Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: geneesmiddelenwet-mvt-mrt2004.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

29 359 Vaststelling van een nieuwe Geneesmiddelenwet
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
1. Geschiedenis van de geneesmiddelenwetgeving in Nederland
De geneesmiddelenwetgeving in Nederland kent een lange traditie. Reeds
in 1818 werd een eerste wet aanvaard ter «regeling van hetgene betrekkelijk
is tot de uitoefening van de verschillende takken der geneeskunde».
Onder de verschillende takken van de geneeskunde werden de volgende
beroepen onderscheiden: stads-, plattelands-, of scheepsheelmeester,
vroedmeester, apotheker, vroedvrouw, oogmeester, tandmeester, drogist
en kruidenverkoper. Voor het uitvoeren van de genoemde beroepen was
een vergunning noodzakelijk van een zogenaamde «provinciale
commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt».
Die wet richt zich vrijwel volledig op de beroepsuitoefening waarbij aan
een aantal beroepsbeoefenaren de bevoegdheid wordt verleend de
«artsenijmengkunde» te beoefenen.
De daaropvolgende wet bevat een wijziging van de bovengenoemde wet
in die zin dat aan de … «Medicinae Doctores die tevens den graad van
Doctor artis Pharmaceuticae verkregen hebben, of als apothecar bij ene
Provinciale Commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt
geëxamineerd en toegelaten zijn, zijn geregtigd om ten platten lands of in
den steden (…) aan hunne patiënten geneesmiddelen te leveren en tevens
apothecars winkel te houden». In 1865 wordt de eerste wet aangenomen
die regels bevat inzake de artsenijbereidkunst. Deze wet bevat een groot
aantal voorschriften omtrent de wijze waarop apothekers hun beroep
moeten uitoefenen. In die dagen is er nog geen sprake van industrieel
bereide geneesmiddelen zodat in die wet daarover geen bepalingen zijn
opgenomen. Het zwaartepunt ligt bij de magistrale en officinale bereidingen.
Wel is reeds in die wet sprake van de geneesmiddelenvoorziening
op schepen en de artsenijbereidkunst in militaire apotheken. Daarna blijft
het op wetgevingsgebied betrekkelijk lang stil. Pas op 12 maart 1952 komt
de regering met een nieuw voorstel voor een Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
(WOG). Ook in die wet staat de apotheker centraal. In tegenstelling
tot voorgaande wetgeving is er nu ook sprake van regelgeving
voor fabrieksmatig gefabriceerde en verpakte geneesmiddelen. Voor de
verpakte geneesmiddelen, de zogenaamde specialités, worden er voor-
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2003–2004
KST72790
0304tkkst29359-3
ISSN 0921 – 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2003 Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 1
schriften opgenomen. Een fabrikant van geneesmiddelen wordt vergunningplichtig
voor de bereiding en aflevering en ook de groothandelaar in
geneesmiddelen wordt onderworpen aan een vergunningplicht. Voorts
worden verpakte geneesmiddelen ter beoordeling voorgelegd aan een
nieuw op te richten College, te weten het College ter beoordeling van
verpakte geneesmiddelen. Tot zover de inleiding op hoofdlijnen van de
geschiedenis van de geneesmiddelenwetgeving.
2. De Geneesmiddelenwet
Het nu voorliggende wetsvoorstel bouwt verder op de fundamenten die
reeds in het verleden zijn gelegd. Er is echter een aantal veranderingen
ten opzichte van de regelgeving die in het verleden omtrent de
geneesmiddelenvoorziening is vastgesteld. Ten eerste geldt dat de invloed
van Europese regelgeving in de afgelopen decennia is toegenomen. Deze
invloed, die door middel van implementatiewerkzaamheden een plaats in
de nationale rechtsorde heeft gekregen, is grotendeels verwerkt door
middel van algemene maatregelen van bestuur.
Omdat het implementeren van Europese regelgeving door algemene
maatregelen van bestuur vaak aanzienlijk sneller kan plaatsvinden dan
door middel van implementatie door wetswijzigingen, is in het verleden
voor deze methodiek gekozen. Een nadeel van deze werkwijze is dat in de
loop der jaren een minder overzichtelijk bouwwerk is ontstaan van voorschriften
omtrent de geneesmiddelenvoorziening. Het thans voorliggende
wetsvoorstel beoogt de overzichtelijkheid van de regelgeving te verbeteren
door een groot aantal bepalingen dat thans nog in algemene maatregelen
van bestuur is vervat, in de wet zelf op te nemen. Daarbij is een
keuze gemaakt uit die bepalingen die de hoofdzaken van het beleid
regelen en bepalingen die gedetailleerde voorschriften bevatten. Deze
laatste categorie leent zich niet voor opname in de wet en zal door middel
van ministeriele regelingen in regelgeving worden vervat. Daarbij wordt
opgemerkt dat deze regels in hoge mate een technisch karakter bezitten
en periodiek moeten herzien in verband met nieuwe ontwikkelingen in de
markt en de wetenschap. Waar mogelijk zal de implementatie van dit
soort Europese regels door middel van dynamische verwijzing plaatsvinden.
In de tweede plaats is ervoor gekozen de wet primair van toepassing te
laten zijn op het product geneesmiddel en de vervaardiging en distributie
daarvan. Dit in tegenstelling tot de WOG en de daarop gebaseerde lagere
regelgeving, die een groot aantal bepalingen bevatten inzake de beroepsuitoefening
van de apotheker. In het wetsvoorstel is gekozen voor een
andere lijn omdat regels inzake de beroepsuitoefening van de apotheker
beter passen in wetgeving die betrekking heeft op de uitoefening van
beroepen in de gezondheidszorg. Deze beleidslijn ligt ook ten grondslag
aan de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en de
Kwaliteitswet zorginstellingen. Voorts zal een deel van de bestaande
regels inzake de wijze van beroepsuitoefening niet terugkeren omdat naar
huidige inzichten het aan de beroepsgroep zelf is om daarover normen
vast te stellen.
Ten derde wordt opgemerkt dat het fabrieksmatig vervaardigen van
geneesmiddelen in de afgelopen dertig jaren een activiteit is geworden
die een aanzienlijk financieel belang vertegenwoordigt. Ook om die reden
is de invloed van de Europese regelgever groter dan in het verleden.
Daarbij dient er steeds een balans te worden gevonden tussen enerzijds
het waarborgen van de kwaliteit, beschikbaarheid en veiligheid van
geneesmiddelen en anderzijds het respecteren van de werking van de
interne markt. Ook in het onderhavige wetsvoorstel is gezocht naar een
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 2
balans tussen het waarborgen van de kwaliteit, veiligheid en beschikbaarheid
van geneesmiddelen en het zo min mogelijk belemmeren van de
marktwerking.
In de vierde plaats is de huidige geneesmiddelenregelgeving die grotendeels
stamt uit de jaren 50 van de vorige eeuw in wetgevingstechnisch
opzicht verouderd. Ten aanzien van de juridische vormgeving van het
College ter beoordeling van geneesmiddelen is er door de komst van de
Aanwijzingen inzake zelfstandige bestuursorganen en het voorstel van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de aanwijzingen voor de regelgeving
het een en ander veranderd. Ook de komst van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) heeft een aantal bestuursrechtelijke onderwerpen
genormeerd waardoor in het wetsvoorstel zodanige onderwerpen niet
meer zijn geregeld, dan wel de regeling daarvan is aangepast aan de Awb.
Ten vijfde zijn in het wetsvoorstel bepalingen opgenomen die betrekking
hebben op het toezicht op de naleving, handhaving en opsporing. Hoewel
in huidige regelgeving ook bepalingen zijn opgenomen inzake de
bevoegdheden van de toezichthouder, zijn die bevoegdheden verspreid
over de wet, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen.
Teneinde de inzichtelijkheid in dezen te vergroten is er thans voor
gekozen de bevoegdheden van de toezichthouder zoveel mogelijk te
regelen op wetsniveau. Voorts is het bestuurlijk instrumentarium van de
toezichthouder in overeenstemming gebracht met de bevoegdheden voor
alle toezichthouders op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
Tevens is het bestuurlijk handhavinginstrumentarium uitgebreid met de
mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen.
3. Het College ter beoordeling van geneesmiddelen
Het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) is ingesteld bij de
WOG in 1963. Door de toename van het aantal verpakte, fabrieksmatig
bereide geneesmiddelen in de eerste helft van de vorige eeuw werd het
wenselijk geacht een wettelijke regeling te treffen voor het in omloop
brengen van verpakte geneesmiddelen. Deze regeling hield in dat geneesmiddelen
geregistreerd dienden te worden voordat zij konden worden
toegelaten tot de Nederlandse markt. Met deze registratie (en toetsing)
werd het «College ter beoordeling van verpakte geneesmiddelen» belast.
Met de komst van de Europese geneesmiddelenrichtlijnen is een onderscheid
gemaakt naar bereiding door apothekers (magistrale en officinale
bereidingen voor de eigen patiënten) en industriële bereidingen.
Het College bestaat als zelfstandig bestuursorgaan (ZBO) reeds sinds
1963. De regelgeving bij en krachtens de WOG met betrekking tot het
College voldoet echter niet aan de huidige inzichten met betrekking tot de
vormgeving en inrichting van zelfstandige bestuursorganen, zoals die zijn
neergelegd in de Aanwijzingen voor zelfstandige bestuursorganen en in
het voorstel van wet Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kamerstukken
II 2000/200, 27 426). Zo dient een aantal hoofdzaken met betrekking tot
een bestuursorgaan in de formele wet te worden vastgelegd. Het gaat
daarbij om onderwerpen als de omschrijving van de taken van het ZBO,
de inrichting van het bestuur, de begroting en bekostiging, een taakverwaarlozingsregeling
en een algemene aanwijzingsbevoegdheid van de
minister. Veel van deze onderwerpen zijn reeds vastgelegd in genoemd
voorstel van wet Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De Kaderwet
ZBO’s beoogt via het stellen van algemene regels ordening aan te
brengen in de organisatieregeling van zelfstandige bestuursorganen. Dit
betreft onder meer regels inzake benoeming, ontslag en nevenfuncties
van de leden van een ZBO, rechtspositie van het personeel, tarieven,
bestuurlijk en financieel toezicht en beheer en verantwoording. Deze
Kaderwet zal dan ook van toepassing zijn op het College, hetgeen bete-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 3
kent dat uitsluitend enkele onderwerpen die specifiek voor het College zijn
– zoals bijvoorbeeld de taken van dit College – in het onderhavige wetsvoorstel
zijn geregeld. Tegen de achtergrond van de heroverweging die
thans plaatsvindt met betrekking tot de wenselijkheid van een Kaderwet,
moet de keuze voor toepasselijkheid van de Kaderwet ZBO’s vooralsnog
worden gezien als een pragmatische en geen principiële keuze. Het onderhavige
wetsvoorstel zal het wetsvoorstel Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
«volgen». Indien het wetsvoorstel Kaderwet – al dan niet gewijzigd
middels een novelle – door de Eerste Kamer wordt aanvaard kan het
onderhavige wetsvoorstel op dit punt ongewijzigd doorgang vinden.
Indien over de voortgang van het wetsvoorstel Kaderwet nog geen besluit
wordt genomen, of indien het geen doorgang zal vinden, zullen de artikelen
8 tot en met 23, 25, 39 en 41 van de Kaderwet in hoofdstuk 2 van het
onderhavige wetsvoorstel worden opgenomen. Op generlei wijze wordt
derhalve beoogd de eerder genoemde heroverweging te doorkruisen.
Vooropgesteld moet worden dat de redenen om een zelfstandig bestuursorgaan
te (blijven) belasten met taken op het gebied van geneesmiddelen
onverminderd aanwezig zijn. Het College is een deskundigencollege dat
de werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit van geneesmiddelen beoordeelt.
De besluitvorming over de toelating en afleverstatus van geneesmiddelen
berust uitsluitend op overwegingen van wetenschappelijke aard (farmacologisch,
toxicologisch en klinisch). Overwegingen van bestuurlijke of
politieke aard spelen dienen daarbij geen rol te spelen. De besluitvorming
omtrent toelating van geneesmiddelen (een taak van het College) dient
strikt gescheiden te worden van de besluitvorming inzake de vergoeding
van geneesmiddelen, welke berust bij de minister van VWS.
Het ligt derhalve in de rede om ook in het onderhavige voorstel van wet
een onafhankelijke, op grond van specifieke deskundigheden opererende
geneesmiddelenautoriteit in stand te laten. Aanvankelijk bestond het
voornemen het personeel van het Agentschap CBG, een dienstonderdeel
van het ministerie van VWS, over te hevelen naar een rechtspersoonlijkheid
bezittend CBG. De leidende gedachte daarbij was dat deze
constructie het meest passend moest worden geacht in het licht van de
verantwoordelijkheden van de Minister van VWS enerzijds en het CBG
anderzijds. Op advies van de Raad van State, alsook op advies van de
Toetsingscommissie Verzelfstandigingen, is daar vanaf gezien. Hieraan
kan worden toegevoegd dat artikel 16 van het voorstel voor een Kaderwet
ZBO’s bepaalt dat het personeel dat werkzaam is ten behoeve van een
zelfstandig bestuursorgaan onder gezag staat van dat bestuursorgaan en
uitsluitend daaraan verantwoording aflegt. Hiermee is voldoende duidelijk
dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor deze ambtenaren een
beperkte is.
Het College zal bestaan uit 15 leden, waaronder de voorzitter, die door de
Minister van VWS worden benoemd. Naar het zich thans laat aanzien zal
alleen de voorzitter voor een substantieel deel van de werkweek worden
aangesteld. Dit houdt verband met de omvang van het takenpakket van de
voorzitter. De voorzitter zal ook bestuurlijke en representatieve taken
hebben.
Voor de overige leden van het College geldt dat zij (nagenoeg) uitsluitend
op grond van hun wetenschappelijke deskundigheid zullen worden
benoemd.
Het College heeft belangrijke taken op het terrein van de toelating tot de
markt, de indeling en de bewaking van geneesmiddelen en geeft daar
voorlichting over. Daarnaast levert het College desgevraagd menskracht
aan het Europees bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling, daar waar
het gaat om Europese handelsvergunningen. Dit vloeit voort uit Verorde-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 4
ning (EEG)2309/93 tot vaststelling van communautaire procedures voor
het verlenen van een handelsvergunning (PbEG L 214). Ook uit andere
Europese verordeningen of beschikkingen vloeien werkzaamheden voort
voor het College, zoals bijvoorbeeld die uit Verordening (EG) nr. 141/2000
van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake
weesgeneesmiddelen.
In de artikelsgewijze toelichting en de toelichting bij de desbetreffende
materiehoofdstukken wordt nader ingegaan op de taken en werkzaamheden
van het College.
4. Het vergunningenstelsel voor bereiding en invoer van en de
groothandel in geneesmiddelen, alsmede de handelsvergunning
Dit onderdeel van de memorie van toelichting heeft betrekking op het
vergunningenstelsel voor de (gehele of gedeeltelijke) bereiding, de invoer,
de groothandel en het afleveren van op industriële wijze vervaardigde
geneesmiddelen. Dit vergunningenstelsel is geregeld in hoofdstuk 3 van
het wetsvoorstel. In hoofdstuk 3 is tevens het vergunningenstelsel voor de
bereiding en de invoer van geneesmiddelen voor onderzoek geregeld.
Leidraad bij de inhoud van hoofdstuk 3, voor zover het geen geneesmiddelen
voor onderzoek betreft, zijn de artikelen 40 tot en met 53 en 76 tot
en met 85 van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair
wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L
311). Voorts zijn bepalingen van het Besluit bereiding en aflevering van
farmaceutische producten (BBA) van 1977 die niet in deze richtlijnen voorkomen,
maar wel van belang worden geacht voor het nationale beleid
inzake vergunningen, in het hoofdstuk 3 opgenomen. Door het opnemen
van een en ander in het wetsvoorstel, komt de inhoud van het BBA, voor
zover het vergunning voor de bereiding, de invoer en de groothandel
betreft, te vervallen.
4.1 De fabrikantenvergunning
Voor de (industriële) bereiding van geneesmiddelen is een fabrikantenvergunning
vereist. Ook indien de aanvrager voornemens is de gefabriceerde
geneesmiddelen uit te voeren is een vergunning vereist. Dit
beginsel is vastgelegd in artikel 40, eerste lid, van richtlijn 2001/83/EG. In
dit wetsvoorstel is genoemd beginsel opgenomen in artikel 9.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is bevoegd om
fabrikantenvergunningen te verlenen. Om voor een dergelijke vergunning
in aanmerking te komen, geldt een aantal vereisten. Gelet op artikel 47
van richtlijn 2001/83/EG worden er met betrekking tot de bereiding van
geneesmiddelen eisen vastgesteld bij een middels comitologie vast te
stellen richtlijn van de Europese Commissie. Het gaat om beginselen en
richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen van geneesmiddelen
voor toepassing bij de mens. Voorts maakt de Europese Commissie
gedetailleerde richtsnoeren bekend die nader invulling geven aan de
desbetreffende beginselen.
De regelgeving inzake goede praktijken bij de vervaardiging is destijds in
Nederland geïmplementeerd in het Besluit bereiding en aflevering van
farmaceutische producten (BBA) en de Regeling goede praktijken bij de
bereiding van farmaceutische producten. Beide regelingen zullen worden
vervangen door een regeling op grond van de onderhavige wet waarin de
Europese regels ter zake zullen worden verwerkt.
De onderwerpen waarop de desbetreffende regelgeving betrekking heeft,
zijn bijvoorbeeld kwaliteitsbeheersing, kwaliteitsbewaking, hygiëne van
het personeel en het vervaardigingproces, alsmede technische eisen aan
gebouwen en apparatuur. Ten aanzien van het productieproces dienen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 5
bijvoorbeeld passende technische en organisatorische maatregelen te
worden genomen om kruisbesmetting en verwisselingen te voorkomen.
Uitgangspunt van deze eisen is een veilige en kwalitatief verantwoorde
wijze van fabrieksmatige geneesmiddelenproductie te bereiken.
Aanvragers van een fabrikantenvergunning moeten op het moment van
de aanvraag aantonen dat aan de genoemde eisen zal worden voldaan.
Ook nadat de vergunning is verleend zal de vergunninghouder aan wettelijke
eisen moeten blijven voldoen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg
(IGZ) is belast met het controleren van de naleving van de wetgeving voor
bedrijven die geneesmiddelen fabriceren. Voor een overzicht van de
toezicht- en handhavingmogelijkheden van de IGZ wordt hier verwezen
naar de paragraaf inzake toezicht, opsporing en handhaving en het artikelsgewijze
deel van deze memorie.
Indien zou blijken dat bedrijven niet meer voldoen aan de vergunningsvereisten,
kan de vergunning worden geschorst of worden ingetrokken. In
het artikelsgewijze deel van de toelichting wordt gedetailleerder ingegaan
op de vergunningverlening.
4.2 De groothandelsvergunning
Ook ten aanzien van de distributie geldt het vergunningsvereiste (artikel
9). In dit wetsvoorstel is dit vereiste geïmplementeerd in het eerste lid van
dit artikel 9. Ten aanzien van de groothandel in geneesmiddelen is er een
communautair richtsnoer inzake de zogenaamde Good Distribution Practice
(GDP). In dit richtsnoer worden eisen gesteld aan zowel de locatie
waar de geneesmiddelen worden opgeslagen, als ten aanzien van de
verantwoordelijke personen voor de distributie van geneesmiddelen. Ook
ten aanzien van de groothandelsvergunning geldt dat een vergunninghouder
na het verlenen van de vergunning aan de vergunningvereisten
dient te blijven voldoen. Overeenkomstig de situatie bij de fabricagevergunning
wordt het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften
verricht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg waarbij eveneens
voor de minister de mogelijkheid bestaat om een groothandelsvergunning
te schorsen of in te trekken indien zou blijken dat niet meer wordt voldaan
aan de vergunningvereisten.
4.3 De handelsvergunning
Algemeen
Sinds de inwerkingtreding van de WOG in 1963 is het verboden een
geneesmiddel voor de eerste keer in het handelsverkeer te brengen
zonder voorafgaande registratie (= handelsvergunning) van een bevoegde
autoriteit. Enkele andere Europese landen waren Nederland daarin reeds
voorgegaan. Met de vaststelling van richtlijn 65/65/EEG van de Raad van
26 januari 1965 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen inzake farmaceutische specialiteiten (PbEG L 22)
werd dit verbod in de gehele Europese Gemeenschap doorgevoerd. De
criteria voor toelating tot de markt van een geneesmiddel waren een
bewezen therapeutische werking, veiligheid bij normaal gebruik en farmaceutische
kwaliteit. In essentie worden deze criteria tot op heden nog
steeds toegepast, met dien verstande dat zij in latere richtlijnen nader zijn
gespecificeerd.
Op 1 januari 1995 is via verordening 2309/93 een nieuw systeem in
werking getreden, inhoudende dat voor bepaalde geneesmiddelen een
Europese vergunningprocedure dient te worden gevolgd, ook wel centrale
procedure genoemd. De vergunning dient te worden aangevraagd bij het
Europees agentschap voor de beoordeling van geneesmiddelen (EMEA) te
Londen en geeft toegang tot de gehele Europese markt. Kort gezegd is de
centrale procedure verplicht voor biotechnologische geneesmiddelen en
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 6
facultatief voor geneesmiddelen die naar de mening van de EMEA een
belangrijke innovatie vormen.
Voor de overige geneesmiddelen kan uitsluitend een handelsvergunning
per lidstaat worden verkregen, waarbij wordt aangetekend dat een
vergunning die in één lidstaat is verleend, in beginsel en via een eenvoudige
procedure op verzoek door de overige lidstaten wordt erkend (dit
wordt ook wel procedure van wederzijdse erkenning of decentrale procedure
genoemd). Slechts bij uitzondering kan een lidstaat besluiten niet tot
erkenning over te gaan. In dat geval is een Europese arbitrageprocedure
voorgeschreven waarbij uiteindelijk de Europese Commissie een besluit
neemt waaraan alle lidstaten gebonden zijn.
Het systeem van de handelsvergunning houdt dus in een verbod om een
geneesmiddel in Nederland te introduceren dat niet vooraf is getoetst op
werkzaamheid, kwaliteit en veiligheid. Die toetsing mondt uit in een
handelsvergunning, afgegeven door de desbetreffende bevoegde autoriteit
(de Europese Gemeenschap of het CBG).
De aanvrager of houder van de handelsvergunning behoeft overigens niet
de fabrikant van het geneesmiddel te zijn. Het kan ook een rechtspersoon
zijn waarmee de fabrikant een overeenkomst heeft gesloten. De houder
van de handelsvergunning is de (rechts)persoon die als eerste een
geneesmiddel in een lidstaat of in de Europese Unie in het verkeer heeft
gebracht en die verplichtingen heeft ten aanzien van onder meer de
geneesmiddelenbewaking en het doorgeven van wijzigingen.
Een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning is afgegeven kan
vervolgens door groothandelaren en parallelhandelaren worden ingekocht
en aan andere groothandelaren of apotheken worden afgeleverd.
Het begrip «in het handelsverkeer brengen» in het eerste lid van artikel 31
moet worden verstaan als: het voor de eerste keer in het handelsverkeer
brengen, het introduceren van een geneesmiddel in Nederland. Dit is
verboden zonder voorafgaande goedkeuring (handelsvergunning). In
richtlijn 2001/83/EG is dit verbod opgenomen in artikel 6, eerste lid. De
handelsvergunning wordt verleend aan de fabrikant of een door hem
daartoe gemachtigde rechtspersoon. De houder van de handelsvergunning
heeft dan de uit de richtlijn voortvloeiende rechten en
plichten.
Het verbod van het tweede lid van artikel 31 van het onderhavige wetsvoorstel
richt zich tot rechtspersonen die zich toeleggen op de handel en
aflevering in geneesmiddelen, te weten de groothandelaren. Deze mogen
alleen geneesmiddelen verhandelen en afleveren waarvoor een handelsvergunning
is afgegeven (artikel 76 van de richtlijn).
Dat een handelsvergunning voor een geneesmiddel is afgegeven, heeft
dus twee gevolgen: ten eerste dat er een (rechts)persoon verantwoordelijk
is en blijft voor het in het handelsverkeer brengen (de houder van de
handelsvergunning), alsmede dat het geneesmiddel ook rechtmatig doorverhandeld
en afgeleverd mag worden door andere (rechts)personen
zoals groothandelaren.
In de artikelsgewijze toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de voorwaarden
voor en de procedure bij het verlenen van een handelsvergunning.
Op deze plaats wordt nog opgemerkt dat de begrippen
«(therapeutische) werkzaamheid» en «onschadelijkheid» in artikel 34 in
onderling verband dienen te worden onderzocht, en een relatieve betekenis
hebben. Dat wil zeggen dat zij dienen te worden beoordeeld aan de
hand van de stand van de wetenschap en de bestemming van het geneesmiddel.
Uit de over te leggen gegevens moet blijken dat bij de afweging
van het belang van de therapeutische werking ten opzichte van mogelijke
risico’s het therapeutisch belang de doorslag geeft. Deze zienswijze is
neergelegd in overweging 7 bij richtlijn 2001/83/EG.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 7
Het kan soms wenselijk zijn dat een geneesmiddelenfabrikant het College
reeds consulteert in de ontwikkelingsfase van een geneesmiddel. Daarbij
ware te denken aan complexere gevallen, die betrekking kunnen hebben
op de chemisch-farmaceutische kwaliteit, het toxicologisch-preklinische
onderzoek en het (preklinische) onderzoek. Door het vroegtijdig consulteren
van het College kunnen bijvoorbeeld onnodige klinische proeven
worden voorkomen. Het College kan dan in de ontwikkelingsfase reeds
aangeven dat het kan instemmen met een bepaalde opzet van klinische
proeven. Dat wil uiteraard niet zeggen dat dan later automatisch een
handelsvergunning voor dat geneesmiddel zal worden verleend, maar wel
dat dit aspect van het over te leggen dossier in beginsel niet op bezwaren
van het College zal stuiten. Hiermee wordt in feite het deel van de beoordeling
van de aanvraag om een handelsvergunning dat betrekking heeft
op de opzet van klinische proeven naar voren gehaald.
Het CBG wordt jaarlijks ongeveer vijftig maal vroegtijdig geconsulteerd,
vrijwel altijd op het gebied van de klinische studies. De coördinatie ligt in
handen van het zogeheten Bureau wetenschappelijk advies van het CBG.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat vroegtijdige consultaties
kunnen worden beschouwd als onderdeel van de taak van het College om
geneesmiddelendossiers te beoordelen met het oog op de verlening van
een handelsvergunning.
Ook homeopathische geneesmiddelen behoeven een vergunning om in
de handel te mogen worden gebracht en gelden verplichtingen voor de
houder van de handelsvergunning. Het verschil met «gewone» geneesmiddelen
zit in de gegevens en bescheiden die moeten worden overgelegd
bij de aanvraag om een handelsvergunning. Voor homeopathische
geneesmiddelen die geen therapeutische indicatie hebben, hoeven
bepaalde categorieën van gegevens en bescheiden niet te worden overgelegd.
Parallelhandel
Een Nederlandse (rechts)persoon met een groothandelsvergunning kan
een geneesmiddel – hierna gemakshalve geneesmiddel X genoemd – dat
gelijk of nagenoeg gelijk is aan een geneesmiddel, waarvoor het College
een handelsvergunning heeft verleend – hierna gemakshalve referentiegeneesmiddel
Y genaamd –, uit een andere lidstaat van de Europese Unie
betrekken met de bedoeling dit in Nederland in de handel te brengen. De
invoer van geneesmiddel X in Nederland moet dan gezien worden als
parallelle handel ten opzichte van referentiegeneesmiddel Y. Geneesmiddel
X kan dan niet worden geacht in Nederland voor het eerst in de
handel te worden gebracht.
Parallelhandel is niet toegestaan zonder vergunning van het College. In de
toelichting bij artikel 37 wordt nader op de voorwaarden voor het verlenen
van een parallelhandelsvergunning ingegaan.
Parallelhandel vindt zijn oorzaak in prijsverschillen tussen geneesmiddelen
binnen de EU. Parallelhandel werkt concurrentiebevorderend en
prijsverlagend en is derhalve voor de consument een goede zaak.
Een van de uitgangspunten van de Europese Gemeenschap is het vrije
verkeer van goederen. Artikel 28 van het EG-verdrag verbiedt nationale
regelingen die daadwerkelijk of potentieel belemmerend zijn voor het
handelsverkeer tussen lidstaten van de EU. Ingevolge artikel 30 van het
Verdrag kan een belemmerende maatregel gerechtvaardigd worden door,
onder meer, volksgezondheidsbelangen, mits deze maatregel noodzakelijk
en evenredig is.
Dit betekent dat lidstaten in hun nationale regelgeving geen bepalingen
mogen opnemen die onnodig handelsbelemmerend zijn of die ertoe
leiden dat een fabrikant of zijn licentiehouders de handel in een genees-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 8
middel de facto kunnen monopoliseren. Het Europees Hof van Justitie
heeft inzake de parallelhandel in geneesmiddelen een aantal arresten
gewezen, waarvan de bekendste is het zogeheten arrest De Peijper dd.
20-5-1976 no. 104/75. In dat arrest heeft het Hof beslist dat sprake is van
een ongerechtvaardigde handelsbelemmerende maatregel wanneer een
lidstaat die reeds beschikt over het dossier van een geneesmiddel (er is
dus al een handelsvergunning verleend) aan een parallelhandelaar de
plicht oplegt dit dossier opnieuw over te leggen, zeker indien deze handelaar
daartoe in de onmogelijkheid verkeert doordat de fabrikant weigert
daaraan mee te werken.
Het Hof merkte voorts op dat de bevoegde autoriteit van een lidstaat wel
een rechtmatig belang heeft te kunnen controleren of een concrete, door
een (parallel)handelaar ingevoerde partij van een geneesmiddel overeenkomt
met de in het dossier voorkomende gegevens. Dit brengt echter niet
mee dat de handelaar kan worden verplicht de documenten betreffende
een concrete partij (de protocollen) over te leggen. De lidstaten
beschikken immers over (wetgevende) middelen om fabrikanten en hun
erkende vertegenwoordigers te dwingen die gegevens over te leggen. Dit
kan ook worden bewerkstelligd door een goede samenwerking tussen de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten of met andere middelen, bijvoorbeeld
een controle van een bepaalde partij geneesmiddelen. In latere
arresten heeft het Hof deze lijn telkens bevestigd, die erop neer komt dat
de nationale autoriteiten parallelhandel niet mogen belemmeren door aan
parallelhandelaren dezelfde eisen te stellen als aan ondernemingen die
voor het eerst een handelsvergunning voor een geneesmiddel aanvragen.
In een meer recent arrest van het Hof inzake parallelhandel was sprake
van de volgende situatie: een vergunninghouder liet in lidstaat A zijn
handelsvergunning voor een geneesmiddel Z intrekken en bracht in die
lidstaat een nieuwe versie van Z in de handel. Het «nieuwe» Z had
dezelfde werkzame stof en dezelfde werking als het oorspronkelijke
middel, maar werd vervaardigd volgens een ander procédé en met andere
hulpstoffen. De «oude» versie van Z bleef in de andere lidstaten gewoon
in de handel. De geneesmiddelenautoriteit van lidstaat A bleef evenwel
parallelhandelsvergunningen afgeven voor het «oude» Z. Hiertegen kwam
de houder van de «oude» vergunning op. Het Hof besliste echter dat
onder bepaalde voorwaarden het «oude» Z via parallelhandel ook in
lidstaat A kon worden verhandeld (19-12-1999, C-94/98, Rhône-Poulenc
Rorer Ltd.).
Het Hof gaat in het arrest Ferring (10-09-2002, C-172/00, Ferring Arzneimittel
GmbH versus Eurim-Pharm Arzneimittel GmbH) nog een stapje
verder. In dit arrest wordt nationale regelgeving volgens welke het
intrekken van een handelsvergunning voor een referentiegeneesmiddel
op verzoek van de houder daarvan de vergunning voor parallelle invoer
van een gelijk of nagenoeg gelijk geneesmiddel automatisch zijn geldigheid
doet verliezen, in strijd met artikel 28 EG geacht. Een uitzondering
hierop vormt de omstandigheid dat invoerbeperkingen overeenkomstig
artikel 30 EG gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de
gezondheid van personen. Naar het oordeel van het Hof doet deze situatie
zich voor indien door de daartoe bevoegde instantie kan worden aangetoond
dat er door de parallelhandel op de markt van de lidstaat van invoer
een reëel gevaar ontstaat voor de gezondheid van personen.
Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn indien de «oorspronkelijke»
handelsvergunninghouder een nieuwe variant op het referentiegeneesmiddel
in de handel brengt en er door het naast elkaar bestaan van
twee versies van hetzelfde geneesmiddel mogelijk verwarring kan
ontstaan over de bewaarcondities van zowel de oude als de nieuwe
versie.
Deze jurisprudentie is nog eens bevestigd door de uitspraak van het Hof in
de zaak Paranova Oy van 8 mei 2003 (C-113/01).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 9
Voor de goede orde wordt ook op deze plaats opgemerkt dat een parallelhandelsvergunning
geen handelsvergunning in de strikte zin van het
woord is. De toelating verloopt op eenvoudigere wijze, en de houder van
de parallelhandelsvergunning heeft niet de normale verplichtingen die
aan de handelsvergunning verbonden zijn (geneesmiddelenbewaking,
doorgeven wijzigingen).
De belangrijkste gezichtspunten die de rechtspraak van het Hof heeft
opgeleverd, zijn neergelegd in artikel 37 van het wetsvoorstel.
5.1 De apotheekhoudende huisarts
De apotheekhoudende huisarts kent in Nederland een lange geschiedenis.
Al in 1818 is sprake van een wettelijke erkenning van de toenmalige
«plattelandheelmeester» welke erkenning inhield dat de arts op het platteland
bevoegd was tevens de «apothekerskunst» te beoefenen.
Met de inwerkingtreding van de WOG in 1963 is er met betrekking tot de
apotheekhoudende huisartsen een onderscheid aangebracht tussen
artsen die op grond van de wet de bevoegdheid tot het uitoefenen van de
artsenijbereidkunst verkregen en artsen die dat op basis van een vergunning
verkregen. De bevoegdheid op grond van de wet kwam huisartsen
toe die in een gemeente gevestigd waren waarin geen apotheker gevestigd
was en ook in de aangrenzende gemeenten geen apotheker beschikbaar
was. Ook de apotheekhoudende huisartsen die reeds vóór de inwerkingtreding
van de wet apotheekhoudend waren, behielden op grond van
de wet hun bevoegdheid, mits zij in dezelfde gemeente gevestigd bleven
(de zgn. artsen oude stijl). Voor het overige was bepaald dat huisartsen
een vergunning konden aanvragen bij de provinciale Commissies voor
gebiedsaanwijzing indien dat in het belang van de geneesmiddelenvoorziening
noodzakelijk is. Bij de Staten-Generaal is een wetsvoorstel
aanhangig geweest om de WOG nader op dit punt te concretiseren
(Kamerstukken II, 1993/94, 18 884). Voorgesteld werd om patiënten die
meer dan 3,5 km van een apotheek woonachtig waren, de mogelijkheid te
bieden om van een apotheekhoudend huisarts gebruik te maken. Dat
wetsvoorstel is in 1993 ingetrokken, omdat in de praktijk de rechtspraak
zich reeds in genoemde zin ontwikkelde. Uit de wet bleek duidelijk dat de
apotheekhoudend huisarts steeds is beschouwd als een vangnet voor die
situaties waarbij in de directe nabijheid van de patiënten geen apotheker
was gevestigd.
Sinds de totstandkoming van de WOG is er veel veranderd. De mobiliteit
van de burger is aanzienlijk toegenomen, de infrastructuur is gegroeid en
verbeterd en de uitvinding van de computer en het internet en het toenemende
gebruik daarvan maken dat de burger veel beter dan enige
decennia geleden geïnformeerd is over de wereld om zich heen. Ook de
beschikbaarheid van medische informatie en informatie over geneesmiddelen
is in de loop van de tijd mede door het gebruik van het internet in
aanzienlijke mate toegenomen.
Ook heden ten dage zijn er in Nederland nog steeds gebieden waar voor
patiënten niet binnen de door de jurisprudentie ontwikkelde norm van ten
hoogste 3,5 kilometer afstand een apotheek voorhanden is. Doch waar in
het verleden een afstand van 3,5 kilometer drie kwartier lopen betekende,
is dit nu voor velen enkele minuten met gemotoriseerd vervoer. De mogelijkheden
voor apothekers om geneesmiddelen bij de gebruiker te krijgen,
zijn toegenomen. Ook voor hen geldt het principe van een toegenomen
mobiliteit door het gebruik van bezorgdiensten e.d. Deze ontwikkelingen
leidde ertoe dat de positie van de apotheekhoudende huisarts opnieuw is
bezien.
Daar kwam bij een in februari 2000 verschenen rapport van de Inspectie
voor de Gezondheidszorg dat kritische kanttekeningen plaatst bij de kwali-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 10
teit van de beroepsuitoefening door de apotheekhoudende huisartsen op
het platteland. De gedachte is toen ontstaan de apotheekhoudend huisarts
als fenomeen op termijn niet meer te laten terugkeren.
De discussie over de rol en functie van de apotheekhoudende huisartsen
startte reeds in november 1995 met het verschijnen van het rapport van
de Paritaire Werkgroep Huisartsenzorg en is sindsdien niet meer van de
politieke agenda verdwenen. Voor de Tweede Kamer is de positie van de
apotheekhoudend huisarts aanleiding geweest om een tweetal moties aan
te nemen. In 1998 werd een motie aangenomen waarbij de regering
verzocht werd een begin te maken met de scheiding van zorg en inkoop
van geneesmiddelen (handel), te beginnen bij de apotheekhoudende
huisartsen (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 204, nr. 21). Op 30 november
2000 werd een motie aangenomen waarbij de regering werd verzocht de
noodzakelijke maatregelen te treffen om de positie van de apotheekhoudend
huisarts te waarborgen waarbij de opheffing van het primaat
van de apotheker werd voorgestaan. Uitvoering van laatstgenoemde
motie zou in feite tot gevolg hebben dat álle huisartsen de bevoegdheid
krijgen om geneesmiddelen af te leveren (en daarmee ook om geneesmiddelen
in te kopen). Op 6 december 2001 is een initiatief voorstel van wet
met deze strekking bij de Tweede Kamer ingediend door de leden Van
Blerck-Woerdman, Oudkerk, Buijs en Van der Vlies (TK, vergaderjaar 2001–
2002, 28 158, nr 2). Een dergelijke vergaande maatregel moet niet in het
belang van een doelmatige geneesmiddelenvoorziening worden geacht
omdat daarmee de bestaande beroepenscheiding tussen huisarts en
apotheker in de kern wordt aangetast. De motie van 30 november 2000 is
echter aanleiding geweest om de reeds eerder ingenomen beleidslijn tot
geleidelijke afschaffing de apotheekhoudend huisarts nog eens nader te
bezien. De beleidslijn die is verwerkt in het onderhavig voorstel van wet
komt erop neer dat de huidige positie van de apotheekhoudende huisarts
wordt gecontinueerd. De apotheekhoudend huisarts wordt als instituut
waardevol geacht. Dit is ook het standpunt van de zorgverzekeraars die
hebben aangegeven de apotheekhoudend huisarts niet te willen missen.
Dit betekent dat ook in de toekomst in dunbevolkte gebieden huisartsen
zich duurzaam als apotheekhoudend kunnen vestigen.
De Commissies voor de Gebiedsaanwijzing (Cogeba’s), die tot op heden
belast zijn met het verlenen c.q. het intrekken van de vergunningen, keren
niet terug in het onderhavige wetsvoorstel. De redenen hiervoor zijn
gelegen in een grotere doelmatigheid en rechtseenheid omdat een klein
aantal vergunningen per jaar (ongeveer 70) efficiënter door één instantie
kunnen worden verleend. Daarbij moet worden bedacht dat bij instandhouding
van de Cogeba’s deze opnieuw juridisch moeten worden vormgegeven
om te voldoen aan de aanwijzingen voor de zelfstandige
bestuursorganen.
Gezien het aantal vergunningen dat jaarlijks wordt verleend, is het
inrichten van 12 nieuwe bestuursorganen niet doelmatig.
De nieuwe vergunningen voor de apotheekhoudende huisartsen zullen
voortaan worden verleend door de minister van VWS op basis van het
huidige wettelijke criterium «het belang van de geneesmiddelenvoorziening
». Dit criterium is in de rechtspraak herleid tot bereikbaarheid
van en afstand tot de naburige apotheek. Met het opnieuw opnemen van
dit criterium in de wet wordt aangegeven dat de vergunningverlening op
de voet van de huidige rechtspraak zal worden voortgezet.
5.2 De terhandstelling van geneesmiddelen
In het onderhavige wetsvoorstel wordt voor het verstrekken van een
geneesmiddel aan de gebruiker het begrip «terhandstelling» gebruikt.
Onder terhandstelling wordt verstaan het rechtstreeks verstrekken of doen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 11
toekomen van een geneesmiddel aan de patiënt voor wie het geneesmiddel
is bestemd, dan wel aan de arts, verloskundige, tandarts of optometrist
die geneesmiddelen onder zich heeft ten behoeve van toediening
aan zijn patiënten.
In de definitie van terhandstelling is aantal elementen besloten. Ten eerste
het vereiste dat het geneesmiddel bestemd is voor een met name
genoemde patiënt. Daarbij kan worden gedacht aan de reguliere situatie
dat een arts een recept heeft uitgeschreven voor een van zijn patiënten en
deze patiënt daarmee naar de apotheker gaat die hem het desbetreffende
geneesmiddel verstrekt. De verstrekking dient rechtstreeks te zijn, dat wil
zeggen door of onder verantwoordelijkheid van de apotheker bij wie het
recept is ingeleverd, en niet door tussenkomst van een andere apotheker.
Ten tweede geldt het vereiste dat het gaat om verstrekking aan artsen,
tandartsen, verloskundigen en optometristen die een werkvoorraad van
bepaalde geneesmiddelen nodig hebben voor de uitoefening van hun
beroep in de dagelijkse praktijk. Daarbij is het voor genoemde beroepsbeoefenaren
mogelijk om een schriftelijk verzoek in te dienen bij een
apotheker ten behoeve van de verstrekking van receptplichtige geneesmiddelen.
Dit verzoek onderscheidt zich van een recept omdat het hier
geen betrekking heeft op een bepaalde patiënt en dus ook niet op een
voor een bepaalde patiënt bestemde hoeveelheid.
In artikel 1, derde lid, zijn twee uitbreidingen van het begrip ter hand
stellen geregeld waardoor ook aan een dierenarts en een kapitein van een
zeeschip een werkvoorraad geneesmiddelen kan worden verstrekt. Ook zij
moeten aan de apotheker een schriftelijk verzoek overleggen.
Voor een toelichting op het begrip terhandstelling en de uitbreiding van
dat begrip wordt hier verwezen naar de toelichting bij artikel 1, eerste en
derde lid.
In de huidige WOG is in artikel 13 een aantal bepalingen opgenomen
inzake de aflevering van geneesmiddelen in ziekenhuizen. Het onderhavige
wetsvoorstel bevat geen specifieke bepalingen meer voor de
terhandstelling en distributie van geneesmiddelen in ziekenhuizen. De
wettelijke bepalingen met betrekking tot de bevoegdheden van de
apotheker zijn onverkort van toepassing voor de ziekenhuisapotheker. De
wijze waarop de geneesmiddelenkanalisatie intramuraal en extramuraal
wordt vormgegeven is primair een verantwoordelijkheid van de
ziekenhuisdirectie. Hierbij wordt aangesloten bij de Kwaliteitswet zorginstellingen
waarbij de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het
aanbieden van zowel kwalitatief als kwantitatief verantwoorde zorg. De
farmaceutische zorg onderscheidt zich in dit opzicht niet van andere
gebieden van de zorgsector.
5.3 Receptplichtige versus zelfzorggeneesmiddelen
Het wetsvoorstel kent (zoals ook de WOG) een onderverdeling in twee
groepen geneesmiddelen, te weten: de receptplichtige geneesmiddelen
en de zelfzorggeneesmiddelen. De eerste categorie kan uitsluitend in
handen van de patiënt geraken via de apotheker of de apotheekhoudende
arts dan wel via een beroepsbeoefenaar die bevoegd is geneesmiddelen
voor te schrijven. De tweede categorie geneesmiddelen kan in beginsel
ook via andere kanalen bij de gebruiker terechtkomen. Het uitgangspunt
daarbij is dat zelfzorgmiddelen bij normaal gebruik veilig zijn. Daarin
onderscheiden zelfzorggeneesmiddelen zich overigens niet van andere
producten die vrij verkrijgbaar zijn, zoals alcohol en bepaalde voedingsmiddelen
of schoonmaakproducten. Dit uitgangspunt ligt ten grondslag
aan de redenering dat distributievoorschriften ten aanzien van zelfzorggeneesmiddelen
beperkt van aard dienen te zijn. Er ontbreekt immers een
ratio voor de overheid om in te grijpen door regelgeving. Dit laat onverlet
dat ook zelfzorggeneesmiddelen door het College ter beoordeling van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 12
geneesmiddelen beoordeeld worden op kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid.
Het is ook het College dat bepaalt of een geneesmiddel als receptplichtig
wordt aangemerkt. Daarbij speelt de veiligheid van het gebruik
van een geneesmiddel met of zonder de noodzakelijke geneeskundige
begeleiding een belangrijke rol. Indien het College heeft vastgesteld dat
een geneesmiddel niet receptplichtig is, kan er van worden uitgegaan dat
het desbetreffende geneesmiddel veilig gebruikt kan worden zonder
geneeskundige begeleiding, uiteraard met inachtneming van de voorschriften
zoals deze op de verpakking en de bijsluiter zijn vermeld.
5.4 De afschaffing van de drogistenvergunning
Zoals reeds in de brief aan de Tweede Kamer van 31 augustus 2000
(Kamerstukken II, 1999–2000, 26 801, nr. 44) aan de Kamer is weergegeven,
werd het niet langer aangewezen geacht dat zelfzorggeneesmiddelen
alleen door tussenkomst van een drogist of apotheker
kunnen worden verkocht. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen
is op 5 november 1999 de vraag voorgelegd of het mogelijk is een
(beperkt) assortiment zelfzorggeneesmiddelen te verkopen zonder tussenkomst
van een gediplomeerde drogist of een apotheker, waarbij er geen
negatieve gevolgen zijn voor de veiligheid en kwaliteit van de
geneesmiddelenvoorziening.
Het CBG heeft in zijn advies (van 29 februari 2000) gesteld dat het zelfzorgpakket
bekende geneesmiddelen omvat waarvan de veiligheid vaststaat
en waarvoor de consument zelf de toepasbaarheid kan vaststellen. Het
gaat om bij normaal gebruik veilige geneesmiddelen waardoor voorlichting
slechts een beperkte meerwaarde heeft. Het oordeel van het CBG is
dan ook dat in principe alle zelfzorggeneesmiddelen voor een bredere
beschikbaarheid in aanmerking komen, behalve die geneesmiddelen die
belangrijke interacties kunnen geven met andere geneesmiddelen of die
het reactievermogen kunnen beïnvloeden.
Het CBG verbindt aan deze bredere beschikbaarheid de volgende randvoorwaarden:
– het hanteren van een leeftijdscriterium voor de verkoop van zelfzorggeneesmiddelen,
– het gebruik maken van een vergunningen- of notificatiesysteem,
– het starten van een voorlichtingscampagne voor het publiek, en
– in sommige gevallen het aanpassen van de verpakkingsgrootte.
Het CBG-advies sterkt de zienswijze dat het verantwoord is om zelfzorggeneesmiddelen
ook buiten de tot op heden gehanteerde distributiekanalen
te laten verkopen. Bij deze opvatting speelt een aantal andere
factoren een rol, zoals de productveiligheid, de beschikbaarheid van zelfzorggeneesmiddelen
en de consistentie van het gevoerde overheidsbeleid.
Voor het toekennen van de afleverstatus van een geneesmiddel volgt het
CBG de «Guidline on changing the classification foor the supply of a
medicinal product for human use» van de Europese Commissie. Een
product krijgt een UR-status:
1. indien er veiligheidsrisico’s zijn wanneer het middel niet onder
medisch toezicht wordt gebruikt. Daarbij moet worden gedacht aan:
– direct gevaar (toxiciteit, interacties, bijwerkingen)
– indirect gevaar (maskeren onderliggende ziektes, resistentievorming)
– diagnosestelling door arts noodzakelijk
– risico’s en consequenties van onjuist gebruik
– behoefte aan informatie voor patiënt om het middel goed te
gebruiken;
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 13
2. dan wel indien er aanwijzingen zijn dat het middel op grote schaal
onjuist gebruikt zal worden;
3. dan wel indien er onvoldoende ervaring met het middel in de praktijk
is.
Hierbij zij opgemerkt dat onder «medisch toezicht» en «diagnosestelling
door een arts» niet verstaan kan worden toezicht of diagnosestelling door
een drogist. Voorts zijn bij zelfzorggeneesmiddelen noch de risico’s en
consequenties bij onjuist gebruik, noch de informatiebehoefte van dien
aard dat bemoeienis van een (huis)arts of tussenkomst van een apotheker
is voorgeschreven. Dat geldt ook voor gevaarzettende risico’s als toxiciteit,
interacties en bijwerkingen. Voor al deze zaken heeft dus al een
weging door wetenschappelijk geschoolde deskundigen plaatsgevonden.
Het betreft hier deskundigheid die bij drogisten niet aanwezig is en ook
niet hoeft te zijn. Dit geldt eveneens voor kennis over interacties tussen
geneesmiddelen of beïnvloeding van het reactievermogen.
Het gaat onder deze omstandigheden niet aan de consument te
verplichten om zelfzorgeneesmiddelen bij de drogist te kopen. Er zijn geen
harde volksgezondheidsoverwegingen die daartoe dwingen. De verkoop
van zelfzorgeneesmiddelen moet bovendien worden beschouwd als een
gewone economische activiteit. Er moet sprake zijn van zeer bijzondere
omstandigheden wil de wetgever aan slechts een bepaalde beroepsgroep
(de apotheek buiten beschouwing latend) een monopolie op die activiteit
toe te kennen. Daartoe bestaat ook overigens geen juridische gehoudenheid.
Ook het communautair recht verplicht daar niet toe.
Uiteraard kan de drogisterijbranche zich onderscheiden van andere leveranciers
door verder te gaan op het pad van de kwaliteitsbewaking, zoals
dit door het Centraal Bureau Drogisterijbedrijven wordt gestimuleerd. Uit
het oogpunt van volksgezondheid acht de regering geen redenen
aanwezig om de drogisten te beschermen tegen concurrentie door andere
leveranciers. Het is aan de consument om te bepalen waar hij zijn zelfzorggeneesmiddelen
wenst te betrekken. Wie mondeling advies wil kan
ook in de toekomst altijd naar een apotheek of naar een drogist.
Overigens zij opgemerkt dat thans al zo’n 750 detaillisten zonder
drogistendiploma (maar met vergunning van de minister van VWS) zelfzorggeneesmiddelen
mogen verkopen, waarvan niet bekend is dat dit ooit
tot problemen heeft geleid.
Weliswaar gaat het hier om een beperkt assortiment, maar het betreft wel
veel voorkomende aandoeningen als griep, verkoudheid en koorts. Ook
hieruit kan worden afgeleid dat de verkoop van zelfzorgeneesmiddelen
veilig kan worden uitgebreid naar andere detaillisten zonder (drogisten)-
vergunning.
Voor het opnemen van een wettelijke leeftijdsgrens, zoals het CBG in zijn
advies opmerkt, zie ik vooralsnog geen redenen. Op dit moment bestaat
zo’n leeftijdsgrens ook niet, zonder dat dit tot problemen heeft geleid, en
het is niet op voorhand duidelijk welk probleem daarmee wordt opgelost.
Dit laatste geldt ook voor een tweede suggestie van het CBG, te weten het
aanpassen van de verpakkingsgrootte van sommige zelfzorgeneesmiddelen.
Voor zover hiermee wordt beoogd overmatig gebruik of misbruik
terug te dringen, is het niet waarschijnlijk dat dit ook daadwerkelijk wordt
bereikt. Hierbij zij nog opgemerkt dat er ook (juridische) bezwaren aan
kleven om veelal in Europees verband opererende geneesmiddelenfabrikanten
te verplichten uitsluitend voor het Nederlandse grondgebied
de verpakkingsgrootte aan te passen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 14
5.5 De apotheker
De omgeving van de apotheker is aan sterke verandering onderhevig en
daarmee zal ook de rol en de functie die de apotheker inneemt binnen de
farmaceutische zorg wijzigingen ondergaan.
Situatie onder de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
Voorheen was de omgeving van de apotheker, de apotheek, tot in détail
geregeld in de WOG en was de apotheker als het ware één op één
gebonden aan zijn apotheek. De artsenijbereidkunst mocht hij pas uitoefenen
nadat de Inspectie voor de Gezondheidszorg hem had ingeschreven
in het register van gevestigde apothekers. De inschrijving geschiedde
voor één apotheek gevestigd in één bepaald aangewezen perceel. De
WOG maakte onderscheid in een vijftal registers: het register voor tweede
apothekers, waarnemende apothekers, gevestigde apothekers (waaronder
de ziekenhuisapothekers), apotheekhoudende huisartsen en apothekersassistenten.
Pas als er naar het oordeel van de Inspectie voldoende waarborgen
aanwezig waren voor de aflevering van deugdelijke geneesmiddelen,
ging de Inspectie tot inschrijving over en kon de apotheker gebruik
maken van zijn bevoegdheid tot uitoefening der artsenijbereidkunst.
De op deze wet gebaseerde lagere regelgeving bevatte onder meer eisen
met betrekking tot het afhandelen van een recept door de apotheker,
procedurele voorschriften met betrekking tot de inschrijving van de
apotheker en nadere voorschriften met betrekking tot de wijze waarop de
apotheker zijn beroep dient uit te oefenen.
Daarnaast is de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) van toepassing op de apotheker. Deze wet verving in 1997 het
oude stelsel van beroepsbescherming door een stelsel van titelbescherming.
Door het voeren van zijn titel kan een beroepsbeoefenaar
aan het publiek kenbaar maken dat hij deskundig is op een bepaald terrein
van de individuele gezondheidszorg. De titel van apotheker is wettelijk
beschermd. Door inschrijving in het krachtens artikel 3 van de Wet BIG
ingestelde register van apothekers verkrijgt men het recht die titel te
voeren. Een van de belangrijkste voorwaarden om voor inschrijving in
aanmerking te komen is het apothekersdiploma. Naast de registratie, de
titelbescherming en het wettelijk regelen van de opleiding is ook het
deskundigheidsgebied voor de apotheker in de Wet BIG vastgelegd. Met
betrekking tot het stellen van kwaliteitseisen is nadrukkelijk gekozen voor
een terughoudende opstelling van de overheid.
Op zorginstellingen, waaronder de apotheek, is de Kwaliteitswet Zorginstellingen
van toepassing, voor solistisch werkende beroepsbeoefenaren
geldt de Wet BIG. Eerstgenoemde wet bevat de algemene en
globaal geformuleerde kwaliteitseis dat de beroepsuitoefening op zodanige
wijze georganiseerd wordt dat dit leidt of redelijkerwijze moet leiden
tot zorg van een verantwoord kwaliteitsniveau. In dit verband dienen
beroepsbeoefenaren onder meer systematisch zelf de kwaliteit van de
verleende zorg te bewaken, te bevorderen en beheersen. Er is daarmee
uitdrukkelijk gekozen voor een terughoudende rol van de overheid met
betrekking tot het stellen van kwaliteitseisen. Dit uitgangspunt was niet
geheel in lijn met de inhoud van de WOG ten aanzien van de apotheker.
Op de beroepsuitoefening en de opleiding tot apotheker zijn tevens specifieke
EG-richtlijnen van toepassing, die in nationale wetgeving (de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet BIG en de
WOG) zijn geïmplementeerd.
De bepalingen van artikel 13 WOG inzake de ziekenhuisapotheek keert niet
meer terug in dit voorstel van wet. Door het initiatief-wetsontwerp van het
kamerlid Oudkerk was het verbod op extramurale aflevering van geneesmiddelen
door ziekenhuisapotheken reeds geschrapt. Artikel 13 WOG
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 15
bevat thans nog het gebod voor ziekenhuizen met meer dan 300 bedden
om een eigen ziekenhuisapotheek in stand te houden, en de mogelijkheid
om ontheffing te verlenen van dit gebod. Dit stelsel wordt thans als verouderd
beschouwd; het is de verantwoordelijkheid van de ziekenhuisdirecties
om zelf om hieraan invulling te geven.
Ontwikkelingen
Er zijn vele rapporten verschenen met aanbevelingen over de bevordering
van marktwerking op het terrein van de distributie van geneesmiddelen.
Op grond van deze aanbevelingen is de laatste jaren een deregulering op
het terrein van de apotheek en de apotheker in gang gezet. Zo is onder
andere het verbod voor de apotheker opgeheven om in loondienst te
treden bij een niet-apotheker, zijn de inrichtingseisen van de apotheek
komen te vervallen en is de wetswijziging in gang gezet waarbij voorgesteld
wordt het verbod voor de apotheker om in meer dan één apotheek
zijn beroep uit te oefenen, op te heffen. Een en ander dient te leiden tot
een zekere deregulering van deze overgereguleerde sector en moet deze
markt toegankelijker maken voor nieuwe toetreders.
Tegelijkertijd is een beweging in gang gezet om de kennis en vaardigheden
van de apotheker in de toekomst beter te benutten. Het zorgverlenerschap
van de apotheker moet worden verdiept en de apotheker
dient hierop meer op aanspreekbaar te zijn. Dit is ook erkend in het tussen
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering van de Pharmacie
(KNMP) en de Minister van VWS gesloten Akkoord op hoofdlijnen
d.d. 8 oktober 1999. In dit Akkoord is onder meer overeengekomen de
reikwijdte van de Wet op de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling
(thans afdeling 5 van titel 7 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek)
aan te passen in die zin dat ook de openbare apotheker onder de reikwijdte
van de bepalingen betreffende de overeenkomst inzake geneeskundige
behandeling komt te vallen. Daarmee worden enerzijds de patiëntenrechten
formeel gewaarborgd door de apotheker, anderzijds schept het
richting apotheker duidelijkheid wat de patiënt van hem mag verwachten.
Ook geeft het een handvat voor de apotheker over de rol en taken van de
openbare apotheker als zorgverlener.
Een daartoe strekkend wetsvoorstel, waarin eveneens de afschaffing
artikel 19 WOG is opgenomen, is reeds aanhangig in de Tweede Kamer.
Geneesmiddelenwet in relatie tot Wet BIG
In het onderhavige voorstel van wet is de rol van de apotheker beperkt tot
zijn distributietaak. Het onderscheid tussen gevestigd apotheker en
tweede of waarnemend apotheker is komen te vervallen. In de nieuwe wet
is gekozen voor een plicht voor apothekers die belast zijn met de leiding
van een apotheek om zich als gevestigd apotheker te laten registreren bij
het Staatstoezicht op de volksgezondheid (in casu de Inspectie voor de
gezondheidszorg). Daarbij dient te worden aangetekend in welk perceel de
apotheek is gevestigd. Daarmee verkrijgt de Inspectie een overzicht van
de locaties waarin geneesmiddelen worden bereid en ter hand gesteld en
welke apotheker daarvoor kan worden aangesproken.
De inschrijving van de leidinggevende apotheker(s) voor een of meer
apotheken heeft niet alleen voor de leidinggevende apotheker(s) maar ook
voor de andere apothekers in de desbetreffende apotheek of apotheken
tot gevolg dat zij in de apotheek receptplichtige geneesmiddelen mogen
bereiden en ter hand stellen. De bevoegdheid tot het bereiden van
geneesmiddelen in de apotheek is alleen aan hen voorbehouden. Wat
betreft het ter hand stellen van receptplichtige geneesmiddelen zijn ook
de huisartsen bevoegd zodanige geneesmiddelen te verstrekken aan de
tot hun praktijk behorende patiënten, indien aan hen daartoe vergunning
is verleend.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 16
Voor het ter hand stellen van receptgeneesmiddelen aan patiënten, blijft
de tussenkomst van een apotheker – al dan niet in loondienst – noodzakelijk.
Voor een goed advies aan de voorschrijver en patiënt en voor controle
op het recept is een betrokkenheid van een apotheker met het ter hand te
stellen product noodzakelijk.
Reeds in de brief van 8 december 1998 aan de Tweede Kamer is aangegeven
dat gekozen wordt voor de WOG als geneesmiddelenwet en zou de
regeling met betrekking tot de beroepsuitoefening zoveel mogelijk
moeten aansluiten bij de regeling van de Kwaliteitswet en de Wet BIG, Dat
heeft tot gevolg dat bepalingen omtrent de beroepsuitoefening van de
apotheker en de apotheek niet langer onderwerp zijn van gedetailleerde
regelgeving. Ook voor andere beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg
is dit gebruikelijk. De desbetreffende WOG-bepalingen zullen komen te
vervallen. Er wordt volstaan met de waarborgen die de Wet BIG wat
betreft de apotheker en de Wet Kwaliteitswet Zorginstellingen voor wat
betreft de apotheek bieden. Apothekersassistenten zullen niet meer
worden ingeschreven in het register bij de regionaal inspecteur voor de
volksgezondheid. Wel zal de bescherming van de opleidingstitel (artikel 34
van de wet BIG) op hen van toepassing blijven.
Artikel 23 van de Wet BIG bevat een omschrijving van het gebied van
deskundigheid van de apotheker. De terminologie die daarvoor wordt
gebruikt, is «handelingen op het gebied van de artsenijbereidkunst». Het
begrip artsenijbereidkunst komt in het onderhavige wetsvoorstel niet
meer voor. Het is in de WOG ook gekoppeld aan het werkterrein van
andere actoren op het gebied van de geneesmiddelenbereiding of distributie.
In het wetsvoorstel zijn nu juist de handelingen van de verschillende
actoren van elkaar onderscheiden omdat ze verschillende rechtsgevolgen
hebben. De omschrijving van het deskundigheidsterrein van de
apotheker in artikel 23 van de wet BIG is daarom aangepast aan de terminologie
van het wetsvoorstel en overigens aan de taken van de apotheker
die verband houden met zijn zorgverlenerschap.
5.6 Bereiding door de apotheker
Hoofdregel is dat het verboden is geneesmiddelen te vervaardigen en in
de handel te brengen zonder de vereiste vergunningen. Deze verboden
zullen niet van toepassing zijn met betrekking tot geneesmiddelen die
door een apotheker in een apotheek zijn bereid en bestemd zijn om rechtstreeks
aan klanten van de desbetreffende apotheek te worden verstrekt.
Deze uitzondering vloeit voort uit artikel 3 van richtlijn 2001/83/EG.
Wat betreft de fabrikantenvergunning wordt met zoveel woorden in artikel
40, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG gesteld dat zij niet vereist is voor
het bereiden e.d. indien «deze verrichtingen uitsluitend voor verstrekking
in het klein worden uitgevoerd door apothekers in een apotheek». En
artikel 3, eerste en tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat de
richtlijn niet van toepassing is op magistrale en officinale bereidingen.
Onder officinale bereidingen verstaat de richtlijn «geneesmiddelen die in
de apotheek overeenkomstig aanwijzingen van de farmacopee worden
bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek
zijn bestemd…». De richtlijn verstaat onder magistrale bereidingen
«geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een
bepaalde patiënt worden bereid…».
Er moet derhalve aan een aantal elementen worden voldaan, wil men
ontheven zijn van de vergunningplicht. In de eerste plaats moet het
bereiden plaatsvinden in een apotheek. Het begrip «apotheek» is in artikel
1, eerste lid, van voorstel van wet gedefinieerd als «een lokaal of samenhangend
geheel van lokalen waarin geneesmiddelen worden bereid, ter
hand gesteld en ten behoeve van terhandstelling worden opgeslagen, dan
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 17
wel alleen ter hand worden gesteld en daartoe worden opgeslagen». Ter
hand stellen houdt in – voor zover hier van belang – het rechtstreeks aan
een patiënt of aan een arts, tandarts, verloskundige of optometrist ten
behoeve van hun werkvoorraad, verstrekken of doen bezorgen van een
geneesmiddel.
In de tweede plaats moet de bereiding plaatsvinden door of in opdracht
van een apotheker die werkzaam is in een apotheek (artikel 9, vijfde lid).
Dit ter onderscheiding van de apotheker die werkzaam is in de industrie.
In de derde plaats moet het gaan om geneesmiddelen die ter hand
worden gesteld, dat wil zeggen rechtstreeks aan de patient overhandigd.
Er mag geen sprake zijn van (door)levering aan andere apotheken, (rechts)-
personen of instellingen die op hun beurt geneesmiddelen aan patiënten
verstrekken. Om onder het uitzonderingsregime te vallen is het noodzakelijk
dat de geneesmiddelen rechtstreeks aan de patiënt ter hand worden
gesteld door de apotheker of iemand die in diens opdracht werkt, bijvoorbeeld
een apothekersassistent of een bezorger. Indien de levering feitelijk,
bijvoorbeeld op grond van een koopovereenkomst, eerst geschiedt aan
een derde (rechts)persoon of apotheek, is geen sprake van rechtstreekse
verstrekking aan een patiënt en derhalve ook niet van zogeheten officinale
bereiding.
Overigens wordt opgemerkt dat richtlijn 2001/83/EG bij de officinale
(voorraad)bereiding uitgaat van kleinschalige productie («aflevering in het
klein»). Bij voorraadbereiding ten behoeve van de apotheek is, gelet op de
kleinschaligheid van de oplage, het risico voor de volksgezondheid
beperkt.
Bij grootschalige geneesmiddelenproductie bestaat een groter risico voor
de volksgezondheid omdat een middel over een veel grotere populatie
personen wordt verspreid. Industriële (aan vergunningplicht onderworpen)
vervaardiging van geneesmiddelen is in principe grootschalig.
Bij brief van 8 december 1998 aan de Tweede Kamer is door de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangegeven dat grootschalige
geneesmiddelenproductie in apotheken, zonder fabrikanten- of handelsvergunning,
op gespannen voet staat met de Europese regelgeving, en
dat het wenselijk is tot een afbakening te komen van enerzijds geneesmiddelen
die door de apotheker als magistrale en officinale bereidingen
geproduceerd mogen worden, en anderzijds de geneesmiddelen die
uitsluitend door vergunninghoudende fabrikanten vervaardigd mogen
worden en uitsluitend na het verlenen van een handelsvergunning aan
patiënten mogen worden verstrekt (Kamerstukken II, 1998–1999, 26 344,
nr. 1). Daarbij zouden de grootschaligheid en de beschikbaarheid van het
geneesmiddel op de commerciële markt een rol moeten spelen.
De begrippen klein- en grootschalig zijn echter tamelijk onbepaald en
kunnen louter op zichzelf genomen geen harde maatstaf bieden voor het
wel of niet bestaan van vergunningplicht (fabrikanten- en handelsvergunning).
Er zijn immers ook «grote» apotheken. Wel kan de productieschaal
een aanwijzing vormen voor het aannemen van wel of niet feitelijk
fabrieksmatig produceren van geneesmiddelen, evenals bijvoorbeeld de
aanwezigheid van hoeveelheden farmaceutische grondstoffen die de
normale productie van een doorsnee apotheek kennelijk te boven gaan.
De belangrijkste maatstaf komt evenwel uit de eerdergenoemde bepaling
in richtlijn 2001/83/EG: de geneesmiddelen moeten bestemd zijn voor
rechtstreekse verstrekking aan de klanten van de apotheek (hetgeen automatisch
beperkingen inhoudt voor de productieschaal). Is daarvan geen
sprake, dan geldt de vergunningplicht voluit. De productieschaal en
andere omstandigheden kunnen ondersteuning bieden bij de vaststelling
of feitelijk sprake is van fabrieksmatig vervaardigen van geneesmiddelen,
dan wel van eigen bereidingen van een apotheek. De beoordeling of
sprake is van apotheekbereidingen of van industriële vervaardiging is, zo
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 18
blijkt uit het voorgaande, telkens een weging van een specifiek feitencomplex.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg is daarmee belast.
6. Geneesmiddelenbewaking
Hoofdstuk 8 betreft de bewaking van geneesmiddelen waarvoor een
handelsvergunning is verleend. De geneesmiddelenbewaking is
communautair geregeld in titel IX van richtlijn 2001/83/EG. De
geneesmiddelenbewaking houdt in de verzameling van voor het toezicht
op de geneesmiddelen nuttige gegevens over bijwerkingen, gebruik en
misbruik, alsook gegevens over de geneesmiddelenconsumptie.
Geneesmiddelenbewaking heeft tot doel de vroegtijdige detectie van
onbekende bijwerkingen en interacties, de detectie van toename in
frequentie van (bekende) bijwerkingen en interacties, de identificatie van
risicofactoren en werkingsmechanismen en de analyse en verspreiding
van informatie met het oog op het voorschrijven van geneesmiddelen of
het nemen van maatregelen met betrekking tot een geneesmiddel dat in
de handel is. Geneesmiddelenbewaking wordt ook wel farmacovigilantie
genoemd. Het begrip geneesmiddelenbewaking moet worden onderscheiden
van het begrip medicatiebewaking, dat betrekking heeft op de
bewaking van het geneesmiddelengebruik van de individuele patiënt door
de behandelende arts of de apotheker.
Op grond van de WOG berust de geneesmiddelenbewaking formeel bij de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. In de praktijk worden de
daaraan verbonden werkzaamheden sinds 1995 verricht door het dienstonderdeel
dat het College ter beoordeling van geneesmiddelen ondersteunt,
het Agentschap CBG (ACBG).
Het ligt in de rede de geneesmiddelenbewaking nu ook formeel bij het
CBG onder te brengen, gezien de verwantschap met overige taken van het
CBG. Het CBG is namelijk in het kader van het verlenen van de handelsvergunning
reeds belast met de wetenschappelijke beoordeling van
bijwerkingen van geneesmiddelen, alsook met het zonodig schorsen of
intrekken van een handelsvergunning.
Opgemerkt wordt dat ook de IGZ uit hoofde van haar toezichthoudende
taken in aanraking komt met aspecten van de geneesmiddelenbewaking.
De IGZ ziet toe op eventuele kwaliteitsproblemen met geneesmiddelen
waarvoor een handelsvergunning is verleend. De IGZ kan zonodig de
handel in een geneesmiddel tijdelijk stil leggen. De IGZ kan dit uit eigen
beweging doen of op verzoek van het CBG.
7. Toezicht, opsporing en handhaving
Het toezicht op de naleving van deze wet wordt grotendeels (naast de
bevoegde ambtenaren van de douane) uitgevoerd door de ambtenaren
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid die met deze taak zijn
belast. De ambtenaren die in het bijzonder met deze taak zijn belast
maken deel uit van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, een
organisatie-onderdeel van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport. De juridische basis voor deze dienst is gelegen in de Gezondheidswet,
die in artikel 36 het Staatstoezicht noemt als de instantie die
onder meer belast is met het toezicht op de naleving wettelijke voorschriften.
Voor het toezicht op de naleving van de wet binnen de krijgsmacht is de
Minister van Defensie verantwoordelijk. Het toezicht binnen de krijgsmacht
zal feitelijk plaatsvinden door een militair-medisch inspectieorgaan.
Voorzover de wet betrekking heeft op de geneesmiddelenvoorziening aan
boord van zeeschepen die bedrijfsmatig de zee bevaren, vindt het toezicht
op de naleving plaats onder verantwoordelijkheid van de Minister van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 19
Verkeer en Waterstaat. Het feitelijke toezicht op de naleving zal plaatsvinden
door de divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
De bevoegdheden van de toezichthouders zijn niet alleen geregeld in dit
wetsvoorstel maar ook in de Algemene wet bestuursrecht, waar in hoofdstuk
5 de algemene bevoegdheden van alle wettelijke toezichthouders zijn
geregeld. Voorts is in dit wetsvoorstel het toezicht uitgebreider vormgegeven,
enerzijds door meer bepalingen in de wet op te nemen omtrent
toezicht, opsporing en handhaving, anderzijds doordat het bestuursrechtelijk
arsenaal is uitgebreid met de mogelijkheid voor de IGZ om een
bestuurlijke boete op te leggen indien de wet niet is nageleefd. Met de
uitbreiding van het toezichtinstrumentarium met de bestuurlijke boete
wordt beoogd om meer proportionele instrumenten voorhanden te
hebben voor de toezichthouder om de naleving van de wet te waarborgen.
In de nieuwe situatie kan in plaats van het intrekken of schorsen
van de desbetreffende vergunning een bestuurlijke boete worden opgelegd
die in overeenstemming is met de ernst van de gepleegde overtreding.
Het schorsen of intrekken van de fabrikantenvergunning, de
groothandels- of de handelsvergunning wordt in veel gevallen als een te
zwaar middel beschouwd voor een groot aantal overtredingen op het
gebied van de geneesmiddelenregelgeving. Door de invoering van de
bestuurlijke boete is het mogelijk om een straf op maat, dat wil zeggen in
overeenstemming met de zwaarte van de gepleegde overtreding, op te
leggen. Overigens blijft de mogelijkheid van schorsing of intrekking van
de vergunning in stand voor die gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is.
De uitbreiding van het toezichtsinstrumentarium is opgezet overeenkomstig
het voorontwerp van de vierde tranche van de Algemene wet
bestuursrecht dat bij aanbiedingdbrief van 7 september 1999 door de
Commissie Scheltema is aangeboden aan de Minister van Justitie en de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De bepalingen
inzake de bestuurlijke boete in het onderhavige wetsvoorstel zullen
worden aangepast aan de definitieve regeling van de bestuurlijke boete in
de AWB, indien dat nodig mocht blijken.
Naast de bestuurlijke boete blijft de mogelijkheid bestaan om een overtreder
van deze wet strafrechtelijk te vervolgen. De strafrechtelijke vervolging
is vooral geëigend voor die overtredingen die een gevaarzettend
karakter hebben of die anderszins de volksgezondheid kunnen bedreigen.
Daarbij kan worden gedacht aan het in de handel brengen van ongeregistreerde
geneesmiddelen, het verhandelen van geneesmiddelen zonder
vergunning of het (industrieel) bereiden van geneesmiddelen zonder de
daarvoor vereiste vergunningen.
Het niet beschikken over een zogenaamde «qualified person» door een
fabrikant of groothandelaar kan als een ernstige overtreding worden
beschouwd, aangezien met zodanige persoon juist is beoogd de kwaliteit
en veiligheid van het gefabriceerde of verhandelde geneesmiddel te waarborgen.
In de voorgaande gevallen is duidelijk geen sprake van voorschriften
met alleen maar een administratieve betekenis, maar van voorschriften
die beogen de veiligheid van geneesmiddelen te waarborgen en
maatschappij te beschermen tegen ondeugdelijke of gevaarlijke geneesmiddelen.
Het overtreden van dergelijke regels dient dan ook, gezien de
ernst van de mogelijke gevolgen van overtreding, streng te worden
bestraft.
8. Bedrijfseffecten en administratieve lasten
Het onderhavige wetsvoorstel brengt voor ondernemingen die geneesmiddelen
(industrieel) bereiden, invoeren, uitvoeren, distribueren of
anderszins verhandelen een aantal verplichtingen mee. Deze verplich-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 20
tingen vallen uiteen in administratieve verplichtingen en verplichtingen
inzake de zorgvuldigheid die in acht moet worden genomen bij de bereiding
van geneesmiddelen met het oog op de veiligheid. De belangrijkste
administratieve verplichting is dat voor het fabriceren, invoeren,
uitvoeren, distribueren, verhandelen, verpakken of ompakken van geneesmiddelen
een vergunning is vereist. Deze vergunningplicht vloeit voort uit
richtlijn 2001/83. De richtlijn is geïmplementeerd in nationale bindende
regelgeving. De hier genoemde verplichtingen, zoals deze voorkomen in
het onderhavige wetsvoorstel, zijn overigens niet nieuw. In de WOG en
een groot aantal op deze wet gebaseerde besluiten en regelingen (bijvoorbeeld
het Besluit registratie geneesmiddelen en het Besluit uitoefening
artsenijbereidkunst) is de richtlijn reeds geïmplementeerd.
In het onderhavige wetsvoorstel is een groot aantal bepalingen opgenomen
die thans in lagere regelingen zijn vervat. Op deze wijze kan de
omvang van de op het onderhavige wetsvoorstel gebaseerde regelgeving
worden teruggebracht. Oogmerk hiervan is zowel te komen tot een
vermindering van het aantal van toepassing zijnde regelingen, alsmede
om de inzichtelijkheid in de regelgeving te vergroten.
Naast de reeds genoemde verplichting om te beschikken over een relevante
vergunning, zijn er ook nadat de vergunningverlening heeft plaatsgevonden
blijvende verplichtingen voor de vergunninghouder. Ten eerste
dient de vergunninghouder te blijven voldoen aan de vergunningvereisten
en de desbetreffende wetgeving. Ten tweede dient de vergunninghouder
medewerking te verlenen aan de toezichthouder IGZ) zodat deze de naleving
van de regelgeving kan vaststellen.
Daarbij is de invalshoek van de Inspectie om zoveel mogelijk de kwaliteit
en de veiligheid van de fabricage of distributie van de geneesmiddelen in
relatie met de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te controleren
en waar nodig onregelmatigheden te signaleren of feitelijk te (doen)
beëindigen. De controles van de vergunninghouders door de Inspectie
voor de Gezondheidszorg worden periodiek uitgevoerd.
Ten derde dient een houder van een handelsvergunning hem gemelde
bijwerkingen te melden aan het CBG of in voorkomende gevallen aan de
Europese Commissie, e.e.a. met het oog op de geneesmiddelenbewaking.
Voor de aanvraag van een handelsvergunning voor een geneesmiddel bij
het CBG is een uitgebreid dossier noodzakelijk waarin de veiligheid, de
werkzaamheid en de kwaliteit van het geneesmiddel wordt aangetoond.
De indeling en inhoud van deze dossiers wordt in hoge mate bepaald
door richtlijn 2001/83 en door daarop gebaseerde richtlijnen van de Europese
Commissie en richtsnoeren, zoals «notice to applicants» (NTA’s). In
deze NTA’s wordt tot op detailniveau aangegeven welke bescheiden met
dient te overleggen dan wel te bewaren. Deze NTA’s worden vastgesteld
vanwege de Europese Commissie. Zij ondergaan met de komst van het
onderhavige wetsvoorstel geen wijziging.
Ook het voorafgaande wetenschappelijke onderzoek naar de veiligheid,
werkzaamheid en kwaliteit van een geneesmiddel door de fabrikant
alsmede de fabricagewijze van een geneesmiddel zijn genormeerd door
Europese richtlijnen en richtsnoeren (Good Manufacturing Practice (GMP),
Good Clinical Practice (GCP)). Ten aanzien van de distributie van geneesmiddelen
is er een Europese richtsnoer inzake goede distributiepraktijken
(Good Distribution Practice). Genoemde Europese regelgeving is reeds in
het verleden geïmplementeerd in nationale regelgeving.
De professionele partijen die betrokken zijn bij de fabricage, groothandel
of handel in geneesmiddelen zijn doorgaans zeer goed geïnformeerd over
de ter zake geldende regels zowel in Europees als in nationaal verband. Bij
de informatievoorziening inzake actuele ontwikkelingen op het terrein van
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 21
de geneesmiddelenfabricage speelt de nationale geneesmiddelenbeoordelingsautoriteit,
het CBG, een belangrijke rol.
Voor het verkrijgen van een vergunning moet de aanvrager een bedrag
vergoeden aan de de vergunningverlener. Indien er sprake is van een
fabrikantenvergunning moet de vergoeding worden betaald aan de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Voor de aanvraag van
een handelsvergunning voor een geneesmiddel moet een vergoeding
worden betaald aan het CBG.
Uitgangspunt daarbij is dat de vergoedingskosten van de vergunning de
kostprijs van de werkzaamheden weergeeft die nodig zijn om tot een
beoordeling te komen of de aanvrager voldoet aan de wettelijke voorschriften.
Daarbij is er uiteraard verschil in de werkzaamheden (en
derhalve de prijs) die door de desbetreffende overheidsinstantie moet
worden verricht voor het beoordelen van de aanvraag om een bepaalde
vergunning. Naast de eenmalige vergoeding bij de aanvraag, is er ook een
jaarlijkse vergoeding verschuldigd voor het onderhouden van de vergunning.
Daarbij moet worden bedacht dat wijzigingen in de omstandigheden
gedurende het jaar van invloed kunnen zijn op de naleving van de
vergunningvoorwaarden. Omdat, zoals al eerder is betoogd, een
aanvrager ook na het verlenen van de vergunning aan de vergunningvereisten
moet blijven voldoen is het van belang om wijzigingen te
melden aan de instantie die de desbetreffende vergunning heeft verleend.
Deze wijzigingen kunnen zowel betrekking hebben op administratieve
aangelegenheden als op inhoudelijke wijzigingen van het product of de
hoedanigheid van de aanvrager. Deze wijzigingen worden aangetekend op
de vergunning opdat er continue inzicht is in de recente situatie van de
vergunningaanvrager.
De kosten voor het aanvragen van een fabrikantenvergunning, een
groothandelsvergunning of een handelsvergunning zijn, gerelateerd aan
de financiële belangen van aanvragers, bescheiden van omvang. Zoals al
eerder gesteld worden de tarieven vastgesteld op kostprijsbasis. Overigens
is het in alle lidstaten gebruikelijk dat een vergoeding betaald
moeten worden voor het verkrijgen van een fabrikantenvergunning, een
groothandeslvergunning of een handelsvergunning. Indien een fabrikant
een geneesmiddel via de zogenaamde «centrale procedure» wil laten
registreren met het oog op het verkrijgen van een Europese handelsvergunning
moet er een vergoeding worden betaald aan de EMEA (European
Agency for the Evaluation of Medicinal Products). Door middel van
deze vergunning verkrijgt de houder toegang tot alle Europese lidstaten.
Voor innovatieve geneesmiddelen is deze centrale procedure bij de Europese
Gemeenschap verplicht.
Kwantitatieve gegevens vergunningen
Het BBA stelt regels en voorwaarden met betrekking tot de vervaardiging
en distributie van geneesmiddelen. Kern van dit besluit is de uitwerking
van het vergunningenstelsel dat in artikel 2, eerste lid, onder d, van de
WOG in het leven is geroepen. In de eerste plaats worden door de
minister van VWS vier categorieën fabrikantenvergunningen afgegeven
aan ongeveer 175 Nederlandse rechtspersonen, ongeveer 300
groothandelsvergunningen en 300 zogeheten UR-vergunningen aan
bedrijven die groothandelsactiviteiten ondernemen, 115 importeursvergunningen,
en ongeveer 20 parallelgroothandels- of parallelimporteursvergunningen.
Deze vergunningensystematiek wordt in het onderhavige wetsvoorstel
drastisch vereenvoudigd. Het aantal soorten vergunningen wordt teruggebracht
tot twee, te weten de fabrikantenvergunning en de groothandelsvergunning.
De fabrikantenvergunning kan alle bereidingshandelingen
omvatten, maar ook delen van het vervaardigingsproces. Het verpakken
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 22
en etiketteren van geneesmiddelen moeten ingevolge richtlijn 2001/83/EG
worden gezien als bereidingshandelingen waarvoor derhalve een
fabrikantenvergunning vereist zal zijn. De huidige parallelgroothandelsvergunning
zal daarmee dus komen te vervallen. De importeursvergunning
zal niet meer als aparte categorie terugkeren; deze zal eveneens
opgaan in de fabrikantenvergunning. Ook de zogeheten
UR-vergunning komt te vervallen; de groothandelsvergunning zal automatisch
het recht geven tot het bezit en handel in receptplichtige geneesmiddelen.
Daarnaast zijn er verschillende categorieën drogistenvergunningen,
tezamen ongeveer 5000 in getal. Voorgesteld wordt deze drogistenvergunningen
niet meer terug te laten keren. Zelfzorggeneesmiddelen
zullen door een ieder die bedrijfsmatig verkoopactiviteiten verricht mogen
worden verkocht en worden ter hand gesteld. De kosten voor het
verkrijgen van de drogistenvergunning en de daarmee gepaard gaande
administratieve lasten bij zowel de overheid als het bedrijfsleven komen
daarmee eveneens te vervallen.
Naast het verdwijnen van de drogistenvergunning keert in het wetsvoorstel
een groot aantal bepalingen omtrent de beroepsuitoefening van
apothekers niet meer terug. Het onderhavige wetsvoorstel beperkt zich tot
de vereisten die gelden voor de bevoegdheid van apotheker in het kader
van de kanalisatie van geneesmiddelen.
Uitgangspunt daarbij is dat apothekers zelf een verantwoorde invulling
geven aan hun beroepsuitoefening. Daarbij moet worden bedacht dat een
groot aantal bestaande administratieve verplichtingen voor apothekers
niet voorvloeit uit de geneesmiddelenwetgeving, die zich primair richt op
de kanalisatie, maar uit de Wet tarieven gezondheidszorg, de
Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Het is uiteraard niet de bedoeling dat na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel
door alle op dat moment reeds bestaande vergunninghouders
nieuwe vergunningen moeten worden aangevraagd. Dit zou tot onnodige
lastenverzwaring leiden voor bedrijven en overheid. Daarom is in artikel
99 geregeld dat de bestaande vergunningen van rechtswege zullen
worden gelijkgesteld met «nieuwe» vergunningen. Zie hiervoor verder de
toelichting bij dat artikel.
In het onderhavige wetsvoorstel is er naar gestreefd om zoveel als dat
mogelijk is binnen de Europese kaders, belemmeringen voor de interne
markt weg te nemen of te vermijden. Daarbij dient er uiteraard een balans
te worden gevonden tussen het stellen van eisen aan geneesmiddelen en
het waarborgen van de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid van geneesmiddelen
enerzijds en het mogelijk maken van commerciële fabricage en
handel van geneesmiddelen op een Europese markt anderzijds. De speelruimte
bij het vinden van deze balans is echter zeer beperkt omdat richtlijn
2001/83 harmonisatie van regelgeving in de lidstaten beoogt met het oog
op de interne markt. Derhalve is het vrijwel niet toegestaan om zaken
afwijkend van de richtlijn te regelen in nationale wetgeving.
9. Geneesmiddelen voor onderzoek
In de periode vóór de aanbieding van het onderhavige wetsvoorstel aan
de Tweede Kamer wordt Richtlijn 2001/20/EG van het Europees Parlement
en de Raad van 4 april 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de
wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de
toepassing van de goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische
proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PbEG L 121) in
het Nederlandse recht geïmplementeerd door middel een wijziging van de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 23
Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO), de Wet op
de Geneesmiddelenvoorziening (WOG) en het Besluit bereiding en aflevering
van farnaceutische producten (BBA). De wijziging van de WMO en de
WOG is vervat in het voorstel van Wet tot wijziging van de Wet medischwetenschappelijk
onderzoek met mensen ter implementatie van richtlijn
2001/20/EG inzake de toepassing van de goede klinische praktijken bij de
uitvoering van klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk
gebruik (Wetenschappelijk onderzoek met mensen) en de nota van wijziging
aangaande dat wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2002–2003, 28 804, nrs
2 en volgende.
Aangezien de WOG en het BBA op het tijdstip van inwerkingtreding van
het onderhavige wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, komen te
vervallen, zal alsdan de desbetreffende daarin geïmplementeerde materie
van richtlijn 2001/20/EG bij en krachtens het onderhavige wetsvoorstel
moeten zijn geregeld.
Vooruitlopend daarop is besloten om de desbetreffende materie reeds in
het onderhavige wetsvoorstel op te nemen en niet te wachten tot wetsvoorstel
28 804 zijn beslag heeft gekregen. Daardoor wordt voorkomen
dat nu al vaststaat dat de de desbetreffende materie bij nota van wijziging
moet worden ingebracht.
Het opnemen van de materie in het onderhavige wetsvoorstel noodzaakt,
door een aantal verwijzigingen naar de WMO, tot het opnemen van een
overgangsbepaling die rekening houdt met de omstandigheid dat wetsvoorstel
28 804 nog niet tot wet is verheven. Een daartoe strekkende bepaling
is opgenomen in artikel 101 van het onderhavige wetsvoorstel. Mocht
wetsvoorstel 28 804 nog zodanig worden gewijzigd dat de verwijzingen
naar de WMO in het onderhavige wetsvoorstel niet meer kloppen, dan zal
dat alsnog worden rechtgezet met een nota van wijziging.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE
Artikel 1
Eerste lid, onder b (geneesmiddel)
Uitgangspunt voor de definitie van geneesmiddel is uiteraard de definitie
van geneesmiddel, zoals opgenomen in richtlijn 2001/83/EG. Voorts is
gekeken naar de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ)
met betrekking tot het begrip geneesmiddel en naar de huidige definitie
van geneesmiddel in de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG).
Bovendien is artikel 1 van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen
(PbEG L 169) – hierna te noemen: richtlijn 93/42/EEG – alsmede
artikel 1 van de Wet medische hulpmiddelen (WMH) in de beschouwing
betrokken.
In de definitiebepaling van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening zijn
nog de begrippen «farmaceutisch specialité» en «farmaceutisch preparaat
» opgenomen waaronder wordt verstaan het geneesmiddel in een
farmaceutische vorm, in de handel gebracht al dan niet onder een
speciale benaming en in een standaardverpakking. Deze verouderde
begrippen keren niet meer terug omdat het voor de vergunningplicht op
basis van dit wetsvoorstel niet van belang is of het desbetreffende
product onder een merk- of stofnaam of in een standaardverpakking in de
handel wordt gebracht. Ook anderszins is aan deze begrippen geen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 24
rechtsgevolg verbonden. Het enkele feit dat het een «geneesmiddel»
betreft is volgens richtlijn 2001/83/EG al voldoende voor haar toepasselijkheid.
Dit voorstel van wet volgt deze lijn.
De definitie van geneesmiddel in artikel 1 van richtlijn 2001/83/EG bestaat
uit twee delen en luidt als volgt:
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende
therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten
bij de mens.
Elke enkelvoudige of samengestelde substantie die aan de mens kan
worden toegediend teneinde een medische diagnose te stellen of om
fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te
wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.
Deze tweedeling komt er op neer dat een product een geneesmiddel is op
grond van zijn presentatie of op grond van zijn werking en dus ook op
grond van beide aspecten. Deze twee aspecten zijn uiteraard ook in de
onderhavige begripsbepaling opgenomen. Materieel is er ter zake van
deze twee aspecten dus geen verschil met de richtlijnbepaling.
De richtlijnbepaling bevat evenwel herhalingen en is om die reden niet
letterlijk overgenomen in het onderhavige artikelonderdeel.
Vergeleken met de definitie van geneesmiddel in artikel 1 van de WOG,
zijn in de definitie van «geneesmiddel» in het onderhavige wetsvoorstel
begrippen als «aanduiden» of «aanbevelen» vervangen door het begrip
«presenteren». Dat sluit beter aan bij het werkwoord «to present» dat in
de Engelse versie van richtlijn 2001/83/EG wordt gehanteerd en waarvoor,
overigens ten onrechte, in de Nederlandse versie van die richtlijn het
woord «aandienen» wordt gebezigd.
Vergeleken met de definitie van geneesmiddel in de WOG, ontbreekt in
het onderhavige artikelonderdeel in het rijtje van verstoorde levensprocessen
waarvoor geneesmiddelen zijn en worden ontwikkeld, het
begrip «aandoening». Een aandoening is per definitie een ziekte, zij het
een ziekte die beperkt is tot een bepaald deel van het lichaam. Dit begrip
kan worden gemist nu het geen onderscheidend criterium bevat.
In richtlijn 2001/83/EG wordt uitsluitend het woord «ziekte» gebezigd.
Daaronder valt alles wat, naar de stand van de wetenschap gemeten, als
ziekte wordt beschouwd. Dat is dus een veelomvattend begrip. Niettemin
kan bij begrippen als gebrek, pijn en wond om redenen van terminologische
aard onzekerheid bestaan of zij onder het begrip ziekte vallen. Om
dat te voorkomen geeft ondergetekende er de voorkeur aan om deze
begrippen naast het begrip ziekte op te nemen.
Vergeleken met artikel 1, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG en de definitie
van geneesmiddel in de WOG die betrekking hebben op het
herstellen, verbeteren of wijzigen van organische functies, bevat het
onderhavige artikelonderdeel op dat stuk een toevoeging. Het gaat om het
woord «anderszins», dat vóór het woord «wijzigen» is ingevoegd. Deze
toevoeging is noodzakelijk aangezien woorden als herstellen en verbeteren
per definitie een verandering inhouden.
De zinsnede «bestemd om te worden toegediend of aangewend» in het
onderhavige artikelonderdeel, die ook in de definitie van de Wet op de
Geneesmiddelenvoorziening voorkomt, dient ertoe aan te geven dat het
om een geneesmiddel gaat dat klaar is voor gebruik door de consument.
Het geneesmiddel moet immers zijn farmaceutische vorm hebben, wil het
kunnen worden toegediend aan of aangewend bij de gebruiker. Een
substantie of samenstel van substanties die nog een grondstof is, maar
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 25
theoretisch wel een farmacologisch effect kan hebben op het menselijk
lichaam, is dus geen geneesmiddel.
De jurisprudentie van het HvJ heeft wel tot een nuancering van in de
definitie van geneesmiddel gebruikte begrippen geleid, maar niet tot
materiële wijzigingen daarin.
In zijn arrest van 30 november 1983, Jur. I. 3383–3907, in de zaak van
Bennekom (C-227/82), gaat het HvJ uit van een brede opvatting van het
begrip «presentatie». Het HvJ overwoog dat een product niet enkel geacht
wordt te zijn gepresenteerd als hebbende therapeutische of profylactische
eigenschappen, wanneer het uitdrukkelijk als zodanig wordt gepresenteerd,
bijvoorbeeld mondeling, op het etiket of in de bijsluiter, maar ook
wanneer het impliciet maar niet minder stellig bij de met een gemiddeld
onderscheidingsvermogen begiftigde consument door de wijze van
presentatie de indruk wekt dat het een therapeutische of profylactische
werking heeft.
Daarbij kan, aldus het HvJ, met name de uiterlijke vorm van het product –
tabletten, capsules of pillen – een serieuze aanwijzing vormen voor de
bedoeling van de verkoper of de fabrikant om een product als geneesmiddel
in de handel te brengen. Men mag evenwel, aldus het HvJ, niet
uitsluitend op deze aanwijzing afgaan, want dan zouden ook bepaalde
voedingsproducten die traditioneel in een op farmaceutische producten
gelijkende vorm worden aangeboden eronder vallen.
Na 1983 heeft het HvJ in een achttal zaken een uitspraak gedaan over het
begrip geneesmiddel. Twee daarvan, het arrest van 21 maart 1991 (1991.
Jur. I 1487) in de zaak Delattre (C-369/88) en het arrest van 1 april 1991
(Jur. I 1703) in de zaak Upjohn Farzoo C-112/89), dienen te worden
genoemd in het kader van de vraag of producten als levensmiddelen,
voedingssupplementen of cosmetica al dan niet moeten worden aangemerkt
als geneesmiddelen.
In richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976, betreffende de onderlinge
aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake cosmetische
producten (PbEG L 262) wordt onder cosmetische producten
verstaan: alle stoffen en preparaten die zijn bestemd om in aanraking te
worden gebracht met de verschillende delen van het menselijk lichaamsoppervlak
(opperhuid, beharing, haar, nagels, lippen en uitwendige
geslachtsorganen) of met tanden, kiezen en de mondslijmvliezen, met het
uitsluitende of hoofdzakelijke oogmerk deze delen te reinigen, te parfumeren,
te beschermen zodat zij in goede staat blijven, het uiterlijk ervan te
wijzigen of ze te corrigeren.
In de zaak Delattre ging het om producten als vermageringsmiddelen,
middelen die de spijsvertering of de bloedsomloop bevorderen, middelen
tegen jeuk en moeheid. Deze producten werden in België vervaardigd en
daar als levensmiddelen of cosmetische producten verkocht. Zij werden
ook in Frankrijk op de markt gebracht, waar ze door het vervolgingsapparaat
als geneesmiddel werden beschouwd. Het HvJ oordeelde dat een
product dat wordt gepresenteerd als hebbende een gunstige uitwerking
op bepaalde lichaamsfuncties, zoals de spijsvertering of de functies van
lever of gal, onder het tweede deel van de definitie van geneesmiddel kan
vallen, aangezien het kan worden toegediend om organische functies te
herstellen, te verbeteren of te wijzigen. Of het gaat om een levensmiddel
dan wel een geneesmiddel moet, aldus het HvJ, worden vastgesteld van
geval tot geval, waarbij gelet moet worden op de farmacologische eigenschappen
die het betrokken product volgens de huidige wetenschappelijke
inzichten bezit. Het HvJ hanteert hier gelijke bewoordingen als in het
arrest in de zaak van Bennekom, waarin het ging om de vraag of vitaminen
al dan niet als geneesmiddel moeten worden aangemerkt.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 26
Voorts oordeelde het HvJ dat als een product onder een van de twee
delen van de definitie van geneesmiddel valt en tevens valt onder de
definitie van cosmetisch product, dat product als geneesmiddel moet
worden aangemerkt.
In de zaak Upjohn Farzoo ging het om een haargroeimiddel (minoxidil) ter
bestrijding van natuurlijke kaalheid. Het HvJ bevestigt de voorgelegde
prejudiciële vraag dat de definitie van geneesmiddel prioriteit heeft boven
die van het cosmetische product. Geneesmiddelen kunnen bijzondere
gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Dat is in de regel niet het
geval bij cosmetische producten. De enige voorwaarde is dat het product
valt onder het presentatiecriterium dan wel onder het functionele criterium
(de werking).
In het algemeen kan worden opgemerkt dat de arresten van het HvJ die
betrekking hebben op de afgrenzing tussen geneesmiddelen en andere
producten, zoals cosmetische producten, voedingssupplementen, vitaminen
e.d, (ook wel borderlineproducten genoemd), geen concrete
houvast bieden om in voorkomende gevallen zonder meer te kunnen
bepalen tot welke categorie een product behoort. Op grond van die jurisprudentie
kan derhalve geen wijziging van de definitie van geneesmiddel
worden voorgesteld die wel de gewenste duidelijkheid biedt.
Bloedproducten, immunologische geneesmiddelen, homeopathische
geneesmiddelen en geneesmiddelen voor onderzoek zijn volgens hun
definitie geneesmiddelen. Daar waar het begrip geneesmiddel in het
wetsvoorstel voorkomt, vallen al deze categorieën onder dat begrip, naast
de categorie «gewone» geneesmiddelen. Daar waar het niet de bedoeling
is dat een bepaalde categorie onder het begrip geneesmiddel valt, is dat
in het wetsvoorstel expliciet bepaald of blijkt dat uit de context. Met name
de geneesmiddelen voor onderzoek nemen een dergelijke uitzonderingspositie
in.
Eerste lid, onder c (immunologisch geneesmiddel)
De definitie van immunologisch geneesmiddel komt overeen met de
definitie van dat begrip in artikel 1, vierde lid, van richtlijn 2001/83/EG, met
dien verstande dat de voorbeelden die richtlijn 2001/83/EG geeft van de
stoffen die daar met name onder vallen, niet zijn meegenomen. Voorbeelden
kunnen in de memorie van toelichting een functie vervullen, maar
horen niet thuis in een wetsbepaling.
Er zijn vier soorten immunologische geneesmiddelen: vaccins, sera,
toxinen en allergenen. Bij vaccins moet worden gedacht aan stoffen die
een actieve immuniteit teweeg brengen, zoals het choleravaccin of het
vaccin tegen poliomyelitus. Bij allergenen kan worden gedacht aan een
product dat bestemd is om een specifieke wijziging in de immunologische
reactie op een allergie veroorzakend agens vast te stellen of teweeg te
brengen.
Eerste lid, onder d (homeopathisch geneesmiddel)
De definitie van homeopathisch geneesmiddel komt materieel overeen
met die welke is opgenomen in artikel 1, vijfde lid, van richtlijn 2001/
83/EG. De definitie in het onderhavige wetsvoorstel geeft evenwel een
begrenzing aan het begrip «de Europese farmacopee» door aan te geven
dat het om een krachtens een bepaald verdrag samengestelde farmacopee
moet gaan. «De Europese farmacopee» is geen eenduidig begrip.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 27
Eerste lid, onder e (radiofarmaceuticum)
In artikel 1, zesde lid, van richtlijn 2001/83/EG wordt «radiofarmaceuticum
» gedefinieerd. In de wandeling wordt dit begrip ook wel radiofarmacon
genoemd.
In deze definitie worden medische doeleinden gekoppeld aan het begrip
«geneesmiddel». Deze doeleinden zijn evenwel inherent aan dat begrip.
Als een substantie niet voor medische doeleinden wordt gebruikt, is het
geen geneesmiddel en kan de begripsbepaling worden gemist. In de
begripsbepaling in het onderhavige onderdeel van het eerste lid van
artikel 1 zijn die doeleinden dan ook weggelaten.
Eerste lid, onder f, g en h (houders van radionucliden)
De definities van generator van radionucliden, kit van radionucliden en
uitgangsstof van radionucliden, bedoeld in het eerste lid, onder f, g en h,
komen overeen met de definities in artikel 1, onderscheidenlijk zevende,
achtste en negende lid, van richtlijn 2001/83/EG.
Eerste lid, onder i, l, m, n, o en p
De definities van bloedproduct, naam van een geneesmiddel, algemene
benaming, primaire verpakking, buitenverpakking en etiketteren, bedoeld
in het eerste lid, onder i, l, m, n, o en p, komen overeen met de definities
in artikel 1, onderscheidenlijk tiende, twintigste, eenentwintigste, drieëntwintigste,
vierentwintigste en vijfentwintigste lid, van richtlijn 2001/83/EG.
Eerste lid, onder j (farmaceutische vorm)
De definitie van het begrip farmaceutische vorm, in onderdeel j van het
eerste lid van artikel 1, is uitgebreider dan die welke in de WOG was opgenomen.
Het gaat hier niet alleen om de vorm waarin een geneesmiddel in
de handel is, hetgeen normaliter tevens de vorm is die aan de patiënt
wordt verstrekt, maar ook om geneesmiddelen waarvan de fysieke vorm
waarin ze in de handel zijn niet geschikt is voor toediening aan bepaalde
categorieën van patiënten en met het oog daarop wordt aangepast.
Eerste lid, onder r en z (ter hand stellen en afleveren)
In de WOG worden tal van uiteenlopende handelingen die door verschillende
categorieën van beroepsbeoefenaren of farmaceutische bedrijven
worden verricht, aangeduid met de term «afleveren». Het gaat onder meer
over het verstrekken van een geneesmiddel door een apotheker of een
apotheekhoudende arts aan een patiënt, het leveren van geneesmiddelen
door de groothandelaar of de fabrikant aan bijvoorbeeld ziekenhuizen, het
leveren van geneesmiddelen door de fabrikant of importeur aan de groothandelaar,
het uitvoeren van geneesmiddelen door de groothandelaar of
fabrikant of de levering tussen groothandelaren onderling.
Aangezien ingevolge het onderhavige wetsvoorstel voor verschillende
categorieën van handelingen verschillende regels van toepassing zullen
zijn – met name regels met betrekking tot vergunningen – is het uit
oogpunt van wetgevingstechniek niet praktisch om daarvoor dezelfde
term te gebruiken. In het onderhavige wetsvoorstel is er daarom voor
gekozen om voor bepaalde handelingen een andere term te hanteren.
De nieuwe term in dit verband is «ter hand stellen», vervat in onderdeel r
van het eerste lid van artikel 1. Deze term is gereserveerd voor levering
van geneesmiddelen in de vorm van rechtstreekse verstrekking of
verstrekking via een bezorgdienst aan patiënten door apothekers of
apotheekhoudende huisartsen en door anderen die krachtens artikel 51
bevoegd zijn tot terhandstelling van zelfzorggeneesmiddelen, alsmede
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 28
voor de levering van geneesmiddelen door apothekers en degenen die
krachtens artikel 51 bevoegd zijn tot terhandstelling van zelfzorggeneesmiddelen
aan artsen, tandartsen verloskundigen en, in voorkomende
gevallen, aan optometristen ten behoeve van toediening van
geneesmiddelen aan hun patiënten in de dagelijkse beroepspraktijk, in de
wandeling ook wel «de dokterstas» genoemd. Uiteraard kan de apotheekhoudende
huisarts zelf zorg dragen voor de inhoud van zijn dokterstas.
Voor het ter hand stellen is geen vergunning vereist. Voor het leveren van
geneesmiddelen aan anderen dan de hier genoemde groepen – in het
wetsvoorstel «afleveren» genoemd – is wel een vergunning vereist.
Voor de uitvoer van geneesmiddelen, hetgeen materieel het (doen) afleveren
aan (rechts)persoon in een derde land betekent, is geen aparte
vergunning vereist. Dat houdt verband met de omstandigheid dat de
uitvoer door een fabrikant van door hem zelf vervaardigde of ingevoerde
geneesmiddelen, ingevolge artikel 19, eerste lid, en overeenkomstig richtlijn
2001/83/EG, wordt «gedekt» door de fabrikantenvergunning en de
uitvoer door de groothandelaar wordt «gedekt» door de groothandelsvergunning.
Met het oog hierop is ervoor gekozen de term «afleveren» te gebruiken
voor de leveringen die niet bestaan uit terhandstelling of uitvoer.
Eerste lid, onder s (bereiden)
Gelet op artikel 40, tweede lid, eerste volzin, van richtlijn 2001/83/EG, dat
de opvolger is van artikel 16, tweede lid, van de (ingetrokken) richtlijn
75/319/EEG, is zowel voor de gehele als voor de gedeeltelijke vervaardiging
van een geneesmiddel buiten de apotheek een vergunning vereist.
Het fenomeen van de gedeeltelijke vervaardiging was in het Besluit bereiding
en aflevering van farmaceutische producten (BBA) tot uitdrukking
gebracht in de figuur van de loonfabrikant
Eerste lid, onder t (apotheek)
De definitie van apotheek is ten opzichte van die in de WOG in een enkel
opzicht materieel veranderd. Het betreft de toevoeging dat het gaat om
het bereiden van geneesmiddelen ten behoeve van rechtstreekse verstrekking
(terhandstelling) teneinde te voorkomen dat een lokaal van een
fabriek waarin geneesmiddelen worden vervaardigd door personen die
bevoegd zijn de titel van apotheker te voeren, als apotheek zou worden
aangemerkt.
Evenals de definitie van apotheek in de WOG staat de onderhavige definitie
nieuwe logistieke vormen van terhandstelling, zoals internetfarmacie
of postorderfarmacie, niet in de weg. In de WOG wordt de term artsenijbereidkunst
gehanteerd, waaronder bereiden en afleveren wordt verstaan.
Onder afleveren kan zowel het verstrekken – dat wil zeggen het overhandigen
aan een patiënt (of zijn vertegenwoordiger) – als het laten bezorgen
bij de patiënt worden verstaan.
Eerste lid, onder u (recept)
Vergeleken met de definitie van recept in artikel 1 van de WOG zijn er
enige nuances aangebracht in de gegevens die een recept moet bevatten
om als zodanig te mogen worden aangemerkt door degenen die bevoegd
zijn om een geneesmiddel op recept ter hand te stellen.
In de eerste plaats wordt het woord «document» geïntroduceerd. Deze
term duidt niet alleen op het traditionele door de voorschrijver ondertekende
stuk papier waarop hij informatie over zijn eigen identiteit, de identiteit
van de patiënt en het ter hand te stellen geneesmiddel geeft, maar
ook op andere informatiedragers, zoals elektronisch opgestelde en
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 29
verzonden documenten. Aan andere informatiedragers dan het traditionele
papieren recept wordt de eis gesteld dat het document zodanig is
beveiligd dat de voorschrijver die het verzendt, op grond van afspraken
met de beoogde ontvanger (de apotheek) wordt herkend als degene met
wie zodanige afspraken zijn gemaakt. Deze eis vervangt de eis dat het
recept altijd moet zijn ondertekend door de voorschrijver.
De onderhavige definitie houdt in dat een via een fax verzonden voorschrift
tot terhandstelling van een geneesmiddel niet als recept mag
worden beschouwd. Een ondertekende fax is immers niet aan te merken
als een document waarvan vaststaat dat het daadwerkelijk afkomstig is
van degene die het geneesmiddel heeft voorgeschreven.
De bepaling dat de naam en het werkadres van de voorschrijver op het
document dient te worden geplaatst, is niet nieuw. Dat is wel het geval
met de eis dat het geneesmiddel dat wordt voorgeschreven door degene
die daartoe bevoegd is, met de stofnaam of de merknaam wordt aangeduid
in de voor de patiënt bestemde hoeveelheid, dosis of frequentie van
gebruik. Een nieuwe bepaling is tevens dat de voorschrijver op het recept
aangeeft wat de exclusieve identiteit van de patiënt is, dat wil zeggen dat
hij zodanig wordt onderscheiden van andere patiënten dat er geen verwisseling
kan plaatsvinden.
Eerste lid, onder dd (charge)
Deze begripsbepaling komt materieel overeen met die welke deel
uitmaakte van artikel 1 van het BBA producten juncto artikel 25, vijfde lid,
van dat besluit.
Het begrip charge omvat in de eerste plaats een partij van geneesmiddelen
die gereed zijn om te worden gebruikt. Dat blijkt uit de hantering
van het begrip «farmaceutische vorm».
Ook bij gedeeltelijke vervaardiging van een geneesmiddel komt het voor
dat er met charges wordt gewerkt, als onderdeel van de bereiding van een
charge geneesmiddelen. Het begrip «farmaceutische vorm» kan hier niet
worden gehanteerd. In plaats daarvan is gekozen voor de term «in
dezelfde uiterlijke vorm».
Het feit dat een charge van dezelfde uitgangsmassa is bereid en dezelfde
bereidingshandelingen heeft ondergaan, betekent dat het om homogene
eenheden gaat.
Eerste lid, onder ii, jj, kk en ll (bijwerkingen en misbruik)
Deze definities komen overeen met de definities van bijwerking, ernstige
bijwerking, onverwachte bijwerking en misbruik van geneesmiddelen die
zijn opgenomen in artikel 1, onderscheidenlijk elfde, twaalfde, dertiende
en zestiende lid van richtlijn 2001/83/EG.
Eerste lid, onder mm, nn, oo, pp, qq en rr (reclame, gunstbetoon,
publieksreclame, bijeenkomst, manifestatie en gastvrijheid)
De bepaling van het begrip reclame bevat de inhoud van de definitie van
reclame in artikel 86, eerste lid, eerste volzin, van richtlijn 2001/83/EG. Het
betreft alle vormen van beïnvloeding van het gedrag van (rechts)personen
met het kennelijke doel de omzet van geneesmiddelen te bevorderen. Het
gaat met name om de volgende gedragingen:
a. het voorschrijfgedrag van degenen die tot het voorschrijven van
geneesmiddelen bevoegd zijn, te weten de artsen, de tandartsen en de
verloskundigen;
b. het ter hand stellen van geneesmiddelen door degenen die daartoe
bevoegd zijn, te weten de apothekers, de apotheekhoudende huisartsen
en degenen die in de uitoefening van een bedrijf zelfzorggeneesmiddelen
verkopen;
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 30
c. het gebruik van geneesmiddelen door patiënten/consumenten.
De categorieën van (rechts)personen die belang hebben bij omzetverhoging
kunnen worden onderscheiden in fabrikanten van geneesmiddelen,
houders van een vergunning voor het in de handel brengen van
een geneesmiddel, groothandelaren in geneesmiddelen en degenen die
geneesmiddelen ter hand stellen. Ook reclamebureaus of anderen die in
opdracht handelen van farmaceutische bedrijven, hebben belang bij een
hogere omzet van geneesmiddelen. Zij moeten leven van opdrachten in
die branche. De meeste voorschriften die richtlijn 2001/83/EG stelt aan
geneesmiddelenreclame, zullen in de praktijk hun uitwerking hebben op
deze categorieën.
Publieksreclame en gunstbetoon vallen onder de paraplu van het begrip
reclame.
Publieksreclame is reclame die zich richt tot het publiek. Andere vormen
van reclame kunnen gericht zijn op beroepsbeoefenaren die geneesmiddelen
voorschrijven of ter hand stellen. De grens waar op beroepsbeoefenaren
gerichte reclame overgaat in publieksreclame is niet
eenvoudig te trekken. Het is evenwel een zeer belangrijke grens, omdat
die bepaalt of er reclame mag worden gemaakt voor geneesmiddelen die
uitsluitend op recept mogen worden verstrekt, of niet. Aangezien het niet
mogelijk is een grens aan te geven die in alle situaties zonder meer kan
worden gehanteerd, is een grens opgenomen – het kennelijk ook bestemd
zijn van de reclame voor anderen dan genoemde beroepsbeoefenaren –
die weliswaar per geval een afweging vergt, maar de criteria aangeeft die
bij de afweging een rol moeten spelen.
Onder het begrip bijeenkomst vallen de samenkomsten waarop artikel 95
van richtlijn 2001/83/EG betrekking heeft. Het moet gaan om een samenkomst
van beroepsbeoefenaren met een beroepsmatig en wetenschappelijk
karakter. De bijeenkomsten hebben tot doel de kennis van het vak dat
de betrokken beroepsbeoefenaren uitoefenen, te vergroten. Te denken valt
aan samenkomsten als seminars, congressen, workshops en bij- of
nascholingscursussen.
Onder het begrip manifestatie vallen samenkomsten van beroepsbeoefenaren
die een verkoopbevorderend doel hebben. Deze begripsbepaling
is ontleend aan artikel 94, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG.
De gastvrijheid die wordt geboden bij bijeenkomsten kan bestaan uit het
geven van een tegemoetkoming in de kosten die deelnemers maken om
aan de bijeenkomst te kunnen deelnemen, zoals cursuskosten, reis- en
verblijfkosten, dan wel het in zijn geheel gratis aanbieden van de cursus,
het verblijf en het vervoer.
Ook bij promotionele samenkomsten kan sprake zijn van een tegemoetkoming
in de reis- en verblijfkosten die worden gemaakt om de samenkomst
te kunnen bijwonen.
Eerste lid, onder tt (geneesmiddelenbewaking)
De definitie van geneesmiddelenbewaking is ontleend aan de tekst van
artikel 102 van richtlijn 2001/83.
Eerste lid, onder vv (geneesmiddel voor onderzoek)
De definitie van geneesmiddel voor onderzoek, waarnaar in dit artikelonderdeel
wordt verwezen, staat in de WMO. Die definitie is die welke is
opgenomen in artikel 2, onder d, van richtlijn 2001/20/EG.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 31
Eerste lid, onder ww (productspecificatie)
Richtlijn 2001/20/EG bevat geen definitie van «productspecificatie». Voor
degenen die betrokken zijn met de toepassing of uitvoering van het onderhavige
wetsvoorstel is bekendheid met de inhoud van dat begrip niet
vanzelfsprekend. Daarom is ervoor gekozen in het onderhavige wetsvoorstel
een definitie van productspecificatie op te nemen.
Eerste lid, onder xx (onderzoeksdossier)
De definitie van onderzoeksdossier staat in de WMO en is die welke is
opgenomen in artikel 2, onder g, van richtlijn 2001/20/EG.
Tweede lid
Het tweede lid van het onderhavige artikel bevat het spiegelbeeld van de
definitie van gunstbetoon, vervat in het eerste lid, onder nn. Laatstbedoelde
bepaling gaat uit van het initiatief van de ondernemer (de
houder van de handelsvergunning, de fabrikant of de groothandelaar). Het
tweede lid ziet op degene die gunstbetoon uitlokt; het initiatief ligt hier bij
degene die geneesmiddelen voorschrijft of ter hand stelt dan wel anderszins
invloed kan uitoefenen op het gebruik van geneesmiddelen. Voor de
toepassing van het onderhavige wetsvoorstel worden beide kanten met
elkaar gelijkgesteld.
Door de gelijkstelling met het gunstbetoon dat uitgaat van een farmaceutisch
bedrijf, zijn het in artikel 79 vervatte verbod op gunstbetoon en de op
overtreding van dat verbod in artikel 83 gestelde sanctie tevens van
toepassing op de in het tweede lid van artikel 1 geregelde vorm van
gunstbetoon.
Derde lid
Onderdeel a
Er zijn geneesmiddelen voor menselijk gebruik die geschikt zijn gebleken
voor de behandeling van zieke dieren. Het komt dan ook in de praktijk
voor dat bij bepaalde ziekten bij dieren geneesmiddelen voor menselijk
gebruik worden verstrekt of toegediend door de dierenarts. Met het oog
daarop bevat het derde lid van het onderhavige artikel een uitbreiding van
de reikwijdte van het begrip ter hand stellen. Het artikellid houdt rekening
met de gevallen waarin geneesmiddelen voor menselijk gebruik door een
apotheker of een apotheekhoudende arts ter hand worden gesteld aan
een dierenarts ten behoeve van diens (dieren)dokterstas.
Aangezien het om min of meer bijzondere gevallen gaat, zijn deze niet
ondergebracht in de (standaard)definitie van ter hand stellen in het eerste
lid.
Onderdeel b
In de praktijk kopen de kapiteins van Nederlandse en buitenlandse
zeeschepen, zoals koopvaardijschepen, vissersvaartuigen en veerboten,
indien zij in Nederland aanleggen, geneesmiddelen in bij apotheken en
drogisten in de zeehavens van Nederland. Voor zover het om zeeschepen
van een van de lidstaten van de EU gaat, moeten zij een bepaalde medische
uitrusting aan boord hebben. Dat is geregeld in Richtlijn 92/29/EEG
van de Raad van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften
inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische
hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113). Van de medische
uitrusting maken geneesmiddelen en antidota (dat wil zeggen: tegengiffen)
deel uit. Welke soorten geneesmiddelen aan boord moeten wordt
in de bijlage bij de richtlijn aangegeven.
Voorts moeten op grond van voorschriften inzake het vervoer van chemi-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 32
caliën van de Internationale Maritieme Organisatie, alle zeeschepen die
chemicaliën vervoeren bepaalde antidota aan boord hebben.
In Nederland is richtlijn 92/29/EEG geïmplementeerd in de Regeling medische
uitrusting aan boord van zeeschepen onderscheidenlijk de Regeling
medische uitrusting aan boord van vissersvaartuigen. In die regelingen
wordt niet alleen aangegeven om welke geneesmiddelen het gaat, maar
ook de hoeveelheid van een bepaald geneesmiddel. De desbetreffende
regelgeving in de lidstaten ter implementatie van de richtlijn kan dus
onderling verschillen.
Op grond van de bestaande wetgeving mag een apotheker zonder recept
geen receptplichtige geneesmiddelen (waaronder receptplichtige
antidota) ter hand stellen aan de kapitein van zeeschip. Deze beschikt
normaliter niet over een recept.
De kapiteins van zeeschepen als hier bedoeld kopen immers niet in ten
behoeve van een bepaalde patiënt. In de praktijk wordt er echter wel
zonder recept ter hand gesteld, met als beweegreden dat de kapitein de
desbetreffende receptplichtige geneesmiddelen aan boord moet hebben
voor het geval er tijdens een zeereis mensen aan boord ziek worden. De
geneesmiddelenkist aan boord wordt gezien als de dokterstas van de
kapitein.
Voor zover bekend, levert deze praktijk geen gevaar op voor de volksgezondheid;
de Divisie Scheepvaart van de Inspectie Verkeer en Waterstaat
ziet daarop toe. Teneinde deze praktijk te legaliseren, is besloten de
apotheker bevoegd te maken om receptplichtige geneesmiddelen aan de
kapitein van dergelijke zeeschepen ter hand te stellen zonder recept.
Aangezien de verbodsbepaling, bedoeld in artikel 51, het een ieder,
behalve de in dat artikel bedoelde beroepsbeoefenaren, instanties of
detailhandelaren, verbiedt om zelfzorggeneesmiddelen ter hand te stellen,
dient het begrip ter hand stellen ook het ter hand stellen van zelfzorggeneesmiddelen
te impliceren. Zonder deze uitbreiding zouden alle in dat
artikel bedoelde beroepsbeoefenaren, detailhandelaren of instanties niet
bevoegd zijn zelfzorggeneesmiddelen ter hand te stellen.
In de praktijk zullen het apothekers en drogisten of andere detailhandelaren
zijn die zelfzorggeneesmiddelen aan kapiteins van zeeschepen
leveren. Daarom zullen alleen deze categorieën van beroepsgroepen
bevoegd zijn zelfzorggeneesmiddelen aan kapiteins ter hand te stellen.
De regeling van deze wijze van ter hand stellen is onderbracht in het
derde lid van artikel 1, dat betrekking heeft op de uitbreiding van het
toepassingsgebied van het begrip ter hand stellen. Voor de aanduiding
van de geneesmiddelen is gekozen voor een ministeriële regeling op
grond van deze wet. In de eerste plaats omdat de boven genoemde op de
scheepvaartwetgeving gebaseerde ministeriële regelingen van citeertitel
kunnen veranderen of kunnen worden ingetrokken. Dat levert voor een
verwijzing op wetsniveau een probleem op. In de tweede plaats omdat de
inhoud van die regelingen ook moet gelden voor de terhandstelling aan
kapiteins van niet Nederlandse zeeschepen. In de op onderdeel b van lid 3
van artikel 1 te baseren ministeriële regeling zal ter aanduiding van de
geneesmiddelen waarom het zal gaan, worden verwezen naar de beide op
de scheepvaartwetgeving gebaseerde ministeriële regelingen.
HOOFDSTUK 2 HET COLLEGE TER BEOORDELING VAN
GENEESMIDDELEN
Artikel 2
In het algemene deel van deze memorie is uiteengezet dat de regeling van
het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) in de WOG niet
voldeed aan de Aanwijzingen voor zelfstandige bestuursorganen. Ook is
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 33
op die plaats ingegaan op de verhouding met het wetsvoorstel Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen (Kamerstukken II 2000/01, 27 426). Deze
Kaderwet is van toepassing op het CBG. Met hoofdstuk 2 van dit wetsvoorstel
wordt voldaan aan alle vereisten voor de instelling van een zelfstandig
bestuursorgaan.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het CBG geen nieuw bestuursorgaan
is. Het CBG bestaat al sinds 1963. Het nieuwe in dit wetsvoorstel is
echter dat het CBG zal voldoen aan genoemde aanwijzingen alsook onder
de Kaderwet ZBO’s worden gebracht. Dit wetsvoorstel brengt derhalve
geen veranderingen in de rol van het CBG in lopende werkzaamheden,
aanvraagprocedures en eventuele rechtsgedingen.
Artikel 3
Artikel 3, eerste lid, regelt de samenstelling van het College. Het College
bestaat uit 15 leden, waaronder de voorzitter. De benoeming als lid van
het College geldt voor ten hoogste vier jaren; een kortere termijn kan
derhalve ook. Over de rol van de voorzitter zijn in het algemene deel van
deze memorie al enkele opmerkingen gemaakt. Deze dient mede te
beschikken over bestuurlijke kwaliteiten. De overige leden van het College
zullen uitsluitend worden benoemd op grond van hun wetenschappelijke
deskundigheid.
Het College regelt zijn werkwijze bij reglement. Het gaat hierbij om zaken
als de vergaderfrequentie en hoe besluiten worden genomen. Ingevolge
de Kaderwet ZBO’s behoeft dit reglement de goedkeuring van de minister
van VWS.
De vertegenwoordiging van het College in en buiten rechte en de mandatering
van taken en bevoegdheden kunnen worden vastgelegd in een
door het College te treffen mandaatbesluit.
Artikel 4
Het College heeft de beschikking over een secretariaat dat belast is met de
ondersteuning van het College. De ondersteunende ambtenaren zullen
worden benoemd en ontslagen door de minister van VWS. Sinds 1996
wordt de ondersteunende functie vervuld door het Agentschap College ter
beoordeling van geneesmiddelen (ACBG). Het ligt in de rede dat de voorzitter
van het CBG en de directeur van het ACBG tot een onderlinge
afstemming komen over de dagelijkse leiding van het agentschap.
Artikel 5
In dit artikel worden de taken van het CBG genoemd. Hiertoe behoren
onder meer taken die in de Europese geneesmiddelenrichtlijnen en verordeningen
aan «de bevoegde autoriteit» van de lidstaten zijn toebedeeld. In
Nederland is het CBG die bevoegde autoriteit. In hoofdzaak gaat het
hierbij om de volgende taken:
– het verlenen, schorsen en intrekken van handelsvergunningen en
parallelhandelsvergunningen voor geneesmiddelen;
– de bepaling van de afleverstatus, d.w.z. de indeling van geneesmiddelen
in wel of niet receptplichtig;
– de geneesmiddelenbewaking;
– het uitvoering geven aan algemeen verbindende voorschriften of
(verbindende) beschikkingen van de organen van de Europese
Gemeenschap die krachtens artikel 249 van het EG-Verdrag bevoegd
zijn om zodanige besluiten te nemen en die moeten worden uitgevoerd
of nagekomen door het nationale orgaan dat bevoegd is
handelsvergunningen te verlenen of door het CBG als zodanig.
– het uitvoeren van de taak, bedoeld in artikel 13m, tweede lid, van de
WMO. Deze taak zal worden opgedragen indien het bij koninklijke
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 34
boodschap van 27 februari 2003 ingediende voorstel van Wet tot wijziging
van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen ter
implementatie van richtlijn 2001/20/EG inzake de toepassing van de
goede klinische praktijken bij de uitvoering van klinische proeven met
geneesmiddelen voor menselijk gebruik (Wetenschappelijk onderzoek
met geneesmiddelen) tot wet zal zijn verheven en in werking is
getreden. De taak houdt in dat het College ervoor zorg draagt dat
bepaalde gegevens die het ontvangt van de centrale commissie met
betrekking tot klinische proeven met geneesmiddelen worden ingevoerd
in een nog op te richten Europese databank.
In de desbetreffende materiehoofdstukken van dit wetsvoorstel zijn de
taken en werkzaamheden van het College nader uitgewerkt.
Het College voert uitsluitend deze bij of krachtens de wet opgedragen
taken uit; het College kan niet besluiten andere of nieuwe taken te gaan
verrichten, noch activiteiten gaan ontplooien die ook op de vrije markt
plaatsvinden. Uiteraard is het College als zelfstandig bestuursorgaan vrij
zijn publieke taken te operationaliseren op een wijze die hem aangewezen
voorkomt.
Het nemen van besluiten over de toelating van geneesmiddelen is een
publieke taak. Van oudsher onderzoekt het Rijksinstituut voor gezondheid
en milieu (RIVM) van aanvraagdossiers voor een handelsvergunning het
chemisch, farmaceutisch en biologisch deel, alsmede het toxicologisch en
farmacologisch deel. Dit vloeide voort uit artikel 9a, tweede lid, van het
Besluit op het college ter beoordeling van geneesmiddelen. In dat
artikellid is bepaald dat het RIVM de bedoelde onderzoekswerkzaamheden
uitvoert. Het personeel van het RIVM heeft een geheimhoudingsplicht. In
de Wet op het RIVM is bepaald dat de Minister van VWS geen aanwijzingen
kan geven over de wijze waarop onderzoeken worden uitgevoerd
en daarover wordt gerapporteerd. Dit betekent dat geheimhouding, onafhankelijkheid
en wetenschappelijke deskundigheid zijn gewaarborgd. Er
was in deze constructie derhalve geen sprake van het (Europees) aan- of
uitbesteden van kerntaken van het College, maar van een taakopdracht
met een wettelijke grondslag. Het is wenselijk dat deze situatie wordt
gecontinueerd, indien en zolang (het secretariaat van) het College deze
werkzaamheden niet zelf verricht. Teneinde dit vast te leggen, bepaalt het
tweede lid dat de genoemde onderzoeks- en beoordelingswerkzaamheden
worden uitgevoerd door het RIVM, voorzover het secretariaat van het
College deze (structureel) niet zelf verricht.
Dit laat uiteraard onverlet dat het College op ad hoc basis externe deskundigen,
verbonden aan bijvoorbeeld ziekenhuizen of universiteiten, kan
raadplegen wanneer het College dit nodig acht.
Het spreekt voor zich dat in Europese richtlijnen opgenomen voorschriften,
waarvan de uitvoering of nakoming in de Nederlandse praktijk
moet plaatsvinden door het College, in de Nederlandse wetgeving worden
opgenomen als voorschriften die zich richten tot het College. Een richtlijn
werkt immers, in beginsel, niet rechtstreeks.
Bij een Europese verordening, die wel rechtstreekse werking heeft, is,
voor zover hier van belang, nationale wetgeving nodig indien uit de verordening
niet rechtstreeks voortvloeit welk nationaal orgaan met de uitvoering
of naleving van de voorschriften van de verordening is belast. Verordeningen
bemoeien zich in beginsel niet met de wijze waarop een lidstaat
de uitvoering of naleving van de daaruit voortvloeiende verplichtingen
organiseert. Dus als een Europese verordening een voorschrift bevat dat
door de lidstaten moet worden uitgevoerd, en dat in de nationale praktijk
van de lidstaten, al dan niet als gevolg van implementatie van een Europese
richtlijn, geschiedt door organen die met de verlening van handels-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 35
vergunningen zijn belast, zal in de Nederlandse wetgeving moeten
worden bepaald dat het College met de uitvoering van het desbetreffende
voorschrift is belast.
Het kan zich ook voordoen dat in een individueel geval een beschikking
van de Raad of de Europese Commissie zich richt tot een orgaan in een
lidstaat dat, ter implementatie van Europese regelgeving, bij of krachtens
nationale wetgeving is ingesteld. Dat orgaan moet alsdan in de praktijk
uitvoering kunnen geven aan de beschikking. Om dat te bewerkstelligen,
is daartoe strekkende nationale regelgeving nodig.
Met het oog op een en ander voorziet artikel 5, eerste lid, onder d, er dan
ook in dat het College in staat wordt gesteld om hetgeen vanuit Europese
besluitvorming op grond van artikel 249 van het EG-Verdrag op het
College afkomt, uit te voeren.
Tot slot behoort tot de wettelijke taken van het College het zonodig deel
uit maken van de Nederlandse delegatie bij organen en comité’s van de
Europese Unie. Wat betreft de relatie met en de vertegenwoordiging bij
comités en organen van de Europese Unie zijn twee gezichtspunten van
belang (onderdeel f). In het algemeen geldt dat Nederland daarin als
hoofdregel vertegenwoordigd wordt door (beleids)ambtenaren van de
desbetreffende vakdepartementen. Anderzijds kan het bij daarvoor in
aanmerking komende deskundigenwerkgroepen meer in de rede liggen
dat Nederland vertegenwoordigd wordt door (personen werkzaam bij) het
College.
Ook een samengestelde delegatie van (beleids)ambtenaren en vertegenwoordigers
van het College kan in sommige gevallen aangewezen zijn.
Een goede en gestructureerde afstemming tussen het kerndepartement en
het College is daarbij een vereiste. Hierover zullen afspraken worden
gemaakt met het College.
Artikel 6
De beschikkingen van de Europese Commissie die worden vastgesteld
nadat de in de artikelen 32, 33 en 34 van richtlijn 2001/83/EG bedoelde
arbitrageprocedure is afgerond, dienen op grond van artikel 34, derde lid,
van die richtlijn te worden gevolgd door een beschikking van de nationale
bevoegde instanties die uitvoering moeten geven aan de beschikking van
de Europese Commissie. De beschikking van de Commissie is dus
bindend. Het spreekt voor zich dat in die gevallen de bepalingen van de
Algemene wet bestuursrecht die betrekking hebben op de totstandkoming
van een beschikking en op het indenen en behandelen van bezwaar en
beroep, niet van toepassing dienen te zijn op de desbetreffende beschikking
van het CBG. Het onderhavige artikel voorziet er in dat de desbetreffende
bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing
blijven.
Artikel 7
Uitgangspunt is dat het CBG zijn werkzaamheden in het kader van het
beoordelen van aanvragen om en het verlenen en beheren van handelsvergunningen
of parallelhandelsvergunningen in zijn geheel op kostendekkende
basis doorberekent aan de farmaceutische industrie. Op dit punt
brengt het wetsvoorstel derhalve geen wijzigingen in de bestaande
situatie.
Ook voor andere in artikel 5 genoemde taken waarvoor het College kosten
in rekening brengt, moeten kostendekkende tarieven worden vastgesteld.
Op grond van de Kaderwet ZBO’s dien de minister van VWS de tarieven
goed te keuren.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 36
Artikel 8
In het kader van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering wordt
het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) door de minister van VWS
gehoord over aanvragen om een geneesmiddel op te nemen in het
verstrekkingenpakket. Een geneesmiddel kan in het Geneesmiddelen
Vergoeding Systeem (GVS) worden opgenomen indien het onderling
vervangbaar is met andere geneesmiddelen en een vergoedingslimiet kan
worden vastgesteld, of wanneer de minister van VWS in verband met de
therapeutische waarde en doelmatigheid van oordeel is dat verzekerden
toegang tot dit geneesmiddel moeten hebben.
Het kan wenselijk zijn dat het College voor Zorgverzekeringen, om tot een
afgewogen rapport over deze aspecten te komen, kan beschikken over bij
het CBG berustende, specifieke gegevens omtrent die aspecten van het
geneesmiddel. Artikel 8 maakt het mogelijk dat het CBG desgevraagd aan
het CVZ de relevante gegevens verstrekt.
Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook het personeel van het CVZ
een geheimhoudingsplicht heeft als het gaat om vertrouwelijke gegevens.
Deze worden hierdoor dus niet openbaar.
HOOFDSTUK 3 DE FABRIKANTENVERGUNNING EN DE
GROOTHANDELSVERGUNNING
Artikel 9
De handelingen waarvoor ingevolge Titel IV en Titel VII van richtlijn 2001/
83/EG een vergunning is vereist, zijn in eerste lid van artikel 9 aangegeven.
Het gaat om de volgende handelingen.
1. Het bereiden van geneesmiddelen buiten de apotheek, waaronder
vallen:
a. de gehele vervaardiging van een geneesmiddel;
b. de gedeeltelijke vervaardiging;
c. het verpakken en etiketteren van geneesmiddelen of het ompakken van
de verpakking.
Artikel 40, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG houdt in dat voor de gehele
en voor de gedeeltelijk industriële vervaardiging van geneesmiddelen een
vergunning is vereist. Deze bepaling is terug te vinden artikel 9, eerste lid,
eerste volzin, van het onderhavige wetsvoorstel.
Het begrip «industrieel» is afkomstig uit artikel 2 van richtlijn 2001/83/EG
en wordt gehanteerd ter onderscheiding van de bereiding van geneesmiddelen
in een apotheek, die op grond van artikel 3 van die richtlijn van de
reikwijdte van de richtlijn is uitgezonderd. De uitzondering voor het in de
apotheek bereiden van geneesmiddelen is geregeld in artikel 9, vijfde lid,
van het onderhavige wetsvoorstel.
Artikel 3, vierde lid, van richtlijn 2001/83/EG luidt «Deze richtlijn is niet van
toepassing op tussenproducten die voor latere verwerking door een
bevoegde fabrikant zijn bestemd». Deze bepaling is om verschillende
redenen niet in het wetsvoorstel opgenomen. In de eerste plaats omdat
niet duidelijk is wat een tussenproduct is. In de tweede plaats is zonneklaar
is dat het niet de bedoeling van de richtlijn is om fabrikanten van of
handelaren in tussenproducten, die niet zijn gedeeltelijk vervaardigde
geneesmiddelen en dus geen actieve bestanddelen bevatten, maar
bijvoorbeeld hulp- of vulstoffen, aan een vergunningplicht te onderwerpen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 37
Tijdens de behandeling van het voorstel van de Europese Commissie tot
herziening van richtlijn 2001/83/EG in de desbetreffende Raadswerkgroep
is voorgesteld artikel om 3, vierde lid, te schrappen. Daarop is een
compromisvoorstel in de Raadswerkgroep aanvaard waarmee deze bepaling
haar inhoud heeft verloren. Inmiddels is het (geamendeerde) voorstel
van de Commissie tot wijziging van richtlijn 2001/20/EG aanvaard door de
Raad.
Gelet op artikel 13, eerste lid, van richtlijn 2001/20/EG is voor het bereiden
of het invoeren van geneesmiddelen voor onderzoek een vergunning
vereist. Deze bepaling is in de tweede volzin van het eerste lid van artikel
9 terug te vinden in de vorm van een verbod op het zonder vergunning
bereiden of invoeren van zodanige geneesmiddelen.
Richtlijn 2001/20 zondert de bereiding van geneesmiddelen voor onderzoek
in een apotheek niet uit van de verplichting voor de bereiding
daarvan een vergunning te bezitten. Behalve voor de industrieel bereide
geneesmiddelen voor onderzoek, is dus ook voor de officinale of magistrale
bereiding van geneesmiddelen voor onderzoek een vergunning
vereist. Op dit punt verschilt richtlijn 2001/20 van richtlijn 2001/83. Gelet
op de definitie van fabrikant in artikel 1, eerste lid, van het onderhavige
wetsvoorstel, wordt een apotheker die geneesmiddelen voor onderzoek
bereidt en daarvoor vergunning bezit, dus ook als fabrikant aangeduid.
2. Het invoeren van geneesmiddelen.
Ook ter zake van deze activiteit is de houder van de vergunning aangeduid
met de term fabrikant. Het onderscheid dat het BBA maakt tussen de
fabrikant en de importeur is in het wetsvoorstel verlaten. Er is uiteraard
verschil tussen het bereiden van geneesmiddelen en het invoeren van
door anderen vervaardigde geneesmiddelen, maar dit onderscheid leidt in
de opzet van het onderhavige hoofdstuk niet tot zodanig grote verschillen
in voorschriften dat er gewerkt moet worden met een apart vergunningstelsel
voor de invoer van geneesmiddelen. Daar waar de normen uitsluitend
op de invoer betrekking hebben, blijkt dat expliciet uit de wettekst.
Titel 4 van richtlijn 2001/83/EG kent eenzelfde structuur met betrekking tot
het invoeren van geneesmiddelen.
Richtlijn 2001/20/EG maakt ook onderscheid tussen bereiden en invoeren
van geneesmiddelen voor onderzoek, maar ook dat levert geen reden op
voor een volledig apart regiemvoor de invoer van geneesmiddelen voor
onderzoek.
3. Het drijven van een groothandel
De definitie van groothandel in geneesmiddelen in artikel 1, zeventiende
lid, van richtlijn 2001/83/EG gaat er vanuit dat een groothandelaar door
anderen bereide of ingevoerde geneesmiddelen inkoopt, opslaat en distribueert.
Tot de distributiewerkzaamheden van de groothandelaar behoort
het afleveren van geneesmiddelen aan apothekers en aan andere groothandelaren
in de Europese Gemeenschap en het uitvoeren van geneesmiddelen
naar derde landen. Al deze werkzaamheden vallen onder de
groothandelsvergunning.
4. Het afleveren of het uitvoeren van geneesmiddelen
Richtlijn 2001/83/EG bepaalt niet expliciet dat een vergunning voor het
afleveren of uitvoeren van geneesmiddelen is vereist. Artikel 77, derde lid,
van de richtlijn bepaalt evenwel dat de vergunning voor het bereiden of
invoeren van geneesmiddelen tevens behelst de vergunning om een
groothandel te drijven in de zelf vervaardigde of ingevoerde geneesmiddelen.
In artikel 9, derde lid, van het onderhavige wetsvoorstel is de strekking
van artikel 77, derde lid, van richtlijn 2001/83/EG tot uitdrukking
gebracht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 38
Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat de groothandelsvergunning
ter zake van door derden vervaardigde of ingevoerde geneesmiddelen,
ook de aanschaf en het in voorraad hebben van geneesmiddelen bestrijkt.
In het derde lid van artikel 9 komen deze begrippen niet terug. Voor zover
het gaat om de begrippen «aanschaffen» of «in voorraad hebben» spreekt
dat voor zich nu is geregeld dat de zelf vervaardigde of ingevoerde
geneesmiddelen mogen worden afgeleverd of uitgevoerd.
Het afzonderlijke verbod op het afleveren en uitvoeren in artikel 9, eerste
lid, eerste volzin, heeft betrekking op het afleveren of uitvoeren van zelf
vervaardigde of ingevoerde geneesmiddelen, aangezien het verbod om
zonder vergunning een groothandel te drijven reeds het afleveren of
uitvoeren van door anderen vervaardigde of ingevoerde geneesmiddelen
bestrijkt. Begripsmatig is er sprake van een overlapping van het verbod op
groothandelsactiviteiten zonder vergunning en het verbod op afleveren en
uitvoeren zonder vergunning. In het derde lid van artikel 9, waarin wordt
bepaald dat de fabrikantenvergunning tevens de bevoegdheid geeft om
de zelf vervaardigde of ingevoerde geneesmiddelen af te leveren of uit te
voeren, is die overlap weer weggenomen.
Het tweede lid van het onderhavige artikel bevat een standaardbepaling
die in vrijwel elk vergunningenstelsel wordt gehanteerd en die beoogt de
naleving van de wettelijke verplichtingen die op de vergunninghouder
rusten, zoveel mogelijk te bevorderen. Immers: behalve het niet naleven
van wettelijke verplichtingen, kan het niet naleven van een aan de vergunning
verbonden voorschrift of beperking een geldige reden zijn voor het
intrekken van de vergunning.
Het vijfde lid voorziet er in dat voor magistrale en officinale bereiding
geen vergunning tot bereiding van geneesmiddelen is vereist. Deze
uitzondering geldt al sinds de invoering van de vergunningplicht voor
bereiden ten gevolge van richtlijn 75/319/EEG en is thans geregeld in
artikel 3, eerste en tweede lid, van richtlijn 2001/83. Zoals hierboven al is
verwoord, geldt deze uitzondering niet voor de bereiding in de apotheek
van geneesmiddelen voor onderzoek.
Het zesde lid, onder a, bevat dezelfde uitzondering op het verbod op in- of
uitvoer van geneesmiddelen voor eigen gebruik als die welke is vervat in
artikel 54, eerste lid, onder c, van het BBA. Het gaat hier om het over de
grens meenemen van geneesmiddelen die de betrokkene zelf gebruikt.
Het zesde lid, onder b, bevat dezelfde uitzondering op het verbod op
invoer als bedoeld in artikel 54, eerste lid, onder d, en derde lid, van het
BBA. Het gaat hierbij om een uitzondering op het vergunningsvereiste
voor invoer (dus uit een derde land) van geneesmiddelen die niet in
Nederland in de handel zijn en die door een fabrikant, groothandelaar of
apotheker op verzoek van een arts worden ingevoerd ten behoeve van
patiënten van de arts die een ziekte hebben die alleen of het meest effectief
met het in te voeren geneesmiddel kan worden behandeld.
Artikel 10
In het derde lid van het onderhavige artikel wordt de mogelijkheid
geopend om de hoogte van de vergoeding die voor de behandeling van
een aanvraag om een vergunning moet worden betaald, te laten afhangen
van de aard van de vergunning die wordt gevraagd. Op grond van die
bepaling kan rekening worden gehouden met het feit dat voor de beoordeling
van een aanvraag voor een vergunning voor een bepaalde categorie
van handelingen (bijvoorbeeld de volledige vervaardiging van een
geneesmiddel) door de vergunningverlener meer werk moet worden
verzet en dus meer kosten moeten worden gemaakt dan voor de beoorde-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 39
ling van een aanvraag voor een vergunning voor een andere categorie
van handelingen (bijvoorbeeld voor het wijzigen van een vergunning of
het invoeren van een geneesmiddel). Het meerdere werk bestaat voor een
groot deel uit het inspecteren van de fabrieken waarin de bereiding zal
plaatsvinden, en van het productieproces.
Voor zeer kleine wijzigingen zal een relatief laag tarief in rekening worden
gebracht.
Artikel 11
Artikel 4:5 van de Awb regelt enerzijds de bevoegdheid van een bestuursorgaan
(in casu: de minister) om een aanvraag die niet voldoet aan de
wettelijke vereisten voor die aanvraag of waarbij onvoldoende gegevens
of bescheiden zijn bijgevoegd voor een goede beoordeling van de
aanvraag, niet in behandeling te nemen. Anderzijds regelt dat artikel ook
dat de aanvrager de gelegenheid moet worden geboden om zijn aanvraag
aan te vullen of de ontbrekende gegevens alsnog te leveren, alvorens mag
worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Artikel 45 van
richtlijn 2001/83/EG geeft de lidstaten de bevoegdheid te bepalen dat,
indien de vergunningverlener nadere inlichtingen van de aanvrager van
de vergunning wenst te krijgen, hij de beslistermijn kan opschorten totdat
hij de ontbrekende gegevens heeft ontvangen. Deze bevoegdheid komt
naar haar strekking overeen met artikel 4:5 van de Awb.
Indien er geen toepassing wordt gegeven aan artikel 4:5 van de Awb,
moet de minister, ingevolge artikel 11 van het onderhavige wetsvoorstel,
binnen 90 dagen na ontvangst van de vergunningaanvraag een beslissing
nemen. Deze termijn is in artikel 43 van richtlijn 2001/83/EG vastgelegd en
bedraagt 90 dagen.
Richtlijn 2001/20/EG geeft geen termijn aan voor het nemen van een
beslissing op een aanvraag om een vergunning voor het bereiden of
invoeren van geneesmiddelen voor onderzoek. Gemakshalve is die
termijn ook op 90 dagen bepaald.
Artikel 12
Dit artikel bepaalt in welke gevallen een vergunning moet worden
verleend.
Indien het om bereiding van geneesmiddelen of geneesmiddelen voor
onderzoek gaat, moet zijn voldaan aan de regels inzake goede praktijken
bij het vervaardigen van geneesmiddelen, vast te stellen krachtens artikel
18, en moet er op grond van artikel 19 gekwalificeerd personeel zijn om de
in dat artikel bedoelde taken te verrichten. Gelet op artikel 51 van richtlijn
2001/83/EG, moet er ter zake van het bereiden van andere geneesmiddelen
dan geneesmiddelen voor onderzoek, ten minste één persoon die
ervoor moet zorgen dat de geneesmiddelen worden bereid overeenkomstig
hetgeen daaromtrent is beschreven in het dossier van de handelsvergunning
en die belast is met het vrijgeven van de charges voor de
handel. In de wandeling wordt deze persoon de QP genoemd. Het
bereidingsproces moet voldoen aan de regels inzake goede praktijken bij
de vervaardiging. Met uitzondering van de taak om het vrijgiftedocument
te ondertekenen, kan de QP andere van het daartoe gekwalificeerde personeel
de desbetreffende taken laten uitvoeren. Gelet op artikel 13 van richtlijn
2001/20/EG is ter zake van het bereiden van geneesmiddelen voor
onderzoek de QP een persoon die in het farmaceutische bedrijf of de
ziekenhuisapotheek tot taak heeft ervoor te zorgen dat de bereiding
geschiedt overeenkomstig de voorschriften inzake goede praktijken bij de
vervaardiging en met inachtneming van de prodcutspecificatie en het
onderzoeksdossier, alsmede met het vrijgeven van de charges van zodanige
geneesmiddelen voor het uitvoeren van het onderzoek.
In geval van invoer moet de QP ervoor zorgen dat kwalitatieve en kwanti-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 40
tatieve analyses van ingevoerde geneesmiddelen onderscheidenlijk
geneesmiddelen voor onderzoek worden uitgevoerd. De QP moet aan de
krachtens artikel 20 gestelde vakbekwaamheidseisen voldoen.
Indien aan de hier boven beschreven essentiële eisen wordt voldaan, kan
er van uitgegaan worden dat een kwalitatief verantwoorde bereiding of
invoer is gewaarborgd.
Uiteraard moeten voorts alle in artikel 16 bedoelde bescheiden zijn overgelegd.
Alleen een volledig dossier biedt waarborgen voor een verantwoorde
afweging door de minister.
Voor het mogen drijven van een groothandel in «gewone» geneesmiddelen
gelden eisen die overeenkomen met de eisen die voor het bereiden
en invoeren van «gewone» geneesmiddelen gelden. Er moet worden
voldaan aan de voorschriften inzake goede distributiepraktijken, er moet
een gekwalificeerde persoon zijn en alle benodigde bescheiden, krachtens
artikel 16 aangeduid of beschreven, moeten zijn overgelegd.
Artikel 13
Ingevolge onderdeel a van het onderhavige artikel, dat betrekking heeft op
rechtspersonen, vervalt de vergunning van rechtswege zodra de
vergunninghoudende rechtspersoon wordt ontbonden, fuseert en niet de
verkrijgende partij is of wordt gesplitst.
Dat de vergunning vervalt in geval van ontbinding spreekt voor zich. Met
de ontbinding van de rechtspersoon verdwijnt de rechtspersoon en veelal
de activiteiten waarop de vergunning betrekking had.
De rechtspersoon houdt ook op te bestaan in geval van zuivere splitsing
van een rechtspersoon, dat wil zeggen de situatie waarin het vermogen
van de splitsende rechtspersoon onder algemene titel overgaat op twee of
meer andere rechtspersonen.
Voorts houdt de rechtspersoon op te bestaan in geval van een fusie
waarbij de vergunninghouder niet de verkrijgende partij is. Zodanige fusie
houdt in vermogensovergang onder algemene titel op de verkrijgende
fusiepartner.
Artikel 14
In gevallen waarin een vergunninghouder zich niet aan bij of krachtens
deze wet gestelde verplichtingen dan wel aan voorschriften of beperkingen
die aan een vergunning zijn verbonden, houdt, kan de minister
beslissen dat de vergunning wordt ingetrokken. Een dergelijke maatregel
kan verregaande gevolgen hebben, zoals het tot staan komen van de
bedrijfsactiviteiten van de fabrikant of groothandelaar. Gelet op het
evenredigheidsbeginsel, zal een dergelijke maatregel alleen op zijn plaats
zijn bij zeer ernstige vergrijpen. Aangezien de minister ook bestuurlijke
sancties kan treffen, die toegesneden kunnen worden op de aard van het
vergrijp, zal naar verwachting meer van die mogelijkheid gebruik worden
gemaakt dan van die tot intrekken van de vergunning. Voorkomen moet
evenwel worden dat er samenloop van bestuurlijke maatregelen plaatsvindt.
Met het oog hierop is in het tweede lid bepaald dat intrekking van
de vergunning niet kan plaatsvinden indien er voor de begane overtreding
een bestuurlijke boete is opgelegd. De bevoegdheid tot intrekking van de
vergunning kan wel weer worden toegepast indien het voorschrift op de
overtreding waarvan een bestuurlijke sanctie is opgelegd, opnieuw wordt
overtreden.
Artikel 15
Artikel 77, zevende lid, van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat als een lidstaat
van mening is dat een (rechts)persoon die een groothandelsvergunning
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 41
bezit van een andere lidstaat, zich niet houdt aan een wettelijke verplichting
of aan een aan die vergunning verbonden voorschrift, hij de andere
lidstaat en de Europese Commissie daarvan in kennis stelt.
De lidstaat die de vergunning heeft verleend, moet vervolgens de nodige
maatregelen nemen en de lidstaat die de melding heeft gedaan alsmede
de Commissie daarvan in kennis stellen. Als de lidstaat die de vergunning
heeft verleend, het niet nodig vindt om maatregelen te nemen, moet hij
dat onder opgave van redenen meedelen aan de lidstaat die de oorspronkelijke
melding heeft gedaan alsmede aan de Commissie.
Het melden van een bevinding dat een groothandelaar zich niet houdt aan
voorschriften die zijn opgesteld om schade voor de volksgezondheid te
voorkomen, dient hetzelfde volksgezondheidsbelang als het melden van
soortgelijke overtredingen door een fabrikant. Het ligt daarom in de rede
een dergelijke verplichting ook op te nemen indien een andere lidstaat
aangeeft dat een (in Nederland gevestigde) fabrikant zich niet houdt aan
de voor hem geldende voorschriften. Het onderhavige artikel voorziet in
een daartoe strekkende bepaling.
Artikel 16
Bij de indiening van een aanvraag om een vergunning tot het bereiden of
invoeren van geneesmiddelen of geneesmiddelen voor onderzoek dan
wel tot het drijven van een groothandel dienen tal van gegevens en
bescheiden te worden overgelegd. Artikel 41 van richtlijn 2001/83/EG geeft
in grote lijnen aan om welke gegevens en bescheiden het moet gaan bij
een aanvraag om een vergunning tot bereiden of invoeren. De implementatie
in artikel 2 van het BBA van de voorganger van artikel 41 van richtlijn
2001/83/EG, te weten artikel 17 van richtlijn 75/319, had dezelfde opzet als
die van laatst genoemd artikel, zij het met meer details. In het onderhavige
hoofdstuk is gekozen voor een andere opzet voor de regeling van de
verstrekking van gegevens en bescheiden.
Ten behoeve van een doelmatige indiening en behandeling van een
vergunningaanvraag, wordt aan aanvragers een formulier toegestuurd
waarop concreet staat aangegeven welke gegevens op het formulier
moeten worden ingevuld en welke bescheiden moeten worden verstrekt.
In het wetsvoorstel kan daardoor worden volstaan met een bepaling dat
het ingevulde formulier met de daarin genoemde documenten moet
worden overgelegd.
De formulieren met betrekking tot het bereiden of invoeren zijn toegespitst
op de soort handelingen en op de indeling, de aard en, bij volledige
vervaardiging, de farmaceutische vorm van de geneesmiddelen.
Op de formulieren voor de aanvraag van een vergunning voor volledig
bereiden bevinden zich rubrieken voor naam en adres van de aanvrager,
adres van de fabriek of de lokalen waarin de desbetreffende handelingen
en de opslag van de geneesmiddelen plaatsvinden, naam en adres van
degene die in opdracht van de aanvrager in de Europese Unie een deel
van de bereidingshandelingen verricht, de naam en adres van de vervaardiger
in het derde land, in geval van invoer, en een opgave van de uitrusting
van de fabriek en van het personeel dat met leidinggevende functies
zal worden belast. Voorts zijn er rubrieken waarin moet worden aangegeven
welke geneesmiddelen zullen worden vervaardigd, alsmede
rubrieken die aangeven welke bescheiden dienen te worden overgelegd,
zoals plattegronden van de bereidings- en opslaglocaties in Nederland en,
in geval van invoer, in het derde land, een uittreksel uit het handelsregister,
de statuten ingeval de aanvrager een rechtspersoon is, gewaarmerkte
afschriften van de getuigschriften van het gekwalificeerde personeel
alsmede het bewijs dat de vervaardiger in een derde land tot
vervaardiging bevoegd is.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 42
De formulieren voor de aanvraag van een vergunning voor gedeeltelijk
bereiden bevatten soortgelijke rubrieken.
Dat geldt ook voor de formulieren met betrekking tot de aanvraag voor
een groothandelsvergunning, met dien verstande dat een opgave van alle
geneesmiddelen die worden opgeslagen en gedistribueerd niet aan de
orde is.
Er zijn op grond van Richtlijn 2001/20 nog geen bepalingen vastgesteld die
aangeven welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd bij
de aanvraag om een vergunning voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen voor onderzoek. Zodanige bepalingen worden middels
een richtlijn van de Europese Commissie, tot stand te brengen via comitologoie,
vastgesteld. Er zal derhalve krachtens artikel 16 van het onderhavige
wetsvoorstel een met de Commissierichtlijn overeenstemmend
aanvraagformulier beschikbaar worden gesteld.
Het onderhavige artikel bepaalt tevens dat de aanvrager een machtiging
moet overleggen op grond waarvan de minister de jaarlijkse vergoedingen
kan innen die de vergunninghouder is verschuldigd ten behoeve
van het beheer van de vergunning. Met deze bepaling wordt voorkomen
dat er tijd en energie moet worden gestoken in het aanmanen van
bedrijven die een betalingsachterstand hebben en bij wie aanmaningen
en het dreigen met juridische stappen niet helpen.
Indien bij de aanvraag gegevens en bescheiden als bedoeld in het onderhavige
artikel ontbreken, kan de minister op grond van artikel 4:5 Awb
besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvrager krijgt,
voordat daartoe wordt besloten, de gelegenheid de ontbrekende gegeven
of bescheiden alsnog aan te leveren. Doet hij dat niet, dan loopt hij het
risico dat de vergunningaanvraag wordt geweigerd.
Artikel 17
Artikel 46, onder c, van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat de fabrikant de
verlener van de vergunning vooraf in kennis moet stellen van elke wijziging
die hij wenst aan te brengen in de informatie die hij aan de
vergunningverlener heeft verstrekt teneinde een vergunning te verkrijgen.
Voorts wordt bepaald dat de fabrikant de onverwachte vervanging van
een QP onmiddellijk moet melden bij de vergunningverlener.
Deze bepaling van richtlijn 2001/83/EG is destijds geïmplementeerd in
artikel 4 van het BBA van 1977. Laatstgenoemd artikel houdt in dat de
wijzigingen waarop artikel 46, onder c, doelt, moeten worden gemeld bij
de verlener van de vergunning. Wat deze met die melding moet doen,
wordt niet geregeld. Het is dus onduidelijk wat het rechtsgevolg van de
melding zou moeten zijn.
In de praktijk van de verlening van vergunningen in Nederland wordt een
melding van een wijziging van de gegevens die bepalend waren voor de
vergunningverlening, opgevat als een aanvraag tot wijziging van de
vergunning en wordt op die aanvraag een beschikking gegeven. Dat is in
overeenstemming met de strekking van artikel 46, onder c, van richtlijn
2001/83. De richtlijn gebruikt het woord «vooraf». Dat duidt er op dat er
voorafgaande toestemming van de vergunningverlener is vereist om de
wijzigingen door te voeren, en dat er niet zonder meer met een melding
aan de vergunningverlener kan worden volstaan.
In het tweede lid van onderhavige artikel wordt onderscheid gemaakt
tussen ingrijpende wijzigingen en eenvoudige wijzigingen. Overeenkomstig
artikel 44 van richtlijn 2001/83/EG, is bepaald dat de beslissing op een
aanvraag om een vergunning voor een wijziging binnen 30 dagen moet
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 43
geschieden. Voor een eenvoudige wijziging, zoals de vervanging van een
QP, is een dergelijke periode voldoende.
Wijzigingen betreffende bedrijfsruimten, technische uitrusting of controlemogelijkheden
zijn naar hun aard ingrijpende wijzigingen en vergen dus
meer beoordelingstijd dan eenvoudige wijziging. Eveneens overeenkomstig
artikel 44 van de richtlijn is in het tweede lid van het onderhavige
artikel bepaald dat de periode waarbinnen een beslissing inzake een
ingrijpende wijziging moet worden genomen, tot 90 dagen kan worden
verlengd.
Richtlijn 2001/20/EG bevat geen bepaling die overeenkomt met artikel 46,
onder c, van richtlijn 2001/83/EG. Een Europese regeling voor het
aanbrengen van wijzigingen in feiten of omstandigheden die zijn
beschreven in de bescheiden en gegevens die bij de aanvraag om de
vergunning zijn overgelegd, wordt door een Commissierichtlijn, tot stand
te brengen via comitologie, vastgesteld.
Het tarief dat voor een vergunning voor ingrijpende wijzigingen in rekening
wordt gebracht, zal hoger uitvallen dan het tarief voor een vergunning
voor een eenvoudige wijziging.
Het derde lid van artikel 17 is ontleend aan artikel 5, vierde lid, van het
BBA. Het derde lid schept de mogelijkheid om voor controles op de bereiding
van geneesmiddelen of geneesmiddelen voor onderzoek of op de
invoer van geneesmiddelen gebruik te maken van een ander laboratorium
dan het laboratorium van de fabrikant dat in de bescheiden wordt vermeld
die bij de aanvraag om de fabrikantenvergunning moeten worden overgelegd.
Indien een laboratorium door de minister van VWS is aangewezen,
hoeft de fabrikant niet telkens wanneer hij van een ander laboratorium
gebruik wil maken, een vergunning tot wijziging aan te vragen.
De aanwijzing brengt met zich dat de IGZ in het kader van zijn toezichthoudende
taak inspecties kan uitvoeren in het aangewezen laboratorium.
Artikel 18
Artikel 46, onder f, van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat de houder van de
vergunning voor de vervaardiging de in het Gemeenschapsrecht neergelegde
beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen
van geneesmiddelen moet naleven. Artikel 47 van richtlijn 2001/
83/EG bepaalt dat deze beginselen en richtsnoeren worden vastgelegd
overeenkomstig de in artikel 121, tweede lid, van die richtlijn bedoelde
comitologieprocedure. Een dergelijke richtlijn was er al, te weten richtlijn
91/356/EEG van de Commissie van 13 juni 1991 tot vastlegging van de
beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken bij het vervaardigen
van geneesmiddelen voor toepassing bij de mens (PbEG L 193), die was
gebaseerd op artikel 19, onder f, van richtlijn 75/319/EEG. Richtlijn
91/356/EEG is in 1992 geïmplementeerd in de Regeling goede praktijken
bij de bereiding van farmaceutische producten. Een ministeriële regeling
met een overeenkomstige inhoud zal worden gebaseerd op het onderhavige
artikel.
Artikel 19
Artikel 51 van Richtlijn 2001/83/EG en artikel 13, derde lid, van Richtlijn
2001/20/EG bepalen dat de lidstaten hun wetgeving en/of hun bestuursrechtelijke
instrumentarium zodanig inrichten dat de fabrikant van geneesmiddelen
of geneesmiddelen voor onderzoek over gekwalificeerd personeel
beschikt voor de uitvoering van verschillende taken die te maken
hebben met de kwaliteit van het bereidingsproces en het product.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 44
De eerste taak bestaat uit het ervoor zorg dragen dat de bereiding van
geneesmiddelen of geneesmiddelen voor onderzoek geschiedt overeenkomstig
de voorschriften inzake goede praktijken bij de vervaardiging, die
zullen worden vastgesteld krachtens artikel 18. Deze taak is neergelegd in
het eerste lid, onder a, van artikel 19 van het onderhavige wetsvoorstel en
is ontleend aan artikel 51, eerste lid, onder a, van richtlijn 2001/83/EG
onderscheidenlijk artikel 13, eerste lid, onder a, van richtlijn 2001/20/EG.
In onderdeel b van het eerste lid van artikel 19 gaat het om de taak ervoor
te zorgen dat iedere charge geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen
voor onderzoek, is vervaardigd en gecontroleerd overeenkomstig de eisen
die daarvoor zijn beschreven in het dossier op grond waarvan de handelsvergunningis
verleend. De onderhavige bepaling is ontleend aan artikel
51, eerste lid, onder a, van richtlijn 2001/83/EG.
Ook de fabrikant die geneesmiddelen gedeeltelijk bereidt dient over
gekwalificeerd personeel te beschikken. De kerntaak daarvan richt zich op
de controle van de deelvervaardiging.
In het eerste lid, onder c, wordt de eerste taak met betrekking van de
kwaliteitcontrole op ingevoerde geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen
voor onderzoek, in het importbedrijf omschreven. Deze taak bestaat
uit het (doen) uitvoeren van de analyses en controles die nodig zijn om te
kunnen vaststellen of de kwaliteit van het ingevoerde geneesmiddel
voldoet aan de kwaliteit die door het dossier dat aan de handelsvergunning
ten grondslag ligt, wordt beschreven. Ook deze bepaling is
ontleend aan artikel 51, eerste lid, onder b, van richtlijn 2001/83/EG.
In onderdeel d van het eerste lid wordt de kerntaak omschreven van QP in
de fabriek of het importbedrijf voor geneesmiddelen, niet zijnde geneesmiddelen
voor onderzoek. Het gaat hier om het vrijgeven van de geneesmiddelen
voor de handel. Het vrijgeven geschiedt door het vastleggen in
een document dat de kwaliteit van een charge zodanig is dat de desbetreffende
geneesmiddelen mogen worden verhandeld. Deze bepaling komt
materieel overeen met de eerste volzin van artikel 51, derde lid, van richtlijn
2001/83/EG.
Het vrijgeven van geneesmiddelen voor de handel kan naar zijn aard
alleen een taak zijn van de QP van de fabrikant van het eindproduct of van
de fabrikant die een eindproduct importeert. Daarom is in het vijfde lid
bepaald dat het opstellen van het vrijgiftedocument niet tot de taak van de
QP van de fabrikant van deelbereidingen behoort. Onderdeel e van het
eerste lid is een op de bereiding van een geneesmiddel voor onderzoek
betrekking hebbende variant van het eerste lid, onder b. Onderdeel e komt
overeen met artikel 13, derde lid, onder a, van richtlijn 2001/20/EG.
Onderdeel f van het eerste lid is de op een geneesmiddel voor onderzoek
betrekking hebbende variant van onderdeel d van het eerste lid. Ook de in
dit lid bedoelde taak wordt uitsluitend verricht door de QP van de fabriek
of het importbedrijf van geneesmiddelen voor onderzoek. Onderdeel f
komt overeen met artikel artikel 13, vierde lid, van richtlijn 2001/20/EG.
De in het eerste lid, onder d of f, bedoelde taken worden door de QP zelf
verricht. De andere in dat lid bedoelde taken kunnen, onder verantwoordelijkheid
van de QP, ook door ander gekwalificeerd personeel worden
verricht Het eerste lid van het onderhavige artikel laat het aan de houder
van de vergunning over of de QP of het andere gekwalificeerde personeel
bij hem in dienst is dan wel van buiten is ingehuurd.
Artikel 48, eerste lid, van richtlijn 2001/83/EG en artikel 13, tweede lid, van
richtlijn 2001/20/EG bepaalt slechts dat de houder van de vergunning
«beschikt over» een QP.
Artikel 52 van richtlijn 2001/83/EG bepaalt dat de lidstaten passende administratieve
of tuchtrechtelijke maatregelen moeten treffen die moeten
waarborgen dat de QP zijn verplichtingen nakomt. In ons rechtsstelsel
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 45
dient in beginsel alleen de fabrikant daarop te worden aangesproken. Zo
is het in het onderhavige hoofdstuk van het wetsvoorstel ook geregeld. De
QP die werknemer is of de QP die van buiten is ingehuurd door de fabrikant
werkt juridisch onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant.
In artikel 48, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG is bepaald dat als de
houder van de vergunning zelf voldoet aan de bekwaamheidseisen die
aan de QP worden gesteld, hij de taken van de QP mag verrichten.
Daarmee is nog niet bepaald dat als hij die taken mag uitvoeren, hij dat
ook moet doen wanneer hij niet over een QP beschikt. Met het oog hierop
is in het derde lid van artikel 19 het tweede lid van artikel 48 van richtlijn
2001/83/EG zodanig vertaald dat indien de fabrikant zelf het
bekwaamheidsniveau heeft dat de QP moet hebben en zelf de taken van
de QP verricht, hij geen QP in dienst hoeft te hebben of hoeft in te huren.
Artikel 19, vierde lid bevat de inhoud van artikel 51, tweede lid, van richtlijn
2001/83/EG. Artikel 51, tweede lid, van de richtlijn heeft betrekking op
de situatie dat er tussen de Europese Gemeenschap en een derde land
een overeenkomst wordt gesloten die bepaalt dat beide partijen waarborgen
dat de bereiding van geneesmiddelen geschiedt volgens wederzijds
erkende goede praktijken bij de vervaardiging. Het is dan niet meer
noodzakelijk om in de Europese Gemeenschap de analyses, proeven en
controles die op in een lidstaat van de Gemeenschap ingevoerde geneesmiddelen
moeten worden uitgevoerd, nog eens over te doen.
Het zesde lid bepaalt dat charges van bij ministeriële regeling aan te
wijzen geneesmiddelen pas mogen worden vrijgegeven nadat een nog
nader aan te wijzen persoon of instantie na onderzoek heeft vastgesteld
dat ze voldoen aan de in het dossier beschreven bereidingswijze en
kwaliteitseisen. Bij de aan te wijzen persoon of instantie moet worden
gedacht aan een inspecteur van de Inspectie voor de gezondheidszorg die
werkzaam is op het geneesmiddelenterrein, of aan het RIVM of aan beiden
in samenwerking met elkaar.
Dat onderzoek zal in de praktijk plaatsvinden nadat de QP van het desbetreffende
bedrijf het document tot vrijgifte heeft ondertekend. Het kan
gaan zowel om in Nederland bereide geneesmiddelen als om ingevoerde
geneesmiddelen. Voor immunologische geneesmiddelen en bloedproducten
gold een dergelijke regeling in het Besluit immunologische farmaceutische
producten onderscheidenlijk het Besluit bloedproducten. Aangezien
niet kan worden uitgesloten dat er bijzondere categorieën van
geneesmiddelen worden ontwikkeld die in de toekomst ook een dergelijke
extra screening vergen, is de mogelijkheid om daartoe over te gaan uitgebreid.
De uitbreiding ten opzichte van de bestaande regeling, in het zesde
lid van artikel 19, zal in elk geval betrekking hebben op immunologische
geneesmiddelen voor onderzoek en bloedproducten voor onderzoek.
Artikel 20
Op grond van dit artikel zullen door de minister van VWS bekwaamheidseisen
worden gesteld waaraan de QP moet voldoen. In artikel 49 van
richtlijn 2001/83/EG worden opleidingseisen en eisen met betrekking tot
werkervaring geformuleerd. Die opleidings- en ervaringseisen gelden ook
voor de QP van het bedrijf dat geneesmiddelen voor onderzoek bereid of
invoert. Dat vloeit voort uit artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2001/20/EG,
waarin wordt verwezen naar die eisen.
De desbetreffende opleidingseisen en werkervaringseisen zijn van nogal
uiteenlopende aard. Daarnaast bevat artikel 50 van richtlijn 2001/83/EG
allerlei bepalingen inzake gelijkstelling van opleidingen en werkervaring,
alsmede een aantal overgangsbepalingen.
Sedert de vaststelling van de bekwaamheidseisen in de artikelen 23 en 24
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 46
van richtlijn 75/319/EEG (thans de artikelen 49 en 50 van richtlijn 2001/
83/EG) zijn er 27 jaren verstreken. Opleidingen zijn inmiddels veranderd
en het in richtlijn 2001/83/EG geformuleerde overgangsrecht is geheel of
gedeeltelijk achterhaald. Toch zullen de bekwaamheidseisen ook moeten
voldoen aan de artikelen 49 en 50 van richtlijn 2001/83/EG cq van artikel
13, tweede lid, van richtlijn 2001/20/EG.
Door een en ander dient een gedetailleerde regeling te worden opgesteld,
waarin zowel met de artikelen 49 en 50 van richtlijn 2001/83/EG onderscheidenlijk
artikel 13, tweede lid, van richtlijn 2001/20 als met nieuwe
ontwikkelingen rekening zal worden gehouden. De bekwaamheidseisen
lenen zich daarom niet voor regeling op wetsniveau.
De betrokken bedrijven zullen behalve de QP ook ander gekwalificeerd
personeel in dienst (moeten) hebben. De (ontwerp)richtlijn van de Europese
Commissie waarin de beginselen en richtsnoeren inzake goede praktijken
bij de vervaardiging van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en
voor geneesmiddelen voor onderzoek voor menselijk gebruik zullen
worden vastgelegd, bepaalt dat ook dat personeel adequaat geschoold is.
De vindplaats van die richtlijn van de Commissie is nog niet bekend.
Artikel 21
Kwaliteitscontrole op het vervaardigingsproces en op de geheel of gedeeltelijk
vervaardigde geneesmiddelen in een fabriek wordt het beste ondersteund
indien er van de productie van een charge een genummerd
protocol wordt bijgehouden. Mede aan de hand daarvan kan worden
vastgesteld dat de (deel)vervaardiging plaats heeft gevonden in overeenstemming
met de beschrijving daarvan in het dossier dat ten grondslag
ligt aan de vergunning voor het in de handel brengen en dat het geneesmiddel
voldoet aan de eisen die het dossier daaraan stelt. Het eerste lid
van het onderhavige artikel, dat tot deze protocollering verplicht, is
ontleend aan artikel 8, eerste lid, onder a en b, van het BBA van 1977
Indien het om ingevoerde geneesmiddelen gaat, dient de fabrikantimporteur
te beschikken over de protocollen van de vervaardiging in het
derde land, opgesteld door de vervaardiger aldaar.
De fabrikant die in een andere lidstaat vervaardigde of geïmporteerde
geneesmiddelen verpakt en de verpakking daarvan etiketteert, moet ervan
kunnen uitgaan dat het gekwalificeerde personeel van de fabrikant in de
andere lidstaat hun werkzaamheden overeenkomstig de in Titel IV van
richtlijn 2001/83/EG gestelde voorschriften uitvoeren.
Daarom is in artikel 51, eerste lid, tweede volzin, van richtlijn 2001/83/EG
bepaald dat er geen controles op de charges van die geneesmiddelen
hoeven te worden uitgevoerd indien de fabrikant beschikt over het verslag
van de gekwalificeerde persoon in de andere lidstaat ten aanzien van de
controles die deze heeft uitgevoerd op aldaar vervaardigde of ingevoerde
geneesmiddelen. Dit is in het derde lid van het onderhavige artikel geregeld.
Het vierde lid van het onderhavige artikel bevat de inhoud van artikel 13,
derde lid, onder b, van richtlijn 2001/20/EG en is vergelijkbaar met het
tweede lid van het onderhavige artikel.
Het vijfde lid bevat de inhoud van artikel 13, derde lid, onder c, van richtlijn
2001/20/EG.
Artikel 22
Dit artikel is, voor zover het «gewone» geneesmiddelen betreft, ontleend
aan artikel 10 van het BBA van 1977. De in dit artikel opgelegde verplichtingen
hebben tot doel de naleving van de verplichtingen van de fabrikant
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 47
met betrekking tot de bereiding dan wel de invoer te kunnen controleren.
Het bijkomende effect van deze bepaling is dat achteraf de gang van een
charge kan worden gereconstrueerd.
Het eerste lid verplicht de fabrikant het door de QP opgestelde document
waarmee het vrijgeven van een charge wordt geautoriseerd (zie artikel 19,
eerste lid, onder d), het verslag van de QP of een ander gekwalificeerd
personeel aangaande zijn bevindingen bij de uitvoering van zijn taken en
de op de vervaardiging of invoer betrekking hebbende protocollen of
verslagen te bewaren gedurende een periode die eindigt een jaar nadat de
houdbaarheidsdatum van de geneesmiddelen is verstreken, met dien
verstande dat in elk geval een termijn van ten minste 5 jaar in acht wordt
genomen.
De verplichte bewaartermijn voor een monster en de protocollen die op
de vervaardiging van het monster betrekking hebben, loopt af op het
tijdstip waarop de houdbaarheidstermijn van het monster eindigt.
Het onderhavige artikel bevat voorts de verplichting om het verslag van
de bevindingen van het betrokken personeel bij de bereiding van geneesmiddelen
voor onderzoek (bedoeld in artikel 19, tweede lid) te bewaren
alsmede het document waarin voor vrijgifte van de bereide geneesmiddelen
voor onderzoek is getekend (bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder
f) en de protocollen met betrekking tot de bereiding van (ingevoerde)
geneesmiddelenvoor onderzoekin het (derde) land waar zij zijn bereid
(bedoeld in artikel 21, vierde lid).
Artikel 23
Dit artikel is ontleend aan artikel 14, eerste lid, onder c, van het BBA van
1977.
Artikel 24
Analoog aan artikel 28, ziet dit artikel op voorzorgsmaatregelen voor het
geval er een geneesmiddel uit de handel moet worden genomen. Het is
alsdan van groot belang dat het spoor dat het geneesmiddel heeft afgelegd
kan worden gevolgd.
Indien een fabrikant aflevert aan een groothandelaar – wat de normale
situatie is – moet de groothandelaar ingevolge artikel 28 een plan klaar
hebben liggen dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een actie om
het geneesmiddel uit de handel te nemen, mogelijk maakt.
Indien de fabrikant geneesmiddelen aflevert aan een apotheker, een
apotheekhoudende arts of aan een (rechts)persoon die bedrijfsmatig
zelfzorggeneesmiddelen ter hand stelt – hij treedt alsdan op als de distributeur
van de door hem zelf vervaardigde of geïmporteerde geneesmiddelen
– is het van belang dat hij ervoor zorgt dat de gang van het geneesmiddel
kan worden gevolgd door vast te leggen welke charges hij aflevert
aan degenen die geneesmiddelen ter hand stellen. Dat is in het onderhavige
artikel geregeld.
Artikel 25
Artikel 2, eerste lid, onder d, van de WOG houdt onder meer in dat
degenen aan wie vergunning is verleend voor het verrichten van de
handelingen die in het onderhavige wetsvoorstel in artikel 9, eerste lid,
eerste volzin, worden genoemd, alleen mogen afleveren aan andere
houders van een vergunning en aan degenen die geneesmiddelen ter
hand stellen.
Op deze bepaling waren uitzonderingen nodig en daarom ook mogelijk
gemaakt. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in artikel 16 van het BBA van
1977. De noodzaak om uitzonderingen te maken op de hoofdregel geldt
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 48
nog steeds en vergt dus eenzelfde mogelijkheid. Het onderhavige artikel
voorziet daarin.
Artikel 26
Dit artikel is ontleend aan artikel 37 van het BBA. Het gaat hier om een op
de groothandelaar toegespitst equivalent van artikel 17, met dien
verstande dat voor een wijziging in het assortiment van de groothandelaar
geen wijziging van de vergunning nodig is. Zoals in de toelichting op
artikel 16 is aangegeven, zal de groothandelaar op het aanvraagformulier
niet hoeven aan te geven welke geneesmiddelen hij in zijn assortiment
heeft.
Artikel 27
Uit de formulering van artikel 80, onder g, juncto artikel 84 van richtlijn
2001/83 blijkt dat de in artikel 84 bedoelde richtsnoeren inzake goede
distributiepraktijken bindend aan de groothandelaren moeten worden
opgelegd door de lidstaten. Het eerste lid van het onderhavige artikel
geeft de basis om de inhoud van de richtsnoeren bij ministeriële regeling
vast te leggen.
De tweede volzin van het eerste lid van artikel 27 is de op de groothandel
toegespitste variant van artikel 19, eerste lid, juncto artikel 20 voor zover
het geneesmiddelen betreft die in de handel zijn. Deze variant heeft geen
betrekking op geneesmiddelen voor onderzoek die niet in de handel zijn.
Niet in de handel gebrachte geneesmiddelen voor onderzoek kunnen
immers, in beginsel, niet in het bezit zijn van de groothandelaar.
Richtlijn 2001/83/EG stelt geen specifieke opleidingsen ervaringseisen
eisen aan de gekwalificeerde persoon die werkzaam is in de groothandel.
In de Nederlandse praktijk is de QP in de groothandel vaak een apotheker
die deze werkzaamheden op deeltijdbasis verricht naast zijn werkzaamheden
in de apotheek. De apotheker kan dit «erbij» doen omdat het takenpakket
van de QP bij de groothandelaar minder specialistisch is dan dat
van de QP bij de fabrikant.
Gelet op richtlijn 2001/83 hoeft de QP bij de groothandelaar geen
apotheker te zijn. De enige bekwaamheidseis die richtlijn 2001/83/EG stelt
is dat hij gekwalificeerd is voor de desbetreffende werkzaamheden. Van
een apotheker staat dat zo goed als vast.
Voor anders opgeleiden zal dat per geval moeten worden beoordeeld
door de groothandelaar
Het tweede lid is ontleend aan artikel 19 van de richtsnoeren inzake goede
distributiepraktijken. Het gaat hier niet om een verplichting voor de groothandelaar
om volgesorteerd te zijn (d.w.z. alle geneesmiddelen op voorraad
hebben), maar om de verplichting de opslag en distributie zo te
organiseren dat hij snel kan voldoen aan de vraag van apothekers en
apotheekhoudende artsen.
Het derde lid bevat het op de groothandel toegespitste equivalent van
artikel 19, derde lid.
Artikel 28
Dit artikel regelt hetgeen in artikel 80, onder d, van richtlijn 2001/83/EG is
bepaald.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 49
Artikel 29
Het eerste lid regelt hetgeen is bepaald in artikel 80, onder e, van richtlijn
2001/83/EG.
Het tweede lid komt overeen met artikel 80, onder f, van richtlijn 2001/
83/EG. De zinsnede «ter beschikking voor inspectie houden» daarin is niet
geregeld in het tweede lid. Op grond van de Awb heeft de inspectie de
bevoegdheid bescheiden in te zien indien dat voor de uitoefening van hun
taak redelijkerwijs noodzakelijk is.
Artikel 30
Het eerste lid van dit artikel bevat de inhoud van artikel 80, onder b, van
richtlijn 2001/83/EG.
Het tweede lid bevat de inhoud van artikel 80, onder c, van richtlijn 2001/
83/EG, zij het dat er door het gebruik van het woord «desbetreffende» een
nuance wordt aangebracht die niet in die richtlijnbepaling is opgenomen.
Door de toevoeging van dit woord kan de groothandelaar aan degenen
die op grond van artikel 51, onder d, (alleen) bevoegd zijn om zelfzorggeneesmiddelen
ter hand te stellen, geen receptplichtige geneesmiddelen
afleveren.
HOOFDSTUK 4 DE HANDELSVERGUNNING VOOR
GENEESMIDDELEN
Artikel 31
Het eerste lid van dit artikel, dat het equivalent is van artikel 6, eerste lid,
van de richtlijn, verbiedt het (voor de eerste maal) in het handelsverkeer
brengen van een geneesmiddel zonder dat daarvoor een vergunning is
verleend door de Europese Gemeenschap of door het College ter beoordeling
van geneesmiddelen. De vergunning van de Gemeenschap geeft
de vergunninghouder (als eerste) het recht het geneesmiddel in alle
lidstaten van de Europese Unie te verhandelen. Daartoe is bij verordening
2309/93 een communautaire procedure vastgesteld, ook wel gecentraliseerde
procedure genoemd. Voor bepaalde via hoogwaardige biotechnologie
tot stand gekomen geneesmiddelen is deze procedure verplicht.
Voor bepaalde innovatieve geneesmiddelen is zij facultatief (zie hiervoor
de bijlage bij genoemde verordening). Een vergunning van het College
geeft uitsluitend het recht een geneesmiddel in Nederland in de handel te
brengen (ook wel nationale procedure genoemd). Deze procedure is
verplicht voor alle overige (niet biotechnologische of innovatieve) geneesmiddelen.
De handelsvergunning geeft dus aan dat het geneesmiddel is getoetst op
veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid en op deze punten in orde is
bevonden, voordat het in de Europese Unie of in Nederland kan worden
geïntroduceerd.
Er zijn twee situaties waarin een handelsvergunning voor Nederland kan
worden verkregen. Dit betreft in de eerste plaats de handelsvergunning
voor een geneesmiddel dat nog niet eerder in Nederland of in een andere
lidstaat in de handel is gebracht. Dit geneesmiddel dient dan de volledige
toetsing te ondergaan op veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit.
Een tweede situatie is die van een geneesmiddel waarvoor in een andere
lidstaat reeds een handelsvergunning is verleend, maar in Nederland
(nog) niet. Het College geeft voor dat geneesmiddel dan een handelsvergunning
af indien hij na bestudering van het beoordelingsrapport van
de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat tot de conclusie komt dat er
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 50
geen redenen zijn om aan te nemen dat dit geneesmiddel een risico vormt
voor de volksgezondheid. Dit is dus een veel beperktere toetsing, die
feitelijk neerkomt op erkenning van de door de andere lidstaat afgeven
vergunning. Deze procedure wordt ook wel wederzijdse erkenning
genoemd. Een erkenning moet juridisch worden geduid als het verlenen
van een vergunning; zij heeft immers hetzelfde rechtsgevolg, te weten: het
desbetreffende geneesmiddel mag in de handel worden gebracht in
Nederland. Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 34, tweede lid.
De handelsvergunning ziet dus op de introductie, het voor het eerst in een
lidstaat in het handelsverkeer brengen van een geneesmiddel. Dit is
verboden zonder voorafgaande toetsing op veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid
door de bevoegde autoriteit (in Nederland is dat het CBG). Deze
toetsing mondt uit in het verlenen of weigeren van een handelsvergunning.
Aan het verlenen van deze vergunning zijn ook verplichtingen
verbonden zoals de geneesmiddelenbewaking en het doorgeven van
wijzigingen. Er is in een lidstaat maar één (rechts)persoon die voor het
desebetreffende geneesmiddel deze handelsvergunning kan krijgen.
Het is eenieder (fabrikanten, groothandelaren en andere (rechts)personen)
verboden geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning geldt, te
verhandelen, dat wil zeggen te verkopen, in te voeren, door te leveren
etc., in feite elke (rechts)handeling die in het economisch verkeer voorkomt.
Dit verbod is opgenomen in het tweede lid.
Het derde lid bevat een aantal belangrijke uitzonderingen op de verboden
van het eerste en tweede lid. Dit zijn in de eerste plaats de zogeheten
eigen bereidingen van de apotheker (onderdeel a). Op de vraag wanneer
sprake is van (niet vergunningplichtige) eigen bereidingen is reeds ingegaan
in onderdeel 5.6 van het algemene deel van deze memorie. In de
tweede plaats zijn dit de geneesmiddelen voor onderzoek. Dat zijn geneesmiddelen
die zijn bestemd en worden gebruikt voor medisch wetenschappelijk
onderzoek met mensen. De voorwaarden waaraan zo’n onderzoek
moet voldoen zijn geregeld in de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek
met mensen. Deze uitzondering is geregeld in onderdeel b van het
derde lid.
Onderdeel c van het derde lid opent de mogelijkheid categorieën van
geneesmiddelen aan te wijzen die zonder handelsvergunning geleverd
kunnen worden op bestelling van een arts en die worden bereid volgens
zijn specificaties en bestemd zijn voor gebruik door zijn patiënten. Thans
bestaat die mogelijkheid al voor radiofarmaceutica en voor bloedproducten.
Onderdeel c, dat de inhoud bevat van artikel 5 van de richtlijn, maakt het
mogelijk ook andere typen geneesmiddelen onder dit regime te brengen.
Onderdeel d van het derde lid maakt op het verbod, bedoeld in het eerste
lid, een uitzondering voor een geneesmiddel:
– waarvoor in een andere lidstaat een handelsvergunning van kracht is,
– dat uit die lidstaat wordt betrokken met het doel het in Nederland te
verhandelen,
– en waarvoor door het CBG een parallelhandelsvergunning is verleend.
In artikel 37, eerste lid, is geregeld aan welke criteria moet zijn voldaan om
parallelhandlelsvergunning te verlenen.
Onderdeel e is een verlengstuk van artikel 9, zesde lid. Als de het Staatstoezicht
(de inspecteur) toestemming verleent voor de invoer van een
geneesmiddel dan betekent dat nog niet dat het middel in de handel mag
worden gebracht. Daarom is ook een ontheffing nodig om het verbod om
zonder handelsvergunning in de handel te brengen, buiten werking te
stellen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 51
Hetzelfde geldt voor een geneesmiddel dat in Nederland niet in de handel
is en uit een ander lidstaat wordt betrokken. Als in bijzondere gevallen een
ontheffing van het verbod op het in de handel brengen van een geneesmiddel
wenselijk is dat hier te lande niet in de handel is en speciaal moet
worden bereid voor bepaalde patiënten, kan zo’n ontheffing ook wenselijk
zijn voor geneesmiddelen die hier niet in de handel zijn en voor bijzondere
gevallen worden betrokken uit een andere lidstaat om hier te lande te
worden afgeleverd. Dat laatste betekent dat die geneesmiddelen in de
handel worden gebracht.
In het vierde lid is apart bepaald dat eveneens een handelsvergunning is
vereist voor generatoren en kits van radionucliden en radiofarmaceutica.
Deze bepaling is het equivalent van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2001/
83/EG.
Het vijfde en zesde lid bepalen dat afzonderlijke handelsvergunningen
moeten worden aangevraagd voor de verschillende vormen of samenstellingen
van een geneesmiddel, respectievelijk voor de verschillende
concentraties van een geneesmiddel, indien dit bij gebruik moet worden
samengevoegd met een vloeistof.
In verordening 2309/93 worden een aantal verplichtingen opgelegd aan de
houder van de door de Gemeenschap verleende handelsvergunning. Het
zevende lid van het onderhavige artikel verbiedt het niet naleven van deze
verplichtingen. Op grond van artikel 80 kan een bestuurlijke boete worden
opgelegd.
Artikel 32
In dit artikel is bepaald dat een handelsvergunning wordt verleend op
aanvraag (eerste lid) en zijn procedurele voorschriften opgenomen met
betrekking tot de aanvraag om een handelsvergunning voor een geneesmiddel.
De gedetailleerde, bij een aanvraag over te leggen gegevens en
bescheiden, alsook de eisen die daaraan worden gesteld, worden opgenomen
in een op dit artikel berustende ministeriële regeling (tweede lid).
Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt naar categorieën van
geneesmiddelen.
De gegevens en bescheiden worden in de regel overgelegd in vier delen,
naast de samenvatting (deel 1) de delen die elk een bepaald onderzoek
betreffen: het chemisch/farmaceutisch onderzoek (deel 2), het
toxicologisch/farmacologisch onderzoek (deel 3) en het klinische onderzoek
(deel 4).
Hoofdstuk 2 van titel III van richtlijn 2001/83/EG gaat er vanuit dat (ook)
voor het in de handel brengen van homeopathische geneesmiddelen een
handelsvergunning is vereist. Artikel 14 van richtlijn 2001/83/EG maakt het
evenwel mogelijk voor in dat artikel bedoelde homeopathische geneesmiddelen
een vereenvoudigde procedure voor het verkrijgen van een
handelsvergunning in het leven te roepen. Deze vereenvoudiging houdt in
dat gegevensvan klinische, farmaceutische en therapeutische aard niet
hoeven te worden overgelegd. Deze gegevens zijn niet nodig omdat het
om homeopathische geneesmiddelen gaat die geen therapeutische indicatie
hebben. Welke gegevens wel moeten worden overgelegd zal (ook)
worden geregeld in de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid.
Het vierde lid wijst drie gevallen aan waarin de aanvrager van een
handelsvergunning niet gehouden is de resultaten van de toxicologische,
farmacologische en klinische proeven te verschaffen. Deze materie is
geregeld in artikel 10 van richtlijn 2001/83/EG. Dit is kort gezegd a)
wanneer het geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een geneesmiddel
dat in de desbetreffende lidstaat reeds in de handel is en met
toestemming van de vergunninghouder de documentatie uit dat dossier
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 52
wordt benut, b) wanneer door middel van een wetenschappelijke bibliografie
kan worden aangetoond dat het middel reeds lang in de medische
praktijk in gebruik is en de werkzaamheid en veiligheid erkend zijn, en c)
wanneer een geneesmiddel in wezen gelijkwaardig is aan een geneesmiddel
dat ten minste tien jaar in de Gemeenschap is toegelaten en in de
desbetreffende lidstaat in de handel wordt gebracht. Over de vraag
wanneer een geneesmiddel «in wezen gelijkwaardig» is aan een ander
geneesmiddel heeft het Hof van Justitie enkele jaren geleden het zogeheten
«Generics arrest» gewezen (Zaak C-368/96, HvJ 3-12-1998). Dit is het
geval wanneer het geneesmiddel voldoet aan de criteria van dezelfde
kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling van werkzame bestanddelen,
dezelfde farmaceutische vorm en biologische equivalentie en naar wetenschappelijke
inzichten niet aanzienlijk blijkt te verschillen wat betreft de
veiligheid of werkzaamheid. In de conclusie van de AG inzake AstraZeneca
(C-223/01, 23 januari 2003) is bovendien uitgemaakt dat onder het vereiste
dat het referentiegeneesmiddel «in Nederland in de handel wordt/is
gebracht» moet worden verstaan dat degene die een handelsvergunning
voor een generiek geneesmiddel aanvraagt, moet aantonen dat er op het
moment van de aanvraag een handelsvergunning voor het referentiemiddel
in de lidstaat geldt.
Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat met de zinsnede «onverminderd
het recht met betrekking tot de bescherming van de industriële en
commerciële eigendom» in artikel 10, eerste lid, van de richtlijn wordt
bedoeld het octrooirecht op een bepaald stofje dat zit in het geneesmiddel
waarop de (originele) handelsvergunning betrekking heeft. Dat is dus niet
hetzelfde als de periode van dossierbescherming waarop artikel 10, eerste
lid, onder a, sub iii, van de richtlijn betrekking heeft en dat in artikel 32,
vierde lid, onder c, van het wetsvoorstel tot uitdrukking is gebracht.
Uit het bovenstaande kan worden afgeleid dat er in de ministeriële regeling,
bedoeld in het tweede lid, tweede volzin, in elk geval voor drie categorieën
van geneesmiddelen (homeopathische geneesmiddelen, bedoeld
in het derde lid, generieke geneesmiddelen en (referentie)geneesmiddelen)
onderscheid zal worden gemaakt ter zake van de over te leggen
gegevens.
Artikel 33
Artikel 33, eerste lid, bepaalt dat het College binnen een week de
ontvangst van een aanvraag of van een aanvulling van die aanvraag
bevestigt. Ingevolge artikel 4:5 van de AWB kan het College besluiten een
aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan
enig wettelijk voorschrift, of indien de verstrekte gegevens en bescheiden
onvoldoende zijn om een besluit te kunnen nemen, mits de aanvrager de
gelegenheid heeft gekregen zijn aanvraag aan te vullen.
Het College moet binnen 210 dagen na ontvangst van een aanvraag een
besluit nemen, tenzij het een aanvraag betreft om erkenning van een in
een andere lidstaat afgegeven handelsvergunning. In het laatste geval
moet het College een besluit nemen binnen 90 dagen na ontvangst van
het beoordelingsrapport dat in de andere lidstaat is opgesteld. Voor de
goede orde zij hier opgemerkt dat de termijn van 210 dagen op grond van
artikel 4:15 Awb worden opgeschort voor de duur dat een aanvrager in
gebreke blijft met een aanvulling als bedoeld in artikel 4:5 Awb. Dit betreft
de zogeheten ongenoegzame aanvraag, die het bestuursorgaan kan doen
besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen. De tweede zin van
het tweede lid maakt het mogelijk dat het College ook nadien, dus nadat
de aanvraag in behandeling is genomen, om aanvullende gegevens kan
verzoeken, welk verzoek de behandelingstermijn doet opschorten totdat
de verlangde gegevens zijn verstrekt. Dit vloeit voort uit artikel 19, derde
lid, van de richtlijn.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 53
Indien blijkt dat een aanvraag reeds bij een andere lidstaat in behandeling
is kan het College besluiten het beoordelingsrapport van die lidstaat af te
wachten (derde lid van het onderhavige artikel).
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de door de aanvrager
en het College te volgen procedure bij aanvragen om een Nederlandse
handelsvergunning voor een geneesmiddel waarvoor een andere lidstaat
reeds een handelsvergunning heeft afgegeven. Hiervoor geldt de in artikel
28 van de richtlijn neergelegde procedure.
Op deze plaats zij reeds opgemerkt dat in deze regeling ook specifieke
procedurevoorschriften worden opgenomen voor het uitzonderlijke geval
het College voornemens is een dergelijke handelsvergunning te weigeren
(zie artikel 34, vierde lid). Deze voorschriften dienen een goede intracommunautaire
afstemming en besluitvorming te waarborgen. Aldus
worden alle meer gedetailleerde procedurevoorschriften in één regeling
vervat.
Artikel 34
Dit artikel geeft de materiële beoordelingscriteria die het College hanteert
bij de beoordeling van de aanvraag om een geneesmiddel in de handel te
mogen brengen. Het eerste lid betreft de «gewone» aanvraag van een
handelsvergunning, het tweede lid de erkenningsaanvraag.
In het eerste lid worden vijf criteria genoemd waaraan het geneesmiddel
moet voldoen. Voorheen waren deze criteria, die inhoudelijk niet gewijzigd
zijn, opgenomen in artikel 3 van de WOG en artikel 9 van het BRG.
De criteria leiden tezamen tot een zware inhoudelijke toetsing van (de
totstandkoming van) het geneesmiddel op kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid.
De bewijslast daarvoor berust geheel bij de aanvrager die
daartoe de wettelijk vereiste gegevens en bescheiden overlegt. Overigens
wordt bij het eerste lid, onderdelen c en d, nog opgemerkt dat de
begrippen «schadelijk» en «therapeutische werking» in onderling verband
moeten worden bezien en een relatieve betekenis hebben, namelijk aan
de hand van de stand van de wetenschap en met inachtneming van de
bestemming van het geneesmiddel.
Bij de weging van het belang van de therapeutische werking ten opzichte
van de mogelijke schadelijkheid moet het therapeutische belang de doorslag
moet geven. Dit is ook weergegeven in de overwegingen bij de richtlijn
inzake analytische, toxicologische en klinische proeven.
Bij de aanvraag om een Nederlandse vergunning voor een geneesmiddel
dat in een andere lidstaat reeds in de handel is gebracht (tweede lid) ligt
dit aanzienlijk anders. Dat geneesmiddel heeft in de desbetreffende
lidstaat reeds een uitgebreide toets doorlopen en doorstaan. Die toets
moet in beginsel gelijkwaardig worden geacht aan die welke Nederland of
een willekeurige andere lidstaat zou uitvoeren. Artikel 28 van de richtlijn
gaat er daarom vanuit dat als hoofdregel zo’n aanvraag wordt gehonoreerd.
Uitsluitend wanneer het College van oordeel zou zijn dat het desbetreffende
geneesmiddel een risico kan opleveren voor de volksgezondheid,
kan dit anders liggen. In dat geval dient een door artikel 29 van de
richtlijn beschreven procedure te worden gevolgd, die zal worden vastgelegd
in een ministeriële regeling op grond van het vierde lid.
Artikel 35
Dit artikel bevat een aantal (procedurele) voorschriften, gericht tot het
College. Bij het afgeven van de handelsvergunning deelt hij de aanvrager
mede dat de samenvatting van de kenmerken van het product door hem
is goedgekeurd.
Het College stelt tevens een beoordelingsrapport op over de resultaten
van de analytische, farmacologisch-toxicologische en klinische proeven
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 54
betreffende het betrokken geneesmiddel (tweede lid). Dit beoordelingsrapport
wordt, desgevraagd, in elk geval toegezonden aan de bevoegde
autoriteiten van andere lidstaten, wanneer aldaar een aanvraag voor
wederzijdse erkenning voor het desbetreffende geneesmiddel wordt ingediend.
Het College werkt dit rapport bij zodra nieuwe gegevens beschikbaar
komen die voor de beoordeling van de kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid
van het geneesmiddel van belang zijn. Aldus bevat dit rapport
altijd de laatste stand van zaken met betrekking tot dit geneesmiddel.
Er hoeft door het College uiteraard geen beoordelingsrapport te worden
opgesteld indien er met betrekking tot het geneesmiddel waarvoor in
Nederland een (erkenning van een) handelsvergunning wordt aangevraagd,
reeds een beoordelingsrapport is opgesteld in een andere lidstaat.
Dat beoordelingsrapport dient door de andere lidstaat in het bezit van het
College te worden gesteld.
Artikel 36
Behoudens tussentijdse schorsing of intrekking, is een handelsvergunning
vijf jaar geldig. Op verzoek van de vergunninghouder wordt zij telkens met
een periode van vijf jaar verlengd.
Vanzelfsprekend dienen zowel het geneesmiddel als de vergunninghouder
doorlopend te blijven voldoen aan alle voorschriften bij of krachtens deze
wet gegeven. Het is dus niet zo dat dit slechts eens in de vijf jaar wordt
beoordeeld. Er is immers een permanent systeem van geneesmiddelenbewaking,
alsook de plicht voor vergunninghouders om (voorgenomen)
wijzigingen tijdig te melden of aan te vragen. Op deze wijze wordt een
geneesmiddelendossier permanent bewaakt en actueel gehouden.
Artikel 37
Dit artikel heeft betrekking op de zogeheten parallelhandel.
Parallelhandel houdt in dat een rechtspersoon, meestal een groothandelaar,
een geneesmiddel X uit een lidstaat betrekt met de bedoeling dit in
een andere lidstaat in de handel te brengen en dat gelijk of nagenoeg
gelijk is aan een referentiegeneesmiddel Y dat reeds in de lidstaat van
invoer in de handel is gebracht.
Parallelhandel is niet toegestaan zonder vergunning van het College. Het
College geeft een zogeheten parallelhandelsvergunning af, indien geneesmiddel
X in een andere lidstaat is toegelaten en het ten aanzien van
geneesmiddel Y kwalitatief en kwantitatief dezelfde werkzame bestanddelen
bevat, dezelfde farmaceutische vorm vertoont, bioequivalent is en
in het licht van de wetenschap blijkbaar geen wezenlijk verschil qua werkzaamheid
en veiligheid vertoont, en beide geneesmiddelen zijn vervaardigd
door dezelfde fabrikant of door fabrikanten die vennootschappelijk of
contractueel met elkaar verbonden zijn.
Ook bij parallelhandel dienen gegevens te worden verstrekt, teneinde te
kunnen controleren of beide geneesmiddelen inderdaad nagenoeg identiek
zijn. Er zijn echter veel minder gegevens vereist dan bij reguliere
aanvragen om een handelsvergunning omdat bij parallelhandel de uitgebreide
toets op kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid niet behoeft plaats
te vinden. Daarom is gekozen voor de term «parallelhandelsvergunning»
in plaats van «handelsvergunning». Hierdoor wordt mede bereikt dat de
verplichtingen die rusten op de reguliere houder(s) van een handelsvergunning
(geneesmiddelenbewaking, doorgeven wijzigingen) niet van
toepassing zijn op de houder van een parallelhandelsvergunning.
De beslistermijn voor vergunning is vanzelfsprekend aanzienlijk korter dan
die bij «gewone» handelsvergunningen, nl. 45 dagen. Deze termijn is
ontleend aan een mededeling van de Europese Commissie inzake parallelhandel.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 55
Overigens volgt het parallel betrokken geneesmiddel hetzelfde regime als
dat van het geneesmiddel waarvoor eerder een handelsvergunning is
verleend. Het parallel betrokken middel geldt voor dezelfde indicaties,
contra-indicaties, bijwerkingen, dosering, wijze van gebruik en van toediening
als die welke zijn beschreven in het dossier van de «originele»
handelsvergunning (tweede lid). Dit geldt in beginsel in gelijke zin voor
schorsing en intrekking van de handelsvergunning door het College
(derde en vierde lid). Voorkomen moet worden dat de houder van de
oorspronkelijke handelsvergunning door manipulatie met vergunningen
binnen de Europese Unie de handel in een geneesmiddel kan monopoliseren.
Zolang het parallel verhandelde geneesmiddel in ten minste één
andere lidstaat rechtmatig in de handel blijft, is er voor dat middel een
verantwoordelijke rechtspersoon die de geneesmiddelenbewaking en het
doorgeven van wijzigingen verzorgt. Vanuit dat oogpunt is er geen reden
de parallelhandel in een andere lidstaat te verbieden. Het – op verzoek van
de vergunninghouder – intrekken van de «oorspronkelijke» handelsvergunning
in die lidstaat kan dus niet zonder meer bewerkstelligen dat
parallelhandel in die lidstaat onmogelijk wordt. Gelet op het in het algemene
deel van deze memoriebehandelde uitspraken in de zaken Rhône
Poulenc en de daarop volgende arresten in de zaak Ferring en Paranova,
is dit in strijd met artikel 28 van het EG-Verdrag, tenzij de invoerbeperking
gerechtvaardigd is overeenkomstig artikel 30 van het EG-Verdrag uit
hoofde van de bescherming van de gezondheid van personen.
Deze situatie doet zich voor indien door de daartoe bevoegde instantie
kan worden aangetoond dat er door het naast elkaar bestaan van twee
versies van een bepaald geneesmiddel op de markt van de lidstaat van
invoer een gevaar ontstaat voor de gezondheid van personen, bijvoorbeeld
vanwege mogelijke verwarring van de twee versies.
Opgemerkt wordt nog dat die oorspronkelijke vergunning moet zijn afgegeven
voordat het parallel handelen ging plaatsvinden (ook al is die
vergunning later weer ingetrokken). Ware dit niet het geval, dan zou het
systeem van wederzijdse erkenning van vergunningen overbodig zijn.
De uitkomst van de hier boven beschreven jurisprudentie is vervat in het
zesde lid van het onderhavige artikel.
De meldingsplicht van de parallelhandelaar, bedoeld in het vijfde lid, is
opgenomen met het oog de hier boven bedoelde verantwoordelijkheid
van de houder van de handelsverguning op het gebied van geneesmiddelenbewaking.
Indien er iets mis blijkt te zijn met het referentiegeneesmiddel,
is het van belang te weten welke parallelhandelaren
moeten worden gewaarschuwd.
Het laatste lid vloeit rechtstreeks voort uit onderdeel 2, behelzende een
bepaling inzake vennootschapsrecht, van bijlage IV bij de Toetredingsakte
behorend tot het Toetredingsverdrag van 16 april 2003 (ACT/Bijlage IV/nl
2498). Bijlage IV is te vinden op Internet. (europa.eu.int/comm/
enlargement/negotiations/treaty_of_accession_2003/nl/pdf/
3_act_of_accession/aa0031_re03_nl0 3.
Pdf)
Artikel 38
Dit artikel heeft betrekking op de Europese arbitrageprocedures. Die kan
worden gevolgd in de gevallen waarin een geneesmiddel in meer dan één
lidstaat in de handel is of wordt gebracht (de gedecentraliseerde procedure).
Bij verschillen van inzicht tussen de beoordelingsautoriteiten van
de lidstaten is het noodzakelijk dat een instelling op communautair niveau
een bindend besluit neemt. Een gecoördineerde besluitvorming is bijvoorbeeld
ook geboden wanneer één beoordelingsautoriteit van oordeel is dat
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 56
de handelsvergunning voor een geneesmiddel dat in verschillende
lidstaten in de handel is, moet worden geschorst of ingetrokken (eerste
lid).
De artikelen 29, 30 en 31 van richtlijn 2001/83/EG voorzien in arbitrageprocedures
voor dergelijke gevallen (tweede lid). Bij onderling afwijkende
besluiten van de lidstaten, of in specifieke gevallen, wanneer de belangen
van de Europese Gemeenschap in het geding zijn – daarbij moet worden
gedacht aan belangen de volksgezondheid in de Gemeenschap betreffende
– kan ook de vergunninghouder een arbitrageprocedure aanhangig
maken. De beschikking van de Commissie wordt binnen dertig dagen
uitgevoerd.
Artikel 39
De verplichting, bedoeld in eerste lid, bevat de inhoud van artikel 23 van
de richtlijn. Het tweede lid bevat de strekking van artikel 21, tweede lid,
van de richtlijn.
Het derde lid is de opvolger van artikel 16, tweede lid, onder a, van het
Besluit registratie geneesmiddelen (BRG). De reden van de in dit lid opgenomen
verplichting van de houder van de handelsvergunning om het
College te informeren is dat deze informatie voor het College aanleiding
kan zijn te onderzoeken of het geneesmiddel nog voldoet aan de criteria
van onschadelijkheid en werkzaamheid.
Artikel 40
Verordening (EG) nr. 1084/2003 van de Commissie van 3 juni 2003
vervangt Verordening nr. 541/95 van de Commissie van 10 maart 1995. In
verordening 1084/2003 is een (administratieve) procedure vastgesteld
voor het onderzoek van kennisgevingen van en aanvragen om wijzigingen
in de voorwaarden van een handelsvergunning door de bevoegde
instantie die de handelsvergunning heeft verleend. De wijziging waarop
het eerste lid van het onderhavige artikel ziet is een ingrijpende wijziging
in de zin van de verordening (type II). De kennisgeving in het derde lid,
eerste volzin, van het onderhavige artikel ziet op wijzigingen van geringe
omvang (type I). Het gaat hier meestal om een wijziging in de hulpstoffen
van het geneesmiddel die therapeutisch niet relevant is, althans geen
afbreuk doet aan de veiligheid, werkzaamheid of kwaliteit van het middel.
Artikelen 41 en 42
De artikelen 41 en 42, eerste lid, bevatten de gronden voor schorsing
respectievelijk intrekking van de handelsvergunning. Kort gezegd kan
daartoe worden overgegaan indien niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden
voor het verlenen van een handelsvergunning of indien de
vergunninghouder een aantal verplichtingen niet nakomt. Opmerking
verdient ook dat de etikettering en bijsluiter op straffe van schorsing
moeten blijven voldoen aan de wettelijke eisen. Van schorsing zal sprake
zijn indien het ernstige vermoeden bestaat dat een van genoemde
omstandigheden zich voordoet. Het College gaat tot intrekking over indien
vaststaat dat zo’n omstandigheid zich voordoet. De handelsvergunning
wordt eveneens ingetrokken op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder.
Het tweede lid van artikel 42 verleent de minister van VWS de bevoegdheid
om nadere regels te stellen omtrrent het verlenen, wijzigen, schorsen
en intrekken van een handelsvergunning. Hierbij kan worden gedacht aan
nadere procedurevoorschriften met betrekking tot de genoemde onderwerpen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 57
Artikel 43
De WOG kende niet een expliciet (juridisch) onderscheid tussen
vergunningverlening en inschrijving in het register van handelsvergunningen.
Inschrijving en vergunningverlening vielen in feite samen.
In de nieuwe opzet is dit niet meer het geval. Voor het mogen verhandelen
van een geneesmiddel is de vergunningverlening bepalend, niet de
inschrijving. De inschrijving in het register krijgt daarmee het karakter van
een openbare bekendmaking. Deze is van belang omdat het voor eenieder
kenbaar moet zijn of een geneesmiddel is toegelaten tot de markt.
Artikel 44
De aanvrager respectievelijk de houder van een handelsvergunning is een
vergoeding verschuldigd voor het behandelen van de aanvraag respectievelijk
van een verzoek tot wijziging van een handelsvergunning, alsook
voor het instandhouden van de registratie van «zijn» handelsvergunning
in het openbare register, bedoeld in artikel 43. De hoogten van deze
vergoedingen worden bij ministeriële regeling vastgesteld.
De aanvrager van een parallelhandelsvergunning is een vergoeding
verschuldigd voor de behandeling van zijn aanvraag om zodanige vergunning.
In de hoogte van de vergoeding voor de behandeling van een aanvraag
om een handelsvergunning of parallelhandelsvergunning dan wel een
wijziging daarvan zullen de daarmee gemoeide (gemiddelde) kosten van
personeel, huisvesting, automatisering, overhead e.d. van het ondersteunende
apparaat van het College zijn verdisconteerd.
Artikel 45
Het eerste lid van dit artikel komt overeen met artikel 39 van richtlijn 2001/
83/EG waarin een aantal bepalingen van de richtlijn niet van toepassing
worden verklaard op homeopathische geneesmiddelen. Het gaat om
bepalingen die betrekking hebben op de wederzijdse erkenning van
handelsvergunningen en de arbitrageprocedure. Voorts wordt de bepaling
dat bij de aanvraag om een handelsvergunning moet worden aangetoond
dat het geneesmiddel de gestelde therapeutische werking heeft, buiten
toepassing verklaard met betrekking tot de in artikel 32, derde lid,
bedoelde homeopathische geneesmiddelen. Die geneesmiddelen hebben
per definitie geen therapeutische indicatie.
HOOFDSTUK 5 DE INDELING VAN GENEESMIDDELEN
Artikelen 46 tot en met 49
Hoofdstuk 5 betreft de indeling van geneesmiddelen in wel of niet receptplichtig.
Dit wordt ook wel het bepalen van de afleverstatus genoemd.
Receptplichtige geneesmiddelen, ook wel UR-geneesmiddelen (Uitsluitend
Recept) genoemd, zijn niet verkrijgbaar zonder tussenkomst van een
arts, een tandarts of een verloskundige die daartoe ten behoeve van een
met name genoemde persoon een recept heeft uitgeschreven. Receptplichtige
geneesmiddelen zijn uitsluitend verkrijgbaar in een apotheek (zie
hiervoor hoofdstuk 6).
In hoofdstuk 5 is titel VI van richtlijn 2001/83/EG opgenomen, betreffende
de indeling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik.
Het vaststellen van de afleverstatus is een taak van het College. Het
indelingsbesluit hangt immers nauw samen met kennis over de intrinsieke
eigenschappen van een geneesmiddel. Bij de afgifte van de handels-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 58
vergunning neemt het College derhalve ook hierover een besluit. Het
indelingsbesluit geldt als een besluit van algemene strekking en is
derhalve niet vatbaar voor bezwaar en beroep. Het College is tevens
bevoegd om, bij de afgifte van een handelsvergunning voor geneesmiddelen
die zonder speciale kennis of begeleiding gevaar voor de gebruiker
zouden kunnen opleveren, te bepalen dat het desbetreffende geneesmiddel
uitsluitend kan worden gebruikt in een ziekenhuis of dat het
geneesmiddel uitsluitend mag worden voorgeschreven door medische
specialisten. Daarbij kan worden gedacht aan bepaalde innovatieve
geneesmiddelen, of aan de farmacologische eigenschappen van een
geneesmiddel waarvoor het noodzakelijk is dat een adequate diagnose
wordt gesteld die alleen mogelijk is in het ziekenhuis. Dit kunnen overigens
ook categoriale of academische ziekenhuizen zijn. Ook kan zich de
situatie voordoen dat een geneesmiddel zeer ernstige bijwerkingen heeft
en alleen verantwoord kan worden voorgeschreven indien intensieve
specialistische medische begeleiding plaatsvindt.
De criteria aan de hand waarvan een indelingsbesluit wordt genomen zijn
vastgelegd in artikel 47. Deze criteria zijn ontleend aan de artikel 71 van
richtlijn 2001/83/EG. Bij de in onderdeel b vermelde criteria kan bijvoorbeeld
worden gedacht aan geneesmiddelen die een versterkend effect
hebben op het menselijk lichaam en die in sportscholen e.d. worden
gebruikt.
Het College besluit opnieuw of een geneesmiddel uitsluitend op recept ter
hand mag worden gesteld bij de aanvraag van verlenging van een
handelsvergunning (na vijf jaar) of wanneer hem nieuwe gegevens
omtrent het geneesmiddel ter kennis worden gebracht (artikel 48). De
minister van VWS kan het College verzoeken om per geneesmiddelengroep
de indelingsstatus opnieuw te bezien (tweede lid). Dit houdt
verband met de werking van de (vergoedings)systematiek.
Ten minste één maal per jaar publiceert het College een geactualiseerde
lijst van UR-geneesmiddelen (artikel 49) zodat elke belanghebbende
daarvan op eenvoudige wijze kan kennisnemen. Het ligt in de lijn der
verwachting dat de publicatie in elk geval op het Internet zal plaatsvinden.
HOOFDSTUK 6 TERHANDSTELLING VAN GENEESMIDDELEN
Artikel 50
In het eerste lid is bepaald dat het een ieder verboden is receptplichtige
geneesmiddelen ter hand te stellen, met dien verstande dat het verbod
niet van toepassing is op de apothekers die werkzaam zijn in een apotheek
en huisartsen die in het bezit zijn van een vergunning tot zodanige
terhandstelling.
De apothekers die in een apotheek werken, mogen echter pas receptplichtige
geneesmiddelen ter hand stellen indien degenen onder hen die belast
zijn met de leiding van de apotheek, zijn ingeschreven in het register van
gevestigde apothekers dat door de IGZ wordt beheerd.
Gaat het om geneesmiddelen die niet-receptplichtig zijn, de zogenaamde
zelfzorggeneesmiddelen, dan zijn ingevolge artikel 51 de apothekers in
een apotheek, de apotheekhoudende huisartsen en degenen die bedrijfsmatig
verkoopactiviteiten verrichten, bevoegd tot terhandstelling. Indien
een apotheker als gevestigde apotheker is geregistreerd door de IGZ en
tevens als ondernemer staat ingeschreven in het handelsregister, is er in
deze bepaling een overlap. Hetzelfde geldt voor de apotheekhoudende
huisarts die als ondernemer in het handelsregister staat ingeschreven.
Deze overlap heeft echter geen juridische gevolgen.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 59
Receptplichtige geneesmiddelen kunnen uitsluitend door of in opdracht
van een praktiserende apotheker of een apotheekhoudende arts worden
verstrekt aan degene die daartoe een recept inlevert. De feitelijke terhandstelling
hoeft niet altijd door de apotheker of door de apotheekhoudende
arts persoonlijk te geschieden. Hij kan daarvoor anderen inschakelen,
zoals apothekersassistenten onderscheidenlijk doktersassistenten dan wel
andere beroepsbeoefenaren die daarvoor gekwalificeerd zijn.
Aan de inschrijving in het register van gevestigde apothekers zijn op zich
geen nadere eisen verbonden. Uiteraard kan alleen een apotheker die
geregistreerd is in het zogenaamde BIG-register van apothekers voor
registratie als gevestigde apotheker in aanmerking komen.
Zoals uit de definitie van ter hand stellen in artikel 1, eerste lid, onder r, en
derde lid, al blijkt, gaat het daarbij niet alleen om het rechtstreeks
verstrekken van een geneesmiddel aan patiënten, maar ook om verstrekkingen
aan daar genoemde categorieën van beroepsbeoefenaren voor de
«dokterstas». Voor nadere uitleg van het begrip «dokterstas» wordt hier
verwezen naar de toelichting op artikel 1, eerste lid, onder r.
Het zesde lid van het onderhavige artikel bepaalt dat de beroepsbeoefenaar
die geneesmiddelen ten behoeve van de dokterstas door de
apotheker ter hand gesteld wil krijgen, daarom schriftelijk moet
verzoeken. In de praktijk zal het daarbij met name om receptgeneesmiddelen
gaan. Zelfzorggeneesmiddelen kan men immers op tal
van andere plaatsen aanschaffen.
Alleen in spoedgevallen mag een apotheker zonder recept een receptgeneesmiddel
aan een patiënt of een beroepsbeoefenaar als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder r, of derde lid, ter hand stellen. Het zevende lid
van het onderhavige artikel voorziet daarin. Een bepaling als deze met
betrekking tot de apotheekhoudende huisarts ontbreekt uiteraard. Hij kan
immers zelf het vereiste recept uitschrijven.
Een (niet spoedeisend) verzoek om geneesmiddelen voor de dokterstas
moet zodanig zijn opgesteld dat daaruit blijkt of de aanvrager behoort tot
de beroepscategorieën zoals die worden zijn genoemd in artikel 1, eerste
lid, onder r, en derde lid (artsen, tandartsen, dierenartsen, verloskundigen
en optometristen).
Het achtste lid bepaalt dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport bevoegd is aan een huisarts een vergunning te verlenen om
geneesmiddelen ter hand te stellen aan de patiënten van zijn praktijk
indien dit in het belang van de geneesmiddelenvoorziening is. Het motief
voor deze bepaling is dat ook in die gebieden in Nederland die dunbevolkt
zijn en waar het om economische redenen niet aantrekkelijk is om een
apotheek te vestigen, de geneesmiddelenvoorziening gewaarborgd is.
Het negende lid bepaalt dat indien een huisarts een praktijk deelt met een
andere huisarts die reeds een vergunning als apotheekhoudende heeft,
ook de eerstgenoemde huisarts een vergunning kan verkrijgen om
geneesmiddelen ter hand te stellen aan de patiënten die hij behandelt.
Deze vergunningen worden ook wel aangeduid als associée-vergunningen.
Het tiende lid, aanhef en onder a, houdt in dat een in het achtste lid
bedoelde vergunning vervalt indien de apotheekhoudende huisarts zijn
praktijk beëindigt dan wel zijn inschrijving in het BIG-register van artsen
wordt doorgehaald of geschorst. Doorhaling of schorsing van de inschrijving
betekent dat de betrokkene de titel van arts niet meer mag voeren en
dat heeft uiteraard consequenties voor de beroepsuitoefening.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 60
Het elfde lid houdt in dat als de gronden die hebben geleid tot het
verlenen van de vergunning om een apotheek te houden, hebben opgehouden
te bestaan, de vergunning wordt ingetrokken. Dat betekent
bijvoorbeeld dat indien de vergunning is verleend wegens het ontbreken
van een apotheek in het gebied dat door de huisartsenpraktijk wordt
bestreken, de vergunning wordt ingetrokken indien zich een apotheker in
het gebied vestigt.
Het twaalfde lid houdt in dat de associéevergunning vervalt indien de
huisarts aan wie de oorspronkelijke vergunning tot het houden van een
apotheek is verleend, niet meer over de (oorspronkelijke) vergunning
beschikt.
Artikel 51
Ook geneesmiddelen die zonder recept kunnen worden verkregen, de
zogenaamde zelfzorggeneesmiddelen, worden door het CBG onderzocht
op veiligheid, kwaliteit en werkzaamheid en op het veilig gebruik door
particulieren zonder medische of farmacologische begeleiding.
De genoemde zelfzorggeneesmiddelen kunnen, in tegenstelling tot de
situatie zoals die geregeld was in de WOG, op grond waarvan de aflevering
(lees: terhandstelling) diende plaats te vinden door tussenkomst van
een apotheker of drogist, door een ieder worden verkocht die bedrijfsmatig
verkoopactiviteiten verricht. Dit bedrijfsmatig karakter zal moeten
blijken uit een inschrijving in het handelsregister bij een Kamer van Koophandel
(onderdeel d van het onderhavige artikel).
Artikel 52
Het verbod op het ter hand stellen van receptgeneesmiddelen in het
eerste lid van artikel 50, kent een uitzondering voor apothekers die staan
ingeschreven in het register van gevestigde apothekers dat is ingesteld
door het Staatstoezicht op de volksgezondheid (lees: de IGZ). Aangezien
het niet de bedoeling is dat de bepalingen ter zake van die registratie door
de Inspectie voor de volksgezondheid van toepassing (kunnen) zijn op
apothekers en artsen die in die hoedanigheid in dienst zijn van het Ministerie
van Defensie, en het evenmin de bedoeling is dat zodanige artsen en
apothekers geen geneesmiddelen ter hand zouden mogen stellen, wordt
het gehele artikel 50 voor hen buiten toepassing verklaard. Hetzelfde geldt
voor het verbod op ter hand stellen van zelfzorggeneesmiddelen, vervat in
artikel 51.
Het toezicht op de geneesmiddelenvoorziening binnen de krijgsmacht
vindt plaats door een medisch militair inspectieonderdeel onder verantwoordelijkheid
van de Minister van Defensie. Het ligt dan niet in de rede
de apotheker die in dienst is van het Ministerie van Defensie, ook te
plaatsen onder het toezicht van de IGZ.
De operationele inzet van de krijgsmacht en de voorbereiding daarop,
vergen dat, naast apothekers die in die hoedanigheid in dienst zijn van het
Ministerie van Defensie, ook artsen die in die hoedanigheid in dienst zijn
van dat ministerie, kunnen beschikken over geneesmiddelen ten behoeve
van hun taakuitoefening.
Artikel 53
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op artsen en
apothekers die in die hoedanigheid in dienst zijn van het Ministerie van
Defensie vanwege hun bijzondere positie. Die positie wordt bepaald door
overwegingen van militair operationele aard. Daarbij past niet het ter
hand stellen van geneesmiddelen aan personen buiten de krijgsmacht,
tenzij sprake is van het uitvoeren van bijzondere aan de krijgsmacht opge-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 61
dragen taken, zoals het verlenen van bijstand bij rampen of humanitaire
hulpverlening. Het onderhavige artikel voorziet in een verbod op terhandstelling
aan personen buiten de krijgsmacht, behoudens de hiervoor
genoemde nauw omschreven uitzondering. Voor de naleving van dit
verbod staat de Minister van Defensie het bestuurlijk sanctiearsenaal van
deze wet ter beschikking. Dit artikel beoogt op geen enkele wijze het
militair-rechtelijke straf- of tuchtrechtsysteem te mitigeren.
Artikel 54
De geneesmiddelenvoorziening binnen de krijgsmacht vindt zowel plaats
onder normale vredesomstandigheden als tijdens operationele inzet en de
voorbereiding daarop. De omstandigheden tijdens operationele inzet en
de voorbereiding daarop kunnen van dien aard zijn dat bepaalde artikelen
van de wet niet altijd onverkort kunnen worden toegepast. Zo zal het niet
altijd mogelijk zijn dat een arts of een apotheker geneesmiddelen ter hand
stelt van een patiënt. Het kan eveneens noodzakelijk zijn dat militair personeel
voor en tijdens operationele inzet kan beschikken over levensreddende
geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is verleend,
zoals een auto-injector.
Ook kan militair personeel gevaccineerd worden met geneesmiddelen
waarvoor geen handelsvergunning van kracht is. Een ander punt is dat de
krijgsmacht in sommige gevallen geneesmiddelen nodig heeft in een
andere verpakking dan civiel gebruikelijk is.
Gelet op een en ander biedt het onderhavige artikel de mogelijkheid om
bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen voor de
geneesmiddelenvoorziening binnen de krijgsmacht. Indien dit kennelijk
noodzakelijk is met het oog op de operationele inzet van de krijgsmacht of
de voorbereiding daarop, kan daarbij worden afgeweken van hetgeen
bepaald is in de onderhavige wet.
Artikel 55
In dit artikel wordt aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen omtrent het ter hand
stellen van geneesmiddelen. Het gaat onder meer om regels zoals die zijn
die zijn vervat in de Regeling eisen farmaceutische preparaten (apotheken)
en in paragraaf 4 van het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst.
De te stellen regels zullen geen betrekking hebben op geneesmiddelen
voor onderzoek.
Artikel 56
In dit artikel wordt aan de apotheekhoudende de zorgplicht opgelegd om
de vergiften en de recepten in de apotheek op een bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur vast te stellen wijze te bewaren. Het zal om
regels gaan zoals die ter zake zijn vervat in het Besluit vergiften in
apotheken en ziekenhuizen 1973 en het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst
HOOFDSTUK 7 ETIKETTERING EN BIJSLUITER VAN
GENEESMIDDELEN
Artikel 57
In dit artikel, dat een weergave bevat van artikel 54 van richtlijn 2001/
83/EG, wordt bepaald welke gegevens vermeld dienen te worden op de
buitenverpakking en op de primaire verpakking van een industrieel bereid
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 62
geneesmiddel, dat wil zeggen een geneesmiddel dat met gebruikmaking
van een gemechaniseerd of geautomatiseerd proces wordt bereid. In
beginsel gaat het hier dus niet om geneesmiddelen die op kleine schaal in
een apotheek worden bereid. Krachtens artikel 62 wordt geregeld wat er
op de verpakking van een in een apotheek bereid geneesmiddel moet
worden vermeld.
Het gaat in dit artikel niet om primaire blisterverpakkingen of primaire
kleine verpakkingen als bedoeld in artikel 58. Op die primaire verpakkingen
mag met minder gegevens worden volstaan.
Indien een industrieel bereid geneesmiddel in verschillende concentraties
wordt geproduceerd, bijvoorbeeld omdat het ook bestemd is voor een
bepaalde leeftijdsgroep, moet dat in de naam worden vermeld, bijvoorbeeld
«voor zuigelingen» of «voor volwassenen». Aangezien de naam op
de buitenverpakking of op de primaire verpakking moet worden vermeld,
wordt, in het gegeven voorbeeld, tevens vermeld voor welke leeftijdsgroep
het is bestemd.
In de gevallen waarin sprake is van geneesmiddelen die door middel van
injecties of lokaal worden toegediend of voor toepassingen in of aan de
ogen, dienen in verband met mogelijke overgevoeligheid of allergische
reacties, alle hulpstoffen op de verpakking te worden vermeld.
Het College ter beoordeling van geneesmiddelen stelt voor de
uitvoeringspraktijk van de beoordeling van verpakkingsteksten ter zake
beleidsregels op en laat zich daarbij mede leiden door de richtsnoeren die
de Europese Commissie opstelt ter uitvoering van artikel 65 van Richtlijn
2001/83.
In het tweede lid, onder c, van artikel 57 wordt gedoeld op informatie die
van belang is voor geautomatiseerde verwerking, bijvoorbeeld in de vorm
van barcodes. Ingevolge onderdeel d van het tweede lid is het voorts
mogelijk om informatie op de buitenverpakking te vermelden omtrent de
prijs van het geneesmiddel en het vergoedingensysteem.
In het derde lid wordt de bevoegdheid verleend aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport om regels te stellen omtrent het vermelden
van de prijs van het geneesmiddel of het desbetreffende vergoedingensysteem
dat op het geneesmiddel van toepassing is alsmede om nader
aan te duiden welke gegevens kunnen dienen ter identificatie of ter vaststelling
van de authenticiteit van een geneesmiddel. De bevoegdheid
betreffende de nadere regeling inzake de vermelding van de prijs van een
geneesmiddel is overeenkomstig artikel 69, tweede lid, van richtlijn
2001/83.
De artikelen inzake de bijsluiter zijn, op grond van artikel 59, eerste lid,
niet van toepassing op de magistrale en officinale bereidingen. Dit laat
uiteraard onverlet dat een apotheker in het kader van het verlenen van
farmaceutische zorg de patiënt de noodzakelijk informatie verstrekt
omtrent de door hem ter hand gestelde magistraal of officinaal bereide
geneesmiddelen op een wijze zoals die door de Nederlandse Apothekersnormen
worden voorgeschreven.
De artikelen inzake de bijsluiter zijn ook niet van toepassing op geneesmiddelen
voor onderzoek.
Artikel 58
Dit artikel komt overeen met artikel 55 van de richtlijn.
In het eerste lid wordt voor geneesmiddelen die in een blisterverpakking
zijn verpakt en zijn geplaatst in een buitenverpakking die de gegevens,
bedoeld in artikel 57, bevat, bepaald met welke gegevens op de blisterverpakking
kan worden volstaan.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 63
In het tweede lid wordt bepaald welke gegevens ten minste op een
primaire verpakking dienen te worden vermeld indien het niet mogelijk is
om de gegevens, bedoeld in artikel 57, te vermelden op de primaire
verpakking.
Artikel 59
Als hoofdregel geldt dat in de verpakking van een geneesmiddel een
bijsluiter is gevoegd. Dit behoeft evenwel niet het geval te zijn indien alle
voorgeschreven gegevens zijn vermeld op de primaire verpakking of de
buitenverpakking.
De tekst van de bijsluiter moet overeenkomen met de bij de aanvraag om
een handelsvergunning voor het geneesmiddel ingediende en de door het
CBG goedgekeurde samenvatting van de productkenmerken van het
desbetreffende geneesmiddel of met een door de Europese Gemeenschap
vastgestelde samenvatting van de productkenmerken.
In het tweede lid, onderdeel i, van het onderhavige artikel is sprake van de
informatie die noodzakelijk is voordat een geneesmiddel wordt gebruikt.
Hierbij moet worden gedacht aan: contra-indicaties, de nodige voorzorgen
bij gebruik, bijvoorbeeld: innemen met water, niet overschrijden van de
dosering e.d.
Ook interacties met andere geneesmiddelen of voedingswaren als alcohol
en tabak kunnen de werking van een geneesmiddel beïnvloeden en
moeten dus worden vermeld. Eveneens is de situatie waarin de gebruiker
zich bevindt van belang voor het gebruik van geneesmiddelen. Bijvoorbeeld:
kinderen, zwangere vrouwen, personen met een hoge leeftijd of
personen die aan specifieke aandoeningen lijden.
Het onderhavige artikel komt naar zijn inhoud overeen met artikel 59 van
richtlijn 2001/83.
Artikel 60
Dit artikel komt overeen met de artikelen 56 en 63, tweede lid, van de
richtlijn.
De gegevens op een geneesmiddelenverpakking dienen zodanig te zijn
aangebracht dat deze voor een persoon met een normaal gezichtsvermogen
op een gemakkelijke wijze leesbaar is. Het CBG zal door middel
van beleidsregels praktisch invulling kunnen geven aan begrippen als
«duidelijk leesbaar» en «goed te begrijpen».
De gegevens kunnen naast de Nederlandse taal ook in een vreemde taal
worden vermeld, met dien verstande dat de gegevens in alle talen identiek
dienen te zijn. Het College kan voorts bepalen dat voor specifieke
geneesmiddelen geen etikettering in de Nederlandse taal vereist is en laat
zich daarbij mede leiden door de richtsnoeren die de Europese Commissie
opstelt ter uitvoering van artikel 65 van de richtlijn. Hierbij kan worden
gedacht aan bijvoorbeeld radiofarmaceutica die in alle gevallen steeds
worden toegediend of worden toegepast door tussenkomst van deskundige
personen.
Artikel 61
In dit artikel, tweede en derde lid, wordt de etikettering en de bijsluiter van
homeopathische geneesmiddelen als bedoeld in artikel 32, derde lid,
geregeld. In artikel 69 van richtlijn 2001/83/EG wordt een limitatieve
opsomming gegeven van de vermeldingen die op het etiket moeten
worden vermeld. Indien een homeopathische geneesmiddel als bedoeld
in 32, derde lid, een bijsluiter heeft, moeten de gegevens ook daarin
worden vermeld. Dit laatste geldt dus alleen indien er een bijsluiter bij het
homeopathische geneesmiddel wordt gevoegd.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 64
Artikel 62
Op grond van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur
nadere regels worden gesteld omtrent de etikettering van geneesmiddelen
die in de apotheek worden bereid en van geneesmiddelen voor
onderzoek. Wat betreft geneesmiddelen die worden bereid in een
apotheek, zal de regelgeving de voorschriften bevatten die thans zijn
opgenomen in artikel 27 van het Besluit uitoefening artsenijbereidkunst.
Wat betreft geneesmiddelen voor onderzoek, zal de regelgeving de voorschriften
bevatten die krachtens richtlijn 2001/20 met betrekking tot de
etikettering van deze categorie van geneesmiddelen zullen worden vastgesteld.
HOOFDSTUK 8 GENEESMIDDELENBEWAKING
De inhoud van dit hoofdstuk komt overeen met titel IX van richtlijn
2001/83, waarin de geneesmiddelenbewaking is geregeld.
Artikel 63
In het algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds uiteengezet
dat het CBG is belast met de geneesmiddelenbewaking.
Het College neemt deze rol over van de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport. Uit dien hoofde verzamelt en beheert het College systematisch
gegevens over bijwerkingen en het gebruik en misbruik van
geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning is verleend. Deze
gegevens zijn onder meer afkomstig van de houders van handelsvergunningen.
Daarnaast bevordert het College de totstandkoming van
samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg
die gegevens over bijwerkingen verzamelen, registreren en analyseren.
Zo’n samenwerkingsverband is de Stichting landelijke registratie en
evaluatie bijwerkingen (Lareb), opgericht door artsen en apothekers.
Lareb is een spontaan meldingssysteem waar artsen en apothekers
vermoede bijwerkingen van geneesmiddelen kunnen melden.
Het onderhavige artikel bevat hetgeen de artikelen 101 en 102 van de
richtlijn beogen.
Artikel 64
Houders van een handelsvergunning hebben een eigen verantwoordelijkheid
voor de door hen in de handel gebrachte geneesmiddelen. Dit brengt
een aantal verplichtingen mee die zijn vastgelegd in artikel 64. In richtlijn
2001/83 zijn deze verplichtingen geregeld de artikelen 103 en 104.
In de eerste plaats dient de houder van een handelsvergunning alle gegevens
over vermoedelijke bijwerkingen systematisch te verzamelen en te
ordenen. Dit betreft ook bijwerkingen die zich in een ander land voordoen.
Daarnaast dient de houder van de handelsvergunning alle bijwerkingen in
de vorm van veiligheidsverslagen op te stellen en periodiek en eventueel
tussentijds op verzoek aan het CBG over te leggen.
Ten slotte dienen ook op verzoek van het CBG (aanvullende) gegevens te
worden verstrekt die worden verlangd om de werkzaamheid en schadelijkheid
van een geneesmiddel te kunnen beoordelen. Hieronder worden
begrepen gegevens over het afzetvolume of het aantal recepten alsook
informatie over het zogeheten veiligheidsonderzoek na toelating tot de
markt. Dit laatste betreft farmaco-epidemiologisch of klinisch onderzoek
dat na het verlenen van de handelsvergunning (en conform de vergun-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 65
ning) wordt uitgevoerd teneinde een veiligheidsrisico van een geneesmiddel
nader te omschrijven (artikel 64, eerste lid, onder b, en derde lid).
Ter uitvoering van deze verplichtingen laat de houder van een handelsvergunning
zich bijstaan door een gekwalificeerde persoon die wordt
belast met de aan de geneesmiddelenbewaking verbonden werkzaamheden
(tweede lid). Deze persoon behoeft niet per sé in dienstbetrekking
te staan tot de vergunninghouder; het mag ook een contractpartij zijn. De
bedoeling is dat vergunninghouders op ten minste één locatie in de Europese
Unie een gekwalificeerde persoon hebben. In de overige lidstaten
waar het desbetreffende geneesmiddel in de handel is, dient dan wel een
aanspreekbare contactpersoon te zijn die gemakkelijk toegang heeft tot
deze persoon. Artikel 103 van de richtlijn bevat gelijksoortige bepalingen.
Ingevolge het vierde, vijfde en het zesde lid van artikel 64 meldt de houder
van een handelsvergunning elke vermoedelijke ernstige bijwerking aan
het College. Dit geldt zowel voor de bijwerkingen die hem via beroepsbeoefenaren
in de zorg ter kennis zijn gekomen als voor de (andere)
bijwerkingen die voldoen aan door de Europese Commissie opgestelde
rapportagecriteria. Deze criteria alsmede de overige richtsnoeren van de
Commissie die op grond van artikel 106 van de richtlijn zullen worden
vastgesteld, worden bekend gemaakt in deel 9 van de «Voorschriften
inzake geneesmiddelen in de Europese Unie».
Artikel 65
Dit artikel, dat de materiële inhoud bevat van artikel 107 van de richtlijn
2001/83/EG, regelt de kennisgeving van meldingen van bijwerkingen die
het CBG ontvangt, aan de EMEA. Indien het CBG naar aanleiding van een
melding voornemens is een handelsvergunning te schorsen, wordt de
EMEA hiervan eveneens in kennis gesteld.
Artikel 66
In het eerste lid van dit artikel wordt aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport de bevoegdheid verleend om nadere regels te stellen
inzake de geneesmiddelenbewaking. Deze gedelegeerde bevoegdheid
wordt in het leven geroepen met het oog op hetgeen in artikel 108 van
richtlijn 2001/83/EG is bepaald. Laatstbedoeld artikel maakt het mogelijk
dat middels comitologie vast te stellen richtsnoeren inzake
geneesmiddelenbewaking de bepalingen van de richtlijn wijzigen, waardoor
bepalingen van het onderhavige hoofdstuk moeten worden gewijzigd.
Tijdige implementatie van dergelijke wijzigingen in de Nederlandse
wetgeving is slechts mogelijk indien dat in eerste instantie op het niveau
van de ministeriële regeling geschiedt.
Het tweede lid van dit artikel vloeit voort uit het derde lid van artikel 16
van richtlijn 2001/83/EG waarin de homeopathische geneesmiddelen,
bedoeld in het eerste lid van artikel 14 van de richtlijn (artikel 32, derde lid,
van het wetsvoorstel), worden uitgezonderd van toepasselijkheid van titel
IX betreffende de geneesmiddelenbewaking.
HOOFDSTUK 9 GENEESMIDDELENRECLAME
Artikel 67
Onderdeel a
In richtlijn 92/28/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
31 maart 1992 betreffende reclame voor geneesmiddelen voor menselijk
gebruik (PbEG L 113) werd blijkens hoofdstuk III van die richtlijn, getiteld
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 66
«Op beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg gerichte reclame», onder
beroepsbeoefenaar verstaan degene die bevoegd is geneesmiddelen voor
te schrijven of ter hand te stellen. In titel VIII (Reclame) van richtlijn 2001/
83/EG is dat uiteraard niet veranderd. Het gaat hier immers om codificatie
van vóór 6 november 2001 geldende richtlijnen, waaronder richtlijn 92/28/
EEG.
Bij het begrip beroepsbeoefenaar gaat het om de voorschrijver of degene
die ter hand stelt, die de beslissing inzake voorschrijven onderscheidenlijk
ter hand stellen formeel neemt. Een van de doeleinden van de normen
van de bepalingen inzake geneesmiddelenreclame van richtlijn 2001/
83/EG is immers te voorkomen dat degene bij wie de beslissing inzake
voorschrijven of ter hand stellen berust, wordt beïnvloed door geld of op
geld waardeerbare diensten of goederen. Dat betekent bijvoorbeeld dat
assistenten van degenen die bevoegd zijn geneesmiddelen ter hand
stellen, deze handeling alleen in opdracht van bevoegden mogen
uitvoeren. Zij vallen buiten het begrip beroepsbeoefenaar.
Onderdeel b
De meeste normen van het onderhavige hoofdstuk richten zich tot een
ieder. Er zijn evenwel een paar normen die uitsluitend gericht zijn tot
farmaceutische ondernemingen. In de praktijk blijkt dat het meestal de
houders van de handelsvergunning zijn die zelf reclame maken voor hun
geneesmiddelen of daartoe opdracht geven.
Doch ook fabrikanten en groothandelaren die niet tevens houder zijn van
de handelsvergunning, kunnen er belang bij hebben zelf reclame te
maken voor de geneesmiddelen die zij bereiden onderscheidenlijk distribueren.
Met de mogelijkheid dat zij daartoe daadwerkelijk overgaan, moet
derhalve rekening worden gehouden. Gemakshalve zijn de farmaceutische
bedrijven die in de praktijk zelf reclame maken (houders van een
handelsvergunning, een fabricagevergunning of een groothandelsvergunning)
of dat door anderen laten doen, onder één noemer gebracht.
Artikel 68
De twee uitzonderingen die in dit artikel worden genoemd, zijn de eerste
twee uitzonderingen die in artikel 86, tweede lid, van richtlijn 2001/83/EG
worden genoemd.
De derde uitzondering die artikel 86, tweede lid, van de richtlijn noemt,
betreft «concrete informatie en de bijbehorende documentatie, bijvoorbeeld
over de wijziging van de verpakking, waarschuwingen voor ongewenste
bijwerkingen in het kader van de geneesmiddelenbewaking, en
over verkoop- en prijslijsten, voor zover daarin geen gegevens over het
geneesmiddel staan». In deze bepaling van richtlijn 2001/83/EG ontbreekt
het verkoopbevorderende element. Een dergelijk uiting is dus geen
reclame.
Het verkoopbevorderende element ontbreekt tevens in de vierde door
artikel 86, tweede lid, van de richtlijn genoemde uitzondering. Deze uitzondering
luidt: informatie betreffende de volksgezondheid of menselijke
ziekten voor zover die geen verwijzing, zelfs niet indirect, naar een
geneesmiddel bevat.
Artikel 69
Het eerste lid van dit artikel bevat de inhoud van artikel 87, eerste lid, van
richtlijn 2001/83/EG.
Het tweede lid bevat de inhoud van artikel 87, tweede lid, van richtlijn
2001/83/EG.
Het derde lid en vierde lid komen overeen met de inhoud van artikel 87,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 67
derde lid, eerste onderscheidenlijk tweede gedachtestreepje, van richtlijn
2001/83/EG.
Artikel 70
Dit artikel komt naar zijn inhoud overeen met artikel 88, eerste lid, eerste
en tweede gedachtestreepje, van richtlijn 2001/83/EG.
Artikel 71
Onderdeel a van dit artikel bevat de inhoud van artikel 89, eerste lid, onder
a, van richtlijn 2001/83/EG.
Onderdeel b komt naar zijn inhoud overeen met artikel 89, eerste lid,
onder b, eerste gedachtestreepje van richtlijn 2001/83/EG.
Het woord «leesbaar» in artikel 89, eerste lid, onder b, derde gedachtestreepje,
van richtlijn 2001/83/EG is in het onderhavige hoofdstuk niet
opgenomen. In een reclamespotje voor een zelfzorggeneesmiddel op de
radio kan daaraan niet worden voldaan.
Onderdeel c van het onderhavige artikel bevat de inhoud van artikel 89,
eerste lid, onder b, tweede gedachtestreepje, van richtlijn 2001/83/EG.
Onderdeel d komt inhoudelijk overeen met artikel 89, eerste lid, onder b,
derde gedachtestreepje, van richtlijn 2001/83/EG.
Artikel 72
Dit artikel bevat bijna letterlijk de tekst van artikel 88, tweede lid, van richtlijn
2001/83/EG. Die bepaling van richtlijn 2001/83/EG verbiedt dat
publieksreclame bepaalde therapeutische indicaties vermeldt.
De therapeutische indicaties die in richtlijn 2001/83/EG worden genoemd,
zijn ziekten waarvoor in Nederland alleen geneesmiddelen worden voorgeschreven
die uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn. Voor geneesmiddelen
die uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn, mag geen publieksreclame
worden gemaakt. Voor Nederland gaat het dus materieel om een
overbodige bepaling. De bepaling is niettemin opgenomen omdat richtlijn
2001/83/EG dat voorschrijft.
Artikel 73
In het onderhavige artikel is de inhoud van artikel 90, onder a, b, c, d en h,
van richtlijn 2001/83/EG opgenomen. Vergeleken met die bepalingen van
richtlijn 2001/83/EG is de reikwijdte van het onderhavige artikel uitgebreid
in die zin dat niet alleen het wekken van de indruk dat het geneesmiddel
bepaalde eigenschappen bezit, strafbaar is, maar ook het feitelijk
vermelden van dergelijk eigenschappen. Als de suggestie, ook al is die
juist, strafbaar is, dan moet de melding van een feit, ook al is die juist, ook
strafbaar zijn. Is de suggestie niet waar, dan is er sprake van misleiding.
Van het verbod, bedoeld in onderdeel d, inhoudende dat in reclame niet
de indruk mag worden gewekt onderscheidenlijk niet mag worden
vermeld dat de normale goede gezondheid van een persoon kan worden
aangetast wanneer het geneesmiddel niet wordt gebruikt, zijn in artikel 75
inentingscampagnes uitgezonderd.
Artikel 74
De artikelen 90, onder e, f, g, i, j, k, en l, en 88, derde lid, van richtlijn 2001/
83/EG, zijn, in die volgorde, in het onderhavige artikel opgenomen.
Onderdeel b van artikel 74 bevat de strekking van onderdeel f van artikel
90 van richtlijn 2001/83/EG. Gelet op de Engelse tekst van onderdeel f van
artikel 90 van die richtlijn, gaat het in die bepaling, behalve over wetenschappers
en beroepsbeoefenaren, om «persons who, because of their
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 68
celebrity». Dat betekent niet dat het gaat om personen die een reputatie
hebben, zoals de Nederlandse vertaling van die richtlijnbepaling luidt,
maar om personen die bekendheid genieten bij het publiek. Door dit
laatste zouden zij immers in aanmerking komen voor inschakeling door
farmaceutische bedrijven om publiekelijk reclame te maken voor hun
geneesmiddelen. In onderdeel b van het onderhavige artikel is op dit punt
uitgegaan van de Engelse tekst.
Het tweede punt waarop artikelonderdeel b afwijkt van (zowel de Nederlandse
als de Engelse versie van) de desbetreffende bepaling van richtlijn
2001/83/EG betreft de bepaling dat het moet gaan om personen die door
hun «celebrity» het gebruik van geneesmiddelen zouden kunnen stimuleren.
De woorden «zouden kunnen stimuleren» komen niet in aanmerking
om in het onderhavige hoofdstuk te worden gehanteerd. Zij vormen
voor een officier van justitie een vrijwel onbewijsbaar delictselement. Een
officier van justitie zal in de praktijk pas kunnen vervolgen als het stimuleren
kennelijk al heeft plaatsgevonden. De desbetreffende woorden zijn
derhalve weggelaten.
In de derde plaats wijkt de tekst van het onderhavige artikel af op het punt
van de wijze waarop de aanprijzing door de «celebrity» plaatsvindt. In
richtlijn 2001/83/EG is sprake van verwijzing naar een aanbeveling van een
«celebrity» en niet van een rechtstreekse aanbeveling. Dat is niet logisch.
Als een verwijzing naar een aanprijzing strafbaar is, moet een rechtstreekse
aanprijzing op zijn minst strafbaar zijn. Dit laatste is in onderdeel
b van het onderhavige artikel toegevoegd.
Artikel 75
In het belang van de volksgezondheid moet het uiteraard mogelijk zijn dat
mensen worden aangespoord deel te nemen aan een inentingscampagne.
Het is niet waarschijnlijk dat in de oproep tot deelname aan zo’n
campagne een aanduiding van het te gebruiken vaccin wordt genoemd,
maar het is niet uit te sluiten; het kan wellicht in sommige gevallen aangewezen
zijn het juist wel te doen. In zo’n geval kan er sprake zijn van
publieksreclame. Aangezien alle vaccins UR-geneesmiddelen zijn en het
kan voorkomen dat er in het vaccin een middel zit dat op een van de
lijsten van de Opiumwet staat, is een uitzondering nodig op het verbod op
publieksreclame, bedoeld in artikel 70. Het eerste lid van het onderhavige
artikel voorziet daarin.
Ook is het in het belang van de volksgezondheid indien in de oproep om
deel te nemen aan een inentingscampagne, voor zover daarin sprake is
van reclame, melding wordt gemaakt van het feit dat de kosten niet ten
laste komen van degene die zich laat inenten, maar ten laste van het
AWBZ-budget. Ook in de daarvoor benodigde uitzondering op het verbod,
bedoeld in artikel 74, onder h, voorziet het onderhavige artikel.
Het spreekt voor zich dat het verbod op publieksreclame, bedoeld in
artikel 73, onder d, ook uitgezonderd moet worden voor vaccinatieprogramma’s.
Dergelijke programma’s propageren nu juist dat vaccinatie
voorkomt dat de gezondheid wordt aangetast.
Artikel 76
Artikel 91, eerste lid, eerste gedachtestreepje, van richtlijn 2001/83
verplicht ertoe dat de reclame die is gericht op beroepsbeoefenaren, de
essentiële gegevens omtrent het geneesmiddel inhoudt. Het kan hier gaan
om reclame in de vorm van folders of een direct mail dan wel om mondelinge
reclame (bijvoorbeeld een geluidsbandje). Wat de essentiële gegevens
zijn, wordt niet aangegeven.
Het zijn in elk geval niet alle gegevens die in de samenvatting van de
productkenmerken zijn opgenomen. In de eerste plaats niet omdat er dan
in die bepaling niet had gestaan «die verenigbaar zijn met de samenvat-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 69
ting van de productkenmerken». In de tweede plaats niet omdat de
samenvatting van de productkenmerken zich qua omvang niet leent voor
een reclamefolder.
In onderdeel a van het onderhavige artikel is concreet aangegeven wat de
belangrijkste gegevens omtrent een geneesmiddel zijn voor een beroepsbeoefenaar.
De indeling van een geneesmiddel in UR (dat wil zeggen:
uitsluitend op recept verkrijgbaar) of niet-UR is eveneens een essentieel
gegeven. Dat gegeven wordt, overeenkomstig artikel 91, eerste lid,
tweede gedachtestreepje, van richtlijn 2001/83, apart geregeld en wel in
onderdeel b van het eerste lid van het onderhavige artikel.
Het tweede, derde en vierde lid van artikel 76 bevatten de inhoud van
artikel 92, eerste, tweede en derde lid, van richtlijn 2001/83.
De inhoud van het vijfde lid is ontleend aan artikel 8.1 van de Gedragscode
geneesmiddelenreclame. Deze code maakt deel uit van het stelsel
van zelfregulering van de farmaceutische industrie, dat is bekendgemaakt
in de bundel Gedragscode Farmaceutische Bedrijfstak van de Stichting
GFB.
Artikel 77
In dit artikel is artikel 96 van richtlijn 2001/83 materieel verwoord. Het
begrip «beperkt aantal monsters» in artikel 96 van richtlijn 2001/83/EG is
in het onderhavige artikel beperkt tot twee van hetzelfde geneesmiddel
per kalenderjaar per(voorschrijvende) beroepsbeoefenaar. Dat wil zeggen
dat per registratienummer (RVG/EMEA) twee monsters per jaar mogen
worden verstrekt.
Artikel 78
Farmaceutische bedrijven die hun geneesmiddelen onder de aandacht
willen brengen van apothekers en van de voorschrijvers van geneesmiddelen,
maken daartoe gebruik van artsenbezoekers. Meestal gaat het om
artsenbezoekers die in dienst zijn van zo’n bedrijf. Het kan zich echter ook
voordoen dat een artsenbezoeker wordt ingehuurd.
De artsenbezoeker die op bezoek gaat bij een apotheker of een voorschrijvende
beroepsbeoefenaar, komt daar niet alleen om reclame te maken
voor een geneesmiddel en derhalve om de afzet van het betrokken
geneesmiddel te bevorderen, maar ook om over het geneesmiddel informatie
te geven en documentatie te verstrekken.
Artikel 93, eerste lid, van richtlijn 2001/83 bepaalt dat artsenbezoekers
adequaat moeten zijn opgeleid en over voldoende wetenschappelijke
kennis moeten beschikken om over de geneesmiddelen die zij onder de
aandacht brengen nauwkeurige en zo volledige mogelijke inlichtingen te
verstrekken. Die bepaling is opgenomen in het onderhavige artikel, met
dien verstande dat er een verbinding wordt gelegd tussen de adequaatheid
van de opleiding en de kennis die vereist is voor de beroepsuitoefening.
In Nederland kennen wij de opleidingen tot artsenbezoeker
die zijn gecertificeerd door de Stichting FarmEduca. Andere landen
kennen eveneens opleidingen tot artsenbezoeker. Het onderhavige artikel
laat, overeenkomstig richtlijn 2001/83, in het midden in welk land de
artsenbezoeker is opgeleid. Het bepalende criterium is dat de opleiding
adequaat is met het oog op de beroepsuitoefening.
Artikel 78, onder a, b en c, dat betrekking heeft op artsenbezoekers, bevat
de inhoud van artikel 93, onderscheidenlijk eerste, tweede en derde lid,
van de richtlijn.
De richtlijn stelt geen bekwaamheidseisen aan vertegenwoordigers van
farmaceutische ondernemingen die geen artsenbezoeker zijn en die
drogisten of andere detailhandelaren bezoeken om reclame te maken of
voorlichting te geven over de zelfzorggeneesmiddelen die zulke onderne-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 70
mingen op de markt brengen. Op nationaal niveau is er ook geen behoefte
aan een regeling ter zake.
Artikel 79
Artikel 1, eerste lid, onder nn, en tweede lid, van het onderhavige wetsvoorstel
bevat de definitie van gunstbetoon. Het spiegelbeeld van deze
definitie is geregeld in artikel 1, tweede lid.
In het onderhavige artikel wordt gunstbetoon in beginsel verboden, maar
als voldaan is aan bepaalde voorwaarden, is het verbod niet van toepassing.
Deze voorwaarden zijn, op een na, ontleend aan de artikelen 94 en
95 van richtlijn 2001/83.
De uitzondering op het verbod die is geregeld in onderdeel a van het
onderhavige artikel, is niet ontleend aan de richtlijn. In deze bepaling
wordt de dienstverleningsrelatie tussen een farmaceutisch bedrijf en een
beroepsbeoefenaar van het verbod uitgezonderd indien er sprake is van
een redelijke verhouding tussen de prestatie van de beroepsbeoefenaar
en de beloning die hij daarvoor van het bedrijf ontvangt. Het gaat hier
bijvoorbeeld om dienstverleningsovereenkomsten die ertoe leiden dat de
beroepsbeoefenaar gegevens over de (bij)werkingen op zijn patiënten van
een bepaald geneesmiddel van een bepaald farmaceutisch bedrijf verzamelt
en daarover rapporteert. Deze overeenkomsten dienen een
volksgezondheidsbelang en behoren tot het normale rechtsverkeer. Deze
overeenkomsten vallen niet onder de definitie van gunstbetoon indien
ervan wordt uitgegaan dat er geen verkoopbevorderend doel wordt nagestreefd.
Indien verkoopbevordering wel het motief voor de overeenkomst zou zijn,
wordt wel aan de definitie van gunstbetoon voldaan. Een dergelijk motief
is evenwel niet aan te tonen. Met het oog hierop is ervoor gekozen om
buiten twijfel te stellen dat de hier bedoelde dienstverleningsovereenkomsten
zijn toegestaan, ongeacht de achterliggende motieven.
In het belang van de transparantie en om te kunnen beoordelen of er
sprake is van een redelijke verhouding tussen prestatie en beloning, geldt
de voorwaarde dat dergelijke overeenkomsten schriftelijk worden vastgelegd.
Op grond van onderdeel b is het verbod op gunstbetoon ook niet van
toepassing indien het om bij- of nascholingscursussen of andere vormen
van kennis- en kundevermeerdering dan wel om promotionele bijeenkomsten
gaat, waarbij de gastvrijheid die wordt geboden ondergeschikt is aan
het doel van de bijeenkomst of cursus en binnen redelijke perken blijft.
Wat in het kader van de handhaving van de wettelijke regels inzake
geneesmiddelenreclame onder de reikwijdte van het begrip «binnen redelijke
perken» kan vallen, wordt aangegeven in beleidsregels ter zake. Deze
beleidsregels zullen materieel overeenkomen met op de beleidsregels
betreffende nadere invulling van het begrip gunstbetoon die op 5 maart
2003 zijn gepubliceerd in de Staatscourant.
Ingevolge onderdeel c is het verbod op gunstbetoon ook niet van toepassing
indien er door een farmaceutisch bedrijf aan een beroepsbeoefenaar
geld of op geld waardeerbare diensten of goederen worden verstrekt
zonder dat daar een prestatie van de beroepsbeoefenaar tegenover staat,
zolang de waarde daarvan gering is en daarmee een belang wordt
gediend van de uitoefening van het beroep van degenen die ze
ontvangen. Wat onder «geringe waarde» en «van belang voor de uitoefening
van het desbetreffende beroep» kan vallen, zal worden aangegeven
in de hier boven bedoelde beleidsregels.
Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 94, eerste lid, van
richtlijn 2001/83.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 71
Ten slotte is ingevolge onderdeel d het in de aanhef van dat lid bedoelde
verbod niet van toepassing op alle kortingen en bonussen die verband
houden met de inkoop van geneesmiddelen. Het betreft derhalve alle op
geld waardeerbare inkoopvoordelen. Overigens geldt dat kortingen en
bonussen door specifieke regelgeving worden bestreken. Thans worden
kortingen en bonussen via de desbetreffende WTG-tariefbeschikkingen
(«claw back») teruggehaald en komen zij daardoor aan de zorg ten goede.
Artikel 80
Het eerste lid van dit artikel betreft een verplichting die voortvloeit uit
artikel 98, eerste lid, van richtlijn 2001/83.
Het tweede lid van artikel 98 van de richtlijn is verwoord in het tweede lid
van onderhavige artikel. De overige bepalingen van artikel 98, tweede lid,
van de richtlijn komen in het onderhavige hoofdstuk niet terug. Dat heeft
de volgende redenen. Het tweede gedachtestreepje van dat lid is overbodig.
De ondernemer die reclame maakt of in zijn opdracht laat maken, is
zelf strafrechtelijk verantwoordelijk voor overtreding van de reclamevoorschriften.
De bepaling dat hij zich ervan moet vergewissen of zijn
onderneming aan de voorschriften voldoet, is irrelevant. Hij is de onderneming.
Het vierde gedachtestreepje van het tweede lid artikel 98 van de richtlijn
bevat een verplichting die al voortvloeit uit de bepalingen inzake het
toezicht door de Inspectie voor de gezondheidszorg in de Nederlandse
wetgeving.
Het vijfde gedachtestreepje heeft betrekking op een aangelegenheid die is
geregeld in artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 81
In dit artikel wordt, voor zover het geneesmiddelen betreft, een basis
geschapen voor het stellen van voorschriften ten aanzien van telewinkelboodschappen.
Deze bepaling is opgenomen om te kunnen voldoen aan
eventuele nieuwe wijzigingen van richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende
de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten
(Pb EG L 298). Deze richtlijn is zeer grondig gewijzigd bij richtlijn
97/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 1997 (Pb EG
L 202).
De gewijzigde richtlijn 89/552/EEG verbiedt telewinkelen met betrekking
tot geneesmiddelen.
HOOFDSTUK 10 HANDHAVING: TOEZICHT EN OPSPORING
Artikel 82
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is formeel verantwoordelijk
voor het toezicht op de naleving van deze wet. In het onderhavige
wetsvoorstel wordt het toezicht op de naleving feitelijk gelegd bij ambtenaren
van het Staatstoezicht op de volksgezondheid die onder de
genoemde minister ressorteren. Bij besluit van de minister zullen ambtenaren
van de Inspectie voor de gezondheidszorg, die onderdeel uitmaakt
van het Staatstoezicht, worden aangewezen. Indien er sprake is van grensoverschrijdende
geneesmiddelen is ook de douane betrokken bij het
toezicht op de naleving van deze wet. Ten aanzien van de formele verantwoordelijkheid
voor het toezicht op de naleving van deze wet worden in
het onderhavige artikel twee uitzonderingen gemaakt:
a. In het tweede lid is bepaald dat de verantwoordelijkheid voor het
toezicht op de naleving van deze wet, voorzover deze plaatsvindt aan
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 72
boord van zeeschepen die de vlag van het Koninkrijk mogen voeren,
berust bij de Minister van Verkeer en Waterstaat; de feitelijke toezichtwerkzaamheden
zullen door de Divisie Scheepvaart van de Inspectie
van Verkeer en Waterstaat plaatsvinden.
b. Voor de geneesmiddelenvoorziening binnen de Nederlandse krijgsmacht
is een uitzondering in het derde lid opgenomen voor het
houden van toezicht op de naleving van deze wet. Hiervoor berust de
verantwoordelijkheid bij de Minister van Defensie. Binnen de krijgsmacht
is een eigen controleorganisatie aanwezig voor het toezicht
houden op de naleving van de voorschriften die betrekking hebben op
de geneesmiddelenkanalisatie binnen de krijgsmachtonderdelen.
In het verleden zijn op ambtelijk niveau afspraken gemaakt over de praktische
invulling van de toezichtwerkzaamheden tussen de ambtenaren van
het Staatstoezicht op de volksgezondheid en de toezichthoudende organisatie
binnen de krijgsmacht.
In navolging hiervan zijn dergelijke afspraken ook gemaakt tussen het
Staatstoezicht op de volksgezondheid en de Divisie Scheepvaart van de
Inspectie van Verkeer en Waterstaat (destijds nog Scheepvaartinspectie
geheten) ter zake van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens
deze wet gestelde voorschriften voor de geneesmiddelenvoorziening aan
boord van zeeschepen.
De bevoegdheden van de in deze wet aangewezen ambtenaren zijn in
algemene zin geregeld in hoofdstuk 5 van de Awb. In dat hoofdstuk is een
groot aantal voorschriften voor toezichthouders opgenomen en worden
een aantal bevoegdheden van rechtswege aan toezichthouders toegekend.
Deze bevoegdheden bestaan uit:
a. het betreden van elke plaats (m.u.v. woningen zonder toestemming
van de bewoner);
b. het vorderen van inlichtingen;
c. het vorderen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden;
d. het maken van kopieën en, voor zover noodzakelijk voor dat doel, het
korte tijd meenemen van gegevens en bescheiden tegen door hen af te
geven bewijs;
e. het onderzoeken van zaken en het nemen van monsters waarbij, voor
zover noodzakelijk, verpakkingen kunnen worden geopend;
f. het onderzoeken van vervoermiddelen.
In aanvulling op bovengenoemde bevoegdheden is een ieder op grond
van artikel 5.20 van de Awb verplicht de ambtenaren van het Staatstoezicht
op de volksgezondheid alle medewerking te verlenen bij het
uitvoeren van hun wettelijke taken.
Artikel 83
De bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie die inhoudt dat er een
onvoorwaardelijke verplichting bestaat tot het betalen van een geldsom
die gericht is op bestraffing van de overtreder. De bestuurlijke sanctie kan
worden opgelegd voor het overtreden van de bij of krachtens deze wet
bepaalde voorschriften.
In het eerste lid is bepaald ten aanzien van welke bij of krachtens deze wet
gestelde voorschriften bij het overtreden of niet naleven waarvan een
bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Tevens is de maximale hoogte
van de op te leggen boeten bepaald op 450 000 Euro.
Op grond van artikel 111 van het onderhavige wetsvoorstel worden de
gedragingen die naar de mening van de ondergetekende als economische
delicten moeten worden aangemerkt, onder de reikwijdte van artikel 1,
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 73
onder 1°, van de Wet op de economische delicten (WED) gebracht.
Daarmee zullen het, indien opzettelijk gepleegd, misdrijven zijn.
Het gaat hier om overtreding van de artikelen:
– 9, eerste lid: het verbod om zonder vergunning geheel of gedeeltelijk
te bereiden, in te voeren, af te leveren, uit te voeren, dan wel een
groothandel te drijven, alsmede het verbod om zonder vergunning
geneesmiddelen voor onderzoek geheel of gedeeltelijk te bereiden of
in te voeren;
– 19, eerste lid: het gebod om gekwalificeerde personen te belasten met
de zorg voor de kwaliteit van de bereiding van geneesmiddelen onderscheidenlijk
met de zorg voor de kwaliteit van ingevoerde geneesmiddelen;
– 25 en 30, tweede lid: het gebod om alleen aan daartoe bevoegden
geneesmiddelen af te leveren;
– 31, eerste en tweede lid: het verbod om zonder handelsvergunning
geneesmiddelen in de handel te brengen;
– 50, eerste lid, en 51: verbod op terhandstelling van receptplichtige
geneesmiddelen onderscheidenlijk zelfzorggeneesmiddelen door
anderen dan daartoe bevoegden.
Het tweede lid van het onderhavige artikel bepaalt dat een overtreding
pas een strafbaar feit is indien het tot tweemaal toe binnen twee jaar
opleggen van een bestuurlijke boete voor een zelfde overtreding kennelijk
niet heeft geleid tot het beëindigen van de normschending. Dit heeft tot
gevolg dat strafrechtelijke vervolging kan plaatsvinden. De in dit lid
gebruikte begrippen «een zelfde overtreding» heeft betrekking op gedragingen
die identiek zijn, maar van elkaar verschillen door het tijdstip
waarop of de plaats waar de normschending heeft plaatsgevonden.
Artikel 84
Het eerste lid, onder a en b, beoogt het voorkomen van samenloop van
punitieve sancties. Voor een bepaalde gedraging waarvoor reeds een
bestuurlijke boete is opgelegd mag uiteraard niet nog eens een bestuurlijke
boete worden opgelegd. Voorts mag geen bestuurlijke boete worden
opgelegd voor een gedraging waarvoor tegen de betrokkene een strafvervolging
is ingesteld die zich al in de fase van het onderzoek op de terechtzitting
bevindt.
Met betrekking tot het begrip «dezelfde gedraging» wordt nog opgemerkt
dat bij overtreding van twee voorschriften pas sprake is van één feitencomplex
indien de overtredingen niet alleen feitelijk nauw samenhangen,
maar ook dat de overtreder van beide overtredingen een verwijt van
dezelfde strekking kan worden gemaakt; dat wil zeggen: als de overtreden
voorschriften soortgelijke belangen beschermen.
In onderdeel c van het eerste lid is bepaald dat indien het recht tot strafvervolging
is vervallen wegens een transactie met de officier van justitie,
er geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Niet alleen de artikelen
74 en 74c van het Wetboek van Strafrecht maar ook artikel 37 van de Wet
op de economische delicten kent, middels een verwijzing naar artikel 74
van het Wetboek van Strafrecht, de mogelijkheid van een transactie met
de officier van justitie. In die gevallen waarin schending van een voorschrift
een strafbaar feit is en alsdan hetzij met een bestuursrechtelijke
sanctie hetzij met een strafrechtelijke sanctie kan worden bestraft, moet
een definitieve keuze worden gemaakt voor een sanctiesysteem. Dat vergt
dus overleg tussen het openbaar ministerie en de ambtenaren van het
ministerie van VWS die feitelijk belast zijn met het opleggen van een
bestuurlijke boete.
In onderdeel d wordt als criterium voor het opleggen van een bestuurlijke
boete de eis van verwijtbaarheid gesteld. Onder verwijtbaarheid wordt
hier verstaan dat de overtreding aan de overtreder kan worden toegere-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 74
kend. Het beginsel «geen straf zonder schuld» ligt hieraan ten grondslag.
Daarbij geldt dat schuld bij bestuursrechtelijk gesanctioneerde overtredingen
geen bestanddeel is van de delictsomschrijving. Dit betekent dat
de Minister de verwijtbaarheid niet hoeft te bewijzen, maar deze mag
veronderstellen als het daderschap vaststaat. Om aan een boete te
ontkomen moet de overtreder een beroep doen op de afwezigheid van
verwijtbaarheid en deze bewijzen.
In onderdeel e en het tweede lid is bepaald dat indien de overtreder is
overleden, de boete niet wordt opgelegd onderscheidenlijk de boete
vervalt voorzover deze nog niet is betaald. Het punitieve karakter van de
boete kan immers niet meer worden bereikt indien deze niet meer gericht
is op de overtreder.
Artikel 85
In het eerste lid is bepaald dat gedragingen die tevens strafbare feiten zijn
worden voorgelegd aan het openbaar ministerie. Voor een praktische
invulling zullen afspraken nodig zijn tussen het Staatstoezicht op de volksgezondheid
en het OM. Besluit het OM tot strafrechtelijke vervolging, dan
is de bestuursrechtelijke weg afgesloten zodra een onderzoek ter terechtzitting
is aangevangen, dan wel zodra een door het OM aangeboden
transactie door de overtreder is aanvaard.
Het OM heeft dertien weken de tijd om te beslissen of strafrechtelijke
vervolging gewenst is. Als het OM binnen dertien weken meedeelt dat de
overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan, kan er geen bestuurlijke
boete worden opgelegd.
Artikel 86
Evenals in het strafrecht een strafbaar feit na verloop van tijd verjaart,
wordt ook in het bestuursrecht de bevoegdheid van de overheid om overtredingen
te kunnen bestraffen begrensd in tijd. In het eerste lid wordt de
bevoegdheid voor de minister om bestuurlijke boeten op te kunnen
leggen beperkt tot een periode van vijf jaren. De term «vervalt» wordt
gebruikt in plaats van «verjaring» omdat de eerstgenoemde term aangeeft
dat de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen van rechtswege
eindigt in plaats van de situatie waarin verjaring alleen aan de
boeteoplegging in de weg kan staan indien de overtreder zich op de verjaring
beroept.
In het tweede lid wordt een voorziening geboden in die gevallen waarin
een bezwaar of beroep wordt ingesteld tegen een opgelegde bestuurlijke
boete. Dit bezwaar of beroep kan onder omstandigheden leiden tot het
oordeel dat een lagere boete moet worden opgelegd. De minister dient
dan bij de beslissing op bezwaar een nieuwe, lagere boete op te leggen,
de rechter dient de opgelegde boete te vernietigen en kan, door zelf in de
zaak te voorzien, een lagere boete opleggen. Omdat gedurende de
periode van het bezwaar of beroep de vervaltermijn zou kunnen
verstrijken, zou er twijfel kunnen ontstaan inzake de bevoegdheid tot het
opleggen van de boete. Het tweede lid beoogt buiten twijfel te stellen dat
in die gevallen de bevoegdheid om boeten op te leggen nog bestaat door
het opschorten van de vervaltermijn tot onherroepelijk op het bezwaar of
beroep is beslist.
De vervaltermijn in dit artikel heeft alleen betrekking op het opleggen van
de boete en niet op het invordering van de boete.
Artikel 87
Dit artikel is een codificatie van het zogenaamde evenredigheidsbeginsel.
Bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen boete houdt de
minister rekening met de ernst en de omstandigheden alsmede met de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 75
mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden toegerekend.
In een gecompliceerde uitvoeringspraktijk zoals deze bij de uitvoering van
deze wet aan de orde is, kunnen zich situaties voordoen waarin regelgeving
niet altijd een adequate en rechtvaardige hoogte van de op te leggen
boete kan bepalen. In die zin is aan de minister de bevoegdheid verleend
om een boete te matigen indien de feitelijke omstandigheden daartoe
aanleiding geven.
Artikel 88
Bij de constatering dat een wettelijk voorschrift is overtreden, maken
ambtenaren van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid een ambtsedig
proces-verbaal op. De betrokken overtreder krijgt daarvan een afschrift
toegezonden of uitgereikt. Het tijdstip waarop dat plaatsvindt, kan
verschillen.
Tussen het moment waarop het proces-verbaal is opgesteld en het
moment waarop de minister de beslissing tot opleggingen van een boete
aan de betrokkene bekend maakt, kan er reden zijn nog niet of juist al wel
de betrokkene in kennis te stellen van de inhoud daarvan. Uiterlijk op het
moment waarop de beslissing tot oplegging van een boete aan de betrokkene
bekend is gemaakt, moet de betrokkene kennis kunnen nemen van
het proces-verbaal. Dat wordt in het tweede lid van het onderhavige
artikel bepaald.
Artikel 89
In dit artikel is het beginsel gecodificeerd dat niemand gehouden is tegen
zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Dit zogenaamde
«nemo tenetur»-beginsel houdt echter niet in dat iemand op geen enkele
wijze kan worden gedwongen mee te werken aan zijn eigen veroordeling
(EHRM, 17 december, 1996, NJ 1997, 699 ( Saunders)). Dit beginsel is een
beperking van de medewerkingsplicht die in artikel 5.20 van de AWB is
neergelegd en vloeit voort uit artikel 14, derde lid, onderdeel g, van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBRPR)
en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van jurisprudentie
van de Hoge Raad en het Europese Hof tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) (zie bijv. HR
17 februari, 1987, NJ 1987, 951, HR 23 juni 1993, BNB 1993/271, EHRM
15 juli 1982, Publ. ECHR Ser. A. Vol. 51 (Eckle)) kan worden aangenomen
dat er sprake is van een zwijgrecht indien er gesproken kan worden van
een «criminal charge». Daarbij wordt aangenomen dat indien een overtreder
uit handelingen van een bestuursorgaan redelijkerwijs kan afleiden
dat hem een boete wordt opgelegd, hij ter zake van de boeteoplegging
niet gehouden is enige verklaring omtrent de overtreding af te leggen. Het
enkele bestaan of uiten van een verdenking, ook tijdens een verhoor of
controle, is niet voldoende om het bestaan van een «criminal charge» aan
te nemen. Volgens het EHRM is een officiële kennisgeving van de overheid
vereist, gericht aan de overtreder waarin wordt gewezen op het strafbare
element in de zin van het EVRM. Het zwijgrecht laat verplichtingen
om inlichtingen te verschaffen ten behoeve van het toezicht op de naleving
van de wet in het algemeen onverlet. Het zwijgrecht heeft slechts
betrekking op het afleggen van verklaringen ter zake van gedragingen
waarvan de overtreder wordt beschuldigd.
In het tweede lid van het onderhavige artikel is de zogenaamde «cautie»
geregeld. Dit is de verplichting voor het bestuursorgaan om aan de overtreder
de uitdrukkelijke mededeling te doen dat hij niet hoeft te
antwoorden op te stellen vragen. Deze verplichting is conform artikel 29
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 76
van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling ziet op het feit dat een
overtreder die direct geconfronteerd wordt met een toezichthouder, zich
wellicht verplicht voelt vragen te beantwoorden terwijl daarvoor juridisch
geen verplichting bestaat.
Artikel 90
In het eerste lid is bepaald dat een overtreder het recht heeft op inzage in
zijn dossier indien hij hierom verzoekt ter voorbereiding van zijn verdediging.
Onder dossier wordt verstaan alle documenten die dienen ter onderbouwing
van de opgelegde boete. Het inzagerecht heeft zowel betrekking
op de fase voor de oplegging van de boete als op de fase van bezwaar en
van beroep.
Artikel 91
Dit artikel verbiedt dat de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
boete door de minister wordt gemandateerd aan degene die het
proces-verbaal heeft opgesteld. Het doel hiervan is om functiescheiding
aan te brengen tussen degene die de gedraging constateert en degene die
over het sanctioneren van die gedraging beslist. Het is een beginsel van
fair play dat degene die de beslissing neemt, niet reeds in een eerdere
fase betrokken is bij de procedure en daardoor niet vooringenomen kan
beslissen.
De bevoegdheid tot het opstellen van het proces-verbaal zal worden
gemandateerd aan ambtenaren van een bepaald organisatieonderdeel
van de IGZ. De bevoegdheid tot oplegging van een boete zal aan ambtenaren
van een ander organisatieonderdeel van de IGZ worden gemandateerd.
De verdeling van deze bevoegdheden zal in een mandaatbesluit
worden vastgelegd
Artikel 92
Het eerste lid ziet op de situatie dat een overtreder in de gelegenheid
wordt gesteld om zijn zienswijze omtrent het voornemen tot boeteoplegging
kenbaar te maken aan de minister. De overtreder kan dit zowel
mondeling als schriftelijk doen. Teneinde zich op het kenbaar maken van
zijn zienswijze voor te kunnen bereiden, dient de overtreder in elk geval
vooraf op de hoogte te worden gesteld van de tegen hem ingebrachte
beschuldiging. Om zich daarop goed te kunnen voorbereiden, zal hij in elk
geval in het bezit moeten zijn van het proces-verbaal. Het eerste lid voorziet
daarin.
In het eerste lid is voorts bepaald dat de minister zorg draagt voor kosteloze
bijstand van een tolk indien een overtreder niet in staat is de Nederlandse
taal te begrijpen en dit van invloed is op het kunnen voeren van
een adequate verdediging.
Artikel 93
In het eerste lid is bepaald dat de minister binnen 13 weken na dagtekening
van het proces-verbaal een beslissing neemt omtrent de oplegging
van een bestuurlijke boete. De beslistermijn is, net als andere termijnen in
het bestuursrecht, een termijn van orde. Dit betekent dat bij overschrijding
van de termijn niet de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke
boete vervalt.
In het tweede lid is bepaald dat de termijn wordt opgeschort indien een
gedraging wordt voorgelegd aan het openbaar ministerie, tot op de dag
dat de minister bevoegd wordt om een boete op te leggen. Ook het open-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 77
baar ministerie heeft een termijn van 13 weken om te beslissen of strafrechtelijk
optreden gewenst is. De totale beslistermijn bedraagt dan 26
weken.
Artikel 94
Dit artikel geeft aan welke gegevens moeten worden vermeld in de
beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete.
Artikel 95
De voorschriften die in acht moeten worden genomen in het kader van
(het voornemen tot) het opleggen van een bestuurlijke boete, zijn ingevolge
dit artikel ook van toepassing op de bestuurlijke sancties die de
Inspectie voor de gezondheidszorg op grond van artikel 97 kan opleggen.
Gelet op artikel 5.0.2 van het voorontwerp vierde tranche van de Awb,
opgesteld door de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht,
ISBN 90–399–1672–1, wordt bestuurlijke sanctie hier opgevat als
een door een bestuursorgaan wegens een overtreding bij beschikking
opgelegde verplichting of maatregel.
Artikel 96
In artikel 5.20 van de Awb is bepaald dat een ieder verplicht is aan een
toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking
te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening
van zijn bevoegdheden.
Indien zich de situatie voordoet dat een ambtenaar van de Inspectie geen
medewerking krijgt bij de uitoefening van zijn wettelijke taken, kan hij
bestuursdwang toepassen. In afdeling 5.3 van de Awb zijn nadere
bevoegdheden en voorschriften gegeven omtrent de toepassing van
bestuursdwang. Het begrip bestuursdwang is gedefinieerd in artikel 5:21
van de Awb.
Bij bestuursdwang kan worden gedacht aan het (doen) wegnemen,
beletten, in de vorige toestand brengen of herstellen of verrichten van
hetgeen in strijd met de regels wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Artikel 97
De ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid zijn
bevoegd om een aantal maatregelen te nemen met het oog op het voorkomen
van schade aan de volksgezondheid. Deze bevoegdheden bestaan
naast de algemene bevoegdheden zoals die door de Algemene wet
bestuursrecht aan toezichthouders wordt toegekend (bijvoorbeeld: het
betreden van plaatsen voor onderzoek, het vorderen van inlichtingen,
zaken te onderzoeken, verpakkingen te openen, monsters te nemen etc).
In onderdeel a wordt aan ambtenaren van het Staatstoezicht de bevoegdheid
verleend om geneesmiddelen in beslag te nemen voordat deze in
Nederland in de handel zijn gebracht of voordat voor deze middelen een
handelsvergunning is aangevraagd of verleend.
In onderdeel b wordt de bevoegdheid verleend aan het Staatstoezicht al
datgene te doen wat noodzakelijk is om een gevaarlijke situatie voor de
volksgezondheid door een ondeugdelijk geneesmiddel te beëindigen.
Hierbij kan worden gedacht aan een bevel van het Staatstoezicht aan de
fabrikant of groothandelaar voor het terughalen van reeds geleverde of ter
hand gestelde geneesmiddelen of inbeslagname van een partij geneesmiddelen
indien de veiligheid van de volksgezondheid zulks vordert.
In onderdeel c wordt de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksge-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 78
zondheid de bevoegdheid verleend om apotheken te sluiten indien deze
niet voldoen aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften.
Artikel 98
In het eerste lid zijn de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid
en de ambtenaren van de belastingdienst inzake douane aangewezen
als de personen die bevoegd zijn tot de opsporing van strafbare
feiten op grond van deze wet. De ambtenaren die belast zijn met douanetaken
zijn hier bevoegd verklaard met het oog op grensoverschrijdende
situaties waarin geneesmiddelen uit of naar Nederland worden getransporteerd.
Tevens kunnen op grond van artikel 141 van het Wetboek van
Strafvordering andere personen worden aangewezen die tot opsporing
van strafbare feiten op grond van deze wet bevoegd zijn.
In het tweede lid zijn de bevoegdheden vermeld die de met de strafrechtelijke
handhaving samenhangen.
HOOFDSTUK 11 OVERGANGSBEPALINGEN, WIJZIGING ANDERE
WETTEN EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 99
In dit artikel wordt geregeld dat de vergunningen die op grond van artikel
2, eerste lid, onder d, van de WOG zijn verleend voor handelingen als het
geheel of gedeeltelijk (industrieel) bereiden, het verpakken en etiketteren
van geneesmiddelen, het afleveren, het invoeren, het uitvoeren en het
drijven van een groothandel zullen gelden als vergunningen voor de
desbetreffende activiteiten als bedoeld in artikel 9 van het onderhavige
wetsvoorstel.
Tevens bevat dit artikel een overgangsregeling voor de vergunningen die
krachtens de WOG zijn verleend voor het bereiden of invoeren van
geneesmiddelen voor onderzoek.
Voorts bevat dit artikel overgansgrecht voor de op grond van artikel 5,
vierde lid, van het BBA erkende laboratoria waarin de fabrikant controles
kan laten uitvoeren.
Artikel 100
In dit artikel wordt de positie van de apotheekhoudende huisartsen geregeld
aan wie reeds op grond van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening
een vergunning was verleend om de artsenijbereidkunst uit te
oefenen. De reeds verleende vergunningen blijven van rechtswege van
kracht met dien verstande dat het bereiden van geneesmiddelen niet meer
is toegestaan.
De bevoegdheid van de huisarts aan wie krachtens artikel 6 van de WOG
een vergunning was verleend om de artsenijbereidkunst uit te oefenen,
wordt in artikel 100 van het onderhavige wetsvoorstel omgezet in de
bevoegdheid om geneesmiddelen ter hand te stellen aan de patiënten van
zijn geneeskundige praktijk. Dit vormt een wijziging ten opzichte van de
oude situatie waarin het verrichten van bereidingshandelingen was
begrepen onder het begrip «artsenijbereidkunst».
Het verrichten van bereidingshandelingen door apotheekhoudende huisartsen
zal in de Geneesmiddelenwet niet meer zijn toegestaan.
Voorts regelt het onderhavige artikel 100 de positie van de huisarts die
wat betreft de geneeskundige praktijk was geassocieerd met de huisarts
aan wie vóór de inwerkingtreding van deze wet een vergunning tot uitoefening
van de artsenijbereidkunst in een aan hem toebehorende praktijk
was verleend. Deze geassocieerde huisarts blijft bevoegd tot het ter hand
stellen van de door hem voorgeschreven geneesmiddelen aan zijn
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 79
patiënten. Deze bevoegdheid is gekoppeld aan de bevoegdheid tot ter
hand stellen van de apotheekhoudende huisarts met wie hij de praktijk
gezamenlijk voert. Indien die bevoegdheid vervalt, vervalt ook de
bevoegdheid van de geassocieerde huisarts.
Artikel 101
Artikel 21, eerste lid, van het op de WOG gebaseerde BRG bepaalt onder
meer dat het verbod om ongeregistreerde geneesmiddelen te bereiden, in
te voeren, af te leveren of ter aflevering in voorraad te houden dan wel in
de handel te brengen niet van toepassing is op geneesmiddelen, bedoeld
in de bijlage bij het BRG. Het gaat om producten die uitsluitend bestaan
uit een of meer substanties die in de wandeling gezamenlijk het
rozenwaterlijstje worden genoemd.
Hoewel dergelijke producten geneesmiddelen kunnen zijn in de strikte zin
van het woord, werd registratie in het belang van de volksgezondheid niet
nodig geacht. Het ligt in het voornemen de uitzonderingen voor het
rozenwaterlijstje nog slechts tijdelijk (vijf jaar) te handhaven, omdat het
onjuist moet worden geacht de op het lijstje voorkomende producten op
voorhand als geneesmiddel aan te merken. Voor zover er nog producten
op de markt zijn die daaronder vallen, kunnen de fabrikanten, importeurs
of groothandelaren in de resterende periode anticiperen op de verdwijning
van de uitzonderingslijst.
Artikel 102
Voor een toelichting op dit artikel wordt verwezen naar onderdeel 9 van
het algemene deel van deze memorie.
Artikel 103 t/m 111
Deze artikelen bevatten wijzigingen van een aantal andere wetten. Met
uitzondering van de wijziging van de Wet BIG en die van de Wet op de
economische delicten, gaat het uitsluitend om wijzigingen die een verwijzing
naar de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening vervangen door een
verwijzing naar de Geneesmiddelenwet.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J. F. Hoogervorst
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 80
CONCORDANTIETABEL GENEESMIDDELENWET
Artikelen wetsvoorstel Artikelen Richtlijn 2001/83, Richtlijn 2001/20 of geldende
regelingen
1 lid 1 sub b 1 lid 2 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub c 1 lid 4 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub d 1 lid 5 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub e 1 lid 6 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub f 1 lid 7 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub g 1 lid 8 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub h 1 lid 9 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub i 1 lid 10 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub l 1 lid 20 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub m 1 lid 21 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub n 1 lid 23 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub o 1 lid 24 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub p 1 lid 25 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub q 1 lid 22 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub s 40 lid 2 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub u 1 lid 19 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub bb 1 lid 17 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub cc 1 lid 17 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub hh 1 lid 27 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub ii 1 lid 11 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub jj 1 lid 12 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub kk 1 lid 13 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub ll 1 lid 16 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub mm 86 lid 1, eerste volzin Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub nn 94 lid 3 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub ss 10a Reclamebesluit geneesmiddelen (RBG)
1 lid 1 sub tt 102 Richtlijn 2001/83
1 lid 1 sub vv 2 sub d Richtlijn 2001/20
1 lid 1 sub xx 2 sub g Richtlijn 2001/20
1 lid 2 94 lid 3 Richtlijn 2001/83
1 lid 3 11 Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG)
9 lid 1 eerste volzin 40 en 77 lid 1 en 2 Richtlijn 2001/83
9 lid 1 tweede volzin 13 lid 1 Richtlijn 2001/20
9 lid 2 42 lid 2 Richtlijn 2001/83
9 lid 3 77 lid 3 Richtlijn 2001/83
9 lid 5 3 lid 1 en 2 en 40 lid 2 tweede volzin Richtlijn 2001/83
6 lid 6 sub a 54 lid 1 sub c Besluit bereiding en aflevering van farmaceutische
producten (BBA)
9 lid 6 sub b 54 lid 1 sub d BBA
10 lid 1 5 WOG
11 43 en 45 Richtlijn 2001/83
12 lid 1 41 Richtlijn 2001/83
12 lid 2 80 Richtlijn 2001/83
15 77 lid 7 Richtlijn 2001/83
16 41 en 79 sub a en b Richtlijn 2001/83 en 13 lid 1 tweede volzin
Richtlijn 2001/20
17 lid 1 46 sub c Richtlijn 2001/83
17 lid 3 5, vierde lid, BBA
18 46 sub f Richtlijn 2001/83 en 13 lid 3 sub a Richtlijn 2001/20
19 lid 1 sub a 51 lid 1 sub a Richtlijn 2001/83 en 13 lid 3 sub a Richtlijn 2001/20
19 lid 1 sub b 51 lid 1 sub a Richtlijn 2001/83
19 lid 1 sub c 51 lid 1 sub b Richtlijn 2001/83
19 lid 1 sub d 51 lid 3 Richtlijn 2001/83
19 lid 1 sub e 13 lid 3 sub a Richtlijn 2001/20
19 lid 1 sub f 13 lid 4 Richtlijn 2001/20
19 lid 3 48 lid 2 Richtlijn 2001/83
19 lid 4 51 lid 2 Richtlijn 2001/83
19 lid 6 4 Besluit bloedproducten en 5 Besluit immunologische farmaceutische
producten
20 49 en 50 Richtlijn 2001/83 en 13 lid 2 Richtlijn 2001/20
21 lid 1 8 BBA
21 lid 2 sub a 32 lid 1 BBA
21 lid 3 51 lid 1 tweede volzin Richtlijn 2001/83
21 lid 4 13 lid 3 sub b Richtlijn 2001/20
21 lid 5 13 lid 3 sub c Richtlijn 2001/20
22 10 BBA en 13 lid 4 Richtlijn 2001/20
23 14 lid 1 sub c BBA
25 lid 1 2 lid 1 sub d WOG
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 81
Artikelen wetsvoorstel Artikelen Richtlijn 2001/83, Richtlijn 2001/20 of geldende
regelingen
26 37 BBA
27 lid 1 80 sub g en 79 sub b Richtlijn 2001/83
28 80 sub d Richtlijn 2001/83
29 lid 1 80 sub e Richtlijn 2001/83
30 lid 1 80 sub b Richtlijn 2001/83
30 lid 2 80 sub c Richtlijn 2001/83
31 lid 1 6 lid 1 Richtlijn 2001/83
31 lid 2 76 Richtlijn 2001/83
31 lid 3 sub a 3 lid 1 en 2, Richtlijn 2001/83
31 lid 3 sub b 3 lid 3 Richtlijn 2001/83
31 lid 3 sub c 5 Richtlijn 2001/83
31 lid 4 6 lid 2 Richtlijn 2001/83
31 lid 5 3 Besluit registratie geneesmiddelen (BRG)
31 lid 6 3 BRG
32 lid 1 8 lid 1 en 2 Richtlijn 2001/83
32 lid 2 8 lid 3 jo. Bijlage I Richtlijn 2001/83
32 lid 3 14 lid 1 Richtlijn 2001/83
32 lid 4 10 lid 1 sub a Richtlijn 2001/83
33 lid 1 Vgl. 3:17 AWB
33 lid 2 17 lid 1, 19 lid 3 en 18 Richtlijn 2001/83 en 7 BRG
33 lid 3 17 lid 2 Richtlijn 2001/83 en 7a BRG
33 lid 4 28 Richtlijn 2001/83 en 7b BRG
34 lid 1 3 WOG en 9 BRG
34 lid 2 28 Richtlijn 2001/83
35 lid 1 21 lid 1 Richtlijn 2001/83
35 lid 2 21 lid 4 Richtlijn 2001/83
35 lid 3 21 lid 3 en 28 lid 4 Richtlijn 2001/83
36 24 Richtlijn 2001/83
38 lid 1 29 lid 1 en 2, 30 en 31 Richtlijn 2001/83
38 lid 2 32, 33 en 34 Richtlijn 2001/83
38 lid 3 31 Richtlijn 2001/83
38 lid 4 34 lid 3 Richtlijn 2001/83
39 lid 1 23 Richtlijn 2001/83
39 lid 2 21 lid 2 Richtlijn 2001/83
39 lid 3 16 lid 2 sub a BRG
39 lid 4 16 lid 2 sub b BRG
40 17 BRG
41 lid 1 10 lid 1 BRG
41 lid 2 10 lid 2 BRG
41 lid 3 34 lid 3 Richtlijn 2001/83
42 lid 1 11 BRG
42 lid 2 17 lid 10 BRG
44 lid 1 4 BRG
44 lid 2 18 BRG
44 lid 3 23b BRG
45 39 Richtlijn 2001/83
46 70 lid 1 Richtlijn 2001/83
47 lid 1 71 lid 1 Richtlijn 2001/83
47 lid 2 71 lid 3 Richtlijn 2001/83
48 lid 1 74 Richtlijn 2001/83
49 73 Richtlijn 2001/83
50 lid 1 2 WOG
50 lid 3 14 WOG
50 lid 4 15 WOG
50 lid 5 16 WOG
50 lid 8 6 lid 1 WOG
50 lid 9 6 lid 5 WOG
50 lid 10 16 WOG
50 lid 11 6 lid 4 WOG
50 lid 12 6 lid 5 WOG
51 2 lid 1, en 2f WOG
52 14 lid 2 WOG
53 50 BBA
56 19 en 30 Besluit uitoefening artsenijbereidkunst (BUA)
57 lid 1 54 Richtlijn 2001/83
57 lid 2 sub a en b 62 Richtlijn 2001/83
57 lid 2 sub d 69 lid 2 Richtlijn 2001/83
58 lid 1 55 lid 2 Richtlijn 2001/83
58 lid 2 55 lid 3 Richtlijn 2001/83
59 lid 1 58 juncto 59 en 62 Richtlijn 2001/83
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 82
Artikelen wetsvoorstel Artikelen Richtlijn 2001/83, Richtlijn 2001/20 of geldende
regelingen
59 lid 2 59 lid 1 Richtlijn 2001/83
59 lid 3 69 lid 2 Richtlijn 2001/83
60 lid 1 56 en 63 lid 2 Richtlijn 2001/83
60 lid 2 63 lid 2 Richtlijn 2001/83
60 lid 3 63 lid 3 Richtlijn 2001/83
61 69 Richtlijn 2001/83
62 27 BUA en 14 Richtlijn 2001/20
63 101 en 102 Richtlijn 2001/83
64 lid 1 en 2 103 Richtlijn 2001/83
64 lid 3 104 lid 6 Richtlijn 2001/83
64 lid 4 104 lid 1, 2 en 3 Richtlijn 2001/83
64 lid 5 104 lid 5 Richtlijn 2001/83
64 lid 6 104 lid 4 Richtlijn 2001/83
65 107 Richtlijn 2001/83
66 108 Richtlijn 2001/83
68 86 lid 2 eerste en tweede gedachtestreepje Richtlijn 2001/83
69 lid 1 87 lid 1 Richtlijn 2001/83
69 lid 2 87 lid 2 Richtlijn 2001/83
70 88 lid 1 Richtlijn 2001/83
71 89 Richtlijn 2001/83
72 88 lid 2 Richtlijn 2001/83
73 90 sub a, b, c, d en h Richtlijn 2001/83
74 90 sub e, f , g, i, j, k, en l en 88 lid 3 Richtlijn 2001/83
75 90 sub d en 88 lid 4 Richtlijn 2001/83
76 lid 1 91 lid 1 Richtlijn 2001/83
76 lid 2, 3 en 4 92 lid 1, 2 en 3 Richtlijn 2001/83
77 96 Richtlijn 2001/83
78 93 Richtlijn 2001/83
79 sub a, b en c 94 en 95 Richtlijn 2001/83
80 lid 1 98 lid 1 Richtlijn 2001/83
80 lid 2 98 lid 2 Richtlijn 2001/83
81 Richtlijn 89/552/EEG zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/36/EG
84 lid 1 5.4.1.2 t/m 5.4.1.5 Voorontwerp 4e tranche Algemene wet
bestuursrecht (Awb)
84 lid 2 5.4.1.3 Awb
85 lid 1 5.4.1.5 lid 2 Awb
85 lid 2 5.4.1.5 lid 3 Awb
86 lid 1 5.4.1.6 lid 1 Awb
86 lid 2 5.4.1.6 lid 3 Awb
87 5.4.1.7 lid 2 Awb
88 5.4.2.1 Awb
89 5.0.11 Awb
90 5.4.2.2 Awb
91 5.4.2.6 lid 4 Awb
92 lid 1 5.4.2.3 lid 1 Awb
92 lid 2 5.4.2.3 lid 2 Awb
93 lid 1 5.4.2.4 lid 1 Awb
93 lid 2 5.4.2.4 lid 2 Awb
94 5.4.2.5 Awb
95 5.4.2.7 Awb
96 5.21 en 5.22 Awb
97 33 lid 2 WOG
98 lid 1 33 lid 1 WOG
98 lid 2 33 lid 2 WOG
101 21 lid 1 en bijlage BRG
Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 359, nr. 3 83