeten doorlopen. Toetsing wordt uitgevoerd
door de gevraagde activiteiten gewogen te sommeren en de uitkomst te toetsen aan de grenswaarde
104. Vanwege het ontbreken van vrijstellingswaarden voor de activiteit kan deze toetsing zoals
opgemerkt niet zonder nadere regeling worden uitgevoerd door ondernemers die voor hun vergunningplichtige
handelingen met natuurlijke bronnen vergunning willen vragen.
Hoofdstuk 13. Slotbepalingen
Artikel 13.1 (inwerkingtreding)
Deze volgt de inwerkingtreding van het besluit. Daarbij wordt afgeweken van de systematiek van de
vaste verandermomenten (zowel de invoeringstermijn als het vaste verandermoment) om de in de
toelichting op artikel 14.3 van het besluit genoemde redenen. Uitgangspunt is dat de regeling in
werking treedt op het tijdstip waarop het Bbs in werking treedt. Dit laatste wordt bij koninklijk besluit
geregeld. Het Bbs treedt in beginsel op 6 februari 2018 in werking, dan wel zo spoedig mogelijk
daarna, indien de datum van 6 februari 2018 onverhoopt niet wordt gehaald, bijvoorbeeld door
vertragingen als gevolg van de nahangprocedure bij de Staten-Generaal. Artikel 13.1, eerst lid, van de
regeling sluit hierbij aan. Omdat op het moment van vaststelling van de regeling nog niet absoluut
zeker is dat vaststelling en publicatie op uiterlijk 5 februari 2018 zal worden gehaald is de voorziening
van het tweede lid opgenomen.
Het tweede lid van artikel 13.1 regelt in afwijking van het eerste lid dat bij een onverhoopte publicatie
van de regeling op een datum ná de datum van publicatie van het koninklijke besluit, de regeling in
werking treedt met ingang van de dag na de publicatie ervan, en terugwerkt tot en met de dag van
inwerkingtreding van het besluit. Deze voorziening is nodig om in alle gevallen waarin mogelijk
vertraging gaat ontstaan het van kracht worden van de regeling synchroon te laten lopen met het van
kracht worden van het besluit.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark
De Minister voor Medische Zorg,
B.J. Bruins
131 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
BIJLAGE: TOELICHTING OP DE BIJLAGEN BIJ DE REGELING BASISVEILIGHEIDSNORMEN
STRALINGSBESCHERMING
Bijlage bij hoofdstuk 2. Rechtvaardiging, optimalisatie, dosislimitering
Bijlage 2.1, behorend bij artikel 2.1 (aanwijzing van categorieën of soorten gerechtvaardigde of
niet-gerechtvaardigde handelingen en maatregelen). Kortheidshalve wordt verwezen naar de
toelichting bij artikel 2.1.
Bijlagen bij hoofdstuk 3. Controlestelsel
Bijlage 3.1, behorend bij artikel 3.1 (aanwijzing van handelingen met van nature voorkomend
radioactief materiaal). Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 3.1.
Bijlage 3.2 behorend bij de artikelen 3.4 en 3.5 (vrijstellings- en vrijgavewaarden). Kortheidshalve
wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.5, tweede lid.
Bijlagen bij hoofdstuk 4. Algemene regels voor bronnen en handelingen in geplande
blootstellingsituaties
Bijlage 4.1, behorend bij de artikelen 1.1 en 4.2 (begrippen en indeling van radioactieve
stoffen in categorieën met het oog op het beveiligingsplan)
De inhoud van deze bijlage is overgenomen uit de eerdergenoemde uitvoeringsregeling. Er is een
aantal praktische wijzigingen aangebracht om de regelgeving beter aan te laten sluiten bij de
beveiligingspraktijk.
Onder de in de tabel, onder categorie 1, vermelde ‘bestraling ten behoeve van sterilisatie en inactivatie
van biologische materiaal, alsmede onderzoek hiernaar’ wordt verstaan het bestralen van
biologische agentia, alsmede het onderzoek daarnaar.
Onder de in de tabel, onder categorie 1, vermelde ‘teletherapie apparatuur’ wordt verstaan zowel
enkele bundel- als multibundel teletherapie apparatuur, zoals bijvoorbeeld een ‘gamma knife’ of
‘MRI-guided intensity modulated radiation therapy’.
Voor de in de tabel, onder categorie 2, vermelde ‘brachytherapie (‘high dose rate’ en ‘medium dose
rate’)’ wordt gekeken naar de doseringscategorie van brachytherapie, welke verwijst naar het
dosistempo waarmee de straling wordt geleverd aan het omringende medium (het doelvolume in de
patiënt) en wordt uitgedrukt in Gray per uur (Gy/h). High dose rate-brachytherapie (HDR) betreft een
dosistempo van meer dan 12 Gy/h aan het omringende medium. Medium dose rate-brachytherapie
(MDR) wordt gekenmerkt door een gemiddeld dosistempo, variërend tussen de 2 en 12 Gy/h aan het
omringende medium.
Onder de in de tabel, onder categorie 3, vermelde ‘hoogactieve bronnen in vaste industriële meetapparatuur’
geldt dat het hier bronnen in vaste meetopstellingen betreft. Ook hoogactieve bronnen in
een vaste installatie aan boord van een baggerschip vallen onder deze categorie.
Afhankelijk van de toepassing of de A/D waarde worden radioactieve stoffen ingedeeld in categorie 1,
2 of 3. Indien in één ruimte verschillende radioactieve stoffen worden gebruik of opgeslagen dan dient
hiermee rekening gehouden te worden bij het bepalen van de categorie-indeling. Indien de categorieindeling
is gebaseerd op de A/D-waarde, dan wordt een gewogen sommatie uitgevoerd van de
activiteiten van de verschillende radioactieve stoffen die in een ruimte aanwezig zijn.
Bijlagen bij hoofdstuk 5. Informatie en deskundigheid
Bijlage 5.1, behorend bij afdeling 5.1, de paragrafen 5.1.1 en 5.1.2 (eisen deskundigheid en opleiding
stralingsbeschermingsdeskundigen).
Bijlage 5.1 bevat eisen die gesteld worden aan de stralingsbeschermingsdeskundige op het niveau
van (algemeen) coördinerend deskundige zowel op het gebied van na- en bijscholing als de kerncompetenties
en overige kwalificaties waaraan de stralingsbeschermingsdeskundige moet voldoen; deze
eisen vormen voorwaarde om in het register te worden ingeschreven.
Bijlage 5.2, behorend bij afdeling 5.2 (eisen deskundigheid en opleiding toezichthoudend
medewerker stralingsbescherming)
Bijlage 5.2 bevat de eisen die worden gesteld aan de nieuwe toepassingsspecifieke opleidingen voor
de toezichthoudend medewerker stralingsbescherming. Deze kerncompetenties en overige kwalificaties
zijn voorbereid door vertegenwoordigers uit de diverse branches/beroepsverenigingen in
samenspraak met de opleiders en het zogenoemde College van Opleiders. De Adviescommissie
132 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018
stralingsbescherming heeft positief geoordeeld over de vereiste kerncompetenties en overige
kwalificaties.
Bijlage 5.3, behorend bij afdeling 5.3 van de Regeling basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
(eisen aan opleidingen voor medisch-radiologische handelingen).
Bijlage 5.3 bevat de eisen die worden gesteld aan de opleiding medisch-radiologische handelingen
voor medisch specialisten die gebruik maken van röntgenapparatuur, voor radiotherapeutenoncologen
en voor radiologen. Deze kerncompetenties zijn opgesteld door vertegenwoordigers van de
desbetreffende beroepsverenigingen in samenspraak met de opleiders en het College van Opleiders.
De Adviescommissie stralingsbescherming heeft positief geoordeeld over deze kerncompetenties.
Bijlage bij hoofdstuk 6. Algemene bepalingen inzake blootstelling
Bijlage 6.1 behorend bij artikel 6.3, eerste lid
Lijst van grondstoffen en bouwmaterialen die gezien de uitgezonden gammastraling in aanmerking
moeten worden genomen, omdat ze kunnen leiden tot een overschrijding van het desbetreffende
referentieniveau van 1 millisievert in een kalenderjaar en om die reden aandacht vragen vanuit het
oogpunt van de stralingsbescherming. Verwezen wordt naar de toelichting op artikel 6.3.
133 Staatscourant 2018 nr. 1349 10 januari 2018