Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: ro_nmt_richtlijn_radiologie_sept_2013.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

Richtlijn Tandheelkundige Radiologie
(Herziening 2013)
Nieuwegein, 23 september 2013
2
Herziene Richtlijn Tandheelkundige Radiologie
Nieuwegein, 23 september 2013
Colofon
Herziene Richtlijn Tandheelkundige Radiologie
De NMT-richtlijn Radiologie is een uitgave van:
De Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT).
Een NMT-richtlijn is een leidraad ten behoeve van de tandheelkundige
praktijkvoering, aangevuld met voorbeelden van formulieren, reglementen en informatie
voor de patiënt, die de tandarts naar eigen inzicht kan aanpassen voor de eigen praktijk.
Eindredactie
drs. Th.A. Goedendorp
prof.dr. P.F. van der Stelt
dhr. C.T.M. Blom
dr. P.N. Post
drs. A.L.L. van Foreest
Productie
NMT afdeling Kennis, Communicatie en Kwaliteit, Nieuwegein
Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT)
Geelgors 1, Postbus 2000
3430 CA Nieuwegein
telefoon 030 607 6276
fax 030 604 89 94
e-mail info@nmt.nl
www.nmt.nl
© Copyright 2013, Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of
openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de uitgever.
3
Inhoudsopgave
Samenstelling van de projectgroep ……………………………………………………………………………………….. 5
1 Gebruikers van de richtlijn ……………………………………………………………………………………………….. 6
2 Inhoud van de richtlijn ……………………………………………………………………………………………………… 6
3 Wet- en regelgeving: Nederlandse wet, Europese richtlijnen …………………………………………….. 7
4 Doel van de richtlijn …………………………………………………………………………………………………………. 7
5 Toelichting op de richtlijn …………………………………………………………………………………………………. 7
6 Uitgangspunten van de richtlijn. ……………………………………………………………………………………….. 8
7 Overzicht aanbevelingen ………………………………………………………………………………………………….. 9
8 Bevoegdheid en deskundigheidsvereisten ……………………………………………………………………… 12
8.1 Zelfstandig bevoegd ………………………………………………………………………………………………….. 12
8.2 Deskundigheidsvereisten……………………………………………………………………………………………. 12
9 Uitgangspunten van de stralingsbescherming ………………………………………………………………… 14
9.1 Drie principes van veilig gebruik van röntgenstraling ……………………………………………………… 14
9.1.1 Rechtvaardiging …………………………………………………………………………………………………………… 14
9.1.2 ALARA ……………………………………………………………………………………………………………………….. 14
9.1.3 Dosislimieten ……………………………………………………………………………………………………………….. 14
9.2 Verplichtingen van de tandarts o.g.v. Besluit Stralingsbescherming ………………………………… 15
9.2.1 Ondernemer (praktijkhouder/ regisseur) …………………………………………………………………………… 15
9.2.2 Stralingsdeskundige ……………………………………………………………………………………………………… 15
9.2.3 (Blootgestelde) werknemer: …………………………………………………………………………………………… 15
10 Tandheelkundige radiologie en patiëntenzorg …………………………………………………………………. 16
10.1 Keuze opnametechniek ……………………………………………………………………………………………… 16
10.2 Zwangerschap ………………………………………………………………………………………………………….. 17
11 Tandheelkundige radiologie en praktijkorganisatie …………………………………………………………. 18
11.1 Stralingsrisicoanalyse en onderhoud apparatuur …………………………………………………………… 18
11.2 Melding en technisch onderhoud van röntgenapparatuur voor de tandheelkundige praktijk … 19
11.3 Deskundigheidseisen van de tandarts op grond van het Besluit Stralingsbescherming ………. 19
11.3.1 Opdracht geven voor het maken van röntgenopnamen ……………………………………………………… 20
11.4 Inhoud KEW dossier voor de praktijk …………………………………………………………………………… 21
11.5 Mobiele röntgenapparaten ………………………………………………………………………………………….. 22
12 ConeBeam computer tomografie (CBCT) ………………………………………………………………………… 23
12.1 Bevoegdheid …………………………………………………………………………………………………………….. 23
12.2 Delegeren ………………………………………………………………………………………………………………… 23
12.3 Onderhoud aan CBCT apparatuur ………………………………………………………………………………. 23
12.4 Verantwoordelijkheid van de professie …………………………………………………………………………. 25
13 Literatuuroverzicht …………………………………………………………………………………………………………. 26
13.1 Richtlijnen en wetgeving …………………………………………………………………………………………….. 26
13.2 Selectie van wetenschappelijke artikelen ……………………………………………………………………… 27
14 Wijze van tot stand komen ……………………………………………………………………………………………… 31
15 Noten …………………………………………………………………………………………………………………………….. 32
Noot 1 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 32
Noot 2 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 33
Noot 3 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 34
4
Noot 4 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 35
Noot 5 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 36
Noot 6 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 37
Noot 7 …………………………………………………………………………………………………………………………….. 38
16 Bijlagen ………………………………………………………………………………………………………………………….. 39
Bijlage 1: Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten ……………………………. 39
Bijlage 2: Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door tandartsen …. 42
Bijlage 3: Formulieren voor het aanvragen van een vergunning of het melden van een toestel ….. 45
Bijlage 4: Voorbeeldprotocollen voor het vervaardigen van intra- en extraorale opnamen …………. 46
Bijlage 5: Stralingsrisicoanalyse en evaluatie ………………………………………………………………………. 49
Bijlage 6: Acceptatietest en kwaliteitscontrole ……………………………………………………………………… 50
Bijlage 7: De inhoud van het KEW-dossier ………………………………………………………………………….. 55
Bijlage 8: Relevante websites en adressen …………………………………………………………………………. 57
Bijlage 9: Onderhoud aan CBCT apparatuur ……………………………………………………………………….. 58
5
Samenstelling van de projectgroep
Deze richtlijn is samengesteld door de projectgroep Richtlijn Tandheelkundige Radiologie van de
Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde in samenwerking met de afdeling Orale
en Maxillofaciale Radiologie van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA).
Leden projectgroep:
drs. Th. A. Goedendorp namens de NMT (voorzitter)
prof.dr. P.F. van der Stelt vanuit ACTA (adviseur)
C.T.M. Blom vanuit Applus RTD BUA NL (adviseur)
dr. P.N. Post, namens de NMT
drs. A.L.L. van Foreest, namens de NMT (secretaris)
6
1 Gebruikers van de richtlijn
Deze richtlijn is bedoeld voor de praktijkhouders en (tandarts-) medewerkers van een tandarts- en
tandartsspecialistenpraktijk. Indien in de richtlijn gesproken wordt over tandartsen, tandheelkunde,
tandartspraktijk e.d. dan vallen hieronder tevens:
 de orthodontisten;
 de MKA-chirurgen.
2 Inhoud van de richtlijn
De tandheelkundige radiologie behelst het gebruik van röntgenstraling voor het afbeelden van
structuren in het hoofd-halsgebied en het interpreteren van deze beelden ten behoeve van een
tandheelkundige klinische vraagstelling. Behalve het feitelijk maken van de opname, valt hieronder
ook het verwijzen van een patiënt voor een opname dan wel het opdracht geven aan een derde tot het
maken van opnamen, het interpreteren van de opname en de verslaglegging van de röntgenologische
bevindingen.
De richtlijn is gebaseerd op de vereisten van het Besluit Stralingsbescherming en de daaruit
voortvloeiende verantwoordelijkheid van de tandarts-praktijkhouder (ondernemer) en de tandartsstralingsdeskundige
van de praktijk waar een röntgentoestel wordt gebruikt. Voor de praktische
uitwerking van het Besluit Stralingsbescherming zijn de European Guidelines on Radiation Protection
in Dental Radiology (2004) de leidraad geweest (zie bijlage 6). Voor de verschillende aspecten van
dosisreductie, stralingsbescherming en deskundigheidseisen worden aanbevelingen gedaan voor de
uitvoering in de praktijk.
Bij deze herziene versie van de richtlijn is het van groot belang aandacht te besteden aan ConeBeam
Computer Tomografie (CBCT). Deze driedimensionale beeldvormende techniek heeft de afgelopen
jaren een grote opmars gemaakt binnen de tandheelkunde. Aan de richtlijn is daarom een paragraaf
over de toepassing van CBCT toegevoegd. Deze is gebaseerd op de Europese Richtlijn Cone Beam
CT for Dental and Maxillofacial Radiology (zie bijlage 8).
Vanuit het veld waren er vragen over wie welke verantwoordelijkheid draagt omtrent de toepassing
van röntgendiagnostiek in de tandheelkunde. Omdat hierover in de praktijk misverstanden bestaan,
wordt er in deze herziene versie van de richtlijn ook aandacht besteed aan de thema’s bevoegdheid,
deskundigheidseisen en opdracht geven voor het maken van röntgenopnames aan andere
zorgverleners.
Anderzijds zijn er ook algemene kanttekeningen te plaatsen over het technisch onderhoud aan
röntgen- (en gerelateerde) apparatuur en de keuring van röntgenapparatuur en wordt er ingegaan op
hoe de goede werking van de röntgenapparatuur dient te worden geborgd.
Op grond van deze overwegingen is het document als volgt opgebouwd:
Na het gedeelte over het doel van de richtlijn (hoofdstuk 4), de bijbehorende toelichting op de richtlijn
(hoofdstuk 5), de uitgangspunten van de richtlijn (hoofdstuk 8) en een samenvatting van de
aanbevelingen (hoofdstuk 7), wordt in hoofdstuk 8 een uiteenzetting gedaan over de
stralingsbevoegdheid van de tandarts om röntgenfoto’s te nemen. Daarna wordt in hoofdstuk 9
ingegaan op de uitgangspunten van de stralingsbescherming. Daarin wordt o.m. aandacht besteed
aan de drie principes voor het veilig gebruik van röntgenstraling volgens de International Commission
on Radiological Protection (ICRP) welke ook worden gehanteerd in het Besluit Stralingsbescherming.
In hoofdstuk 10 Tandheelkundige radiologie en patiëntenzorg wordt ingegaan op de indicatiestelling
en de daarmee samenhangende keuze van de opname techniek. Vervolgens wordt in hoofdstuk 11
7
aandacht besteed aan de praktijkorganisatie. Het laatste gedeelte (hoofdstuk 12) gaat over de
ConeBeam CT.
3 Wet- en regelgeving: Nederlandse wet, Europese richtlijnen
De richtlijn is gebaseerd op de vereisten van het Besluit Stralingsbescherming en de daaruit
voortvloeiende verantwoordelijkheid van de tandarts-praktijkhouder (ondernemer) en de tandartsstralingsdeskundige
van de praktijk waar een röntgentoestel wordt gebruikt. Voor de praktische
uitwerking van het Besluit Stralingsbescherming zijn de European Guidelines on Radiation Protection
in Dental Radiology (2004) de leidraad geweest (zie bijlage 6). Voortschrijdend inzicht heeft de
wetgever ertoe gebracht wijzigingen aan te brengen in de functies en de functiebeschrijvingen van
personen die bij de toepassing van röntgenstraling betrokken zijn. In het nieuwe Besluit
stralingsbescherming dat per 1 januari 2014 in werking is getreden, zijn bijvoorbeeld de functies
‘algemeen coördinerend deskundige’, ‘coördinerend deskundige’ en ‘toezichthoudend deskundige’
geïntroduceerd. Voor de tandarts, die eindverantwoordelijk is en blijft voor de toepassing van
röntgenstraling in zijn praktijk, is de functie ‘toezichthoudend deskundige’ van toepassing. Omdat dat
toezicht dus vanzelfsprekend is en teneinde de duurzaamheid van deze richtlijn te bevorderen, wordt
de eerder gehanteerde aanduiding ‘stralingsdeskundige’ voor de tandarts gehandhaafd.
4 Doel van de richtlijn
De richtlijn tandheelkundige radiologie is gericht op een verantwoorde en effectieve uitvoering van de
röntgendiagnostiek in de tandheelkunde en geeft aanbevelingen voor een juiste toepassing van
röntgenstraling in het kader van de tandheelkundige diagnostiek.
De richtlijn heeft tot doel om bij te dragen aan een veilige toepassing van straling ter bescherming van
zowel praktijkmedewerkers als patiënten en andere personen die zich in of om de praktijk bevinden.
Verder biedt de richtlijn ondersteuning aan de tandarts als stralingsdeskundige om in voorkomende
gevallen keuzes te kunnen maken.
5 Toelichting op de richtlijn
Röntgenopnamen worden frequent gebruikt in de tandheelkunde. Ze bieden informatie over de
tandheelkundige gezondheidssituatie van de patiënt die op een andere wijze niet verkregen kan
worden. Deze informatie dient te worden gebruikt als aanvulling op de klinische informatie ter
ondersteuning van de diagnostiek en de behandelplanning. Naar schatting worden er in Nederland per
jaar tussen de 7 en 9 miljoen röntgenfoto’s (intra-orale en panoramische opnamen) vervaardigd in de
tandheelkunde. Het is bekend dat blootstelling aan röntgenstraling nadelige effecten kan hebben. Per
tandheelkundige opname is de blootstelling aan röntgenstraling (effectieve dosis) voor de individuele
patiënt weliswaar gering, maar de hoge frequentie van de opnamen in de praktijk maakt het
noodzakelijk een optimale werkwijze bij de toepassing van röntgenstraling in acht te nemen. De totale
dosis voor de bevolking als geheel is door het grote aantal opnamen wel significant.
Stralingsbeschermende maatregelen betreffen:
 de patiënt;
 de tandarts;
 overige praktijkmedewerkers en personen aanwezig in de praktijk;
 personen in de omgeving (buiten de terreingrens van het praktijkpand).
De tandarts is als regisseur van het zorgproces én stralingsdeskundige daarbij de eerst
verantwoordelijke voor een goede uitvoering van de procedures die betrekking hebben op zowel een
effectieve toepassing van de stralingsbescherming als een adequate röntgendiagnostiek. In het
Besluit Stralingsbescherming is geregeld aan welke deskundigheidseisen de tandarts dient te
8
voldoen. Tevens is daarin geregeld dat de goede werking van de röntgenapparatuur dient te worden
verzekerd, en welke maatregelen moeten worden genomen in de praktijk om te garanderen dat de
dosislimieten voor personen in en nabij de praktijk (zoals passanten) niet worden overschreden.
6 Uitgangspunten van de richtlijn.
Voor de richtlijn tandheelkundige radiologie is als uitgangspunt genomen dat de tandarts de regisseur
is binnen de tandheelkundige zorg. Deze centrale rol is gebaseerd op de bevoegdheden en
verantwoordelijkheden die de tandarts vanuit de wetgeving heeft gekregen. De titelbescherming als
tandarts conform de wet BIG en daaruit voortvloeiende bevoegdheid die de tandarts heeft om
zelfstandig voorbehouden handelingen uit te voeren in combinatie met de tandheelkundige studie
waarin de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten (voorheen
stralingsdeskundige 5A/M) zijn opgenomen, vormen hiervoor de basis.
In de praktijk is de tandarts de eerstverantwoordelijke voor de veilige en juiste toepassing van
röntgenstraling ten behoeve van diagnostiek. Onder bepaalde voorwaarden kunnen taken
gedelegeerd worden maar de tandarts blijft te allen tijde de eindverantwoording houden (zie noot 6).
In de praktijk kunnen tandartsen zowel als werkgever/ondernemer en als werknemer functioneren. De
werkgever/ondernemer heeft de eindverantwoordelijkheid voor de stralingsbescherming, maar de
uitvoering daarvan wordt formeel opgedragen aan een tandarts-werknemer als stralingsdeskundige.
Dat geldt ook voor een praktijkhouder die geen tandarts is; deze mag het apparaat wel aanschaffen,
maar hij mag er niets mee doen. Dat moet onder toezicht van de stralingsdeskundige die hij moet
aanwijzen/benoemen.
Onderstaand schema geeft de verantwoordelijkheden schematisch weer, zie ook paragraaf 9.2.
9
7 Overzicht aanbevelingen
Bevoegdheid en deskundigheidsvereisten
Iedere tandarts dient door scholing aantoonbaar aan de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen
en Orthodontisten (voorheen deskundigheidsniveau 5A/M) te voldoen om bevoegd te zijn
röntgenfoto’s te indiceren of maken. Als bewijs daarvan dient de tandarts een verklaring te kunnen
overleggen waaruit blijkt dat hij het vereiste deskundigheidsniveau bezit. Dit kan worden bewaard in
het KEW-dossier. Het curriculum van de huidige opleiding tot tandarts voldoet aan deze eisen.
Daarom wordt bij het afstuderen, tezamen met het tandartsdiploma, een dergelijke verklaring
uitgereikt. Voor tandartsen die langer geleden zijn afgestudeerd, of de verklaring niet kunnen
overleggen, bestaan er cursussen in het post-academisch onderwijs tandheelkunde die tot de vereiste
kennis leiden.
Het bijhouden van kennis over de tandheelkundige radiologie door middel van scholing is vereist. In
de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten is opgenomen welke
onderwerpen dit betreft. Zie hoofdstuk 16, bijlage 1.
Tandheelkundige radiologie en patiëntenzorg
Röntgenopnamen mogen alleen worden gemaakt op grond van een individuele indicatie, naar
aanleiding van een diagnostische vraagstelling, mede gebaseerd op klinische inspectie.
De herhalingsfrequentie van opnamen en de keuze van de meest geschikte opnametechniek worden
bepaald aan de hand van de individuele diagnostische vraagstelling.
De indicatie tot de röntgenopname (rechtvaardiging) en de uitkomst van de interpretatie van intraorale-,
panorama-, CBCT-opnamen en röntgenschedelprofielfoto’s moeten altijd worden vermeld in
het patiëntendossier. Bij solo- of bitewing foto’s is het niet altijd noodzakelijk om de aanleiding tot de
opname in het patiëntendossier vast te leggen als er sprake is van het maken van een opname in
directe samenhang met de behandeling (opsporen pijnklachten, lengtebepalingen). Dat zelfde geldt
voor foto’s die met een bepaalde individuele frequentie gemaakt worden; bijvoorbeeld ten behoeve
van cariësonderzoek. De met de opname verkregen informatie moet dan wel worden vastgelegd in het
dossier (gemeten lengte; aangetroffen caviteiten).
In het patiëntendossier worden ook waarnemingen vastgelegd die bij toeval op deze opname
zichtbaar zijn en die nader onderzoek en/of behandeling vereisen.
In het patiëntendossier worden eveneens waarnemingen vastgelegd die op deze opnamen zichtbaar
zijn en die buiten het deskundigheidsgebied van de zorgverlener vallen, maar waarvoor verwijzing
naar een andere zorgverlener nodig of wenselijk is. Dit heeft betrekking op de bevindingen die
afwijken van het normale en waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze behandeling
behoeven.
In het patiëntendossier moet worden vastgelegd welke zorgverlener de opname heeft gemaakt.
De patiënt wordt vooraf geïnformeerd over de reden voor het maken van een röntgenopname.
10
Tijdens zwangerschap van de patiënt kunnen opnamen worden gemaakt indien daar een
rechtvaardiging voor bestaat. Rekening moet worden gehouden met de effectieve dosis van de
verschillende type opnames (intra-oraal-/panorama-opname/rontgenschedelprofielfoto/CBCTopname).
Om psychologische redenen kan men niet-urgente opnamen uitstellen tot na de bevalling.
Informeer de patiënt hierover en leg dit vast in het dossier.
Tandheelkundige radiologie en Praktijkorganisatie
Indien stralingreducerende maatregelen tegen acceptabele kosten kunnen worden geïmplementeerd,
is toepassing hiervan vereist (ALARA-principe).
Vanuit het ALARA-principe dient bij het maken van een opname gebruik te worden gemaakt van Fspeed
films of een digitaal systeem, rechthoekige begrenzing van de röntgenbundel. Ook wordt
gebruik gemaakt van instelapparatuur bij het maken van de opnamen, tenzij er zeer dringende
redenen zijn dit niet te doen.
De tandarts als stralingsdeskundige stelt vast of de effectieve dosis voor de verschillende categorieën
personen in en om de praktijk beneden de dosislimiet blijft en bepaalt zo nodig de te nemen
maatregelen om dit te bereiken. De stralingsrisicoanalyse is het hiervoor geëigende hulpmiddel. De
stralingsrisicoanalyse moet worden getoetst door een coördinerend deskundige.
In een groepspraktijk of een kliniek waar meerdere tandartsen werken, treedt een van de tandartsen
op als tandarts-stralingsdeskundige. Voor de overige tandartsen geldt echter wel dat zij kennis
volgens de Eindtermen voor tandartsen en orthodontisten moeten hebben; zij bepalen immers ook de
indicatie en de keuze van de opnametechniek en moeten daarvoor voldoende inzicht hebben in de
dosis die hiermee gepaard gaat. De tandarts-stralingsdeskundige wordt schriftelijk aangesteld door de
praktijkhouder.
Wanneer sprake is van het in opdracht uitvoeren van het maken van röntgenopnamen, is er een
algemene schriftelijke instructie in de praktijk aanwezig waarin de te volgen werkwijze zorgvuldig is
beschreven. De uitvoerenden hebben instructie gekregen van de tandarts-stralingsdeskundige en zijn
zich van hun verantwoordelijkheid bewust en ook de opdrachtgever heeft zich vergewist van hun
kennis en vaardigheid.
De tandarts-stralingsdeskundige is verantwoordelijk voor het (laten) maken en het beoordelen van een
stralingsrisicoanalyse van de praktijk. Indien dit nog niet gebeurd is in verband met de melding van het
toestel, dan moet dit alsnog worden gedaan. De tandarts kan de stralingsrisicoanalyse indien gewenst
door een derde laten uitvoeren maar blijft zelf verantwoordelijk voor de interpretatie ervan. Bij elke
nieuwe stralingsrisicoanalyse is een toetsing door een coördinerend stralingsdeskundige (voorheen
stralingsdeskundige 2/3) vereist.
Als uit de stralingsrisicoanalyse blijkt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om de dosislimiet niet
te overschrijden, dan stelt de tandarts-stralingsdeskundige vast welke maatregel(en) genomen moeten
worden en draagt zorg voor de uitvoering daarvan.
11
Indien een werknemer, ondanks het toepassen van ALARA en extra afscherming, een effectieve dosis
kan ontvangen die hoger is dan 1 mSv/jaar dan zal deze werknemer moeten worden aangemerkt als
blootgesteld werknemer. Het gevolg hiervan is dat persoonsdosimetrie moet worden toegepast.
Voor het in opdracht maken van röntgenopnamen zijn schriftelijke instructies opgesteld door de
tandartsstralingsdeskundige, waarin de werkwijze en verantwoordelijkheden worden beschreven. De
uitvoerenden hebben instructie gekregen van de tandarts-stralingsdeskundige en zijn zich van hun
verantwoordelijkheid bewust; de opdrachtgever heeft zich vergewist van hun kennis en vaardigheid.
ConeBeam computer tomografie (CBCT)
Iedere tandarts die CBCT-opnamen (in eigen beheer) maakt of die een aanvraag voor CBCTopnamen
doet (verwijzing), moet tenminste beschikken over deskundigheid volgens de Eindtermen
Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten (voorheen stralingsdeskundigheid 5A/M) én de
Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door tandartsen.
Bij toepassing van CBCT is deskundigheid vereist voor het instellen van de juiste opnameparameters.
Het is bij toepassing van CBCT apparatuur nodig om dosisbeperkende maatregelen te treffen volgens
het ALARA-principe.
CBCT toestellen mogen alleen maar worden geïnstalleerd in een voldoende afgeschermde ruimte.
De stralingsdeskundige dient er voor te zorgen dat de goede werking van het röntgentoestel jaarlijks
wordt gecontroleerd met het oog op het veilig gebruik van ioniserende straling.
12
8 Bevoegdheid en deskundigheidsvereisten
8.1 Zelfstandig bevoegd
Ingevolge de Wet BIG en de Kernenergiewet zijn tandartsen bevoegd tot het verrichten van
handelingen, in het kader van de individuele gezondheidszorg, gebruikmakend van radioactieve
stoffen of toestellen die ioniserende straling uitzenden, mits zij aantoonbaar over relevante
deskundigheid beschikken.
Europese lidstaten zijn verplicht de Europese richtlijnen te implementeren in de wetgeving van die
lidstaat. Voor Nederland is dat gedaan in het medische hoofdstuk in het Besluit Stralingsbescherming
(hoofdstuk 6). In de toelichting bij artikel 54 van het BS staat aangegeven dat voor alle (tand)artsen
geldt dat pas sprake is van deskundigheid tot het verrichten van handelingen leidend tot blootstelling
van personen aan straling, indien is voldaan aan het vereiste deskundigheidsniveau zoals bepaald in
de ministeriele regeling daarvoor. Voor de tandheelkunde zijn dit de Eindtermen Stralingshygiëne voor
Tandartsen en Orthodontisten en voor gebruikers van CBCT bovendien de Eindtermen
Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door tandartsen (zie bijlage 1 en 2). De
deskundigheid moet zijn verkregen bij een door de Minister erkende opleiding daarvoor.
Zodra aan deze deskundigheidseisen is voldaan is de tandarts bevoegd tot het verrichten van de
voorbehouden handeling zoals bepaald in art.36, lid 8 van de wet BIG. Daarvoor moet hij niet alleen
over stralingshygiënische deskundigheid beschikken maar ook bekwaam zijn in de toepassing van
relevante diagnostische en therapeutische technieken.
8.2 Deskundigheidsvereisten
Wat de deskundigheid precies inhoudt, wordt beschreven in documenten zoals de ICRP-Richtlijn 113
en de European Ruichtlijn Guidelines on education and training in radiation protection for medical
exposures. De Gezondheidsraad adviseert de ICRP-richtlijn (Vaño et al, 2009) als uitgangspunt te
nemen om de inhoud van de opleiding van stralingshygiënisch gekwalificeerde beroepsbeoefenaren,
zoals tandartsen, vorm te geven (Gezondheidsraad, 2008) hetgeen nu is gebeurd in de Eindtermen,
welke deel uitmaken van het Besluit Stralingsbescherming.
Iedere tandarts dient door scholing aantoonbaar het deskundigheidsniveau volgens de Eindtermen
Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten of hoger te voldoen om bevoegd te zijn
röntgenfoto’s te indiceren of maken. Deze verklaring, samen met het tandartsdiploma, geldt als bewijs
van bevoegdheid tot het maken van röntgenopnamen.
 Tandartsen die het certificaat niet hebben gekregen, worden geacht deze deskundigheid niet
te hebben. Deze tandartsen dienen een nascholingscursus te volgen teneinde deze
deskundigheid te verkrijgen;
 Voor buitenlandse tandartsen geldt dat buitenlandse stralingsdiploma’s niet per definitie
gelijkgesteld kunnen worden met het Nederlandse diploma, omdat een buitenlands
stralingsdiploma doorgaans niet de Nederlandse wet- en regelgeving zal hebben omvat.
Doorgaans geldt dat pas als een buitenlandse tandarts de cursus voor stralingsdeskundige
met succes heeft gevolgd hij/zij bevoegd is voor het mogen gebruiken van röntgentoestellen of
het opdracht geven tot het maken van röntgenopnamen.
13
 Aanbevelingen
Iedere tandarts dient door scholing aantoonbaar aan de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen
en Orthodontisten (voorheen deskundigheidsniveau 5A/M) of hoger te voldoen om bevoegd te zijn
röntgenfoto’s te indiceren of maken. Als bewijs daarvan dient de tandarts een verklaring te kunnen
overleggen waaruit blijkt dat hij het vereiste deskundigheidsniveau bezit. Dit kan worden bewaard in
het KEW dossier. Het curriculum van de huidige opleiding tot tandarts voldoet aan deze eisen.
Daarom wordt bij het afstuderen, tezamen met het tandartsdiploma, een dergelijke verklaring
uitgereikt. Voor tandartsen die langer geleden zijn afgestudeerd, of de verklaring niet kunnen
overleggen, bestaan er cursussen in het post-academisch onderwijs tandheelkunde die tot de vereiste
kennis leiden.
Het bijhouden van kennis over de tandheelkundige radiologie door middel van scholing is vereist. In
de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten is opgenomen welke
onderwerpen dit betreft. Zie hoofdstuk16, bijlage 1.
14
9 Uitgangspunten van de stralingsbescherming
9.1 Drie principes van veilig gebruik van röntgenstraling
Het veilig gebruik van röntgenstraling zoals dat is beschreven in het Besluit Stralingsbescherming,
berust op drie principes:
 Rechtvaardiging;
 ALARA;
 Dosislimieten.
Deze principes zijn ontwikkeld door de International Commission on Radiological Protection (ICRP; zie
noot 1).
9.1.1 Rechtvaardiging
De rechtvaardiging houdt in dat een opname alleen mag worden gemaakt als daar een medische
reden voor is en het voordeel van die opname voor de patiënt opweegt tegen de kans op nadelige
effecten. Het is de tandarts die deze afweging zal moeten maken, omdat hij op grond van zijn
opleiding kan vaststellen welke aanvullende informatie hij nodig acht en wat het beoogde doel is in het
kader van de behandeling (de mondhygiënist mag opnamen alleen in opdracht van een tandarts
maken). Deze afweging kan vrijwel altijd pas worden gemaakt nadat een klinisch onderzoek heeft
plaatsgevonden. Om die reden is het niet gerechtvaardigd opnamen te maken op routinebasis, omdat
dan niet eerst kan worden vastgesteld:
 of de patiënt in die specifieke situatie baat heeft bij de opnamen;
 of de diagnose niet ook gesteld kan worden zonder de opnamen;
 of dat de behandeling ook uit te voeren zou zijn zonder de opnamen.
9.1.2 ALARA
ALARA is de afkorting van As Low As Reasonably Achievable. Dit betekent dat wanneer is besloten
een opname te maken, dit met een zo laag mogelijke dosis dient plaats te vinden als redelijkerwijs
haalbaar is (zie noot 2). Hiermee wordt bedoeld dat de hoeveelheid belastende röntgenstraling zo
laag mogelijk gehouden dient te worden door die passende beschermende maatregelen toe te passen
die economisch haalbaar zijn en het risico beperken tot een sociaal aanvaardbaar niveau.
Maatregelen die hieronder vallen zijn bijvoorbeeld het gebruik van F speed films en toepassing van
een rechthoekig diafragma ter verkleining van de veldgrootte in overeenstemming met de afmetingen
van de film of sensor. Een loodkraag kan, mits goed toegepast, bij kinderen een reductie van de
schildklierdosis geven (zie noot 2). Voor de dosisbeperking van werknemers van de kliniek en van
leden van de bevolking binnen en buiten de locatie kan worden gedacht aan afgeschermde ruimtes en
vergroting van de afstand tussen werknemer en röntgentoestel.
ALARA is geen vrijblijvende aanbeveling, maar is een verplichting rekening houdend met de
economische implicaties en sociale aanvaardbaarheid van restrisico’s.
9.1.3 Dosislimieten
Dosislimieten geven aan wat de maximaal toegestane jaarlijkse effectieve dosis röntgenstraling is voor
leden van de bevolking binnen en buiten de locatie en voor werknemers van de praktijk. Indien men
na het toepassen van ALARA beneden de dosislimiet blijft, is het risico aanvaardbaar; dit neemt niet
weg dat men er altijd naar moet streven zo ver mogelijk onder de dosislimiet te blijven. De
dosislimieten voor leden van de bevolking binnen en buiten de locatie en voor werknemers van de
praktijk zijn vermeld in noot 3. Mocht een werknemer, ondanks het toepassen van ALARA en extra
afscherming, een effectieve dosis kunnen ontvangen die hoger is dan 1 mSv/jaar dan zal deze
werknemer moeten worden aangemerkt als blootgesteld werknemer. Het gevolg hiervan is dat
persoonsdosimetrie moet worden toegepast (art. 87 Bs).
15
Voor patiënten geldt geen dosislimiet. Men moet er immers van uit gaan dat de rechtvaardiging en het
ALARA principe de dosis al op een aanvaardbaar niveau voor de patiënt hebben gebracht, waarbij het
nut van de opnamen voor de patiënt opwegen tegen de mogelijke schade als gevolg van de straling.
Indien een werknemer, ondanks het toepassen van ALARA en extra afscherming, een effectieve dosis
kan ontvangen die hoger is dan 1 mSv/jaar dan zal deze werknemer moeten worden aangemerkt als
blootgesteld werknemer. Het gevolg hiervan is dat persoonsdosimetrie moet worden toegepast.
9.2 Verplichtingen van de tandarts o.g.v. Besluit Stralingsbescherming
De tandarts kan in drie functies betrokken zijn bij de uitvoering van voorschriften uit het Besluit
Stralingsbescherming. Afhankelijk van de praktijkorganisatie kunnen een of meer van deze functies
terechtkomen bij één enkele persoon (zie noot 4).
9.2.1 Ondernemer (praktijkhouder/ regisseur)
De praktijkhouder is de juridische eigenaar van het röntgentoestel. De praktijkhouder heeft de taak er
voor te zorgen dat de dosis van personen die in of rondom de praktijk aan röntgenstraling (kunnen)
worden blootgesteld zo laag mogelijk is. De praktijkhouder die geen tandarts is moet een
stralingsdeskundige benoemen die verantwoordelijk is voor deze taak. Als de praktijkhouder wel
tandarts is kan hij er voor kiezen zelf als stralingsdeskundige op te treden, danwel een tandarts
medewerker de functie van stralingsdeskundige te laten vervullen.
De dosis binnen de locatie (maar buiten de ruimte van het röntgentoestel) mag in elk geval niet meer
bedragen dan 1 mSv/jr. Buiten de locatie kan als vuistregel voor een tandheelkundige praktijk een
dosislimiet van 0,01 mSv/jr worden aangehouden.
9.2.2 Stralingsdeskundige
De stralingsdeskundige is vereist op locaties waar stralingshandelingen worden uitgevoerd. Hieronder
valt dus het gebruik van een tandheelkundig röntgentoestel. De tandarts-stralingsdeskundige is
verantwoordelijk voor het (laten) maken en beoordelen van de stralingsrisicoanalyse van de praktijk
(zie hiervoor de ‘stralingsrisicoanalyse’ en de bijlagen). Hij is ook verantwoordelijk voor het gebruik van
röntgenapparatuur en stelt schriftelijke instructies beschikbaar aan praktijkmedewerkers die in
opdracht opnamen maken, bijvoorbeeld een mondhygiënist(e). Daarnaast draagt hij zorg voor
periodieke keuring van de deugdelijke werking van de apparatuur (zie ook hoofdstuk 10).
9.2.3 (Blootgestelde) werknemer:
Werknemers van de praktijk kunnen aan een verhoogde dosis worden blootgesteld als gevolg van het
gebruik van het röntgentoestel. De definities van ‘werknemer’ en ‘blootgestelde werknemer’ staan in
het Besluit Stralingsbescherming. Er is sprake van een blootgestelde werknemer wanneer deze
werknemer gedurende zijn werktijd ten gevolge van handelingen (toepassing van het röntgentoestel in
dit geval) een blootstelling ondergaat die kan leiden tot een dosis die hoger is dan 1 mSv/kalenderjaar.
Of deze kans aanwezig is, kan worden uitgewezen door een stralingsrisicoanalyse. In dat geval is
persoonsdosimetrie vereist. Als de risicoanalyse aangeeft dat de kans op een verhoogde dosis (meer
dan 1 mSv/jr.) niet reëel is, dan is er geen persoonsdosimetrie vereist. Dit zal in de tandheelkundige
praktijk vrijwel altijd het geval zijn, maar dit moet wel worden aangetoond. Ter controle kan men in dat
geval natuurlijk wel persoonsdosimetrie door middel van badges toepassen, maar verplicht is dit niet.
Als men in zo’n geval persoonsdosimetrie toepast, geven de kwartaalbadges de meest betrouwbare
informatie.
Indien de stralingsrisicoanalyse aangeeft dat er een kans is op een dosis hoger dan 1mSv/jr, dan is
persoonsdosimetrie wel verplicht. De dosismeter moet worden betrokken van een erkende
dosimetrische dienst en de uitleestermijn mag niet langer zijn dan 5 weken (potentiele dosis >6
mSv/jr) of 3 maanden (bij een mogelijke dosis 1-6 mSv/jr). Een medewerkster die zwanger is mag
vanaf het tijdstip waarop zij haar zwangerschap heeft gemeld aan de werkgever, tot aan de bevalling
aan niet meer dan 1 mSv worden blootgesteld tijdens haar werkzaamheden. In de tandartspraktijk is
het stralingsniveau over de gehele periode van de zwangerschap doorgaans beneden de 1 mSv/jr
16
zodat er geen aanvullende maatregelen voor dosisreductie in acht behoeven te worden genomen als
de betrokken medewerkster zich tijdens het maken van de opnamen niet in dezelfde ruimte bevindt als
waar de opnamen worden gemaakt.
Gebaseerd op bovenstaande uitgangspunten worden hierna de aanbevelingen vermeld voor een
juiste en veilige toepassing van röntgenstraling in de tandheelkundige praktijk. Er is een onderscheid
gemaakt naar aanbevelingen die betrekking hebben op de toepassing van röntgenstraling bij
patiëntenzorg (‘het maken van de röntgenopnamen’) en de praktijkorganisatorische maatregelen.
10 Tandheelkundige radiologie en patiëntenzorg
10.1 Keuze opnametechniek
Het is de verantwoordelijkheid van de tandarts de indicatie tot het wel of niet vervaardigen van een
opname te stellen.
De indicatiestelling voor röntgenopnamen is afhankelijk van de diagnostische vraagstelling of de
zorgvraag. Dit volgt direct uit het eerste principe van de stralingsbescherming, namelijk de regel van
de rechtvaardiging. Dat heeft ook tot gevolg dat de keuze voor het maken van een opname pas kan
worden bepaald na het uitvoeren van klinisch onderzoek bij de patiënt. Het maken van opnamen om
administratieve redenen of met een vaste tijdsinterval zonder noodzaak is niet toegestaan.
 Aanbeveling
Röntgenopnamen mogen alleen worden gemaakt op grond van een individuele indicatie, naar
aanleiding van een diagnostische vraagstelling, mede gebaseerd op klinische inspectie.
De keuze van de opnametechniek is eveneens afhankelijk van de indicatiestelling en de gewenste
informatie die met de opnamen moet worden verkregen. In de European Guidelines on Radiation
Protection in Dental Radiology (zie noot 1) wordt op een systematische wijze een overzicht gegeven
met betrekking tot de frequentie van opnamen en de meest geschikte opnametechniek afhankelijk van
de diagnostische vraagstelling. Vergelijkbare aanwijzingen voor CBCT-opnamen worden gegeven in
een andere Europese publicatie: Cone Beam CT for dental and Maxillofacial Radiology, evidence
based guidelines.
Als twee opnametechnieken vergelijkbare diagnostische informatie opleveren, wordt de techniek met
de laagste dosis voor de patiënt gekozen. De effectieve dosis voor de patiënt van een panoramische
opname komt overeen met ongeveer 5 periapicale opnamen (F-speed). Het is echter minstens zo
belangrijk de techniek te kiezen die de beste informatie geeft. Zo is een panoramische opname niet de
eerste keuze voor de diagnostiek van cariës en het specifiek beoordelen van het botniveau. Hiervoor
zijn bite-wing opnamen meer geschikt, omdat de detailweergave van deze opnamen beter is dan die
van een panorama-opname. Een panorama-opname kan echter wel weer de meest aangewezen
opnametechniek zijn voor het beoordelen van ontwikkelingsstoornissen in het wisselgebit, van
multiple geïmpacteerde elementen of van grote afwijkingen, omdat het afgebeelde gebied op een
panorama-opname aanzienlijk meer is dan dat op periapicale of bitewing opnamen. Uit de verhouding
van de effectieve dosis van een panorama-opname en van periapicale opnamen zou men de
conclusie kunnen trekken dat patiënten waarbij meer dan 5 periapicale opnamen moeten worden
gemaakt, beter uit zijn met een panorama-opname. Recent onderzoek heeft echter aangetoond dat de
beperkte detailweergave van een panorama-opname er vaak toe leidt dat er toch aanvullende
periapicale opnamen worden gemaakt, waarmee het voordeel van de lagere dosis wegvalt. Selectieve
periapicale opnamen blijken in dat geval de meest gunstige (dosis) en meest effectieve (diagnostische
informatie) keuze te zijn.
Zowel de indicatie tot de röntgenopname (rechtvaardiging) en de uitkomst van de interpretatie van die
opname moeten worden vermeld in het patiëntendossier. Hierin dient ook te worden vastgelegd welke
zorgverlener de opname heeft gemaakt. Bij solo- of bitewing foto’s is het niet altijd noodzakelijk om de
aanleiding tot de opname in het patiëntendossier vast te leggen als er sprake is van het maken van
17
een opname in directe samenhang met de behandeling (opsporen pijnklachten, lengtebepalingen).
Dat zelfde geldt voor foto’s die met een bepaalde individuele frequentie gemaakt worden; bijvoorbeeld
ten behoeve van cariësonderzoek. De met de opname verkregen informatie moet dan wel worden
vastgelegd in het dossier (gemeten lengte; aangetroffen caviteiten). Ook wanneer er sprake is van
waarnemingen die bij toeval op de opname zichtbaar zijn, is het vastleggen van bevindingen in het
patiëntendossier aangewezen.
 Aanbeveling
De herhalingsfrequentie van opnamen en de keuze van de meest geschikte opnametechniek worden
bepaald aan de hand van de individuele diagnostische vraagstelling.
De indicatie tot de röntgenopname (rechtvaardiging) en de uitkomst van de interpretatie van intraorale,
panorama-, röntgenschedelprofielfoto’s en CBCT-opnamen moeten altijd worden vermeld in het
patiëntendossier. Bij solo- of bitewing foto’s is het niet altijd noodzakelijk om de aanleiding tot de
opname in het patiëntendossier vast te leggen als er sprake is van het maken van een opname in
directe samenhang met de behandeling (opsporen pijnklachten, lengtebepalingen). Dat zelfde geldt
voor foto’s die met een bepaalde individuele frequentie gemaakt worden; bijvoorbeeld ten behoeve
van cariësonderzoek. De met de opname verkregen informatie moet dan wel worden vastgelegd in het
dossier (gemeten lengte; aangetroffen caviteiten).
In het patiëntendossier worden ook waarnemingen vastgelegd die bij toeval op deze opname
zichtbaar zijn en die nader onderzoek en/of behandeling vereisen.
In het patiëntendossier worden eveneens waarnemingen vastgelegd die op deze opnamen zichtbaar
zijn en die buiten het deskundigheidsgebied van de zorgverlener vallen, maar waarvoor verwijzing
naar een andere zorgverlener nodig of wenselijk is. Dit heeft betrekking op de bevindingen die
afwijken van het normale en waarvan men redelijkerwijs kan vermoeden dat deze behandeling
behoeven.
In het patiëntendossier dient te worden vastgelegd welke zorgverlener de opname heeft gemaakt.
De patiënt wordt vooraf geïnformeerd over de reden voor het maken van een röntgenopname.
10.2 Zwangerschap
Zwangerschap van de patiënt behoeft geen contra-indicatie voor röntgenonderzoek te zijn. De dosis
op het onderlichaam en daarmee op het ongeboren kind is niet merkbaar verhoogd bij
tandheelkundige opnamen, althans indien alle aanbevelingen voor de apparatuur en de
opnametechniek worden toegepast. Indien er een tandheelkundige aanleiding is om een opname te
maken, bijvoorbeeld bij een pijnklacht, dan kan die opname worden gemaakt. Om psychologische
redenen kan men niet-urgente opnamen uitstellen tot na de bevalling. Bij een panorama-opname mag
nooit een loodschort worden gebruikt, omdat dit in de bundel kan komen en artefacten kan
veroorzaken. Bij de CBCT is de bundel ook gefixeerd gericht en volgens voorschrift maximaal
gecollimeerd. Daarmee wordt al een maximale beperking van de secundaire straling bereikt.
18
 Aanbeveling
Tijdens zwangerschap van de patiënt kunnen opnamen worden gemaakt indien daar een
rechtvaardiging voor bestaat. Rekening moet worden gehouden met de effectieve dosis van de
verschillende type opnames (intra-oraal/panorama/ röntgenschedelprofielfoto/CBCT). Om
psychologische redenen kan men niet-urgente opnamen uitstellen tot na de bevalling. Informeer de
patiënt hierover en leg dit vast in het dossier.
11 Tandheelkundige radiologie en praktijkorganisatie
Hieronder staat een overzicht van aanbevelingen die betrekking hebben op de drie taakgebieden die
samenhangen met de toepassing van röntgenstraling in de tandartspraktijk (praktijkhouder,
stralingsdeskundige en (blootgestelde) werknemer). Houdt hierbij voor ogen dat de jaarlijkse
dosislimiet niet mag worden overschreden.
De praktijkhouder/ regisseur biedt faciliteiten voor het adequaat verrichten van tandheelkundige
handelingen en heeft de eindverantwoordelijkheid in algemene zin. Hieronder valt ook de
verantwoorde en veilige toepassing van röntgenstraling. De volgende aanbevelingen zijn voor de
praktijkhouder van toepassing:
 Aanbevelingen
Indien stralingreducerende maatregelen tegen acceptabele kosten kunnen worden geïmplementeerd,
is toepassing hiervan vereist (ALARA-principe).
Vanuit het ALARA-principe dient bij het maken van een opname gebruik te worden gemaakt van Fspeed
films of een digitaal systeem, rechthoekige begrenzing van de röntgenbundel, en wordt gebruik
gemaakt van instelapparatuur bij het maken van de opnamen, tenzij er zeer dringende redenen zijn dit
niet te doen.
De tandarts als stralingsdeskundige stelt vast of de effectieve dosis voor de verschillende categorieën
personen in en om de praktijk beneden de dosislimiet blijft en bepaalt zo nodig de te nemen
maatregelen om dit te bereiken. De stralingsrisicoanalyse is het hiervoor geëigende hulpmiddel. De
stralingsrisicoanalyse moet worden getoetst door een coördinerend deskundoge.
In een groepspraktijk of een kliniek waar meerdere tandartsen werken, treedt een van de tandartsen
op als tandarts-stralingsdeskundige. Voor de overige tandartsen geldt echter wel dat zij kennis
volgens de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten moeten hebben; zij
bepalen immers ook de indicatie en de keuze van de opnametechniek en moeten daarvoor voldoende
inzicht hebben in de dosis die hiermee gepaard gaat. De tandarts-stralingsdeskundige wordt
schriftelijk aangesteld door de praktijkhouder.
Wanneer sprake is van het in opdracht uitvoeren van het maken van röntgenopnamen, is er een
algemene schriftelijke instructie in de praktijk aanwezig waarin de te volgen werkwijze zorgvuldig is
beschreven. De uitvoerenden hebben instructie gekregen van de tandarts-stralingsdeskundige en zijn
zich van hun verantwoordelijkheid bewust en ook de opdrachtgever heeft zich vergewist van hun
kennis en vaardigheid..
11.1 Stralingsrisicoanalyse en onderhoud apparatuur
De stralingsrisicoanalyse is bedoeld om vast te stellen of de effectieve dosislimiet in en rondom de
praktijk niet wordt overschreden (zie bijlage 5). De analyse kan worden uitgevoerd door op een aantal
19
relevante plaatsen de dosis te meten tijdens het maken van röntgenopnamen. Het kan echter
praktischer zijn om een berekening te maken van de mogelijke dosis in ruimten rondom de plaats van
het röntgentoestel. Het maken van deze berekening is betrekkelijk eenvoudig en kan door de tandarts
zelf worden uitgevoerd, eventueel na het volgen van een cursus waarvan het opstellen van een
stralingsrisicoanalyse onderdeel is (zie ook bij Noot 4 en bijlage 5). Met ingang van het nieuwe Besluit
Stralingsbescherming mag de tandarts de stralingsrisicoanalyse nog steeds zelf uitvoeren, maar moet
elke nieuwe keuring wel ter toetsing naar een coördinerend deskundige (voorheen
stralingsdeskundige 2/3) gestuurd worden.
 Aanbeveling
De tandarts-stralingsdeskundige is verantwoordelijk voor het (laten) maken en het beoordelen van een
stralingsrisicoanalyse van de praktijk. Indien dit nog niet gebeurd is in verband met de melding van het
toestel, dan moet dit alsnog worden gedaan. De tandarts kan de stralingsrisicoanalyse indien gewenst
door een derde laten uitvoeren maar blijft zelf verantwoordelijk voor de interpretatie ervan. Bij elke
nieuwe stralingsrisicoanalyse is een toetsing door een coördinerend stralingsdeskundige (voorheen
stralingsdeskundige 2/3) vereist.
Indien er in de praktijk ruimtes zijn waar een kans is op een effectieve jaardosis van meer dan
1 mSv dan dienen daar waarschuwingssymbolen aangebracht te worden (zie noot 5).
Een stralingsrisicoanalyse is niet alleen relevant bij het bepalen van de huidige stralingsbelasting op
ruimten rondom de behandelkamer, maar kan ook van pas komen voorafgaande aan een verbouwing.
Deze risicoanalyse wordt dan gebruikt om vast te stellen of aan de eisen van stralingsveiligheid zal
worden voldaan, en of er wel of geen aanvullende afscherming nodig is. met alle financiële en
bouwtechnische consequenties van dien. Een stralingsrisicoanalyse kan op deze manier inzicht geven
in de benodigde afschermende maatregelen en daardoor kostenbesparend zijn.
11.2 Melding en technisch onderhoud van röntgenapparatuur voor de
tandheelkundige praktijk
Voordat een toestel in gebruik mag worden genomen, moet het toestel gemeld worden bij de overheid
(namens deze het Agentschap-NL) of er moet vergunning voor worden aangevraagd. Melding volstaat
bij toestellen met een maximale buisspanning tot 100 kV. Bij toestellen met een buisspanning van 100
kV en hoger is vergunning vereist. Onderdeel van deze melding/aanvraag is een
stralingsrisicoanalyse. De tandarts kan deze stralingsrisicoanalyse zelf (laten) uitvoeren, maar het
Agentschap-NL kan de risicoanalyse alsnog controleren bij het indienen van de melding Nadat het
toestel is geïnstalleerd dient de tandarts-stralingsdeskundige een acceptatietest uit te voeren of uit te
laten voeren door derden (art. 67 Besluit Stralingsbescherming). Dit geldt ook na het verplaatsen van
een röntgentoestel. Na de acceptatietest zal periodiek een prestatie of statustest moeten worden
uitgevoerd. Deze testen bestaat uit het meten van verschillende parameters per toestelsoort. In bijlage
4 staat vermeld welke parameters per toestelsoort met welke frequentie geadviseerd worden te
controleren.
11.3 Deskundigheidseisen van de tandarts op grond van het Besluit
Stralingsbescherming
De tandarts-stralingsdeskundige is verantwoordelijk voor de stralingsrisicoinventarisatie en –analyse,
de melding van het röntgentoestel, de instructie van eventuele medewerkers aan wie het maken van
röntgenopnamen wordt gedelegeerd en de juiste werking van de apparatuur (zie Noot 6).
 Aanbeveling
Als uit de stralingsrisicoanalyse blijkt dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om de dosislimiet niet
te overschrijden, dan stelt de tandarts-stralingsdeskundige vast welke maatregel(en) genomen moeten
worden en draagt zorg voor de uitvoering daarvan.
20
11.3.1 Opdracht geven voor het maken van röntgenopnamen
In de tandheelkunde wordt steeds meer gewerkt volgens het teamconcept, waarin naast tandartsen
ook andere zorgverleners in opdracht risicovolle handelingen verrichten. De kwaliteit van de
tandheelkundige zorg is dan ook niet langer het resultaat van het werk van één tandarts, maar van
samenwerking van verschillende tandheelkundige zorgverleners.
Toepassing van straling ten behoeve van röntgendiagnostiek is een aan artsen en tandartsen
voorbehouden handeling. Röntgendiagnostiek bestaat uit (minstens) drie onderdelen:
1. indicatiestelling voor het maken röntgenopname (tijdens klinisch onderzoek),
2. het instellen van röntgenapparatuur en het daadwerkelijk maken van de opname,
3. het interpreteren van het resultaat van de röntgenopnamen.
De indicatiestelling en de interpretatie blijft de taak en verantwoordelijkheid van de tandarts. Het
instellen van röntgenapparatuur en het daadwerkelijk maken van de opname kan in opdracht door
anderen worden uitgevoerd.
Het uitvoeren van een voorbehouden handeling in opdracht moet aan de daarvoor geldende
wetgeving (Wet BIG) voldoen (degene aan wie gedelegeerd wordt moet zich o.m. bekwaam vinden en
dat moet ook controleerbaar zijn). De tandarts blijft eindverantwoordelijk en moet in staat zijn om
toezicht te houden en zo nodig in te grijpen.
In het Besluit Stralingsbescherming (BS) staat dat een ieder die stralingshandelingen verricht
deskundig moet zijn. Indien een tandarts opdracht geeft tot het maken van röntgenopnamen, dan kan
dit alleen als degene die de opdracht aanvaardt deskundig is in de zin van het Besluit
Stralingsbescherming.
Binnen de tandartspraktijk kan een tandarts opdracht geven voor het instellen van röntgenapparatuur
en het daadwerkelijk maken van de opname1 aan de volgende professionals:
 Tandheelkundig geschoolden maar niet zelfstandig bevoegden
Hierbij kan worden gedacht aan tandartsen zonder voldoende stralingsdeskundigheid of in het
buitenland opgeleide maar niet-BIG-geregistreerde tandartsen of tandheelkundige studenten.
De zelfstandig bevoegde tandarts moet op de hoogte zijn van hun bekwaamheid om de
opdracht uit te voeren alvorens opdracht te verlenen om röntgenfoto’s te maken. Het maken
van röntgenopnamen kan alleen onder toezicht van de bevoegde tandarts worden uitgevoerd.
 Mondhygiënisten:
Het toepassen van röntgenstralen is een voorbehouden handeling die mondhygiënisten niet
functioneel zelfstandig mogen uitvoeren (dus alleen in opdracht van de tandarts). Het
uitvoeren van tandheelkundig beeldvormend diagnostisch onderzoek maakt onderdeel uit van
het deskundigheidsgebied van mondhygiënisten, voor zover het binnen het wettelijk
omschreven deskundigheidsgebied blijft.
 Assistenten
Het instellen van röntgenapparatuur en het daadwerkelijk maken van de opname (zie
onderdeel 2, pag. 20, laatste alinea) kan worden opgedragen aan tandartsassistenten mits:
 de tandarts zich ervan heeft vergewist dat de assistent bekwaam is voor het uitvoeren
van deze handelingen;
1 Voorwaarden voor opdracht geven voor het maken van röntgenopnamen intra-oraal, panorama en
Röntgen Schedelprofielfoto (RSP); vooralsnog niet van toepassing op ConeBeam CT.
21
 de tandartsassistent een additionele externe opleiding radiologie heeft afgelegd.
Opmerking 1: in het algemeen wordt aangenomen dat voor het bewijzen van
bekwaamheid tenminste noodzakelijk is dat er toezicht door derden (professionals in het
opleidingscircuit) op de opleiding is ( 2008-01-IGZ , RTC Amsterdam 04/107T). Gezien de
beperkte opleidingscapaciteit geldt echter in dit geval tot 2018, dat de bekwaamheid van
de tandartsassistent ook middels een, door de tandarts gegeven interne opleiding
radiologie aangetoond kan worden.
Opmerking 2 Indien de tandartsassistent een MBO-diploma tandarts assistent heeft
behaald, wordt voldaan aan bovenstaande voorwaarde, te weten de additionele externe
opleiding.
 de assistent zichzelf ook bekwaam acht (zij/hij mag een opdracht weigeren);
 de mogelijkheid tot toezicht en tussenkomst is verzekerd (een tandarts is fysiek in de
praktijk aanwezig).
Als bewijs voor bekwaamheid dient de tandartsassistent aan te tonen dat een degelijke scholing op
het gebied van röntgenopnametechniek is gevolgd. De inhoud van de additionele cursus bestaat ten
minste uit:
Kennis omtrent:
 Eigenschappen van straling.
 Gevaren van straling.
 Bescherming tegen straling.
 Basale anatomie en röntgenanatomie.
 Herkennen van fouten in opname en filmverwerking.
 Gebruik apparatuur.
Vaardigheid in:
 Plaatsen van film of sensor m.b.v. instelapparatuur en richten van röntgentoestel voor
bitewing- en solo-röntgenfoto’s.
 Plaatsen en voorbereiden van de patiënt voor een panoramische opname.
 Het bedienen van de apparatuur.
 Aanbeveling
Voor het in opdracht maken van röntgenopnamen zijn schriftelijke instructies opgesteld door de
tandartsstralingsdeskundige waarin de werkwijze en verantwoordelijkheden worden beschreven. De
uitvoerenden hebben instructie gekregen van de tandarts-stralingsdeskundige en zijn zich van hun
verantwoordelijkheid bewust; de opdrachtgever heeft zich vergewist van hun kennis en vaardigheid
11.4 Inhoud KEW dossier voor de praktijk
De tandarts dient een dossier aan te leggen van de documenten die betrekking hebben op de
stralingsbescherming in de praktijk. Dit dossier wordt het KEW-dossier genoemd (Kernenergiewet
dossier, Noot 7).
Dit dossier bevat minimaal de documenten welke de deskundigheid van de tandarts en andere leden
van het team voor de voor hen relevante activiteiten aantonen, en die welke betrekking hebben op de
22
ingebruikname van röntgenapparatuur en het onderhoud daarvan, de stralingsrisicoinventarisatie en
voor zover relevant de uitkomsten van de persoonsdosimetrie (Kernenergiewet dossier, zie bijlage 5
voor de inhoud).
11.5 Mobiele röntgenapparaten
Vanuit veiligheidsoogpunt is mobiele röntgenapparatuur voor intra-orale opnamen (ook wel hand-held
toestellen genoemd) voor de reguliere patiëntenzorg in tandartspraktijken ongewenst.
Deze draagbare röntgenapparaten hebben als nadeel dat ze in principe alleen kunnen worden
gebruikt als de gebruiker binnen armlengte van de patiënt staat. Dit is in tegenstelling tot de algemene
regel om een redelijke afstand te houden van bij voorkeur meer dan 2 meter. De meerwaarde van
deze mobiele röntgenapparaten is beperkt in een normale tandheelkundige praktijk en alleen
gerechtvaardigd in situaties waar adequate zorg op de locatie waar de patiënt verblijft ontbreekt en
hij/zij moeilijk te verplaatsen is én voor forensische doeleinden (zoals postmortaal gebitsonderzoek in
primitieve omstandigheden).
Het gebruik van dit soort mobiele apparatuur in de beschreven uitzonderingssituaties, vereist ook dat
er aanvullende maatregelen voor stralingsbescherming worden genomen, zoals persoonsdosimetrie
voor de gebruiker en een adequate afscherming voor omstanders.
23
12 ConeBeam computer tomografie (CBCT)
Een vrij nieuwe ontwikkeling is de toepassing van CBCT-toestellen in de mondzorg. Een kenmerk van
deze opnametechniek is dat er beeldinformatie over een (drie-dimensionaal) volume wordt verzameld,
en niet slechts als twee-dimensionaal projectiebeeld. Alhoewel dit in principe meer informatie oplevert,
is de daarvoor vereiste dosis ook aanzienlijk hoger dan die van de traditionele tandheelkundige
opnametechnieken. CBCT mag dan ook alleen worden toegepast in die situaties waarin tweedimensionale
informatie niet volstaat voor het beantwoorden van de diagnostische vraagstelling.
Toepassing vereist een zorgvuldige indicatiestelling en deskundig gebruik van de apparatuur. Bij
gebruik van CBCT is, vanwege de hogere dosis dan andere opnametechnieken in de tandheelkunde,
nog meer aandacht vereist voor stralingsbeperkende maatregelen. Deze worden hier
volledigheidshalve nog een keer gegeven.
12.1 Bevoegdheid
Iedere tandarts die CBCT-opnames (in eigen beheer) maakt of die een aanvraag voor CBCTopnames
doet (verwijzing), moet tenminste beschikken over deskundigheid volgens de Eindtermen
Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door tandartsen. Dit certificaat omvat in
aanvulling op de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten nadere scholing op
het gebied van eigenschappen van CBCT, kenmerken van CBCT-apparatuur (inclusief de keuze van
de meest geschikte apparatuur), gevolgen van de keuze van opname-instellingen,
stralingsbescherming, kwaliteitsbewaking en interpretatie van 3D volumes. De tandarts moet tevens
op de hoogte zijn van de indicatiestelling voor CBCT-onderzoek en een afweging kunnen maken
tussen CBCT en andere beschikbare opnametechnieken. De criteria die gegeven zijn in de Europese
richtlijn gepubliceerd in Radiation Protection 172 zijn bepalend in de beoordeling van de
indicatiestelling. De indicatiestelling kan worden aangepast op basis van aanvullende veldnormen van
de tandheelkundige wetenschappelijke verenigingen, binnen de kaders van genoemde richtlijn. Deze
indicatiestellingen zijn vervat in het Standpunt NMT: CBCT in de mondzorg.
Iedere tandarts die CBCT-opnamen (in eigen beheer) maakt of die een aanvraag voor CBCTopnamen
doet (verwijzing), moet tenminste beschikken over stralingsdeskundigheid volgens de
Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten (voorheen stralingsdeskundigheid
5A/M) én de Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door tandartsen.
12.2 Delegeren
Voor medewerkers aan wie tandartsen taken delegeren geldt dat zij een aantoonbare instructie van de
leverancier of tandarts hebben ontvangen met betrekking tot het apparaat.. Taakdelegatie bij CBCTopnamen
moet zich beperken tot het positioneren van de patiënt, het instellen van de apparatuur en
het maken van een opname. Voor de delegatie van taken moet een schriftelijke instructie opgesteld
zijn waarin de werkwijze en verantwoordelijkheden zijn beschreven. De opdracht mag alleen gegeven
door een deskundige tandarts aan een deskundige medewerker.
12.3 Onderhoud aan CBCT apparatuur
Om aan de wetgeving te voldoen moet een röntgentoestel getoetst kunnen worden aan de volgende
aspecten. Nieuw te gebruiken apparatuur moet, indien uitvoerbaar, een voorziening hebben waarmee
kan worden gezien hoeveel straling een patiënt ontvangt bij het maken van een opname (momenteel
is dit nog niet aanwezig op alle toestellen). Het advies is om te streven naar het gebruik van toestellen
die zijn voorzien van een digitale weergave van het dosis oppervlakte product. Dit is voor alle
toestellen en patiënten een vergelijkbare waarde. Röntgentoestellen dienen voorzien te zijn van een
filter om de stralingsdosis van de patiënt te verminderen. Het zogenaamde field of view (FOV) van het
24
toestel moet kunnen worden ingesteld afhankelijk van het uit te voeren onderzoek. (artikel 68 Besluit
Stralingsbescherming).
Om aan het ALARA-principe te voldoen moet bij het maken van opnamen worden gedacht aan de
volgende dosisbeperkende maatregelen. Bij de instelling van de patiënt moet een zo klein mogelijk
field of view worden toegepast waarbij de benodigde data kunnen worden verzameld. De bediening
van het toestel tijdens de opname moet buiten de kamer zijn (of vanachter een afschermende wand)
en de effectieve dosis voor werknemers van een praktijk moet zo laag als redelijkerwijs mogelijk
blijven. Hiervoor gelden de eerder beschreven jaarlijkse dosislimieten. Het is hierom noodzakelijk
CBCT toestellen alleen maar te installeren in een voldoende afgeschermde ruimte. De toe te passen
afscherming kan worden berekend op basis van een risicoinventarisatie. Hiervoor kan men de
informatie van de fabrikant gebruiken met betrekking tot isodosecurves rondom het toestel. Bij het
bedieningspaneel buiten de ruimte moet direct of indirect (d.m.v. spiegel of camera) toezicht zijn op de
patiënt. Dit is om de opname te kunnen afbreken als daar een reden voor is. Tevens moet de
noodstop van het toestel aan de buitenkant van de kamer te bereiken zijn. Mocht een werknemer,
ondanks het toepassen van ALARA en extra afscherming, een effectieve dosis kunnen ontvangen die
hoger is dan 1 mSv/jaar dan zal deze werknemer moeten worden aangemerkt als blootgesteld
werknemer. Het gevolg hiervan is dat persoonsdosimetrie moet worden toegepast (art. 87 Bs).
Tevens moet de ondernemer ervoor zorgen dat de goede werking van röntgentoestellen, dus ook van
het CBCT-toestel, regelmatig wordt gecontroleerd met het oog op de bescherming tegen ioniserende
straling (art. 18-2b Bs.). Dit kan door de controle van de in bijlage 9 genoemde parameters, waarin
ook de termijnen staan waarop deze parameters moeten worden gecontroleerd.
In het Besluit Stralingsbescherming wordt gesproken over de rol van de klinisch fysicus bij
stralingsbeschermingsaspecten bij toepassing van CBCT-verrichtingen. In de tandheelkundige praktijk
zal hier slechts in zeer hoge uitzonderingsgevallen sprake van zijn. Het is dan ook voldoende als er
met een klinisch fysicus afspraken over mogelijke bereikbaarheid worden gemaakt.
In bijlage 9 wordt aangegeven welk onderhoud aan CBCT apparatuur noodzakelijk is en met welke
frequentie.
 Aanbevelingen
Bij toepassing van CBCT is deskundigheid vereist voor het instellen van de juiste opnameparameters.
Het is bij toepassing van CBCT apparatuur nodig om dosisbeperkende maatregelen te treffen volgens
het ALARA-principe.
CBCT toestellen mogen alleen maar worden geïnstalleerd in een voldoende afgeschermde ruimte.
De stralingsdeskundige dient er voor te zorgen dat de goede werking van röntgentoestellen jaarlijks
wordt gecontroleerd met het oog op het veilig gebruik van ioniserende straling.
25
Besluit
Deze richtlijn beperkt zich tot de meest relevante aspecten van de toepassing van röntgenstraling en
de uitvoering van de stralingsbescherming in de tandartspraktijk. Het is bedoeld als ondersteuning van
de tandarts als stralingsdeskundige om in voorkomende gevallen gefundeerde keuzen te kunnen
maken. Ook in gevallen die niet expliciet beschreven zijn in deze richtlijn moet hij echter de juiste
beslissing kunnen nemen. Hij moet zich er daarom steeds van bewust zijn dat hij op grond van zijn
opleiding en de veronderstelde kennis van röntgenstraling verantwoordelijk is voor verantwoorde
toepassing van röntgenstraling in de praktijk. Hieronder valt ook controle op de goede werking van
apparatuur en juiste toepassing van de instructies door de gebruikers van die röntgenapparatuur. Hij
zal zich daarom op het gebied van de radiologie, evenzeer als hij dat doet voor andere gebieden van
de tandheelkunde, regelmatig op de hoogte moeten stellen van nieuwe ontwikkelingen en in vervolg
hierop de vereiste maatregelen treffen. Alleen op deze wijze kan de tandheelkundige
röntgendiagnostiek een veilige en effectieve rol blijven spelen in de tandheelkundige diagnostiek.
12.4 Verantwoordelijkheid van de professie
In het NMT-standpunt CBCT in de mondzorg, wordt nader uiteengezet hoe verantwoord om te gaan
met de CBCT. Het standpunt dient in samenhang met deze richtlijn gelezen en geïnterpreteerd te
worden.
26
13 Literatuuroverzicht
13.1 Richtlijnen en wetgeving
Besluit van, houdende vaststelling van het Besluit stralingsbescherming
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Jaargang 2001, 397.
Besluit van 18 december 2012, tot wijziging van het Besluit Stralingsbescherming. Staatsblad van het
Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2013, 33.
European guidelines on radiation protection in dental radiology. The safe use of radiographs in dental
practice. Radiation Protection 136. European Commission, 2004.
Cone Beam CT for dental and Maxillofacial radiology; evidence based guidelines. Radiation Protection
172, European Commission, 2012.
Gezondheidsraad. Persoonsdosimetrie bij beroepsmatige blootstelling aan ioniserende
straling. Den Haag: Gezondheidsraad, 2008; publicatienr. 2008/07.
Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen
tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van
Richtlijn 84/466/Euratom Publicatieblad Nr. L 180 van 09/07/1997 blz. 0022 – 0027.
Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en
de veiligheid van werknemers tegen risico’s van chemische agentia op het werk (14e bijzondere
richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG) Publicatieblad Nr. L 131 van
05/05/1998 blz. 0011 – 0023.
Regeling waarschuwingssignalering ioniserende straling.
Staatscourant 5 maart 2002, nr. 45, p 23
ICRP Publication 93: Managing Patient Dose in Digital Radiology,
ICRP, 2004. ISBN: 0-08-044469-5.
Vaño E, Rosenstein M, Liniecki J, Rehani M, Martin C.J, Vetter, R.J. ICRP Publication 113.
Education and Training in Radiological Protection for Diagnostic and Interventional Procedures
Ann. ICRP 39 (5), 2009.
Selection Criteria for Dental Radiography.
Faculty of General Dental Practitioners, Royal College of Surgeons of England, London, 2004, ISBN:
0-9543451-1-8
Richtlijn patiëntendossier, Praktijkwijzer ‘WGBO in de praktijk’. NMT, 2006 (wordt momenteel herzien;
zie www.nmt.nl voor actuele richtlijn).
American Dental Association Council on Scientific Affairs. The use of
cone-beam computed tomography in dentistry: an advisory statement from the
American Dental Association Council on Scientific Affairs. J Am Dent Assoc. 2012;143:899-902.
27
13.2 Selectie van wetenschappelijke artikelen
Araki K, Patil S, Endo A, Okano T. Dose indices in dental cone beam CT and
correlation with dose-area product. Dentomaxillofac Radiol. 2013;42:20120362
Arnold LV. De afscherming van röntgenruimten in de tandheelkunde. NedTijdschrTandheelkd 1976;
83: 382-391.
Berkhout WE, Sanderink GC, Van der Stelt PF. A comparison of digital and film radiography in Dutch
dental practices assessed by questionnaire. DentomaxillofacRadiol 2002; 31:93-99.
Berkhout, W. E. R., D. A. Beuger, G. C. H. Sanderink, and P. F. van der Stelt. 2002. The dynamic
range of digital radiographic systems -dose reduction or risk of over exposure?
DentomaxillofacialRadiol 2004; 33:1-5.
Cederberg RA, Frederiksen NL, Benson BW, Sokolowski TW. Effect of the geometry of the intraoral
position-indicating device on effective dose. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral RadiolEndod 1997;
84:101-109.
Chadwick BL, Dummer PH. Factors affecting the diagnostic quality of bitewing
radiographs: a review. Br Dent J. 1998;184:80-84
Cohnen M, Kemper J, Möbes O, Pawelzik J, Mödder U. Radiation dose in dental radiology. EurRadiol
2002; 12: 634–637.
Cole A, McMichael A. Audit of dental practice record-keeping: a
PCT-coordinated clinical audit by Worcestershire dentists. Prim Dent Care. 2009;16:85-93
Danforth RA, Clark DE. Effective dose from radiation absorbed during a panoramic examination with a
new generation machine. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral RadiolEndod 2000; 89: 236–243.
deHaan R, van Aken J, The effective dose equivalent to the operator in intra-oral dental radiography.
Dentomaxillofacial Radiology 1990; 19: 113–118
Dula K, Sanderink G, van der Stelt PF, Mini R, Buser D. Effects of dose reduction on the detectability
of standardized radiolucent lesions in digital panoramic radiography. Oral Surg Oral Med Oral Pathol
Oral RadiolEndod 1998; 86: 227–233.
Dula K, Mini R, van der Stelt PF, Buser D. The radiographic assessment of implant patients: decisionmaking
criteria. Int J Oral Maxillofac Implants 2001; 16:80-89.
Fanning B. The establishment of a diagnostic reference level for intra-oral
dental radiography in Co. Wicklow. J Ir Dent Assoc. 2008 ;54:181-183
Fuhrmann AW. Current practice in conventional and digital intraoral
radiography: problems and solutions. Int J Comput Dent. 2006; 9:61-8
Gijbels F, Sanderink G, Serhal CB, Pauwels H, and Jacobs R. Organ doses and subjective image
quality of indirect digital panoramic radiography Dentomaxillofac. Radiol. 2001 30: 308-313.
Gijbels F, Jacobs R, Sanderink G, De Smet E, Nowak B, Van Dam J, Van Steenberghe D. A
comparison of the effective dose from scanography with periapical radiography.Dentomaxillofac.
Radiol, 2002 31: 159-163.
28
Gijbels F, Jacobs R, Debaveye D, Bogaerts R, Verlinden S, Sanderink G. Dosimetry of digital
panoramic imaging. Part I: patient exposure. DentomaxillofacRadiol 2005; 34: 145–149.
Gijbels F, Jacobs R, Debaveye D, Bogaerts R, Verlinden S, Sanderink G. Dosimetry of digital
panoramic imaging. Part II: occupational exposure. DentomaxillofacRadiol 2005; 34: 150–153.
Han S, Lee B, Shin G, Choi J, Kim J, Park C, Park H, Lee K, Kim Y. Dose area
product measurement for diagnostic reference levels and analysis of patient dose
in dental radiography. Radiat Prot Dosimetry. 2012 ;150:523-531
Harris D, Horner K, Gröndahl K, Jacobs R, Helmrot E, Benic GI, Bornstein MM, Dawood A, Quirynen
M. E.A.O. guidelines for the use of diagnostic imaging in implant dentistry 2011. A consensus
workshop organized by the European Association for Osseointegration at the Medical University of
Warsaw.Clin Oral Implants Res 2012; 23; 1243-1253
Hart D, Hillier MC, Wall BF. National reference doses for common radiographic,
fluoroscopic and dental X-ray examinations in the UK. Br J Radiol. 2009; 82:1-12
Hart G, Dugdale M. Radiation protection in dental X-ray surgeries–still rooms
for improvement. Br Dent J. 2013 ;214:E16
Hellén-Halme K, Nilsson M, Petersson A. Digital radiography in general dental
practice: a field study. Dentomaxillofac Radiol. 2007; 36:249-255
Hellstern F, Geibel MA. Quality assurance in digital dental
radiography–justification and dose reduction in dental and maxillofacial
radiology. Int J Comput Dent. 2012;15:35-44
Helmrot E, Thilander-Klang A. Methods for monitoring patient dose in dental
radiology. Radiat Prot Dosimetry. 2010 ;139: 303-305
Horner K, Jacobs R, Schulze R. Dental CBCT equipment and performance issues.
Radiat Prot Dosimetry. 2013; 153:212-218
Horner K. Radiographic selection criteria: new guidelines, old challenges. Br
Dent J. 2013; 214:201-203.
Jacobs R. Dental cone beam CT and its justified use in oral health care.
JBR-BTR. 2011; 94: 254-265. Review
Koong B. Cone beam imaging: is this the ultimate imaging modality? Clin Oral
Implants Res. 2010 ;21:1201-1208
Kuroyanagi K, Hayakawa Y, Fujimori H, Sugiyama T. Distribution of scattered radiation during intraoral
radiography with the patient in supine position. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral RadiolEndod
1998; 85: 736–741.
Lecomber AR, Faulkner K. Conference Proceeding: Dose and risk in Dental Radiography,
Luxembourg 1997. Reference Doses and Quality in Medical Imaging: What the referring practitioner
and directing medical staff should know. RadiatProtDosimetry 1998; 80:23-25.
Lecomber AR, Downes SL, Mokhtari M, Faulkner K. Optimisation of patient doses in programmable
dental panoramic radiography. DentomaxillofacRadiol 2000; 29: 107–112.
29
Looe HK, Pfaffenberger A, Chofor N, Eenboom F, Sering M, Rühmann A, Poplawski
A, Willborn K, Poppe B. Radiation exposure to children in intraoral dental
radiology. Radiat Prot Dosimetry. 2006;121:461-465
Ludlow JB, Davies-Ludlow LE, Brooks SL. Dosimetry of two extraoral direct digital imaging devices:
NewTom cone beam CT and Orthophos Plus DS panoramic unit. DentomaxillofacRadiol 2003; 32:
229–234.
Ludlow JB, Ivanovic M. Comparative dosimetry of dental CBCT devices and
64-slice CT for oral and maxillofacial radiology. Oral Surg Oral Med Oral Pathol
Oral Radiol Endod. 2008 ;106:106-114
Miller L. The use of limited-field cone beam tomography in endodontics. J Mass
Dent Soc. 2013; 61:20-22
Orafi I, Rushton VE. A questionnaire study to derive information on the
working environment, clinical training, use of ancillary staff and optimization
of patient radiation dose within UK dental practice. Int Endod J. 2012;45:763-772
Pauwels R, Theodorakou C, Walker A, Bosmans H, Jacobs R, Horner K, Bogaerts
R; SEDENTEXCT Project Consortium. Dose distribution for dental cone beam CT and
its implication for defining a dose index. Dentomaxillofac Radiol. 2012;41::583-593
Poppe B, Looe HK, Pfaffenberger A, Eenboom F, Chofor N, Sering M, Rühmann A,
Poplawski A, Willborn K. Radiation exposure and dose evaluation in intraoral
dental radiology. Radiat Prot Dosimetry. 2007;123:262-267
Rout J, Brown J. Lonizing radiation regulations and the dental practitioner:
3. Quality assurance in dental radiography. Dent Update. 2012 ;39:334-336,
338-339
Rout J, Brown J. Ionizing radiation regulations and the dental practitioner:
2. Regulations for the use of X-rays in dentistry. Dent Update. 2012; 39:248-2450, 252-253
Rushton MN, Rushton VE. A study to determine the added value of 740 screening
panoramic radiographs compared to intraoral radiography in the management of
adult (>18 years) dentate patients in a primary care setting. J Dent. 2012;40:661-669
Rushton VE, Horner K, Worthington HV. Aspects of panoramic radiography in
general dental practice. Br Dent J. 1999; 186: 342-344
Scarfe WC. Radiation risk in low-dose maxillofacial radiography. Oral Surg
Oral Med Oral Pathol Oral Radiol. 2012;114:277-280
Schmidt K, Velders XL, van Ginkel FC, van der Stelt PF. Het gebruik van een loodkraag bij intra-orale
röntgenopnamen. NedTijdschrTandheelkd 1998; 105:209-212.
Starritt H, Faulner P, Wankling K, Cranley K, Robertson J, Young K. 1991. Quality Assurance in dental
radiology 67. IPSM, York, UK. van der Stelt PF. Principles of digital imaging. Dent Clin North Am.
2000; 44:237-248.
30
Van der Stelt PF. Filmless imaging: the uses of digital radiography in dental practice. J Am DentAssoc
2005;136:1379-1387.
Velders XL, van Aken J, van der Stelt PF. Risk assessment from bitewing radiography.
DentomaxillofacRadiol 1991; 20:209-213.
Walker C, van der Putten W. Patient dosimetry and a novel approach to
establishing Diagnostic Reference Levels in dental radiology. Phys Med. 2012; 28:7-12
Walker A. Summary of: radiation protection in dental X-ray surgeries–still
rooms for improvement. Br Dent J. 2013; 214:300-301
White SC. Assessment of radiation risk from dental radiography. Dentomaxillofac Radiol 1992; 21:
118–126.
White SC, Heslop EW, Hollender LG, Mosier KM, Ruprecht A, Shrout MK, and American Academy of
Oral Maxillofacial Radiology ad hoc Committee on Parameters of Care. Parameters of radiologic care:
An official report of the American Academy of Oral and Maxillofacial Radiology. Oral Surg Oral Med
Oral Pathol Oral RadiolEndod 2001; 91:498-511.
Yakoumakis EN, Tierris CE, Stefanou EP, Phanourakis IG, Proukakis CC. Image quality assessment
and radiation doses in intraoral radiography. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol Endod 2001;
91:362-368.
31
14 Wijze van tot stand komen
Deze algemene richtlijn werd samengesteld door de Projectgroep Richtlijn Tandheelkundige
Radiologie van de Nederlandse maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde in samenwerking
met de sectie Orale en Maxillofaciale Radiologie van ACTA.
De inhoud is gebaseerd op de Nederlandse en Europese regelgeving met betrekking tot de
tandheelkundige radiologie en het veilig gebruik van straling.
De richtlijn is in overeenstemming met de aanbevelingen gedaan in de European Guidelines on
Radiation Protection in Dental Radiology en de Europese richtlijn Cone Beam CT for Dental and
Maxillofacial Radiology. De richtlijn is in april 2007 vastgesteld door het hoofdbestuur van de NMT en
in september 2013 herzien.
Voor informatie over deze richtlijn kunt u contact opnemen met de afdeling Ledenservice van de NMT,
Postbus 2000, 3430 CA Nieuwegein, telefoon 030 6076380.
32
15 Noten
Noten zijn bedoeld ter toelichting of verduidelijking van passages in de richtlijn.
Noot 1
De organisatie die wordt beschouwd als richtinggevend op het gebied van straling en bescherming
tegen nadelige effecten daarvan is de International Commission on Radiological Protection (ICRP;
www.icrp.org). Dit is een instantie die onafhankelijke adviezen geeft op het gebied van de
stralingsbescherming.
Euratom is de organisatie die binnen de Europese Unie adviseert over en voorstellen doet voor het
veilig gebruik van stralingstoepassingen. Dit gebeurt in de vorm van zogenaamde richtlijnen of
Directives. In 1996 is er een vernieuwde richtlijn verschenen die betrekking had de veiligheid van
werkers die met straling omgaan. In 1997 is er evenzo een nieuwe richtlijn gepubliceerd die gericht is
op de bescherming van personen die aan straling werden blootgesteld om medische redenen. Het is
de plicht van de lidstaten van de EU om de inhoud van de Directives over te nemen in de nationale
wetgeving. Voor Nederland is dat het Besluit Stralingsbescherming. De meest recente herziening van
het Besluit Stralingsbescherming is vanaf 1 januari 2014 van kracht.
33
Noot 2
De ICRP geeft bij het ALARA-principe aan dat bij het bepalen van wat redelijk is, er rekening moet
worden gehouden met economische en sociale factoren. Dat betekent dat er een grens is aan de
kosten die men geacht wordt te maken om de dosis te beperken (economische factoren). Volgens
deze regel is het gebruik van gevoeligere films verplicht omdat de prijs van gevoeligere films niet
afwijkt van de andere, terwijl de benodigde dosis wel lager is. Ook het gebruik van een rechthoekig
veld in plaats van een rond veld is noodzakelijk omdat dit een substantiële reductie van de
toegediende straling levert tegen een geringe investering. Daarnaast wordt er rekening mee gehouden
dat onze maatschappij aanvaard dat het risico nooit geheel kan worden uitgesloten (sociale factoren)
en acceptabel is indien de voordelen opwegen tegen de risico’s die de activiteit met zich meebrengt.
Op grond van bovenstaande redenering wordt algemeen aangenomen dat de volgende aspecten
behoren tot zogenaamde good practice met betrekking tot maatregelen gericht op stralingsreductie in
de tandheelkunde:
 Gebruik van F-speed film of digitale radiologie (opm.: Digitale radiologie vergt weliswaar een
kortere belichtingstijd dan F-speed film, maar de reductie ten opzichte van F-speed film is
twijfelachtig. De optimale belichtingstijd bij digitale sensorsystemen ligt tussen die van Fspeed
film (dus geen reductie) tot maximaal 50% minder. Daar staat tegenover, zo blijkt uit
onderzoek, dat er met digitale systemen relatief meer opnamen gemaakt worden dan wanneer
film wordt gebruikt. Dit doet een eventuele dosisreductie weer teniet.
 Gebruik van een gedifferentieerde belichtingstabel of een automatische timer bij de juiste
instelling voor filmgevoeligheid. Hierdoor wordt voor elk gebied in de maxilla of mandibula de
optimale belichting verkregen, hetgeen de beeldkwaliteit ten goede komt.
 Gebruik van een open tubus. De puntvormige conus van voorheen is niet meer toegestaan.
 Gebruik van een rechthoekig diafragma zodat de veldgrootte niet veel groter is dan de
afmeting van film of sensor.
 Gebruik van instelapparatuur. De kwaliteit en reproduceerbaarheid van de opnamen nemen
op deze wijze toe. Het aantal mislukte opnamen neemt af.
 Toepassing van een 60-70 kV DC-röntgenbuis (gelijkspanning). Dit geldt alleen bij aanschaf
van een nieuw toestel. AC-toestellen (wisselstroom) welke in gebruik zijn, behoeven niet te
worden vervangen omdat dit een onevenredige investering zou vergen. Sommige moderne
toestellen hebben als typeaanduiding AC, maar de effectieve buisstroom is vrijwel volledig
gelijkgericht, waardoor zij ook aan de DC eisen voldoen. Vervanging is noodzakelijk als het
toestel nog een maximale buisspanning van 50 kV heeft. De huiddosis en daardoor ook de
strooistraling naar de omgeving zijn bij dit soort toestellen onacceptabel hoog.
 Een loodschort heeft geen waarneembaar effect op de reductie van de patiëntendosis, maar
moet natuurlijk wel gebruikt worden ter bescherming van een derde (ouder of begeleider) als
deze de patiënt moet helpen bij het vasthouden van de film of sensor tijdens de opname. Een
loodkraag of een loodschild heeft voordelen voor de patiënt. De schildklierdosis, vooral bij
kinderen, kan ermee worden teruggebracht, mits de loodkraag hoog tegen de kin is geplaatst.
De “terugverdientijd” in relatie tot de gerealiseerde dosisreductie is echter vrij lang (berekend
als de kosten van aanschaf van de loodkraag ten opzichte van de berekende vermindering
van het aantal fatale effecten verkregen met het beschermingsmiddel).
34
Noot 3
Overzicht dosislimieten naar verschillende groepen personen.
Categorie voorbeelden van personen die
hieronder vallen
Dosislimiet
blootgestelde werknemers tandarts;
mondhygiëniste die foto’s
maakt, tandartsassistent met
additionele externe opleiding
radiologie
20 mSv/jr*
leden van de bevolking en
werknemers in de praktijk
Assistent die geen
röntgenapparatuur instelt en of
daadwerkelijk opnamen maakt;
receptioniste;
personen in de wachtkamer
1 mSv/jr
leden van de bevolking buiten
de praktijk
buren
toevallige voorbijganger
(zie Opm. onder tabel);
0,01 mSv/jr
0,1 mSv/jr**
*) Bedacht moet worden dat het in de tandheelkundige praktijk zeer goed mogelijk is een dosisniveau
van minder dan 1 mSv/jr te realiseren. De dosislimiet van 20 mSv/jr staat hier voor de volledigheid;
beter is het om 1 mSv/jr als norm te hanteren.
**) Voor voorbijgangers wordt de dosislimiet gecorrigeerd met een factor waarin de gemiddelde
verblijftijd is verwerkt (de zogenaamde ABC-factor, zie hieronder).
Enige voorbeelden van de correctie met de ABC-factor (Actuele BlootstellingsCorrectie-factor); de
ABC factor verdisconteert de tijd die personen kunnen doorbrengen op de aangegeven locatie.
Voorbeelden van toepassing van de ABC factor:
 Doorgaande weg: dosislimiet is 0,01 mSv/jaar / 0,01 = 1 mSv/jr
 Weg grenzend aan woongebied: dosislimiet is 0,01 mSv/jr / 0,1 = 0,1 mSv/jr.
 Naburige woningen: dosislimiet is 0,01 mSv/jr / 1 = 0,01 mSv/jr
omgevingsbestemming ABC-factor
Dag-recreatiegebied (park, bos, duin, water, strand), dus geen
kampeerterreinen
0,03
Kampeerterreinen 0,2
Parkeerterrein 0,01
Snelweg, andere doorgaande (stads)wegen 0,01
Niet doorgaande weg langs de bron, direct grenzend aan
woongebied (spelende kinderen), taxistandplaats
0,1
Belendende industrieën, instellingen, kantoorgebouwen etc, zonder
bewoning
0,2
Bewoning (of mogelijk toekomstige bewoning) 1
35
Noot 4
Verplichtingen van de tandarts o.g.v. Besluit Stralenbescherming
De tandarts kan in drie functies betrokken zijn bij de uitvoering van voorschriften
uit het Besluit Stralenbescherming.
Ondernemer
De ondernemer is verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van stralingsbeschermende
maatregelen; hij draagt het toezicht op het verantwoorde gebruik van röntgentoestellen op aan een
stralingsdeskundige.
Stralingsdeskundige
De stralingsdeskundige moet aantoonbaar over de vereiste vaardigheden en bekwaamheden
beschikken. Hij moet tevens kunnen aantonen zijn kennis als stralingsdeskundige op peil te houden.
Dit kan door bijvoorbeeld het volgen van cursussen, het bijwonen van congressen en het lezen van
wetenschappelijke literatuur op dit terrein. Voor toezicht op het gebruik van tandheelkundige
röntgenapparatuur is deskundigheid volgens de Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en
Orthodontisten vereist . De tandarts-stralingsdeskundige heeft die deskundigheid in eerste instantie op
grond van de genoten tandheelkundige opleiding en de daarin begrepen training in de eigenschappen
van straling en de wijzen van bescherming tegen nadelige effecten. Postacademische cursussen zijn
effectief om op de hoogte te blijven van de meest recente ontwikkelingen. Als bewijs van het volgen
van onderwijs volgens deze Eindtermen is er het Certificaat ofwel de Röntgenverklaring (voorheen
Niveau 5A/M Deze Verklaring, samen met de tandartsbul geldt als bewijs van bevoegdheid tot het
maken van röntgenopnamen. De inspectie beschouwd de aanwezigheid van deze verklaring als
bewijs dat voldoende deskundigheid is verkregen. Voor tandartsen die de verklaring niet bij hun
afstuderen hebben verkregen, bestaat er de mogelijkheid door middel van PAOT deze verklaring
alsnog te verwerven. Een dergelijke cursus wordt door enkele erkende instanties gegeven, namelijk:
 Academisch Centrum Tandheelkunde, Amsterdam
 Universitair Medisch Centrum Groningen, Wenckebach Instituut, en is door de Rijksuniversiteit
Groningen georganiseerd, Groningen
 UMC St Radboud, Post Academisch Onderwijs Tandheelkunde, Nijmegen
 Adviesbureau voor Stralingsbescherming, Kamerik
 Applus RTD, Training & Opleiding, Rotterdam
 NRG – Radiation & Environment, Petten
De deskundige in de tandheelkundige praktijk moet een stralingsrisicoanalyse en –evaluatie uitvoeren.
Op grond van de uitkomsten daarvan adviseert hij over eventueel te nemen maatregelen ten aanzien
van de stralingsbescherming. Hij is verantwoordelijk voor gebruik van röntgenapparatuur en stelt
schriftelijke instructies beschikbaar aan praktijkmedewerkers die in opdracht opnamen maken,
bijvoorbeeld een mondhygiënist(e). Daarnaast controleert hij periodiek de goede werking van de
apparatuur (zie bijlage 6).
(Blootgestelde) werknemer
De blootgestelde werknemer dient zich er van te vergewissen dat zijn werkgever aan zijn taken en
verantwoordelijkheden heeft voldaan maar is zelf verantwoordelijk voor het toepassen van
maatregelen om de stralingsbelasting van hemzelf tot een minimum te beperken.
36
Noot 5
Het Besluit Stralingsbescherming maakt onderscheid tussen een bewaakte zone, waar men een dosis
kan ontvangen van tussen 1 en 6 mSv/jaar en een gecontroleerde zone waar er kans is op een dosis
hoger dan 6 mSv op jaarbasis. Indien men de praktijk zodanig heeft ontworpen dat nergens een
jaardosis hoger dan 1 mSv kan ontstaan, dan zijn geen speciale waarschuwingssymbolen in de
praktijk nodig. De ruimte waar het röntgentoestel is geplaatst, is de enige ruimte waar men mogelijk
aan een hogere dosis dan 1 mSv/jr kan worden blootgesteld. Volgens de Regeling
waarschuwingssignalering ioniserende straling moet dan het röntgen-waarschuwingssymbool bij de
toegang moeten worden aangebracht. Gezien het feit dat de tandarts er voor kan zorgen dat er
behalve de patiënt geen andere personen in de ruimte aanwezig zijn op het moment dat er een
röntgenopname wordt vervaardigd, en als hij adequaat toezicht kan houden op de toegang tot de
ruimte tijdens de feitelijke belichting, is het te rechtvaardigen dat er geen extra
waarschuwingssymbolen nodig zijn bij de praktijkkamer of röntgenruimte.
Indien men besluit een stralingswaarschuwingsteken aan te brengen dan moet dit het officiële
symbool zijn (gele driehoek met het stralingssymbool) en daaronder de aanduiding “röntgenstraling”
en “bewaakte zone”.
Volgens de voorschriften dient het waarschuwingsteken met klaverblad symbool van 7,5 cm met
daaronder de tekst “röntgenstraling” ook altijd aanwezig te zijn op het röntgentoestel zelf (‘de
stralingsbron’). Dit waarschuwingssymbool mag aangepast worden aan de afmeting van de bron
wanneer de standaard sticker te groot is.
37
Noot 6
De tandarts-stralingsdeskundige draagt verantwoordelijkheid voor de volgende aspecten:
 Melding van het toestel: van een tandheelkundig röntgentoestel met een maximale
buisspanning van minder dan 100 kV moet melding worden gedaan (zie het betreffende
formulier in de bijlagen).
 Stralingsrisicoanalyse: ten behoeve van de melding moet de risicoanalyse beschikbaar zijn,
maar deze behoeft niet te worden meegezonden. Het Agentschap-NL kan besluiten een
controle uit te voeren op de risicoanalyse die ten grondslag ligt aan de melding.
 Instructie praktijkmedewerkers: voor medewerkers aan wie het maken van röntgenopnamen
wordt gedelegeerd, moet een schriftelijke instructie beschikbaar zijn (zie bijlage 2). De
stralingsdeskundige draagt zorg voor deze instructie.
 Werking van de apparatuur: de stralingsdeskundige ziet toe op de goede werking van
apparatuur en controleert deze op geëigende tijden. Tandheelkundige röntgentoestellen zijn
doorgaans minder gecompliceerd dan medische of industriële toestellen. De controle op de
goede werking kan daarom goeddeels door de tandarts-stralingsdeskundige zelf worden
uitgevoerd.
Van de uitvoering van deze punten wordt een schriftelijk bewijs bewaard in het KEW-dossier
(zie noot 7).
38
Noot 7
Het KEW dossier voor de praktijk (zie ook bijlage 7)
De tandarts moet een dossier aanleggen van onder andere de documenten die betrekking hebben op
de ingebruikname en het onderhoud van de röntgenapparatuur. Dit dossier wordt het KEW-dossier
genoemd (Kernenergiewet dossier).
Bij de ingebruikname van een röntgentoestel moet de leverancier een verklaring afgeven waaruit blijkt
dat het toestel aan de wettelijke eisen voldoet. Een acceptatietest is verplicht volgens BS art. 10
Om de goede werking van de röntgenapparatuur en gerelateerde apparatuur te verzekeren, dient het
toestel na installatie periodiek te worden onderhouden (zie ook bijlage 6). De resultaten hiervan
worden eveneens in het KEW-dossier worden verzameld.
In het KEW dossier worden ook de uitslagen van de persoonsdosimetrie opgenomen. De werkgever is
verplicht de dosis te meten voor personen die beroepshalve aan straling kunnen worden blootgesteld,
als deze meer dan 1 mSv/jr kan zijn.
Voor de tandheelkundige situatie zijn de driemaandelijkse persoonsdosimetrie-badges beter dan de
tweewekelijkse (bij de tweewekelijkse meting gaat de drempeldosis waaronder niet betrouwbaar
gemeten kan worden, gesommeerd over het jaar, een te grote rol spelen).
Men is niet verplicht om persoonsdosimetrie toe te passen wanneer aannemelijk kan worden gemaakt
dat de dosis de 1 mSv/jr niet zal overschrijden. In de praktijk kan men gedurende een bepaalde
periode (bijvoorbeeld twee jaar) meten om dit aan te tonen. Indien men in die periode geen meetbare
dosis heeft vastgesteld, kan de persoonsdosimetrie beëindigd worden. Ook de stralingsrisicoanalyse
kan dienen om aan te tonen dat het niet aannemelijk is dat de dosislimiet van 1 mSv/jr zal worden
overschreden.
De uitslagen van de uitgevoerde testen worden als bewijs in het KEW-dossier worden opgenomen.
39
16 Bijlagen
Bijlage 1: Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten
Onderstaand treft u tabel en bijlage uit de Eindtermen voor Tandartsen en Orthodontisten.
Tabel 1. Kennisgebieden vereist voor de deskundigheidseisen stralingshygiëne voor
tandartsen en orthodontisten.
Onderwerp Niveau
1 Atomaire structuur, stralingsproductie en interactie van straling L
2 Radiologische grootheden en eenheden L
3 Fysische eigenschappen van röntgentoestellen M
4 Principes van stralingsdetectie L
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging H
6 Principes van radiobiologie, biologische effecten van straling L
7 Risico’s op tumoren en erfelijke afwijkingen M
8 Optreden van weefselreacties (determinisische effecten) L
9 Algemene principes van stralingsbescherming inclusief optimalisatie H
10 Toepassing van stralingsbescherming H
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten H
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en
medewerkers H
13 Diagnostische referentieniveaus M
14 Risico bij zwangerschap en voor de foetus M
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering M
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen M
Niveau
Gebruikte aanduiding voor niveau van kennis en vaardigheid: L = laag, een globaal bekend zijn met
principes. M = middel, voldoende kennis van onderwerp om toe te kunnen passen in praktijk. H =
hoog, gedetailleerde kennis en begrip, voldoende om anderen te kunnen instrueren.
Bijlage 1 uit de Eindtermen voor Tandartsen en Orthodontisten
Trefwoorden per kennisgebied. Zie ook tabel 1 in het hoofddocument.
Niveau
Gebruikte aanduiding voor niveau van kennis en vaardigheid: L = laag, een globaal bekend zijn met
principes. M = middel, voldoende kennis van onderwerp om toe te kunnen passen in praktijk. H =
hoog, gedetailleerde kennis en begrip, voldoende om anderen te kunnen instrueren.
In de initiële opleiding is vaardigheid verkregen in de praktische uitvoering van genoemde
40
onderwerpen, inclusief interpretatie van het normale beeld en beelden van afwijkingen
(pathologie). Voor nascholing kan de praktische vaardigheid aanwezig verondersteld worden en
kan worden volstaan met updating/refreshment.
Onderwerp Niveau
1 Atomaire structuur, stralingsproductie en interactie van straling
 Bouw van materie
 Ionisatie, excitatie
 Elektromagnetische straling
 Kwadratenwet
 Wisselwerking straling met materie; foto-en comptoneffect
 Afhankelijkheid effecten van fotonenergie
 Verzwakkingscoëfficienten en transmissie
L
2 Radiologische grootheden en eenheden
 Geabsorbeerde dosis
 Stralingsweegfactor en equivalente dosis
 Weefselweegfactoren en effectieve dosis
 Gray, Sievert
L
3 Fysische eigenschappen van röntgentoestellen
 Bouw en werking röntgenbuis; productie van straling
 Stralingskwaliteit en energiespectrum
 Invloed buisspanning op dosis en contrast
 Invloed van buisstroom op dosis en contrast
 Effect van filtering
 Bundelbegrenzing
M
4 Principes van stralingsdetectie
 Dosismeters (zowel persoonlijk als ruimtedosimetrie)
 Gebruik van dosismeters (zowel persoonlijk als ruimtedosimetrie)
 Beeldvormende systemen (film, SPP, CCD, CMOS e.a.)
L
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging
 Kostenbaten analyse (rechtvaardiging van het protocol/procedure in het
algemeen en voor de specifieke patiënt in het bijzonder)
H
6 Principes van radiobiologie, biologische effecten van straling
 Interactie van straling en levend weefsel
 Factoren van invloed op het biologisch effect
 Stochastische en deterministische effecten
 Principe van lineaire dosis-effect relatie
L
7 Risico’s op tumoren en erfelijke afwijkingen
 Latentietijd
 Genetische effecten
M
8 Optreden van weefselreacties (deterministische effecten) L
9 Algemene principes van stralingsbescherming inclusief optimalisatie
 Effect van afstand
 Effect van filtering
 Effect van diafragmering
 Rechtvaardiging, ALARA en dosislimieten
 Afschermende werking van materialen
H
41
10 Toepassing van stralingsbescherming
 Stralingsrisicoinventarisatie en analyse
 Persoonsdosimetrie
 Ruimtedosimetrie
 Organisatorische maatregelen
H
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten
 Toepassing rechtvaardigingsprincipe
 Keuze apparatuur
 Keuze opnametechniek in relatie tot diagnostische vraagstelling
 Bundelbegrenzing
 Effecten van filtering
 Keuze receptor
 Keuze opnametechniek
 Beleid van röntgenopnamen en zwangerschap
 Kwaliteitsbewaking en foutherkenning
 Gebruik van loodkraag (schild) en loodschort
 Bepaling van noodzaak overige beschermende maatregelen
H
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en
medewerkers
 Wanneer is persoonsdosimetrie noodzakelijk
 Stralingshandelingen bij zwangerschap
 Bouwkundige aspecten
H
13 Diagnostische referentieniveaus
 Intra-orale opnamen
 Extra-orale opnamen
 Bijzondere opnamen (o.a. CBCT)
 Vergelijking met andere opnametechnieken
M
14 Risico bij zwangerschap en voor de foetus M
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering
 Referentiedoses
 Praktijkinstructies en protocollen
 Standaardisatie van opnametechniek
 Beeldoptimalisatie en beeldbewerking
M
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen
 ICRP Europese richtlijnen
 KeW en Besluit stralingsbescherming
 Melding en vergunning
 Praktijkrichtlijn NMT en veldnormen
M
42
Bijlage 2: Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen
door tandartsen
Onderstaand treft u tabel en bijlage uit de Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT
toestellen door tandartsen.
Tabel 1. Kennisgebieden vereist voor de deskundigheidseisen Stralingshygiënisch geschoold
beroepsbeoefenaar Tandheelkunde, CBCT.
Onderwerp Niveau
0 Leerdoelen stralingshygiëne voor tandartsen en orthodontisten worden bekend
verondersteld.
3 Fysische eigenschappen van CBCT M
4 Principes van stralingsdetectie bij CBCT M
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging H
10 Toepassing van stralingsbescherming bij CBCT H
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten H
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en
medewerkers H
13 Diagnostische referentieniveaus H
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering bij CBCT H
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen H
17 Interpretatie en diagnostiek bij CBCT H
Onderwerp
De onderwerpen bij nummers welke ontbreken in bovenstaande lijst worden al voldoende
behandeld in de Leerdoelen stralingshygiëne voor tandartsen en orthodontisten; ze zijn
samengevat onder punt 0.
Niveau
Gebruikte aanduiding voor niveau van kennis en vaardigheid: L = laag, een globaal bekend zijn met
principes. M = middel, voldoende kennis van onderwerp om toe te kunnen passen in praktijk. H =
hoog, gedetailleerde kennis en begrip, voldoende om anderen te kunnen instrueren.
Bijlage 1 uit Eindtermen Stralingshygiëne voor het gebruik van CBCT toestellen door
tandartsen
Trefwoorden per kennisgebied. Zie ook tabel 1 in het hoofddocument. De nummers in de
regels verwijzen naar tabel 1 van het document “eindtermen stralingshygiëne voor tandartsen
en orthodontisten” welke is ingedeeld volgens tabel 3.1 van ICRP 113.
Niveau
Gebruikte aanduiding voor niveau van kennis en vaardigheid: L = laag, een globaal bekend zijn met
principes. M = middel, voldoende kennis van onderwerp om toe te kunnen passen in praktijk. H =
hoog, gedetailleerde kennis en begrip, voldoende om anderen te kunnen instrueren.
43
In de initiële opleiding is vaardigheid verkregen in de praktische uitvoering van genoemde
onderwerpen, inclusief interpretatie van het normale beeld en beelden van afwijkingen
(pathologie). Voor nascholing kan de praktische vaardigheid aanwezig verondersteld worden en
kan worden volstaan met updating/refreshment.
Onderwerp Niveau
0 De inhoud van het niveau Stralingshygiene voor tandartsen en
orthodontisten wordt bekend verondersteld
3 Fysische eigenschappen van CBCT
 Principe van CBCT
 CBCT systemen
 Mogelijkheden voor belichtingsinstellingen
 Selectie volume en resolutie
 Effect van buisspanning
 Effect van buisstroom
 Effect van beam hardening
M
4 Principes van stralingsdetectie bij CBCT
 Beeldacquisitiesystemen
 Principe van CT-beeldreconstructie
 Partial volume effect
 3D-rendering en visualisatie
M
5 Principe van en procedures voor rechtvaardiging
 Kosten-baten analyse (rechtvaardiging van het protocol/procedure in het
algemeen en voor de specifieke patiënt in het bijzonder) met betrekking tot
CBCT
H
10 Toepassing van stralingsbescherming bij CBCT
 Effect van bundelbegrenzing en beperking Volume of Interest
 Effect van aantal basisprojecties
 Effect van opnamehoek
 Resolutie
 Risicoanalyse en vereiste afscherming rondom toestel
H
11 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van patiënten
 Effecten van belichtingsinstellingen op de patiëntendosis H
12 Toepassing van stralingsbescherming ten opzichte van personeel en
medewerkers
 Stralingsbelasting op de omgeving bij CBCT-toestellen
 Effecten van belichtingsinstellingen op de omgevingsdosis
M
13 Diagnostische referentieniveaus
 Voor verrichtingen met CBCT
15 Kwaliteitsbewaking en kwaliteitsbevordering bij een CBCT
 Controle op goede werking
 Vereiste training van gebruiker
H
16 Nationale regelgeving en (inter)nationale richtlijnen
 Besluit stralingsbescherming
 Risicoanalyse
 Afscherming rondom CBCTtoestel
 Melding/vergunning
H
44
 Rechtvaardiging
 SedentexCT
 Vergelijking met andere opnamemodaliteiten
 Praktijkinstructies en protocollen
17 Interpretatie en diagnostiek
 Anatomie en het normale beeld
 Implantologie
 Endodontologie
 Gnathologie
 Traumatologie
 Overige pathologie
 Herkennen van fouten in belichtingsinstelling, positionering en
 gevolgen van mechanische problemen.
 Artefacten
H
45
Bijlage 3: Formulieren voor het aanvragen van een vergunning of het melden
van een toestel
Voordat een toestel in gebruik mag worden genomen, moet het toestel gemeld worden bij de overheid
of er moet vergunning voor worden aangevraagd. Melding volstaat bij toestellen met een maximale
buisspanning tot 100 kV. Bij toestellen met een buisspanning van 100 kV en hoger is vergunning
vereist.
Vergunning
Voor het aanvragen van een vergunning voor toestellen vanaf 100kV, kan een aanvraagformulier
worden gedownload op de volgende website:
http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/Aanvraag%20Vergunning%20Rontgentoestellen%20t.b.v
.%20medische%20diagnostiek.pdf
Dit aanvraagformulier is een interactief formulier en dient volledig te worden ingevuld via de computer
alvorens de documenten uit te printen. Voeg bij dit document alle bijlagen die in de checklist bij vraag
10 staan vermeld.
Melding
Voor het doen van een melding voor toestellen tot 100kV, kan een meldingsformulier worden
gedownload op de volgende website:
http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Meldingsform%20toestellen%20maart%202002
%20SN.doc_tcm24-324466.pdf
Het meldingsformulier moet in 3-voud worden verzonden aan:
Agentschap NL
Team Stralingsbescherming
Postbus 93144
2509 AC Den Haag
Bij de melding wordt tevens informatie verstrekt wie de tandarts-stralingsdeskundige is en op grond
waarvan deze de vereiste deskundigheid heeft. Een kopie van het diploma of certificaat wordt als
bijlage toegevoegd.
N.B. In dit formulier wordt in vraag 8 en daarna microsievert (μSv) als maat gehanteerd terwijl verder
in de richtlijn van millisievert (mSv) wordt uitgegaan. 1 Millisievert komt overeen met 1000
microsievert.
46
Bijlage 4: Voorbeeldprotocollen voor het vervaardigen van intra- en extraorale
opnamen
In deze bijlage zijn twee voorbeelden van een schriftelijk protocol voor het vervaardigen van intra- en
extraorale opnamen opgenomen. Het protocol moet worden aangepast al naar gelang de situatie hier
aanleiding toe geeft.
Protocol vervaardiging intraorale röntgenopnamen
Dit protocol heeft betrekking op kamer en röntgentoestel .
 Opnamen worden alleen vervaardigd op indicatie van de tandarts.
 De volgende personen zijn gerechtigd tot het maken van opnamen:
, ,
 Opnamen worden altijd gemaakt met behulp van instelapparatuur, tenzij er redenen zijn dit
niet te doen (bijvoorbeeld plaatsbepaling van structuren vanuit een specifieke
opnamerichting).
 De opnamen worden belicht volgens de geldende belichtingstabel. (zie voor een voorbeeld
van een gedifferentieerde belichtingstabel onder punt 3 in deze bijlage)
Of:
 De opnamen worden belicht met behulp van de automatische timer. Deze moet op
filmgevoeligheid x zijn ingesteld (voor de waarde van x, zie de handleiding van de timer).
 Alle opnamen worden gemaakt met F-speed film of een digitaal sensorsysteem (CCD/CMOS
of Storage PhosphorPlate).
 In geval van twijfel over de te volgen opnameprocedure of andere onvoorziene situaties wordt
contact opgenomen met .
 Bij twijfel aan de goede werking van het röntgentoestel wordt de opname uitgesteld en contact
opgenomen met de tandarts-stralingsdeskundige.
 De gemaakte opnamen worden beoordeeld door de tandarts, in eerste instantie op kwaliteit,
vervolgens ook op diagnostische inhoud.
 Opnamen worden direct na het vervaardigen toegevoegd aan het patiëntendossier.
De diagnostische kwaliteit van de opnamen kan worden ingedeeld in drie categorieën. Minimaal 70%
van de opnamen moet zonder meer voldoen aan de gebruikelijke kwaliteitseisen. Er moet worden
gestreefd naar zo min mogelijk opnamen die om kwaliteitsredenen moeten worden overgemaakt; het
aantal opnamen in deze categorie mag in elk geval niet meer zijn dan 10%.
Categorie Na te streven
frequentie
Opname is volledig correct met betrekking tot de
positionering en beeldkwaliteit; alle diagnostische
informatie is beschikbaar.
Minimaal 70%
Opname vertoont fouten met betrekking tot de
positionering en beeldkwaliteit; maar de gewenste
diagnostische informatie is beschikbaar.
20%
Opname is diagnostisch onbruikbaar. Maximaal 10%
Datum: dd/mm/jjjj
47
Protocol vervaardiging extra-orale röntgenopnamen
Dit protocol heeft betrekking op kamer en röntgentoestel .
 Opnamen worden alleen vervaardigd op indicatie van de tandarts.
 De volgende personen zijn gerechtigd tot het maken van opnamen:
, ,
 In geval van twijfel over de te volgen opnameprocedure of andere onvoorziene situaties wordt
contact opgenomen met .
 Bij twijfel aan de goede werking van het röntgentoestel wordt de opname uitgesteld en contact
opgenomen met de tandarts-stralingsdeskundige.
In geval van panoramische röntgenopnamen:
 De belichtingstijd wordt geselecteerd in overeenstemming met de leeftijd en bouw van de
patiënt.
 Het type opname wordt gekozen in overeenstemming met de diagnostische vraagstelling.
 Oorbellen, haarspelden en andere metalen objecten worden afgedaan; bij aanwezigheid van
een frame of prothese wordt deze uitgedaan.
 De patiënt bijt met de incisieven in de richel van het beetblokje. bij een edentate patiënt wordt
de kin/lipsteun gebruikt.
 Het hoofd van de patiënt is verticaal geplaatst overeenkomstig de verticale lijn van het
lichtvizier.
 De cuspidaatlijn van het lichtvizier verloopt ter hoogte van het contactpunt van de 2e incisief
en de cuspidaat. zonodig de positie van patiënt of toestel aanpassen.
 De horizontale lijn van het lichtvizier verloopt parallel aan een lijn van de uitwendige
gehoorgang naar de neuspunt.
(Niet alle apparaten hebben elk van deze lichtlijnen; raadpleeg de handleiding van het toestel
voor de dan te gebruiken instellingen).
 De patiënt houdt de handgrepen van het toestel vast en doet een stap naar voren, zodat de
wervelkolom gestrekt wordt.
 De patiënt wordt geïnstrueerd de tong tegen het gehemelte te houden tijdens de opname.
In geval van een schedelprofielopname:
 De belichtingstijd wordt geselecteerd in overeenstemming met de leeftijd en bouw van de
patiënt.
 De patiënt wordt gefixeerd met de oordoppen.
 De Frankfurter horizontale is zoveel mogelijk horizontaal.
De patiënt bijt dicht in centrale occlusie
De gemaakte opnamen worden beoordeeld door de tandarts, in eerste instantie op kwaliteit,
vervolgens ook op diagnostische inhoud. Opnamen worden direct na het vervaardigen toegevoegd
aan het patiëntendossier.
De diagnostische kwaliteit van de opnamen kan worden ingedeeld in drie categorieën. Minimaal 70%
van de opnamen moet zonder meer voldoen aan de gebruikelijke kwaliteitseisen. Er moet worden
48
gestreefd naar zo min mogelijk opnamen die om kwaliteitsredenen moeten worden overgemaakt; het
aantal opnamen in deze categorie mag in elk geval niet meer zijn dan 10%.
Categorie Na te streven
frequentie
Opname is volledig correct met betrekking tot de
positionering en beeldkwaliteit; alle diagnostische
informatie is beschikbaar.
Minimaal 70%
Opname vertoont fouten met betrekking tot de
positionering en beeldkwaliteit; maar de gewenste
diagnostische informatie is beschikbaar.
20%
Opname is diagnostisch onbruikbaar. Maximaal 10%
Datum: dd/mm/jjjj
Belichtingstabel
Voorbeeld van een gedifferentieerde belichtingstabel. De getallen zijn verhoudingsgetallen, welke
moeten worden omgerekend naar echte belichtingstijden. Indien een goede belichtingstijd voor één
locatie is gevonden, kunnen de andere situaties eenvoudig daarvan worden afgeleid.
Bovenkaak Melkgebit 40 40 63
Wisselgebit 63 63 80 100
Volwassene 80 80 100 125
I C P M BW-P BW-M
Onderkaak Volwassene 80 80 80 100 100 125
Wisselgebit 63 63 63 80 80 100
Melkgebit 40 40 50 50 63
49
Bijlage 5: Stralingsrisicoanalyse en evaluatie
De tandarts-stralingsdeskundige is verantwoordelijk voor het (laten) maken en het beoordelen van een
stralingsrisicoanalyse van de praktijk. Met ingang van het nieuwe Besluit Stralingsbescherming mag
de tandarts de stralingsrisicoanalyse nog steeds zelf uitvoeren, maar moet deze keuring wel ter
toetsing naar een coördinerend deskundige (voorheen stralingsdeskundige 2/3) gestuurd worden. Een
coördinerend deskundige is een stralingsbeschermingsdeskundige die namens de ondernemer ervoor
zorgt dat handelingen of werkzaamheden plaatsvinden binnen het kader van de regels bij of krachtens
de wet, die daarop toezicht houdt en controle uitoefent en die andere zaken die betrekking hebben op
stralingsbescherming coördineert.
Met overheidsinstanties is overeengekomen dat de vereiste toetsing door een coördinerend
deskundige alleen voor nieuwe stralingsrisicoanalyses geldt. De bestaande stralingsrisicoanalyses
(die zijn meegestuurd bij de melding en de acceptatietest) blijven geldig.
De stralingsrisicoanalyse bevat de volgende onderwerpen:
 Een omschrijving van de handelingen met het toestel.
 Een tekening van de praktijk en de röntgentoestellen op schaal en in relatie tot de omgeving.
 Opgave van de (maximale) dosis per opname (b.v. uit meting).
 Opgave van het aantal opnames per jaar.
 Opgave van afschermende materialen (al dan niet op de tekening).
 Berekening van de MID en AID aan de terreingrens (blootstelling leden van de bevolking
buiten de locatie).
 Een berekening van de effectieve jaardosis die leden van de bevolking binnen de locatie
kunnen ontvangen (b.v. bezoekers van de praktijk).
 Berekening van de effectieve jaardosis die werknemers van de praktijk kunnen ontvangen
binnen de praktijk.
 Een omschrijving en effectieve dosiswaarde van één of meerdere voorziene onbedoelde
gebeurtenissen.
 Toetsing van de bovengenoemde dosiswaarden aan de dosislimieten zoals gesteld in het
Besluit Stralingsbescherming.
50
Bijlage 6: Acceptatietest en kwaliteitscontrole
Voordat een toestel in gebruik mag worden genomen moet het toestel gemeld worden bij de overheid
of er moet vergunning voor worden aangevraagd. Toestellen met een output tussen de 30 kV en de
100 kV moeten worden gemeld en toestellen vanaf 100 kV hebben een vergunning nodig (art 21 en
23 Besluit Stralingsbescherming). De tandarts-stralingsdeskundige is verantwoordelijk voor deze
melding/aanvraag. Onderdeel van deze melding/aanvraag is een stralingsrisicoanalyse. In deze
analyse worden de effectieve dosisbelastingen voor leden van de bevolking binnen en buiten de
locatie berekend evenals de effectieve dosis voor werknemers van de onderneming. Hierbij is het
ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable) het uitgangspunt van de stralingsbescherming.
Nadat het toestel is geïnstalleerd dient de tandarts-stralingsdeskundige een acceptatietest uit te
voeren of uit te laten voeren door derden (art. 67 Besluit Stralingsbescherming). Als het toestel
gemeld wordt bij ingebruikname bij het Agentschap-NL, heeft deze instantie de bevoegdheid de
risicoanalyse te controleren. Dit geldt ook na het verplaatsen van een röntgentoestel. Na de
acceptatietest zal periodiek een prestatie of statustest moeten worden uitgevoerd. Deze testen
bestaat uit het meten van verschillende parameters per toestelsoort. In deze bijlage staat vermeld
welke parameters per toestelsoort met welke frequentie geadviseerd worden te controleren.
De bediening van een röntgenapparaat dient te gebeuren door een bekwaam iemand en onder
toezicht van een tandarts-stralingsdeskundige. Om onbedoelde blootstellingen zoveel mogelijk te
voorkomen dienen er bij het toestel schriftelijke instructies (protocollen) aanwezig te zijn. (artikel 73
Besluit Stralingsbescherming) De tandarts-stralingsdeskundige zorgt voor een instructie voor de
medewerkers van de praktijk (zie bijlage 4).
De parameters aangegeven met een sterretje kunnen maandelijks door de tandarts zelf worden
gecontroleerd en geregistreerd.
Intraoraal
Parameter Frequentie 1 x per
Veldgrootte 3 jaar
Timer 3 jaar
Reproduceerbaarheid 3 jaar
Onderbreking belichting maand *
Akoestisch signaal maand *
Indicatielampjes maand *
Visuele controle statief,
behuizing en kabels
maand *
Mechanische functies maand *
Ontwikkelprocedure diverse (zie uitleg)
Lekstraling Eenmalig bij oplevering, daarna
alleen bij zichtbare schade aan
de behuizing
Filtratie 3 jaar
kV output 3 jaar
Beam alignement 3 jaar
51
Panorama-opname/ röntgenschedelprofielfoto (Ceph.)
Parameter Frequentie 1 x per
Veldgrootte jaar
Timer jaar
Reproduceerbaarheid (dosis) jaar
Onderbreking belichting maand *
Akoestisch signaal maand *
Indicatielampjes maand *
Visuele controle statief,
behuizing en kabels
maand *
Mechanische functies maand *
Ontwikkelprocedure diverse (zie uitleg)
Lekstraling Eenmalig bij oplevering, daarna
alleen bij zichtbare schade aan
de behuizing
Filtratie jaar
kV output jaar
Beam alignement jaar
* Deze tests kunnen door de tandarts zelf worden uitgevoerd.
N.B. Vooralsnog wordt een jaarlijkse termijn van controles aanbevolen voor de controlepunten die niet
door de tandarts zelf gecontroleerd kunnen worden. Op basis van landelijke controles worden na 1
jaar deze termijnen zowel voor panoramatoestellen als voor intra-orale toestellen geëvalueerd. Op
basis van deze gegevens zal worden besloten of deze controletermijnen gehandhaafd, verkort of
verlengd zouden moeten worden. Daarnaast wordt nader onderzocht bij welke gemeten afwijkingen
van apparatuur tot ingrijpen, zoals vervanging van de röntgenbuis, moet worden overgegaan.
Uitleg
Veldgrootte:
Is het bestraalde veld gelijk aan de afmeting van de film of sensor? Bij een afwijking moet het
diafragma worden aangepast. De controle op de veldgrootte is minder relevant indien het diafragma
permanent bevestigd is aan het röntgentoestel en bij de acceptatietest in orde is bevonden.
Timer:
Leveren de opeenvolgende tijden ook een continue reeks van beelden op, die verlopen van licht naar
donker? Dit kan worden gecontroleerd door opnamen te maken bij elk van tijden die kunnen worden
ingesteld op de timer. Houd er rekening mee dat dit niet zonder meer werkt in combinatie met een
storage phosphorplate systeem. Een dergelijk systeem corrigeert binnen zekere grenzen voor over- of
onderbelichting. De opnamen die in het middengebied van de timer liggen, zullen dus allemaal
dezelfde gemiddelde zwarting hebben.
52
Reproduceerbaarheid:
Maak 3-5 opnamen bij eenzelfde belichtingstijd. De opnamen moeten allemaal eenzelfde gemiddelde
zwarting hebben (geven een reeks van 3-5 opnamen een vergelijkbare dosis?).
Onderbreking belichting:
Stel de timer in op de langste belichtingstijd. Druk de belichtingsknop in en laat deze direct weer los.
Het toestel moet direct stoppen straling te produceren (principe van de dodemansknop) en een
foutmelding van onderbelichting geven.
Akoestisch signaal:
Maak een aantal normale belichtingen en controleer of het toestel een akoestisch signaal geeft
gedurende de belichting.
Indicatielampjes:
Controleer eens per maand of de indicatielampjes voor de verschillende functies en instellingen van
de timer nog werken (ook het visuele signaal dat het toestel straling produceert).
Visuele controle statief, behuizing en kabels:
Controleer eens per jaar (liefst frequenter) de mechanische functies (scharnieren e.d.) van de arm en
de behuizing van de röntgenbuis. Dit kan door het dental depot worden uitgevoerd tegelijkertijd met de
check van de behandelstoel en unit. Als in de periode tussen twee controles de röntgenarm niet
stabiel blijft bij het instellen van opnamerichting, moet deze onverwijld worden bijgesteld.
Controleer de behuizing van de röntgenbuis op beschadigingen. Controleer eens per maand kabels
welke zichtbaar zijn op breuk of beschadiging.
Ontwikkelprocedure (indien van toepassing):
Controleer de werking van ontwikkelaar en fixeer minstens eenmaal per week door een opname van
een testobject te ontwikkelen. De contrasten moeten lopen van geheel zwart tot volkomen transparant.
Het is handig om een reeks opnamen te belichten en deze beschikbaar te hebben indien de
ontwikkelprocedure moet worden getest.
Na elke verversing van de vloeistoffen
 Doe dezelfde test als hierboven beschreven.
Halfjaarlijks
 Meet de temperatuur van het ontwikkelbad en kijk of deze overeenkomt met de specificaties
van de fabrikant.
Jaarlijks:
 Controleer de lichtdichtheid van DOKA of daglichtkap. Leg een onbelichte, niet ontwikkelde
foto neer op het werkoppervlak in de doka of daglichtkap. Leg hierop een munt. Laat de film
even lang liggen als de tijd die nodig is om een film uit te pakken en in de ontwikkelmachine in
te voeren. Ontwikkel daarna de film. Als er een schaduw van de munt zichtbaar is, is er sprake
van vals licht en moet dit verholpen worden.
Digitale sensorsystemen
CCD en CMOS systemen
 Voer na installatie de calibratie uit zoals de fabrikant dit voorschrijft.
53
 Bepaal de juiste belichtingstijd, zodanig dat de lichtste gebieden wit/helder zijn en de
donkerste gebieden geheel zwart zijn.
 Controleer of er geen blooming optreedt. De belichting is dan te lang. Blooming is het
verschijnsel waarbij de interdentale ruimte volkomen zwart is (verzadigd) en de contouren van
deze ruimte de gebitselementen lijken aan te vreten.
Storage PhosporPlate systemen
 Voer na installatie de calibratie uit zoals de fabrikant dit voorschrijft.
 Bepaal de juiste belichtingstijd, zodanig dat de lichtste gebieden wit/helder zijn en de
donkerste gebieden geheel zwart. Houdt er rekening mee dat SPP-systemen een grote
belichtingsspeelruimte hebben. Probeer daarom ook lagere belichtingstijden en selecteer de
laagste tijd die een kwalitatief goed beeld oplevert.
 Controleer of het omgevingslicht in de buurt van de scanner niet te helder is. Scan hiervoor
een belicht plaatje van een testobject, direct na het belichten en uitpakken . Doe hetzelfde
maar wacht nu 10, 30 en 60 seconden (of eventueel langer totdat er een merkbaar effect op
de beeldkwaliteit optreedt) na het uitpakken alvorens het plaatje in te voeren in de scanner.
De mate van fading van de beelden geeft aan hoeveel tijd er beschikbaar is voor het
uitpakken van de plaatjes tot aan het scannen. Is deze tijd te kort, reduceer dan de lichtsterkte
in de buurt van de scanner.
Lekstraling:
Eenmalig bij oplevering wordt de buis gecontroleerd of er geen stralingslekken zijn die op 1 meter van
het focus meer dan 1 mSv/h produceren (art. 19 BS), daarna alleen bij zichtbare schade aan de
behuizing
Filtratie:
Filtering van de bundel houdt laag-energetische straling tegen. Deze geeft wel een dosis aan de
patiënt maar draagt niet bij aan de beeldvorming. Er wordt gemeten of de opgegeven filtratie
overeenkomt met de gemeten filtratie.
kV output:
De kV output van de intra-orale buis is een parameter waarbij gemeten wordt of de ingestelde output
overeenkomt met de gemeten output.
Beam alignement:
Hierbij wordt gecontroleerd of de bundel goed gecentreerd staat, zodat de bundel ook op het midden
van de film of sensor terecht komt.
De uitgevoerde testen kunnen worden gedocumenteerd in een tabel zoals aan het eind van deze
bijlage als voorbeeld is opgenomen. Dit document moet in het KEW-dossier worden opgenomen.
Voorbeeld van een schema voor documentatie van onderhoud voor opname in het
KEW-dossier:
RÖNTGENTOESTEL
Merk:
Type:
Datum controle:
Uitgevoerd door:
54
Type controle dag/maand/jaar
Buisspanning: ……. kV (zie typeplaatje)
Buisstroom: ……. mA (zie typeplaatje)
Inherente filtering: ……. mm Al-equivalent (zie typeplaatje)
Veldgrootte: ….. x ….. mm2
Reproduceerbaarheid:
Belichtingstijd:
Akkoord ja/nee ….. belichtingen bij ….. sec
Timer akkoord ja/nee van ….. sec
Tot ….. sec
In stappen van ….. sec
Werking dodemansknop akkoord ja/nee (onderbroken belichting)
Akoestisch signaal akkoord ja/nee
Etcetera
Zie bijlage 9 voor onderhoud van CBCT-toestellen.
55
Bijlage 7: De inhoud van het KEW-dossier
Het KEW dossier bevat alle documenten die betrekking hebben op het installeren en gebruiken van
het röntgentoestel en de uitvoering van de röntgenwerkzaamheden. Bij de ingebruikname van een
röntgentoestel moet de leverancier een verklaring afgeven waaruit blijk dat het toestel aan de
wettelijke eisen voldoet. Een acceptatietest door een deskundige is verplicht volgens BS. Art. 10 Het
onderhoud van een tandheelkundig toestel is zeer beperkt en kan door de tandarts deels zelf worden
uitgevoerd (zie bijlage 6).Een voorbeeld van een stralingsrisicoanalyse is gegeven in bijlage 5. In het
KEW dossier worden ook de uitslagen van de persoonsdosimetrie opgenomen, indien beschikbaar.
De ondernemer is verplicht een stralingsrisicoanalyse uit te (laten) voeren. Uit deze
stralingsrisicoanalyse kan worden afgeleid hoe hoog de effectieve dosis is die werknemers kunnen
oplopen per jaar. Als kan worden aangetoond met de stralingsrisicoanalyse dat deze effectieve dosis
de 1 mSv/jr niet zal overschrijden, dan hoeft er geen persoonsdosimetrie te worden toegepast. Indien
deze dosis wel zou kunnen worden overschreden, dan dient persoonsdosimetrie te worden toegepast.
In dit geval verdienen voor de tandheelkundige situatie de driemaandelijkse persoonsdosimetriebadges
de voorkeur (bij de tweewekelijkse meting gaat de drempeldosis, waaronder niet betrouwbaar
gemeten kan worden, een te grote rol spelen). In de praktijk kan men gedurende een bepaalde
periode (bijvoorbeeld twee jaar) meten om aan te tonen dat werknemers minder dan 1 mSv/jr aan
effectieve dosis ontvangen. Indien men in die periode geen meetbare dosis heeft vastgesteld, kan de
persoonsdosimetrie beëindigd worden.
Inhoud KEW-dossier
 Certificaat Eindtermen Stralingshygiëne voor Tandartsen en Orthodontisten
 Certificaat Eindtermen Stralingshygiëne voor gebruik van CBCT-toestellen door Tandartsen
(indien ook een CBCT-toestel aanwezig is).
 Kopie melding of vergunning röntgentoestel;
 Stralingsrisicoanalyse;
 Overzicht organisatorische maatregelen voor dosisreductie, indien van toepassing;
 Kopie schriftelijke instructie vervaardiging röntgenopnamen voor elk röntgentoestel dat in de
praktijk in gebruik is;
 Uitslagen persoonsdosimetrie (of uitslagen over een redelijke termijn uit het verleden op grond
waarvan is besloten geen persoonsdosimetrie meer te doen plaatsvinden);
 Verklaring van de leverancier van het röntgentoestel dat dit aan de wettelijke eisen voldoet bij
oplevering; gegevens van de acceptatietest;
 Overzicht van de jaarlijkse controle op de doeltreffendheid en het juiste gebruik van
beveiligingsmiddelen en technieken;
 Uitkomsten van periodieke controle van het röntgentoestel (elektrisch, mechanisch en
stralingshygiënisch);
 Registratie BIG register;
 Uittreksel KvK;
 Instructies en werkprotocollen;
 Andere relevante documenten;
56
 Aanwijzing tandarts-stralingsdeskundige door ondernemer;
 Omschrijving taken en verantwoordelijkheden tandarts-stralingsdeskundige (indien
aangewezen).
57
Bijlage 8: Relevante websites en adressen
 European Guidelines on Radiation Protection in Dental Radiology
Europese Communities. Radiation protection Issue No 136; 2004. ISBN 92-894-5958-1 .
 http://ec.europa.eu/energy/nuclear/radioprotection/publication/doc/136_en.pdf
 Cone Beam CT for Dental and Maxillofacial Radiology. Evidence based guidelines. Europese
Communities. Radiation protection Issue No 172; 2012
 http://ec.europa.eu/energy/nuclear/radiation_protection/doc/publication/172_en.pdf
 Nadere informatie over melding van toestellen of verlening van vergunning: Agentschap NL
 http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/stralingsbescherming
(Zie ook bijlage 3)
 Persoonsdosimetrie
Een abonnement voor 3-maandelijkse badges kan worden verkregen bij
Dosimetrische Dienst van NRG te Arnhem
Postbus 9034
6800 ES Arnhem
Telefoon (026) 356 85 55
Fax (026) 445 07 87
 Informatiesysteem Medische Stralingstoepassingen/Tandheelkunde
 http://www.rivm.nl/ims/object_class/ims_tand.html
58
Bijlage 9: Onderhoud aan CBCT apparatuur
De tandarts moet op de hoogte zijn van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van CBCT-apparatuur
en beschikbare updates aan apparatuur en software realiseren.
Het noodzakelijke onderhoud en de reguliere controles van CBCT-apparatuur moet in overleg met de
leverancier (met specifieke technische kennis van het apparaat) worden uitgevoerd en schriftelijk
vastgelegd.
CBCT-apparatuur dient, periodiek gecontroleerd te worden op onder meer:
 Goede werking (mechanisch en elektronisch)
 Calibratie
 Stralingsbelasting
 Lekstraling
 Werking instelling veldgrootte
De parameters aangegeven met een sterretje kunnen maandelijks door de tandarts zelf worden
gecontroleerd en geregistreerd.
CBCT
Parameter Advies frequentie 1 x per
Veldgrootte Jaar
Reproduceerbaarheid (dosis) Jaar
Onderbreking belichting maand *
Akoestisch signaal maand *
Indicatielampjes maand *
Visuele controle statief, behuizing
en kabels
maand *
Mechanische functies maand *
Lekstraling Eenmalig bij oplevering, daarna
alleen bij zichtbare schade aan
de behuizing
Filtratie jaar
kV output jaar
Beam alignment jaar
calibratie jaar
* Deze tests kunnen door de tandarts zelf worden uitgevoerd
Uitleg
Veldgrootte
Is de werkelijke veldgrootte gelijk aan de ingestelde veldgrootte. Bij een CBCT-toestel is dit een
belangrijke parameter omdat de instelling in drie dimensies invloed heeft.
Onderbreking belichting
59
Druk de belichtingsknop in en laat deze direct weer los. Het toestel moet direct stoppen straling te
produceren en een foutmelding van onderbelichting geven.
Akoestisch signaal
Maak een aantal normale belichtingen en controleer of het toestel een akoestisch signaal geeft
gedurende de belichting.
Indicatielampjes
Controleer eens per maand of de indicatielampjes voor de verschillende functies en instellingen van
de timer nog werken. (ook het visuele signaal dat het toestel straling produceert)
Visuele controle statief, behuizing en kabels
Controleer eens per jaar de mechanische functies (scharnieren e.d.) van de arm en de behuizing van
de röntgenbuis. Dit kan door het dental depot worden uitgevoerd tegelijkertijd met de check van de
behandelstoel en unit. Controleer de behuizing van de röntgenbuis op beschadigingen. Controleer
eens per maand kabels welke zichtbaar zijn op breuk of beschadiging.
Lekstraling
Eenmalig bij oplevering wordt de buis gecontroleerd of er geen stralingslekken zijn die op 1 meter van
het focus meer dan 1 mSv/h produceren. (art. 19 BS), daarna alleen bij zichtbare schade aan de
behuizing.
Filtratie
Er wordt gemeten of de opgegeven filtratie overeenkomt met de gemeten filtratie.
kV output
De kV output van de CBCT is een parameter waarbij gemeten wordt of de ingestelde output
overeenkomt met de gemeten output.
Beam alignment
Hierbij wordt met een tool gekeken of de bundel goed gecentreerd staat.
Calibratie
Hiermee wordt vastgelegd of de rotatie en andere bewegingen van het toestel en de
belichtingsparameters binnen de specificatiegrenzen liggen. Bij sommige toestellen worden
hulpmiddelen meegeleverd, waarmee het toestel een automatische calibratie kan uitvoeren; bij andere
toestellen vergt dit het inschakelen van de leverancier.
Zie voor meer informatie de Europese Richtlijn Radiation Protection 172, 2012, appendix 4 (Quality
control manual for dental CBCT systems).