Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: rekenmodel_toelichting.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

Toelichting rekenmodel VGT.
In het VGT document ‘uitleg over het VGT leasesysteem’ wordt een uitleg gegeven over de verschillen tussen de leasevormen “Financial lease” en “Operational lease”. Hierin worden ook enkele rekenvoorbeelden genoemd.
Om de effecten van deze rekenvoorbeelden wat duidelijker naar voren te laten komen hebben wij het EXCEL bestand “Rekenmodel website” voor de lopende rentemaand ontwikkeld. Dit rekenmodel is gebaseerd op een leasecontract met een looptijd van 60 maanden.
Aan het begin van iedere kalendermaand worden de verschillende contractrentes door de VGT opnieuw aan de hand van de dan geldende marktrente vastgesteld. Daardoor wijzigingen zich iedere maand uiteraard ook de berekeningen in het rekenmodel. Overtuig uzelf er derhalve van dat u het rekenmodel gebruikt van de lopende rentemaand, want anders is de kans groot dat u met verkeerde getallen geconfronteerd wordt.
Als u bedragen in het rekenmodel inbrengt is het van belang te weten dat een tandarts, tandarts-specialist, mondhygiënist, tandtechnicus of tandprothetisch in beginsel de BTW nooit kan verrekenen en dat u dus bedragen inclusief BTW moet inbrengen om een duidelijk beeld te krijgen. Alle berekende bedragen in de tabel worden dan ook inclusief BTW weergegeven.
Uitleg gebruik rekenmodel VGT.
Open het EXCEL bestand ‘Rekenmodel website’. U ziet op het eerste tabblad ‘Rekenvoorbeeld’ een aantal getallen in rood staan, deze getallen kunt u zelf invullen, de rest van het blad zijn vaste waarden en deze kunt u niet veranderen.
Vul nu eerst op het tabblad “Rekenvoorbeeld’ in de cellen B3, C3 en D3 de investeringsbedragen aan overige investeringen in die (voor zover bekend) reeds plaats hebben gevonden of dit jaar of de komende jaren plaats zullen gaan vinden. Dit zijn bijvoorbeeld de investeringen aangaande praktijkverbouwing, aanschaf computersysteem etc. Het zijn dus bedragen die geen betrekking hebben op de aanschaf van apparatuur. Dit is van belang omdat uw investeringsaftrek bepalend is voor het totaalbedrag van alle investeringen en niet alleen voor de investeringen aan apparatuur.
Vul nu het aanschafbedrag aan apparatuur (steeds incl. BTW) in cel B5. Hierna kunt u in cel B13 uitlezen wat het investeringsbedrag voor het eerste jaar zal gaan worden en in cel B14 kunt u (aan de hand van de bedragen in de kolom ‘investeringspremie’) het percentage aan investeringsaftrek zien, met daaronder de investeringsaftrek in € over de ‘eigen investering’ en de ‘investering apparatuur’ met daaronder een totaalbedrag aan investeringsaftrek in €.
Print nu het blad uit en u kunt rechts onderaan (cel G61) het totaalbedrag aan bedrijfskosten aflezen wat u uiteindelijk per saldo moet betalen voor de investering aan apparatuur gedurende de komende 5 jaar.
Stel nu het bedrag in cel B5 weer op nul en vul hetzelfde investeringsbedrag aan apparatuur eens in bij cel B6. Op regel 14 t/m 17 treft u weer het percentage en bedragen aan investeringsaftrek aan. U kunt het blad weer printen en constateren (in cel G61) hoeveel bedrijfskosten er in deze situatie de komende 5 jaar met de investering gemoeid is. In de meeste gevallen zult u nu zien dat u uiteindelijk minder bedrijfskosten heeft dan in het eerste voorbeeld en waarschijnlijk ook minder dan de aanschafwaarde van de apparatuur. Let op! Cel B10 is een controleberekening om te voorkomen dat u door getallen steeds te veranderen een fout maakt ten aanzien van het oorspronkelijke bedrag voor de aanschaf van de apparatuur.
Nederlands Vereniging van Groothandelaren in de Tandheelkundige branche
secretariaat : Zuiddijk 384-b, 1505 HE Zaandam, T: 075-6539290, F. 075-6539295, E: info@vgt.nl, ABN AMRO 49.98.13.685
lid van: Association of Dental Dealers in Europe, de Normcommissie Tandheelkunde NEN en het Verbond voor de Nederlandse Groothandel.
Soms is het zelfs aantrekkelijker om de aanschaf nog sterker te verdelen en bijvoorbeeld 1/3 van het
investeringsbedrag aan apparatuur in cel B5, 1/3 in cel B6 en 1/3 in cel B7 te plaatsen. Aangezien nu ook
alle getallen op regel 10 veranderen zullen dan ook de percentages en bedragen van regel 14 t/m 17
automatisch veranderen. Let er wel op dat u in cel B7 nog steeds het goede totaalbedrag ziet staan.
Na deze aanpassingen kunt u weer het blad printen en constateren hoeveel u in deze opzet gedurende
de eerste 5 jaar aan bedrijfskosten kwijt bent. Dat zal waarschijnlijk (in ieder geval bij de grotere
bedragen) aanmerkelijk lager zijn dan het oorspronkelijke aankoopbedrag.
Het is dus zaak om zelf met deze getallen te ‘spelen’ om te kunnen beoordelen welke vorm van lease
voor u het aantrekkelijkste is en hoe u de investeringen tussen financial lease en/of operational lease wilt
‘opdelen’. En zoals gezegd, een sterk bepalende factor is dus ook de vraag welke andere investeringen u
in hetzelfde jaar al gedaan heeft of de komende jaren nog wilt gaan doen.
Waar komen deze verschillen nu vandaan?
De verschillen ontstaan in de relatie tussen het aankoopbedrag en het aankoopmoment. Bedragen die
in B3 en B5 ingevuld worden hebben betrekking op investeringen in hetzelfde jaar. Naarmate het totaal
aan investeringen groter wordt daalt de aftrek in percentage (zie de kolom ‘investeringsaftrek’ naast het
werkblad ‘Rekenmodel’).
Door het bedrag aan investeringen in apparatuur nu in te vullen in cel B6 investeert u in het eerste jaar
NIETS aan apparatuur, maar u HUURT de apparatuur gedurende (bijvoorbeeld) 12 maanden.
Pas na 12 maanden koopt u de apparatuur van de leasemaatschappij en doet u pas op DAT moment de
investering en komt u dus ook pas op DAT moment in aanmerking voor investeringsaftrek voor de
aanschaf van de apparatuur.
Dit omzetten van huur naar koop (van operational lease naar financial lease) noemen we de SWITCH.
Dit ‘switchen’ kan ook na 24 of 36 maanden, daarvoor vult u het bedrag in cel B7 of B8 in.
Zo kunt u dus een deel van de apparatuur direct kopen (cel B5), een deel kopen na eerst 12 maanden te
hebben gehuurd (cel B6) of een deel kopen na 24 maanden te hebben gehuurd (cel B7) of een deel
kopen na 36 maanden te hebben gehuurd (cel B8) en hiermee uw investeringsaftrek zo gunstig mogelijk
‘indelen’.
Garantie:
De berekeningen uit deze rekenmodellen zijn van toepassing zolang de investeringsaftrekregeling van
kracht is. Vervalt deze regeling dan vervallen uiteraard ook de hieraan gekoppelde voordelen.
De ondergrens aan investeringen voor de investeringsaftrek in 2014 is € 2.301,- en de bovengrens is
€ 306.931,-.
Overige bepalingen:
Na het ‘switchen’ van operational lease naar financial lease wordt er een nieuw contract afgesloten, maar
de looptijd en het renteniveau van de oorspronkelijke lease blijven gehandhaafd. U komt dus niet voor
een verrassing in de vorm van een inmiddels sterk opgelopen rente te staan!
Aan het ‘switchen’ (wat voor u een recht is en GEEN plicht) zijn wel kosten ad € 175,- per contract
verbonden. Deze kosten worden door de leasemaatschappij separaat aan u in rekening gebracht. Deze
kosten zijn al wel in het rekenmodel meegenomen in de totale kostenberekening over 5 jaar.
Conclusies:
Zeker bij grotere investeringen kan een goede beoordeling van het financieringsmodel en het
investeringsmoment een groot voordeel opleveren. Deze beoordeling moet dan wel tijdig gemaakt
worden.
Laat u daarom door uw leverancier voorlichten of laat uw accountant in voorkomende gevallen contact
met de leverancier of met de VGT opnemen.
© E. Kolsteeg – 31 december 2013