Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document:

Klik hier om de pdf te downloaden

Belastingplan 2013
Wet herziening fiscale behandeling
woon-werkverkeer
Wet herziening fiscale behandeling
eigen woning
Wet verhuurderheffing
Wetsvoorstel en Memorie van Toelichting
1
Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013)
VOORSTEL VAN WET
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het voor het jaar 2013 wenselijk is fiscale
maatregelen te treffen in het kader van vereenvoudiging, constructie- en fraudebestrijding, de
woningmarkt en inkomensbeleid;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Artikel I
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 2.10 wordt de tarieftabel vervangen door:
Bij een belastbaar
inkomen uit werk en
woning van meer dan
maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III
vermelde bedrag, vermeerderd met het
bedrag dat wordt berekend door het in
kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare
inkomen uit werk en woning dat het in
kolom I vermelde bedrag te boven gaat
I II III IV
– € 19 645 – 5,85%
€ 19 645 € 33 363 € 1 149 10,85%
€ 33 363 € 55 991 € 2 637 42%
€ 55 991 – € 12 140 52%
2
B. In artikel 2.10a wordt de tarieftabel vervangen door:
Bij een belastbaar
inkomen uit werk en
woning van meer dan
maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III
vermelde bedrag, vermeerderd met het
bedrag dat wordt berekend door het in
kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare
inkomen uit werk en woning dat het in
kolom I vermelde bedrag te boven gaat
I II III IV
– € 19 645 – 5,85%
€ 19 645 € 33 555 € 1 149 10,85%
€ 33 555 € 55 991 € 2 658 42%
€ 55 991 – € 12 081 52%
C. Artikel 6.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na onderdeel d, onder verlettering van de onderdelen e tot en
met h tot onderdelen f tot en met i, een onderdeel ingevoegd, luidende:
e. de krachtens de Zorgverzekeringswet verschuldigde bijdragen;.
2. In het eerste lid wordt na onderdeel g (nieuw), onder verlettering van de onderdelen h
en i (nieuw) tot onderdelen i en j, een onderdeel ingevoegd, luidende:
h. bij ministeriële regeling aangewezen uitgaven die vanwege wijziging van het bepaalde
bij of krachtens de Zorgverzekeringswet niet langer zijn aan te merken als uitgaven als bedoeld in
onderdeel g;.
3. In het tweede lid wordt ”Het eerste lid, onderdeel f” vervangen door: Het eerste lid,
onderdelen g en h.
D. Artikel 6.27 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid komt te luiden:
1. Scholingsuitgaven zijn de uitgaven die wegens het door de belastingplichtige volgen van
een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning zijn gedaan
voor:
a. lesgeld, cursusgeld, collegegeld, met uitzondering van de opslag, bedoeld in artikel 7.45,
eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, examengeld als
bedoeld in artikel 7.44 van die wet of promotiekosten;
b. door de onderwijsinstelling verplicht gestelde leermiddelen en beschermingsmiddelen.
3
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
a. leermiddel: een gebruiksvoorwerp gericht op het bijbrengen van studiegerelateerde
kennis en vaardigheden met uitzondering van computerapparatuur en bijbehorende
randapparatuur;
b. beschermingsmiddel: een studiegerelateerd gebruiksvoorwerp dat dient ter voorkoming
van verwonding van een persoon of ter voorkoming van schade aan kleding;
c. promotiekosten: de kosten van publicatie van het proefschrift alsmede de kosten van de
voorgeschreven kleding voor de promovendus en de paranimfen voor de promotieplechtigheid.
E. Artikel 6.28 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid vervalt onder vernummering van het tweede lid tot eerste lid.
2. In het eerste lid (nieuw) wordt “voorzover” vervangen door “voor zover”. Voorts wordt
“artikel 3.104, onderdelen d, e en h, onder 3°” vervangen door: artikel 3.104, onderdelen d, e, h,
onder 3°, m en q.
3. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:
2. Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking voor zover voor de
desbetreffende opleiding of studie aan de belastingplichtige een prestatiebeurs als bedoeld in de
artikelen 4.7, eerste en tweede lid, of 5.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 is
toegekend.
3. Indien de prestatiebeurs, bedoeld in het tweede lid, op grond van de bepalingen in
hoofdstuk 4, onderscheidenlijk hoofdstuk 5, van de Wet studiefinanciering 2000 definitief niet
wordt omgezet in een gift, komen de scholingsuitgaven die op grond van het tweede lid niet voor
aftrek in aanmerking zijn gekomen, alsnog voor aftrek in aanmerking in het jaar waarin die
prestatiebeurs definitief niet wordt omgezet in een gift.
4. De ingevolge het derde lid in aanmerking te nemen scholingsuitgaven worden gesteld op
een bedrag van € 2421 per studiejaar voor het hoger onderwijs en op een bedrag van € 1677 per
studiejaar voor het beroepsonderwijs waarop de prestatiebeurs, bedoeld in het tweede lid, die
definitief niet wordt omgezet in een gift betrekking heeft dan wel, indien dit lager is, op het bedrag
van die prestatiebeurs. Indien de omzetting van de prestatiebeurs niet het gehele studiejaar betreft
worden de in de eerste volzin opgenomen bedragen naar tijdsgelang herrekend.
F. Artikel 6.29 vervalt.
G. Artikel 6.30 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “voorzover” vervangen door: voor zover.
2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde lid tot tweede lid.
3. In het tweede lid (nieuw) wordt “is de door de belastingplichtige aan te geven periode
van niet meer dan zestien kalenderkwartalen waarin hij na het bereiken van de leeftijd van
achttien jaren maar” vervangen door: is een aaneengesloten periode van niet meer dan vijf
kalenderjaren waarin de belastingplichtige.
4
H. Het in artikel 8.11, tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd
met € 42.
I. In artikel 10.1 wordt “6.20, 6.29, 8.10” vervangen door: 6.20, 6.28, 8.10.
Artikel II
1. Voor een opleiding of studie in het studiejaar 2012-2013 waarvoor de belastingplichtige
in 2012 aanspraak heeft op studiefinanciering volgens de Wet studiefinanciering 2000 worden in
afwijking in zoverre van artikel I, onderdelen D, E, F en G, uitgaven voor lesgeld, cursusgeld of
collegegeld als bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting
2001 en uitgaven voor de middelen, bedoeld in artikel 6.27, eerste lid, onderdeel b, van die wet,
voor elke maand in het kalenderjaar 2013 waarin aanspraak op studiefinanciering bestaat in
aanmerking genomen tot het op grond van artikel 6.29, eerste en tweede lid, van die wet, zoals
dat op 31 december 2012 luidde, van toepassing zijnde bedrag.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien op scholingsuitgaven voor het studiejaar
2012-2013 die zijn gedaan in het kalenderjaar 2012 artikel 6.29, derde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zoals dat op 31 december 2012 luidde, van toepassing is.
Artikel III
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A. Aan artikel 19b wordt een lid toegevoegd, luidende:
9. Onze Minister kan in door hem aangewezen gevallen bepalen dat geen sprake is van een
prijsgeven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, ingeval de bij een verzekeraar als bedoeld in
artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel bij een lichaam als bedoeld in artikel 36b,
ondergebrachte aanspraken ingevolge een pensioenregeling op het ingangstijdstip van het
pensioen worden verminderd in verband met de vermogenspositie van de verzekeraar en blijkt dat
is voldaan aan de door Onze Minister te stellen voorwaarden. De in de eerste volzin bedoelde
voorwaarden kunnen mede betrekking hebben op het bepalen van de winst van de verzekeraar
voor de vennootschapsbelasting of een daarmee vergelijkbare buitenlandse belasting en van de
omvang van de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang in die verzekeraar voor de
toepassing van de inkomstenbelasting.
5
B. In artikel 20a, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:
Bij een belastbaar
loon van meer dan
maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III
vermelde bedrag, vermeerderd met het
bedrag dat wordt berekend door het in
kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te
boven gaat
I II III IV
– € 19 645 – 5,85%
€ 19 645 € 33 363 € 1 149 10,85%
€ 33 363 € 55 991 € 2 637 42%
€ 55 991 – € 12 140 52%
C. In artikel 20b, eerste lid, wordt de tarieftabel vervangen door:
Bij een belastbaar
loon van meer dan
maar niet meer dan bedraagt de belasting het in kolom III
vermelde bedrag, vermeerderd met het
bedrag dat wordt berekend door het in
kolom IV vermelde percentage te nemen
van het gedeelte van het belastbare loon
dat het in kolom I vermelde bedrag te
boven gaat
I II III IV
– € 19 645 – 5,85%
€ 19 645 € 33 555 € 1 149 10,85%
€ 33 555 € 55 991 € 2 658 42%
€ 55 991 – € 12 081 52%
D. Het in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd
met € 42.
E. In artikel 31a worden het in het tweede lid, aanhef, laatstgenoemde percentage en de
in het vijfde lid genoemde percentages verhoogd met 0,1%-punt.
Artikel IV
Onze Minister kan tot en met 31 december 2015 in door hem aangewezen gevallen bepalen
dat geen sprake is van een prijsgeven als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de
Wet op de loonbelasting 1964 ingeval de bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid,
onderdelen d of e, van die wet, dan wel bij een lichaam als bedoeld in artikel 36b van die wet,
6
ondergebrachte aanspraken ingevolge een pensioenregeling, waarvan de uitkeringen op 1 januari
2013 reeds zijn ingegaan, worden verminderd in verband met de vermogenspositie van de
verzekeraar en blijkt dat is voldaan aan de door Onze Minister te stellen voorwaarden. De in de
eerste volzin bedoelde voorwaarden kunnen mede betrekking hebben op het bepalen van de winst
van de verzekeraar voor de vennootschapsbelasting of een daarmee vergelijkbare buitenlandse
belasting en van de omvang van de verkrijgingsprijs van een aanmerkelijk belang in die
verzekeraar voor de toepassing van de inkomstenbelasting.
Artikel V
De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen wordt
als volgt gewijzigd:
A. Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:
c. loon: loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met daarin
begrepen:
1°. loon uit vroegere dienstbetrekking;
2°. loon ter zake waarvan de belasting ingevolge artikel 31 van de Wet op de loonbelasting
1964 wordt geheven van de inhoudingsplichtige;.
2. Het eerste lid, onderdeel d, vervalt.
3. In het eerste lid, onderdeel h, onder 2°, wordt ”het derde lid” vervangen door: het
tweede lid.
4. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot
tweede tot en met vierde lid.
B. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel d, vervalt.
2. In het vierde lid wordt “De in het eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e en f, opgenomen
bedragen, alsmede het toetsloon,” vervangen door: De in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e en f,
opgenomen bedragen.
C. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het in het eerste lid, onderdeel a, opgenomen bedrag wordt vervangen door “€ 2340”.
Voorts wordt “per kalenderjaar” vervangen door: per studiejaar.
2. Het in het eerste lid, onderdeel c, opgenomen bedrag wordt vervangen door “€ 2450”.
Voorts wordt “per kalenderjaar” vervangen door: per studiejaar.
3. In het eerste lid wordt na onderdeel c een onderdeel ingevoegd, luidende:
d. de in artikel 14, eerste lid, onderdeel e, bedoelde werknemer: € 350 per diploma voor
een opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en € 240 per diploma voor een
opleiding als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel d;.
7
4. In het eerste lid, onderdeel e, wordt “per kalenderjaar” vervangen door: per studiejaar.
5. In het eerste lid, onderdeel f, wordt “per kalenderjaar” vervangen door: per studiejaar.
6. Na het derde lid worden, onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot
zesde tot en met achtste lid, twee leden ingevoegd, luidende:
4. De in het eerste lid, onderdelen a, c, e en f, opgenomen bedragen worden in aanmerking
genomen:
a. bij een studie die het gehele studiejaar duurt: in het laatste loontijdvak dat in het
studiejaar eindigt of in het daaropvolgende loontijdvak;
b. bij een studie die gedurende het studiejaar eindigt: in het loontijdvak waarin de studie
eindigt of in het daaropvolgende loontijdvak.
Bij toepassing van de eerste volzin, onderdeel b, wordt het op grond van het eerste lid in
aanmerking te nemen bedrag naar tijdsgelang herrekend naar het aantal maanden waarin de
studie is gevolgd. Indien het op grond van de eerste en tweede volzin in aanmerking te nemen
bedrag meer bedraagt dan op grond van artikel 3, eerste lid, in aanmerking kan worden genomen,
wordt het restant in aanmerking genomen in het loontijdvak volgend op het laatste loontijdvak
waarin het bedrag ingevolge de eerste volzin in aanmerking wordt genomen.
5. Met betrekking tot de in artikel 14a, eerste lid, bedoelde werknemer wordt de
afdrachtvermindering voor het loontijdvak waarin de aanvraag, bedoeld in artikel 14a, eerste lid,
wordt afgegeven, per loontijdvak gesteld op een evenredig deel van de in het eerste lid, onderdeel
a, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel f, opgenomen bedragen. Het op grond van de eerste
volzin vastgestelde bedrag wordt in aanmerking genomen in het loontijdvak waarin de verklaring,
bedoeld in artikel 14a, eerste lid, wordt afgegeven of in het daaropvolgende loontijdvak.
7. In het zesde lid (nieuw) wordt “De in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e en f,
opgenomen bedragen worden” vervangen door: Het in het eerste lid, onderdeel b, opgenomen
bedrag wordt.
8. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:
7. De in het eerste lid, onderdeel d, opgenomen bedragen worden in aanmerking genomen
in het loontijdvak waarin het diploma wordt behaald of in het daaropvolgende tijdvak. Een diploma
wordt geacht te zijn behaald zodra zowel het bevoegd gezag als de deelnemer het diploma hebben
ondertekend. Indien het behaalde diploma betrekking heeft op een meerjarenopleiding wordt het
op grond van het eerste lid, onderdeel d, voor dat diploma in aanmerking te nemen bedrag met
inachtneming van artikel 14, vierde lid, vermenigvuldigd met de duur van die door de werknemer
gevolgde meerjarenopleiding.
D. In artikel 6, eerste lid, wordt “De in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, d en f,
opgenomen bedragen alsmede het toetsloon” vervangen door: De in artikel 5, eerste lid,
onderdelen a, b, c en f, opgenomen bedragen.
E. Artikel 13a vervalt.
8
F. In hoofdstuk V wordt vóór artikel 14 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 13
1. De afdrachtvermindering onderwijs geldt voor een werknemer die de intentie heeft:
a. een volledig onderwijsprogramma te volgen behoudens vrijstellingen op basis van vooropleiding
of ervaring die zijn verleend door de examencommissie van de onderwijsinstelling en zijn
vastgelegd in een schriftelijk besluit van die commissie dat voldoet aan bij ministeriële regeling
nader te stellen eisen; en
b. de opleiding af te sluiten met het voor die opleiding erkende diploma.
2. Indien de werknemer, bedoeld in het eerste lid, een opleiding volgt als bedoeld in:
a. artikel 14, eerste lid, onderdeel a: dient hij te voldoen aan de voor die opleiding
voorgeschreven urennormen, bedoeld in artikel 12.4a.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b. artikel 14, eerste lid, onderdeel d: dient hij te voldoen aan de voor die opleiding
vastgestelde studielast per studiejaar, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of de door de instelling in de onderwijs- en
examenregeling vastgelegde studielast per studiejaar voor een deeltijdopleiding, indien deze
afwijkt van de studielast, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van die wet;
c. artikel 14, eerste lid, onderdeel f: dient hij te voldoen aan de voor die opleiding
voorgeschreven urennormen, bedoeld in de artikelen 10b en 10b1 van de Wet op het voortgezet
onderwijs;
d. artikel 14, eerste lid, onderdeel g: dient hij te voldoen aan de voor die opleiding
voorgeschreven urennormen, bedoeld in artikel 7.2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
3. De in het eerste lid opgenomen intentie van de werknemer alsmede omvang, inhoud en
opleidingsniveau van het door de werknemer te volgen onderwijsprogramma dienen te blijken uit
een door de partijen, genoemd in artikel 14, eerste lid, onderdelen a, d of g, of artikel 10b3 van de
Wet op het voortgezet onderwijs, gezamenlijk ondertekende verklaring. De verklaring wordt als
bijlage bij de in artikel 14, eerste lid, onderdelen a, d, f of g, genoemde overeenkomst opgenomen
en bewaard bij de loonadministratie. Bij tussentijdse wijziging van de intentie van de werknemer of
van omvang en inhoud van het te volgen onderwijsprogramma dient de verklaring, bedoeld in de
eerste volzin, overeenkomstig te worden aangepast.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
inhoud van de verklaring, bedoeld in het derde lid.
G. Artikel 13, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel a wordt “artikel 14, eerste lid, onderdeel a” vervangen door “artikel 14,
eerste lid, onderdelen a of g” en wordt “artikel 12.4a.2” vervangen door: artikel 7.2.7.
2. Onderdeel d vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel c
door een punt.
H. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel e, vervalt.
2. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot derde
tot en met zevende lid.
9
3. In het derde lid (nieuw) wordt in de eerste volzin “op de voet van het eerste lid,
onderdelen b en c” vervangen door “, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c” en wordt in de
tweede volzin “op de voet van het eerste lid, onderdeel d” vervangen door: , bedoeld in het eerste
lid, onderdeel d.
4. Het vierde lid (nieuw) vervalt.
5. In het zevende lid (nieuw) wordt “de in het eerste lid, onderdeel h, het vijfde lid,
onderdeel b, en artikel 14a, eerste lid, bedoelde verklaringen” vervangen door: de in het eerste lid,
onderdeel h, en artikel 14a, eerste lid, bedoelde verklaringen.
I. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:
e. de werknemer die de opleiding, bedoeld in de onderdelen a of d, met goed gevolg heeft
afgerond, hetgeen blijkt uit het behaalde diploma;.
2. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
4. Onverminderd de toepassing van het derde lid is de afdrachtvermindering onderwijs met
betrekking tot een werknemer ten hoogste het aantal maanden van de maximaal op basis van
artikel 7.2.4, negende lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 7.4, 7.4b en 7.8a
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onderscheidenlijk artikel 10a
van de Wet op het voortgezet onderwijs, voorgeschreven opleidingsduur van toepassing,
vermenigvuldigd met de verhouding tussen de studieduur van het door die werknemer te volgen
onderwijsprogramma en de hiervoor bedoelde maximale studieduur van het volledige
onderwijsprogramma. Bij toepassing van de eerste volzin wordt de uitkomst naar boven afgerond
op hele maanden.
3. In het zevende lid (nieuw) wordt “bedoelde verklaringen” vervangen door: bedoelde
verklaringen alsmede een afschrift van het in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde diploma.
J. In artikel 14, vierde lid (nieuw), wordt “artikel 7.2.4, negende lid,” vervangen door:
artikel 7.2.4a.
K. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en
vierde lid.
2. In het vierde lid (nieuw) wordt “het vierde lid” telkens vervangen door: het derde lid.
L. Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het derde lid wordt “31 percent” telkens vervangen door “24 percent” en wordt
“€ 150 000” vervangen door: € 200 000.
2. In het vierde lid wordt “een veelvoud van € 5” vervangen door: een bedrag in hele
euro’s.
3. In het vijfde lid wordt “€ 8 500 000” telkens vervangen door: € 14 000 000.
4. In het zevende lid wordt “Het in het derde lid vermelde percentage van 31 wordt
vervangen door 46” vervangen door: Het in het derde lid vermelde percentage van 24 wordt
vervangen door 36.
10
M. Artikel 24, tweede lid, komt te luiden:
2. De S&O-inhoudingsplichtige aan wie een S&O-verklaring is afgegeven doet van het
aantal uren dat zijn werknemers hebben besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk in de
periode waarop de verklaring betrekking heeft, mededeling aan Onze Minister van Economische
Zaken, Landbouw en Innovatie, indien het aantal bestede uren minder is dan het in de S&Overklaring
opgenomen aantal. Indien het aantal bestede uren aan het speur- en ontwikkelingswerk
ten minste gelijk is aan het in de S&O-verklaring opgenomen aantal, doet de S&Oinhoudingsplichtige
aan wie de S&O-verklaring is afgegeven daarvan mededeling aan Onze Minister
van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.
N. Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de in artikel 24, tweede lid, bedoelde mededeling” vervangen
door: de mededeling, bedoeld in artikel 24, tweede lid, eerste volzin,.
2. In het tweede lid, onderdeel b, wordt “de verplichting bedoeld in artikel 24, tweede lid”
vervangen door: de verplichting, bedoeld in artikel 24, tweede lid, eerste volzin.
O. Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “artikel 24, eerste lid” vervangen door: artikel 24, eerste lid of
tweede lid, tweede volzin.
2. In het tweede lid wordt “artikel 24, tweede lid” vervangen door: artikel 24, tweede lid,
eerste volzin.
P. Artikel 29 komt te luiden:
Artikel 29
Teneinde zo veel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&O-afdrachtverminderingen en
het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kan bij regeling van Onze Minister van
Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, onder overeenkomstige aanpassing van dit artikel,
met ingang van 1 januari van enig jaar:
a. het in artikel 23, derde lid, vermelde percentage van 14, worden verhoogd tot ten
hoogste 25, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld;
b. het in artikel 23, derde en zevende lid, vermelde percentage van 24, worden verhoogd
tot ten hoogste 33,5, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld;
c. het in artikel 23, zevende lid, vermelde percentage van 36, worden verhoogd tot ten
hoogste 46, worden verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld.
De nieuwe percentages gelden met betrekking tot S&O-verklaringen die betrekking hebben
op een periode die aanvangt op of na de dag waarop de wijziging in werking treedt.
Q. Artikel 30a wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1.” geplaatst.
2. In het eerste lid (nieuw), eerste volzin, wordt “artikel 5, eerste lid” vervangen door
“artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b, c, e en f” en wordt “vervangen door andere” vervangen door:
bij ministeriële regeling gewijzigd in andere bedragen.
11
3. In het eerste lid (nieuw), tweede volzin, wordt “de te vervangen bedragen” vervangen
door: de te wijzigen bedragen.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 5, eerste lid, onderdeel g,
genoemde bedrag bij ministeriële regeling gewijzigd in een ander bedrag. Dit bedrag wordt
berekend door het te wijzigen bedrag te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in
artikel 10.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan
te brengen.
R. Artikel 30a, tweede lid (nieuw), wordt als volgt gewijzigd:
1. De eerste volzin komt te luiden: Bij het begin van het kalenderjaar worden de in artikel
5, eerste lid, onderdelen d en g, genoemde bedragen bij ministeriële regeling gewijzigd in andere
bedragen.
2. In de tweede volzin wordt “Dit bedrag wordt berekend door het te wijzigen bedrag”
vervangen door: Deze bedragen worden berekend door de te wijzigen bedragen.
S. Artikel 31 vervalt.
T. Na artikel 32 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
Hoofdstuk XIA Horizonbepaling
Artikel 32a
Hoofdstuk V vervalt met ingang van 1 januari 2018.
U. De artikelen 34 en 41a vervallen.
Artikel VI
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:
A. In artikel 10a, vierde lid, wordt in de aanhef “10, 10d, 13” vervangen door “10, 13” en
wordt in onderdeel d “15a, tenzij het de toepassing betreft van artikel 10d” vervangen door: 15a.
B. Artikel 10d vervalt.
C. In artikel 15ah, eerste lid, vervalt “zonder toepassing van artikel 10d”.
D. In artikel 17a, onderdeel d, wordt ” werkzaamheden die worden verricht als bestuurder
of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen” vervangen door: werkzaamheden die worden verricht als bestuurder of
commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake
rijksbelastingen alsmede leidende werkzaamheden en functies die worden verricht voor een
zodanig lichaam.
12
Artikel VII
De Wet op belastingen van rechtsverkeer wordt als volgt gewijzigd:
A. Aan artikel 13 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Bij algemene maatregel van bestuur kan, indien de ontwikkelingen van de
vastgoedmarkt daartoe aanleiding geven, in afwijking van het eerste lid tijdelijk een afwijkende
termijn worden vastgesteld waarbij voor woningen en niet-woningen een verschillende termijn
gehanteerd kan worden en voor zover nodig kan worden voorzien in overgangsrecht.
B. Aan artikel 14, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Onder woningen
worden mede begrepen aanhorigheden die tot woningen behoren of gaan behoren.
Artikel VIII
In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt artikel 67ca als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van het eerste lid, onderdeel e, wordt “, of” vervangen door een
puntkomma.
2. In het eerste lid wordt, onder vervanging van de komma aan het slot van onderdeel f
door een puntkomma, een onderdeel ingevoegd, luidende:
g. artikel 13, derde lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen;.
Artikel IX
In de Invorderingswet 1990 wordt na artikel 22 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 22bis
1. In dit artikel wordt verstaan onder bodemzaak: een zaak als bedoeld in artikel 22, derde
lid, die zich op de bodem van de belastingschuldige bevindt.
2. Houders van pandrechten of overige derden die geheel of gedeeltelijk recht hebben op
een bodemzaak, zijn gehouden de ontvanger mededeling te doen van het voornemen hun rechten
met betrekking tot deze bodemzaak uit te oefenen, dan wel van het voornemen enigerlei andere
handeling te verrichten of te laten verrichten waardoor die zaak niet meer kwalificeert als
bodemzaak.
3. Handelingen die worden verricht in de normale uitoefening van het bedrijf of beroep van
de belastingschuldige behoeven niet te worden gemeld.
4. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de in het
tweede lid bedoelde mededeling door de houders van pandrechten of overige derden moet worden
gedaan.
5. Gedurende vier weken na de mededeling, bedoeld in het tweede lid, mag de pandhouder
of overige derde die de mededeling heeft gedaan, zijn rechten op de bodemzaak niet uitoefenen
alsmede geen andere handeling verrichten of laten verrichten waardoor de ontvanger beperkt
wordt in zijn recht met betrekking tot de bodemzaak.
13
6. Indien de ontvanger na een mededeling als bedoeld in het tweede lid besluit geen beslag
te leggen op de bodemzaak, doet hij de pandhouder of de overige derde, bedoeld in dat lid,
daarvan zo spoedig mogelijk kennisgeving. Gedurende vier weken na de dagtekening van de
kennisgeving zijn de houders van pandrechten of de overige derden, bedoeld in het tweede lid, tot
wie die kennisgeving is gericht, bevoegd hun rechten met betrekking tot die bodemzaak uit te
oefenen, dan wel enigerlei handeling te verrichten dan wel te laten verrichten waardoor de zaak
niet meer als bodemzaak kwalificeert. Na verloop van vier weken na de dagtekening van de
kennisgeving is op handelingen die door de pandhouder of de derde, bedoeld in het tweede lid,
worden verricht dit artikel onverkort van toepassing. De vorige volzin is van overeenkomstige
toepassing indien de ontvanger geen kennisgeving doet, waarbij de termijn van vier weken
aanvangt na afloop van de in het vijfde lid genoemde termijn.
7. De pandhouder of de overige derde, bedoeld in het tweede lid, die in gebreke is
gebleven om de mededeling, bedoeld in dat lid, te doen, dan wel die handelt in strijd met het vijfde
lid, is op vordering van de ontvanger verplicht een met bescheiden gestaafde verklaring te doen
omtrent de executiewaarde van de zaak, bedoeld in het tweede lid, en vervolgens verplicht die
waarde aan de ontvanger af te dragen tot maximaal het bedrag van de materieel bestaande
belastingschulden van de belastingschuldige ter zake van de rijksbelastingen, bedoeld in artikel 22,
derde lid, op het tijdstip waarop de zaak niet meer als bodemzaak kwalificeert. Bij weigering
verklaring te doen, is de ontvanger bevoegd de executiewaarde te schatten. Bij weigering de
vordering van de ontvanger te voldoen, vordert de ontvanger de in de eerste volzin bedoelde
waarde in bij dwangbevel ten laste van de pandhouder of de derde, bedoeld in het tweede lid, als
ware die waarde een rijksbelasting.
8. Dit artikel is niet van toepassing indien de waarde van de bodemzaak bij het aangaan
van de overeenkomst tussen belastingschuldige en pandhouder of derden als bedoeld in het
tweede lid onder een bij ministeriële regeling vast te stellen drempel blijft.
9. Dit artikel vindt overeenkomstige toepassing tijdens de afkoelingsperiode.
Artikel X
Ingeval de samenloop van wetten die in 2012 in het Staatsblad zijn of worden gepubliceerd
en wijzigingen aanbrengen in één of meer belastingwetten, niet of niet juist is geregeld, of indien
als gevolg van die samenloop onjuistheden ontstaan in de aanduiding van artikelen,
artikelonderdelen, verwijzingen en dergelijke in de desbetreffende wetten, kunnen die wetten op
dit punt bij ministeriële regeling worden gewijzigd.
Artikel XI
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat:
a. artikel V, onderdelen M, N en O, voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot in
het kalenderjaar 2013 aan speur- en ontwikkelingswerk bestede uren;
b. artikel VI voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op
of na 1 januari 2013;
14
c. artikel IX voor het eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingschulden die zijn
ontstaan na 31 december 2012, en tot 1 april 2013 niet van toepassing is met betrekking tot
pandrechten en de andere rechten, bedoeld in artikel 22bis, tweede lid, van de Invorderingswet
1990, die zijn ontstaan voor 1 januari 2013.
2. In afwijking van het eerste lid treden artikel V, onderdelen C, F, I en R, en artikel VIII in
werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of
onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld en vinden deze artikelen en onderdelen
voor het eerst toepassing met betrekking tot het eerstvolgende studiejaar na het tijdstip van
inwerkingtreding.
3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel V, onderdelen G en J, in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende onderdelen verschillend kan worden
vastgesteld.
4. Artikel VII, onderdeel A, werkt terug tot en met 1 september 2012.
Artikel XII
Deze wet wordt aangehaald als: Belastingplan 2013.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven
De Minister van Financiën,
De Staatssecretaris van Financiën,
1
Wijziging van enkele belastingwetten en enige
andere wetten (Belastingplan 2013)
Memorie van toelichting
Inhoudsopgave
I. ALGEMEEN ………………………………………………………………………………………………………. 2
1. Inleiding……………………………………………………………………………………………………. 2
1.1. Begrotingsakkoord 2013…………………………………………………………………………… 2
1.2. Vereenvoudiging ……………………………………………………………………………………. 4
1.3. Fraude- en constructiebestrijding ……………………………………………………………….. 5
1.4. Horizonbepaling …………………………………………………………………………………….. 7
1.5. Indeling fiscaal pakket Belastingplan 2013…………………………………………………….. 8
1.6. Opzet algemeen deel ………………………………………………………………………………. 9
2. Inkomstenbelasting ……………………………………………………………………………………… 9
2.1. Vereenvoudiging scholingsuitgaven………………………………………………………………… 9
2.2. Dichten fiscale weglek zorgmaatregelen ………………………………………………………….. 9
3. Afstempeling eigenbeheerpensioenen ……………………………………………………………….10
4. Werkkostenregeling……………………………………………………………………………………..11
5. Afdrachtvermindering onderwijs ………………………………………………………………………11
6. S&O-afdrachtvermindering …………………………………………………………………………….14
7. Vennootschapsbelasting ………………………………………………………………………………..15
7.1. Afschaffen thincapregeling………………………………………………………………………..15
7.2. Buitenlandse belastingplicht bestuurdersbeloningen…………………………………………16
8. Wijzigingen overdrachtsbelasting……………………………………………………………………..17
8.1. Tijdelijke verlenging doorverkooptermijn ………………………………………………………17
8.2. Latere verkrijging aanhorigheden woningen…………………………………………………..17
9. Constructiebestrijding bodem(voor)recht……………………………………………………………17
10. Koopkracht- en lastenpakket…………………………………………………………………………22
11. Budgettaire aspecten ………………………………………………………………………………….23
12. EU-aspecten …………………………………………………………………………………………….25
13. Uitvoeringskosten Belastingdienst…………………………………………………………………..25
14. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger …………………………………………………………….25
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING …………………………………………………………………………27
2
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Traditioneel is het belastingplan bij een demissionair kabinet beperkt van omvang. Vanwege de
noodzaak de overheidsfinanciën gezond te maken ligt er dit jaar toch een aanzienlijk pakket. Een
belangrijk deel van het pakket vloeit namelijk voort uit het op 25 mei 2012 door de fracties van
VVD, CDA, D66, GroenLinks en de ChristenUnie gesloten Begrotingsakkoord 2013.1 In verband met
dit akkoord wordt de fiscale behandeling van de eigen woning en van woon-werkverkeer herzien en
wordt een verhuurderheffing ingevoerd. Naast het Begrotingsakkoord 2013 is de rode draad van
het pakket Belastingplan 2013, in lijn met de Fiscale agenda2, vereenvoudiging en fraude- en
constructiebestrijding. Dit zal in de volgende paragrafen worden toegelicht.
1.1. Begrotingsakkoord 2013
Het Begrotingsakkoord 2013 bevat een aanvullend pakket van consolidatie- en
hervormingsmaatregelen. Het pakket Belastingplan 2013 bevat een vijftal fiscale maatregelen uit
dit akkoord. Het gaat hierbij om maatregelen waarvoor opname in de Wet uitwerking fiscale
maatregelen Begrotingsakkoord 2013 respectievelijk de Wet verhoging AOW- en
pensioenrichtleeftijd niet mogelijk was. Dit wordt hierna toegelicht.
In de eerste plaats zijn de fiscale eigenwoningmaatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013
opgenomen in het wetsvoorstel Wet herziening fiscale behandeling eigen woning. In dit
wetsvoorstel wordt het volgende geregeld:
a) aanpassing van het begrip eigenwoningschuld waardoor de rente van leningen die op of na
1 januari 2013 zijn aangegaan alleen aftrekbaar is als die lening in maximaal 360 maanden
ten minste volgens een annuïtair aflossingsschema volledig wordt afgelost;
b) afschaffing van de vrijstelling in box 1 voor op of na 1 januari 2013 afgesloten
kapitaalverzekeringen eigen woning, beleggingsrechten eigen woning en spaarrekeningen
eigen woning;
c) overgangsrecht op grond waarvan een lening wordt aangemerkt als een bestaande lening
waarvoor eerbiedigende werking geldt of als een nieuwe lening waarvoor de nieuwe
regeling voor fiscale behandeling van de eigen woning geldt.
Vanwege de complexiteit van deze maatregelen was opname in de Wet uitwerking fiscale
maatregelen Begrotingsakkoord 2013 niet haalbaar en is gekozen voor een wetsvoorstel dat deel
uitmaakt van het pakket Belastingplan 2013. De budgettaire opbrengst van het wetsvoorstel Wet
herziening fiscale behandeling eigen woning bedraagt structureel € 5,2 miljard per jaar. Deze
structurele opbrengst wordt echter pas over 30 jaar bereikt, omdat er pas dan nog uitsluitend
leningen zijn die onder de nieuwe regeling vallen en omdat in de eerste jaren van een annuïtaire
hypotheek nog veel rente wordt betaald en afgetrokken. In de eerstkomende jaren is de
budgettaire opbrengst nog gering.
1 Bijlage 2 bij de Voorjaarsnota 2012, Kamerstukken II 2011/2012, 33 280, nr. 1.
2 Kamerstukken II 2010/11, 32 740, nr. 1.
3
In de tweede plaats maakt het wetsvoorstel Wet verhuurderheffing deel uit van het pakket
Belastingplan 2013. De verhuurderheffing is net als de fiscale eigenwoningmaatregelen onderdeel
van de woningmarktmaatregelen die in het Begrotingsakkoord 2013 zijn opgenomen. Daarnaast
vloeit de verhuurderheffing voort uit het Regeer- en Gedoogakkoord. De verhuurderheffing wordt
geheven bij verhuurders van meer dan 10 huurwoningen in de gereguleerde sector. De grondslag
voor de heffing wordt gevormd door de totale WOZ-waarde van die huurwoningen van de
verhuurder, verminderd met de waarde van 10 woningen (berekend naar de gemiddelde WOZwaarde
van alle huurwoningen in de gereguleerde sector van de verhuurder). Het voorgestelde
tarief bedraagt voor 2013 0,0014% en per 1 januari 2014 0,231%. De beoogde budgettaire
opbrengst bedraagt € 5 miljoen in 2013 en € 800 miljoen per jaar met ingang van 2014.
De overige woningmarktmaatregelen uit het Begrotingsakkoord 2013 zijn of worden elders
geregeld. De overdrachtsbelastingmaatregel is al opgenomen in de Wet uitwerking fiscale
maatregelen Begrotingsakkoord 2013. De aanpassing van de zogenoemde Loan-to-Value ratio3
wordt via een afzonderlijk wijzigingsbesluit geregeld.
In de derde plaats bevat het pakket Belastingplan 2013 het wetsvoorstel Wet herziening fiscale
behandeling woon-werkverkeer. Op grond van dit wetsvoorstel is de regeling voor onbelaste
reiskostenvergoedingen met ingang van 1 januari 2013 niet langer van toepassing op de kilometers
die in het kader van het woon-werkverkeer worden gemaakt. Dit levert een budgettaire opbrengst
van € 1,3 miljard structureel op. Ook deze maatregel vloeit voort uit het Begrotingsakkoord 2013.
Aanvankelijk werd beoogd deze herziening te regelen in de Wet uitwerking fiscale maatregelen
Begrotingsakkoord 2013. Het kabinet heeft echter uiteindelijk de voorkeur gegeven aan opname in
het pakket Belastingplan 2013. 4 Er bleek meer tijd nodig voor een verantwoorde en goed werkbare
uitwerking van de maatregel, met name voor de uitwerking van de meer uitvoeringstechnische
aspecten die aan deze maatregel zijn verbonden. 5
Ten vierde is in het Begrotingsakkoord 2013 vermeld dat een eventuele fiscale weglek door de
bezuinigingsmaatregelen in de zorg moet worden gedicht.6 Dit wetsvoorstel bevat in dit kader een
maatregel. Deze houdt in dat de uitgaven die niet langer onder de verzekerde zorg vallen, worden
uitgesloten van aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten.
Tot slot bevat het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2013 wijzigingen in een aantal sociale
zekerheids-, fiscale en overige wetten in verband met de voor het zomerreces aangenomen Wet
verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd. In de memorie van toelichting van de Wet verhoging
AOW- en pensioenrichtleeftijd is aangekondigd dat deze wijzigingen in een separaat
aanpassingstraject worden geregeld.7
3 De loan to value ratio (LTV) betreft de maximale omvang van de hypotheek ten opzichte van de woningwaarde. Deze wordt op grond
van het Begrotingsakkoord 2013 geleidelijk verlaagd van 106% naar 100%.
4 Kamerstukken I 2011/2012, 33 287, D, blz. 4, 5 en 6.
5 Zie voor de kosten van vervoer ook de zogenoemde “Hoofdlijnennotitie” van 4 juli 2012 over de complexiteit van de herziening van
fiscale behandeling van de kosten van vervoer (Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 23).
6 Kamerstukken II 2011/12, 33 280, nr. 1, blz. 22.
7 Kamerstukken II 2011/12, 33 290, nr. 3, blz. 2.
4
Kader 1 Maatregelen Begrotingsakkoord 2013 in pakket Belastingplan 2013
Pakket Belastingplan 2013
Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
1. Fiscale behandeling eigen woning
Wet verhuurderheffing
2. Verhuurderheffing
Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer
3. Afschaffen onbelaste reiskostenvergoeding woon-werkverkeer en maatregel auto van de
zaak
Belastingplan 2013
4. Dichten fiscale weglek zorgmaatregelen
Overige fiscale maatregelen 2013
5. Wijzigingen sociale zekerheids-, fiscale en overige wetten in verband met verhoging AOWleeftijd
1.2. Vereenvoudiging
Belastingheffing gaat onvermijdelijk gepaard met administratieve lasten en uitvoeringskosten voor
de Belastingdienst. Door de complexiteit van het huidige belastingstelsel zijn de administratieve
lasten en uitvoeringskosten echter relatief hoog. In lijn met de Fiscale agenda is het pakket
Belastingplan 2013 erop gericht om waar mogelijk vereenvoudigingen aan te brengen.
De persoonsgebonden aftrek voor scholingsuitgaven wordt vereenvoudigd, onder andere door het
laten vervallen van de complexe regeling voor belastingplichtigen met recht op studiefinanciering
(normbedragensystematiek).
De afdrachtvermindering onderwijs wordt eveneens eenvoudiger gemaakt. De
afdrachtvermindering startkwalificatie vervalt omdat deze weinig wordt gebruikt, terwijl deze
variant vanwege de voorwaarden bewerkelijk is voor zowel werkgevers, het UWV en de
Belastingdienst. Bovendien is er binnen deze regeling sprake van oneigenlijk gebruik. Verder wordt
het toetsloon van – kort gezegd – maximaal 130% van het wettelijk minimumloon voor werknemers
onder de 25 jaar afgeschaft omdat de vaststelling daarvan bewerkelijk is.
Binnen het pakket Belastingplan 2013 is budgettaire ruimte gevonden om de
onderkapitalisatieregeling in de vennootschapsbelasting (thincapregeling) af te schaffen, waarmee
de vennootschapsbelasting wordt vereenvoudigd.
De in dit wetsvoorstel voorgestelde aanpassingen in de Invorderingswet 1990 om het
bodem(voor)recht constructiebestendig te maken, leveren tevens een vereenvoudiging voor de
Belastingdienst op. Omdat de noodzaak om vroegtijdig arbeidsintensieve beslagprocessen in gang
te zetten hiermee vermindert, kan de Belastingdienst de invorderingscapaciteit efficiënter en
effectiever inzetten.
Op grond van het wetsvoorstel Wet elektronische registratie notariële akten vindt de registratie van
notariële akten voortaan langs elektronische weg door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie
plaats. Hierdoor hoeven de circa 1,5 miljoen notariële akten niet langer heen en weer te worden
gestuurd tussen de notaris en de Belastingdienst. Verder wordt de registratie van onderhandse
5
akten beperkt tot die akten waarvoor registratie een wettelijk vormvereiste is. Dit leidt tot een
aanzienlijke vermindering van administratieve lasten van notarissen en van de uitvoeringskosten
van de Belastingdienst.
Het overgangsrecht voor de uit het Belastingplan 2011 voortvloeiende verlaging van het tarief van
de assurantiebelasting op 1 januari 2015 wordt op grond van het wetsvoorstel Overige fiscale
maatregelen 2013 vereenvoudigd. Verzekeringsmaatschappijen mogen per verzekering kiezen of
zij het nieuwe tarief van toepassing willen laten zijn vanaf de eerstvolgende premievervaldatum of
vanaf de eerstvolgende prolongatiedatum na 31 december 2014. Dit voorkomt hoge
administratieve lasten voor de assurantiebranche.
Kader 2 Vereenvoudigingspakket
Pakket Belastingplan 2013
Belastingplan 2013
1. Vereenvoudiging scholingsuitgaven
2. Vereenvoudiging afdrachtvermindering onderwijs
3. Afschaffing thincapregeling
4. Constructiebestrijding bodem(voor)recht
Wet elektronische registratie notariële akten
5. Elektronische registratie notariële akten
Overige fiscale maatregelen 2013
6. Overgangsrecht assurantiebelasting
Bij het voorgaande wordt opgemerkt dat een deel van de maatregelen in het pakket Belastingplan
2013 geen vereenvoudigingen betreft. Dit geldt met name voor de maatregelen in het pakket die
uit het Begrotingsakkoord 2013 voortvloeien. Bij de uitwerking van deze maatregelen is binnen de
kaders van het Begrotingsakkoord 2013 echter steeds gekozen voor de meest eenvoudige
oplossing. Zo is er bijvoorbeeld bij de uitwerking van de verhuurderheffing voor gekozen deze te
heffen bij verhuurders van meer dan 10 huurwoningen, waardoor zowel de administratieve lasten
voor bedrijven als de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst aanzienlijk beperkt worden.
1.3. Fraude- en constructiebestrijding
Bij belastingfraude vindt ontduiking van de belastingwetgeving plaats waardoor geen of minder
belasting wordt betaald. Belastingfraude is onwenselijk. Het is schadelijk voor de
overheidsfinanciën en daarmee voor andere belastingbetalers die wel aan hun verplichtingen
voldoen. Daarnaast leidt belastingfraude tot een uitholling van het maatschappelijke draagvlak
voor belastingheffing. Bij constructies gaat het meestal om het bewust op een bepaalde wijze
vormgeven van activiteiten om door middel van een onbedoeld gebruik van wettelijke
mogelijkheden de belastingheffing in Nederland te verminderen of te vermijden.
Belastingontwijking door fiscale constructies is niet illegaal, maar vaak wel ongewenst. Het pakket
Belastingplan 2013 bevat diverse maatregelen om fraude en constructies effectief te kunnen
bestrijden.
De afdrachtvermindering onderwijs wordt aangepast om onbedoeld gebruik tegen te gaan en de
regeling toekomstbestendiger te maken. Dit voorkomt een verdere budgettaire oploop die naar
6
verwachting grotendeels wordt veroorzaakt door het toenemende onbedoelde gebruik binnen de
regeling. Zonder maatregelen komt het stimuleren van leerwerktrajecten die juist wel met de
regeling beoogd zijn te veel onder druk te staan.
In toenemende mate worden door in het buitenland gevestigde vennootschappen (met name
zogenoemde Belgische management-BVBA’s) managementdiensten verricht voor in Nederland
gevestigde vennootschappen zonder dat sprake is van formeel bestuurderschap. In die situatie is
thans geen heffing van vennootschapsbelasting mogelijk. Daarom wordt de buitenlandse
vennootschapsbelastingplicht met betrekking tot bestuurdersbeloningen uitgebreid.
De regelgeving over bodemrecht en bodemvoorrecht in de Invorderingswet 1990 wordt gewijzigd
om deze constructiebestendig te maken. Door verijdelingsconstructies dreigen het bodemrecht en
het bodemvoorrecht steeds meer een tandeloze tijger te worden. Dit terwijl het bodemrecht en
bodemvoorrecht van toepassing zijn op zakelijke belastingen die de ondernemer doorberekent aan
een derde of die worden afgedragen namens een derde zoals loonheffing en btw. Als deze
belastingschulden niet worden betaald is de Belastingdienst feitelijk bank van lening. Na
aanpassing kunnen de verhaalsrechten van de ontvanger effectiever worden gebruikt en hoeft
minder te worden afgeschreven op openstaande belastingschulden.
In de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt verduidelijkt dat bij ministeriële regeling kan
worden bepaald dat de belastingplichtige in bepaalde situaties in de aangifte het
burgerservicenummer van een derde moet opgeven. Het gaat hierbij om situaties waarbij de
belastingplichtige kosten in aftrek wil brengen die – spiegelbeeldig – bij de ontvanger (die derde)
tot belastbare inkomsten of belastbare winst kunnen leiden. Voorbeelden zijn
partneralimentatiebetalingen en rente over leningen ter verwerving, onderhoud of verbetering van
een eigen woning die zijn verstrekt door een aanbieder waarvoor geen renseigneringsverplichting
geldt. De vermelding van het burgerservicenummer van een derde in dergelijke situaties draagt
mede bij aan het voorkomen van fraude.
Bij aanslagbelastingen kan de Belastingdienst als de aangiftetermijn is verstreken en de aangifte
niet is gedaan, thans niet anders dan ambtshalve een aanslag vaststellen en daarbij gelijktijdig een
verzuimboete opleggen. Om de effectiviteit van deze verzuimboete verder te vergroten, wordt
geregeld dat de verzuimboete eerder dan de aanslag kan worden opgelegd. Daarbij kan worden
aangekondigd dat de verzuimboete wordt gematigd indien alsnog binnen een gestelde termijn
aangifte gedaan wordt. De ‘straf’ is duidelijk en belastingplichtigen hebben een laatste kans om
deze (deels) te ontlopen. Mocht de aangifte toch niet binnenkomen, dan wordt de verzuimboete
uiteraard gehandhaafd.
Zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 20 augustus jl. over de
fraudebestendigheid van toeslagen heeft de bestrijding van fraude en het voorkomen van
oneigenlijk gebruik de komende tijd onverminderd prioriteit.8
8 Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 146.
In dat kader wordt het sanctieinstrumentarium
van de Belastingdienst/Toeslagen aangescherpt.
7
Kader 3 Fraude- en constructiebestrijding
Pakket Belastingplan 2013
Belastingplan 2013
1. Beter richten afdrachtvermindering onderwijs
2. Buitenlandse belastingplicht bestuurdersbeloningen
3. Constructiebestrijding bodem(voor)recht
Overige fiscale maatregelen 2013
4. Opgaaf burgerservicenummer derde
5. Vergroten effectiviteit verzuimboete
6. Wijzigingen Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (opleggen vergrijpboete in
een eerder stadium, verhoging bedrag vergrijpboete bij recidive, uitblijven
informatieverstrekking over niet in Nederland belast inkomen, verstevigen strafrecht)
1.4. Horizonbepaling
In de Fiscale agenda is aangegeven dat het voor belastinguitgaven voor de hand ligt om een
horizonbepaling op te nemen. Het is immers een politieke afweging om voor specifieke situaties
een belastingvoordeel te geven, waarbij een dergelijke afweging niet voor de eeuwigheid geldt. De
horizonbepaling dwingt om opnieuw de afweging te maken of aan de belastinguitgave opnieuw
prioriteit wordt gegeven. Zoals in het Programma Regeldruk Bedrijven 2011-20159 is vermeld, wil
het kabinet stimuleren dat vaker wordt gekozen voor juridische instrumenten die positief kunnen
uitwerken op de regeldruk, zoals een horizonbepaling. In het Integraal Afwegingskader voor beleid
en wetgeving (IAK)10 wordt daarom ook nadrukkelijk aandacht besteed aan de mogelijkheid om
horizonbepalingen op te nemen.
Vorig jaar is voor drie belastinguitgaven in het pakket Belastingplan 2012 voorzien in een
zogenoemde horizonbepaling.11 Ook in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2012 is een
horizonbepaling voor een belastinguitgave voorgesteld.12
9 Bijlage bij het Kabinetsplan aanpak administratieve lasten, aangeboden bij brief van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie van 7 februari 2011, Kamerstukken II 2010/11, 29 515, nr. 327, blz. 4.
Recent is in opdracht van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de afdrachtvermindering onderwijs door onderzoeksbureau
Regioplan geëvalueerd. De onderzoekers hebben vastgesteld dat er sprake is van een groter
bewustzijn bij werkgevers met betrekking tot fiscaal gefaciliteerd opleiden van personeel en een
grotere bekendheid van de regeling bij werkgevers. Tevens zijn er verschillende vormen van
onbedoeld gebruik van de regeling geconstateerd. Daarnaast plaatsen de onderzoekers van
Regioplan kanttekeningen bij de effectiviteit en doelmatigheid van de regeling. Op grond van deze
bevindingen worden in dit wetsvoorstel maatregelen opgenomen om het onbedoelde gebruik tegen
te gaan. Deze aanpassingen in fiscale wet- en regelgeving hangen samen met aanpassingen in de
wetgeving van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gericht op het waarborgen van
de kwaliteit van opleidingen die via de afdrachtvermindering onderwijs (indirect) worden
gesubsidieerd. Dat is de reden dat in dit wetsvoorstel voor deze belastinguitgave een
horizonbepaling is opgenomen van vijf jaar. De bedoeling is dat na invoering van de noodzakelijke
maatregelen er binnen vijf jaar een vervolgevaluatie komt die moet aantonen of de genomen
maatregelen effectief zijn bij het tegengaan van onbedoeld gebruik en aantoonbaar hebben geleid
10 Bijlage bij het Kabinetsplan aanpak administratieve lasten, aangeboden bij brief van de Minister van Veiligheid en Justitie van 14 april
2011, Kamerstukken II 2010/11, 29 515, nr. 330.
11 Overigens is één van deze belastinguitgaven, namelijk de werkbonus, inclusief horizonbepaling op grond van de Wet uitwerking fiscale
maatregelen Begrotingsakkoord 2013 vervallen.
12 Het bij koninklijke boodschap van 25 april 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere
wetten (Fiscale verzamelwet 2012) (Kamerstukken 33 245). De horizonbepaling ziet op de kostenvergoeding voor pleegouders.
8
tot verbetering van de effectiviteit en doelmatigheid van de regeling. Indien dit niet het geval is zal
de regeling per 1 januari 2018 komen te vervallen. Uitgangspunt van het kabinet ten aanzien van
de horizonbepaling is dat, mocht de evaluatie ten behoeve van deze horizonbepaling aanleiding
geven voor beleidsbeëindiging, voor het oorspronkelijke doel (leerwerktrajecten) middelen
beschikbaar blijven. Deze nieuwe horizonbepaling voor een bestaande belastinguitgave is in lijn
met de motie Dijkgraaf.13
1.5. Indeling fiscaal pakket Belastingplan 2013
Het pakket Belastingplan 2013 bestaat uit zes wetsvoorstellen. Deze wetsvoorstellen worden in het
volgende kader opgesomd.
Kader 4 Indeling fiscaal pakket Belastingplan 2013
Wetsvoorstellen
1. Belastingplan 2013
2. Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
3. Wet verhuurderheffing
4. Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer
5. Wet elektronische registratie notariële akten
6. Overige fiscale maatregelen 2013
Het wetsvoorstel Belastingplan 2013 bevat zoals gebruikelijk maatregelen die primair betrekking
hebben op het budgettaire en koopkrachtbeeld van het komende jaar.
De wetsvoorstellen Wet herziening fiscale behandeling eigen woning, Wet verhuurderheffing en
Wet fiscale herziening woon-werkverkeer vloeien voort uit het Begrotingsakkoord 2013.
Daarnaast bevat het pakket Belastingplan 2013 een wetsvoorstel dat de elektronische registratie
van notariële akten regelt.
De overige maatregelen die uiterlijk op 1 januari 2013 in werking moeten treden, zijn
ondergebracht in het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2013.
Het onderhavige wetsvoorstel en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2013 zijn aan te
merken als inhoudelijke verzamelwetsvoorstellen. Beide wetsvoorstellen voldoen aan de criteria in
de Notitie Verzamelwetgeving.14 In de eerste plaats is in dit wetsvoorstel sprake van budgettaire
samenhang. De opbrengst van bepaalde maatregelen wordt gebruikt als dekking voor andere
maatregelen. Bij het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2013 is sprake van
uitvoeringstechnische samenhang, waarbij voor de doelgroep of de Belastingdienst gelijktijdige
invoering op 1 januari 2013 gewenst is. De onderdelen zijn niet van een omvang en complexiteit
waardoor zij een afzonderlijk wetsvoorstel rechtvaardigen. Voorts is het niet op voorhand de
verwachting dat een van de onderdelen dermate politiek omstreden is dat een goede parlementaire
behandeling van andere onderdelen in het geding komt.
13 Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 54.
14 Brief van de Staatssecretaris van V&J van 20 juli 2011, Kamerstukken I 2010/11, 32 500 VI, M.
9
1.6. Opzet algemeen deel
De hoofdstukken in het algemeen deel van deze toelichting zijn onderwerpsgewijs ingedeeld. Aan
het slot van het algemeen deel van de toelichting wordt in een aantal hoofdstukken ingegaan op de
budgettaire effecten, de EU-aspecten, de gevolgen voor de uitvoeringskosten van de
Belastingdienst en de gevolgen voor bedrijfsleven en burger van dit wetsvoorstel.
2. Inkomstenbelasting
2.1. Vereenvoudiging scholingsuitgaven
In het kader van complexiteitsreductie en betere uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de
persoonsgebonden aftrekpost scholingsuitgaven wordt een aantal maatregelen voorgesteld. Deze
maatregelen waren aanvankelijk opgenomen in het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet
studiefinanciering 2000.15
2.2. Dichten fiscale weglek zorgmaatregelen
In de eerste plaats wordt de aftrek van scholingsuitgaven beperkt tot de
verplicht gestelde en noodzakelijke kosten van de opleiding of studie. Daarnaast ontstaat een
belangrijke vereenvoudiging door de bestaande afwijkende regeling voor belastingplichtigen met
recht op studiefinanciering (normbedragensystematiek) te laten vervallen. Deze afwijkende
regeling is in de praktijk zeer complex gebleken voor zowel belastingplichtigen als de
Belastingdienst. Op grond van de voorgestelde regeling krijgen ook deze belastingplichtigen aftrek
van de limitatief opgesomde werkelijk gemaakte kosten. Verder wordt de aftrek van
scholingsuitgaven voor belastingplichtigen voor wie de prestatiebeurs achteraf niet in een gift
wordt omgezet (diploma niet op tijd gehaald) vereenvoudigd. Als laatste wordt de zogenoemde
standaardstudieperiode beter uitvoerbaar gemaakt door de periode van toepassing aaneengesloten
te maken. Door de voorgestelde maatregelen wordt de aftrek scholingsuitgaven eenvoudiger en
transparanter voor de belastingplichtige en beter uitvoerbaar en controleerbaar voor de
Belastingdienst. Het totale pakket aan maatregelen leidt tot een opbrengst van € 17,5 miljoen.
In het Begrotingsakkoord 2013 is opgenomen dat eventuele fiscale weglek als gevolg van
maatregelen in de zorg moet worden gedicht. Deze weglek bestaat eruit dat uitgaven die niet
langer onder de verzekerde zorg vallen aftrekbaar worden binnen de aftrek uitgaven voor
specifieke zorgkosten. In dit wetsvoorstel wordt de aftrek uitgaven specifieke zorgkosten zodanig
aangepast dat deze weglek zich niet voordoet. Meer in zijn algemeenheid bestaat de wens om de
regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten meer te laten aansluiten op het basispakket van de
zorgverzekering. Naar de mening van het kabinet moet voorkomen worden dat besparingen van
collectieve zorguitgaven door middel van versoberingen van het basispakket niet of slechts ten dele
worden bereikt doordat dergelijke uitgaven, als gevolg van het uitsluiten van vergoeding binnen
het basispakket, aftrekbaar worden binnen de fiscaliteit. Om deze weglek te voorkomen worden
enkele aanvullende aftrekbeperkingen binnen de aftrek uitgaven voor specifieke zorgkosten
voorgesteld. Ten eerste betreft dit het opnemen van een delegatiebevoegdheid waarmee uitgaven
15 Het bij koninklijke boodschap van 19 januari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering
2000 in verband met het onderbrengen van de basisbeurs voor studenten in de masterfase in het sociaal leenstelsel en het aanbrengen
van enkele vereenvoudigingen in het studiefinancieringsstelsel (Kamerstukken 33 145).
10
die als gevolg van wijzigingen binnen het basispakket aftrekbaar zouden worden binnen de
uitgaven voor specifieke zorgkosten, van aftrek kunnen worden uitgesloten. Van deze
delegatiebevoegdheid wordt vooralsnog gebruikgemaakt voor bepaalde fertiliteitbehandelingen en
voor bepaalde hulpmiddelen voor de mobiliteit die als gevolg van het Begrotingsakkoord 2013 niet
langer onder de verzekerde zorg vallen en dientengevolge tot fiscale weglek kunnen leiden. Ten
tweede betreft dit het opnemen van een aftrekbeperking voor eigen bijdragen die krachtens de
Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn. Vanuit het Begrotingsakkoord 2013 gaat het hierbij
bijvoorbeeld om de eigen bijdrage voor het verblijf in een instelling voor medisch-specialistische
zorg en een eigen bijdrage voor hoortoestellen.
3. Afstempeling eigenbeheerpensioenen
De leden Neppérus en Lodders hebben Kamervragen gesteld over de vermindering van
pensioenaanspraken van particuliere pensioen-bv’s. In het antwoord is toegezegd onder bepaalde
voorwaarden mogelijk te maken dat verzekeraars van zogenoemde eigenbeheerpensioenen van
directeuren-grootaandeelhouders (DGA’s), in overeenstemming met de betrokken deelnemers, de
aangegane pensioenverplichtingen kunnen verminderen als het vermogen van de verzekeraar in
relatie tot deze verplichtingen ontoereikend is.16 Daarom wordt voorgesteld onder bepaalde
voorwaarden eenmalig, op het tijdstip waarop het pensioen ingaat (pensioeningangsdatum), een
vermindering van de pensioenaanspraken goed te keuren. Met deze goedkeuring kan het op dat
moment in het eigenbeheerlichaam aanwezige vermogen door een verlaging van de
pensioenuitkeringen beter over de op de pensioeningangsdatum verwachte pensioenduur worden
gespreid. Hiermee wordt voor de pensioengerechtigde een meer op draagkracht gerichte heffing
over de pensioenuitkeringen gerealiseerd. Deze beleidswijziging acht het kabinet in het huidige
tijdsgewricht, waar regelmatig sprake is van reële ondernemings- en beleggingsverliezen bij het
eigenbeheerlichaam, gerechtvaardigd. Voor deze beleidswijziging is nodig dat de Wet LB 1964
wordt aangepast. Het prijsgeven van in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken door een
DGA kwalificeert op dit moment in beginsel17
16 Antwoord van 10 september 2012 op Kamervragen van de leden Neppérus en Lodders (2012Z03320).
immers als een onregelmatige handeling. Het
goedkeuren van het verminderen van pensioenaanspraken zal zo veel mogelijk worden beperkt tot
situaties waarbij de ”onderdekking” bij het eigenbeheerlichaam een gevolg is van reële beleggingsen
ondernemingsverliezen. Oneigenlijk gebruik van de voorgestelde regeling moet worden
voorkomen. Verder zullen de voorwaarden ten doel hebben de budgettaire effecten van de faciliteit
te beperken en de gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst te mitigeren. Het
verminderen van pensioenaanspraken zal om die reden alleen worden goedgekeurd op de
pensioeningangsdatum. De voorgestelde regeling voorziet derhalve in een eenmalige mogelijkheid
tot vermindering van pensioenaanspraken, namelijk op pensioeningangsdatum. Zonder nadere
regeling zouden daardoor niet voor de afstempelmogelijkheid in aanmerking komen gevallen
waarin de pensioenuitkeringen op 1 januari 2013 reeds lopen. Die situatie is ongewenst, zodat is
voorzien in een overgangsregeling. Die regeling bewerkstelligt dat in de periode 2013 tot en met
2015 ook in dergelijke situaties eenmalig een goedkeuring tot vermindering van
17 Het prijsgeven van in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken is op dit moment slechts mogelijk als sprake is van “niet voor
verwezenlijking vatbare rechten”. Aanspraken zijn volgens de geldende jurisprudentie uitsluitend ”niet voor verwezenlijking vatbaar” als
de verzekeraar in een fase van faillissement, surseance van betaling of schuldsanering verkeert.
11
pensioenaanspraken kan worden verleend. De te stellen voorwaarden zullen voor die situatie
overigens gelijk zijn aan de bij de reguliere regeling te stellen voorwaarden.
4. Werkkostenregeling
In afwachting van de resultaten van de in het Belastingplan 2012 aankondigde evaluatie van de
werkkostenregeling wordt vooralsnog de financiële ruimte ingevuld die daar voor verruiming van
deze regeling reeds was ingeboekt.
5. Afdrachtvermindering onderwijs
Vanuit de zorg voor de kwaliteit van opleidingstrajecten en budgettaire beheersbaarheid van de
afdrachtvermindering onderwijs ziet het kabinet zich genoodzaakt tot het nemen van maatregelen
om de afdrachtvermindering onderwijs toekomstbestendiger te maken. Hierbij zijn er twee sporen
te onderkennen. Allereerst zijn in dit wetsvoorstel maatregelen opgenomen in de fiscale wet- en
regelgeving. In de tweede plaats worden maatregelen voorbereid in onderwijswetgeving. De
bevindingen in de evaluatie die door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap rond
Prinsjesdag wordt verzonden, onderstrepen de noodzaak tot het treffen van dergelijke
maatregelen.
De afdrachtvermindering onderwijs beoogt werkgevers te ondersteunen die kosten maken voor
begeleiding van werknemers die een leerwerktraject volgen in het kader van een erkende mbo- of
hbo-opleiding met de intentie die opleiding ook met goed gevolg af te ronden. Hieronder wordt een
pakket aan maatregelen beschreven dat tot doel heeft doel en strekking van de
afdrachtvermindering onderwijs meer expliciet vast te leggen in de wettekst. Hierdoor wordt het
onbedoeld gebruik binnen de regeling tegengegaan. Tegelijkertijd wordt de regeling
toekomstbestendiger gemaakt. Dit is nodig om verdere budgettaire oploop te voorkomen die voor
een deel wordt veroorzaakt door het onbedoelde gebruik binnen de regeling. Zonder maatregelen
komt het stimuleren van leerwerktrajecten die juist wel met de regeling beoogd zijn te veel onder
druk te staan.
Volledige onderwijsprogramma’s uitgangspunt
In de wet wordt thans expliciet vastgesteld dat de afdrachtvermindering onderwijs in
overeenstemming met doel en strekking van de regeling geldt voor deelname aan een volledige
opleiding waarbij de intentie bestaat tot het behalen van een erkend diploma. Hierbij wordt
uiteraard rekening gehouden met vrijstellingen op basis van vooropleiding of ervaring. Het volgen
van delen van opleidingen (behoudens als gevolg van voornoemde vrijstellingen) alsmede het
onderhouden en verbeteren van kennis en vaardigheden wordt niet gestimuleerd via de
afdrachtvermindering onderwijs. Daarvoor worden de bestaande faciliteiten in de loonsfeer
voldoende geacht. In de praktijk blijken onderdelen uit onderwijsprogramma’s (bijvoorbeeld het
vak Nederlands uit een opleiding tot voedingsassistent) te worden geplukt met name om
afdrachtvermindering onderwijs te kunnen claimen. Het volgen van een module is echter niet gelijk
aan het volgen van de opleiding met het doel een diploma te halen. Voor dit soort gevallen is de
afdrachtvermindering onderwijs niet bedoeld.
12
Koppelen afdrachtvermindering aan inhoud en duur onderwijsprogramma
De omvang van het te volgen opleidingsprogramma wordt bepalend voor de maximale periode van
toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs. Met deze maatregel wordt voorkomen dat
opleidingstrajecten worden opgerekt om zo de maximale afdrachtvermindering onderwijs te
kunnen claimen (zoals bijvoorbeeld 8 uur onderwijs uitsmeren over een cursusjaar in plaats van
over bijvoorbeeld één maand). De afdrachtvermindering onderwijs is ten hoogste van toepassing
voor de periode dat het door de deelnemer te volgen onderwijsprogramma in verhouding staat tot
de volledige opleidingsduur. Indien bijvoorbeeld een opleiding twee jaar duurt, maar de werknemer
vanwege vrijstellingen slechts 60% van het totale opleidingsprogramma hoeft te volgen, dan is de
maximale duur van de afdrachtvermindering voor deze werknemer 60% van 24 maanden
(afgerond 15 maanden), ook indien hij feitelijk langer over zijn onderwijsprogramma doet.
Doorwerking voorgeschreven studielast (waaronder de 240-urennorm)
De inhoud en omvang van het onderwijsprogramma volgen uit de eisen die aan het
onderwijsprogramma worden gesteld op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs voor het
mbo en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor het hbo. Voor de
afdrachtvermindering bol (beroepsopleidende leerweg) en bbl (beroepsbegeleidende leerweg)
worden daarbij (deels op termijn) de in het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet educatie
en beroepsonderwijs18 opgenomen urennormen bepalend. Voor de afdrachtvermindering werkendleren
op hbo-niveau wordt de bestaande voorgeschreven studielast van 60 studiepunten per
studiejaar (1680 uren studie) bepalend of de door de instelling in de onderwijs- en examenregeling
vastgelegde studielast per studiejaar voor een deeltijdopleiding indien deze afwijkt van
voornoemde voorgeschreven studielast. Voor het bbl-onderwijs wordt op basis van voornoemd
wetsvoorstel een vaste urennorm van 240 begeleide onderwijsuren en ten minste 610 klokuren
voor de beroepspraktijkvorming per studiejaar ingevoerd. Deze norm gaat gelden voor zowel het
bekostigd als het niet-bekostigd onderwijs. Als gevolg van het onverkort toepassen van deze
urennorm voor de afdrachtvermindering onderwijs worden opleidingen die niet aan deze urennorm
voldoen uitgesloten. Het betreft niet-bekostigde maatwerkopleidingen of het zogenoemde
afstandsonderwijs. Deze typen van onderwijs hebben een andere insteek dan de
beroepspraktijkvorming die is beoogd binnen de afdrachtvermindering onderwijs te worden
gestimuleerd.
Programmaverklaring en sanctie
Naast de kwaliteitseisen rond het opleidingsniveau is het tevens van belang eenvoudiger te kunnen
vaststellen dat het ook de bedoeling van werkgever, leerling en opleidingsinstituut is om een
volwaardig opleidingstraject te volgen en af te ronden. Anders zou het kunnen blijven bij louter
inschrijven. Het vastleggen geschiedt door middel van een programmaverklaring, waarin
onderwijsinstelling, werkgever en leerling-werknemer vastleggen dat het de intentie is een
volledige opleiding te volgen en deze met een erkend diploma af te ronden. Deze door de
betrokken partijen gezamenlijk ondertekende programmaverklaring moet als bijlage bij de
beroepspraktijkvormingsovereenkomst (bol en bbl), de onderwijsarbeidsovereenkomst (werkend-
18 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet educatie en
beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het moderniseren van de
bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
13
leren op hbo-niveau) of de leer-werk-overeenkomst (vmbo) worden opgenomen. Daarin dient
tevens te worden vermeld welk deel van de opleiding wordt gevolgd (rekening houdend met
vrijstellingen), waar het te volgen deel uit bestaat (modules) en welke opleidingsduur daarmee
gemoeid is. Bij tussentijdse wijziging van de intentie-vereisten of tussentijdse wijziging van de
omvang en inhoud van het te volgen onderwijsprogramma dient de programmaverklaring te
worden aangepast. Indien niet aan de verplichting tot het vaststellen, tussentijds aanpassen en
bewaren bij de loonadministratie van voornoemde verklaring wordt voldaan kan de inspecteur aan
de inhoudingsplichtige een sanctie in de vorm van een verzuimboete opleggen. Deze boete
bedraagt in beginsel € 2460 en kan in uitzonderlijke gevallen worden verhoogd tot het wettelijke
maximum van € 4920. Met de sanctie wordt beoogd te voorkomen dat de deelname van de
werknemer aan het opleidingsprogramma ten behoeve van het (maximaal) kunnen claimen van
afdrachtvermindering onderwijs anders wordt gepresenteerd dan feitelijk het geval is.
Koppelen afdrachtvermindering aan behalen diploma
Om werkgevers te stimuleren zich nog meer in te spannen hun duale werknemers een diploma te
laten behalen wordt voorgesteld een aanvullende afdrachtvermindering in te voeren voor de
varianten bbl en werkend-leren op hbo-niveau. Deze aanvullende afdrachtvermindering wordt aan
het einde van de opleiding, bij het met goed gevolg afronden van de opleiding (behalen van het
beoogde diploma), in aanmerking genomen. Daartoe wordt de gedurende de opleiding in
aanmerking te nemen afdrachtvermindering onderwijs voor de varianten bbl en werkend-leren op
hbo-niveau verlaagd. Vanwege de uitvoerbaarheid wordt voorgesteld de aanvullende
afdrachtvermindering bij het behalen van een diploma niet tranchegewijs in te voeren, maar ook
aan bestaande gevallen toe te kennen.
Jaarsystematiek
Met het koppelen van de afdrachtvermindering onderwijs aan de inhoud en duur van
onderwijsprogramma’s dient de systematiek van het in aanmerking nemen van de
afdrachtvermindering onderwijs te worden aangepast. Zo is voornoemde 240-urennorm
bijvoorbeeld flexibel in te delen binnen het studiejaar. De vaststelling of aan die norm is voldaan,
kan dan ook pas achteraf aan het einde van het studiejaar plaatsvinden. Voor de varianten
afdrachtvermindering onderwijs bol, bbl, werkend-leren op hbo-niveau en vmbo gaat dan ook een
jaarsystematiek van claimen gelden. Het jaarbedrag van de afdrachtvermindering wordt dan in één
keer in aanmerking genomen in plaats van verdeeld over de tijdvakken in het kalenderjaar. Omdat
het jaarlijks claimen leidt tot het in aanmerking nemen van een groter bedrag ineens wordt de
mogelijkheid geboden om indien de loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen in het
desbetreffende loontijdvak niet toereikend is het restant in het daaropvolgende loontijdvak in
aanmerking te nemen.
Vervallen afdrachtvermindering onderwijs voor startkwalificatie
De afdrachtvermindering onderwijs startkwalificatie ziet op mbo-opleidingen op niveau 1 of 2 en
geldt alleen voor de werkgever van voormalig werklozen of personen die instromen vanuit een reintegratietraject
van het UWV of een gemeente. De afdrachtvermindering startkwalificatie is
vanwege de (administratieve) voorwaarden bewerkelijk voor zowel werkgevers als voor het UWV
14
en de Belastingdienst. Zo moet de werkgever over een verklaring van de opleidingsinstelling
beschikken alsmede over een verklaring van het UWV WERKbedrijf. In de praktijk voldoet deze
laatstgenoemde verklaring niet. Uit de evaluatie blijkt dat leerling-werknemers gevraagd wordt zich
te melden als werkzoekende. Tevens komt het signaal van het UWV dat er weinig verklaringen
afgegeven worden. Daarom wordt voorgesteld de afdrachtvermindering onderwijs voor
startkwalificatie af te schaffen. Deze afdrachtvermindering kent overigens samenloop met de
afdrachtvermindering onderwijs leerwegen bol en bbl. De werkgever die werknemers opleidt tot
startkwalificatieniveau kan dus, ook na het vervallen van deze specifieke variant
afdrachtvermindering, nog steeds een tegemoetkoming in zijn kosten voor begeleiding ontvangen.
Vervallen van het toetsloon voor de varianten bbl en werkend-leren op hbo-niveau.
Het toetsloon geldt nu voor de varianten bbl en werkend-leren op hbo-niveau en voor de
startkwalificatie. Deze laatste vervalt zoals hierboven is toegelicht. Het toetsloon houdt in dat de
genoemde afdrachtverminderingen voor werknemers onder de 25 jaar die voor het overige aan de
voorwaarden voldoen niet van toepassing zijn wanneer zij een loon hebben van meer dan 130%
van het wettelijk minimumloon (WML).19 Het vaststellen van het loon dat moet worden getoetst
aan deze grens is als gevolg van de verschillen tussen het toetsloon en het fiscale loon bewerkelijk
voor zowel de werkgever als de Belastingdienst. Als gevolg van het feit dat ook in hoogte
fluctuerende beloningen, zoals overwerktoeslagen, tot het fiscale loon behoren, is het fiscale loon
echter niet geschikt als toetsloon. Met het oog op het terugbrengen van de complexiteit van
regelgeving en uitvoering wordt daarom voorgesteld het toetsloon te laten vervallen. De werkgever
kan dan in voorkomende gevallen ook afdrachtvermindering bbl en werkend-leren op hbo-niveau
claimen indien zijn werknemer die jonger is dan 25 jaar meer dan 130% van het WML verdient.
Het vervallen van het toetsloon leidt dus tevens tot een verruiming van de genoemde varianten
afdrachtvermindering. Deze maatregel leidt tot vereenvoudiging van regelgeving en uitvoering en
vermindert de administratieve lasten voor werkgevers.
6. S&O-afdrachtvermindering
De S&O-afdrachtvermindering is al jaren een veel gebruikt instrument ter bevordering van
innovatie. Uit de evaluatie over de periode 2006-201020 blijkt dat de S&O-afdrachtvermindering
doet wat hij beoogt, namelijk het bevorderen van de private loonuitgaven aan speur- en
ontwikkelingswerk. Daarnaast draagt de S&O-afdrachtvermindering bij aan de verbetering van de
kwaliteit van het speur- en ontwikkelingswerk in Nederland en is de S&O-afdrachtvermindering
gunstig voor het vestigingsklimaat.
Zoals reeds aangekondigd in de kabinetsbrief ”bedrijfslevenbeleid in uitvoering”21
19 In 2012 bedraagt het toetsloon € 24.170.
biedt de
evaluatie handvatten voor een budgetneutrale herschikking van de S&O-afdrachtvermindering.
Daarmee kan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de regeling worden bevorderd. Het kabinet
kiest ervoor om de eerste schijf te verlengen naar € 200.000. Deze maatregel is met name van
belang om het MKB meer mogelijkheden te bieden om door te groeien, omdat vooral de kleinere
tot middelgrote bedrijven van een schijfverlenging profiteren. Uit de evaluatie is gebleken dat het
20 Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 32 637 nr. 32.
21 Kamerstukken II 2011/12, 32 637 nr. 32.
15
verlengen van de eerste schijf bedrijven tot meer speur- en ontwikkelingswerk heeft aangezet.
Verder acht het kabinet het van belang om, met het oog op het vestigingsklimaat, het plafond van
de S&O-faciliteit evenals in voorgaande jaren vast te stellen op € 14 miljoen.
Als dekking van deze verruimingen wordt het tarief in de eerste schijf verlaagd naar 38% en wordt
het starterstarief verlaagd tot 50%. Dat sluit aan op de uitkomst van de evaluatie dat de
effectiviteit van hogere percentages beperkter is. Daarnaast wordt een aantal technische
maatregelen genomen, die zijn gebaseerd op het rapport Innovatie en toegepast onderzoek
(2010)22. Dit rapport vloeit voort uit een onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de brede
heroverwegingen. Zo wordt voortaan het uurloon naar boven afgerond op hele euro’s in plaats van
op een veelvoud van € 5 en vervalt de margeregeling.
In de onderstaande tabel zijn de parameters voor de S&O-afdrachtvermindering weergegeven:
Tabel 1 Parameters S&O-afdrachtvermindering
2010 2011 2012 2013 (BP
2012)
2013 (BP
2013)
1e schijf 50% 50% 42% 45% 38%
1e schijf starters 64% 64% 60% 60% 50%
Loongrens € 220.000 € 220.000 € 110.000 € 150.000 € 200.000
2e schijf 18% 18% 14% 14% 14%
Plafond € 14 mln. € 14 mln. € 14 mln. € 8,5 mln. € 14 mln.
Het structurele budget van de S&O-afdrachtvermindering bedraagt € 715 miljoen. Het gebruik van
de S&O-afdrachtvermindering heeft in 2011 geleid tot een overschrijding van het budget met
€ 45 miljoen. Die overschrijding moet worden gedekt in 2013. Dat gebeurt deels door de hiervoor
aangekondigde maatregelen en deels door een incidentele verhoging van het budget in 2013 met
€ 20 miljoen. De maatregelen voor de S&O-afdrachtvermindering voor 2013 worden ingevuld met
inachtneming van de in de memorie van toelichting op het Belastingplan 2012 beschreven
budgetsystematiek. Deze budgetsystematiek brengt voorts met zich dat de bovenstaande
percentages, op basis van bekende gegevens over de ontwikkeling van het gebruik van de regeling
in het lopende jaar, bij regeling van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie
om budgettaire redenen voor aanvang van 1 januari 2013 kunnen worden aangepast.
7. Vennootschapsbelasting
7.1. Afschaffen thincapregeling
Voorgesteld wordt de onderkapitalisatieregeling (thincapregeling) af te schaffen. Deze regeling past
bij nadere beschouwing niet goed bij de andere aftrekbeperkingen in de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) die alle ten doel hebben bepaalde onwenselijke
situaties te treffen waarin belastingplichtigen de grenzen hebben opgezocht. Daarnaast is gebleken
dat deze regeling ook belastingplichtigen uit het midden- en kleinbedrijf raakt, voor wie de regeling
niet was bedoeld. In de memorie van toelichting bij de Wet uitwerking fiscale maatregelen
22 Bijlage bij: Kamerstukken II 2009/10, 32 359 nr. 2.
16
Begrotingsakkoord 2013 was al aangekondigd dat de zogenoemde onderkapitalisatieregeling zal
worden afschaft mits daarvoor de benodigde dekking binnen het pakket Belastingplan 2013 kon
worden gevonden.23 Deze dekking is binnen het totale pakket beschikbaar.
7.2. Buitenlandse belastingplicht bestuurdersbeloningen
In het buitenland gevestigde lichamen zijn in Nederland belastingplichtig voor de
vennootschapsbelasting ter zake van onder meer de werkzaamheden die worden verricht als
bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam. In dit kader wordt het begrip
bestuurder over het algemeen formeel uitgelegd. Dit betekent dat een in het buitenland gevestigd
lichaam thans alleen ter zake van de beloning voor werkzaamheden verricht als bestuurder van
een in Nederland gevestigd lichaam in de Nederlandse belastingheffing kan worden betrokken voor
zover het als statutaire bestuurder kwalificeert. Inmiddels is gebleken dat hierop in de praktijk
wordt ingespeeld, met name in relatie tot België. In toenemende mate worden door in dat land
gevestigde vennootschappen, veelal zogenoemde Belgische management-BVBA’s (besloten
vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid), bestuurswerkzaamheden en
managementdiensten verricht voor in Nederland gevestigde vennootschappen zonder dat sprake is
van formeel bestuurderschap. De managementvergoeding is hierbij veelal veel hoger dan de
vergoeding voor de (resterende) werkzaamheden van de formele bestuurder (waarover Nederland
wel kan heffen). Daarom wordt voorgesteld om de buitenlandse vennootschapsbelastingplicht met
betrekking tot bestuurdersbeloningen uit te breiden. Met de wijziging wordt de mogelijkheid
gecreëerd om behalve de beloning voor het formele bestuurderschap, ook de beloning voor de door
een in het buitenland gevestigd lichaam verrichte materiële bestuurswerkzaamheden of
managementdiensten voor een in Nederland gevestigd lichaam in de Nederlandse heffing van
vennootschapsbelasting te betrekken.
De genoemde uitbreiding heeft in verdragssituaties uiteraard alleen effect in relatie tot landen
waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat de
heffingsbevoegdheid over vergoedingen voor dergelijke materiële bestuurswerkzaamheden toewijst
aan de staat waarin het lichaam waarvoor de werkzaamheden worden verricht is gevestigd (in casu
Nederland). De verruiming heeft dan ook met name betekenis in de relatie met België, aangezien
in het belastingverdrag met België een specifieke bestuurdersbepaling met een ruime reikwijdte is
opgenomen.24 Met de voorgestelde uitbreiding wordt aldus invulling gegeven aan de
heffingsbevoegdheid die aan Nederland wordt verleend ingevolge het belastingverdrag met België.
Daarnaast heeft de voorgestelde uitbreiding uiteraard betekenis in niet-verdragssituaties.
23 Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 3, blz. 13.
24 Artikel 16, paragraaf 2, van het op 5 juni 2001 te Luxemburg tot stand gekomen verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het
Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot
belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 2001, 136).
17
8. Wijzigingen overdrachtsbelasting
8.1. Tijdelijke verlenging doorverkooptermijn
De termijn waarbij in geval van doorverkoop een vermindering van overdrachtsbelasting kan
worden verkregen is op dit moment zes maanden. Binnen de huidige stagnerende vastgoedmarkt
is deze doorverkooptermijn van zes maanden over het algemeen veel te kort. In het Belastingplan
2011 is de doorverkooptermijn tijdelijk verruimd naar 12 maanden. Deze verruiming is echter
slechts van toepassing op in 2011 verkregen woningen. Om de gehele vastgoedmarkt tegemoet te
komen, is het kabinet voornemens om de termijn van zes maanden in de overdrachtsbelasting
voor de doorverkoop van een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen tijdelijk
te verruimen tot 36 maanden. Naar verwachting zal het herstel van de vastgoedmarkt een
geleidelijk proces zijn. Dit noopt tot een flexibele faciliteit die bij herstel van de vastgoedmarkt
geleidelijk afgebouwd kan worden. Om die reden kan een dergelijke faciliteit volgens het kabinet
het beste bij algemene maatregel van bestuur getroffen worden. Het wetsvoorstel voorziet daartoe
in een delegatiebepaling. Deze delegatiebepaling zal worden gebruikt om zowel voor woningen als
niet-woningen de doorverkooptermijn van zes maanden per 1 januari 2013 te verruimen tot 36
maanden voor de periode tot 1 januari 2015. Om uitsteleffecten te voorkomen, is reeds eerder bij
beleidsbesluit25 goedgekeurd dat, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, de
doorverkooptermijn van 36 maanden al met ingang van 1 september 2012 kan worden toegepast.
Dit houdt, eenvoudig gezegd, in dat als een onroerende zaak in de periode van 1 september 2012
tot 1 januari 2015 wordt verkregen, bij een opvolgende verkrijging van deze onroerende zaak door
een ander binnen 36 maanden slechts over de meerwaarde overdrachtsbelasting is verschuldigd.
8.2. Latere verkrijging aanhorigheden woningen
Naar aanleiding van het structureel maken van de verlaging van het tarief van de
overdrachtsbelasting is de reikwijdte van dit lage tarief nader bezien. Voorgesteld wordt om het
woningbegrip enigszins uit te breiden met aanhorigheden van woningen die op een later tijdstip
worden verkregen dan de woning zelf. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een latere
verkrijging van een garage. Door de uitbreiding van het woningbegrip wordt het
overdrachtsbelastingtarief van 2% voor woningen ook van toepassing op aanhorigheden die op een
later tijdstip dan de woning zelf worden verkregen en tot deze woning gaan behoren.
9. Constructiebestrijding bodem(voor)recht
Algemeen
Het bodemrecht en het bodemvoorrecht zijn voor de ontvanger in het dwanginvorderingsproces bij
ondernemers van essentieel belang. Door verijdelingsconstructies dreigen deze middelen echter
steeds meer een tandeloze tijger te worden. Dit terwijl het bodemrecht en bodemvoorrecht van
toepassing zijn op zakelijke belastingen die de ondernemer doorberekent aan een derde of die
worden afgedragen namens een derde zoals loonheffing en btw. Als deze belastingschulden niet
worden betaald is de Belastingdienst feitelijk bank van lening. Daarom worden aanpassingen in de
25 Besluit van 31 augustus 2012, nr. BLKB 2012/1399M (Stcr. nr. 18138, 3 september 2012).
18
Invorderingswet 1990 voorgesteld. Deze zijn bedoeld om het bodem(voor)recht
constructiebestendig te maken. Het gevolg daarvan is dat door een effectiever gebruik van de
verhaalsrechten van de ontvanger minder hoeft te worden afgeschreven op openstaande
belastingschulden. Door vermindering van de noodzaak om vroegtijdig arbeidsintensieve
beslagprocessen in gang te zetten bespaart de Belastingdienst bovendien op invorderingscapaciteit.
De verijdeling van constructies met betrekking tot het bodem(voor)recht leidt enerzijds tot een
vermindering van het aantal geforceerde bedrijfsbeëindigingen doordat voor kredietverleners de
verhaalspositie van de Belastingdienst van meet af aan duidelijk is. Anderzijds wordt daarmee
welvaartsverlies voorkomen omdat het ook gebeurt dat kredietverleners bedrijven bij
bodemconstructies langer laten doormodderen dan wenselijk is.26 Voorts zien curatoren in
faillissementen meer bodemzaken in de boedel terechtkomen omdat pandhouders, anders dan nu
het geval is, minder vaak geneigd zullen zijn verhaalsobjecten buiten de boedel om tot zich te
nemen. De aanpak van bodemverhuurconstructies levert dan naar verwachting meer middelen in
de boedel op en dientengevolge meer financiële ruimte voor bestrijding van faillissementsfraude.
Daarnaast versoepelt en vereenvoudigt het kabinet het uitstelbeleid voor compliante ondernemers
teneinde een evenwichtig invorderingsbeleid voor ondernemers te creëren. Deze maatregel levert
de Belastingdienst bovendien een besparing op in de uitvoeringskosten doordat in minder gevallen
arbeidsintensieve onderzoeksprocessen hoeven te worden ondernomen met betrekking tot de
liquiditeits- en vermogenspositie van de ondernemer.
Constructies gericht op uitholling van het bodem(voor)recht
Bij ondernemers ontbreekt een inherente prikkel om bij oplopende schulden de Belastingdienst als
eerste te betalen. Kredietverleners zijn voor de continuïteit van de bedrijfsvoering van groot
belang. Voor de Belastingdienst geldt dit niet. Dit leidt ertoe dat ondernemers bij
betalingsproblemen als eerste met deze crediteuren gaan praten. De Belastingdienst komt in de
regel dus pas later aan de beurt. Dit leidt tot oplopende belastingschulden waarvan een deel
uiteindelijk moet worden afgeschreven.
Om de ontvanger voldoende tegenwicht te laten bieden in het krachtenveld van schuldeisers, is het
fiscale voorrecht in het leven geroepen. Dit voorrecht, dat zijn oorsprong vindt in de
Invorderingswet van 1845, is voor de ontvanger van groot belang omdat de praktijk leert dat voor
niet-bevoorrechte schuldeisers weinig overblijft in geval van een executoriale verkoop. Nauw
verbonden aan het fiscale voorrecht is het bodemrecht. Dat is het recht van de ontvanger om zich
te verhalen op bepaalde roerende zaken die zich op de bij de belastingschuldige in gebruik zijnde
bodem, de bedrijfsruimte, bevinden (bodemzaken), los van de vraag of die zaken eigendom zijn
van de belastingschuldige of een derde. Naast het bodemrecht beschikt de ontvanger ook over het
bodemvoorrecht. Het betreft hier een fiscaal voorrecht dat specifiek is gekoppeld aan de hiervoor
genoemde bodemzaken. Het bodemvoorrecht gaat in rang boven het bezitloos pandrecht op
bedrijfsmiddelen en verschaft de ontvanger een sterke verhaalspositie ten opzichte van
26 Zie ook CPB Document in samenwerking met Ecorys-Nei, februari 2004 als uitvloeisel van de MDW-werkgroep ´Modernisering
Faillissementswet´.
19
kredietverstrekkers van ondernemers die zich zekerheid hebben verschaft door middel van
pandrechten op roerende zaken.
De reden voor de aanwezigheid van het bodem(voor)recht is de volgende. De faillissementspraktijk
laat zien dat op het moment waarop een onderneming op een faillissement afstevent doorgaans de
onroerende zaken zijn verhypothekeerd, de vorderingen zijn gecedeerd, met betrekking tot
grondstoffen de eigendom is voorbehouden terwijl voor bedrijfsmiddelen geldt dat die soms in
huurkoop zijn verworven of zijn geleased of, hetgeen vaker voorkomt, een pandrecht op die zaken
is gevestigd. Het gevolg hiervan zou bij afwezigheid van het bodem(voor)recht zijn dat de
preferentiële positie van de ontvanger in de praktijk veelal niets voorstelt. Om echter de
preferentiële positie van de ontvanger geen zinledige aangelegenheid te doen zijn heeft de
wetgever reeds in de Invorderingswet van 1845 bepaalde zaken aangewezen waarop de ontvanger
zich kan verhalen, de zogenoemde bodemzaken. De bevoegdheid om zich te mogen verhalen op de
in de Invorderingswet 1990 aangewezen zaken wordt meestal geduid als het bodemrecht. Kort en
goed strekt het bodem(voor)recht er dan ook toe om de preferentiële positie van de ontvanger
inhoud te geven en om te voorkomen dat het fiscaal voorrecht een wassen neus is.
De Belastingdienst kan zijn preferente positie alleen uitoefenen door beslag te leggen. Dit is een
wettelijk vereiste dat voor elke crediteur, preferent of concurrent, geldt. Uitsluitend zogenoemde
separatisten (hypotheek- of pandhouders) kunnen de verhaalsobjecten rechtstreeks, dus zonder
beslaglegging, tot zich nemen. De effectiviteit van het leggen van beslag staat of valt met de
timing ervan. Kredietverleners bezitten veelal een bezitloos pandrecht op de bedrijfsmiddelen en
kunnen de ontvanger te snel af zijn door vroegtijdig, dat wil zeggen voordat de
belastingdeurwaarder beslag heeft gelegd, deze zaken tot zich te nemen. Meer nog dan een
executoriale verkoop, heeft de kredietverlener er echter behoefte aan om de onderneming draaiend
te houden dan wel door te laten starten en daarbij zijn zekerheidsrecht veilig te stellen. Dit kan
erin resulteren dat de belastingschuldige de bodem (de bedrijfsruimte) verhuurt aan een derde,
bijvoorbeeld de kredietverlener. Gevolg is dat de Belastingdienst geen bodembeslag meer kan
leggen, aangezien de bodem op dat moment niet langer meer in gebruik is bij de
belastingschuldige. De kredietverlener kan op deze manier zijn bezitloos pandrecht veilig stellen
door er een vuistpand van te maken en de ontvanger heeft het nakijken. Een andere veel
voorkomende figuur, naast de hiervoor beschreven bodemverhuurconstructie, is er een waarbij de
bedrijfsmiddelen van de belastingschuldige worden afgevoerd naar de bodem van een derde.
Niet in alle gevallen werken deze al dan niet legitieme bodemconstructies overigens. Zolang de
belastingschuldige de bodem blijft gebruiken na verhuur, wordt de bodem nog aan hem
toegerekend en zal de ontvanger van het bodem(voor)recht gebruik kunnen blijven maken. Een
andere voorwaarde is het overeenkomen van een reële huurprijs die ook daadwerkelijk wordt
betaald. Een kasrondje met de kredietverlener lijkt paulianeus. Desondanks blijven er genoeg
mogelijkheden over voor kredietverleners om het bodem(voor)recht van de Belastingdienst te
frustreren. Dit leidt in de praktijk tot een “rat race” tussen Belastingdienst en kredietverleners (die
overigens meestal door de laatsten wordt gewonnen). Het gaat er immers om wie als eerste de
20
bodemzaken als verhaalsobject weet veilig te stellen. Deze “rat race” kost de Belastingdienst veel
invorderingscapaciteit. Bovendien leidt het tot oninbare belastingvorderingen.
Mededelingsplicht voor zekerheidshouder
Het kabinet stelt voor om in de bepalingen omtrent het bodem(voor)recht een mededelingsplicht
voor zekerheidshouders van bodemzaken, zoals een pandhouder of een derde-eigenaar
(eigendomsvoorbehouder, huurkoper en de financial lessor) op te nemen. Op grond van deze
mededelingsplicht is de zekerheidshouder van bodemzaken wettelijk verplicht de ontvanger te
informeren over het voornemen zijn recht op deze zaken uit te oefenen dan wel handelingen te
verrichten waardoor de zaken niet meer kwalificeren. Na ontvangst van de mededeling dient de
ontvanger binnen vier weken de benodigde maatregelen te treffen indien hij zijn verhaalsrecht op
de bodemzaken wil uitoefenen. Indien de ontvanger aangeeft geen gebruik te maken van zijn
verhaalsrecht of uiterlijk nadat de termijn van vier weken is verstreken, kan de zekerheidshouder
zonder belemmeringen zijn rechten uitoefenen. In het geval de zekerheidshouder in gebreke is
gebleven over het voornemen mededeling te doen dan wel de ontvanger binnen de periode van
vier weken niet in de gelegenheid heeft gesteld tot het treffen van maatregelen om zijn
verhaalsrecht op de bodemzaken uit te oefenen, dient de zekerheidshouder de opbrengst dan wel
de waarde van de bodemzaken te vergoeden aan de ontvanger tot ten hoogste het bedrag van de
ten tijde van de verkoop of – in het geval de zaken niet zijn verkocht – ten tijde van de
handelingen materieel bestaande belastingschulden.
Als gevolg van de wettelijke verplichting tot mededeling zullen kredietverleners op het moment dat
zij aansturen op uitwinning van hun zekerheidsrechten, nadrukkelijk rekening moeten houden met
het verhaalsrecht van de ontvanger. Dat is het essentiële verschil met de huidige situatie.
Bijkomend voordeel hiervan voor de ontvanger is dat deze in een eerder stadium zal aanschuiven
bij gesprekken van de ondernemer met kredietverleners. Op deze wijze krijgt de termijn van vier
weken mede de functie van overlegperiode waarin de mogelijkheden voor continuering van een
onderneming door kredietverleners en de ontvanger kunnen worden besproken.
Het is denkbaar dat de ontvanger niet de gehele termijn van vier weken nodig heeft voor een
reactie. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn indien er geen openstaande belastingschulden zijn of
wanneer de ontvanger om andere redenen geen bezwaar heeft tegen de uitwinning. In de Leidraad
Invordering 2008 zullen richtlijnen worden opgenomen over de te verwachten redelijke
reactietermijn van de ontvanger in dergelijke situaties. Voorts kan een mededelingsplicht
belemmerend werken in het geval de waarde dan wel de te verwachten opbrengst dusdanig
beperkt geacht wordt, dat een mededeling niet nodig lijkt. De verplichting om mededeling aan de
ontvanger te doen is dan ook niet van toepassing indien de waarde van de betreffende bodemzaak
onder een bij lagere regelgeving vastgestelde drempel blijft.
De maatregel treedt met ingang van 1 januari 2013 in werking voor nieuwe belastingschulden en
voor nieuw te vestigen zekerheidsrechten. Voor bestaande zekerheidsrechten geldt een
overgangstermijn van drie maanden. Het kabinet acht deze periode voldoende voor
kredietverleners om hun werkwijze aan de nieuwe regeling aan te passen. Eventuele effecten van
21
de maatregel op de kredietverlening als zodanig zullen worden meegenomen bij de monitoring die
zal plaatsvinden naar aanleiding van de invoering van de bankenbelasting. Tijdens de
parlementaire behandeling van de Wet bankenbelasting is veel aandacht geweest voor het effect
van maatregelen als de bankenbelasting op de kredietverlening door banken.
Naar aanleiding van de motie Sent c.s.27 in de Eerste Kamer is De Nederlandsche Bank (DNB)
gevraagd het effect op de kredietverlening te monitoren. Aan de Tweede Kamer heb ik een
gelijkluidende toezegging gedaan.28 Deze monitor heeft een veel breder bereik dan alleen de
bankenbelasting. DNB meet namelijk één “over all” effect van alle factoren die van invloed zijn op
de kredietverlening. Daar loopt het effect van de voorgestelde bodem(voor)recht maatregel
automatisch in mee.
Informatievoorziening door de Belastingdienst
Gevolg van de aanpassingen van het bodem(voor)recht is dat het voor kredietverleners
belangrijker wordt om zicht te hebben op de belastingschulden van hun cliënten. Zodra er sprake is
van een openstaande loon- of omzetbelastingschuld zullen zij immers de ontvanger vóór zich
moeten dulden. Kredietverleners hebben straks belang bij een veel actiever onderzoek naar
openstaande belastingschulden dan thans het geval is. Tegelijk rust op ondernemers de plicht tot
tijdige informatieverschaffing richting hun kredietverleners. Een instrument dat in dit verband een
belangrijke rol bij kredietverschaffing kan gaan spelen, is de verklaring omtrent het
betalingsgedrag die de ontvanger op verzoek van de ondernemer/belastingschuldige afgeeft. Deze
verklaring wordt thans al gebruikt in de sfeer van de inleners- en ketenaansprakelijkheid en krijgt
er in de sfeer van het bodemrecht een functie bij. Met de verklaring kan de belastingschuldige zijn
crediteuren informatie verschaffen over de op een bepaald moment openstaande
belastingschulden.
Versoepeling uitstelbeleid
Het kabinet stelt voor om het uitstelbeleid voor compliante ondernemers te versoepelen en te
vereenvoudigen. De bevoegdheid tot het verlenen van uitstel van betaling is een discretionaire
bevoegdheid die is uitgewerkt in de Leidraad Invordering 2008. In de Leidraad Invordering 2008
wordt een tweetal maatregelen opgenomen waarmee het nieuwe uitstelbeleid voor ondernemers
wordt geconcretiseerd:
1. Kort uitstel op schriftelijk of telefonisch verzoek voor maximaal vier maanden na de laatste
vervaldag van de (oudste) aanslag, op basis van de volgende objectief toetsbare criteria:
a. het gaat om openstaande belastingaanslagen tot een bedrag van maximaal € 12.000;
b. er staan geen belastingaanslagen open waarvoor dwangbevelen zijn betekend;
c. er is geen sprake van aangifteverzuim;
d. er zijn geen openstaande belastingschulden oninbaar geleden.
2. Betalingsregelingen met een langere looptijd overeenkomstig de tijdelijke versoepeling van
het uitstelbeleid ten aanzien van ondernemers met betalingsproblemen als gevolg van de
economische crisis met dien verstande dat geen relatie meer met de economische crisis
27 Kamerstukken I 2011/12, 33 121, J.
28 Kamerstukken II 2011/12, 33 121, nr. 31, blz. 2.
22
hoeft te worden aangetoond.29 Dit komt neer op een structurele en verruimde toepassing
van het crisisuitstel.
10. Koopkracht- en lastenpakket
De hoogte van een aantal heffingskortingen en tarieven wordt traditioneel aangepast in het
belastingplan. Tabel 2 geeft een overzicht van de belangrijkste heffingskortingen, schijven en
tarieven voor 2013. Hierin zijn de veranderingen opgenomen die voortvloeien uit het wetsvoorstel
Belastingplan 2013 alsmede uit het Belastingplan 2012 en de Wet uniformering loonbegrip (Wet
ULB) die op 1 januari 2013 in werking treedt. Per maatregel wordt de mutatie toegelicht. Van
belang is dat in de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 geregeld is dat in
2013 de indexatie van de heffingskortingen en schijfgrenzen van de loon- en inkomstenbelasting
achterwege wordt gelaten. De Wet ULB heeft een forse impact op het tarief in de eerste schijf en
de hoogte van de arbeidskorting voor hogere inkomens. Door de Wet ULB vervalt de fiscale
bijtelling van de door de werkgever aan de werknemer betaalde vergoeding voor de Zvw-bijdrage.
Dit leidde tot een partiële lastenverlichting van € 6,9 miljard (cijfers 2009). Ter compensatie van
deze lastenverlichting voorzag de wet daarom in een partiële lastenverzwaring van € 6,9 miljard
via een pakket maatregelen zoals omschreven in de memorie van toelichting bij de Wet ULB. Bij
brief van 20 juni jl. is aangegeven dat de Zvw-bijdrage sinds 2009 dermate gestegen is dat de
eerder genoemde partiële lastenverlichting van € 6,9 miljard mede daardoor € 0,8 miljard hoger
uitkomt namelijk op € 7,7 miljard.30 Ter compensatie is aangekondigd dat het tarief van de eerste
schijf in 2013 hoger wordt vastgesteld. Tevens wordt de in de Wet ULB voorziene verhoging van
het tarief van de tweede schijf met 0,25%-punt teruggebracht tot een verhoging met 0,05%-punt.
Zonder deze maatregel zou het tarief in de tweede schijf namelijk 0,20%-punt boven dat van de
derde schijf uitkomen. De aanpassingen van de tariefsmaatregelen uit de Wet ULB worden in het
onderhavige wetsvoorstel geregeld. Daarnaast wordt het tarief in de eerste schijf per saldo verder
verhoogd als gevolg van diverse beleidsaanpassingen. Deze staan in de tabel toegelicht. De tabel
bevat alleen de mutaties van fiscale maatregelen van het koopkrachtpakket. Niet-fiscale
onderdelen van het koopkrachtpakket worden in andere regelgeving opgenomen. De begroting van
het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bevat een integraal beeld van alle
maatregelen die worden genomen om een evenwichtig koopkrachtbeeld tot stand te brengen.
29 Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 25 mei 2009, nr. CPP2009/966M (Stcrt. 2009, 96).
30 Kamerstukken II 2011/12, 32 121, nr. 25.
23
Tabel 2 Overzicht heffingskortingen, schijven en tarieven loon- en inkomstenbelasting
2012-2013
2012 2013 Toelichting 2013
Heffingskortingen
Algemene heffingskorting 2.033 2.001 -/- € 35 (Wet ULB)31 + € 3 (BP 2012)32
Arbeidskorting totaal 1.611 1.723 -/- € 125 (Wet ULB) + € 42 (MN
2012)33+ €195 (Wet UFM)34
Arbeidskorting afbouw hoge inkomens 78 1.173 + € 900 (Wet ULB) + € 195 (Wet UFM)
Arbeidskorting laag 161 161
Ouderenkorting 762 1.032 + € 200 (Wet ULB) + € 70 (Wet UFM)
Ouderenkorting boven inkomensgrens € 35.450 150 introductie € 150 (Wet ULB)
Alleenstaande ouderenkorting 429 429 -/- € 60 (Wet ULB) + € 60 (Wet UFM)
Inkomensafhankelijke combinatiekorting; basisbedrag 1.024 1.024
Inkomensafhankelijke combinatiekorting; maximum 2.133 2.133
Alleenstaande ouderkorting; basisbedrag 947 947
Alleenstaande ouderkorting; maximum 2.266 2.266
Jonggehandicaptenkorting 708 708
Schijven en grenzen
Grens eerste schijf 18.945 19.645 + € 700 (Wet ULB)
Grens tweede schijf geboren voor 1-1-1946 34.055 33.555 -/- € 500 (Wet ULB)
Grens tweede schijf geboren 1-1-1946 of later 33.863 33.363 -/- € 500 (Wet ULB)
Grens derde schijf 56.491 55.991 -/- € 500 (Wet ULB)
Grens ouderenkorting 35.450 35.450
Belastingtarief eerste schijf 1,95% 5,85% + 2,80% (Wet ULB) + 0,65%
(aanpassing Wet ULB)35 + 0,45%
(doorwerking diverse
maatregelen)36
Belastingtarief tweede schijf 10,80% 10,85% +0,25% (Wet ULB) -/- 0,20%
(aanpassing Wet ULB)
Toelichting: de vetgedrukte onderstreepte maatregelen zijn onderdeel van het Belastingplan 2013, de overige maatregelen zijn al in
andere wetgeving geregeld.
11. Budgettaire aspecten
In de onderstaande tabel is het totale budgettaire beeld van het pakket Belastingplan 2013
weergegeven.
31 Wet ULB = Wet uniformering loonbegrip.
32 BP 2012 = Belastingplan 2012.
33 Bij de Miljoenennota 2012 is een deel van de lastenmiddelen gereserveerd voor een verhoging van de arbeidskorting met € 42.
34 Wet UFM = Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.
35 Zie hiervoor bijlage 2 bij de brief met betrekking tot de stand van zaken van de invoering van de Wet uniformering loonbegrip van 20
juni jl. (Kamerstukken II 2011/12, 32 121, nr. 25).
36 Het opleidingsfonds, huisartsenopleiding en de revalidatiezorg worden overgeheveld van het begrotingsgefinancierde BKZ
(Begrotingskader Zorg) naar de lastendekkende Zvw. De operatie wordt lastenneutraal vormgegeven. Hogere Zvw-premies worden bij
burgers gecompenseerd met een verlaging van het tarief eerste schijf. Daarnaast worden in het Begrotingsakkoord 2013 maatregelen
genomen rondom het eigen risico en maatregelen in de Zvw. Als gevolg hiervan treden er ook mutaties op in het tarief eerste schijf. Per
saldo stijgt het tarief eerste schijf daardoor met 0,45%-punt.
24
Tabel 3 Lastenmaatregelen pakket Belastingplan 2013 (€ miljoenen, -/- =
lastenverlichting)
Onderwerp 2013 2014 2015
Vereenvoudiging scholingsuitgaven 18 18 18
Aanpassing heffingskorting en tarieven37 1.750 1.750 1.750
Afstempeling eigenbeheerpensioenen -36 -2 -2
Werkkostenregeling -100 -100 -100
Afdrachtvermindering onderwijs 14 17 28
S&O-afdrachtvermindering -20 0 0
Afschaffen thincapregeling -30 -30 -30
Uitbreiding buitenlandse belastingplicht bestuurdersbeloningen 20 20 20
Overdrachtsbelasting bij latere verkrijging aanhorigheden woningen -3 -3 -3
Verlenging doorverkooptermijn overdrachtsbelasting -10 -40 -60
Herziening btw-systeem tabak 0 -67 0
Pakket constructiebestrijding bodem(voor)recht 44 100 100
Totaal Belastingplan 2013 1.647 1.663 1.721
Totaal Overige fiscale maatregelen 2013 -21 -3 7
Totaal Wet verhuurderheffing 5 800 800
Totaal Wet herziening fiscale behandeling eigen woning (incl. LTV) 5 14 32
Totaal Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer 1.375 1.425 1.460
Totaal pakket Belastingplan 2013 3.011 3.899 4.020
Toelichting
In de tabel zijn de budgettaire effecten weergegeven van de diverse maatregelen in dit
wetsvoorstel en de overige wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2013. Deze maatregelen
maken deel uit van het totale lastenbeeld dat wordt beschreven in de Miljoenennota 2013. Een
groot deel van de lastenverzwaring voor 2013 vloeit voort uit het Begrotingsakkoord 2013 en wordt
aangewend voor het op orde krijgen van de overheidsfinanciën. Ten opzichte van de ingeboekte
besparing in het Begrotingsakkoord 2013 leiden de verhuurderheffing en het wetsvoorstel rondom
de eigen woning tot een incidenteel tekort, het wetsvoorstel rondom woon-werkverkeer leidt tot
een structureel tekort. Deze zijn binnen het lastenbeeld van 2013 gedekt. De aanpassing van de
heffingskortingen en tarieven die in het Belastingplan 2013 zijn geregeld leiden tot een partiële
lastenverzwaring van € 1,75 miljard. Hier staan niet-fiscale lastenverlichtingen tegenover die niet
in het Belastingplan 2013 zijn opgenomen, zie hiervoor de toelichting in paragraaf 10. In de tabel
is voor het jaar 2014 een derving van € 67 miljoen opgenomen voor het wijzigen van het btwsysteem
voor tabaksproducten. Tijdens de behandeling van de Wet uitwerking fiscale maatregelen
Begrotingsakkoord 2013 is toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is over te schakelen van het
huidige btw-systeem voor tabak, waarbij de volledige btw gelijktijdig met de accijns door de
fabrikant of importeur wordt afgedragen, naar het reguliere btw-systeem. Dit onderzoek is nog niet
afgerond. Omdat een dergelijke systeemwijziging tot een vertraging in de belastingontvangsten
leidt, is vooruitlopend op een eventuele wijziging hiermee al wel rekening gehouden in het
budgettaire beeld.
37 Zie ook de toelichting in paragraaf 10; tegenover deze partiële lastenverzwaring staan niet fiscale lastenverlichtingen die niet in het
Belastingplan 2013 zijn opgenomen.
25
12. EU-aspecten
Dit wetsvoorstel heeft geen EU-aspecten.
13. Uitvoeringskosten Belastingdienst
Kosten
De maatregelen van het pakket Belastingplan 2013 zijn uitvoerbaar en handhaafbaar door de
Belastingdienst. In de onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de gevolgen van het
totale pakket Belastingplan 2013 voor de uitvoeringskosten.
Tabel 4 Overzicht gevolgen uitvoeringskosten pakket Belastingplan 2013 (€ mln)
2012 2013 2014 2015 2016 2017
Belastingplan 2013 0,0 4,5 -3,9 -3,9 -7,2 -7,2
Overige fiscale maatregelen 2013 0,3 4,0 4,6 0,2 -0,1 -0,1
Wet herziening fiscale behandeling
eigen woning
0,0 6,2 2,7 2,7 2,7 2,7
Wet herziening fiscale behandeling
woon-werkverkeer
0,3 1,9 0,7 -0,6 -1,8 -2,5
Wet verhuurderheffing 0,0 8,2 5,8 5,0 4,3 4,0
Wet elektronische registratie notariële
akten
2,3 -1,4 -6,0 -6,4 -6,4 -6,4
Totaal pakket Belastingplan 2013 2,9 23,3 3,9 -2,9 -8,4 -9,4
Toelichting
De uitvoeringskosten van de Belastingdienst voor de wetsvoorstellen Overige fiscale maatregelen
2013, Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer, Wet herziening fiscale behandeling
eigen woning, Wet verhuurderheffing en Wet elektronische registratie notariële akten worden in de
desbetreffende memories van toelichting nader toegelicht. De Belastingdienst maakt voor het
Belastingplan 2013 uitvoeringkosten voor de maatregelen inzake afstempeling pensioenen eigen
beheer, afdrachtvermindering onderwijs en bestrijding van constructie met bodem(voor)recht. De
afdrachtvermindering onderwijs, de afschaffing van de thincapregeling en de bestrijding van
constructies met bodem(voor)recht leiden ook tot besparingen. De aan het wetsvoorstel verbonden
uitvoeringskosten en besparingen die betrekking hebben op 2013 en verder liggende jaren, worden
verwerkt bij de budgettaire besluitvorming in het voorjaar 2013. De uitvoeringskosten en
besparingen als gevolg van de bestrijding van de constructies met bodem(voor)rechten worden
meegenomen bij de bezuinigingstaakstelling van de Belastingdienst uit het Regeer- en
Gedoogakkoord, conform de lijn vermeld in de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3
februari 2012 aan de Tweede Kamer.38
14. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger
In deze paragraaf worden de gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers en bedrijfsleven
voor zover relevant en meer dan verwaarloosbaar per maatregel toegelicht en gekwantificeerd. Het
wetsvoorstel leidt per saldo tot een structurele stijging van de administratieve lasten van
€ 2,75 miljoen voor bedrijven.
38 Kamerstukken II 2011/12, 31 066, nr. 117.
26
Afstempeling eigenbeheerpensioenen
De maatregel inzake de afstempeling van eigenbeheerpensioenen leidt tot een structurele toename
van de administratieve lasten voor bedrijven van € 3,45 miljoen. Vanwege de invoeringsmaatregel
ontstaat een toename van de administratieve lasten voor elk van de 3 jaren die de
invoeringsperiode beslaat van € 9,8 miljoen.
Afschaffing thincapregeling
De afschaffing van de thincapregeling leidt tot een afname van administratieve lasten van
€ 1 miljoen. Dit bedrag komt overeen met de bij invoering van deze regeling in 2004 ingeboekte
toename van administratieve lasten.
Constructiebestrijding bodem(voor)recht
De introductie van een wettelijke meldingsplicht leidt tot een lichte verhoging van de
administratieve lasten voor kredietverleners. De verplichting wordt zo vormgegeven dat deze
stijging tot het noodzakelijke minimum wordt beperkt, onder andere door gebruik te maken van
een digitaal kanaal, de invoering van een minimumwaardedrempel en richtlijnen in de Leidraad
over de te verwachten reactietermijn van de ontvanger. De daarmee gemoeide lasten voor het
bedrijfsleven worden geschat op € 0,3 miljoen.
27
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I
Artikel I, onderdelen A en B (artikelen 2.10 en 2.10a van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Ingevolge artikel I, onderdelen A en B, worden de tabel van artikel 2.10, onderscheidenlijk
de tabel van artikel 2.10a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) vervangen. Daarbij
wordt ten opzichte van de bestaande tabellen een aantal wijzigingen aangebracht, die onderdeel
zijn van het koopkrachtpakket voor het jaar 2013. Het percentage van de eerste schijf wordt
verhoogd met 1,1. Deze verhoging komt in aanvulling op de verhoging van het percentage van de
eerste schijf met 2,8 die reeds is opgenomen in de Wet uniformering loonbegrip.
Voorts wordt het percentage van de tweede schijf verlaagd met 0,20. Als gevolg van de
verhoging van dat percentage met 0,25 die reeds was opgenomen in de Wet uniformering
loonbegrip, leidt dit per saldo tot een verhoging van dat percentage met ingang van 1 januari 2013
met 0,05.
Bij de in de voorgestelde tabellen opgenomen schijfgrenzen is – vanwege het voor het jaar
2013 op grond van artikel XVIII van de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord
2013 niet toepassen van de jaarlijkse inflatiecorrectie – geen inflatiecorrectie toegepast. Wel is
rekening gehouden met de beleidsmatige aanpassing van die schijfgrenzen ingevolge de Wet
uniformering loonbegrip.
Artikel I, onderdeel C (artikel 6.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In artikel 6.18, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn enkele beperkingen van de uitgaven
voor specifieke zorgkosten opgenomen. In het kader van maatregelen binnen de zorg waarbij eigen
bijdragen worden ingevoerd, zoals een eigen bijdrage voor het verblijf in een instelling voor
medisch-specialistische zorg en een eigen bijdrage voor hoortoestellen, wordt voorgesteld,
overeenkomstig de reeds geldende beperking voor eigen bijdragen Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en Wet maatschappelijke ondersteuning, een aftrekbeperking in te voeren voor eigen
bijdragen die krachtens de Zorgverzekeringswet verschuldigd zijn.
Daarnaast wordt voorzien in een algemene delegatiebevoegdheid waarmee bij ministeriële
regeling uitgaven die voorheen vielen onder het ingevolge de Zorgverzekeringswet verplicht te
verzekeren risico kunnen worden uitgezonderd van aftrek. Via deze weg werken versoberingen van
het basispakket van de zorgverzekering dan rechtstreeks door in de uitgaven voor specifieke
zorgkosten en wordt fiscale weglek voorkomen. Van de bevoegdheid bij ministeriële regeling
uitgaven aan te wijzen die niet voor aftrek in aanmerking komen binnen de uitgaven voor
specifieke zorgkosten zal op basis van het Begrotingsakkoord 2013 als volgt gebruik worden
gemaakt. Ten eerste zullen uitgaven worden uitgesloten voor in-vitrofertilisatie (ivf) voor vrouwen
van 43 jaar of ouder. Ten tweede zullen uitgaven worden uitgesloten voor de eerste twee ivfbehandelingen
indien meer dan 1 embryo per poging wordt teruggeplaatst en de vrouw jonger is
28
dan 38 jaar. Daarnaast zullen uitgaven worden uitgesloten voor bepaalde hulpmiddelen voor de
mobiliteit. Het betreft de zogenoemde eenvoudige loophulpmiddelen zoals de rollator en de kruk.
De wijziging van artikel 6.18, tweede lid, van de Wet IB 2001 is technisch van aard.
Artikel I, onderdeel D (artikel 6.27 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In artikel 6.27 van de Wet IB 2001 is aangegeven wat wordt verstaan onder
scholingsuitgaven. Dit zijn uitgaven die wegens het volgen van een opleiding of studie met het oog
op het verwerven van inkomen uit werk en woning worden gedaan. Met de wijziging van het eerste
lid worden de desbetreffende uitgaven limitatief beperkt tot de uitgaven voor lesgeld, cursusgeld,
collegegeld, examengeld of promotiekosten en door de onderwijsinstelling verplicht gestelde
leermiddelen en beschermingsmiddelen. Uitgaven die verband houden met de opslag op het
wettelijke collegegeld voor langstudeerders (per 1 september 2012 € 3063) worden net als onder
de thans geldende regeling (artikel 6.28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001) niet als
scholingsuitgaven aangemerkt. Indien een student het wettelijke collegegeld volgens het
verhoogde tarief betaalt, wordt maximaal het wettelijke collegegeld volgens het basistarief in
aanmerking genomen voor de aftrek van scholingsuitgaven.
In het nieuwe artikel 6.27, vierde lid, van de Wet IB 2001 wordt gedefinieerd wat onder
leermiddel, beschermingsmiddel en promotiekosten wordt verstaan. Een leermiddel is volgens de in
onderdeel a van die bepaling opgenomen definitie een gebruiksvoorwerp gericht op het bijbrengen
van studiegerelateerde kennis en vaardigheden met uitzondering van computerapparatuur en
bijbehorende randapparatuur. Hieronder valt wat betreft het vergaren van theoretische kennis
studiemateriaal zoals (al dan niet digitaal vormgegeven) boeken, readers, cd-roms en
softwareprogramma’s. Wat betreft het vergaren van praktijkvaardigheden valt hieronder
studiemateriaal in de vorm van gereedschap zoals een kappersschaar, een hamer, een beitel of
schilderbenodigdheden. Wat per studie of opleiding als leermiddel kwalificeert, is afhankelijk van de
door de onderwijsinstelling beoogde met de opleiding te verkrijgen studiegerelateerde kennis en
vaardigheden. In uitzonderlijke gevallen zou een computer met bijbehorende randapparatuur deel
kunnen uitmaken van het voorgeschreven lesmateriaal, bijvoorbeeld bij een specifieke technische
opleiding, en daarmee binnen het bereik van het eerste deel van de genoemde definitie kunnen
vallen. Hierbij zal vrijwel altijd sprake zijn van een aanmerkelijk privégebruik van de computer. De
vaststelling van het aan de studie toe te rekenen deel is in de praktijk arbeidsintensief en
discutabel gebleken. Vanwege de eenvoud in uitvoering is er daarom voor gekozen computers en
bijbehorende randapparatuur uit te sluiten in het tweede deel van de definitie, zodat de kosten
hiervan niet tot de scholingsuitgaven kunnen behoren.
Een beschermingsmiddel is volgens het nieuwe artikel 6.27, vierde lid, onderdeel b, van de
Wet IB 2001 een studiegerelateerd gebruiksvoorwerp dat dient ter voorkoming van verwonding
van een persoon of ter voorkoming van schade aan kleding. Dit betreft materialen die als zodanig
niet gericht zijn op het bijbrengen van studiegerelateerde kennis en vaardigheden, maar die wel
onmisbaar zijn om die benodigde kennis en vaardigheden op een verantwoorde manier te
vergaren. Het gaat hierbij om zaken zoals handschoenen, een veiligheidsbril, gehoorbescherming,
schoenen met stalen neuzen, een helm, een kappersschort of een stofjas.
29
Zoals aangegeven moet het in alle gevallen gaan om door de desbetreffende
onderwijsinstelling verplicht gestelde leer- en beschermingsmiddelen. Hetgeen wordt
voorgeschreven, wordt doorgaans door de onderwijsinstelling vastgelegd in de studiegids van het
desbetreffende studiejaar. Dit is uitgangspunt voor belastingplichtige en Belastingdienst.
Vervolgens moeten de door de onderwijsinstelling voorgeschreven zaken voldoen aan de hiervoor
toegelichte definities. Met de hantering van voornoemde definities wordt enerzijds voorkomen dat
onderwijsinstellingen ten behoeve van de aftrek scholingsuitgaven een ruimer arsenaal aan
middelen voorschrijven dan strikt genomen noodzakelijk is voor het volgen van de opleiding of
studie. Anderzijds wordt hiermee voorkomen dat uitgaven voor zaken waarvoor geen aftrek is
beoogd, zoals kosten van levensonderhoud, reiskosten, excursiereizen en dergelijke, onder de
scholingsuitgaven worden gebracht. De bestaande beperkingen van artikel 6.28, eerste lid, van de
Wet IB 2001 worden hiermee gehandhaafd, maar de vermelding daarvan in die bepaling is als
zodanig overbodig geworden door de nieuwe definitie in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 van
hetgeen tot de scholingsuitgaven wordt gerekend. Onder promotiekosten worden op grond van het
voorgestelde artikel 6.27, vierde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 limitatief verstaan de kosten
van publicatie van het proefschrift en de kosten van de voorgeschreven kleding die de
promovendus en de paranimfen tijdens de promotieplechtigheid verplicht moeten dragen. Deze
kosten zijn uiteraard alleen aftrekbaar voor zover de kosten drukken op de promovendus. Indien
bij publicatie van het proefschrift duidelijk is dat de promovendus opbrengst zal genieten uit die
publicatie is in zoverre geen sprake van drukkende kosten.
Artikel I, onderdeel E (artikel 6.28 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In de huidige tekst van artikel 6.28 van de Wet IB 2001 zijn enkele aftrekbeperkingen van
de scholingsuitgaven opgenomen. Zoals bij de toelichting op de wijziging van artikel 6.27 van de
Wet IB 2001 is opgemerkt, zijn de beperkingen van het huidige artikel 6.28, eerste lid, van de Wet
IB 2001 onder de voorgestelde regeling onderdeel van de nieuwe definitie van scholingsuitgaven,
waardoor deze beperkingen onverkort blijven gelden, maar – met uitzondering van de beperking
van artikel 6.28, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001 die ingevolge dit wetsvoorstel wordt
overgenomen in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 – als zodanig overbodig worden. Als gevolg
hiervan kan artikel 6.28, eerste lid, van de Wet IB 2001 vervallen. Het bestaande tweede lid wordt
daarbij vernummerd tot eerste lid. Voorts worden in dit lid enkele technische wijzigingen
aangebracht. Deze bepaling is met betrekking tot de prestatiebeurs alleen van toepassing op
onderdelen van de prestatiebeurs waarvan bij verstrekking vaststaat dat dit een gift is, zoals geldt
voor de eerste vijf maanden aan aanvullende beurs.
Het nieuwe artikel 6.28, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 is ontleend aan het
huidige artikel 6.29, vijfde en zesde lid, van de Wet IB 2001. Met de voorgestelde nieuwe leden
wordt de behandeling van de prestatiebeurs binnen de scholingsuitgaven verduidelijkt.
Scholingsuitgaven komen niet voor aftrek in aanmerking tot het bedrag van de aan de
belastingplichtige toegekende prestatiebeurs, bedoeld in artikel 4.7, eerste en tweede lid, of artikel
5.2, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000. Dit betreft de prestatiebeurs met uitzondering
van het onderdeel reisvoorziening. Het recht op een reisvoorziening staat de aftrek van
scholingsuitgaven niet in de weg. De aftrek van scholingsuitgaven in het jaar van het maken van
30
de kosten wordt dus vastgesteld ervan uitgaande dat de prestatiebeurs op enig moment zal worden
omgezet in een gift. In de meeste gevallen is dat ook inderdaad het geval. Op de genoten aftrek
scholingsuitgaven hoeft dan niet meer te worden teruggekomen. Deze benadering geldt ook in de
bestaande systematiek.
Voor het beperkt aantal gevallen waarbij de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift
(er wordt niet binnen een termijn van 10 jaar een diploma behaald), ontstaat op dat moment
(vaststelling door DUO) alsnog aanvullend recht op aftrek van scholingsuitgaven. Dit is opgenomen
in het nieuwe artikel 6.28, derde lid, van de Wet IB 2001 en is ook overeenkomstig de benadering
in de bestaande systematiek.
In het nieuwe artikel 6.28, vierde lid, van de Wet IB 2001 is aangegeven hoe de in het
derde lid van genoemd artikel bedoelde aftrek wordt bepaald. De aftrek wordt bepaald op een
forfaitair bedrag dan wel indien dit lager is op het bedrag van de terug te betalen prestatiebeurs. Er
is, om uitvoeringsproblemen te voorkomen, gekozen voor een forfaitair bedrag. Het recht op de
aftrek ontstaat immers vele jaren nadat de werkelijke kosten zich hebben voorgedaan. De
forfaitaire aftrek is gebaseerd op de huidige normsystematiek van artikel 6.29 van de Wet IB 2001.
Hierbij geldt een maandbedrag voor leermiddelen en les- of collegegeld. Voor het hoger onderwijs
betekent dit dat de forfaitaire aftrek wordt bepaald op een bedrag van € 2421 per studiejaar
waarop de terug te betalen studiefinanciering betrekking heeft en voor het beroepsonderwijs geldt
een bedrag van € 1677 per studiejaar. Deze bedragen zullen jaarlijks worden geïndexeerd. Indien
de omzetting van de prestatiebeurs niet op een geheel studiejaar betrekking heeft, maar slechts op
een deel daarvan, wordt op basis van de laatste volzin van het nieuwe artikel 6.28, vierde lid, van
de Wet IB 2001 het forfaitaire bedrag naar tijdsgelang herrekend. De (aanvullende) beperking tot
het bedrag van de terug te betalen prestatiebeurs is bedoeld om te voorkomen dat een hogere
aftrek wordt verleend dan het bedrag waarmee de prestatiebeurs in het verleden tot een beperking
van de aftrek heeft geleid.
Artikel I, onderdeel F (artikel 6.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In het huidige artikel 6.29 van de Wet IB 2001 is de normbedragensystematiek voor
personen met recht op studiefinanciering opgenomen. Vanwege het voorstel deze systematiek te
laten vervallen, kan genoemd artikel in zijn geheel vervallen. Zoals is toegelicht bij de wijziging van
artikel 6.28 van de Wet IB 2001 zijn de nog relevante bepalingen van artikel 6.29 van de Wet IB
2001 in gewijzigde vorm opgenomen in het nieuwe artikel 6.28, tweede en derde lid, van de Wet
IB 2001.
Artikel I, onderdeel G (artikel 6.30 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In artikel 6.30, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de drempel voor de aftrek van
scholingsuitgaven opgenomen alsmede het plafond van de aftrek van € 15.000. In dit lid wordt
slechts een technische wijziging aangebracht. In het huidige tweede en derde lid van genoemd
artikel zijn uitzonderingen op voornoemd plafond opgenomen. Voorgesteld wordt de uitzondering
van artikel 6.30, tweede lid, van de Wet IB 2001, waarbij in het geval van recht op de in het
nieuwe artikel 6.28, derde lid, van de Wet IB 2001 bedoelde aftrek het plafond kan worden
31
overschreden, te laten vervallen. Die aftrek kan in de voorgestelde systematiek niet hoger worden
dan de genoemde € 15.000. Daarnaast geldt de aanvullende aftrek voor een beperkt aantal
gevallen en bij die gevallen is het bovendien niet waarschijnlijk dat in het jaar van vaststelling dat
de prestatiebeurs moet worden terugbetaald, omdat niet is voldaan aan de vereisten van de
prestatiebeurs, aftrek van overige scholingsuitgaven aan de orde is. Het beperken van
uitzonderingen leidt tot complexiteitsreductie en het vervallen van deze uitzondering voorkomt
ongewenste samenloop met de hierna toe te lichten standaardstudieperiode. De
standaardstudieperiode betreft een periode waarbinnen het plafond van € 15.000 niet geldt. De
periode geldt in de huidige regeling voor personen tussen de 18 en 30 jaar voor maximaal 16
kalenderkwartalen naar keuze. Voorgesteld wordt deze periode aaneengesloten te maken om
onbedoeld gebruik tegen te gaan en de regeling beter uitvoerbaar en controleerbaar te maken voor
de Belastingdienst. Het plafond blijft dan tijdens een aaneengesloten periode van niet meer dan vijf
kalenderjaren buiten beschouwing, zodat in deze periode – net als in de bestaande regeling het
geval is – een opleiding van vier studiejaren valt. Daarnaast vervalt de minimumleeftijd van 18
jaar. In bepaalde gevallen is de belastingplichtige bij aanvang van de opleiding waarvoor hij
gebruik wil maken van de standaardstudieperiode nog geen 18 jaar. Dit hoeft het gebruik van de
standaardstudieperiode echter niet te belemmeren. De standaardstudieperiode kan eenmalig per
belastingplichtige worden benut en het eerder laten ingaan, betekent slechts dat de periode voor
de belastingplichtige ook eerder eindigt. Met het vervallen van de leeftijd van 18 jaar wordt
onderdeel 5.3 van het beleidsbesluit van 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M (Stcrt. 2010, 1307),
gecodificeerd. De termijn gaat lopen vanaf het kalenderjaar waarin de belastingplichtige
scholingsuitgaven claimt van meer dan € 15.000 en eindigt vier kalenderjaren later.
Artikel I, onderdeel H (artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
De wijziging in artikel 8.11 van de Wet IB 2001 betreft de verhoging van het maximum van
de arbeidskorting met € 42. Deze wijziging maakt deel uit van het koopkrachtpakket voor het jaar
2013. Deze aanpassing is in aanvulling op de beleidsmatige aanpassingen ingevolge de Wet
uniformering loonbegrip en de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.
Artikel I, onderdeel I (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Artikel 10.1 van de Wet IB 2001 betreft een indexatiebepaling voor diverse bedragen,
waaronder de bedragen opgenomen in artikel 6.29 van de Wet IB 2001. Nu wordt voorzien in het
vervallen van artikel 6.29 van de Wet IB 2001, is indexatie van de in dat artikel opgenomen
bedragen niet langer aan de orde en kan de vermelding van genoemd artikel in artikel 10.1 van de
Wet IB 2001 ook vervallen. Ingevolge dit wetsvoorstel worden in artikel 6.28 van de Wet IB 2001
(artikel I, onderdeel E) forfaitaire bedragen opgenomen ter vaststelling van de aanvullende aftrek.
Het is de bedoeling deze bedragen jaarlijks te indexeren. Hiertoe wordt artikel 6.28 van de Wet IB
2001 toegevoegd aan de opsomming van artikel 10.1 van de Wet IB 2001.
32
Artikel II
Artikel II (overgangsrecht scholingsuitgaven)
De wijzigingen van de regeling voor de aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2013
hebben tot gevolg dat voor belastingplichtigen met aanspraak op studiefinanciering volgens de Wet
studiefinanciering 2000 voor het studiejaar 2012-2013 het aftrekregime gedurende het studiejaar
wijzigt. Dit zou betekenen dat hun scholingsuitgaven voor de periode tot en met 31 december 2012
aftrekbaar zijn volgens de tot dan geldende aftreksystematiek van normbedragen en de
scholingsuitgaven vanaf 1 januari 2013 aftrekbaar zijn op basis van de werkelijk gemaakte kosten.
Dit leidt tot overgangsproblematiek, bijvoorbeeld in het geval dat een student in september 2012
in één keer het verschuldigde collegegeld voldoet. In 2012 krijgt hij dan aftrek van 4x het
normbedrag voor collegegeld en in 2013 zou hij geen aftrek voor collegegeld krijgen, omdat hij
daarvoor in 2013 geen uitgaven heeft gedaan en dus geen werkelijke kosten heeft gemaakt. Om te
voorkomen dat in dergelijke gevallen de totale aftrek over het studiejaar 2012-2013 lager uitvalt
dan beoogd wordt voor het studiejaar 2012-2013 een overgangsregeling ingevoerd.
De wijzigingen binnen de scholingsuitgaven worden onverkort per 1 januari 2013 van
toepassing op belastingplichtigen met aanspraak op studiefinanciering volgens de Wet
studiefinanciering 2000 met de uitzondering dat de uitgaven voor les-, cursus- of collegegeld en de
uitgaven voor leer- en beschermingsmiddelen bij fictie worden gesteld op een normbedrag per
kalendermaand waarin aanspraak op studiefinanciering bestaat. Dus ongeacht of in die
kalendermaanden daadwerkelijk kosten zijn gemaakt en ongeacht tot welk bedrag. De
normbedragen zijn gelijk aan de op 31 december 2012 geldende normbedragen (uitgaande van de
huidige tekst van artikel 6.29, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001). Met deze regeling krijgt
de student in het voorbeeld naast de in 2012 genoten aftrek in 2013 aanvullend aftrek van 8x het
normbedrag voor collegegeld waardoor hij per saldo in 2012 en 2013 het collegegeld voor het
studiejaar 2012-2013 in aftrek kan brengen. Door deze overgangsregeling worden studenten die
het collegegeld in één keer voldoen fiscaal niet anders behandeld dan studenten die het collegegeld
in termijnen voldoen.
In het tweede lid van de overgangsbepaling is een uitzondering opgenomen voor studenten
met aanspraak op studiefinanciering die een zogenoemde dure studie volgen. Onder de huidige
systematiek is in afwijking van de aftrek van normbedragen aftrek van werkelijke kosten aan de
orde wanneer sprake is van een dure studie (dat wil zeggen een studie waarvan de kosten
tweemaal de normbedragen overstijgen). Voor belastingplichtigen met aanspraak op
studiefinanciering die op grond van voornoemde regeling in 2012 recht op aftrek van werkelijke
kosten hebben, is de overgangsregeling overbodig. Voor uitgaven voor het studiejaar 2012-2013
geldt dat zij zowel in 2012 als in 2013 recht op aftrek van de werkelijk gemaakte kosten hebben.
Net als voor overige gevallen geldt het kasstelsel. De maand waarin de kosten zijn gemaakt zijn
bepalend voor het aftrekregime.
33
Artikel III
Artikelen III, onderdeel A, en IV (artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964 en
overgangsbepaling afstempelen pensioen in eigen beheer)
Met de in artikel III, onderdeel A, opgenomen wijziging wordt bewerkstelligd dat de
Minister van Financiën in door hem aangewezen gevallen kan goedkeuren dat de toepassing van
artikel 19b, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964)
achterwege blijft ingeval bij een eigenbeheerlichaam (artikelen 19a, eerste lid, onderdelen d en e,
en 36b van de Wet LB 1964) ondergebrachte pensioenaanspraken op de pensioeningangsdatum
worden verminderd en bovendien blijkt dat is voldaan aan door de Minister van Financiën te stellen
voorwaarden. De hiervoor bedoelde afstempelmogelijkheid zal ingevolge de te stellen voorwaarden
beperkt blijven tot gevallen waarin sprake is van een substantiële “onderdekking” bij het
eigenbeheerlichaam. Alleen situaties waarin overtuigend wordt aangetoond dat sprake is van een
dekkingsgraad van minder dan 75% komen in aanmerking. Onder dekkingsgraad wordt in dit
verband verstaan de mate waarin de waarde van de pensioenverplichtingen op de balans wordt
gedekt door de waarde van de activa van de verzekeraar, waarbij voor de pensioenverplichtingen
steeds de waarde, bedoeld in artikel 3.29 van de Wet IB 2001, in aanmerking wordt genomen.
Indien vermindering van pensioenaanspraken mogelijk is, zal die vermindering evenredig over alle
door het eigenbeheerlichaam uit te voeren pensioenregelingen moeten plaatsvinden. Daarbij zal
worden verlangd dat alle bij het eigenbeheerlichaam betrokken pensioendeelnemers
(belanghebbenden), de verzekeraar en de werkgever van de directeur-grootaandeelhouder (DGA)
verklaren akkoord te gaan met de vermindering van de pensioenaanspraken, alsmede met de
daaraan verbonden voorwaarden. Om zo veel mogelijk te voorkomen dat ook situaties van
onderdekking worden gefaciliteerd die hun oorzaak buiten de reële beleggings- en
ondernemingsverliezen vinden, zal betekenis toekomen aan (on)middellijke uitdelingen van winst
die door het eigenbeheerlichaam hebben plaatsgevonden voor de pensioeningangsdatum. Om
diezelfde reden worden voorwaarden gesteld in verband met schuldvorderingen van het
eigenbeheerlichaam jegens de directeur-grootaandeelhouder en de met deze DGA verbonden
lichamen en personen. Verder zullen voorwaarden worden gesteld in verband met de bepaling van
de winst van de verzekeraar voor de vennootschapsbelasting of een daarmee vergelijkbare
buitenlandse belasting. De vanwege de afstempeling door het eigenbeheerlichaam te realiseren
vrijvalwinst, zal tot de winst van het lichaam moeten worden gerekend. Ten slotte worden
voorwaarden gesteld met betrekking tot de omvang van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk
belang in het eigenbeheerlichaam teneinde te voorkomen dat de verkrijgingsprijs door de
vermindering van de pensioenaanspraken wordt verhoogd. Vanwege de koppeling van de faciliteit
aan de pensioeningangsdatum komen situaties waarin de pensioenuitkeringen op 1 januari 2013
reeds lopen in principe niet in aanmerking voor de afstempelfaciliteit. Om voor die gevallen een
soortgelijke regeling te kunnen treffen is in artikel IV voorzien in een overgangsregeling, die tot en
met 31 december 2015 kan worden toegepast.
34
Artikel III, onderdelen B en C (artikelen 20a en 20b van de Wet op de loonbelasting 1964)
Deze wijzigingen sluiten aan op de per 1 januari 2013 voorziene wijzigingen van de tabel
opgenomen in artikel 2.10 van de Wet IB 2001, onderscheidenlijk op de per 1 januari 2013
voorziene wijzigingen van de tabel opgenomen in artikel 2.10a van de Wet IB 2001 (artikel I,
onderdelen A en B).
Artikel III, onderdeel D (artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964)
De wijziging in artikel 22a van de Wet LB 1964 betreft de verhoging van het maximum van
de arbeidskorting met € 42. Deze wijziging maakt deel uit van het koopkrachtpakket voor het jaar
2013. Deze aanpassing is in aanvulling op de beleidsmatige aanpassingen ingevolge de Wet
uniformering loonbegrip en de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013.
Artikel III, onderdeel E (artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964)
In artikel 31a van de Wet LB 1964 wordt het in het tweede en vijfde lid opgenomen
forfaitaire percentage van de werkkostenregeling met 0,1%-punt verhoogd, in aanvulling op de in
de Wet uniformering loonbegrip opgenomen verhoging met eveneens 0,1%-punt. Met deze
aanpassing wordt de in de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2012 aangekondigde
verhoging ingevuld.
Artikel V
Artikel V, onderdeel A (artikel 1 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
In artikel 1 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de
volksverzekeringen (WVA) zijn de voor die wet geldende definities opgenomen. In het eerste lid,
onderdeel c, van dat artikel is de definitie van het begrip loon opgenomen. Die definitie wordt
gebruikt voor de bepaling van het thans nog voor de afdrachtvermindering onderwijs geldende
toetsloon, dat is gedefinieerd in het eerste lid, onderdeel d. Voor de afdrachtvermindering zeevaart
geldt een op een aantal punten van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de WVA opgenomen
definitie afwijkend loonbegrip; de afwijkingen zijn geregeld in artikel 17 van de WVA. Ingeval het
toetsloon vervalt, zoals in het onderhavige wetsvoorstel wordt voorgesteld, is het loon van de
werknemer niet langer relevant voor de afdrachtvermindering onderwijs. Als gevolg daarvan kan
de in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de WVA opgenomen definitie beperkt worden tot het
voor de afdrachtvermindering zeevaart relevante loonbegrip. Vanwege het vervallen van het
toetsloon kan artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de WVA vervallen. Met deze aanpassingen en
het bepaalde in artikel 22a van de Wet LB 1964 komt ook het belang van artikel 1, tweede lid, van
de WVA en artikel 17, derde lid, van de WVA te vervallen. Zoals uit het voorgaande volgt, hebben
deze aanpassingen geen inhoudelijke wijziging van het begrip loon voor de afdrachtvermindering
zeevaart tot gevolg.
35
Artikel V, onderdeel B (artikel 5 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
In artikel 5 van de WVA zijn de bedragen van de afdrachtvermindering onderwijs
opgenomen. De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 5, eerste lid, onderdeel d, vijfde
en zesde lid, van de WVA houdt verband met het voorstel om de afdrachtvermindering onderwijs
startkwalificatie te laten vervallen (artikel V, onderdeel H, onder 1); de thans nog in genoemd
onderdeel d opgenomen bepaling inzake de hoogte van die afdrachtvermindering kan in dat kader
vervallen. De wijziging van artikel 5, vierde lid, van de WVA houdt verband met het voorstel om
het toetsloon te laten vervallen (artikel V, onderdeel H, onder 2).
Artikel V, onderdeel C (artikel 5 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
In het kader van het toekomstbestendig maken van de afdrachtvermindering onderwijs
wordt voorgesteld een aanvullende afdrachtvermindering op te nemen in het geval het
leerwerktraject bbl of werkend-leren op hbo-niveau wordt afgerond met een diploma. In artikel 5,
eerste lid, van de WVA wordt in dat kader een onderdeel ingevoegd waarin de bedragen van de
afdrachtvermindering bij het behalen van een diploma zijn opgenomen. Voor het behalen van het
diploma door een werknemer bij de bbl-variant bedraagt de afdrachtvermindering € 350 en bij de
werkend-leren op hbo-niveau variant € 240. Vanwege de uitvoerbaarheid wordt de aanvullende
afdrachtvermindering bij het behalen van een diploma ook aan bestaande gevallen toegekend.
In het kader van de koppeling van de toepassing van de afdrachtvermindering onderwijs
aan de inhoud en duur van het onderwijsprogramma past de huidige toepassing van jaarbedragen
naar tijdsgelang verdeeld over de loontijdvakken niet goed meer. De vaststelling of aan de
urennorm voor onderwijs wordt voldaan kan immers pas achteraf, na afloop van het studiejaar,
plaatsvinden. Daarom wordt in een jaarsystematiek voorzien die geldt voor de varianten bol, bbl,
werkend-leren op hbo-niveau en leerwerktrajecten in het vmbo. De studiejaarbedragen worden in
beginsel in één keer in aanmerking genomen in het laatste loontijdvak dat in het studiejaar eindigt.
Indien de studie gedurende het studiejaar eindigt wordt de afdrachtvermindering in aanmerking
genomen in het loontijdvak waarin de studie eindigt. Daarbij wordt het studiejaarbedrag naar
tijdsgelang herrekend naar het aantal maanden van de gevolgde studie. Bij een driejarige opleiding
wordt dus jaarlijks in het loontijdvak waarin het einde van het studiejaar valt (bijvoorbeeld
augustus) het studiejaarbedrag in aanmerking genomen.
Indien een werknemer vrijstellingen heeft waardoor hij zijn opleiding in het derde
studiejaar al in februari afrondt, wordt bij een loontijdvak van een maand in het loontijdvak waarin
de maand februari valt 6/12 (september-februari) van het voor dat kalenderjaar geldende
studiejaarbedrag in aanmerking genomen. Er vindt dus geen nadere toerekening van
studiemaanden aan kalenderjaren plaats.
36
Een voorbeeld ter verduidelijking:
Stel in 2013 is het studiejaarbedrag € 1500, in 2014 € 1600 en in 2015 € 1700. Een werknemer start
in september 2013 met een tweejarige opleiding (einde opleiding augustus 2015). In januari 2015
stroomt hij wegens omstandigheden vroegtijdig uit. Voor het eerste studiejaar (september 2013-
augustus 2014) wordt in augustus 2014 een bedrag in aanmerking genomen van € 1600. Voor het
tweede studiejaar (september 2014-januari 2015) wordt in januari 2015 5/12 van € 1700 in
aanmerking genomen.
Meer in het algemeen is bij de bepaling van het in aanmerking te nemen loontijdvak
steeds rekening gehouden met het feit dat de praktijk van administratieve verwerking niet steeds
gelijk op kan lopen met het loontijdvak. Daartoe wordt tevens de mogelijkheid opgenomen de
afdrachtvermindering in aanmerking te nemen in het loontijdvak volgend op het loontijdvak waarin
aan de vereisten voor toepassing is voldaan. De afdrachtvermindering kan dan in dat volgende
loontijdvak worden toegepast.
Omdat de jaarsystematiek leidt tot het in aanmerking nemen van een groter bedrag ineens
dan onder de systematiek van tijdsgelange verdeling over de loontijdvakken, wordt in het
voorgestelde artikel 5, vierde lid, derde volzin, van de WVA de mogelijkheid geboden om indien het
op grond van de eerste en tweede volzin van dat lid in aanmerking te nemen bedrag meer
bedraagt dan op grond van artikel 3, eerste lid, van de WVA is toegestaan, het restant in het
eerstvolgende loontijdvak in aanmerking te nemen. Bij een dergelijk “voortwentelen” blijft artikel
3, eerst lid, van de WVA steeds van toepassing. De in aanmerking te nemen afdrachtvermindering
kan in een loontijdvak dus nooit groter zijn dan het bedrag aan af te dragen loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen.
De voor de afdrachtvermindering onderwijs voor promovendi (aio/oio) bestaande
systematiek van naar tijdsgelang verdelen over de loontijdvakken verandert niet. Dit is opgenomen
in het voorgestelde artikel 5, zesde lid, van de WVA.
In het nieuwe artikel 5, zevende lid, van de WVA wordt bepaald dat het bedrag van de
afdrachtvermindering onderwijs voor het behalen van een diploma in aanmerking wordt genomen
in het loontijdvak van het behalen van het diploma, of in het daaropvolgende tijdvak. Het diploma
wordt voor de toepassing van deze regeling behaald op de datum waarop zowel het bevoegde
gezag als de deelnemer het diploma hebben ondertekend. Voorts wordt bepaald dat indien het
behaalde diploma betrekking heeft op een meerjarenopleiding, het bedrag van de
afdrachtvermindering voor het behalen van een diploma wordt vermenigvuldigd met de duur van
het door de werknemer gevolgde opleidingsprogramma. Indien een werknemer een bbl-opleiding
van 2,5 jaar met goed gevolg heeft afgerond, bedraagt de afdrachtvermindering voor het behalen
van een diploma dus 2,5 x € 350 = € 875. Hierdoor wordt rekening gehouden met de inspanning
die de werknemer en de inhoudingsplichtige hebben moeten leveren om het beoogde diploma
binnen te halen en wordt het stapelen van korte opleidingen om zo veel mogelijk
afdrachtvermindering te kunnen claimen voorkomen. Voor de bepaling van de duur van het
opleidingsprogramma van de werknemer wordt aangesloten bij het voorgestelde artikel 14, vierde
lid, van de WVA.
37
Artikel V, onderdeel D (artikel 6 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
De wijziging van artikel 6, eerste lid, van de WVA hangt samen met het voorstel het
toetsloon en de afdrachtvermindering startkwalificatie te laten vervallen. Op grond van de huidige
tekst van genoemd eerste lid worden het toetsloon en het bedrag van de afdrachtvermindering
startkwalificatie naar evenredigheid verminderd bij een arbeidsduur van minder dan 36 uur. Bij het
vervallen van het toetsloon en de afdrachtvermindering startkwalificatie kan ook voornoemde
vermindering uiteraard vervallen.
Artikel V, onderdeel E (artikel 13a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
De huidige tekst van artikel 13a van de WVA bewerkstelligt dat toeslagen voor
ploegendiensten en onregelmatige diensten niet tot het toetsloon worden gerekend. Bij het
vervallen van het toetsloon, zoals opgenomen in dit wetsvoorstel, kan ook deze bepaling uiteraard
vervallen.
Artikel V, onderdeel F (artikel 13 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
In het nieuwe artikel 13 van de WVA wordt het bereik van de afdrachtvermindering
onderwijs opgenomen met betrekking tot de varianten waarbij sprake is van een leerwerktraject.
De varianten voor promovendi (aio/oio) en EVC vallen hier dus buiten, omdat hierbij geen sprake is
van het volgen van een onderwijsprogramma. In het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt
aangegeven dat de afdrachtvermindering onderwijs geldt voor een werknemer die de intentie heeft
een volledig onderwijsprogramma te volgen. Uiteraard wordt rekening gehouden met de
werknemer aan wie door de examencommissie van de onderwijsinstelling bepaalde vrijstellingen
zijn verleend op basis van vooropleiding of ervaring; die werknemer wordt geacht een volledig
onderwijsprogramma te volgen indien slechts de onderdelen waarvoor een vrijstelling geldt niet
worden gevolgd. De verleende vrijstellingen moeten blijken uit een schriftelijk besluit van de
examencommissie. Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen aan voornoemd besluit worden
gesteld. Ook zal daarbij worden bepaald dat het besluit van de examencommissie door de
inhoudingsplichtige bij de loonadministratie moet worden bewaard. Op grond van het eerste lid,
aanhef en onderdeel b, moet de werknemer de intentie hebben de opleiding af te sluiten met het
voor die opleiding erkende diploma.
Op basis van het nieuwe artikel 13, tweede lid, van de WVA dient de werknemer vervolgens
te voldoen aan de voor de bol, bbl, hbo-opleidingen en vmbo voorgeschreven studielast. Voor de
bbl betreft dit het aantal voorgeschreven begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvormingsuren
die op basis van het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs1
1 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het
moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
38
gaan gelden. Voor de bol wordt vooralsnog aangesloten bij de huidige urennormen van artikel
7.2.7. van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). De nieuwe urennormen voor de bol wordt
op basis van voornoemd wetsvoorstel namelijk pas een studiejaar later van toepassing dan de
nieuwe urennormen voor de bbl. Voor het werkend-leren op hbo-niveau betreft dit de bestaande
voorgeschreven studielast van artikel 7.4, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en
wetenschappelijk onderzoek van 60 studiepunten (1680 uren studie) per studiejaar of de door de
instelling in de onderwijs- en examenregeling vastgelegde studielast per studiejaar voor een
deeltijdopleiding, indien deze afwijkt van voornoemde voorgeschreven studielast. Voor het vmbo
betreft dit het aantal voorgeschreven onderwijs- en praktijkuren van artikel 10b en 10b1 van de
Wet op het voortgezet onderwijs.
De hiervoor genoemde intenties van de werknemer en omvang, inhoud en opleidingsniveau
van het door de werknemer te volgen onderwijsprogramma moeten ingevolge het nieuwe artikel
13, derde lid, van de WVA worden opgenomen in een door de betrokken partijen gezamenlijk
ondertekende programmaverklaring. De verklaring dient als bijlage bij de reeds voorgeschreven
beroepspraktijkvormingsovereenkomst, onderwijsarbeidsovereenkomst of leer-werkovereenkomst
te worden opgenomen en moet bij de loonadministratie worden bewaard. Bij tussentijdse wijziging
van de intenties of tussentijdse wijziging van de omvang en inhoud van het te volgen
onderwijsprogramma dient de verklaring te worden aangepast. Uit de verklaring dient voor de
inspecteur te allen tijde de bedoeling van partijen kenbaar te zijn en de inhoud van de verklaring
dient aan te sluiten op hetgeen aan afdrachtvermindering wordt geclaimd.
Op grond van het nieuwe artikel 13, vierde lid, van de WVA kunnen bij ministeriële regeling
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van de verklaring.
Indien niet aan de verplichting tot het vaststellen, tussentijds aanpassen en bewaren bij de
loonadministratie van voornoemde verklaring wordt voldaan kan de inspecteur aan de
inhoudingsplichtige op grond van de in dit wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 67ca van
de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een sanctie in de vorm van een verzuimboete
opleggen. Deze boete bedraagt op grond van paragraaf 24b van het Besluit Bestuurlijke Boeten
Belastingdienst 50% van het wettelijke maximum van € 4920, dus € 2460 en kan in uitzonderlijke
gevallen worden verhoogd tot het wettelijke maximum.
Artikel V, onderdeel G (artikel 13 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
In artikel 13, tweede lid, van de WVA wordt aangesloten bij het aantal voorgeschreven
begeleide onderwijsuren en beroepspraktijkvormingsuren zoals deze op basis van het wetsvoorstel
Wijziging van onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs2 gaan gelden. Voor het studiejaar
2013-2014 is in voornoemd wetsvoorstel een tijdelijke bepaling opgenomen die met ingang van het
studiejaar 2014-2015 wordt vervangen door een structurele bepaling waarin ook de urennormen
2 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het
moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
39
voor de bol zijn opgenomen. Met de wijziging van artikel 13, tweede lid, van de WVA wordt
gewaarborgd dat steeds de juiste verwijzing naar de WEB is opgenomen.
Artikel V, onderdeel H (artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
In artikel 14 van de WVA zijn de verschillende varianten binnen de afdrachtvermindering
onderwijs opgenomen. In de huidige tekst van artikel 14, eerste lid, onderdeel e, van de WVA is de
afdrachtvermindering onderwijs startkwalificatie opgenomen. Voorgesteld wordt deze
afdrachtvermindering te laten vervallen en in dat kader ook het huidige artikel 14, vijfde lid, van de
WVA, dat een nadere uitwerking geeft aan deze afdrachtvermindering.
Het vervallen van het huidige artikel 14, derde lid, van de WVA hangt samen met het in dit
wetsvoorstel opgenomen voorstel om het toetsloon te laten vervallen.
De overige wijzigingen van artikel 14 van de WVA zijn technisch van aard.
Artikel V, onderdeel I (artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
In het kader van het toekomstbestendig maken van de afdrachtvermindering onderwijs
wordt in artikel 14, eerste lid, van de WVA een nieuw onderdeel e ingevoegd, waarin een
aanvullende afdrachtvermindering voor het behalen van een diploma is opgenomen. Deze
afdrachtvermindering is van toepassing voor de werknemer die de opleiding van de varianten bbl
en werkend-leren op hbo-niveau met goed gevolg heeft afgerond. Het met goed gevolg afronden
van de opleiding moet blijken uit een afschrift van het behaalde diploma. Voornoemd diploma dient
op grond van het voorgestelde zevende lid bij de loonadministratie te worden bewaard.
Daarnaast wordt voorgesteld in artikel 14, vierde lid, van de WVA te bepalen dat de
afdrachtvermindering ten hoogste van toepassing is naar de mate waarin de duur van het door de
deelnemer te volgen onderwijsprogramma overeenkomt met de voorgeschreven opleidingsduur
van een volledig onderwijsprogramma. Indien bijvoorbeeld een opleiding bij het volgen van een
volledig onderwijsprogramma twee jaar duurt, maar de werknemer vanwege vrijstellingen slechts
60% van het totale opleidingsprogramma hoeft te volgen, dan is de maximale duur van de
afdrachtvermindering voor deze werknemer 60% van 24 maanden (afgerond 15 maanden), ook
indien hij feitelijk langer over zijn onderwijsprogramma doet.
Artikel V, onderdeel J (artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie
voor de volksverzekeringen)
In het ingevolge artikel V, onderdeel I, in te voegen artikel 14, vierde lid, van de WVA
wordt voor de maximale studieduur vooralsnog aangesloten bij de huidige bepaling van artikel
7.2.4, negende lid, van de WEB. Met ingang van het studiejaar 2014-2015 zal de laatstgenoemde
bepaling worden vervangen door het artikel waarin op basis van het wetsvoorstel Wijziging van
40
onder meer de Wet educatie en beroepsonderwijs3 een nieuwe studieduur wordt opgenomen. Met
de in artikel V, onderdeel J, opgenomen wijziging van artikel 14, vierde lid, van de WVA wordt
bereikt dat die nieuwe studieduur ook voor de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing
wordt.
Artikel V, onderdeel K (artikel 17 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
De wijzigingen van artikel 17 van de WVA zijn reeds toegelicht bij de wijzigingen van artikel
1 van de WVA en zijn overigens technisch van aard.
Artikel V, onderdeel L (artikel 23 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
In artikel 23, derde lid, van de WVA worden twee aanpassingen aangebracht. Ten eerste
wordt het samengestelde percentage van de eerste schijf van de S&O-afdrachtvermindering
verlaagd. Het samengestelde percentage van de eerste schijf bestaat uit het basispercentage van
de tweede schijf (in 2013 14) vermeerderd met een opslagpercentage. Ten gevolge van het
Belastingplan 2012 zou het opslagpercentage in 2013 31 bedragen. Door de onderhavige wijziging
wordt het opslagpercentage voor 2013 gesteld op 24, waardoor het samengestelde tarief van de
eerste schijf 38 bedraagt. Ten tweede wordt de bovengrens van de eerste schijf van de S&Oafdrachtvermindering
(hierna: loongrens) verhoogd tot een bedrag van € 200.000. Beide
aanpassingen vloeien voort uit de evaluatie van de S&O-afdrachtvermindering over de periode
2006-20104
De wijziging van artikel 23, vierde lid, van de WVA bewerkstelligt dat het gemiddelde
uurloon van de S&O-inhoudingsplichtige naar boven wordt afgerond op hele euro’s in plaats van op
een veelvoud van € 5. Het betreft één van de twee technische aanpassingen in de S&Oafdrachtvermindering
die per 1 januari 2013 worden voorgesteld en die voortkomen uit het rapport
van de Heroverweging Innovatie (2010). De afronding op hele euro’s leidt tot een meer gelijke
behandeling van verschillende S&O-inhoudingsplichtigen, omdat de afgeronde uurlonen dichter bij
de werkelijke uurlonen komen te liggen.
. Daaruit is gebleken dat de effectiviteit van de hogere percentages beperkter is en dat
verlengen van de loongrens bedrijven tot meer speur- en ontwikkelingswerk aanzet en van belang
is om het MKB meer mogelijkheden te bieden om door te groeien, omdat vooral de kleinere tot
middelgrote bedrijven van een schijfverlenging profiteren.
De aanpassing van artikel 23, vijfde lid, van de WVA ziet op het plafond in de S&Oafdrachtvermindering.
Zoals aangekondigd in de kabinetsbrief “bedrijfslevenbeleid in uitvoering”5
3 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het
moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
acht het kabinet deze vaststelling van het plafond van belang voor het vestigingsklimaat. Door
deze aanpassing zakt het plafond namelijk niet van € 14 mln. (in 2012) naar € 8,5 mln. (in 2013),
4 Kamerstukken II 2011/12, 32 637 nr. 32, bijlage 162189.
5 Kamerstukken II 2011/12, 32 637 nr. 32.
41
zoals bij het Belastingplan 2012 was voorzien, maar wordt het plafond voor 2013 evenals in
voorgaande jaren vastgesteld op € 14 mln.
Door de aanpassing van artikel 23, zevende lid, van de WVA wordt het samengestelde
percentage van de eerste schijf van de S&O-afdrachtvermindering voor starters verlaagd. Het
samengestelde percentage voor starters bestaat uit het basispercentage van de tweede schijf (in
2013 14) vermeerderd met een opslagpercentage. Door deze wijziging wordt het opslagpercentage
van 46 verlaagd tot 36, waardoor het samengestelde tarief voor starters in de eerste schijf 50
bedraagt. Net als de aanpassingen onder 1, is ook de verlaging van het opslagpercentage voor
starters het gevolg van de evaluatie van de S&O-afdrachtvermindering en wordt ermee beoogd de
S&O-afdrachtvermindering binnen het gestelde budget zo effectief mogelijk te maken.
Artikel V, onderdeel M (artikel 24 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Door de aanpassing van artikel 24, tweede lid, van de WVA vervalt de margeregeling
(welke regeling inhoudt dat onderrealisatie van de vooraf aangevraagde en in de S&O-verklaring
toegekende S&O-uren niet gemeld en niet gecorrigeerd hoeft te worden, mits de onderrealisatie
niet groter is dan 10% (minimaal 90% is wel gerealiseerd) en niet meer dan € 10 000 per maand
bedraagt) voor de S&O-afdrachtvermindering. Het betreft één van de twee technische
aanpassingen in de S&O-afdrachtvermindering die per 1 januari 2013 worden voorgesteld en die
voortkomen uit het rapport van de Heroverweging Innovatie (2010). Door invoering van deze
maatregel zal voortaan de S&O-inhoudingsplichtige die zijn S&O-uren vooraf te hoog heeft
ingeschat, ook in het geval de afwijking niet meer dan 10% is, mededeling moeten doen van de
onderrealisatie. Daardoor zal ook in die gevallen van onderrealisatie op basis van de correctie S&Overklaring,
bedoeld in artikel 25 van de WVA, het te hoge bedrag aan maximaal toe te passen
S&O-afdrachtvermindering voortaan worden gecorrigeerd. Door het afschaffen van de
margeregeling wordt de S&O-afdrachtvermindering doelmatiger, omdat per saldo geen
afdrachtvermindering meer ontvangen wordt voor niet aan speur- en ontwikkelingswerk bestede
uren.
Voorts zal de mededelingsplicht worden uitgebreid voor S&O-inhoudingsplichtigen die ten
minste het in de aan hen afgegeven S&O-verklaring opgenomen aantal S&O-uren hebben besteed.
Hiermee wordt aangesloten bij de verplichte mededeling voor de aanvullende aftrek speur- en
ontwikkelingswerk (RDA). Deze uitbreiding van de verplichte mededeling biedt de mogelijkheid het
gebruik van de S&O-afdrachtvermindering beter te monitoren en de controles door Agentschap NL
gerichter uit te voeren. Voor de groep S&O-inhoudingsplichtigen die gebruikmaken van RDA brengt
dit geen extra verplichting mee, nu die groep reeds voor de RDA moet aangeven of het in de S&Overklaring
opgenomen aantal S&O-uren is besteed. Voor de kleine groep S&O-inhoudingsplichtigen
die geen gebruik maken van de RDA en (meer dan) het volledige aantal in de S&O-verklaring
opgenomen uren aan speur- en ontwikkelingswerk hebben besteed, is het effect van deze extra
verplichting beperkt. Deze inhoudingsplichtigen zijn al verplicht een S&O-administratie bij te
houden en door middel van deze administratie te verifiëren of het in de S&O-verklaring genoemde
aantal uren daadwerkelijk aan speur- en ontwikkelingswerk is besteed. Het doen van de
mededeling is dan een geringe extra last.
42
Artikel V, onderdeel N (artikel 25 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Met de aanpassing van artikel 25, eerste en tweede lid, van de WVA wordt tot uitdrukking
gebracht dat die bepalingen alleen van toepassing zijn op S&O-inhoudingsplichtigen als bedoeld in
artikel 24, tweede lid, eerste volzin, van de WVA.
Artikel V, onderdeel O (artikel 26 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Met de aanpassing van artikel 24, tweede lid, tweede volzin, van de WVA wordt de
mededelingsplicht uitgebreid voor S&O-inhoudingsplichtigen die ten minste het in de S&Overklaring
opgenomen aantal uren hebben besteed. Om de in die bepaling bedoelde mededeling te
kunnen afdwingen, wordt artikel 26, eerste lid, van de WVA uitgebreid voor die betreffende S&Oinhoudingsplichtigen,
zodat het niet doen van deze mededeling beboet kan worden. In samenhang
daarmee wordt in artikel 26, tweede lid, van de WVA tot uitdrukking gebracht dat die bepaling
alleen van toepassing is op S&O-inhoudingsplichtigen als bedoeld in artikel 24, tweede lid, eerste
volzin, van de WVA.
Artikel V, onderdeel P (artikel 29 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Door de aanpassing van artikel 29 van de WVA worden de in dat artikel genoemde
percentages in overeenstemming gebracht met de percentages van artikel 23 van de WVA,
waarnaar in het onderhavige artikel verwezen wordt. Verder wordt het door deze aanpassing
mogelijk om, teneinde zo veel mogelijk evenwicht te bereiken tussen de S&Oafdrachtverminderingen
en het hiervoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, juist de hogere
percentages van de eerste schijf (in 2013: 38 en voor starters 50) bij ministeriële regeling te
verlagen. Dit is onder meer ingegeven door de evaluatie van de S&O-afdrachtvermindering, die
heeft uitgewezen dat de effectiviteit van hogere percentages beperkter is dan die van het lage
percentage. Onder de huidige wettekst dient het opslagpercentage in de eerste schijf zo veel
mogelijk te worden ontzien bij een verlaging van de percentages en is het niet mogelijk om het
opslagpercentage voor starters bij ministeriële regeling te verlagen.
Artikel V, onderdeel Q (artikel 30a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Artikel 30a van de WVA bevat de indexeringsbepaling voor de bedragen van de
afdrachtvermindering onderwijs. In het huidige artikel 30a van de WVA is de ontwikkeling van het
wettelijk minimumloon die is gekoppeld aan de gemiddelde CAO-loonontwikkeling de basis voor de
indexatie. Voorgesteld wordt voor het onderdeel EVC binnen de afdrachtvermindering onderwijs
een afwijkende indexatie toe te passen door de indexatie te koppelen aan de
43
consumentenprijsindex. Dit is opgenomen in het in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 30a,
tweede lid, van de WVA. De indexering van het bedrag voor EVC vindt plaats door toepassing van
de tabelcorrectiefactor van artikel 10.2 van de Wet IB 2001 die is gekoppeld aan de
consumentenprijsindex.
Artikel V, onderdeel R (artikel 30a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Het in artikel V, onderdeel Q, opgenomen artikel 30a, tweede lid, van de WVA bevat de
indexeringsbepaling voor het bedrag van de afdrachtvermindering onderwijs EVC op basis van de
consumentenprijsindex. Voorgesteld wordt het bedrag van de afdrachtvermindering onderwijs bij
het behalen van een diploma ook volgens deze methode te indexeren. Daartoe wordt een
verwijzing naar artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de WVA opgenomen in genoemd tweede lid.
Artikel V, onderdeel S (artikel 31 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Artikel 31 van de WVA regelt de jaarlijkse indexering van het toetsloon. Bij het vervallen
van het toetsloon, zoals in dit wetsvoorstel wordt voorzien, kan deze bepaling uiteraard ook
vervallen.
Artikel V, onderdeel T (artikel 32a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en
premie voor de volksverzekeringen)
Zoals in het algemeen deel van deze memorie reeds is toegelicht wordt een
horizonbepaling met een termijn van vijf jaar opgenomen voor de afdrachtvermindering onderwijs.
Artikel 32a van de WVA strekt daartoe. Daarin wordt bepaald dat hoofdstuk V van de WVA, waarin
de afdrachtvermindering onderwijs is opgenomen, met ingang van 1 januari 2018 vervalt. De
overige met de afdrachtvermindering onderwijs samenhangende bepalingen zullen te zijner tijd
worden gewijzigd indien uitvoering wordt gegeven aan de horizonbepaling.
Artikel V, onderdeel U (artikelen 34 en 41a van de Wet vermindering afdracht loonbelasting
en premie voor de volksverzekeringen)
Artikel 34 van de WVA bevat overgangsrecht met betrekking tot de per 1 januari 2005
vervallen arbo-afdrachtvermindering. Artikel 41a van de WVA bevat overgangsrecht met
betrekking tot de per 1 januari 2006 vervallen afdrachtvermindering betaald ouderschapsverlof.
Aangezien voornoemd overgangsrecht inmiddels is uitgewerkt en voornoemde bepalingen derhalve
hun belang hebben verloren, kunnen deze bepalingen vervallen.
44
Artikel VI
Artikel VI, onderdelen A, B en C (artikelen 10a, 10d en 15ah van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969)
In artikel VI, onderdeel B, wordt geregeld dat artikel 10d van de Wet op de
vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969) vervalt. Daarmee verband houdend wordt in artikel,
VI, onderdelen A en C, geregeld dat de verwijzingen naar artikel 10d van de Wet Vpb 1969 in
artikel 10a van de Wet Vpb 1969, respectievelijk in artikel 15ah van de Wet Vpb 1969, worden
geschrapt.
Artikel VI, onderdeel D (artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Artikel 17a van de Wet Vpb 1969 bevat een opsomming van bestanddelen die worden
gerekend tot een Nederlandse onderneming als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel a, van
de Wet Vpb 1969. Ingevolge de huidige tekst van artikel 17a, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969
worden werkzaamheden die door een – in het buitenland gevestigd – lichaam worden verricht als
bestuurder of commissaris van een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de AWR tot een
Nederlandse onderneming gerekend. Dit geldt ook indien de bevoegdheid is beperkt tot buiten
Nederland gelegen gedeelten van de onderneming van het laatstgenoemde lichaam. Voorgesteld
wordt om genoemd onderdeel d uit te breiden. Hierdoor wordt het mogelijk om met name ook
materiële bestuurswerkzaamheden of managementdiensten die worden verricht voor een in
Nederland gevestigd lichaam in de zin van de AWR in de heffing van de vennootschapsbelasting te
betrekken.
Naar internationaal belastingrecht pleegt de heffing van bestuurdersbeloningen te worden
toegewezen aan de staat van vestiging van het lichaam waarvoor de bestuurswerkzaamheden
worden verricht (artikel 16 van het OESO-modelverdrag). In het algemeen wordt daarbij – voor
Nederland – uitgegaan van een formeel bestuurdersbegrip.6
Overigens is de toepassing van artikel 16, paragraaf 2, van het verdrag met de Belgische
bevoegde autoriteiten afgestemd. België deelt het standpunt van Nederland dat het heffingsrecht
Het belastingverdrag met België bevat
echter een afwijkend, dat wil zeggen ruimer, bestuurdersartikel. Op grond van artikel 16, paragraaf
2, van het belastingverdrag met België wordt de heffingsbevoegdheid ter zake van beloningen die
worden verkregen door een in België gevestigde vennootschap in het kader van de uitoefening –
buiten het kader van een dienstbetrekking – van een leidende werkzaamheid of leidende functie
van dagelijks bestuur, van commerciële, technische of financiële aard, van een in Nederland
gevestigde vennootschap, aan Nederland toegewezen. De terminologie voor de uitbreiding van
artikel 17a, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 sluit aan bij de terminologie van artikel 16,
paragraaf 2, van het belastingverdrag met België. Hiermee wordt zeker gesteld dat de functies en
werkzaamheden waarvoor het heffingsrecht aan Nederland is toegewezen op grond van genoemde
paragraaf van het belastingverdrag met België ook vallen onder de genoemde uitbreiding van
artikel 17a.
6 Vgl. HR 22 december 1999, nr. 35024, BNB 2000/94, gewezen voor de voorganger van de huidige bepaling, artikel 17, derde
lid, van de Wet Vpb 1969 juncto artikel 2, derde lid, onderdeel c, van de Wet LB 1964.
45
over de beloning voor de door een in België gevestigd lichaam verrichte materiële
bestuurswerkzaamheden of managementdiensten voor een in Nederland gevestigd lichaam
toekomt aan Nederland. Het is derhalve niet in discussie dat de heffingsbevoegdheid als gevolg van
de uitbreiding van artikel 17a, onderdeel d, van de Wet Vpb 1969 ook op grond van het
belastingverdrag met België door Nederland kan worden geëffectueerd.
Artikel VII
Artikel VII, onderdeel A (artikel 13 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Artikel 13, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer treft een voorziening
voor het geval een onroerende zaak of een recht waaraan deze is onderworpen, wordt
doorverkocht binnen zes maanden. Deze voorziening leidt ertoe dat bij een opeenvolgende
verkrijging door een ander binnen deze zes maanden alleen het verschil in waarde in de heffing
van overdrachtsbelasting wordt betrokken. Het onderhavige wijzigingsartikel strekt ertoe om, zoals
toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, een delegatiebepaling op te nemen waarmee
deze termijn in het licht van de situatie op de vastgoedmarkt kan worden aangepast. Bij gebruik
van de delegatiebepaling kan voor zover nodig onderscheid worden gemaakt tussen woningen en
niet-woningen en voor zover wenselijk overgangsrecht worden getroffen.
Artikel VII, onderdeel B (artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer)
Dit artikel regelt ten aanzien van het tarief van de overdrachtsbelasting de uitbreiding van
het woningbegrip tot alle aan de woning behorende aanhorigheden. Het betreft aanhorigheden
zoals de tuin, garages, schuren en dergelijke. De aanhorigheden mogen een eigen kadastraal
nummer hebben en hoeven zich dus niet op hetzelfde (kadastrale) perceel als de woning te
bevinden. Op dit moment geldt het 2%-tarief uitsluitend voor de aanhorigheden die op hetzelfde
tijdstip als de woning worden verkregen. Met dit voorstel worden eveneens onder het 2%-tarief
gebracht de aanhorigheden die op een later tijdstip dan de woning zelf worden verkregen en tot
deze woning gaan behoren.
Met het begrip aanhorigheden wordt aangesloten bij de uitgangspunten die gelden voor de
eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. Op grond van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet
IB 2001 worden ook de tot een eigen woning behorende aanhorigheden tot de eigen woning
gerekend. Voor het woningbegrip in de overdrachtsbelasting geldt hetzelfde uitgangspunt
Of sprake is van een aanhorigheid is feitelijk. De uitleg van het begrip “aanhorigheid” heeft
zich in de jurisprudentie voldoende ontwikkeld. Bij twijfel of er sprake is van een aanhorigheid kan
voor duidelijkheid met de inspecteur contact worden opgenomen.
46
Artikel VIII
Artikel VIII (artikel 67ca van de Algemene wet inzake rijksbelastingen)
Het voorgestelde artikel 67ca, eerste lid, onderdeel g, van de AWR maakt het mogelijk om
een sanctie op te leggen ingeval niet wordt voldaan aan de administratieve verplichtingen die
worden opgelegd in het in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 13, derde lid, van de WVA (artikel V,
onderdeel F). Deze sanctiebepaling ziet op de situatie dat de werkgever voor de werknemer
waarvoor hij de afdrachtvermindering toepast, geen programmaverklaring in zijn administratie
heeft opgenomen of heeft verzuimd deze tijdig aan te passen. De inspecteur kan aan de
inhoudingsplichtige een verzuimboete opleggen die op grond van paragraaf 24b van het Besluit
Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 50% bedraagt van het wettelijke maximum van € 4920, dus
€ 2460. In uitzonderlijke gevallen kan de boete worden verhoogd tot het wettelijke maximum. De
achtergrond van deze sanctie is nader toegelicht in het algemeen deel van deze memorie.
Artikel IX
Artikel IX (artikel 22bis van de Invorderingswet 1990)
Het nieuwe artikel 22bis van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) strekt ertoe het
bodem(voor)recht constructiebestendig te maken.
Naast een definitiebepaling in het eerste lid van het begrip bodemzaak, wordt daartoe in
het tweede lid een mededelingsplicht opgenomen voor bezitloos pandhouders en overige derden
die geheel of gedeeltelijk recht hebben op een bodemzaak. Onder die overige derden worden
verstaan degenen die de eigendom hebben voorbehouden, de huurverkopers en de financial
lessors. Deze personen zijn verplicht mededeling toe doen als zij van plan zijn enigerlei handeling
te verrichten die ertoe leidt dat de ontvanger geen bodembeslag ex artikel 22, derde lid, van de IW
1990 meer kan leggen. Het gaat in dit verband niet alleen om rechtshandelingen, maar ook om
feitelijke handelingen. Te denken valt dus niet alleen aan het uitoefenen van hun rechten op die
zaken, zoals bijvoorbeeld het vervreemden daarvan, maar ook bijvoorbeeld aan het zonder meer
weghalen van de zaken van de bodem van de belastingschuldige of aan het meewerken aan een
bodemverhuurconstructie, waardoor de zaken niet meer als bodemzaak kwalificeren. Ook kan
worden gedacht aan het aansporen door bijvoorbeeld de pandhouder van een belastingschuldige of
een vierde tot het verrichten van handelingen die ertoe leiden dat de bodemzaak niet meer als
zodanig kwalificeert.
Vanzelfsprekend behoeven handelingen die worden verricht in de normale
bedrijfsuitoefening van de belastingschuldige (zoals bijvoorbeeld noodzakelijke vervanging van
inventariszaken) niet te worden gemeld. Die handelingen vallen derhalve niet onder de reikwijdte
van het artikel. Dit wordt geregeld in het derde lid van genoemd artikel 22bis.
In artikel 22bis, vierde lid, van de IW 1990 wordt voorts bepaald dat bij ministeriële
regeling regels kunnen worden gesteld over de wijze waarop de mededeling moet worden gedaan.
Hierbij valt te denken aan een voorgeschreven formulier.
47
Artikel 22bis, vijfde lid, van de IW 1990 bepaalt dat vanaf de melding door de pandhouder
en de overigen derden gedurende een periode van vier weken geen enkele handeling mag worden
verricht die ertoe leidt dat de bodemzaak waarop door de ontvanger beslag kan worden gelegd,
niet meer kwalificeert als bodemzaak. De periode van vier weken strekt ertoe de “rat race”
waarover in het algemeen deel van deze memorie wordt gesproken tegen te gaan en de ontvanger
in staat te stellen zijn bodem(voor)recht uit te oefenen. Zoals ook in het algemeen deel van deze
memorie is opgemerkt heeft de termijn van vier weken mede de functie van overlegperiode waarin
de mogelijkheden voor continuering van een onderneming door kredietverleners en de ontvanger
kunnen worden besproken. In dat overleg kan ook de positie van de ontvanger worden betrokken.
Uitdrukkelijk merkt het kabinet hierbij op dat de termijn van vier weken een maximale
termijn is. De ontvanger zal zich – ten behoeve van de rechtszekerheid – inspannen om zo snel
mogelijkheid duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn positie ten opzichte van de betreffende
bodemzaken.
Op grond van artikel 22bis, zesde lid, van de IW 1990 is de ontvanger gehouden om in
situaties waarin hij besluit geen beslag te leggen daarover zo snel mogelijk duidelijkheid te
verschaffen. Te denken valt bijvoorbeeld aan situaties waarin er geen belastingschuld bestaat.
Vanaf de dagtekening van de kennisgeving door de ontvanger dat geen beslag zal worden
gelegd, vervalt de resterende periode van vier weken, genoemd in het vijfde lid, waarin de
pandhouder of de derde zijn rechten niet mag uitoefenen. Deze kennisgeving, die de pandhouder
of andere derde de bevoegdheid geeft zijn rechten uit te oefenen zonder te melden, heeft
overigens een beperkte geldigheidsduur en neemt een einde na verloop van vier weken na de
dagtekening van die kennisgeving. Dit geldt ook indien de ontvanger niet reageert binnen de
termijn van vier weken. Na die periode is artikel 22bis van de IW 1990 onverkort van toepassing.
Zo wordt voorkomen dat een eenmaal gedane kennisgeving of het uitblijven van een reactie tot in
lengte van dagen tegen de ontvanger zou kunnen worden ingeroepen.
Op grond van artikel 22bis, zevende lid, van de IW 1990 zijn pandhouders en overige
derden die nagelaten hebben de mededeling, bedoeld in het tweede lid, (tijdig) te doen, verplicht
op vordering van de ontvanger een met bescheiden gestaafde verklaring omtrent de
executiewaarde van de bodemzaak te doen. Het is daarbij niet relevant of de bodemzaak is
vervreemd of uitsluitend van de bodem van de belastingschuldige is weggehaald. De volgende stap
is dat de ontvanger een vordering indient bij diezelfde pandhouder of zekerheidseigenaar om deze
waarde aan hem af te dragen. Dezelfde procedure is van toepassing indien door de pandhouder of
zekerheidseigenaar handelingen zijn gepleegd gedurende de periode van vier weken, indien de
ontvanger nog geen standpunt met betrekking tot de mededeling heeft ingenomen. Deze
verplichting, die maximaal het bedrag van de openstaande belastingschuld ten tijde van de
voortijdige of niet gemelde handeling bedraagt, verjaart één jaar na genoemd tijdstip. Eventuele
geschillen over de omvang van de verplichting lopen via de burgerlijke rechter. Voorts volgt uit het
zevende lid dat de vordering van de ontvanger de titel vormt om indien nodig tot dwanginvordering
over te gaan als ware het een rijksbelasting. Het dwangbevel vormt de executoriale titel en de
regels van hoofdstuk III van de Invorderingswet 1990 zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.
Om te voorkomen dat voor activa met een geringe waarde de verplichtingen uit genoemd
artikel 22bis eveneens zouden gelden, bepaalt het achtste lid van dat artikel dat er bij ministeriële
regeling grensbedragen zullen worden aangegeven die ertoe strekken dat de mededeling
48
achterwege kan worden gelaten indien de bodemzaak een relatief geringe waarde
vertegenwoordigt.
Artikel 22bis, negende lid, van de IW 1990 houdt verband met het bepaalde in artikel 63c,
tweede lid, van de Faillissementswet. Op grond van dat artikel kan een derde-eigenaar gedurende
een afkoelingsperiode tijdens faillissement door middel van een exploot een bodemzaak opeisen,
als de ontvanger gedurende die afkoelingsperiode na uitbrenging van dat exploot bodembeslag
heeft gelegd. Door hetgeen is bepaald in genoemd negende lid wordt voorkomen dat derdeeigenaren
de werking van artikel 22bis van de IW 1990 frustreren door het faillissement van de
belastingschuldige aan te vragen, direct een afkoelingsperiode te verzoeken en vervolgens met
gebruikmaking van het exploot, bedoeld in artikel 63c van de Faillissementswet, zijn rechten vóór
die van de ontvanger te realiseren. Het voorgestelde negende lid heeft tot gevolg dat derdeeigenaren
pas een exploot als bedoeld in artikel 63c, tweede lid, van de Faillissementswet kunnen
uitbrengen en derhalve hun rechten geldend kunnen maken, nadat zij een mededeling hebben
gedaan als bedoeld in artikel 22bis, tweede lid, van de IW 1990 en nadien vier weken zijn
verstreken, dan wel de ontvanger al eerder heeft verklaard geen bezwaar tegen de uitoefening van
de rechten door de derde-eigenaar te hebben.
Artikel XI
Artikel XI (inwerkingtreding)
Deze wet treedt ingevolge artikel XI, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2013.
In artikel XI, eerste lid, onderdeel a, is geregeld dat artikel V, onderdelen M, N en O, voor
het eerst toepassing vindt met betrekking tot in het kalenderjaar 2013 aan speur- en
ontwikkelingswerk bestede uren.
In artikel XI, eerste lid, onderdeel b, is geregeld dat artikel VI voor het eerst toepassing
vindt met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2013.
Het eerste lid, onderdeel c, regelt het toepassingsbereik van het in artikel IX opgenomen
artikel 22bis van de IW 1990. Dit artikel 22bis vindt ingevolge artikel XI, eerste lid, onderdeel b,
voor het eerst toepassing op belastingschulden die zijn ontstaan na 31 december 2012 en is tot
1 april 2013 niet van toepassing met betrekking tot pandrechten en de overige rechten, bedoeld in
artikel 22bis van de IW 1990, die zijn gevestigd vóór 1 januari 2013. Dit om te voorkomen dat
degenen die op 1 januari 2013 reeds pandhouder of zekerheidseigenaar waren, worden overvallen
door de nieuwe regeling.
Ingevolge het tweede lid zal het tijdstip van inwerkingtreding van artikel V, onderdelen C,
F, I en R, en artikel VIII bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Het moment van
inwerkingtreding is afhankelijk van het moment waarop het wetsvoorstel Wijziging van onder meer
de Wet educatie en beroepsonderwijs7
7 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het
moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
waarin urennormen voor de bol en bbl worden ingevoerd die
mede als basis gaan dienen voor de afdrachtvermindering onderwijs bol en bbl, tot wet wordt
verheven en die wet in werking treedt. Voorts is in het tweede lid opgenomen dat de maatregelen
49
in het kader van het toekomstbestendig maken van de afdrachtvermindering onderwijs voor het
eerst toepassing vinden met ingang van het studiejaar volgend op het tijdstip van
inwerkingtreding, naar verwachting is dit het studiejaar 2013-2014. De maatregelen lenen zich niet
voor invoering gedurende het studiejaar. Daarnaast zullen betrokken partijen enige tijd nodig
hebben om te zorgen dat is voldaan aan de nieuwe voorwaarden zoals het opstellen van de
programmaverklaring.
Ingevolge het derde lid zal het tijdstip van inwerkingtreding van V, onderdelen G en J, bij
koninklijk besluit worden vastgesteld. Ook hierbij is het moment van inwerkingtreding afhankelijk
van het moment waarop het wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Wet educatie en
beroepsonderwijs8
Ingevolge het vierde lid werkt artikel VII, onderdeel A, terug tot en met 1 september 2012,
zijnde de datum waarop vooruitlopend op wetgeving de doorverkooptermijn voor woningen en nietwoningen
bij beleidsbesluit is verruimd naar 36 maanden. Dit om uitsteleffecten te voorkomen.
tot wet wordt verheven en die wet in werking treedt. Voor deze wijzigingen is
het echter – in tegenstelling tot hiervoor is aangegeven bij het tweede lid – niet noodzakelijk dat
deze voor het eerst worden toegepast bij aanvang van een studiejaar.
De Minister van Financiën,
De Staatssecretaris van Financiën,
8 Het bij koninklijke boodschap van 25 februari 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van onder meer de Wet
educatie en beroepsonderwijs ten behoeve van het bevorderen van meer doelmatige leerwegen in het beroepsonderwijs en het
moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs (Kamerstukken 33 187).
No.W06.12.0353/III ‘s-Gravenhage, 10 september 2012
Bij Kabinetsmissive van 5 september 2012, no.12.002010, heeft Uwe Majesteit, op
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de
Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende
wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013), met
memorie van toelichting.
Het voorstel omvat het Belastingplan 2013 dat, samen met de wetsvoorstellen Wet
herziening fiscale behandeling eigen woning, Wet verhuurderheffing, Wet herziening
fiscale behandeling woon-werkverkeer, Wet elektronische registratie notariële akten en
Overige fiscale maatregelen 2013, het fiscale pakket voor het jaar 2013 vormt. Het
voorstel bevat onder meer maatregelen in het kader van vereenvoudiging en
constructiebestrijding.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het
wetsvoorstel, maar maakt opmerkingen met betrekking tot de maatschappelijke
gevolgen van het aanpassen van het bodem(voor)recht van ‘s Rijks schatkist, het
opnemen van deze aanpassing in een afzonderlijk wetsvoorstel en de toepassing
ervan op nieuwe belastingschulden. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige
aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Inleiding
Volgens de memorie van toelichting dreigen het bodemrecht en het bodemvoorrecht
van ‘s Rijks schatkist op de goederen van een belastingplichtige door
verijdelingsconstructies steeds meer een tandeloze tijger te worden.1 Om die reden
wordt voorgesteld de Invorderingswet 1990 aan te passen met de bedoeling het
bodem(voor)recht constructiebestendig te maken, aldus de memorie van toelichting.2
Deze aanpassing houdt in dat in de bepalingen omtrent het bodem(voor)recht een
mededelingsplicht wordt opgenomen voor zekerheidshouders van bodemzaken, zoals
een pandhouder of een derde-eigenaar (eigendomsvoorbehouder, huurkoper en de
financial lessor).3
1 Paragraaf 9, Algemeen, tweede volzin, nader in die paragraaf onderbouwd onder Constructies gericht op uitholling
van het bodem(voor)recht.
Op grond van deze mededelingsplicht is de zekerheidshouder van
bodemzaken wettelijk verplicht om de ontvanger te informeren over het voornemen zijn
recht op deze zaken uit te oefenen dan wel handelingen te verrichten waardoor de
zaken niet meer als zodanig kwalificeren. Na ontvangst van de mededeling dient de
ontvanger binnen vier weken de benodigde maatregelen te treffen indien hij zijn
verhaalsrecht op de bodemzaken wil uitoefenen. Indien de ontvanger aangeeft geen
gebruik te maken van zijn verhaalsrecht (of uiterlijk nadat de termijn van vier weken is
verstreken), kan de zekerheidshouder zonder belemmeringen zijn rechten uitoefenen.
In het geval de zekerheidshouder in gebreke is gebleven om over zijn voornemen
mededeling te doen of in het geval de zekerheidshouder binnen de periode van vier
weken de ontvanger niet in de gelegenheid heeft gesteld tot het treffen van
maatregelen om het verhaalsrecht op de bodemzaken uit te oefenen, dient de
zekerheidshouder de opbrengst dan wel de waarde van de bodemzaken te vergoeden
2 Paragraaf 9, Algemeen, vijfde en zesde volzin.
3 Artikel IX van het voorstel.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
AAN DE KONINGIN
2
aan de ontvanger tot ten hoogste het bedrag van de ten tijde van de verkoop of – in het
geval de zaken niet zijn verkocht – ten tijde van de handelingen materieel bestaande
belastingschulden.
De maatregel treedt met ingang van 1 januari 2013 in werking voor na 1 januari 2013
ontstane belastingschulden en gevestigde zekerheidsrechten, terwijl voor
zekerheidsrechten die zijn ontstaan vóór 1 januari 2013 een overgangstermijn van drie
maanden geldt.4 De budgettaire opbrengst van de maatregel bedraagt € 100 miljoen
structureel.
Als gevolg van de wettelijke verplichting tot mededeling zullen kredietverleners op het
moment dat zij aansturen op uitwinning van hun zekerheidsrechten, nadrukkelijk
rekening moeten houden met het verhaalsrecht van de ontvanger, hetgeen hét
essentiële verschil is met de huidige situatie, aldus de memorie van toelichting.5 In de
memorie van toelichting wordt verder aangegeven dat een bijkomend voordeel voor de
ontvanger is dat deze in een eerder stadium zal aanschuiven bij gesprekken van de
ondernemer met kredietverleners en dat op deze wijze de termijn van vier weken mede
de functie krijgt van een overlegperiode waarin de mogelijkheden voor continuering van
een onderneming door kredietverleners en de ontvanger kunnen worden besproken.6
De Afdeling plaatst twee kanttekeningen bij het voorstel.
2. Maatschappelijke gevolgen; afzonderlijk wetsvoorstel
De Afdeling merkt op dat in de toelichting geen aandacht wordt besteed aan de
mogelijke maatschappelijke gevolgen van het voorstel. Met de maatregel wordt het
bodem(voor)recht van de fiscus aanmerkelijk versterkt ten koste van bijvoorbeeld het
pandrecht, eigendomsvoorbehoud, huurkoop en leasing. Het gaat om een maatregel
die ingrijpend is, niet alleen voor het MKB maar ook voor het grotere bedrijfsleven. Het
gevolg van de voorgestelde wijziging is dat de thans gebruikelijke voorbehouden en
zekerheden vrijwel illusoir worden. Niet onaannemelijk is dat bijvoorbeeld een
toeleverancier niet meer onder eigendomsvoorbehoud zal leveren, maar contante
betaling zal eisen. Dat levert in de praktijk financieringsproblemen op die het
bedrijfsleven, zeker op dit moment, geen goed doen. Ook is het niet ondenkbaar dat
het versterken van de positie van de ontvanger negatieve gevolgen heeft voor de
kredietverlening door financiële instellingen. Het beperkte overgangsrecht heeft ook
voor bestaande kredietportefeuilles van financiële instellingen gevolgen.
Tegen de achtergrond van het vorengaande is de Afdeling van oordeel dat een
afzonderlijk wetsvoorstel gerechtvaardigd is waarbij zonder tijdsdruk en eerst na
consultatie van relevante partijen een weloverwogen afweging van de voor- en nadelen
en de effecten van de voorgestelde maatregelen kan worden gemaakt. Onderhavig
wetsvoorstel en ook het fiscale pakket voor het jaar 2013 zijn daar minder geschikt
voor. In dit verband zij ook gewezen op artikel 70 van de Invorderingswet 1990.7
4 Artikel XI, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het voorstel.
Dit
artikel heeft als oogmerk te voorkomen dat het fiscale bodemrecht in de huidige vorm
5 Paragraaf 9, onder Mededelingsplicht voor zekerheidshouder, tweede tekstblok, eerste en tweede volzin.
6 Paragraaf 9, onder Mededelingsplicht voor zekerheidshouder, tweede tekstblok, derde en vierde volzin.
7 Artikel 70 van de Invorderingswet 1990 luidt ‘Artikel 22, derde lid [het bodemrecht van de ontvanger], vervalt op 1
januari 1993, tenzij voordien een wetsvoorstel, houdende een definitieve regeling omtrent het fiscaal bodemrecht bij
de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend, dan wel een wetsvoorstel houdende een verlenging van de
geldigheidsduur van voornoemde bepaling voor een tijd van niet langer dan een jaar’.
3
(dat is die welke gold onder het regime van de Invorderingswet 1845) wordt
gehandhaafd zonder dat een grondige herbezinning met betrekking tot dat recht heeft
plaatsgevonden.
De Afdeling adviseert het voorstel op te nemen in een afzonderlijk wetsvoorstel buiten
het fiscale pakket 2013. Onverminderd het voorgaande, adviseert de Afdeling in de
memorie van toelichting in te gaan op de ingrijpende maatschappelijke gevolgen van
het voorstel, en het voorstel aan te passen.
3. Toepassing op nieuwe belastingschulden
Zoals in de inleiding is aangegeven treedt de maatregel in werking met ingang van 1
januari 2013 maar vindt zij voor het eerst toepassing met betrekking tot
belastingschulden die ‘na’ 1 januari 2013 ontstaan.8 Niet duidelijk is waarom daarbij
niet is gekozen voor de formulering ‘op of na’ 1 januari 2013, teneinde ook
belastingschulden die op 1 januari 2013 ontstaan mee te laten lopen in het
voorgestelde regime.
De Afdeling adviseert in de memorie van toelichting op het vorenstaande in te gaan en
het voorstel zo nodig aan te passen.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van
wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het
vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State,
8 Artikel XI, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het voorstel.
> Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag
Aan de Koningin
Datum
Betreft Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van enkele
belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2013)
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Korte Voorhout 7
2511 CW Den Haag
Postbus 20201
2500 EE Den Haag
www.minfin.nl
Inlichtingen
Hanneke van den Bout
T 070-3428246
j.bout@minfin.nl
Evert Vos
T 070-342 7584
e.g.vos@minfin.nl
Anita Euser
T 070-3427890
a.p.euser@minfin.nl
Jan Takens
T 070-3428284
j.w.takens@minfin.nl
Ons kenmerk
AFP2012/616
Pagina 1 van 3
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 5 september 2012
nr.12.002010, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van
State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij
te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 september 2012, nr.
W06.12.0353/III, bied ik U, mede namens de Minister van Financiën, hierbij aan.
Het kabinet is de Afdeling erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee het advies
inzake het bovenvermelde voorstel is uitgebracht.
Naar aanleiding van het advies merk ik het volgende op.
Allereerst wordt benadrukt dat de voorgestelde aanpassing van het
bodem(voor)recht niet als doel heeft om de verhaalspositie van de Belastingdienst
uit te breiden ten koste van andere schuldeisers maar uitsluitend om het
bodem(voor)recht effectief te kunnen laten toepassen door de Belastingdienst. In
de “rat race” tussen Belastingdienst en kredietverleners die in paragraaf 9 van de
memorie van toelichting op het wetsvoorstel wordt beschreven, vist de
Belastingdienst nagenoeg altijd achter het net. Er worden dus geen nieuwe
zekerheidsrechten voorgesteld, zoals een wettelijk pandrecht of een fiscaal
voorrecht op onroerende zaken dat in rang boven het recht van hypotheek gaat.
Evenmin is sprake van een wettelijk beslag, aangezien dat vergaande juridische
gevolgen zou hebben voor de zekerheidsrechten van de kredietverschaffers. De
voorgestelde mededelingsplicht is bedoeld om de Belastingdienst in staat te stellen
tijdig aan te schuiven bij het overleg tussen de belastingschuldige en de
kredietverleners en niet om op voorhand zekerheidsrechten van kredietverleners
illusoir te maken. Dit heeft het kabinet ertoe gebracht, mede gelet op het
budgettaire belang dat met deze maatregel is gemoeid, om de aanpassing van het
bodem(voor)recht in het Belastingplan 2013 op te nemen. Ook rechtvaardigt dit in
2. Maatschappelijke gevolgen; afzonderlijk wetsvoorstel
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Ons kenmerk
AFP2012/616
Pagina 2 van 3
de ogen van het kabinet het standpunt dat artikel 22, derde lid, van de
Invorderingswet 1990 ook na de aanpassing ingevolge het onderhavige
wetsvoorstel binnen de reikwijdte van artikel 70 van de Invorderingswet 1990 valt.
Het fiscale bodemrecht zelf wordt niet uitgebreid. Slechts de uitholling ervan zoals
die zich in de achterliggende jaren heeft gemanifesteerd wordt gerepareerd.
Wat betreft de door de Afdeling genoemde effecten voor toeleveranciers onder
eigendomsvoorbehoud, huurverkopers en financial lessors merk ik het volgende
op. Leveranciers van bedrijfsinventarissen en andere bodemzaken die leveren
onder eigendomsvoorbehoud hebben geen kredietrelatie met de ondernemer. Hun
zekerheidseigendom is alleen bedoeld om in geval van wanbetaling de geleverde
bedrijfsinventaris te kunnen revindiceren. De Belastingdienst verhaalt zich hoogst
zelden op onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken. Leveranciers bedienen
zich vrijwel nooit van bodem(verhuur)constructies. Dit is anders bij bezitloos
pandhouders. Dit is een zekerheidsrecht dat is gekoppeld aan een overeenkomst
van geldlening. De waarde van het zekerheidsrecht is afhankelijk van de
mogelijkheid om zich te kunnen verhalen op de achterliggende roerende zaken.
Nagenoeg alle bodem(verhuur)constructies vinden in de praktijk dan ook plaats in
situaties waarin sprake is van een bezitloos pandrecht en – in mindere mate – in
situaties van financial lease. Al met al voorzie ik geen problemen bij
toeleveranciers.
Ten slotte merk ik over de effecten voor de kredietverlening door financiële
instellingen het volgende op. Ontegenzeggelijk vormen de verstrekte zekerheden
een belangrijke factor binnen vele kredietarrangementen. Wanneer die zekerheden
bestaan uit een pandrecht op bedrijfsinventaris die als bodemzaak kan worden
gekwalificeerd, hebben financiers al sinds jaar en dag te maken met de werking
van het fiscale bodemrecht. Het bodemrecht kan onder omstandigheden immers
betekenen dat de financier zich niet kan verhalen op de aan hem verpande
roerende zaken. Het beeld bestaat dat financiers pandrechten op bodemzaken toch
volop accepteren als (een van de) zekerheden onder het door hen verleende
krediet. Financiers waarderen deze roerende (bodem) zaken doorgaans op een
bepaald percentage van de economische waarde. Wat opvalt is dat de aldus
berekende waarde niet verschilt bij financiers die meer of minder actief zijn in het
toepassen van bodemrechtconstructies. Ook na de voorgestelde aanpassing ligt
het niet in de lijn der verwachtingen dat binnen de kredietverlening drastische
verschuivingen zullen ontstaan in de waardering van bodemzaken. Wel is
waarschijnlijk dat financiers voorzichtiger zullen zijn in het geval kredietgrenzen
worden overschreden of kredietnemers anderszins hun kredietafspraken niet meer
nakomen.
Eventuele effecten van de maatregel op de kredietverlening als zodanig zullen
overigens worden meegenomen bij de monitoring die zal plaatsvinden naar
aanleiding van de invoering van de bankenbelasting. Tijdens de parlementaire
behandeling van de Wet bankenbelasting is veel aandacht geweest voor het effect
van maatregelen als de bankenbelasting op de kredietverlening door banken. Naar
aanleiding van de motie Sent c.s.1 in de Eerste Kamer is De Nederlandsche Bank
(DNB) gevraagd het effect op de kredietverlening te monitoren. Aan de Tweede
Kamer heb ik een gelijkluidende toezegging gedaan.2
1 Kamerstukken I 2011/12, 33 121, J.
Deze monitor heeft een veel
breder bereik dan alleen de bankenbelasting. DNB meet namelijk één ‘over all’
2 Kamerstukken II 2011/12, 33 121, nr. 31, blz. 2.
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Ons kenmerk
AFP2012/616
Pagina 3 van 3
effect van alle factoren die van invloed zijn op de kredietverlening. Daar loopt het
effect van de voorgestelde bodem(voor)rechtmaatregel automatisch in mee. De
memorie van toelichting is op dit punt aangepast.
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is de formulering van het
overgangsrecht in artikel XI, eerste lid, onderdeel c, van het wetsvoorstel,
aangepast. Op grond van de aangepaste tekst vindt de maatregel eerst toepassing
met betrekking tot belastingschulden die na 31 december 2012 zijn ontstaan.
3. Toepassing op nieuwe belastingschulden
Ten slotte is van de gelegenheid gebruikgemaakt om in de memorie van toelichting
enkele bedragen met betrekking tot de uitvoeringskosten voor de Belastingdienst
van het wetsvoorstel Wet elektronische registratie notariële akten te herzien.
Voorts is een aantal redactionele en technische verbeteringen in het wetsvoorstel
en de memorie van toelichting aangebracht.
Ik moge U, mede namens de Minister van Financiën, verzoeken het hierbij
gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting
aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. F.H.H. Weekers
1
Wijziging van enkele belastingwetten (Wet herziening fiscale behandeling woonwerkverkeer)
VOORSTEL VAN WET
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het fiscale regime voor het
woon-werkverkeer te herzien waardoor per saldo een bijdrage wordt geleverd aan het structureel
verbeteren van de overheidsfinanciën, het verstevigen van het vertrouwen van de financiële
markten en het verder toekomstbestendig maken van de Nederlandse economie;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Artikel I
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A. Na artikel 1.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.10 Woon-werkverkeer
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder woonwerkverkeer
iedere reis waarbij heen of terug wordt gereisd tussen de woning of verblijfplaats en
de in het kader van een overeenkomst tot het verrichten van werkzaamheden overeengekomen
vaste werkplaats of werkplaatsen.
2. Onder woon-werkverkeer wordt mede verstaan het op regelmatige basis reizen tussen
de woning of verblijfplaats en een werkplaats waar in belangrijke mate werkzaamheden worden
verricht in het kader van de overeenkomst tot het verrichten van werkzaamheden.
3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt het reizen tussen de woning of
verblijfplaats en een werkplaats niet als woon-werkverkeer aangemerkt indien gedurende een
periode van ten hoogste een jaar naar die werkplaats wordt gereisd.
2
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een reis tussen de woning of
verblijfplaats en een werkplaats voorts niet als woon-werkverkeer aangemerkt indien niet binnen
24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.
B. Artikel 3.16, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel e wordt “en” vervangen door een puntkomma.
2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel f door “, en” wordt een
onderdeel toegevoegd, luidende:
g. woon-werkverkeer.
C. Artikel 3.20, tiende lid, komt te luiden:
10. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht voor privédoeleinden
plaats te vinden.
D. In afdeling 3.3 vervalt de aanduiding “§ 3.3.1 Belastbaar loon”.
E. Artikel 3.80 komt te luiden:
Artikel 3.80 Belastbaar loon
Belastbaar loon is loon als bedoeld in deze afdeling.
F. Paragraaf 3.3.2 vervalt.
G. In artikel 3.146, tweede lid, wordt “zevende lid” vervangen door: vijfde lid.
H. In artikel 10.1, eerste lid, wordt “3.77, 3.87, 3.109a” vervangen door: 3.77, 3.109a.
Artikel II
De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:
A. Na artikel 10a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10b
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder woonwerkverkeer
iedere reis waarbij heen of terug wordt gereisd tussen de woning of verblijfplaats en
de in het kader van een dienstbetrekking overeengekomen vaste werkplaats of werkplaatsen.
2. Onder woon-werkverkeer wordt mede verstaan het op regelmatige basis reizen tussen
de woning of verblijfplaats en een werkplaats waar in belangrijke mate werkzaamheden worden
verricht in het kader van de dienstbetrekking.
3. In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid wordt het reizen tussen de woning of
verblijfplaats en een werkplaats niet als woon-werkverkeer aangemerkt indien gedurende een
periode van ten hoogste een jaar naar die werkplaats wordt gereisd en deze periode aanmerkelijk
korter is dan de duur van de dienstbetrekking. Elkaar opvolgende dienstbetrekkingen voor
bepaalde tijd worden voor de toepassing van de eerste volzin als één dienstbetrekking beschouwd.
3
4. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt een reis tussen de woning of
verblijfplaats en een werkplaats voorts niet als woon-werkverkeer aangemerkt indien niet binnen
24 uur zowel heen als terug wordt gereisd.
B. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde lid, onderdeel b, komt te luiden:
b. het genot van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige ten behoeve van woonwerkverkeer;.
2. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid
ingevoegd, luidende:
6. Voor de toepassing van het derde lid, onderdeel b, wordt onder vervoer vanwege de
inhoudingsplichtige verstaan:
1˚. vanwege de inhoudingsplichtige georganiseerd vervoer;
2˚. het reizen op basis van door de inhoudingsplichtige aangeschafte en door hem aan de
werknemer verstrekte plaatsbewijzen.
C. Artikel 13bis, tiende lid, komt te luiden:
10. Voor de toepassing van dit artikel wordt woon-werkverkeer geacht voor privédoeleinden
plaats te vinden.
D. Artikel 13a wordt als volgt gewijzigd:
1. Het vierde lid komt te luiden:
4. In afwijking van het eerste lid wordt loon dat ingevolge artikel 27bis is begrepen in de
laatste aangifte van het kalenderjaar, geacht te zijn genoten bij het einde van het kalenderjaar of
het einde van de dienstbetrekking zo deze in de loop van het kalenderjaar eindigt.
2. Het vijfde en zesde lid vervallen, onder vernummering van het zevende lid tot vijfde lid.
E. Artikel 31a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt “waaronder woon-werkverkeer” vervangen door
“niet zijnde woon-werkverkeer”. Voorts vervalt “met dien verstande dat ingeval voor het vervoer,
niet zijnde vervoer per taxi, luchtvaartuig, schip of vervoer vanwege de inhoudingsplichtige, een
vaste vergoeding wordt gegeven aan een werknemer die op ten minste 128 dagen per kalenderjaar
naar een vaste plaats van werkzaamheden reist, deze vergoeding mag worden berekend alsof de
werknemer op ten hoogste 214 dagen per kalenderjaar naar die vaste plaats van werkzaamheden
reist;”.
2. In het zesde lid wordt ”artikel 13a, zesde lid” vervangen door: artikel 13, zesde lid.
3. Het zevende en achtste lid vervallen, onder vernummering van het negende en tiende lid
tot zevende en achtste lid.
4. In het zevende lid (nieuw) wordt “artikel 13, zesde lid” vervangen door: artikel 13,
zevende lid.
4
F. In artikel 39c worden na het derde lid, onder vernummering van het vierde lid tot
negende lid, vijf leden ingevoegd, luidende:
4. Bij toepassing van het eerste lid is artikel 15a, eerste lid, onderdelen i en k, vierde lid en
vijfde lid, zoals dat op 31 december 2010 luidde, vanaf 1 januari 2013 niet van toepassing.
5. Bij toepassing van het eerste lid wordt artikel 15b, eerste lid, onderdelen a en b, zoals
dat op 31 december 2010 luidde, met ingang van 1 januari 2013 als volgt gelezen:
a. vervoer indien dat vervoer niet plaatsvindt per taxi, luchtvaartuig, schip of ter
beschikking gesteld vervoermiddel, voor zover de vergoeding meer bedraagt dan € 0,19 per
kilometer;
b. woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b;.
6. Bij toepassing van het eerste lid wordt artikel 16a, eerste lid, zoals dat op 31 december
2010 luidde, met ingang van 1 januari 2013 als volgt gelezen:
1. Als vrije vergoeding ter zake van vervoer per openbaar vervoer geldt ten hoogste de
prijs van de vervoerbewijzen voor de per openbaar vervoer afgelegde reisafstand, niet zijnde
woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b, indien de werknemer de vervoerbewijzen ter
vergoeding overhandigt of zo spoedig mogelijk zal overhandigen aan de inhoudingsplichtige.
7. Bij toepassing van het eerste lid wordt artikel 17a, eerste en tweede lid, zoals dat op 31
december 2010 luidde, met ingang van 1 januari 2013 als volgt gelezen:
1. Tot de vrije verstrekkingen behoren verstrekkingen, in redelijkheid, ter zake van:
a. parkeergelegenheid bij de plaats van werkzaamheden, indien er geen sprake is van
parkeergelegenheid als bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel r;
b. algemeen erkende feestdagen en het Sint-Nicolaasfeest, een jubileum van de
inhoudingsplichtige, een dienstjubileum en de verjaardag en andere persoonlijke feestdagen van de
werknemer, alsmede het einde van de dienstbetrekking, mits de verstrekkingen een in hoofdzaak
ideële waarde hebben.
8. Bij toepassing van het eerste lid is artikel 17a, tweede lid, zoals dat op 31 december
2010 luidde, vanaf 1 januari 2013 niet van toepassing.
Artikel III
In afwijking in zoverre van het bij de Wet op de loonbelasting 1964 bepaalde, worden
vergoedingen en verstrekkingen ter zake of in de vorm van woon-werkverkeer als bedoeld in
artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964 geacht te zijn genoten in het loontijdvak waarin
het woon-werkverkeer plaatsvindt voor zover:
a. de vergoeding of verstrekking bij toepassing of overeenkomstige toepassing van artikel
13a van de Wet op de loonbelasting 1964 beschouwd zou zijn in de periode van 18 september
2012, 16.00 uur, tot en met 31 december 2012 te zijn genoten, en
b. het woon-werkverkeer na 31 december 2012 plaatsvindt.
Artikel IV
1. In afwijking in zoverre van de artikelen 3.16 en 3.17 van de Wet inkomstenbelasting
2001 komen voor de toepassing van de artikelen 3.16, 3.17 en 3.95, eerste lid, van de Wet
5
inkomstenbelasting 2001 bij het bepalen van de winst in aftrek kosten en lasten ten behoeve van
de belastingplichtige zelf die verband houden met woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 1.10
van die wet op basis van een openbaarvervoerkaart die voor 25 mei 2012 is aangeschaft.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een openbaarvervoerkaart verstaan
het recht op vrij of met korting reizen per openbaar vervoer dat al dan niet beperkt is tot reizen
over een vast traject.
Artikel V
1. Voor belastingplichtigen die op of na 1 januari 2013 voor het reizen tussen de woning of
verblijfplaats en de plaats of plaatsen van werkzaamheden gebruikmaken van een
openbaarvervoerkaart die voor 25 mei 2012 is aangeschaft, blijft artikel 3.87 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, zoals dat luidde op 31 december 2012, van toepassing gedurende de
looptijd van die openbaarvervoerkaart.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een openbaarvervoerkaart verstaan
het recht op vrij of met korting reizen per openbaar vervoer dat al dan niet beperkt is tot reizen
over een vast traject.
Artikel VI
1. Voor de toepassing van de artikelen 3.20 en 3.95, eerste lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 wordt, in afwijking in zoverre van artikel 3.20 van die wet, de op grond
van dat artikel berekende onttrekking vermenigvuldigd met factor 0,25 indien uit een
rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis behoudens woon-werkverkeer als
bedoeld in artikel 1.10 van die wet voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt
gebruikt, en:
a. ter zake van het gebruik van de auto sprake is van een voor 25 mei 2012 tot stand
gekomen overeenkomst met een derde; of
b. de auto voor 25 mei 2012 is aangeschaft door de belastingplichtige.
2. Het eerste lid is van toepassing voor de duur van de in dat lid, onderdeel a, genoemde
overeenkomst zoals die op 24 mei 2012 luidde, onderscheidenlijk voor zolang de auto, bedoeld in
dat lid, onderdeel b, ook voor privédoeleinden ter beschikking staat, doch in ieder geval niet langer
dan tot en met 31 december 2016.
3. Onder de duur van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan de
periode waarvoor een betalingsverplichting is aangegaan.
Artikel VII
1. In afwijking van artikel VI wordt voor de toepassing van de artikelen 3.20 en 3.95,
eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, in afwijking in zoverre van artikel 3.20 van die
wet, de op grond van dat artikel berekende onttrekking vermenigvuldigd met een factor 0,25
indien:
6
a. sprake is van een bestelauto als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992:
1o
2
. ter zake waarvan voor 25 mei 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als
bedoeld in artikel 3.20, elfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is afgegeven die nog niet is
ingetrokken;
o
3
. die mede voor woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 1.10 van de wet
inkomstenbelasting 2001 wordt gebruikt;
o
b. ter zake van het gebruik van de bestelauto sprake is van een voor 25 mei 2012 tot stand
gekomen overeenkomst met een derde dan wel de bestelauto voor 25 mei 2012 is aangeschaft
door de belastingplichtige.
. die behoudens woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 1.10 van de wet
inkomstenbelasting 2001 uitsluitend zakelijk wordt gebruikt; en
2. Het eerste lid is van toepassing voor de duur van de in dat lid, onderdeel b, genoemde
overeenkomst zoals die op 24 mei 2012 luidde, onderscheidenlijk voor zolang de bestelauto,
bedoeld in dat lid, onderdeel b, ook voor privédoeleinden ter beschikking staat, doch in ieder geval
niet langer dan tot en met 31 december 2016.
3. Onder de duur van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan: de
periode waarvoor een betalingsverplichting is aangegaan.
4. In afwijking van artikel 3.20, dertiende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan de
inspecteur bij het vermoeden van een rit voor privédoeleinden, anders dan voor woon-werkverkeer
als bedoeld in artikel 1.10 van die wet, met een bestelauto als bedoeld in het eerste lid, de
belastingplichtige verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was, dan wel plaatsvond
in het kader van woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 1.10 van die wet. Slaagt de
belastingplichtige niet in dit bewijs, dan wordt de bestelauto geacht op jaarbasis voor meer dan
500 kilometer voor privédoeleinden te worden gebruikt.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een bestelauto ter zake waarvan voor 25
mei 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als bedoeld in artikel 3.20, elfde lid, van de
Wet inkomstenbelasting 2001 is afgegeven mede verstaan een bestelauto ter zake waarvan
uitsluitend als gevolg van het feit dat de bestelauto na 24 mei 2012 is geleverd, eerst na 24 mei
2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als bedoeld in artikel 3.20, elfde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 is afgegeven.
Artikel VIII
1. In afwijking in zoverre van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt het
op grond van dat artikel berekende voordeel door de inhoudingsplichtige vermenigvuldigd met een
factor 0,25 indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis
behoudens woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van die wet voor niet meer dan 500
kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, en:
a. ter zake van het gebruik van de auto sprake is van een voor 25 mei 2012 tot stand
gekomen overeenkomst tussen de inhoudingsplichtige of werknemer en een derde; of
b. de auto voor 25 mei 2012 is aangeschaft door de inhoudingsplichtige.
7
2. Het eerste lid is van toepassing voor de duur van de in dat lid, onderdeel a, genoemde
overeenkomst zoals die op 24 mei 2012 luidde, onderscheidenlijk voor zolang de auto, bedoeld in
dat lid, onderdeel b, ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, doch in ieder geval niet
langer dan tot en met 31 december 2016.
3. Onder de duur van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan: de
periode waarvoor een betalingsverplichting is aangegaan.
4. Indien ter zake van de auto, bedoeld in het eerste lid, voor 25 mei 2012 een verklaring
geen privégebruik als bedoeld in artikel 13 bis, twaalfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964
is afgegeven, is toepassing van het eerste lid slechts mogelijk indien de verklaring nog niet is
ingetrokken. Voor de toepassing van de eerste volzin wordt onder een auto ter zake waarvan voor
25 mei 2012 een verklaring geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, twaalfde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 is afgegeven mede verstaan een auto ter zake waarvan uitsluitend als
gevolg van het feit dat de auto na 24 mei 2012 is geleverd, eerst na 24 mei 2012 een verklaring
geen privégebruik als bedoeld in artikel 13bis, twaalfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is
afgegeven.
Artikel IX
1. In afwijking van artikel VIII wordt in afwijking in zoverre van artikel 13bis van de Wet op
de loonbelasting 1964 het op grond van dat artikel berekende voordeel door de inhoudingsplichtige
vermenigvuldigd met een factor 0,25 indien:
a. sprake is van een bestelauto als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de
belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992:
1o
2
. ter zake waarvan voor 25 mei 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als
bedoeld in artikel 13bis, achttiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 is afgegeven die nog
niet is ingetrokken;
o
3
. die mede voor woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van de Wet op de
loonbelasting 1964 wordt gebruikt;
o
b. ter zake van het gebruik van de bestelauto sprake is van een voor 25 mei 2012 tot stand
gekomen overeenkomst tussen de inhoudingsplichtige of werknemer en een derde dan wel de
bestelauto voor 25 mei 2012 is aangeschaft door de inhoudingsplichtige.
. die behoudens woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van de Wet op de
loonbelasting 1964 uitsluitend zakelijk wordt gebruikt; en
2. Het eerste lid is van toepassing voor de duur van de in dat lid, onderdeel b, genoemde
overeenkomst zoals die op 24 mei 2012 luidde, onderscheidenlijk voor zolang de bestelauto,
bedoeld in dat lid, onderdeel b, ook voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, doch in ieder
geval niet langer dan tot en met 31 december 2016.
3. Onder de duur van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, wordt verstaan: de
periode waarvoor een betalingsverplichting is aangegaan.
4. In afwijking van artikel 13bis, twintigste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 kan de
inspecteur bij het vermoeden van een rit voor privédoeleinden, anders dan voor woon-werkverkeer
als bedoeld in artikel 10b van die wet, met een bestelauto als bedoeld in het eerste lid, de
inhoudingsplichtige en de werknemer verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was
8
dan wel plaatsvond in het kader van woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van die wet.
Slagen de inhoudingsplichtige en de werknemer niet in dit bewijs, dan wordt de bestelauto geacht
op kalenderjaarbasis voor meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden te worden gebruikt en
wordt de verschuldigde belasting, voor zover nodig in afwijking van artikel 20, tweede lid, van de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, nageheven van de werknemer. In afwijking van de tweede
volzin wordt nageheven van de inhoudingsplichtige ingeval hij wist dat de werknemer de bestelauto
behoudens woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964 niet
uitsluitend zakelijk gebruikte.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een bestelauto ter zake waarvan voor 25
mei 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als bedoeld in artikel 13bis, achttiende lid, van
de Wet op de loonbelasting 1964 is afgegeven mede verstaan een bestelauto ter zake waarvan
uitsluitend als gevolg van het feit dat de bestelauto na 24 mei 2012 is geleverd, eerst na 24 mei
2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik als bedoeld in artikel 13bis, achttiende lid, van de
Wet op de loonbelasting 1964 is afgegeven.
Artikel X
1. In afwijking in zoverre van artikel 31a van de Wet op de loonbelasting 1964 worden bij
de toepassing van dat artikel vanaf 1 januari 2013 vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, van die wet eveneens verminderd met
verstrekkingen in de vorm van als woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van die wet aan te
merken vervoer, indien de verstrekking plaatsvindt in de vorm van het ter beschikking stellen van
een openbaarvervoerkaart die voor 25 mei 2012 is aangeschaft.
2. In afwijking in zoverre van artikel 39c, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964
behoren tot de vrije verstrekkingen, bedoeld in artikel 17 van die wet, zoals dat op 31 december
2010 luidde, verstrekkingen in de vorm van als woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van
die wet aan te merken vervoer, indien de verstrekking plaatsvindt in de vorm van het ter
beschikking stellen van een openbaarvervoerkaart die voor 25 mei 2012 is aangeschaft.
3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt onder een openbaarvervoerkaart
verstaan het recht op vrij of met korting reizen per openbaar vervoer dat al dan niet beperkt is tot
reizen over een vast traject.
Artikel XI
1. Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.
2. Artikel III werkt terug tot en met 18 september 2012, 16.00 uur.
9
Artikel XII
Deze wet wordt aangehaald als: Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Financiën,
1
Wijziging van enkele belastingwetten (Wet
herziening fiscale behandeling woonwerkverkeer)
Memorie van toelichting
Inhoudsopgave
I. ALGEMEEN ………………………………………………………………………………………………………. 2
1. Inleiding……………………………………………………………………………………………………. 2
2. Woon-werkverkeer ………………………………………………………………………………………. 2
2.1. Algemeen / inhoud van de maatregel ……………………………………………………………… 2
2.2. Definitie woon-werkverkeer …………………………………………………………………………. 3
2.3. Uitwerking woon-werkverkeer ………………………………………………………………………. 4
3. Auto van de zaak ………………………………………………………………………………………… 7
4. Voorkoming anticipatie………………………………………………………………………………….. 7
5. Overgangsrecht…………………………………………………………………………………………… 7
6. Mobiliteit …………………………………………………………………………………………………… 9
7. Toeslagen………………………………………………………………………………………………….10
8. Budgettaire aspecten ……………………………………………………………………………………12
9. EU-aspecten ………………………………………………………………………………………………12
10. Uitvoeringskosten Belastingdienst…………………………………………………………………..12
11. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger …………………………………………………………….13
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING …………………………………………………………………………15
2
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
In het Begrotingsakkoord 2013 zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan het terugdringen
van het EMU-tekort tot (minder dan) 3%. Een van die maatregelen is de versobering van het
fiscale regime voor woon-werkverkeer. Dit betreft onder meer de afschaffing van de mogelijkheid
van onbelaste vergoedingen of verstrekkingen in het kader van woon-werkverkeer en het als
privékilometers aanmerken van de kilometers die met een door de werkgever ter beschikking
gestelde of aan een ondernemer ter beschikking staande (personen)auto (auto van de zaak) in het
kader van het woon-werkverkeer worden gemaakt. Deze herziening van het fiscale regime voor
woon-werkverkeer is opgenomen in dit wetsvoorstel. Het kabinet was genoodzaakt om deze
herziening niet te regelen in de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (Wet
UFM). Er bleek meer tijd nodig voor een verantwoorde en goed werkbare uitwerking van de
maatregel, in het bijzonder voor de uitwerking van de meer uitvoeringstechnische aspecten die aan
deze maatregel zijn verbonden. Beide Kamers der Staten-Generaal zijn op 4 juli 2012 per brief1
geïnformeerd over de aard van die uitvoeringstechnische aspecten. Daarna heeft overleg
plaatsgevonden met enkele maatschappelijke organisaties om te bezien welke ideeën er bij hen
leven over de invulling van de maatregel. Hierna wordt eerst ingegaan op de definitie van het
woon-werkverkeer, gevolgd door een omschrijving van de maatregelen voor de auto van de zaak.
Daarna wordt een toelichting gegeven op een maatregel die tot doel heeft anticipatiegedrag tegen
te gaan en op het overgangsrecht dat noodzakelijk is om recht te doen aan bestaande situaties.
Vervolgens wordt ingegaan op de gevolgen van een en ander op de toeslagen.
2. Woon-werkverkeer
2.1. Algemeen / inhoud van de maatregel
Tot 1 januari 2004 werd een onderscheid gemaakt tussen enerzijds regelmatig woon-werkverkeer
en anderzijds andere in het kader van de dienstbetrekking gemaakte reizen (zakelijk verkeer).
Voor woon-werkverkeer (anders dan per openbaar vervoer) golden beperktere mogelijkheden voor
het verstrekken van een onbelaste vergoeding dan voor andere in het kader van de
dienstbetrekking gemaakte reizen. Om verschillende redenen, voornamelijk van
uitvoeringstechnische aard en de daaraan gekoppelde hoge administratieve lasten voor het
bedrijfsleven en uitvoeringskosten voor de Belastingdienst, is toentertijd besloten om in het fiscale
regime voor vergoedingen en verstrekkingen geen onderscheid meer te maken tussen regelmatig
woon-werkverkeer en zakelijk verkeer en in samenhang daarmee bij de regeling van de auto van
de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk aan te merken. Daarmee verviel de noodzaak om in de
administraties een onderscheid aan te brengen tussen woon-werkverkeer en zakelijk verkeer.
Met ingang van 1 januari 2013 zal de regeling voor onbelaste reiskostenvergoedingen en
verstrekkingen van vervoer op grond van dit wetsvoorstel niet langer van toepassing zijn op de
1 Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 23.
3
kilometers die in het kader van het woon-werkverkeer worden gemaakt, ongeacht de wijze waarop,
en wordt in samenhang daarmee het met een auto van de zaak afgelegde woon-werkverkeer
aangemerkt als privégebruik. Hiermee wordt een besparing bereikt van € 1,5 miljard structureel.
In het kader van het vorenstaande vervalt onder meer de zogenoemde gerichte vrijstelling voor
woon-werkverkeer. De werkgever heeft in dat geval uiteraard nog wel de mogelijkheid om de
reiskosten voor het woon-werkverkeer onbelast te vergoeden vanuit de huidige vrije ruimte van de
zogenoemde werkkostenregeling WKR. Het benutten van deze vrije ruimte voor de reiskosten in
het woon-werkverkeer is uiteraard een keuze van de werkgever die deze keuze veelal zal maken in
overleg met de werknemers.
In 2013 wordt wel de mogelijkheid gehandhaafd om onbelaste tegemoetkomingen te geven voor
de zakelijke reizen, niet zijnde woon-werkverkeer. Het fiscale regime voor deze zakelijke reizen
blijft voor dat jaar ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Het budgettaire belang van
deze resterende fiscale vergoedingen in de sfeer van de reiskosten bedraagt € 600 miljoen. In het
Begrotingsakkoord 2013 is aangegeven dat met ingang van 1 januari 2014 deze € 600 miljoen
wordt ondergebracht in de WKR. Alsdan zou de gerichte vrijstelling worden omgezet in de vrije
ruimte binnen de WKR. Deze € 600 miljoen zou dan de werkgever met ingang van 1 januari 2014
in beginsel de mogelijkheid bieden om vanuit die vrije ruimte in de WKR de zakelijke kilometers,
niet zijnde woon-werkverkeer, belastingvrij te vergoeden. Daarnaast staat het de werkgever zoals
gezegd uiteraard vrij om de vrije ruimte (tevens) te benutten voor het onbelast vergoeden of
verstrekken van woon-werkverkeer.
Op dit moment vindt een evaluatie plaats van de WKR. Het kabinet geeft er de voorkeur aan om
deze evaluatie af te wachten alvorens het met voorstellen komt voor de wettelijke bepalingen om
de hiervoor bedoelde vrije ruimte van de WKR te verruimen met de € 600 miljoen die verbonden is
aan het belastingvrij vergoeden van de zakelijke reizen. Dit wetsvoorstel bevat dan ook nog niet de
bepalingen tot verruiming van die vrije ruimte. Er is geen noodzaak om dat nu te doen omdat,
vanwege het feit dat de WKR pas per 1 januari 2014 verplicht wordt, de huidige gerichte vrijstelling
tot die datum in stand moet worden gehouden en dus ook de verruiming van de WKR pas met
ingang van 1 januari 2014 kan worden gerealiseerd.
2.2. Definitie woon-werkverkeer
Bij de uitwerking van de maatregel uit het Begrotingsakkoord 2013 lag het in eerste instantie voor
de hand om waar mogelijk terug te grijpen op de regeling zoals die gold tot 1 januari 2004. Er
bestond toentertijd een definitie van regelmatig woon-werkverkeer, een definitie waarover al veel
gediscussieerd was, waarover ook al veel jurisprudentie tot stand was gekomen en waarover ook
diverse beleidsbesluiten waren vastgesteld. Deze definitie was weliswaar niet onomstreden, maar
was wel min of meer “uitgekristalliseerd” als het gaat om de toepassing daarvan. In het
oorspronkelijke wetsvoorstel waarin onder andere werd voorzien in de herziening van het fiscale
regime voor de kosten van vervoer, zoals dat aan de Raad van State was voorgelegd, werd die
oude definitie ook als uitgangspunt gehanteerd. Bij nader inzien is daar uiteindelijk toch niet voor
gekozen. De reikwijdte van de “oude” definitie bracht met zich mee dat ook werknemers met een
ambulant reisgedrag in veel gevallen onder de definitie vielen, hetgeen aanleiding gaf tot veel
4
discussies. Denk daarbij aan de loodgieter die zijn werkzaamheden per definitie niet op een vaste
werkplek uitvoert, maar waarbij veelal wel sprake was van enige regelmaat in het reispatroon.
Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de wijkverpleegkundige. Hierbij speelt ook mee dat deze
werknemers geen keuze hebben als het gaat om de bepaling van hun werkplek. De werkgever
bepaalt immers op basis van het werkaanbod waar de werknemer die dag zijn of haar
werkzaamheden gaat verrichten. In het Begrotingsakkoord 2013 is dan ook bijzondere aandacht
gevraagd voor de problematiek die verbonden is aan het ambulante karakter van sommige
beroepen.
Tevens is in het kader van de uitwerking van dit wetsvoorstel gevraagd om bijzondere aandacht
voor het zogenoemde “nieuwe werken”. In verband met het nieuwe werken worden mensen
gestimuleerd om – uiteraard waar mogelijk – bijvoorbeeld thuis te werken of op een werkplek die
dichter bij huis ligt dan de vaste werkplek. Door het nieuwe werken zijn veel werknemers flexibeler
geworden als het gaat om de werkplek en wordt de min of meer onnodige mobiliteit voorkomen,
hetgeen bijdraagt aan het terugdringen van de files of van het gebruik van het openbaar vervoer
op tijden waarop dat vervoer toch al druk bezet is. Tijdens de behandeling van de Wet UFM in de
Eerste Kamer is de motie Ester (ChristenUnie) c.s. ingediend2 waarin met name wordt gevraagd
om bij de uitwerking van de maatregelen ter zake van de reiskosten de voor- en nadelen van het
fiscaal faciliteren van thuiswerken uit te werken en mee te wegen. Deze motie is aangehouden
omdat tijdens die behandeling is toegezegd dat de strekking en geest van de motie zeker zal
worden meegenomen bij deze uitwerking. Het kabinet hoopt dat in de uitwerking zoals die hierna
wordt beschreven, ook naar de mening van de indieners van de motie aan die toezegging gestand
is gedaan.
Met ingang van 1 juli 2011 is ter zake van de omzetbelasting een definitie vastgelegd voor woonwerkverkeer.
Voor auto’s van de zaak die zowel zakelijk als privé worden gebruikt is
omzetbelasting verschuldigd over het privégebruik, waaronder wordt begrepen het woonwerkverkeer.
In dit wetsvoorstel wordt ten behoeve van de uitwerking van de in het
Begrotingsakkoord 2013 voorziene versobering van het fiscale regime voor woon-werkverkeer, de
definitie zoals die in de omzetbelasting geldt als startpunt gehanteerd en vervolgens aangevuld dan
wel gecombineerd met elementen die specifiek voor de loon-en inkomstenbelasting van belang
zijn. Voor een deel wordt daarbij teruggegrepen op elementen die golden in de tot 2004 voor de
loon-en inkomstenbelasting gehanteerde definitie, met dien verstande dat deze elementen zodanig
zijn aangepast dat de gevolgen van die definitie voor het grootste deel van de ambulante
werknemers worden beperkt.
2.3. Uitwerking woon-werkverkeer
De in de omzetbelasting gehanteerde definitie voor woon-werkverkeer komt op het volgende neer.
Het gaat om (heen en/of terug) reizen van de woon- of verblijfplaats naar de in het kader van een
overeenkomst tot het verrichten van arbeid overeengekomen vaste werkplaats(en) waar men (één
of meerdere dagen) zijn werkzaamheden verricht. Als een dergelijke overeenkomst niet is
2 Kamerstukken I 2011/12, 33 287, I.
5
gesloten, dan geldt dat alle reizen (heen en/of terug) van de woon- of verblijfplaats naar een
bedrijfsadres als woon-werkverkeer kwalificeren. Zo zal het reizen van een loodgieter naar het
adres van een klant of het reizen van de wijkverpleegkundige naar de klant voor de omzetbelasting
geen woon-werkverkeer zijn, tenzij deze werkplaats als vaste werkplaats is overeengekomen
tussen werknemer en werkgever.
Met name het eerste deel van deze definitie biedt mogelijkheden om in de loon- en/of
inkomstenbelasting tegemoet te komen aan een deel van de gesignaleerde aandachtspunten. Dit
onderdeel van deze definitie leidt ertoe dat het merendeel van de reizen van de ambulante
werknemer, zoals de loodgieter en de wijkverpleegkundige, wordt aangemerkt als zakelijk verkeer
en dus in aanmerking komt voor een onbelaste vergoeding.
Als er sprake is van verschillende werkplaatsen die regelmatig worden gebruikt of als sprake is van
een werkplaats thuis en een bedrijfsadres die beide regelmatig worden gebruikt is voor de
toepassing ten behoeve van de loon- en inkomstenbelasting nadere regelgeving noodzakelijk. De in
de omzetbelasting gehanteerde definitie gaat er namelijk van uit dat de werkgever en de
werknemer gezamenlijk kunnen vaststellen welke werkplaats als vaste werkplaats wordt
aangemerkt en dat het reizen naar andere plaatsen waar arbeid wordt verricht per definitie niet als
woon-werkverkeer wordt aangemerkt, hoe frequent ook naar die andere arbeidsplaats wordt
gereisd. Vanuit de wens om in de loon- en inkomstenbelasting zo veel mogelijk aan te sluiten bij de
feitelijke werkplek, ook als het gaat om verschillende werkplekken, is het gewenst om in de loonen
inkomstenbelasting tevens als vaste werkplaats aan te merken alle werkplekken die als zodanig
moeten worden aangemerkt vanwege de mate van regelmaat waarin naar die werkplaats wordt
gereisd en waar in belangrijke mate werkzaamheden worden verricht. Dat houdt dus in dat in
bepaalde gevallen op grond van het wetsvoorstel de reizen tussen de woning of verblijfplaats en
een niet als zodanig door de werkgever en werknemer aangewezen werkplek als woon-werkverkeer
worden aangemerkt. Als bijvoorbeeld een werkgever twee bedrijfsadressen heeft waarvan de één
op (stel) 10 kilometer van de woning of verblijfplaats van de werknemer is gevestigd en de ander
op (stel) 100 kilometer, dan dienen de reizen tussen de woning of verblijfplaats en de beide
bedrijfsadressen als woon-werkverkeer te worden aangemerkt als die werknemer in belangrijke
mate werkzaamheden verricht op beide adressen. Dit is slechts anders als de werknemer slechts
kortdurend werkt op één van beide bedrijfsadressen. Indien de werknemer de facto slechts (stel)
twintig dagen per jaar zijn werkzaamheden verricht op het dichtstbijzijnde bedrijfsadres en
gemiddeld (stel) vier dagen per week op het andere bedrijfsadres zijn werkzaamheden verricht,
dan worden in ieder geval de reizen tussen de woning of verblijfplaats en dat laatste bedrijfsadres
als woon-werkverkeer aangemerkt. Als bijvoorbeeld de thuiswerkplaats als vaste werkplaats wordt
aangewezen terwijl de werknemer de facto zijn werkzaamheden in belangrijke mate verricht op
een bedrijfsadres van de werkgever dienen de reizen tussen de woning of verblijfplaats en dat
bedrijfsadres als woon-werkverkeer te worden aangemerkt. Als er sprake is van het verrichten van
werkzaamheden op twee bedrijfsadressen of op het thuiswerkadres en een bedrijfsadres,
bijvoorbeeld twee dagen per week op het ene adres en de andere drie dagen op het andere adres,
dan dienen de reizen tussen de woning of verblijfplaats en de beide adressen als woon6
werkverkeer te worden aangemerkt. Dit wetsvoorstel bevat ten opzichte van de in de
omzetbelasting gehanteerde definitie nadere bepalingen om deze materie nader te regelen.
Hiervoor is aangegeven dat op grond van de in de omzetbelasting gehanteerde definitie de reizen
van de ambulante werknemer naar de klanten in beginsel niet als woon-werkverkeer worden
aangemerkt. De adressen van deze klanten zullen niet als vaste werkplaats zijn aangewezen. De
mogelijkheid bestaat echter dat de reizen van de ambulante werknemer naar bepaalde klanten een
vaste frequentie hebben en zich over een dermate lange periode uitstrekken dat de reizen tussen
de woning of verblijfplaats en deze werkplekken als woon-werkverkeer moeten worden aangemerkt
vanwege de mate van regelmaat waarin naar die werkplaats wordt gereisd en de mate waarin op
die werkplaats werkzaamheden worden verricht. Daarvan zou al sprake kunnen zijn als een
loodgieter of elektricien bijvoorbeeld gedurende enige maanden op dezelfde bouwplaats zijn
werkzaamheden verricht. In dit wetsvoorstel wordt bepaald dat in dat geval pas sprake is van
woon-werkverkeer als die werkzaamheden op die specifieke werkplaats langer duren dan een jaar.
Pas als dat geval is of zal zijn, worden alle reizen van de woning of verblijfplaats naar die
werkplaats aangemerkt als woon-werkverkeer en wordt de vergoeding die daarvoor wordt
verstrekt belast. Indien de duur van die werkzaamheden op die specifieke plek gelijk is aan de
duur van de dienstbetrekking, is te allen tijde sprake van woon-werkverkeer, zelfs als de duur van
die werkzaamheden korter is dan een jaar.
Hiervoor is steeds gesproken over de ambulante werknemer. Het vorenstaande is echter niet alleen
van toepassing op de werknemer, maar ook op ondernemers (waaronder uiteraard ook begrepen
de zzp’er). Een ondernemer verricht zijn werkzaamheden vaak op basis van een overeenkomst van
opdracht met zijn opdrachtgever. In die overeenkomst wordt in verreweg de meeste gevallen ook
vastgelegd waar de ondernemer zijn werkzaamheden verricht. Daarmee wordt die werkplek
aangemerkt als de vaste werkplaats in de zin van de definitie zoals die voor de omzetbelasting
wordt gehanteerd. Alle reizen van de woning of verblijfplaats naar die vaste werkplaats zouden
daarmee bestempeld worden als woon-werkverkeer en eventuele vergoedingen voor die reizen
worden dan als belastbaar inkomen aangemerkt. Dat is voor de inkomstenbelasting een
ongewenste situatie. Naar de mening van het kabinet dienen in beginsel alleen de reizen van de
ondernemer tussen zijn woning of verblijfplaats naar zijn eigen bedrijfsadres als woon-werkverkeer
te worden aangemerkt. Als de ondernemer vanuit zijn woning of verblijfplaats werkt, is er in
beginsel geen sprake van woon-werkverkeer. Daarmee wordt voor de ondernemer zo veel mogelijk
aangesloten bij de regeling voor de ambulante werknemer. Dat houdt tegelijkertijd in dat ook voor
de ondernemer geldt dat de frequentie waarin naar eenzelfde werkplaats wordt gereisd en de mate
waarin op die werkplaats werkzaamheden worden verricht op enig moment tot de conclusie kunnen
leiden dat sprake is van belast woon-werkverkeer. Net als bij de ambulante werknemer geldt
echter ook voor de ondernemer dat hiervan pas sprake is indien die werkzaamheden op die
specifieke werkplaats langer duren dan een jaar.
Voor de werknemer die tijdens zijn dienstverband wordt gedetacheerd naar een andere werkplaats
dan zijn gebruikelijke vaste werkplaats en de duur van die detachering aanmerkelijk korter is dan
de duur van de dienstbetrekking geldt dat de reizen die in het kader van die detachering worden
7
gemaakt tussen de woning of verblijfplaats en de plaats van detachering worden beschouwd als
zakelijke reizen. De daarvoor toegekende vergoedingen kunnen derhalve onbelast worden
verstrekt. Voorwaarde is wel dat de detachering niet langer duurt dan een jaar. Ingeval de
detachering langer duurt dan een jaar worden de reizen tussen de woning of verblijfplaats en de
plaats van detachering aangemerkt als woon-werkverkeer en worden de vergoedingen voor die
reizen belast. Waar mogelijk wordt hier dus aangesloten bij hetgeen wordt bepaald voor de
ambulante werknemer c.q. de ambulante ondernemer.
3. Auto van de zaak
Voor het privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde of aan een ondernemer
ter beschikking staande (personen)auto van de zaak dient een bijtelling plaats te vinden indien dit
privégebruik meer is dan 500 kilometer op jaarbasis. Thans wordt het woon-werkverkeer in het
kader van de bijtelling niet als privégebruik aangemerkt. Omdat op grond van dit wetsvoorstel
vergoedingen en verstrekkingen voor het woon-werkverkeer niet langer onbelast worden gelaten,
ligt het voor de hand dat voor de bijtelling voor de auto van de zaak de woonwerkverkeerkilometers
als privékilometers worden aangemerkt. Dit wetsvoorstel bevat de daarvoor
noodzakelijke wijzigingen.
In het algemeen zal het aantal kilometers dat wordt gereden in het kader van het woonwerkverkeer
meer dan de eerder genoemde 500 kilometer zijn. Als gevolg van het feit dat deze
kilometers straks als privé worden aangemerkt, zal de huidige vrijstelling van de bijtelling voor de
auto’s waarmee minder dan 500 kilometer privé wordt gereden grotendeels haar belang verliezen.
Onder hoofdstuk 2 hiervoor is uitgebreid ingegaan op hetgeen als woon-werkverkeer wordt
aangemerkt. De definitie van woon-werkverkeer zoals daar beschreven is ook van belang voor de
beantwoording van de vraag welke kilometers straks als woon-werkverkeer worden aangemerkt
voor de fiscale behandeling van de auto van de zaak.
4. Voorkoming anticipatie
Om te voorkomen dat de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen met betrekking tot de fiscale
behandeling van woon-werkverkeer worden ontweken door bijvoorbeeld nog in 2012 een
kostenvergoeding te verstrekken ter zake van woon-werkverkeer dat in 2013 of later plaatsvindt,
is in dit wetsvoorstel een bepaling opgenomen op grond waarvan vergoedingen en verstrekkingen
die in de periode van 18 september 2012, 16.00 uur, tot en met 31 december 2012 plaatsvinden
ter zake of in de vorm van woon-werkverkeer voor zover dat verkeer plaatsvindt na 31 december
2012, geacht worden te zijn genoten in het loontijdvak waarin het woon-werkverkeer plaatsvindt.
Daarmee wordt bewerkstelligd dat in het betreffende loontijdvak alsnog belasting verschuldigd
wordt ter zake van de hiervoor bedoelde vergoedingen en verstrekkingen.
5. Overgangsrecht
Dit wetsvoorstel voorziet in overgangsrecht voor zowel het afschaffen van de mogelijkheid om
onbelast tegemoetkomingen in het kader van het woon-werkverkeer te geven, als voor het
8
aanmerken van de kilometers die met een auto van de zaak in het kader van het woonwerkverkeer
worden gemaakt als privékilometers. Dit overgangsrecht is reeds aangekondigd in
bijlage 2 bij de Voorjaarsnota 2012 die op 25 mei 2012 naar de Tweede Kamer is verzonden.3
Daarbij is ook de datum van 25 mei 2012 genoemd als ijkpunt voor het hierna beschreven
overgangsrecht.
Allereerst wordt voorzien in overgangsrecht voor OV-abonnementen die door de werkgever aan de
werknemer zijn verstrekt, al dan niet uitsluitend ten behoeve van het woon-werkverkeer van de
werknemer.4 Zonder nadere maatregelen zou in situaties waarin een dergelijk OV-abonnement ook
na 31 december 2012 nog geldig is, het deel van de verstrekking dat betrekking heeft op de
periode na die datum veelal moeten worden belast. Dit wetsvoorstel voorziet erin dat voor OVabonnementen
die vóór 25 mei 2012 zijn aangegaan, de verstrekking daarvan onbelast blijft voor
de geldigheidsduur van dat abonnement voor zover deze geldigheid zich uitstrekt tot na
31 december 2012 en voor zover de verstrekking op grond van de tot 1 januari 2013 geldende
wetgeving niet belast zou zijn. Onder dezelfde voorwaarden is voorzien in overgangsrecht voor de
reisaftrek voor werknemers die met het openbaar vervoer van en naar het werk reizen en daar
geen of een lage vergoeding voor krijgen.
Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in overgangsrecht ter zake van de auto van de zaak. Dit
overgangsrecht is van belang voor werknemers die van hun werkgever een auto ter beschikking
gesteld hebben gekregen en deze auto gebruiken voor het woon-werkverkeer maar overigens niet
meer dan 500 kilometer per jaar privé rijden, of, ingeval het een bestelauto betreft, een
zogenoemde verklaring uitsluitend zakelijk gebruik is afgegeven op grond waarvan geen enkel
privégebruik wordt verondersteld. Doordat het woon-werkverkeer op grond van het onderhavige
wetsvoorstel niet langer als zakelijk- maar als privéverkeer wordt aangemerkt, wordt voor deze
werknemers de bijtelling van toepassing, tenzij zij ook inclusief het woon-werkverkeer blijven
voldoen aan de voorwaarde dat niet meer dan 500 kilometer privé wordt gereden of dat –
eveneens inclusief het woon-werkverkeer – in het geheel geen privékilometers worden gemaakt in
geval van een bestelauto waarvoor een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik is afgegeven.
Voor de personen- en bestelauto’s die door het aanmerken van de woon-werkkilometers als
privékilometers onder de bijtelling gaan vallen geldt een overgangsregime. Dat houdt in dat voor
deze auto’s waarvoor vóór 25 mei 2012 een leasecontract is aangegaan, de bijtelling gedurende de
looptijd van dat leasecontract maar uiterlijk tot 1 januari 2017 wordt beperkt tot 25% van de
zonder dit overgangsrecht verschuldigde bijtelling van 25%, 20% dan wel 14%.5
3 Kamerstukken II 2011/12, 33 280, nr. 1.
Deze verlaagde
bijtelling geldt overigens alleen ingeval het aantal overige privékilometers, zijnde de andere
privékilometers dan de kilometers die in het kader van het woon-werkverkeer met de auto worden
gemaakt, beperkt blijft tot maximaal 500 kilometer op jaarbasis, hetgeen desgevraagd moet
kunnen worden aangetoond, bijvoorbeeld door middel van een kilometerregistratie. Indien dat
privégebruik (dus exclusief het woon-werkverkeer) uitstijgt boven die 500 kilometer op jaarbasis,
4 Uiteraard wordt dergelijk overgangsrecht ook voorzien voor de IB-ondernemer die gebruikmaakt van een OV-abonnement ter zake van zijn woonwerkverkeer.
5 Met ingang van 1 januari 2014 25% van 7% voor auto’s die na die datum voor het eerst in gebruik worden genomen en die een CO2-uitstoot hebben van
maximaal 50 gram per kilometer.
9
wordt alsnog de volledige bijtelling van toepassing. Voor de bestelauto waarvoor voor 25 mei 2012
een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik is afgegeven, geldt dit overgangsrecht alleen ingeval
naast de zakelijke kilometers en de woon-werkverkeerkilometers geen privékilometers worden
gemaakt. Indien dat wel het geval is wordt alsnog de volledige bijtelling van toepassing.
Dit overgangsrecht geldt mutatis mutandis eveneens voor de auto van de zaak die niet is geleased
maar op de balans van de onderneming staat en ter beschikking is gesteld aan de werknemer.
Tevens geldt dit overgangsrecht voor de auto die de ondernemer voor privégebruik, waaronder
woon-werkverkeer, ter beschikking staat. Het overgangsrecht geldt dan gedurende de termijn dat
de auto op de balans blijft staan, met dien verstande dat ook dit overgangsrecht in ieder geval
eindigt op 1 januari 2017. Ook dit overgangsrecht voor de auto van de zaak is eerder
aangekondigd in bijlage 2 bij de hiervoor genoemde Voorjaarsnota 2012. Daarin is ook de datum
van 25 mei 2012 genoemd als ijkpunt voor het hier beschreven overgangsrecht.
6. Mobiliteit
In de autobrief6 is mededeling gedaan van een gezamenlijke verkenning door de Staatssecretaris
van Financiën en de Minister van Infrastructuur en Milieu naar de mogelijkheden om langs fiscale
weg een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de files. Het doel van die verkenning was het
bezien of en zo ja, op welke wijze en binnen de uitgangspunten van een solide, eenvoudig en
fraudebestendig fiscaal systeem, een aanpassing van bestaande fiscale instrumenten ertoe zou
kunnen bijdragen dat bijvoorbeeld in het woon-werkverkeer minder wordt gereden. Tijdens de
verkenning bleek dat met name de voorstellen van de B50 (de zogenoemde beeldbepalende
bedrijven) die aan werkgevers en werknemers een ruime mate van vrijheid bieden in de toedeling
van de mobiliteitsbudgetten, kansrijk werden geacht. Op basis van die voorstellen voor een
zogenoemd “slim reisbudget” zouden werkgever en werknemer in gezamenlijk overleg kunnen
kiezen voor een ander reisgedrag, zowel waar het zou gaan om het beoordelen van de noodzaak
van een reis, het tijdstip waarop de reis wordt gemaakt als het vervoermiddel waarmee de reis
wordt gemaakt. Het kabinet had deze voorstellen dan ook vanuit een positieve insteek
beoordeeld.7
Het streven was erop gericht om de Tweede Kamer voor het zomerreces te informeren over de
resultaten van de verkenning. De verkenning is echter niet afgerond. Het Begrotingsakkoord 2013,
waarin onder meer is voorzien in het afschaffen van de onbelaste reiskostenvergoeding voor het
woon-werkverkeer, bracht met zich mee dat de werkzaamheden voor de verkenning door de
actualiteit werden ingehaald.
Inmiddels zijn wel de mobiliteitseffecten van de afschaffing van de onbelaste reiskostenvergoeding
voor het woon-werkverkeer, met daaraan gekoppeld de maatregelen ten aanzien van de auto van
de zaak, doorgerekend. Er zijn doorrekeningen beschikbaar van het Planbureau voor de
Leefomgeving (PBL) en van MuConsult. De resultaten van het PBL zijn neergelegd in een notitie
van 6 juli 2012, “Bereikbaarheid: uitwerking basispad en effecten van maatregelen”, die door PBL
6 Kamerstukken II 2010/11, 32 800, nr. 1.
7 Zie bijvoorbeeld het antwoord van de Staatssecretaris van Financiën op vragen van de leden Koolmees en Verhoeven (beiden D66), Aanhangsel
Handelingen II 2011/12, nr. 1533.
10
op zijn site beschikbaar is gesteld.8 De resultaten van het onderzoek door MuConsult zijn
neergelegd in het rapport “Mobiliteitseffecten reiskostenmaatregelen Begrotingsakkoord”. 9
Zowel het PBL als MuConsult komen tot de conclusie dat de afschaffing van de onbelaste
reiskostenvergoeding voor het woon-werkverkeer, met daaraan gekoppeld de maatregelen ten
aanzien van de auto van de zaak, tot substantiële mobiliteitseffecten leidt.
MuConsult is in haar berekeningen uitgegaan van een tweetal sociaal-economische scenario’s. Dit
betreffen de door het Centraal Planbureau en het PBL opgestelde WLO-scenario’s Regional
communities en Global Economy (RC en GE). In het RC-scenario is de economische groei relatief
laag, terwijl het GE-scenario juist uitgaat van een hoge economische groei. Daarmee geven beide
scenario’s de bandbreedte aan van de (mobiliteits)effecten. In de hiernavolgende tabel zijn de
resultaten weergeven van de effecten zoals die door MuConsult zijn beschreven.
Tabel Overzicht (mobiliteits)effecten
GE-scenario RC-scenario
Min Max Min Max
Totale mobiliteit
Autokilometers – 3% – 3,5% – 3,5% – 4,5%
Reizigerskilometers trein – 2,5% – 4% – 2,5% – 4%
Woon-werkmobiliteit
Autokilometers – 7% – 8,5% – 8% – 10%
Reizigerskilometers trein – 6% – 8,5% – 6% – 9,5%
Congestie
Voertuigverliesuren Hoofdwegennet – 12% – 14,5% – 15,5% – 19%
Milieueffecten
CO2-emissies personenautopark – 2,7% – 2,5%
De waarschijnlijk belangrijkste dalingen zijn die van het aantal voertuigverliesuren10 (op het
hoofdwegennet) en de CO2-uitstoot van het wagenpark. Volgens MuConsult daalt het aantal
voertuigverliesuren met ongeveer 12 tot 19%. De CO2-uitstoot daalt met 2,5% tot 2,7%. Het PBL
heeft de daling van de CO2-uitstoot niet berekend. Wat betreft de daling van het aantal
voertuigverliesuren komt het PBL op basis van een overigens minder omvangrijk onderzoek tot een
daling van 10% tot 15%.
7. Toeslagen
De in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen ten aanzien van de vergoedingen en
verstrekkingen voor het woon-werkverkeer, hebben tot gevolg dat het verzamelinkomen van de
mensen die door deze maatregel worden geraakt, wordt verhoogd. De eerder van belasting
vrijgestelde reiskostenvergoeding gaat als gevolg van de maatregel immers belastbaar loon
vormen. Dat kan tot gevolg hebben dat een eventuele toeslag wordt verlaagd. In de
eerdergenoemde brief waarin het kabinet de Kamer heeft geïnformeerd over de aard van de
8 http://www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/PBL-CPB%20Notitie%20Bereikbaarheid%20effecten%20van%20maatregelen.pdf.
9 Het rapport is te raadplegen op www.muconsult.nl.
10 Voertuigverliesuren: Extra reistijd voor weggebruikers op het hoofdwegennet door wachttijd in files.
11
uitvoeringstechnische aspecten die verbonden zijn aan de uitwerking van deze maatregel11, is
aangegeven dat in het kader van de augustusbesluitvorming zou worden bezien of deze gevolgen
kunnen worden gemitigeerd.
Het blijkt niet mogelijk om de mensen van wie de toeslag als gevolg van deze maatregel wordt
verlaagd, te compenseren of om voor deze mensen de gevolgen te mitigeren. Hierbij spelen een
aantal factoren een rol. Allereerst treft de reiskostenmaatregel alleen de werkenden, terwijl van de
werkenden een groot deel op dit moment geen reiskostenvergoeding ontvangt en dus ook niet door
de op dat punt voorgestelde maatregel wordt geraakt. In het in hoofdstuk 6 aangehaalde rapport
van MuConsult wordt gemeld dat ongeveer 57% van de mensen in loondienst een
reiskostenvergoeding ontvangt en dat van de ondernemers c.q. de zzp’ers zo’n 36% zichzelf een
reiskostenvergoeding toekent. Voorts is het aantal mensen in loondienst dat een onbelaste
reiskostenvergoeding krijgt in de hogere inkomensgroepen hoger dan in de lagere, zij het dat dit
verschil beperkt is. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat het merendeel van de toeslaggerechtigden
niet wordt geraakt door de maatregel op het gebied van de reiskostenvergoeding. Dit geldt
eveneens voor toeslaggerechtigden met een auto van de zaak. Elke vorm van compensatie heeft
echter een generiek karakter en bereikt daardoor vooral de mensen voor wie de
reiskostenmaatregel geen gevolgen heeft voor de eventuele toeslag (de niet-werkenden en de
werkenden die geen reiskostenvergoeding ontvangen en ook geen gevolgen ondervinden van de
maatregel met betrekking tot de auto van de zaak). Tegelijkertijd leidt dit generieke karakter ertoe
dat die mensen voor wie de maatregel wel gevolgen heeft voor de toeslag, elke vorm van
compensatie volstrekt ontoereikend is.
Hoewel het kabinet zich ervan bewust is dat in individuele gevallen de doorwerking van de
reiskostenmaatregel naar de toeslagen soms forse gevolgen kan hebben, komt het op grond van
het vorenstaande tot de conclusie dat een adequate compensatie of mitigering van de gevolgen
niet mogelijk is.
11 Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 23.
12
8. Budgettaire aspecten
In de hiernavolgende tabel is het totale budgettaire beeld van dit wetsvoorstel weergegeven.
Tabel Budgettaire aspecten (in € mln.; -/- = lastenverlichting).
Onderwerp 2013 2014 2015 struc.
Afschaffen vrijstelling woon-werkverkeer 1.300 1.300 1.300 1.300
Afschaffen gerichte vrijstellingen kosten van vervoer (niet in wetsvoorstel) 600 600 600
Vergroting vrije ruimte in werkkostenregeling (niet in wetsvoorstel) -600 -600 -600
Maatregel auto van de zaak 75 150 225 300
Totaal conform Begrotingsakkoord 2013 1.375 1.450 1.525 1.600
Overgangsrecht cf. BA 2013 leaseauto, OV, ambulant vervoer en
bestelauto
0 -25 -65 -100
wv. 25% heffing auto van de zaak 110 75 35
wv. Overgangsrecht OV-abonnementen -10
wv. Versoepeling regime ambulant vervoer / bestelauto’s -100 -100 -100 -100
Totaal Reiskosten 1.375 1.425 1.460 1.500
In het Begrotingsakkoord 2013 is voorzien in overgangsrecht voor de lopende OV-abonnementen
en de leaseauto. Daarbij is aangegeven dat de uit dat overgangsrecht voortvloeiende opbrengst
kan worden ingezet voor de eventuele bestelautoproblematiek en de problematiek van de
werknemers in de ambulante sector zoals de thuiszorg en de bouw. De in dit wetsvoorstel
opgenomen oplossing voor de bestelautoproblematiek en de problematiek van de werknemers in
de ambulante sector zoals de thuiszorg en de bouw (zie paragraaf 2.3 van deze memorie) leidt tot
een derving van € 100 miljoen structureel. Deze derving wordt in 2013 volledig en de jaren 2014
en 2015 gedeeltelijk gedekt door met name de in genoemd begrotingsakkoord opgenomen
bijtelling van een kwart van de “normale” bijtelling zoals toegelicht in hoofdstuk 5 van deze
memorie. Voor zover de dekking als gevolg van deze maatregel ontoereikend is wordt de dekking
gevonden binnen het pakket Belastingplan 2013.
In de hiervoor opgenomen tabel staan twee regels over de op grond van het Begrotingsakkoord
2013 voor 2014 voorziene afschaffing van de gerichte vrijstelling voor de zakelijke reizen en de
tegelijkertijd te verhogen vrije ruimte van de WKR. Zoals toegelicht in het slot van paragraaf 2.1
van deze memorie, geeft het kabinet er de voorkeur aan eerst de evaluatie van de WKR af te
wachten alvorens deze maatregel daadwerkelijk in de wet vast te leggen. Deze maatregelen zijn
samen overigens budgetneutraal.
9. EU-aspecten
Dit wetsvoorstel bevat geen EU-aspecten.
10. Uitvoeringskosten Belastingdienst
De maatregelen in het kader van dit wetsvoorstel hebben tot gevolg dat de vereenvoudiging van
de reiskostenregeling die in 2004 werd ingevoerd voor een groot deel ongedaan wordt gemaakt.
13
Zolang de gerichte vrijstelling voor de vergoedingen en verstrekkingen die voor zakelijke reizen
worden betaald in stand blijft wordt weer onderscheid gemaakt tussen zakelijk en woonwerkverkeer.
De Belastingdienst zal – zij het in iets mindere mate dan voor 2004 – meer werk
hebben in het toezicht op de juiste naleving van de nieuwe regels. Daarnaast is er ook sprake van
initiële kosten, omdat systemen en documenten moeten worden aangepast.
Zoals hiervoor in hoofdstuk 5 is beschreven voorziet dit wetsvoorstel in overgangsrecht ter zake
van de auto van de zaak. De Belastingdienst zal alle berijders van een auto van de zaak die een
verklaring ter zake van het privégebruik met een auto van de zaak hebben afgegeven actief
informeren over de gevolgen van deze regeling. Het overgangsrecht is van belang voor
werknemers die van hun werkgever een auto ter beschikking gesteld hebben gekregen en deze
auto gebruiken voor het woon-werkverkeer maar overigens niet meer dan 500 kilometer per jaar
privé rijden, of, ingeval het een bestelauto betreft, een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik is
afgegeven op grond waarvan geen enkel privégebruik is toegestaan. Doordat het woonwerkverkeer
op grond van het onderhavige wetsvoorstel niet langer als zakelijk- maar als
privéverkeer wordt aangemerkt, wordt voor deze werknemers de bijtelling van toepassing, tenzij
zij ook inclusief het woon-werkverkeer blijven voldoen aan de voorwaarde dat niet meer dan 500
kilometer privé wordt gereden of dat in het geheel geen privékilometers (inclusief woonwerkkilometers)
worden gemaakt in geval van een bestelauto waarvoor een verklaring uitsluitend
zakelijk gebruik is afgegeven. De overgangsregeling voor de (bestel)auto’s van de zaak brengt
extra kosten met zich mee, die aflopen in 2017. Hiervoor is extra toezicht noodzakelijk om
enerzijds te waarborgen dat de overgangsregeling juist wordt toegepast en anderzijds te
waarborgen dat er terecht gebruik van wordt gemaakt. Het proces rond de verklaringen terzake
van het privégebruik met de auto van de zaak zal daarentegen aan belang gaan inboeten,
aangezien wordt aangenomen dat er nog maar weinig belastingplichtigen overblijven die zo weinig
woon-werk kilometers maken dat ze onder de 500 km blijven.
De mutaties waar het betreft de uitvoeringskosten van de Belastingdienst die uit het vorenstaande
voortvloeien zijn weergegeven in het onderstaande overzicht.
De uitvoeringskosten die betrekking hebben op 2012 zullen bij Najaarsnota (tweede suppletoire
begroting) worden verwerkt in de begroting van Financiën (IXB). De aan het wetsvoorstel
verbonden uitvoeringskosten die betrekking hebben op 2013 en verder liggende jaren, worden
verwerkt bij de budgettaire besluitvorming in het voorjaar 2013. In 2016 treedt een netto
besparing op van € 1,8 mln. oplopend tot € 4,1 miljoen vanaf 2019.
Tabel Uitvoeringskosten (in € mln).
2012 2013 2014 2015 2016 2017
Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer 0,3 1,9 0,7 -0,6 -1,8 -2,5
11. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger
Het maken van onderscheid tussen woon-werkkilometers en andere kilometers gaat gepaard met
een stijging van de administratieve lasten voor bedrijven met circa € 30 miljoen. Dit komt overeen
14
met de verlaging van de administratieve lasten die in 2004 in aanmerking is genomen bij het als
zakelijk aanmerken van woon-werkverkeer.
Het aanmerken van de woon-werkverkeerkilometers als privékilometers in het kader van de
bijtelling voor de “auto van de zaak” leidt ertoe dat op termijn de huidige vrijstelling van bijtelling
voor auto’s die per jaar niet meer dan 500 kilometer privé rijden fors in belang zal inboeten.
Daardoor zal op termijn ook de noodzaak tot het bijhouden van een rittenregistratie fors
verminderen. Dat leidt tot een besparing van de administratieve lasten voor burgers van ongeveer
0,7 miljoen uur per jaar structureel.
15
II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I
Artikel I, onderdeel A, (artikel 1.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
In het Begrotingsakkoord 2013 is vastgelegd dat tegemoetkomingen voor woonwerkverkeer
met ingang van 1 januari 2013 belast zullen worden. Dat brengt onder meer met zich
mee dat voor de regeling met betrekking tot een tot het ondernemingsvermogen van de
belastingplichtige behorende auto die de belastingplichtige ook voor privédoeleinden ter
beschikking staat woon-werkverkeer geacht wordt voor privédoeleinden plaats te vinden. In het
voorgestelde artikel 1.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) wordt daartoe
vastgelegd welke reizen als woon-werkverkeer worden beschouwd. Deze vastlegging is van belang
voor het antwoord op de vraag of een reis meetelt voor de 500-kilometergrens om te bepalen of
sprake is van een onttrekking vanwege het voor privédoeleinden ter beschikking staan van een
auto. Tevens is dit van belang voor de beoordeling in hoeverre door de belastingplichtige gemaakte
reiskosten in mindering kunnen worden gebracht op de winst.
Zoals in het algemeen deel van deze memorie al is gemeld, wordt voor de definiëring van
het begrip woon-werkverkeer in de inkomstenbelasting (en ook in de loonbelasting, zie elders in dit
wetsvoorstel) in beginsel aangesloten bij de definitie van woon-werkverkeer zoals die in de
omzetbelasting van toepassing is. Dit komt naar voren in het eerste lid van artikel 1.10 van de Wet
IB 2001 waarin het uitgangspunt is opgenomen voor het bepalen van woon-werkverkeer. Voor de
definitie van woon-werkverkeer wordt uitgegaan van hetgeen degene die de werkzaamheden
verricht en degene in wiens opdracht die werkzaamheden worden verricht, onderling zijn
overeengekomen over de plaats waar de werkzaamheden zullen worden verricht. In genoemd lid
wordt dit aangeduid als de vaste werkplaats of de vaste werkplaatsen. Dat hoeft dus niet beperkt
te zijn tot een enkele vaste werkplaats; het is zonder meer mogelijk dat verschillende vaste
werkplaatsen worden overeengekomen. Als voor langere tijd op één of meer vaste werkplaatsen
wordt gewerkt op grond van een overeenkomst met derden, dan zal de vaste werkplaats of zullen
de vaste werkplaatsen in het algemeen zijn vastgelegd in die overeenkomst. Alle reizen tussen de
woning of de verblijfplaats van de belastingplichtige en die vaste werkplaats of werkplaatsen
worden aangemerkt als woon-werkverkeer.
De onderlinge afspraken tussen degene die de werkzaamheden verricht en degene in wiens
opdracht die werkzaamheden worden verricht, worden in de wettekst aangeduid met de term “in
het kader van een overeenkomst tot het verrichten van werkzaamheden”. Met deze term worden
alle vormen van overeenkomsten bedoeld waarbij een partij zich verbindt tot het verrichten van
werkzaamheden in opdracht van een ander. Ook alle afspraken tussen degene die de
werkzaamheden verricht en degene in wiens opdracht die werkzaamheden worden verricht ter
aanvulling op de oorspronkelijke overeenkomst vallen voor de vaststelling van de vaste werkplaats
of de vaste werkplaatsen onder genoemde term.
In artikel 1.10, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt aangegeven wat – naast de reizen
tussen de woning of verblijfplaats en een overeengekomen vaste werkplaats – mede onder woon16
werkverkeer moet worden verstaan. Ingevolge dat tweede lid wordt mede als woon-werkverkeer
aangemerkt het op regelmatige basis reizen tussen de woning of verblijfplaats en een werkplaats
waar in belangrijke mate werkzaamheden worden verricht. Van op regelmatige basis reizen is in
ieder geval sprake indien doorgaans op ten minste één dag in de week naar een bepaalde
werkplaats wordt gereisd. Met “doorgaans” wordt hierbij bedoeld dat onderbrekingen in dit
reispatroon als gevolg van bijvoorbeeld ziekte of verlof buiten beschouwing blijven. Het moet bij de
betreffende werkplaats tevens gaan om een werkplaats waar in belangrijke mate werkzaamheden
worden verricht. Daarvan is geen sprake indien bijvoorbeeld een loodgieter naar een magazijn reist
om enkel gereedschap of materialen op te halen. In dat geval wordt niet voldaan aan het vereiste
dat op de bedoelde werkplaats in belangrijke mate werkzaamheden worden verricht. Als de
loodgieter in dat magazijn naast het ophalen van goederen ook voorbereidende werkzaamheden
verricht, zal wel sprake zijn van het in belangrijke mate verrichten van werkzaamheden.
In het derde lid van artikel 1.10 van de Wet IB 2001 is een uitzondering opgenomen voor
het reizen tussen de woning of de verblijfplaats en een werkplaats, indien gedurende een periode
van ten hoogste een jaar naar die werkplaats wordt gereisd. Hiermee worden met name (vaak
ambulante) zelfstandigen tegemoetgekomen die verschillende kortlopende opdrachten aangaan,
waarbij in het algemeen de plaats van de werkzaamheden in de desbetreffende overeenkomst zal
zijn vastgelegd waardoor op grond van artikel 1.10, eerste lid, van de Wet IB 2001 steeds sprake
zou zijn van woon-werkverkeer. De uitzondering van artikel 1.10, derde lid, van de Wet IB 2001
strekt ertoe dat bij wisselende vaste werkplaatsen pas sprake is van woon-werkverkeer als langer
dan een jaar naar dezelfde werkplaats wordt gereisd. Dit derde lid geldt overigens ook indien geen
vaste werkplaats is overeengekomen maar op grond van artikel 1.10, tweede lid, van de Wet IB
2001 sprake zou zijn van woon-werkverkeer omdat er op regelmatige basis naar een bepaalde
werkplaats wordt gereisd en aldaar in belangrijke mate werkzaamheden worden verricht. Ook in
dat geval is op grond van genoemd derde lid dus pas sprake van woon-werkverkeer als gedurende
een periode van meer dan een jaar naar die werkplaats wordt gereisd.
Voor de grens van een jaar is gekozen omdat bij een dergelijke periode de reizen zich over
een dermate lange periode uitstrekken dat de reizen tussen de woning of verblijfplaats en de
werkplaats als woon-werkverkeer moeten worden aangemerkt. In die situatie zal ook in het
algemene spraakgebruik sprake zijn van woon-werkverkeer en zal niet langer sprake zijn van een
werkplaats waar incidenteel naar wordt gereisd.
Tot slot worden op grond van het vierde lid van artikel 1.10 van de Wet IB 2001 de reizen
tussen de woning of verblijfplaats en een werkplaats niet aangemerkt als woon-werkverkeer indien
niet binnen 24 uur zowel heen als terug wordt gereisd. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt
tussen reizen van en naar de vaste werkplaats(en) als bedoeld in het eerste lid en reizen van en
naar de op grond van het tweede lid in aanmerking te nemen werkplaats(en). Met name moet
gedacht worden aan de situatie dat de belastingplichtige op de werkplaats of in de directe
omgeving daarvan blijft overnachten, zoals bijvoorbeeld de belastingplichtige die op een
boorplatform werkzaam is.
17
Artikel I, onderdeel B (artikel 3.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Door de toevoeging van een onderdeel g aan artikel 3.16, tweede lid, van de Wet IB 2001
wordt geregeld dat kosten die een belastingplichtige in het kader van zijn ondernemingsactiviteiten
maakt voor zijn woon-werkverkeer zoals gedefinieerd in het eveneens in dit wetsvoorstel
opgenomen artikel 1.10 van de Wet IB 2001, bij het bepalen van de winst niet langer voor aftrek in
aanmerking komen.
Artikel I, onderdeel C (artikel 3.20 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Artikel 3.20 van de Wet IB 2001 heeft betrekking op een tot het ondernemingsvermogen
van de belastingplichtige behorende auto die de belastingplichtige ook voor privédoeleinden ter
beschikking staat. Voor de beantwoording van de vraag in hoeverre deze auto ook feitelijk voor
privédoeleinden wordt gebruikt, wordt ingevolge de wijziging van het tiende lid van dit artikel,
woon-werkverkeer, zoals gedefinieerd in het eveneens in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 1.10
van de Wet IB 2001, voortaan als gebruik voor privédoeleinden aangemerkt. Daardoor tellen de
kilometers die in het kader van het woon-werkverkeer worden gemaakt mee voor de
beantwoording van de vraag of er aanleiding is tot het in aanmerking nemen van een onttrekking
vanwege het privégebruik van de auto.
Artikel I, onderdelen D en F (paragraaf 3.3.2, artikel 3.87 van de Wet inkomstenbelasting
2001)
In artikel 3.87 van de Wet IB 2001 is onder de naam reisaftrek een forfaitaire aftrekpost
opgenomen voor werknemers die met het openbaar vervoer op regelmatige basis naar hun werk
reizen maar voor dit vervoer geen reiskostenvergoeding van hun werkgever ontvangen of een
lagere reiskostenvergoeding dan het bij de betreffende afstand behorende bedrag van de
reisaftrek. Omdat het uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat woon-werkverkeer geacht wordt
voor privédoeleinden plaats te vinden, ligt het niet voor de hand om deze reisaftrek te handhaven.
Daarom kan artikel 3.87 van de Wet IB 2001 vervallen. Aangezien daarmee de gehele inhoud van
paragraaf 3.3.2 vervalt, kan deze hele paragraaf vervallen. In dat geval zou paragraaf 3.3.1 de
enige resterende paragraaf binnen afdeling 3.3 zijn. Daarom kan ook de aanduiding van paragraaf
3.3.1 vervallen.
Artikel I, onderdeel E (artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Met het vervallen van de reisaftrek van artikel 3.87 van de Wet IB 2001 (zie hiervoor) dient
het belastbare loon voor de inkomstenbelasting opnieuw te worden gedefinieerd. Met deze
wijziging is voor het overige geen inhoudelijke aanpassing beoogd.
18
Artikel I, onderdeel G (artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Vanwege de vernummering van het zevende lid van artikel 13a van de Wet op de
loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) tot vijfde lid wordt de verwijzing in het tweede lid van artikel
3.146 van de Wet IB 2001 dienovereenkomstig aangepast.
Artikel I, onderdeel H (artikel 10.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001)
Door het vervallen van de reisaftrek van artikel 3.87 van de Wet IB 2001, hoeven de
bedragen van dat artikel niet langer geïndexeerd te worden en kan dit artikel vervallen in de
opsomming van artikel 10.1, eerste lid, van de Wet IB 2001 dat de indexatie voor onder meer dit
artikel regelt.
Artikel II
Artikel II, onderdeel A (artikel 10b van de Wet op de loonbelasting 1964)
In het in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 1.10 van de Wet IB 2001 wordt voor de
inkomstenbelasting een definitie opgenomen van woon-werkverkeer (artikel I, onderdeel A). Het
ingevolge het onderhavige onderdeel in te voegen artikel 10b van de Wet LB 1964 strekt ertoe een
dergelijke definitie vast te stellen voor de loonbelasting. Dit is van belang om te kunnen bepalen of
een vergoeding of verstrekking van vervoer belast of onbelast kan plaatsvinden en of een reis
meetelt voor de 500-kilometergrens om te bepalen of een bijtelling plaats moet vinden omdat een
auto mede voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld.
Het eerste en tweede lid van artikel 10b van de Wet LB 1964 zijn vrijwel identiek aan het
eerste en tweede lid van artikel 1.10 van de Wet IB 2001, met dien verstande dat in het eerste en
tweede lid van genoemd artikel 10b aansluiting wordt gezocht bij de terminologie van de Wet LB
1964. Voor een uitgebreide toelichting op dit eerste en tweede lid wordt verwezen naar de
toelichting op het eerder genoemde artikel 1.10, eerste en tweede lid, van de Wet IB 2001, in
artikel I, onderdeel A, van dit wetsvoorstel.
In artikel 10b, derde lid, van de Wet LB 1964 wordt, grotendeels in lijn met artikel 1.10,
derde lid, van de Wet IB 2001, vastgelegd in welke gevallen er weliswaar sprake is van een vaste
werkplaats (hetzij op grond van artikel 10b, eerste lid, van de Wet LB 1964, hetzij op grond van
het tweede lid van dat artikel), maar er desalniettemin geen sprake is van woon-werkverkeer.
Ingevolge dat derde lid wordt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van woonwerkverkeer
vooral gekeken naar de periode waarin naar die vaste werkplaats wordt gereisd, mede
in relatie tot de duur van de dienstbetrekking. Indien een ambulante werknemer (de loodgieter of
de wijkverpleegkundige) op regelmatige basis op een en dezelfde werkplaats zijn werkzaamheden
verricht, zouden op basis van artikel 10b, tweede lid, van de Wet LB 1964 de reizen van zijn
woning of verblijfplaats naar die werkplaats als woon-werkverkeer worden aangemerkt. Ook als
iemand in loondienst gedurende een in het kader van de dienstbetrekking vastgelegde bepaalde
periode (en dus tijdelijk) op een andere werkplaats tewerk wordt gesteld, zoals bij een
zogenoemde detachering, zou er op basis van genoemd artikel 10b, tweede lid, sprake zijn van
19
woon-werkverkeer voor de reizen tussen de woning of verblijfplaats en die (tijdelijke) vaste
werkplaats. Artikel 10b, derde lid, van de Wet LB 1964 voorziet erin dat in dergelijke gevallen pas
sprake is van woon-werkverkeer als de reizen naar de “ambulante” werkplaats (voor de loodgieter
of de wijkverpleegkundige) of naar de tijdelijke werkplaats (detachering) plaatsvinden over een
periode die langer is dan een jaar. In dit verband is ook de duur van de dienstbetrekking van
belang. De periode waarin naar de “tijdelijke” vaste werkplaats wordt gereisd dient aanmerkelijk
korter te zijn dan de duur van de dienstbetrekking. Voor iemand die bijvoorbeeld voor een half jaar
in dienst wordt genomen (een tijdelijk arbeidscontract) en in dat half jaar voornamelijk of
uitsluitend op een enkele werkplek zijn werkzaamheden verricht, geldt dus dat de reizen tussen de
woning of verblijfplaats en die werkplaats worden beschouwd als woon-werkverkeer.
In artikel 10b, derde lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 wordt vastgelegd dat elkaar
opvolgende dienstbetrekkingen voor bepaalde tijd voor de toepassing van dat lid als één enkele
dienstbetrekking worden beschouwd.
Met dit derde lid wordt bewerkstelligd dat het belasten van vergoedingen voor het woonwerkverkeer
in de meeste gevallen niet belemmerend werkt voor de ambulante sector
(bijvoorbeeld bouw en thuiszorg) en ook niet voor het detacheringsbeleid van een werkgever.
Desalniettemin kan niet voorbij worden gegaan aan het feit dat de periode waarbinnen naar
dezelfde ambulante of tijdelijke werkplek wordt gereisd zodanig lang kan worden dat op enig
moment de situatie ontstaat waarin een ambulante werknemer of een detachering zich in
onvoldoende mate onderscheidt van de situatie waarin naar een vaste werkplaats wordt gereisd.
Het kabinet is van mening dat met een periode van een jaar recht wordt gedaan aan beide
overwegingen.
Voor de toelichting op het vierde lid van artikel 10b van de Wet LB 1964 wordt verwezen
naar de toelichting op het voorgestelde artikel 1.10, vierde lid, van de Wet IB 2001, in artikel I,
onderdeel A, van dit wetsvoorstel.
Artikel II, onderdeel B (artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964)
Op grond van artikel 13, derde lid, van de Wet LB 1964 kunnen bij ministeriële regeling, in
overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, nadere regels worden
gesteld op grond waarvan de waarde van enkele met name genoemde vormen van niet in geld
genoten loon, op een lager bedrag kan worden gesteld dan het ingevolge het eerste of tweede lid
van dat artikel in aanmerking te nemen bedrag (de waarde in het economische verkeer, de
factuurwaarde of de consumentenprijs).
Op grond van de huidige tekst van artikel 13, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964
kan bij ministeriële regeling worden geregeld tegen welke waarde het genot van een aan een
werknemer verstrekte openbaarvervoerkaart of voordeelurenkaart in aanmerking wordt genomen
bij de bepaling van het loon. Aangezien woon-werkverkeer op grond van dit wetsvoorstel niet
langer onbelast vergoed kan worden, wordt voorgesteld om het huidige onderdeel b van artikel 13,
derde lid, van de Wet LB 1964 te laten vervallen. Dat met de betreffende kaarten ook zakelijk
wordt gereisd en er in zoverre sprake is van een onbelaste verstrekking, noopt er niet toe om het
genot van de genoemde kaarten tegen een andere waarde als loon in aanmerking te nemen dan op
grond van artikel 13, eerste lid, van de Wet LB 1964 het geval zou zijn, te weten de waarde in het
20
economische verkeer. De waarde in het economische verkeer die ter zake van het gebruik van de
kaart voor woon-werkverkeer als loon in aanmerking moet worden genomen, betreft dan de
waarde van de kaart (of het aan het loontijdvak toe te rekenen deel daarvan), verminderd met het
aantal zakelijke kilometers maal € 0,19 of de werkelijke kosten van de zakelijke reizen.
Voorbeeld
X krijgt van zijn werkgever een NS-jaarkaart tweede klasse ter beschikking gesteld. De waarde van de
kaart bedraagt € 3000 (waarde economisch verkeer). X gebruikt de kaart voor regelmatig woonwerkverkeer
en tevens voor enkele dienstreizen. Deze dienstreizen bestaan eruit dat hij veertig maal
per jaar van zijn vaste arbeidsplaats in Den Haag reist naar Arnhem. De waarde van een retour Den
Haag – Arnhem tweede klasse (waarde economisch verkeer) bedraagt € 35. De afstand bedraagt 120
kilometer enkele reis.
Het bij X als belastbaar loon op jaarbasis in aanmerking te nemen bedrag van de NS-jaarkaart kan op
twee wijzen worden berekend:
a. De waarde in het economische verkeer van de kaart wordt verminderd met de waarde in het
economisch verkeer van de dienstreizen op grond van de werkelijke kosten oftewel €3000 – (40 x
€ 35) = € 1600
b. De waarde in het economische verkeer van de kaart wordt verminderd met het aantal
dienstreiskilometers vermenigvuldigd met € 0,19 oftewel € 3000 – (40 x 120 x 2 x € 0,19) = € 1176.
Het huidige onderdeel b van artikel 13, derde lid, van de Wet LB 1964 wordt op grond van
dit wetsvoorstel vervangen door een nieuw onderdeel. Omdat het erg lastig is om de economische
waarde van het genot van vervoer vanwege de inhoudingsplichtige aangaande het woonwerkverkeer
vast te stellen, wordt in het nieuwe artikel 13, derde lid, onderdeel b, van de Wet LB
1964 de mogelijkheid geboden om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen voor de
waardering van het genot van dergelijk vervoer. Bij ministeriële regeling zal dan op grond van deze
delegatiebepaling worden vastgelegd hoe door de werkgever ten behoeve van woon-werkverkeer
georganiseerd vervoer dient te worden gewaardeerd. Bij de waardering zal aansluiting worden
gezocht bij de kosten die een werknemer zou maken indien de reisafstand tussen zijn woning of
verblijfplaats en zijn werkplaats met het openbaar vervoer zou worden afgelegd.
In het nieuwe artikel 13, zesde lid, van de Wet LB 1964 is een definitie opgenomen van het
begrip vervoer vanwege de inhoudingsplichtige zoals gebezigd in het nieuwe onderdeel b van het
derde lid van genoemd artikel. Deze definitie is ontleend aan de huidige tekst van artikel 13a,
zesde lid, van de Wet LB 1964, met dien verstande dat deze definitie zodanig is aangepast dat
bijvoorbeeld ook verstrekte vliegtickets onder de definitie vallen.
Artikel II, onderdeel C (artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964)
Voor een toelichting op de nieuwe tekst van artikel 13bis, tiende lid, van de Wet LB 1964
wordt verwezen naar de in artikel I, onderdeel C, opgenomen wijziging van artikel 3.20 van de Wet
IB 2001.
21
Artikel II, onderdeel D (artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964)
De in dit onderdeel opgenomen aanpassing van artikel 13a, vierde lid, van de Wet LB 1964
heeft tot gevolg dat de tekst van onderdeel b van dat lid komt te vervallen en de aanhef en
onderdeel a van dat lid worden samengevoegd. Op grond van genoemd onderdeel b is het thans
mogelijk om verschillende reiskostenvergoedingen die binnen hetzelfde kalenderjaar zijn betaald
met elkaar te verrekenen aan het einde van het kalenderjaar. Hierdoor is het deel van de
vergoedingen dat meer bedraagt dan € 0,19 niet belast indien daar vergoedingen tegenover staan
van minder dan € 0,19 per kilometer en de totale reiskostenvergoeding niet hoger is dan € 0,19
per in het kader van de dienstbetrekking afgelegde kilometer. Dit doet zich in de praktijk met
name voor als de kilometervergoeding voor woon-werkverkeer lager is dan € 0,19 terwijl de
vergoeding voor overige in het kader van de dienstbetrekking afgelegde kilometers hoger is dan
€ 0,19. Met het vervallen van de mogelijkheid om voor woon-werkverkeer onbelaste
reiskostenvergoedingen te betalen, wordt deze bepaling in deze gevallen overbodig. Daarom kan
deze bepaling vervallen.
Omdat het vijfde en het zesde lid van genoemd artikel 13a slechts een nadere uitwerking
aan het huidige vierde lid, onderdeel b, van dat artikel geven, kunnen deze leden eveneens
vervallen.
Artikel II, onderdeel E (artikel 31a Wet op de loonbelasting 1964)
Met de wijziging van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet LB 1964 wordt
geregeld dat woon-werkverkeer zoals gedefinieerd in het in dit wetsvoorstel opgenomen artikel 10b
van de Wet LB 1964, niet langer onder de gerichte vrijstelling voor vergoedingen en verstrekkingen
ter zake of in de vorm van vervoer valt. Voor de overige reizen blijft het regime ongewijzigd.
Omdat het slot van genoemd onderdeel een regeling betreft die slechts betrekking heeft op
de mogelijkheid om in geval van woon-werkverkeer onder voorwaarden een hogere vergoeding uit
te betalen dan op grond van de daarin opgenomen onderdelen 2o en 3o
Vanwege het overhevelen van de definitie van vervoer vanwege de werkgever van het
huidige artikel 13a, zesde lid, van de Wet LB 1964 naar het voorgestelde artikel 13, zesde lid, van
de Wet LB 1964, wordt de verwijzing in het zesde lid van artikel 31a van de Wet LB 1964
dienovereenkomstig aangepast.
mogelijk is, kan die
zinsnede vervallen. Als gevolg hiervan vervalt ook het achtste lid van genoemd artikel.
Het vervallen van het zevende lid van artikel 31a van de Wet LB 1964 heeft dezelfde
achtergrond als het vervallen van artikel 13a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet LB 1964. Voor
een nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van het vierde lid van
artikel 13a van de Wet LB 1964 in artikel II, onderdeel D.
Vanwege de vernummering van het zesde lid van artikel 13 van de Wet LB 1964 tot het
zevende lid van dat artikel wordt de verwijzing in het tot zevende lid te vernummeren negende lid
van artikel 31a van de Wet LB 1964 dienovereenkomstig aangepast.
22
Artikel II, onderdeel F (artikel 39c van de Wet op de loonbelasting 1964)
In artikel 39c van de Wet LB 1964 is vastgelegd hoe werkgevers die nog niet zijn
overgestapt op de werkkostenregeling, het regime voor vergoedingen en verstrekkingen zoals dat
tot 2011 in hoofdstuk IIA van de Wet LB 1964 was geregeld, behoren toe te passen. Met de
wijziging van artikel 39c van de Wet LB 1964 wordt geregeld dat voor deze werkgevers materieel
dezelfde wijzigingen met betrekking tot het woon-werkverkeer gaan gelden als voor werkgevers
die de werkkostenregeling toepassen.
Artikel III
Artikel III (voorkoming anticipatie)
Ingevolge artikel III worden vergoedingen en verstrekkingen ter zake of in de vorm van
woon-werkverkeer als bedoeld in artikel 10b van de Wet LB 1964 geacht te zijn genoten in het
loontijdvak waarin het woon-werkverkeer plaatsvindt voor zover de vergoeding of verstrekking bij
toepassing of – voor het geval op dat moment geen sprake is van loon – overeenkomstige
toepassing van artikel 13a van de Wet LB 1964 beschouwd zou zijn in de periode van 18
september 2012, 16.00 uur, tot en met 31 december 2012 te zijn genoten en voor zover het woonwerkverkeer
na 31 december 2012 plaatsvindt. Met deze bepaling wordt voorkomen dat het
bijvoorbeeld aantrekkelijk zou worden nog in 2012 een kostenvergoeding te verstrekken ter zake
van woon-werkverkeer dat in 2013 (of later) plaatsvindt. Op grond van artikel III worden
dergelijke vergoedingen wat betreft het gedeelte dat betrekking heeft op woon-werkverkeer dat na
31 december 2012 plaatsvindt, geacht te zijn verstrekt in de periode waarin het woon-werkverkeer
plaatsvindt. Of over (dat deel van) de vergoeding belasting verschuldigd is, dient daardoor te
worden beoordeeld op basis van het in de laatstgenoemde periode geldende fiscale regime en niet
op basis van het fiscale regime dat gold toen de vergoeding werd verstrekt. Het vorenstaande geldt
eveneens met betrekking tot verstrekkingen. Dat is met name van belang in situaties waarin in
2012 een OV-abonnement wordt verstrekt dat ook na 31 december 2012 nog geldig is en waarbij
bovendien niet slechts sprake is van een terbeschikkingstelling. In situaties waarin het OVabonnement
slechts ter beschikking wordt gesteld (en dus niet in eigendom overgaat op de
werknemer) geldt namelijk ook zonder artikel III reeds het in dat artikel opgenomen systeem.
Artikel III werkt terug tot en met 18 september 2012, 16.00 uur, zijnde het moment
waarop deze maatregel bekend is gemaakt. De bepaling geldt om die reden ook alleen voor
vergoedingen en verstrekkingen die na 18 september 2012, 16.00 uur, plaatsvinden.
Artikel IV
Artikel IV (overgangsrecht met betrekking tot de artikelen 3.16, 3.17 en 3.95 van de Wet
inkomstenbelasting 2001)
Op grond van de artikelen 3.16, tweede lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 zoals dat
onderdeel op grond van het onderhavige wetsvoorstel met ingang van 1 januari 2013 komt te
23
luiden, en 3.17 van de Wet IB 2001 komen met ingang van de hiervoor genoemde datum bij het
bepalen van de winst niet langer in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige
zelf die verband houden met woon-werkverkeer als bedoeld in het in dit wetsvoorstel opgenomen
artikel 1.10 van de Wet IB 2001.
In het Begrotingsakkoord 2013 is vastgelegd dat er overgangsrecht zal worden vastgesteld
ter zake van OV-abonnementen (trein, bus, tram en metro) die vóór 25 mei 2012 zijn ingegaan.
Deze abonnementen zullen worden gerespecteerd voor hun gehele (resterende) looptijd. Dit
overgangsrecht is voor de inkomstenbelasting opgenomen in artikel IV. Ingevolge dit artikel
kunnen dergelijke kosten en lasten in afwijking van het voorgaande bij het bepalen van de winst
ook na 31 december 2012 nog steeds in aftrek komen indien deze kosten en lasten verband
houden met een openbaarvervoerkaart die vóór 25 mei 2012 is aangeschaft. Hierbij wordt
opgemerkt dat de betreffende kaart niet vóór 25 mei 2012 hoeft te zijn ingegaan. Het is immers
denkbaar dat een belastingplichtige voor 25 mei 2012 een openbaarvervoerkaart aanschaft die
vervolgens ingaat per 1 juni 2012.
Onder een openbaarvervoerkaart wordt verstaan het recht op vrij of met korting reizen per
openbaar vervoer dat al dan niet beperkt is tot reizen over een vast traject. Hierbij kan onder
andere worden gedacht aan een OV-jaarkaart, een NS-jaarkaart en een trajectkaart voor de NS
en/of voor streekvervoer.
Het vorenstaande geldt op grond van artikel IV eveneens voor de toepassing van artikel
3.95, eerste lid, van de Wet IB 2001 en is daardoor mutatis mutandis eveneens van toepassing op
een belastingplichtige die resultaat uit overige werkzaamheden geniet.
Artikel V
Artikel V (overgangsrecht met betrekking tot artikel 3.87 van de Wet inkomstenbelasting
2001)
Conform het in artikel X opgenomen overgangsrecht voor vergoedingen en verstrekkingen
ter zake of in de vorm van woon-werkverkeer per openbaar vervoer, is in artikel V overgangsrecht
opgenomen voor de zogenoemde reisaftrek. Deze reisaftrek geldt voor belastingplichtigen die loon
uit dienstbetrekking ontvangen, het woon-werkverkeer per openbaar vervoer afleggen en daarvoor
geen vergoeding ontvangen of een lagere vergoeding ontvangen dan het op grond van deze
regeling bij de betreffende reisafstand en reisfrequentie behorende aftrekbedrag. Eveneens
conform het in artikel X opgenomen overgangsrecht voor vergoedingen en verstrekkingen ter zake
of in de vorm van woon-werkverkeer per openbaar vervoer, is ook in artikel V, eerste lid, als
voorwaarde voor de toepassing van het overgangsrecht opgenomen dat sprake moet zijn van een
openbaarvervoerkaart die voor 25 mei 2012 is aangeschaft. Het recht op reisaftrek blijft op grond
van het voorgestelde artikel V, eerste lid, ten hoogste van toepassing gedurende de periode dat de
betreffende openbaarvervoerkaart geldig is; als de openbaarvervoerkaart tot 1 juli 2013 geldig is,
geldt derhalve ten hoogste 6/12 van het ingevolge artikel 3.87 van de Wet IB 2001, zoals dat op
31 december 2012 luidde, voor de betreffende reisafstand en reisfrequentie geldende aftrekbedrag.
Daarnaast dient voor het recht op reisaftrek uiteraard te worden voldaan aan de op grond van de
huidige regeling geldende voorwaarden.
24
Ingevolge artikel V, tweede lid, wordt – in lijn met artikel X – voor de toepassing van dit
overgangsrecht onder een openbaarvervoerkaart verstaan het recht op vrij of met korting reizen
per openbaar vervoer dat al dan niet beperkt is tot reizen over een vast traject
Artikel VI
Artikelen VI en VII (overgangsrecht met betrekking tot de artikelen 3.20 en 3.95 van de
Wet inkomstenbelasting 2001)
In het Begrotingsakkoord 2013 is vastgelegd dat er overgangsrecht zal worden vastgesteld
dat betrekking heeft op leasecontracten die zijn aangegaan vóór 25 mei 2012 én waarbij met de
desbetreffende leaseauto nu geen of in ieder geval niet meer dan 500 privékilometers per jaar
worden gereden. Voor deze belastingplichtigen geldt nu geen bijtelling. Deze belastingplichtigen
kunnen worden geraakt door de maatregel waarin de woon-werkkilometers worden aangemerkt als
privékilometers. Vanaf 1 januari 2013 zouden deze belastingplichtigen zonder nadere regels zeer
waarschijnlijk wel onder de bijtelling gaan vallen als de woon-werkkilometers gaan meetellen bij de
vraag of er meer dan 500 kilometer privégebruik is. Eventueel afgegeven verklaringen geen
privégebruik (artikel 13bis, twaalfde lid, van de Wet LB 1964) en verklaringen uitsluitend zakelijk
gebruik bestelauto (artikel 3.20, elfde lid, van de Wet IB 2001 en artikel 13bis, achttiende lid, van
de Wet LB 1964) zouden met ingang van 1 januari 2013 moeten worden ingetrokken indien door
het aanmerken van woon-werkkilometers als privékilometers niet langer voldaan wordt aan de
voorwaarden van de verklaring. Vanaf dat moment zou dan ook bijtelling verschuldigd zijn.
In het kader van het in het Begrotingsakkoord 2013 vastgelegde overgangsrecht wordt
voorgesteld om de zonder dit overgangsrecht verschuldigde bijtelling van 25%, 20% dan wel 14%
voor deze leaseauto’s en auto’s van de zaak te vermenigvuldigen met een factor 0,25 voor de duur
van de overeenkomst of voor zolang de auto ook voor privédoeleinden ter beschikking staat, doch
uiterlijk tot en met 31 december 2016. Bij de duur van de overeenkomst wordt gekeken naar de
periode waarvoor men een betalingsverplichting is aangegaan. Bij het aangaan van een nieuw
leasecontract of verlenging van het bestaande contract zal het “normale” bijtellingsregime van
toepassing worden.
Het in dit wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht geldt zowel voor werknemers als voor
ondernemers en genieters van resultaat uit overige werkzaamheden. Het overgangsrecht wat
betreft de laatstgenoemde groepen belastingplichtigen is opgenomen in de artikelen VI en VII. Het
overgangsrecht ter zake van werknemers is opgenomen in de artikelen VIII en IX.
Het overgangsrecht zal alleen gelden indien de auto van de zaak – uitgaande van de
nieuwe definitie van gebruik voor privédoeleinden – alleen voor zakelijk verkeer (hierna: zakelijk
gebruik) en woon-werkverkeer wordt gebruikt en het overige privégebruik beperkt blijft tot
maximaal 500 kilometer per jaar. Dit moet desgevraagd kunnen worden aangetoond door middel
van een rittenregistratie of anderszins. Ingeval het een bestelauto betreft ter zake waarvan over
2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik van toepassing was, zal het overgangsrecht alleen
gelden als er naast het woon-werkverkeer géén privékilometers worden gemaakt. Bij het
vermoeden van een rit voor privédoeleinden, anders dan voor woon-werkverkeer, kan de
25
inspecteur verzoeken te doen blijken dat de betreffende rit zakelijk was of dat de rit in het kader
van woon-werkverkeer is gemaakt.
Indien het “overige” privégebruik stijgt tot boven de 500 kilometer per jaar, dan is voor die
auto de volledige ‘normale’ bijtelling verschuldigd. In geval van een bestelauto ter zake waarvan
over 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik van toepassing was, zal de volledige ‘normale’
bijtelling zijn verschuldigd indien de bestelauto niet alleen voor woon-werkverkeer, maar ook voor
andere privédoeleinden wordt gebruikt.
Omwille van de handhaafbaarheid is bepaald dat, voor zover er sprake is van een op 31
december 2012 van toepassing zijnde verklaring geen privégebruik of uitsluitend zakelijk gebruik,
het overgangsrecht alleen kan worden toegepast indien de betreffende – voor 25 mei 2012
afgegeven – verklaring nog niet is ingetrokken. Bij lagere regelgeving zal worden bepaald dat een
voor 25 mei 2012 afgegeven verklaring geen privégebruik of uitsluitend zakelijk gebruik niet hoeft
te worden ingetrokken als sprake is van een zogenoemde overgangssituatie.
De overgangsregeling ziet op de auto die eigendom is van een derde, over het algemeen
een leasemaatschappij, waarvoor een overeenkomst is aangegaan met die derde. Ook geldt de
overgangsregeling voor de auto die door de belastingplichtige zelf is aangeschaft en die tot het
ondernemingsvermogen van de belastingplichtige behoort omdat ook in deze situatie de
belastingplichtige verplichtingen kan zijn aangegaan in de veronderstelling dat het woonwerkverkeer
niet wordt geacht voor privédoeleinden plaats te vinden. In beide gevallen mag de
auto behoudens woon-werkverkeer voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden worden
gebruikt of in het geheel niet voor privédoeleinden worden gebruikt indien het een bestelauto
betreft ter zake waarvan op 31 december 2012 een verklaring uitsluitend zakelijk gebruik van
toepassing was die niet met ingang van 1 januari 2013 is ingetrokken.
Deze regeling is slechts van toepassing op (lease)overeenkomsten die zijn afgesloten vóór
25 mei 2012 of op auto’s die vóór 25 mei 2012 door de belastingplichtige zijn aangeschaft. Hierbij
wordt opgemerkt dat als de (lease)overeenkomst vóór 25 mei 2012 is afgesloten of als de auto
vóór 25 mei 2012 is aangeschaft maar de auto na 24 mei 2012 is geleverd waardoor het niet
mogelijk was om vóór 25 mei 2012 een eventuele verklaring geen privégebruik of uitsluitend
zakelijk gebruik af te geven, toepassing van de overgangsregeling desondanks mogelijk is.
Ingeval een overeenkomst eindigt in de loop van het jaar en het overgangsrecht daarmee
niet langer van toepassing is en de belastingplichtige besluit de auto of een nieuwe auto van de
zaak de rest van het jaar ook voor meer dan 500 km op jaarbasis voor privédoeleinden te gaan
gebruiken (met inbegrip van woon-werkverkeer), zal hij over het gehele jaar een volledige
onttrekking in aanmerking moeten nemen.
Artikel VIII
Artikelen VIII en IX (overgangsrecht met betrekking tot artikel 13bis van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Voor een toelichting op het overgangsrecht met betrekking tot artikel 13bis van de Wet LB
1964 wordt verwezen naar de toelichting op het in de artikelen VI en VII opgenomen
overgangsrecht met betrekking tot de artikelen 3.20 en 3.95 van de Wet IB 2001.
26
Artikel X
Artikel X (overgangsrecht met betrekking tot de artikelen 31a en 39c van de Wet op de
loonbelasting 1964)
Op grond van de in dit wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 31a, tweede lid,
onderdeel a, van de Wet LB 1964 valt woon-werkverkeer met ingang van 1 januari 2013 niet
langer onder de gerichte vrijstelling voor vergoedingen en verstrekkingen ter zake of in de vorm
van vervoer. Ingevolge artikel X, eerste lid, kunnen verstrekkingen in de vorm van woonwerkverkeer
als bedoeld in het nieuwe artikel 10b van de Wet LB 1964 aan te merken vervoer, ook
na 31 december 2012 nog steeds in mindering worden gebracht op de in artikel 31, eerste lid,
onderdeel f en onderdeel g, van de Wet LB 1964 bedoelde vergoedingen en verstrekkingen, indien
de verstrekking plaatsvindt in de vorm van het ter beschikking stellen van een
openbaarvervoerkaart die vóór 25 mei 2012 is aangeschaft. Het voorgaande wordt in artikel X,
tweede lid, tevens materieel overeenkomstig geregeld voor werkgevers die nog niet zijn
overgestapt op de werkkostenregeling en derhalve hebben gekozen voor toepassing van het
regime voor vergoedingen en verstrekkingen zoals dat tot 2011 in hoofdstuk IIA van de Wet LB
1964 was geregeld.
Voor een toelichting op de in artikel X, derde lid, opgenomen definitie van het begrip
openbaarvervoerkaart wordt verwezen naar de toelichting op artikel IV.
Artikel XI
Artikel XI (inwerkingtreding)
Deze wet treedt ingevolge artikel XI, eerste lid, in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel III werkt ingevolge artikel XI, tweede lid, terug tot en met 18 september 2012,
16.00 uur. De reden daartoe is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij genoemd artikel III.
De Staatssecretaris van Financiën,
No.W06.12.0351/III ‘s-Gravenhage, 10 september 2012
Bij Kabinetsmissive van 5 september 2012, no.12.002012, heeft Uwe Majesteit, op
voordracht van de Staatssecretaris van Financiën, bij de Afdeling advisering van de
Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet houdende
wijziging van enkele belastingwetten (Wet herziening fiscale behandeling woonwerkverkeer),
met memorie van toelichting.
Het voorstel vormt een onderdeel van het fiscale pakket voor het jaar 2013, samen met
de wetsvoorstellen Belastingplan 2013, Wet herziening fiscale behandeling eigen
woning, Wet verhuurderheffing, Wet elektronische registratie notariële akten en
Overige fiscale maatregelen 2013. Het voorstel bevat een versobering van het fiscale
regime voor woon-werkverkeer en ziet op de afschaffing van de mogelijkheid om
tegemoetkomingen ter zake van woon-werkverkeer onbelast te vergoeden of te
verstrekken, en op het als privékilometers aanmerken van kilometers die met een
(bestel)auto van de zaak worden gemaakt in het kader van woon-werkverkeer.
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een aantal opmerkingen met
betrekking tot de versobering van het fiscale regime voor woon-werkverkeer, de
effecten van de maatregel, het onderscheid woon-werkverkeer enerzijds en zakelijk
verkeer niet zijnde woon-werkverkeer anderzijds, het regime voor de (bestel)auto van
de zaak en de waardering van OV-abonnementen en van door de werkgever
georganiseerd vervoer. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het
voorstel wenselijk is.
1. Versobering fiscale regime woon-werkverkeer
Met ingang van 1 juli 2012 is de tijdelijke verlaging van het tarief van de
overdrachtsbelasting (een verlaging van 6% naar 2%) permanent gemaakt.1 Volgens
de memorie van toelichting op het betreffende wetsvoorstel voorkomt de maatregel een
nog verdere verdieping van de malaise op de woningmarkt, draagt hij bij aan het
creëren van langdurige zekerheid op de woningmarkt, vermindert hij economische
verstoringen en zorgt hij voor lagere financiële risico’s voor de burger (doordat zij
minder kosten hoeven mee te financieren).2
Ter dekking van de kosten van die permanente verlaging (€ 1,5 miljard structureel)
bevat onderhavig voorstel een herziening (versobering) van de kosten van woonwerkverkeer
(opbrengst € 1,5 miljard structureel).3 Volgens de considerans van het
voorstel heeft deze versobering het oogmerk per saldo een bijdrage te leveren aan het
structureel verbeteren van de overheidsfinanciën, het verstevigen van het vertrouwen
van de financiële markten en het verder toekomstbestendig maken van de
Nederlandse economie.
Voorafgaande aan de hierna nog te maken opmerkingen brengt de Afdeling in
herinnering hetgeen zij eerder, bij het Belastingplan 2012, heeft opgemerkt over de
toenemende urgentie om het belastingstelsel structureel te herzien. Al sinds de jaren
’90 blijft de groei van de belasting- en premie-inkomsten achter bij de groei van het
BBP. Een belangrijke oorzaak hiervan is de versmalling van de heffingsgrondslag van
1 Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (Stb. 2012, 321).
2 Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 3, blz. 3.
3 Paragraaf 1 van de memorie van toelichting.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
AAN DE KONINGIN
2
vooral de loon- en inkomstenbelasting en de winstbelastingen. Een verbreding van de
heffinggrondslag en het nader bezien van de belastingmix (tussen belastingheffing op
arbeid en op consumptie) kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de stabiliteit
van het systeem zodat niet behoeft te worden teruggegrepen op een maatregel zoals
in het onderhavige voorstel is opgenomen. Een dergelijke aanpak draagt ook bij aan
het zicht van de belastingplichtigen op de verdeling van de lasten en in de afweging die
de wetgever daarbij heeft gemaakt. De Afdeling acht dit gezichtspunt van belang voor
het maatschappelijk draagvlak en de aanvaarding van afzonderlijke fiscale
maatregelen.4
2. Effecten van de maatregel
In de toelichting wordt niet gemotiveerd waarom juist is gekozen voor een versobering
van het fiscale regime voor woon-werkverkeer als dekking voor de permanente
verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting. Onduidelijk is of en zo ja welke
andere dekkingsmaatregelen zijn overwogen. Dit klemt te meer omdat de
inkomenseffecten5 van de maatregel6 afhangen van een toevallige omstandigheid als
de reisafstand woning-werk, terwijl zij die rijden met een ‘auto van de zaak’ geen of een
beperkt nadeel van de versobering ondervinden. Indien al tot een versobering van het
fiscale regime voor woon-werkverkeer wordt overgegaan, dan meent de Afdeling dat
de beoogde afbouw van de onbelastbaarheid van woon-werkverkeer, gelet ook op de
inkomenseffecten, minder abrupt en meer geleidelijk moet plaatsvinden dan thans
wordt voorgesteld, zodat betrokkenen enige tijd wordt gegund om zich aan de nieuwe
situatie aan te passen.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de overwogen alternatieven en op
een meer geleidelijke invoering van de maatregel.
3. Onderscheid woon-werkverkeer en zakelijk verkeer niet zijnde woonwerkverkeer
Het gevolg van het wetsvoorstel is dat in de praktijk een onderscheid moet worden
gemaakt tussen woon-werkverkeer (vergoedingen zijn belast; kosten zijn niet
aftrekbaar) en zakelijk verkeer niet zijnde woon-werkverkeer (vergoedingen zijn
onbelast en kosten zijn aftrekbaar). Met dit onderscheid wordt teruggekeerd naar de
situatie zoals die tot 1 januari 2004 in de loon- en inkomstenbelasting gold, waarin een
vergelijkbaar onderscheid werd gemaakt. Dat onderscheid is toen beëindigd,
voornamelijk om redenen van uitvoeringstechnische aard.
Over deze situatie van voor 1 januari 2004 wordt in de memorie van toelichting bij
onderhavig voorstel opgemerkt “Er bestond toentertijd een definitie van regelmatig
woon-werkverkeer, een definitie waarover al veel gediscussieerd was, waarover ook al
veel jurisprudentie tot stand was gekomen en waarover ook diverse beleidsbesluiten
waren vastgesteld. Deze definitie was weliswaar niet onomstreden, maar was wel min
4 Zie ook paragraaf 3.3 van het advies van de Afdeling advisering over de Ontwerp-Miljoenennota 2013.
5 De versobering leidt niet alleen tot een verhoging van het fiscale inkomen maar werkt ook door naar de hoogte van
de toeslagen, zoals de huurtoeslag, de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag.
6 De effecten van een niet-standaardmaatregel als de onderhavige zijn overigens niet terug te zien in het
standaardkoopkrachtbeeld; zie ook het nader rapport inzake het voorstel van Wet uitwerking fiscale maatregelen
Begrotingsakkoord 2013, Kamerstukken II 2011/12, 33 287, nr. 4, blz. 11, en bijlage 2 bij de Voorjaarsnota van 25
mei 2012, Kamerstukken II 2011/12, 33 280, nr. 1, blz. 37.
3
of meer “uitgekristalliseerd” als het gaat om de toepassing daarvan”.7 Daarnaast was
deze “oude” definitie zonder meer toepasbaar voor de meeste situaties, namelijk die
waarin een werknemer vrijwel dagelijks naar dezelfde vaste werkplek gaat en waarbij
de reizen naar een andere plek dan veelal zonder enige discussie zijn aan te merken
als zakelijk.
Deze oude definitie gaf voor werknemers met ambulant reisgedrag (zoals een
loodgieter en een wijkverpleegkundige, waarvoor een vaste werkplek eigenlijk niet
bestaat) aanleiding tot veel discussie, zo wordt opgemerkt in de memorie van
toelichting.8 Om daar een oplossing voor te vinden is er in het voorstel voor gekozen
om ‘de definitie zoals die in de omzetbelasting geldt, als startpunt te hanteren en
vervolgens aan te vullen dan wel te combineren met elementen die specifiek voor de
loon- en inkomstenbelasting van belang zijn. Voor een deel wordt daarbij
teruggegrepen op elementen die golden in de tot 2004 voor de loon- en
inkomstenbelasting gehanteerde definitie, met dien verstande dat deze elementen
zodanig zijn aangepast dat de gevolgen van die definitie voor het grootste deel van de
ambulante werknemers worden beperkt’.9
De Afdeling acht deze keuze niet overtuigend. Er wordt niet inzichtelijk gemaakt
waarom een definitie die tot 2004 zonder meer toepasbaar was in de meeste situaties
(en die in die situaties fiscale duidelijkheid bood), wordt verlaten voor een andere
definitie teneinde slechts voor sommige beroepen (die met ambulant reisgedrag)
discussies te beslechten over de fiscale behandeling. Niet duidelijk is waarom voor die
ambulante beroepen geen aanpassing van de oude definitie kan plaatsvinden,
daarmee de oude definitie voor reguliere gevallen behoudend.
In dit verband wijst de Afdeling ook op het volgende. De definitie van woonwerkverkeer
in de omzetbelasting – die overigens niet wettelijk is vastgelegd maar is
opgenomen in een beleidsbesluit10 – bestaat sinds 1 juli 2011. De hanteerbaarheid van
de definitie in de praktijk heeft zich nog niet kunnen bewijzen. In de recente
hoofdlijnennotitie van 4 juli 2012 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-
Generaal is daarover opgemerkt “Overigens is deze definitie voor de omzetbelasting
relatief nieuw en daarom is het nog te vroeg om zonder meer te stellen dat deze kan
worden overgenomen”.11 In de hoofdlijnennotitie wordt daarbij ook nog gewezen op
manipulatiemogelijkheden die de keerzijde vormen van een aansluiting bij de definitie
van de omzetbelasting. Niet duidelijk is welke de veranderingen sinds 1 juli zijn
geweest op grond waarvan thans wel zonder meer kan worden gesteld dat de definitie
van de omzetbelasting kan worden overgenomen.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het vorenstaande in te gaan en het voorstel
zo nodig aan te passen.
4. Regime (bestel)auto van de zaak
Indien een door de werkgever ter beschikking gestelde personenauto of bestelbus
(auto van de zaak) ook privé wordt gebruikt, dient het behaalde voordeel tot het
7 Paragraaf 2.2, eerst tekstblok, tweede en derde volzin.
8 Paragraaf 2.2, eerst tekstblok, zesde volzin.
9 Paragraaf 2.2, laatste en voorlaatste volzin.
10 Besluit van 11 juli 2012, nr. BLKB 2012/639M.
11 Kamerstukken II 2012/13, 33 287, nr. 23, blz. 4.
4
inkomen te worden gerekend.12
Het voorstel brengt daar verandering in. In de memorie van toelichting wordt
opgemerkt dat het voor de hand ligt, omdat op grond van het voorstel vergoedingen en
verstrekkingen voor het woon-werkverkeer
Het met het privégebruik behaalde voordeel wordt
forfaitair vastgesteld. Het bedraagt een percentage van de waarde (catalogusprijs) van
de auto (autokostenforfait). Deze bijtelling wegens privégebruik blijft achterwege indien
de belastingplichtige kan aantonen dat per jaar slechts 500 kilometer of minder privé
wordt gereden. Bij de toepassing van de regeling van het autokostenforfait, en dus ook
bij het bepalen van het aantal privé gereden kilometers in verband met de toets aan de
500-kilometergrens, telt het woon-werkverkeer thans niet mee als privékilometers.
13 niet langer onbelast worden gelaten, om
ook voor de bijtelling voor de auto van de zaak de woon-werkverkeerkilometers als
privékilometers aan te merken.14
De Afdeling merkt op dat het gevolg daarvan is dat bij het bepalen van het aantal
privékilometers voor de toepassing van de 500-kilometergrens, de kilometers woonwerkverkeer
moeten worden meegerekend. Voor degenen die thans onder de 500-
kilometergrens vallen, betekent dit dat na invoering van het wetsvoorstel in de meeste
gevallen de bijtelling voor privégebruik auto van toepassing wordt.15
Naar het de Afdeling voorkomt, zou het doortrekken van deze lijn echter ook nog een
ander gevolg moeten hebben voor de regeling van het autokostenforfait, namelijk een
verhoging van het forfait. Immers, waar thans bij de forfaitaire vaststelling van de
hoogte van het privégebruik, het woon-werkverkeer niet is meegerekend (en dus niet
werd belast), dient dit in de nieuwe opzet wel te worden meegerekend (er is sprake van
meer privégebruik en er dient dus meer te worden belast). Het voorstel strekt hier
echter niet toe. Ook in de toelichting wordt hier niet op ingegaan.16 Een aanpassing
van de hoogte van het forfait ligt ook daarom in de rede omdat daarmee niet alleen
degenen worden belast (voor hun woon-werkverkeerkilometers) die thans onder de
500-kilometergrens blijven en daar door het voorstel overheen schieten, maar ook
degenen die thans al onder het forfait vallen en voor wie het belasten van het woonwerkverkeer
volgens het voorstel geen gevolgen heeft. Het is niet duidelijk welke de
afwegingen zijn geweest met betrekking tot het niet aanpassen van de hoogte van het
forfait.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het vorenstaande in te gaan en het voorstel
zo nodig aan te passen.
5. Waardering van OV-abonnementen en van door de werkgever georganiseerd
vervoer
12 Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor het privégebruik door een ondernemer/natuurlijke persoon met zijn auto van
de zaak.
13 Het gaat daarbij om alle vervoerswijzen zoals auto, openbaar vervoer en fiets. Het gaat dus bijvoorbeeld om een
verstrekte OV-jaarkaart.
14 Paragraaf 3, eerste tekstblok.
15 De memorie van toelichting verwoordt dit aldus dat de huidige vrijstelling van de bijtelling voor auto’s waarmee
minder dan 500 kilometer wordt gereden, grotendeels haar belang zal verliezen (paragraaf 3, tweede tekstblok,
tweede volzin).
16 Slechts in eerdergenoemde hoofdlijnennotitie wordt een dergelijk gevolg aan de orde gesteld, zij het alleen voor de
bijzondere situatie waarin een bestelbus door meer dan één persoon wordt gebruikt (Kamerstukken II 2011/12, 33
287, nr. 23, blz. 6, tweede alinea).
5
In eerdergenoemde hoofdlijnennotitie zijn met het oog op de herziening van het fiscale
regime voor woon-werkverkeer verschillende onderwerpen beschreven en zijn waar
mogelijk verschillende opties geschetst.17
De Afdeling merkt op dat de meeste onderwerpen van deze notitie in het voorstel zijn
uitgewerkt en zijn toegelicht. Dat geldt echter niet voor de waardering van bepaalde
verstrekkingen (zoals bepaalde OV-abonnementen) die zowel betrekking hebben op
woon-werkverkeer (belast) als op zakelijke reizen (vrijgesteld) en waarbij dus de
waarde van een dergelijk abonnement moet worden gesplitst. In de notitie wordt
volstaan met de opmerking dat zich hierbij een waarderingsprobleem voordoet.18 Hoe
dat probleem wordt opgelost, wordt noch in de hoofdlijnennotitie noch in het
onderhavige voorstel of in de toelichting daarop aangegeven. Hetzelfde geldt bij de
waardering van door de werkgever georganiseerd vervoer19, waarbij ook het woonwerkverkeer
moet worden belast en dus moet worden gewaardeerd.
De Afdeling adviseert de memorie van toelichting op deze punten aan te vullen.
6. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies
behorende bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van
wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het
vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State,
17 Kamerstukken II 2012/13, 33 287, nr. 23.
18 Kamerstukken II 2012/13, 33 287, nr. 23, blz. 4.
19 Zie ook artikel 1, derde lid, onderdeel b, van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968.
I
Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende
no.W06.12.0351/III met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging
geeft.
− In artikel VII, eerste lid, aanhef, van het voorstel ‘artikel V’ vervangen door:
artikel VI.
− In artikel IX, eerste lid, aanhef, van het voorstel ‘artikel VII’ vervangen door:
artikel VIII.
> Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag
Aan de Koningin
Datum
Betreft Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van enkele
belastingwetten (Wet herziening fiscale behandeling woon-werkverkeer)
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Korte Voorhout 7
2511 CW Den Haag
Postbus 20201
2500 EE Den Haag
www.minfin.nl
Inlichtingen
Hanneke van den Bout
T 070-3428246
j.bout@minfin.nl
Evert Vos
T 070-342 7584
e.g.vos@minfin.nl
Anita Euser
T 070-3427890
a.p.euser@minfin.nl
Jan Takens
T 070-3428284
j.w.takens@minfin.nl
Ons kenmerk
AFP2012/615
Pagina 1 van 4
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 5 september 2012,
nr. 12.002012, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van
State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij
te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 september 2012,
nr. W06.12.0351/III, bied ik U hierbij aan.
Het kabinet is de Afdeling erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee het advies
inzake het bovenvermelde voorstel is uitgebracht.
Naar aanleiding van het advies merk ik het volgende op.
1. Versobering fiscale regime woon-werkverkeer
Voor een reactie op de algemene beschouwing van de Afdeling over de
wenselijkheid van een structurele herziening van het belastingstelsel wordt
verwezen naar het nader rapport bij de Miljoenennota 2013. De Afdeling merkt op
dat een verbreding van de heffinggrondslag en het nader bezien van de
belastingmix kunnen bijdragen aan de stabiliteit van het systeem zodat niet hoeft
te worden teruggegrepen op de voorgestelde herziening van de fiscale behandeling
van woon-werkverkeer. Op grond van de voorgestelde herziening van de fiscale
behandeling van woon-werkverkeer wordt de grondslag van de loon- en
inkomstenbelasting juist verbreed. Hierna wordt ingegaan op de specifieke
opmerkingen van de Afdeling over deze grondslagverbreding.
2. Effecten van de maatregel
De versobering van het fiscale regime voor het woon-werkverkeer is een maatregel
uit het Begrotingsakkoord 2013. Het totaal aan maatregelen in het
Begrotingsakkoord 2013 strekt ertoe het EMU-tekort in 2013 terug te dringen tot
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Ons kenmerk
AFP2012/615
Pagina 2 van 4
(minder dan) 3%. De maatregel zoals opgenomen in dit wetsvoorstel draagt
daaraan bij. De oorspronkelijk in het algemeen deel van de memorie van
toelichting opgenomen passage waarin werd opgemerkt dat deze versobering als
dekking dient voor de structurele verlaging van het tarief van de
overdrachtsbelasting, is dienovereenkomstig aangepast.
Een meer geleidelijke invoering van de maatregel, waar de Afdeling voor pleit,
houdt in dat de voorziene opbrengst in 2013 niet wordt gerealiseerd waardoor ook
de doelstelling van het Begrotingsakkoord 2013 niet wordt gehaald.
3. Onderscheid woon-werkverkeer en zakelijk verkeer niet zijnde woonwerkverkeer
Het verdient zonder meer de voorkeur om voor de verschillende middelen waar
mogelijk dezelfde definities te gebruiken. In de loon- en inkomstenbelasting is op
dit moment geen definitie voor woon-werkverkeer opgenomen, de omzetbelasting
kent een dergelijke definitie wel, neergelegd in een beleidsbesluit.1
In de hoofdlijnennotitie
Om die reden
is gekeken naar de mogelijkheden om de definitie voor woon-werkverkeer zoals
die van toepassing is in de omzetbelasting ook te gebruiken voor de loon- en
inkomstenbelasting en is niet bij voorbaat teruggegrepen op de definitie zoals die
tot 2004 in de loon- en inkomstenbelasting van toepassing was.
2
1 Besluit van 11 juli 2012, nr. BLBK 2012/639M.
die door de Afdeling wordt aangehaald is inderdaad
opgemerkt dat de definitie zoals die in de omzetbelasting wordt gehanteerd dateert
van juli 2011 en dat het (toen nog) te vroeg was om zonder meer te kunnen
stellen dat deze kan worden overgenomen voor de loon- en inkomstenbelasting. In
het wetsvoorstel is dan ook gekozen voor een definitie die zowel elementen bevat
uit die van de omzetbelasting als uit de definitie zoals die tot 2004 werd
gehanteerd in de loon- en inkomstenbelasting. Bij de definitie in de omzetbelasting
wordt voor de beantwoording van de vraag of sprake is van woon-werkverkeer in
eerste instantie aangesloten bij de tussen de werkgever en werknemer
overeengekomen werkplaats. In het merendeel van de gevallen zal dit
overeenkomen met de plaats waar men daadwerkelijk zijn werkzaamheden
verricht. Dit uitgangspunt is zonder meer toepasbaar in de loon- en
inkomstenbelasting en zal voor verreweg de meeste gevallen toereikend zijn om te
kunnen bepalen of sprake is van woon-werkverkeer. Anders is het echter met de
ambulante werknemer en een (groot) deel van de ondernemers. De aard van de
werkzaamheden van deze belastingplichtigen brengt met zich dat er geen sprake is
van een vaste werkplek. De in de omzetbelasting gehanteerde definitie gaat er dan
van uit dat er in het geheel geen sprake is van woon-werkverkeer dan wel, in
geval van bijvoorbeeld een ondernemer die een opdracht aanvaardt met een in de
overeenkomst vastgelegde werkplek, er altijd sprake is van woon-werkverkeer.
Mede daarom is de voor de omzetbelasting gehanteerde definitie als startpunt
genomen voor de loon- en inkomstenbelasting maar niet zonder meer
overgenomen. De mening van de Afdeling dat de oude definitie uit de loon- en
inkomstenbelasting fiscale duidelijkheid bood en zonder meer toepasbaar zou zijn
wordt niet gedeeld. Deze definitie gaf, door bijvoorbeeld het zogenoemde 60-
dagencriterium, aanleiding tot veel discussies en veel casuïstiek, iets dat in de
huidige tijd waarin de groep ambulante werknemers en ondernemers is gegroeid
2 Kamerstukken II 2012/13, 33 287, nr. 23.
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Ons kenmerk
AFP2012/615
Pagina 3 van 4
en het Nieuwe Werken zijn intrede heeft gedaan, naar verwachting alleen maar zal
toenemen. Een voor de ambulante werknemer belangrijk element uit de oude
definitie, namelijk het op regelmatige basis reizen naar dezelfde werkplek, blijft
ook in de nieuwe definitie het uitgangspunt. Echter, in de oude definitie was het
noodzakelijk om specifiek de dagen te tellen waarop men naar een bepaalde
werkplek reisde. In de nieuwe definitie is de regelmatigheid waarmee gedurende
een langere periode, namelijk meer dan een jaar, naar een specifieke werkplek
wordt gereisd, bepalend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van
woon-werkverkeer en niet zozeer het specifieke aantal dagen. Met deze
aanpassing ten opzichte van de oude definitie is de verwachting dat weliswaar
dezelfde duidelijkheid wordt geboden als onder de oude definitie, maar dat het
aantal grensgevallen dat vroeger aanleiding gaf tot discussie en specifieke
casuïstiek sterk beperkt wordt.
4. Regime (bestel)auto van de zaak
Onder punt 2 van dit nader rapport is opgemerkt dat dit wetsvoorstel een
uitwerking is van het Begrotingsakkoord 2013. Daarin is opgenomen welke fiscale
maatregelen er ten aanzien van het woon-werkverkeer worden getroffen. Daar
waar het gaat om de bijtelling voor de auto van de zaak beperkt het akkoord, en
dus ook dit wetsvoorstel, zich tot het aanmerken van de woon-werkkilometers als
privékilometers.
5. Waardering van OV-abonnementen en van door de werkgever
georganiseerd vervoer
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling is het artikelsgewijze deel
van de memorie van toelichting aangevuld op het punt van het door de werkgever
georganiseerd vervoer. De wijze waarop de waardering van abonnementen voor
openbaar vervoer in het wetsvoorstel is toegelicht – in het bijzonder in de
toelichting op artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 – wordt toereikend
geacht.
6. Redactionele kanttekeningen
Aan de redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft in de
bijlage bij haar advies is gevolg gegeven.
Ten slotte is van de gelegenheid gebruikgemaakt om een aantal redactionele en
technische verbeteringen in het wetsvoorstel en de memorie van toelichting aan te
brengen.
Directie Algemene Fiscale
Politiek
Ons kenmerk
AFP2012/615
Pagina 4 van 4
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de
gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te
zenden.
De Staatssecretaris van Financiën,
mr. drs. F.H.H. Weekers
1
Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband
met de herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet herziening
fiscale behandeling eigen woning)
VOORSTEL VAN WET
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om de fiscale behandeling van
de eigen woning door invoering van een aflossingseis structureel te herzien met het oog op de
verbetering van de financiële stabiliteit, het terugdringen van de schuldenlast op micro- en
macroniveau en het bevorderen van het vertrouwen in de woningmarkt;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
Artikel I
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A. Na artikel 1.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.6a Levensverzekering
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder levensverzekering
een overeenkomst van levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel
toezicht.
B. In artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, vervalt “(artikel 3.117)”.
C. In artikel 2.5, tweede lid, wordt “de artikelen 3.60, 3.83, 3.116, vierde lid, 3.136”
vervangen door: de artikelen 3.60, 3.83, 3.136.
D. In artikel 2.8, tweede lid, wordt “3.83, eerste of tweede lid, 3.116, vierde lid, 3.133,
tweede lid, onderdelen h of j” vervangen door: 3.83, eerste of tweede lid, 3.133, tweede lid,
onderdelen h of j.
2
E. Artikel 2.14, derde lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. schulden ter zake waarvan de renten op basis van een specifieke bepaling in hoofdstuk 3
of hoofdstuk 4 van aftrek zijn uitgesloten en schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen
woning, doch niet behoren tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, in aanmerking
genomen bij de bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen;.
F. Artikel 3.110 komt te luiden:
Artikel 3.110 Belastbare inkomsten uit eigen woning
Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de
op die voordelen drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.120).
G. In artikel 3.111, eerste lid, onderdeel a, wordt “hen” vervangen door: de
belastingplichtige of zijn partner.
H. De artikelen 3.116 tot en met 3.119 vervallen.
I. Artikel 3.119a komt te luiden:
Artikel 3.119a Eigenwoningschuld
1. Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt onder
eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:
a. die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;
b. ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten
minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;
c. ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en
d. ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot
informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.
2. Onder schulden die zijn aangegaan in verband met een eigen woning worden verstaan de
schulden die zijn aangegaan:
a. ter verwerving van de eigen woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag gelijk
aan de kosten ter verwerving van de woning;
b. voor verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht,
opstal of beklemming met betrekking tot de woning, doch ten hoogste tot een gezamenlijk bedrag
gelijk aan de kosten van verbetering, of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten
van erfpacht opstal of beklemming met betrekking tot de woning;
c. ter betaling van de kosten ter verkrijging van de schulden, bedoeld in de onderdelen a en
b, waarbij afsluitprovisies in aanmerking worden genomen tot het maximum, bedoeld in artikel
3.120, vijfde lid.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt de som van het bedrag van de kosten ter
verwerving van de woning, bedoeld in onderdeel a, en het bedrag van de verbetering, het
onderhoud of de afkoop, bedoeld in onderdeel b, verminderd met de som van:
1°. het positieve bedrag van de eigenwoningreserve, bedoeld in artikel 3.119aa, direct
voorafgaande aan het moment waarop de woning ten aanzien van de belastingplichtige als een
3
eigen woning wordt aangemerkt, onderscheidenlijk direct voorafgaande aan de verbetering, het
onderhoud of de afkoop;
2°. hetgeen met toepassing van artikel 33, onderdelen 5° en 6°, van de Successiewet 1956
ter zake van die verwerving, verbetering, dat onderhoud of die afkoop aan vrijstelling is genoten.
4. Indien de belastingplichtige een eigen woning verwerft die bestemd is om hem en zijn
partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan, wordt, indien hun voordien
reeds tezamen een woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking heeft gestaan en de
partner ten aanzien van die eerdere woning een vervreemdingssaldo eigen woning heeft behaald,
de op grond van het eerste lid berekende eigenwoningschuld van de belastingplichtige verlaagd,
doch niet verder dan tot nihil, met de eigenwoningreserve, bedoeld in artikel 3.119aa, van de
partner waarbij, indien de partner de woning mede heeft verworven, wordt uitgegaan van de
eigenwoningreserve na toepassing van artikel 3.119aa met betrekking tot de partner. De in de
eerste volzin bedoelde verlaging van de eigenwoningschuld wordt toegepast tot het moment
waarop de woning hun niet meer gezamenlijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking
staat.
5. Tot de eigenwoningschuld behoren niet:
a. de schulden die zijn aangegaan of ontstaan ter betaling van renten als bedoeld in artikel
3.120, eerste lid, onderdeel a;
b. de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning of een gedeelte
daarvan, indien de eigen woning of een gedeelte daarvan direct of indirect is verkregen van de
partner van de belastingplichtige, voor zover het totaal van de schulden die de belastingplichtige
en zijn partner zijn aangegaan ter verwerving van de woning, na deze verkrijging meer bedraagt
dan vóór de vervreemding van de woning of een gedeelte daarvan door zijn partner;
c. schulden die zijn ontstaan uit een overeenkomst van geldlening tussen partners;
d. schulden die corresponderen met geldvorderingen als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.
J. Na artikel 3.119a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.119aa Eigenwoningreserve
1. Bij de vervreemding van een eigen woning wordt het vervreemdingssaldo eigen woning
toegevoegd aan een eigenwoningreserve. Onder vervreemdingssaldo eigen woning wordt verstaan
de waarde van de tegenprestatie bij de vervreemding van een eigen woning, verminderd met de
kosten ter zake van die vervreemding en verminderd met de eigenwoningschuld voor de woning.
Voor de toepassing van de eerste en tweede volzin wordt tot de eigenwoningschuld mede gerekend
het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 3.119a, vierde lid, en het bedrag dat op grond van
artikel 3.119a, vijfde lid, onderdeel b, niet tot de eigenwoningschuld behoort.
2. Een eigenwoningreserve neemt af, doch niet verder dan tot nihil, met:
a. een bedrag gelijk aan de kosten ter verwerving van een eigen woning verminderd met het
bedrag dat ingevolge artikel 3.119a, eerste lid, als eigenwoningschuld voor die woning in
aanmerking wordt genomen;
b. een bedrag gelijk aan het bedrag waarmee de eigenwoningschuld van de partner op grond
van artikel 3.119a, vierde lid, is verlaagd, met dien verstande dat dit bedrag weer aan de
eigenwoningreserve wordt toegevoegd ingeval artikel 3.119a, vierde lid, niet meer van toepassing
is op de eigenwoningschuld van de partner;
4
c. een bedrag gelijk aan de in een kalenderjaar gemaakte kosten voor verbetering of
onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming met
betrekking tot de woning.
3. De eigenwoningreserve vervalt voor zover die is toe te rekenen aan een
vervreemdingssaldo eigen woning dat drie jaar geleden is toegevoegd.
4. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder verwerving onderscheidenlijk
vervreemding van een eigen woning verstaan een gebeurtenis waardoor de woning ten aanzien
van de belastingplichtige als een eigen woning wordt aangemerkt, onderscheidenlijk niet meer als
zodanig wordt aangemerkt. Als verwerving of vervreemding wordt niet aangemerkt die krachtens
boedelmenging door voltrekking van een huwelijk of wijziging van huwelijkse voorwaarden en die
door vererving tussen partners. Indien bij een verwerving of vervreemding een tegenprestatie
ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst,
wordt als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de verwerving, onderscheidenlijk
de vervreemding, in het economische verkeer aan de woning kan worden toegekend.
5. De eigenwoningreserve die ontstaat door de vervreemding van een eigen woning waartoe
meer dan een belastingplichtige gerechtigd is, wordt aan elk van hen toegerekend naar de mate
waarin zij gerechtigd zijn tot het vervreemdingssaldo eigen woning.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit
artikel.
K. Artikel 3.119b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “artikel 3.119a, vijfde lid, onderdeel b” vervangen door: artikel
3.119aa, tweede lid, onderdeel b.
2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tweede
tot en met vierde lid.
L. Na artikel 3.119b worden vijf artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3.119c Aflossingseis
1. Aan de aflossingseis wordt voldaan indien een tot de eigenwoningschuld behorende schuld
op het toetsmoment niet meer bedraagt dan het bedrag dat per schuld volgt uit de formule:
Bx = B0