Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: belastingen_per_01-01-2011.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

Wijzigingen in de belastingheffing met ingang van 1 januari 2011
Op dinsdag 21 december 2010 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Belastingplan 2011 en het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2011. In dit bericht geeft het ministerie van Financiën een overzicht van de belangrijkste, cijfermatige wijzigingen in de rijksbelastingen per 1 januari 2011.
De inflatiecorrectie voor 2011 leidt tot een bijstelling van de daarvoor in aanmerking komende bedragen met 0,6%. In de tekst zijn tussen haakjes de bedragen vermeld zoals die gelden voor 2010.
1
1 Inkomstenbelasting
1.1 Nieuwe regels fiscaal partnerschap
Fiscaal partnerschap
Op 1 januari 2011 veranderen de regels voor fiscaal partnerschap.
Fiscaal partnerschap betekent dat echtgenoten of samenwoners (partners) voor bepaalde inkomsten en aftrekposten zelf mogen bepalen wie welk bedrag aangeeft in de aangifte. Het saldo van bijvoorbeeld de aftrek eigen woning kan onderling verdeeld worden. Het maakt niet uit welke verdeling er wordt maakt, als het totaal maar 100% is. Degene met het hoogste inkomen kan dan bijvoorbeeld de kosten aftrekken. Zo kan het grootste belastingvoordeel bereikt worden.
Veranderingen 2011
Tot 1 januari 2011 konden ongehuwd samenwonenden kiezen voor fiscaal partnerschap. Vanaf 2011 zijn er aan fiscaal partnerschap een aantal voorwaarden verbonden.
Ongehuwd samenwonenden die allebei op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staan ingeschreven, zijn fiscale partners als aan 1 of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
• Zij hebben een notarieel samenlevingscontract gesloten;
• Zij hebben samen een kind;
• Een van de partners heeft een kind en de ander heeft dit kind erkend;
• Zij zijn als partners aangemeld voor een pensioenregeling;
• Zij zijn allebei eigenaar van de woning die het hoofdverblijf is.
Het fiscaal partnerschap begint op het moment dat de partners allebei op hetzelfde woonadres staan ingeschreven bij de gemeente en zij bovendien aan één of meer van de hiervoor genoemde voorwaarden voldoen. Zodra twee mensen op enig moment in een kalenderjaar als partner van elkaar worden aangemerkt, geldt het partnerschap tevens voor andere perioden in het kalenderjaar waarin zij wel op hetzelfde woonadres in de GBA staan ingeschreven, maar waarin zij nog niet of niet meer voldoen aan een of meer van de hiervoor genoemde voorwaarden. Als zij eind 2011 aan één van de voorwaarden voldoen en al het hele jaar op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven, dan zijn zij dus heel 2011 fiscaal partner. Partnerschap op grond van het partnerbegrip van vóór 1 januari 2011 werkt niet door.
Bij gehuwden en geregistreerd partners is de belangrijkste verandering dat het partnerschap bij gehuwden niet langer eindigt bij ‘duurzaam gescheiden leven’, maar het fiscaal partnerschap eindigt als de twee personen niet meer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven en zij bovendien een verzoek tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed hebben ingediend.
Overzicht wel of geen fiscale partners 2011
Persoonlijke situatie in 2011
Wel/geen fiscale partners
Gehuwden
Wel
Geregistreerde partners
Wel
Samenwonenden met een notarieel samenlevingscontract.
Wel
Samenwonenden met een samenlevingscontract dat niet bij de notaris is afgesloten. En u hebt samen geen kind, geen eigen woning of bent niet als pensioenpartner aangemeld.
Geen
U woont samen en hebt samen een kind of de ander heeft uw kind erkend.
Wel 2
U woont samen en hebt samen een eigen woning.
Wel
U woont samen en bent pensioenpartners.
Wel
Onder samenwonenden wordt in dit overzicht verstaan twee ongehuwd samenwonenden die allebei op hetzelfde woonadres bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staan ingeschreven.
Voor meer informatie: http://www.belastingdienst.nl/particulier/fiscaal_partnerschap2011
1.2 Tarieven
1.2.1 Tarief Box 1 (belastbaar inkomen uit werk en woning)
2011
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
Jonger dan 65 jaar

€ 18.628
1,85%
31,15%
33%
€ 6.147
€ 18.628
33.436
10,80%
31,15%
41,95%
12.358
33.436
55.694
42%
42%
21.706
55.694
52%
52%
65 jaar en ouder
Geboren in 1946*

€ 18.628
1,85%
13,25%
15,10%
€ 2.812
€ 18.628
33.436
10,80%
13,25%
24,05%
6.373
33.436
55.694
42%
42%
15.721
55.694
52%
52%
Geboren voor 1 januari 1946

€ 18.628
1,85%
13,25%
15,10%
€ 2.812
€ 18.628
33.485
10,80%
13,25%
24,05%
6.385
33.485
55.694
42%
42%
15.712
55.694
52%
52%
* inclusief houdbaarheidsbijdrage
2010
Belastbaar inkomen meer dan
doch niet meer dan
belastingtarief
tarief premie volksverzekeringen
totaal tarief
heffing over totaal van de schijven
Jonger dan 65 jaar

€ 18.218
2,30%
31,15%
33,45%
€ 6.093
€ 18.218
32.738
10,80%
31,15%
41,95% %
12.184
32.738
54.367
42 %
42 %
21.268
54.367
52 %
52 %
65 jaar en ouder

€ 18.218
2,30%
13,25%
15,55%
€ 2.832
€ 18.218
32.738
10,80%
13,25%
24,05%
6.324
32.738
54.367
42 %
42 %
15.408
54.367
52 %
52 %
3
Premiepercentages volksverzekeringen:
AOW 17,90%
ANW 1,10%
AWBZ 12,15%
31,15%
1.2.2 Tarief Box 2 (belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang)
Voor belastingjaar 2011 is het tarief van de belasting op het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang ongewijzigd en bedraagt 25%.
1.2.3 Tarief Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen)
Het tarief van de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is ongewijzigd en bedraagt 30%. Het forfaitaire rendement is ongewijzigd en bedraagt 4% van de grondslag sparen en beleggen. Dit komt dus neer op 1,2% belasting over de grondslag sparen en beleggen.
1.3 Heffingskortingen
1.3.1 Bedragen heffingskortingen
Heffingskorting
Jonger dan 65 jaar
65 jaar en ouder
2011
2010
2011
2010
Algemene heffingskorting
€ 1.987
€ 1.987
€ 910
€ 925
Maximale arbeidskorting lagere inkomens
• tot 57 jaar
• 57, 58, of 59 jaar
• 60 of 61 jaar
• 62 t/m 64 jaar
• 65 jaar en ouder
1.574
1.838
2.100
2.362
1.489
1.752
2.012
2.273
1.081
1.057
Maximale arbeidskorting inkomen hogere inkomens
• tot 57 jaar
• 57, 58 of 59 jaar
• 60 of 61 jaar
• 62 t/m 64 jaar
• 65 jaar en ouder
1.497
1.761
2.023
2.285
1.433
1.696
1.956
2.217
1.046
1.031
Inkomensafhankelijke combinatiekorting
1.871
1.859
857
865
Alleenstaande-ouderkorting
931
954
427
440
Aanvullende alleenstaande-ouderkorting
1.523
1.513
697
704
Jonggehandicaptenkorting
696
691
Ouderenkorting
739
684
Alleenstaande ouderenkorting
421
418
Doorwerkbonus
• 62 jaar (5%)
• 63 jaar (7%)
• 64 jaar (10%)
• 65 jaar (2%)
• 66 jaar (2%)
• 67 (e.v.) jaar (1%)
2.354
3.295
4.708
2.340
3.276
4.679
942
942
471
936
936
468
Levensloopverlofkorting (per jaar van deelname)
201
199
Ouderschapsverlofkorting (per verlofuur)
4,11
4,07
Korting maatschappelijke beleggingen
1,0%*
1,3%*
1,0%*
1,3%*
Korting directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen
1,0%*
1,3%*
1,0%*
1,3%* 4
* van de vrijstelling in box 3
1.3.2 Algemene heffingskorting
Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze heffingskorting. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Voorwaarde voor uitbetaling is dat de partner van de belastingplichtige voldoende inkomen heeft en daarbij voldoende belasting betaalt. Deze uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt afgebouwd in 15 jaar tijd met 6,67% per jaar. De afbouw is gestart in 2009. Dit betekent dat er in 2011 ten hoogste € 1.590 (80%) van de algemene heffingskorting wordt uitbetaald aan de minstverdienende partner. De beperking van de uitbetaling geldt niet indien de belastingplichtige die zijn heffingskorting niet volledig gebruikt geboren is voor 1-1-1972 of indien er in het huishouden kinderen van 5 jaar of jonger aanwezig zijn. Voor deze groepen blijft – mits ook aan de andere voorwaarden is voldaan – de uitbetaling voor 100% gehandhaafd.
1.3.3 Arbeidskorting
Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij één van de volgende inkomsten heeft: loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Die inkomsten moeten met tegenwoordige arbeid worden genoten. Zie voor de nieuwe maximum bedragen van de arbeidskorting voor 2011 de overzichtstabel. De hoogte van arbeidskorting is afhankelijk van het gezamenlijk bedrag van de hiervoor bedoelde inkomsten uit tegenwoordige arbeid (het arbeidsinkomen) en het maximum van de arbeidskorting. Voor ouderen vanaf 57 jaar geldt een hoger maximum van de arbeidskorting. Deze maxima worden met dezelfde bedragen gewijzigd als de maxima voor mensen tot 57 jaar.
1.3.4 De inkomensafhankelijke combinatiekorting
De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor minstverdienende partners en alleenstaande ouders die de zorg hebben voor kinderen onder de 12 jaar. Het basisbedrag van deze heffingskorting is € 780 (€ 775) indien met werken een arbeidsinkomen van minimaal € 4.734 (€ 4.706) wordt verdiend of indien er recht bestaat op de zelfstandigenaftrek. Voor elke euro die meer wordt verdiend dan € 4.734 (€ 4.706) loopt de inkomensafhankelijke combinatiekorting met 3,8 cent op tot maximaal € 1.871 (€ 1.859). Dit maximale bedrag wordt bereikt bij een arbeidsinkomen uit werk van € 33.444 (€ 33.232).
1.3.5 Alleenstaande-ouderkorting
De aanvullende alleenstaande-ouderkorting wordt met ingang van 1 januari 2011 samengevoegd met de alleenstaande-ouderkorting. Deze samenvoeging leidt niet tot inhoudelijke wijzigingen. Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij in 2011 meer dan zes maanden:
• geen partner heeft;
• een huishouding voert met een kind dat hij/zij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven staat;
• deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die op 1 januari 2011 de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.
De hoogte van de alleenstaande-ouderkorting bedraagt € 931 (€ 945). Dit bedrag wordt vermeerderd met 4,3% van het arbeidsinkomen, maar maximaal met 1.523 (€ 1.513) indien het kind bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt. Het arbeidsinkomen is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden.
1.3.6 Jonggehandicaptenkorting
De jonggehandicaptenkorting bedraagt € 696 (€ 691) en geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een zogenoemde Wajonguitkering), 5
tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Belastingplichtigen komen ook voor de jonggehandicaptenkorting in aanmerking, indien weliswaar recht bestaat op een Wajonguitkering, maar niet daadwerkelijk een Wajonguitkering wordt ontvangen vanwege het hebben van een andere uitkering of ander inkomen uit arbeid.
1.3.7 Ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2011 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan € 34.857 (€ 34.649). De ouderenkorting bedraagt € 739 (€ 684).
1.3.8 Alleenstaande ouderenkorting
Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande ouderenkorting als hij recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden. De alleenstaande ouderenkorting bedraagt € 421
(€ 418).
1.3.9 Doorwerkbonus
De doorwerkbonus motiveert belastingplichtigen om vanaf het jaar waarin zij 62 worden, door te blijven werken. Mensen die in een jaar 62 worden en werken, ontvangen deze doorwerkbonus die als heffingskorting via de aanslag inkomstenbelasting wordt toegekend. De doorwerkbonus loopt ook door na de 65-jarige leeftijd. De hoogte van de bonus loopt tot 65 jaar met de leeftijd en met het inkomen uit arbeid op. De bestaande (verhoogde) arbeidskorting voor ouderen blijft naast de doorwerkbonus bestaan. De hoogte van de doorwerkbonus wordt berekend door een leeftijdsafhankelijk percentage (zie overzichtstabel) toe te passen op het arbeidsinkomen tussen € 9.209 en € 56.280 (€ 9.041 en € 55.831).
Sinds 1 januari 2010 wordt voor mensen van 61 jaar en ouder loon uit de levensloopregeling aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. Hierdoor bestaat er over het in die periode opgenomen bedrag geen recht op de doorwerkbonus, arbeidskorting en aanvullende alleenstaande-ouderkorting.
1.3.10 Levensloopverlofkorting
Op deze korting heeft men recht bij een reguliere opname van levenslooptegoed. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag van het opgenomen levenslooptegoed, maar ten hoogste € 201 (€ 199) per jaar waarin is gestort in de levensloopregeling. Bedragen aan levensloopverlofkorting die in voorafgaande jaren al zijn genoten worden in mindering gebracht.
1.3.11 Ouderschapsverlofkorting
De ouderschapsverlofkorting geldt voor de belastingplichtige die in 2011 gebruik maakt van zijn wettelijke recht op ouderschapsverlof. De korting wordt berekend door het aantal uren ouderschapsverlof in het kalenderjaar te vermenigvuldigen met een bedrag van 50% van het bruto minimumuurloon per opgenomen verlofuur en bedraagt voor 2011 € 4,11 (€4,07) per verlofuur. De korting bedraagt niet meer dan de terugval in het belastbare loon in 2011 ten opzichte van 2010.
1.3.12 Korting voor maatschappelijke beleggingen
Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in maatschappelijke beleggingen (groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen). De korting bedraagt in 2011 1,0% van het bedrag dat daarvoor is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3. De heffingskorting wordt in vier stappen afgebouwd naar 0%: voor het jaar 2011 wordt deze heffingskorting verlaagd van 1,3% (2010) naar 1,0%, voor het jaar 2012 van 1,0% naar 0,7%, voor het jaar 2013 van 0,7% naar 0,4%. Met ingang van het jaar 2014 komt deze heffingskorting in het geheel te vervallen.
1.3.13 Korting voor directe beleggingen in durfkapitaal en culturele beleggingen
Deze korting geldt voor de belastingplichtige die belegt in direct durfkapitaal en in culturele beleggingen. De korting bedraagt in 2011 1,0% van het bedrag dat daarvoor is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3. De heffingskorting wordt in vier stappen afgebouwd naar 0%: voor het jaar 2011 wordt deze heffingskorting verlaagd van 1,3% (2010) naar 1,0%, 6
voor het jaar 2012 van 1,0% naar 0,7%, voor het jaar 2013 van 0,7% naar 0,4%. Met ingang van het jaar 2014 komt deze heffingskorting in het geheel te vervallen.
1.4 Aanslaggrens voor de inkomstenbelasting
De aanslaggrens voor de inkomstenbelasting blijft in 2011 € 44 (€ 44). Alleen als het verschil tussen de verschuldigde inkomstenbelasting en het saldo van de gezamenlijke voorheffingen en de voorlopige teruggaven meer bedraagt dan € 44 (€ 44) volgt een aanslag.
1.5 Teruggaafgrens loonbelasting en premie volksverzekeringen (T-biljet)
De grens voor teruggaaf op verzoek, op grond van te veel ingehouden loonbelasting en premie volksverzekering over het belastingjaar 2011 blijft € 14 (€ 14). Naast de voorheffingen moeten ook in aanmerking worden genomen de voorlopige teruggaven (gezamenlijk genoemd: voorheffingssaldo). Als dit voorheffingssaldo de verschuldigde belasting niet of met niet meer dan € 14 (€ 14) overtreft, dan volgt geen aanslag.
1.6 Reisaftrek
Voor het regelmatig woon-werkverkeer met het openbaar vervoer kan de reisaftrek van toepassing zijn. Voor deze aftrek gelden een aantal voorwaarden:
• De belastingplichtige moet beschikken over een openbaarvervoerverklaring of een reisverklaring;
• De per openbaar vervoer afgelegde enkele reisafstand moet meer dan 10 kilometer bedragen;
• De belastingplichtige moet regelmatig (doorgaans minimaal één keer per week of minimaal 40 dagen in 2011) tussen zijn woning en zijn werkplek heen en weer reizen per openbaar vervoer.
Reiskosten openbaar vervoer
Enkele reisafstand woon-werkverkeer in km
aftrekbedrag in 2011
aftrekbedrag in 2010
meer dan
niet meer dan
0
10


10
15
€ 428
€ 425
15
20
572
568
20
30
957
951
30
40
1.186
1.178
40
50
1.547
1.537
50
60
1.721
1.710
60
70
1.910
1.898
70
80
1.974
1.962
80

2.001
1.989
Voor de belastingplichtige die op drie, twee of één dag per week naar dezelfde plaats van werkzaamheden reist per openbaar vervoer, bedraagt het aftrekbedrag indien de reisafstand niet meer beloopt dan 90 kilometer: driekwart, de helft respectievelijk een kwart van het in de tabel aangegeven bedrag. Als de enkele reisafstand groter is dan 90 kilometer: € 0,22
(€ 0,22) per kilometer vermenigvuldigd met het aantal dagen waarop wordt gereisd, maar maximaal € 2.001 (€ 1.989).
7
1.7 Eigen woning
1.7.1 Eigenwoningforfait
Het forfaitpercentage van de WOZ-waarde van de eigen woning bedraagt:
2011
Als de WOZ-waarde meer is dan
maar niet meer dan
bedraagt het forfaitpercentage

€ 12.500
nihil
€ 12.500
25.000
0,20%
25.000
50.000
0,30%
50.000
75.000
0,40%
75.000
1.020.000
1.020.000

0,55%
€ 5.610 vermeerderd met 1,05% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.020.000
2010
Als de WOZ-waarde meer is dan
maar niet meer dan
bedraagt het forfaitpercentage

€ 12.500
nihil
€ 12.500
25.000
0,20%
25.000
50.000
0,30%
50.000
75.000
0,40%
75.000
1.010.000
1.010.000

0,55%
€ 5.555 vermeerderd met 0,80% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.010.000
Voor de periode van het eigenwoningforfait wordt aangesloten bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Bij tijdelijke verhuur wordt het eigenwoningforfait berekend over het hele kalenderjaar en is 70% van de huurinkomsten belast.
1.7.2 Kapitaalverzekering eigen woning en spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning
Het rentevoordeel begrepen in de uitkeringen uit een kapitaalverzekering eigen woning en een spaarrekening eigen woning tezamen is onbelast als de uitkering niet meer bedraagt dan:
• € 34.300 (€ 34.100) bij 15 tot en met 19 jaar premiebetaling;
• € 151.000 (€ 150.500) bij 20 jaar of langer premiebetaling.
De totale vrijstelling kan nooit meer bedragen dan € 151.000 (€ 150.500) per belastingplichtige gedurende zijn leven.
1.7.3 Kamerverhuurvrijstelling
De vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2011 € 4.333 (€ 4.262).
1.7.4 Verhuisregeling hypotheekrenteaftrek
De maximale termijn voor behoud van hypotheekrenteaftrek bij verkoop van de voormalige eigen woning wordt met een jaar verlengd. De termijn was in 2010 twee jaar en wordt drie jaar. Dit betekent dat indien de woning in 2008 of 2009 te koop is gezet, nog recht op hypotheekrenteaftrek bestaat in respectievelijk 2011 en 2012. Daarnaast wordt de maximale termijn voor het verkrijgen van hypotheekrenteaftrek voor de nog leegstaande toekomstige eigen woning (bijvoorbeeld in aanbouw) verlengd van twee naar drie jaar. Dit betekent dat in 2011 recht op hypotheekrenteaftrek bestaat voor een leegstaande woning die uiterlijk in 2014 de eigen woning zal worden.
1.7.5 Herleven hypotheekrenteaftrek voormalige eigen woning na tijdelijke verhuur
Sinds 1 januari 2010 kan de hypotheekrenteaftrek voor de te koop staande voormalige eigen woning herleven na een periode van tijdelijke verhuur. De hypotheekrente kan na de verhuur
8
nog worden afgetrokken tot maximaal de resterende termijn van de verhuisregeling. Deze tijdelijke maatregel wordt verlengd met een jaar. Dit betekent dat de maatregel tot en met 2012 van toepassing is.
1.8 Regeling specifieke zorgkosten
Binnen de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten komen de volgende kosten voor aftrek in aanmerking, mits deze kosten voortkomen uit ziekte of invaliditeit:
• genees- en heelkundige hulp, met uitzondering van ooglaserbehandelingen;
• vervoer;
• medicijnen verstrekt op voorschrift van een arts;
• overige hulpmiddelen, met uitzondering van visuele hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen;
• extra gezinshulp;
• dieetkosten (voor zover opgenomen in dieetkostentabel; sinds 2010 mag de dieetverklaring ook door een diëtist zijn afgegeven);
• extra kleding en beddengoed;
• reiskosten ziekenbezoek (bij reizen per auto, anders dan per taxi, € 0,19 per kilometer).
De regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten kent een vermenigvuldigingsfactor voor de hiervoor genoemde aftrekposten met uitzondering van de uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. De vermenigvuldigingsfactor is van toepassing wanneer het drempelinkomen niet meer bedraagt dan € 33.485 (€ 32.738). De vermenigvuldigingsfactor bedraagt 2,13 voor personen ouder dan 65 jaar. Voor personen jonger dan 65 jaar is de vermenigvuldigingsfactor in 2011 1,40. Dit hangt samen met het feit dat personen jonger dan 65 jaar vanwege een hoger marginaal tarief dan personen ouder dan 65 jaar een hogere belastingteruggaaf krijgen.
Uitgaven voor specifieke zorgkosten komen slechts voor aftrek in aanmerking voor zover deze boven bepaalde inkomensdrempels komen.
De drempels zijn als volgt voor 2011
Drempelinkomen van
Drempelinkomen tot
Drempel

€ 7.332
€ 122
€ 7.332
€ 38.955
1,65% van het drempelinkomen
€ 38.955 of meer
1,65% van € 38.955 vermeerderd met
5,75% van het bedrag dat hoger is dan € 38.955
2010
Drempelinkomen van
Drempelinkomen tot
Drempel

€ 7.288
€ 121
€ 7.288
€ 38.722
1,65% van het drempelinkomen
€ 38.722 of meer
1,65% van € 38.722 vermeerderd met
5,75% van het bedrag dat hoger is dan € 38.722
1.9 Aftrek levensonderhoud voor kinderen
Uitgaven voor kosten van levensonderhoud voor kinderen jonger dan 30 jaar zijn aftrekbaar als voor het kind geen recht bestaat op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en het kind geen recht heeft op studiefinanciering of een met AKW of studiefinanciering vergelijkbare regeling. Als de kosten in belangrijke mate drukken op de belastingplichtige, komen deze voor aftrek in aanmerking tot een bedrag van: 9
a. € 290 (€ 295) per kalenderkwartaal indien het kind jonger is dan 6 jaar;
b. € 350 (€ 355) per kalenderkwartaal indien het kind 6 jaar of ouder, maar jonger dan 12 jaar is;
c. € 410 (€ 415) per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder, maar jonger dan 18 jaar is;
d. € 350 (€ 355) per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is.
De kosten van het onderhoud van een kind worden geacht in belangrijke mate op de belastingplichtige te drukken, indien de op de belastingplichtige drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind tenminste € 408 (€ 415) per kwartaal beloopt.
Het bedrag vermeld onder d. wordt verhoogd tot € 700 (€ 710) indien de kosten van het levensonderhoud grotendeels (voor meer dan 50%) op de belastingplichtige drukken en de kosten van de belastingplichtige voor het kind tenminste € 700 (€ 710) bedroegen.
Indien het kind niet tot het huishouden van de belastingplichtige behoort, wordt het bedrag onder d. vermeld verhoogd tot € 1.050 (€ 1.065) indien deze kosten geheel (100%) of nagenoeg geheel (90% of meer) op de belastingplichtige drukken en de kosten van belastingplichtige voor het kind tenminste € 1.050 (€ 1.065) bedroegen.
Als belastingplichtige het gehele jaar een fiscale partner heeft of een deel van het jaar een partner heeft maar wel kiest voor het gehele jaar fiscaal partnerschap en beiden doen uitgaven voor levensonderhoud voor een kind jonger dan 30 jaar, worden deze uitgaven samengevoegd. Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen wettelijk bedrag gesteld op de helft als beiden uitgaven voor levensonderhoud van een kind in aanmerking nemen.
Er bestaat geen aanspraak op aftrek uitgaven levensonderhoud als het recht op kinderbijslag is uitgesloten op grond van de Wet beperking export uitkeringen.
1.10 Weekenduitgaven gehandicapten
Als de belastingplichtige een ernstig gehandicapt kind, broer of zus van 27 jaar of ouder die doorgaans in een AWBZ-instelling verblijft thuis verzorgt, heeft hij recht op een aftrekpost. Ook een mentor als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek kan voor de aftrek in aanmerking komen. De volgende bedragen komen voor aftrek in aanmerking:
• € 10 (€ 9) per dag van verzorging van de gehandicapte door de belastingplichtige;
• € 0,19 (€ 0,19) per kilometer voor het vervoer van de gehandicapte per auto door de belastingplichtige over de reisafstand tussen de plaats waar de gehandicapte doorgaans verblijft en de plaats waar de belastingplichtige doorgaans verblijft.
Als belastingplichtige een deel van het jaar een fiscale partner heeft en niet heeft gekozen voor het gehele jaar fiscaal partnerschap dan wordt het in aanmerking te nemen bedrag gesteld op de helft als beiden weekenduitgaven gehandicapten in aanmerking nemen. Uitgaven die in aanmerking zijn genomen als weekenduitgaven voor gehandicapten kunnen niet tevens in aanmerking worden genomen als uitgaven voor levensonderhoud voor kinderen.
1.11 Scholingsuitgaven
Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door belastingplichtige zelf volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Voor de aftrek van de uitgaven geldt een drempel van € 500 en een maximum van € 15.000.
Ook uitgaven van de belastingplichtige voor het volgen van een procedure Erkenning Verworven Competenties, waarvoor een verklaring is afgegeven door een instantie die is aangeduid bij ministeriële regeling, vallen onder de scholingsuitgaven.
1.12 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen
Premies voor lijfrenten en bedragen betaald voor een lijfrentespaarrekening of –beleggingsrecht zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Indien is voldaan aan de
10
voorwaarden voor lijfrentepremieaftrek, gelden vervolgens voor de hoogte van de premieaftrek, de volgende regels:
• Betaalde bedragen zijn aftrekbaar voor zover belastingplichtige een pensioentekort heeft en jonger is dan 65 jaar. De hoogte van het aftrekbare bedrag moet bepaald worden aan de hand van de jaarruimte of reserveringsruimte. Bij de berekening van de jaarruimte zijn het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend;
• De jaarruimte bedraagt maximaal € 27.156 (€ 26.994). De reserveringsruimte bedraagt in het jaar van aftrek ten hoogste 17% van de premiegrondslag met een maximum van € 6.872 (€ 6.831). Voor belastingplichtigen die op 1 januari 2011 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt het maximumbedrag van € 6.872 (€ 6.831) verhoogd tot € 13.571 (€ 13.490).
Premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en premies van lijfrenten voor meerderjarige invalide (klein)kinderen zijn niet gebonden aan een maximaal aftrekbedrag.
De maximale premiegrondslag is voor 2011 € 159.741 (€ 158.788). De in te bouwen AOW-franchise bij de berekening van de jaarruimte is € 11.631 (€ 11.561). Voor tijdelijke oudedagslijfrenten is het maximale bedrag van de jaaruitkering in 2011 € 20.602
(€ 20.479).
1.13 Giftenaftrek
Voor giften die niet in de vorm van periodieke uitkeringen zijn gedaan (de zogenaamde andere giften) geldt een drempel van € 60 of ,als dat meer is, 1% van het verzamelinkomen (vóór toepassing van de persoonsgebonden aftrek). Tevens geldt voor deze giften een maximum van 10% van dat inkomen. Bij partners geldt dat zij hun “andere giften” en hun verzamelinkomens moeten samenvoegen. Giften die de vorm hebben van het afzien van een vergoeding van kosten voor vervoer per auto, anders dan per taxi, worden in aanmerking genomen voor € 0,19 (€ 0,19) per kilometer.
Giften zijn aftrekbaar als zij zijn gedaan aan een kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of algemeen nut beogende instelling. Aftrek is alleen mogelijk als de bedoelde instellingen door de Belastingdienst als algemeen nut beogende instelling (ANBI) zijn aangemerkt. Vereist wordt dat de instelling is gevestigd in lidstaten van de EU, de Nederlandse Antillen, Aruba of een aangewezen mogendheid. De lijst met aangewezen instellingen is te vinden op www.belastingdienst.nl.
Onder voorwaarden zijn giften in de vorm van periodieke uitkeringen volledig aftrekbaar.
1.14 Aftrek uitgaven monumentenpanden
De regeling voor de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden wordt verruimd. Dit betekent dat uitgaven voor een eigen woning (een monumentenpand) die de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, in bepaalde situaties onder de regeling vallen.
Het gaat hierbij om de eigen woning (monumentenpand) die:
• in de verkoop staat;
• in het kader van een echtscheiding nog 2 jaar kwalificeert als eigen woning;
• wordt aangehouden tijdens een verblijf in een AWBZ-instelling;
• wordt aangehouden gedurende een tijdelijk verblijf elders.
1.15 Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Voor beleggingen in durfkapitaal bestaat een vrijstelling in box 3 (zie ook onderdeel 1.24.6; vrijstelling beleggingen in durfkapitaal) en een heffingskorting (zie onderdeel 1.3.1). Naast deze twee faciliteiten bestaat nog een derde faciliteit voor directe beleggingen in durfkapitaal, namelijk de persoonsgebonden aftrek voor verliezen op directe beleggingen in durfkapitaal. Een bedrag dat door de schuldeiser binnen 8 jaar na het verstrekken van de geldlening aan een beginnende ondernemer niet meer voor verwezenlijking vatbaar is en dat wordt afgeschreven, kan tot een bedrag van € 46.984 per beginnende ondernemer waaraan is geleend, in aanmerking worden genomen als persoonsgebonden aftrekpost. 11
Deze persoonsgebonden aftrekpost komt vanaf 1 januari 2011 te vervallen, met dien verstande dat voor leningen die voor 1 januari 2011 zijn verstrekt de aftrek mogelijk blijft. Indien een nagekomen terugbetaling komt op een afgeschreven lening en daarvoor aftrek is toegestaan, wordt – ook nog na 1 januari 2011 – de persoonsgebonden aftrek in zoverre teruggenomen.
1.16 Willekeurige afschrijving bedrijfsmiddelen
1.16.1 Willekeurige afschrijving milieu-bedrijfsmiddelen (Vamil)
De Vamil biedt de mogelijkheid de investeringskosten willekeurig af te schrijven en geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). De Vamil wordt voor de jaren 2011 tot en met 2013 tijdelijk verlaagd van 100% naar 75%. De overige 25% volgt het reguliere afschrijfregime. Vanaf 2014 zal vervolgens weer 100% versneld kunnen worden afgeschreven. Per bedrijfsmiddel kan niet meer dan € 25 miljoen willekeurig worden afgeschreven.
1.16.2 Tijdelijke willekeurige afschrijving
De tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen wordt met een jaar verlengd. Dit betekent dat bedrijven die investeringen doen in het kalenderjaar 2011 deze in twee jaar kunnen afschrijven waarbij in het investeringsjaar ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven.
Niet alle investeringen in bedrijfsmiddelen komen voor de tijdelijke willekeurige afschrijving in aanmerking. De belangrijkste uitzonderingen zijn investeringen in: gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa (waaronder software), bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s. Uitgesloten zijn ook investeringen in bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om voor langere tijd ter beschikking te worden gesteld aan derden. Taxi’s en zeer zuinige personenauto’s mogen wel willekeurig worden afgeschreven. Een personenauto geldt als zeer zuinig als de CO2-uitstoot niet meer bedraagt dan 95 gram per kilometer bij dieselmotoren, of niet meer dan 110 gram per kilometer bij andere personenauto’s.
Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra (in het kalenderjaar 2011) een investeringsverplichting is aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan echter niet hoger zijn dan het bedrag dat ter zake van de investeringsverplichting is betaald dan wel het bedrag van de gemaakte voortbrengingskosten.
Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2014 door de belastingplichtige in gebruik zijn genomen. Deze maatregel gold al voor investeringen gedaan in 2009 en 2010 (met ingebruikname vóór 1 januari 2012 respectievelijk vóór 1 januari 2013) en wordt met een jaar verlengd.
Voor zeeschepen geldt als aanvullende voorwaarde dat niet eerder dan na 10 jaar na toepassing van de willekeurige afschrijving voor het tonnageregime kan worden gekozen. Dit voorkomt dat het mogelijk is om een onbedoeld fiscaal voordeel te creëren door de tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen een kort tijdsbestek te combineren.
1.17 Investeringsaftrek
De belastingplichtige die investeert in bedrijfsmiddelen kan (naast de afschrijvingen) in sommige gevallen een deel van het investeringsbedrag van de winst aftrekken, de zogenoemde investeringsaftrek. Deze aftrek kan de vorm hebben van een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, van een energie-investeringsaftrek en van een milieu-investeringsaftrek.
1.17.1 Kleinschaligheidsinvesteringaftrek (KIA)
De KIA is bedoeld om investeringen van een beperkte omvang te bevorderen en is hierdoor vooral gericht op het midden- en kleinbedrijf. Ook zeer zuinige personenauto’s, waaronder elektrische personenauto’s, komen in aanmerking voor de KIA. 12
De belastingplichtige die in een kalenderjaar investeert in bedrijfsmiddelen, kan een bedrag dat volgt uit de tabel van de winst over dat jaar aftrekken.
2011
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

€ 2.200
0
€ 2.200
€ 54.324
28% van het investeringsbedrag
€ 54.324
€ 100.600
€ 15.211
€ 100.600
€ 301.800
€ 15.211 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 100.600 te boven gaat
€ 301.800

0
2010
Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

€ 2.200
0
€ 2.200
€ 54.000
28% van het investeringsbedrag
€ 54.000
€ 100.000
€ 15.120
€ 100.000
€ 300.000
€ 15.120 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het investeringsbedrag dat de € 100.000 te boven gaat
€ 300.000

0
Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.
1.17.2 Energie-investeringsaftrek (EIA)
De EIA geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Energielijst (investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie). Hieronder kunnen ter zake van energiebesparende maatregelen in gebouwen of bij processen tevens worden begrepen de kosten van een advies dat (mede) op die investering betrekking heeft.
De EIA wordt voor de jaren 2011 tot en met 2013 verlaagd van 44% naar 41,5%. Vanaf 2014 zal het tarief vervolgens weer 44% bedragen. De EIA is van toepassing bij een bedrag aan energie-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.200 (€ 2.200). Als bedrag aan energie-investeringen wordt ten hoogste in aanmerking genomen € 116.000.000 (€ 115.000.000). Bij een samenwerkingsverband worden de investeringen voor het hele samenwerkingsverband samengenomen.
Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) als de EIA in aanmerking komen. Heeft de ondernemer gekozen voor de milieu-investeringsaftrek (MIA), 13
dan komt de investering niet tevens in aanmerking voor de EIA.
1.17.3 Milieu-investeringsaftrek (MIA)
De MIA geldt voor ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen die zijn aangewezen op de Milieulijst (investeringen in het belang van de bescherming van het Nederlandse milieu). Hieronder kunnen tevens worden begrepen de kosten van een milieuadvies.
De MIA wordt voor de jaren 2011 tot en met 2013: – voor milieu-investeringen die behoren tot categorie I verlaagd van 40% naar 36%;
– voor milieu-investeringen die behoren tot categorie II verlaagd van 30% naar 27%, en;
– voor milieu-investeringen die behoren tot categorie III verlaagd van 15% naar 13,5%.
Vanaf 2014 zullen de tarieven vervolgens weer 40% respectievelijk 30% en 15% bedragen. De MIA is van toepassing bij een bedrag aan milieu-investeringen in een kalenderjaar van meer dan € 2.200 (€ 2.200). Per bedrijfsmiddelen kan niet meer dan € 25 miljoen in aanmerking worden genomen.
Investeringen kunnen voor zowel de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) als de MIA in aanmerking komen. Heeft de ondernemer gekozen voor de energie-investeringsaftrek (EIA), dan komt de investering niet tevens in aanmerking voor de MIA.
1.17.4 Desinvesteringsbijtelling
Een ondernemer die in een jaar bedrijfsmiddelen van de hand doet (desinvesteert) waarin hij binnen vijf jaar daarvoor heeft geïnvesteerd, moet, als hij met die desinvestering een bepaalde drempel overschrijdt, een bedrag aan de winst toevoegen gelijk aan het destijds genoten investeringsaftrekpercentage over het bedrag van de desinvestering. Daarbij kan de desinvesteringsbijtelling niet hoger zijn dan de destijds genoten investeringsaftrek. De desinvesteringsdrempel is voor 2011 vastgesteld op € 2.200 (€ 2.200).
1.18 Ondernemersaftrek
De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van:
• de zelfstandigenaftrek;
• de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk;
• de meewerkaftrek;
• de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid en
• de stakingsaftrek.
1.18.1 Zelfstandigenaftrek
De zelfstandigenaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet.
Voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt bedraagt de zelfstandigenaftrek:
Bij een winst in 2011 van
Meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de zelfstandigenaftrek

€ 14.045
€ 9.484
€ 14.045
16.295
8.817
16.295
18.540
8.154
18.540
53.070
7.266
53.070
55.315
6.633
55.315
57.565
5.931
57.565
59.810
5.236
59.810

4.602
14
Bij een winst in 2010 van
Meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de zelfstandigenaftrek

€ 13.960
€ 9.427
€ 13.960
16.195
8.764
16.195
18.425
8.105
18.425
52.750
7.222
52.750
54.985
6.593
54.985
57.220
5.895
57.220
59.450
5.204
59.450

4.574
Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal zelfstandigenaftrek is toegepast, wordt de zelfstandigenaftrek verhoogd met € 2.123 (€ 2.110) (startersaftrek).
De zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt bedraagt 50% van de zelfstandigenaftrek voor de ondernemer die bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt.
De zelfstandigenaftrek voor niet-starters kan niet meer verrekend worden met ander box 1-inkomen, zoals loon of een VUT-uitkering. Als dit tot gevolg heeft dat (een deel van) de zelfstandigenaftrek niet kan worden verrekend, wordt de niet verrekende zelfstandigenaftrek maximaal negen jaar voortgewenteld om in een toekomstig jaar alsnog te verrekenen met winst. Voor starters verandert er niets. Startende ondernemers kunnen de zelfstandigenaftrek (inclusief de startersaftrek) gedurende drie jaar dus nog wel verrekenen met ander box 1-inkomen. Daarnaast blijft voor starters ten aanzien van de zelfstandigenaftrek de reguliere verrekening over de jaren heen gelden.
1.18.2 Aftrek speur- en ontwikkelingswerk
De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (S&O) geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die in het kalenderjaar ten minste 500 uur besteedt aan werk dat door Agentschap NL bij een S&O-verklaring is aangemerkt als S&O. De S&O aftrek bedraagt € 12.104 (€ 12.031).
Indien de ondernemer in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en bij hem in die periode niet meer dan tweemaal de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk is toegepast, wordt de aftrek speur- en ontwikkelingswerk verhoogd met
€ 6.054 (€ 6.017) (aanvullende S&O-aftrek starters).
1.18.3 Meewerkaftrek
De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de partner zonder enige vergoeding arbeid verricht in een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet.
Bij arbeid van de partner die gedurende het kalenderjaar een aantal uren in beslag neemt:
gelijk aan of meer dan
maar minder dan
bedraagt de meewerkaftrek
525
875
1,25% van de winst
875
1.225
2 % van de winst
1.225
1.750
3 % van de winst
1.750
4 % van de winst
1.18.4 Startersaftrek bij arbeidsongeschikheid
De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid is voor de ondernemer die een onderneming vanuit een arbeidsongeschiktheidsuitkering start en niet aan het urencriterium voldoet maar wel aan een verlaagd urencriterium van 800 uur.
De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid bedraagt € 12.000, € 8.000 en € 4.000 voor het eerste, tweede, respectievelijk derde jaar. De aftrek kan niet hoger zijn dan de genoten winst.
15
1.18.5 Stakingsaftrek
De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in het kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van één of meer gehele ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst geniet en bedraagt € 3.630 eenmaal per leven.
1.19 MKB-winstvrijstelling
de MKB-winstvrijstelling bedraagt 12% van de winst na toepassing van de ondernemersaftrek. De MKB-winstvrijstelling stelt een vast percentage van de winst vrij van belasting.
1.20 Oudedagsreserve
De ondernemer die aan het urencriterium voldoet en die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, kan bij het bepalen van de in een kalenderjaar genoten winst over dat jaar toevoegen aan de oudedagsreserve. Dit betekent dat hij elk jaar een bepaald bedrag als aftrekpost ten laste van de winst mag brengen. De toevoeging aan de oudedagsreserve over een kalenderjaar bedraagt 12% van de winst, maar niet meer dan
€ 11.882 (€ 11.811).
Deze toevoeging wordt verminderd met de ten laste van de winst gekomen pensioenpremies.
De toevoeging bedraagt ten hoogste het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen bij het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve bij het begin van het kalenderjaar te boven gaat.
1.21 Belastingbedragen bij verschillende winstniveaus
Te betalen belasting bij verschillende winstniveaus, 2011 (alleenstaande voltijdondernemer zonder kinderen, jonger dan 57 jaar)
Winst uit onderneming
10.000
20.000
30.000
40.000
50.000
80.000
100.000
Zelfstandigenaftrek
9.484
7.266
7.266
7.266
7.266
4.602
4.602
MKB vrijstelling
62
1.528
2.728
3.928
5.128
9.048
11.448
Belastbare winst
454
11.206
20.006
28.806
37.606
66.350
83.950
IB en premie volksverzekeringen voor heffingskortingen
150
3.698
6.725
10.417
14.111
27.249
36.401
Algemene heffingskorting
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
Arbeidskorting
254
1.469
1.74
1.574
1.501
1.497
1.497
Te betalen inkomstenbelasting
0
242
3.164
6.856
10.623
23.765
32.917
Winst na belasting
10.000
19.758
26.836
33.144
39.377
56.235
67.083
Te betalen belasting bij verschillende winstniveaus, 2010 (alleenstaande voltijdondernemer zonder kinderen, jonger dan 57 jaar)
Winst uit onderneming
10.000
20.000
30.000
40.000
50.000
80.000
100.000
Zelfstandigenaftrek
9.427
7.222
7.222
7.222
7.222
4.574
4.574
MKB vrijstelling
69
1.533
2.733
3.933
5.133
9.051
11.451
Belastbare winst
504
11.245
20.045
28.845
37.645
66.375
83.975
IB en premie volksverzekeringen voor heffingskortingen
169
3.761
6.860
10.552
14.246
27.513
36.665
Algemene heffingskorting
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
1.987
Arbeidskorting
271
1.460
1.489
1.489
1.433
1.433
1.433
Te betalen inkomstenbelasting

315
3.384
7.076
10.826
24.093
33.245
Winst na belasting
10.000
19.685
26.616
32.924
39.174
55.907
66.755
1.22 Extra lijfrentepremieaftrek bij stakende ondernemers
De extra ruimte aan lijfrentepremieaftrek bij ondernemers die hun onderneming of een gedeelte van hun onderneming staken bedraagt maximaal:
16
Bij
2011
2010
overdrachten door ondernemers van 60 jaar of ouder
overdrachten door invalide ondernemers
het staken van de onderneming door overlijden
€ 435.652
€ 433.053
overdrachten door ondernemers van 50 tot 60 jaar
overdrachten door ondernemers indien de lijfrente-uitkeringen direct ingaan
217.833
216.533
In de overige gevallen
108.922
108.272
Bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek is het inkomen en de pensioenaangroei van het voorafgaande kalenderjaar bepalend. Ondernemers mogen in het jaar dat zij (een deel van) hun onderneming staken op verzoek daarvan afwijken en bij de berekening van de lijfrentepremieaftrek ervoor kiezen om de gegevens van het kalenderjaar zelf te gebruiken. In het opvolgende kalenderjaar, waarin weer uitgegaan moet worden van de gegevens van het voorafgaande kalenderjaar, mag de stakingwinst niet nogmaals bij de berekening van de ruimte voor de lijfrentepremieaftrek in aanmerking worden genomen.
1.23 Verliesverrekening
Voor verlies uit werk en woning is de achterwaartse verliesverrekening 3 jaar. Voor het verlies uit aanmerkelijk belang is de achterwaartse verliesverrekening 1 jaar. De voorwaartse verliesverrekening voor het verlies uit werk en woning en het verlies uit aanmerkelijk belang is negen jaar. Overgangsrecht: Tot en met 2011 kunnen alle nog niet verrekende verliezen uit aanmerkelijk belang worden verrekend met de inkomens uit aanmerkelijk belang.
1.24 Box 3
1.24.1 één peildatum
Per 1 januari 2011 geldt voor de vaststelling van de rendementsgrondslag voor box 3 nog maar één peildatum, waar dit tot en met 2010 nog twee peildata waren (1 januari en 31 december van het jaar). Vanaf 2011 wordt de rendementsgrondslag gepeild op 1 januari van het kalenderjaar.
1.24.2 Heffingvrij vermogen
Bij de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen heeft een belastingplichtige recht op een heffingvrij vermogen van € 20.785 (€ 20.661). De gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van partners (zijnde de gezamenlijke rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het gezamenlijke heffingvrije vermogen) kan tussen partners in elke gewenste verhouding worden toebedeeld.
1.24.3 Toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen
Het heffingvrije vermogen kan worden verhoogd met de toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen indien de belastingplichtige aan het begin van 2011 als ouder het gezag uitoefent over een minderjarig kind. De toeslag heffingvrij vermogen minderjarige kinderen bedraagt € 2.779 (€ 2.762) per minderjarig kind. Indien de belastingplichtige een partner heeft, wordt deze toeslag voor de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk in aanmerking genomen.
Als personen die geen (of niet het gehele jaar) partner van elkaar zijn ieder het ouderlijk gezag uitoefenen over hetzelfde kind, geldt een toeslag van € 1.390 per persoon.
1.24.4 Ouderentoeslag
Het heffingvrije vermogen kan onder voorwaarden worden verhoogd met de ouderentoeslag. Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag moet men op 31 december 2011 65 jaar of ouder zijn. De hoogte van de ouderentoeslag wordt als volgt berekend:
Bij een inkomen uit werk en woning (vóór inachtneming van de persoonsgebonden aftrek) van:
17
2011
Meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de ouderentoeslag

€ 14.062
€ 27.516
€ 14.062
19.562
13.758
19.562

Nihil
2010
Meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de ouderentoeslag

€ 13.978
€ 27.350
€ 13.978
19.445
13.675
19.445

Nihil
Om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag mag de grondslag sparen en beleggen (zijnde de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen) voor toepassing van de ouderentoeslag niet meer bedragen dan € 275.032 (€ 273.391).
Als de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan mag de gezamenlijke rendementsgrondslag (na aftrek van het heffingvrije vermogen) niet meer bedragen dan € 550.064 (€ 546.782) om in aanmerking te komen voor de ouderentoeslag.
1.24.5 Vrijstelling maatschappelijke beleggingen
Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld maatschappelijke beleggingen tot een gezamenlijk maximum van € 55.476 (€ 55.145). Maatschappelijke beleggingen zijn beleggingen in fiscaal erkende groene of sociaal-ethische fondsen. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan geldt een gezamenlijke vrijstelling voor maatschappelijke beleggingen van € 110.952.
1.24.6 Vrijstelling beleggingen in durfkapitaal
Van de vermogensrendementsheffing zijn vrijgesteld, beleggingen in durfkapitaal tot een gezamenlijk maximum van € 55.476 (€ 55.145). Beleggingen in durfkapitaal zijn beleggingen in fiscaal erkende durfkapitaalfondsen (indirecte beleggingen) en bepaalde leningen aan startende ondernemers (directe beleggingen). De culturele beleggingen worden ook tot de beleggingen in durfkapitaal gerekend. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft dan geldt een gezamenlijke vrijstelling voor beleggingen in durfkapitaal van € 110.952.
1.24.7 Vrijstelling spaarloonregeling
Voor de geblokkeerde spaartegoeden die worden aangehouden ingevolge de spaarloonregeling geldt een vrijstelling tot een gezamenlijk bedrag van maximaal € 17.025.
1.24.8 Vrijstelling voor een uitvaartverzekering
De vrijstelling voor een uitvaartverzekering of een andere overlijdensrisicoverzekering in
box 3 bedraagt € 6.744 (€ 6.703). Deze vrijstelling geldt ook voor de bankspaarvariant, waarbij mensen op een geblokkeerde bankrekening genoemd bedrag kunnen sparen voor de uitvaart.
1.24.9 Kapitaaluitkering uit levensverzekering; overgangsrecht
Voor op 14 september 1999 al bestaande kapitaalverzekeringen kan onder voorwaarden een vrijstelling van maximaal € 123.428 van toepassing zijn. Indien de belastingplichtige het hele jaar dezelfde fiscale partner heeft, dan geldt een gezamenlijke vrijstelling van € 246.856.
1.24.10 Schulden
Voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen worden schulden in aanmerking genomen voor zover de gezamenlijke waarde meer bedraagt dan € 2.900 (€ 2.900). Als de belastingplichtige het hele jaar dezelfde partner heeft, geldt een schuldendrempel van € 5.800 (€ 5.800) voor de belastingplichtige en diens partner samen.
18
1.24.11 Vrijstelling contant geld
Er geldt een vrijstelling voor contant geld en vergelijkbare vermogensrechten (zoals een chipkaart en cadeaubonnen) van € 503 (€ 500) per belastingplichtige (€ 1.006 (€ 1.000) voor partners).
1.24.12 Afgezonderde particuliere vermogens (APV’s)
Een APV is een afgezonderd vermogen waarmee vooral een particulier belang wordt gediend. Hierbij kan gedacht worden aan trusts en buitenlandse stichtingen.
Als een inbrenger vermogensbestanddelen inbrengt in een APV, dan blijven deze vermogensbestanddelen belast in box 3 bij de inbrenger. Analoog geldt hetzelfde voor een aanmerkelijk belang-pakket in box 2. Hoort een aanmerkelijk belang (5% of meer van de aandelen in een BV) tot het vermogen van het APV, dan geeft de inbrenger dit aandelenpakket aan in box 2. Overlijdt de inbrenger, dan wordt het vermogen en het inkomen van het APV toegerekend aan de erfgenamen. Er bestaan enkele uitzonderingen op de regeling. De belangrijkste is het geval dat het APV zelfstandig (in Nederland of in het buitenland) in de belastingheffing wordt betrokken naar een reëel winstbelastingtarief van ten minste 10%. In die situatie wordt het vermogen niet toegerekend aan de inbrenger. Wil de inbrenger gebruik maken van deze uitzondering dan moet hij zich daarvoor bij de inspecteur melden. In de aangifte inkomstenbelasting staat een aparte vraag over APV’s.
19
2 Loonbelasting
2.1 Werkkostenregeling
Per 1 januari wordt een nieuwe regeling ingevoerd: de werkkostenregeling (WKR). Door deze regeling kan, naast een aantal gerichte vrijstellingen, maximaal 1,4% van het totale fiscale loon (de ‘vrije ruimte’) worden besteed aan onbelaste vergoedingen en verstrekkingen voor werknemers. Over het bedrag boven de vrije ruimte (en afgezien van de gerichte vrijstellingen) moet de werkgever loonbelasting betalen in de vorm van een (gebruteerde) eindheffing van 80%.
De werkkostenregeling komt in de plaats van de huidige regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Het is nog niet verplicht gebruik te maken van de werkkostenregeling. Tot en met 2013 mag ieder jaar gekozen worden voor de werkkostenregeling of voor de bestaande regels voor vrije vergoedingen en verstrekkingen. Na 2013 geldt de werkkostenregeling voor alle werkgevers.
Gerichte vrijstellingen en nihilwaarderingen
Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen kunnen onbelast worden vergoed en verstrekt zonder dat dit ten koste gaat van de vrije ruimte. Dit is het geval bij:
Gerichte vrijstellingen
De werkkostenregeling kent gerichte vrijstellingen voor de volgende vergoedingen en verstrekkingen:
• vervoer en reiskosten:
o abonnementen voor reizen met openbaar vervoer
o kostenvergoedingen voor zakelijke reizen en woon-werkverkeer met openbaar vervoer of eigen vervoer van maximaal € 0,19 per kilometer, ook voor de fiets, elektrische fiets, of scooter
o losse kaartjes voor zakelijke reizen met openbaar vervoer;
• kosten van tijdelijk verblijf in het kader van de dienstbetrekking;
• maaltijden als gevolg van overwerk, koopavonden, dienstreizen en dergelijke;
• bijscholing, cursussen, congressen, vakliteratuur, training en dergelijke, voor zover ze van belang zijn voor het werk van de werknemer (inclusief kosten van inschrijving in een beroepsregister);
• outplacement;
• studie- en opleidingskosten;
• procedures tot erkenning van verworven competenties (EVC-procedures);
• verhuiskosten;
• extraterritoriale kosten.
Loon in natura met een nihilwaardering
Voor de volgende soorten loon in natura geldt een nihilwaardering:
• voorzieningen op de werkplek zoals bedrijfsfitness, gereedschappen, de vaste computer, het kopieerapparaat en de vaste telefoon;
• arbovoorzieningen;
• consumpties op de werkplek die geen deel uitmaken van een maaltijd;
• ter beschikking gestelde kleding die (bijna) uitsluitend geschikt is om tijdens het werk te dragen, zoals uniformen en overalls, werkkleding die op het werk achterblijft en ter beschikking gestelde werkkleding met een logo van ten minste 70cm2 per kledingstuk;
• de renteloze personeelslening als uw werknemer daarmee een fiets, elektrische fiets of elektrische scooter koopt (ook binnen cafetariaregelingen);
• de kosten en het rentevoordeel van een personeelslening voor de eigen woning van uw werknemer als deze zonder deze nihilwaardering aftrekbaar zouden zijn in de inkomstenbelasting;
• ter beschikking gestelde mobiele telefoon, blackberry of smartphone als het zakelijke gebruik meer dan 10% is 20
• ter beschikking gestelde hulpmiddelen, waaronder computers en dergelijke apparatuur, gereedschappen en toebehoren, die de werknemer ook ergens anders dan op de werkplek kan gebruiken, als het zakelijke gebruik 90% of meer is;
• ov-jaarkaart en voordeelurenkaart als uw werknemer deze kaart ook voor het werk gebruikt;
• niet-permanente huisvesting op de werkplek, waarbij het redelijkerwijs niet mogelijk is niet op de werkplek te overnachten, bijvoorbeeld aan boord van zeeschepen, of bij parate diensten in een brandweerkazerne.
Loon in natura zonder nihilwaardering
• Voor maaltijden op de werkplek geldt als normbedrag € 2,90;
• Voor huisvesting en inwoning op de werkplek (inclusief energie, water en bewassing) geldt een normbedrag van € 5 per dag. Let op: een dergelijke waardering geldt niet als de werknemer voor zijn werk zich redelijkerwijs niet aan deze voorziening kan onttrekken.
Meer informatie over de fiscale mogelijkheden voor aanschaf en gebruik van de fiets zie:
www.belastingdienst.nl
Voor meer informatie over toepassing van de werkkostenregeling zie:
http://www.belastingdienst.nl/zakelijk/loonheffingen/werkkostenregeling/
2.2 Bestaande regeling vrije vergoedingen en verstrekkingen
Indien niet wordt gekozen voor de werkkostenregeling, blijft de bestaande regeling over vrije vergoedingen en verstrekkingen bestaan:
2.2.1 Reiskostenvergoeding
De maximale belastingvrije vergoeding van zakelijke kilometers is € 0,19 (€ 0,19) per kilometer, ongeacht het vervoermiddel. Dit betekent dat de werkgever elke zakelijke kilometer, ook elke kilometer voor woon-werkverkeer, tot maximaal € 0,19 (€ 0,19) belastingvrij kan vergoeden.
Als een werknemer met het openbaar vervoer reist, kan de werkgever kiezen: er kan maximaal € 0,19 (€ 0,19) per kilometer belastingvrij worden vergoed, maar in plaats daarvan mogen ook de werkelijke reiskosten belastingvrij worden vergoed. De werkgever moet de vergoede plaatsbewijzen bewaren, ingeval een hogere vergoeding wordt verstrekt dan € 0,19 per kilometer.
2.2.2 Maaltijden in bedrijfskantines
Voor een maaltijd in een bedrijfskantine gelden de volgende normbedragen:
2011
2010
Warme maaltijd
€4,25
€4,20
Koffiemaaltijd/Lunch
2,20
2,20
Ontbijt
2,20
2,20
2.2.3 Consumpties tijdens werktijd
De vrijgestelde vergoeding voor consumpties tijdens werktijd (maaltijden vallen hier niet onder) bedraagt maximaal € 2,75 (€ 2,75) per week of € 0,55 (€ 0,55) per dag.
2.2.4 Personeelsleningen
Er is in 2011 geen sprake van een te belasten rentevoordeel als de werknemer ten minste 2,5% (2,5%) rente betaalt over het geleende bedrag.
2.2.5 Geschenkenregeling
De werkgever mag 20% eindheffing toepassen over geschenken in natura aan een werknemer, voor zover de waarde in het economische verkeer niet meer is dan € 70 (€ 70) per kalenderjaar.
21
2.2.6 Fietsregeling
De werkgever kan eens per drie jaren de aanschafkosten van een fiets van de werknemer tot een bedrag van € 749 (€ 749) onbelast vergoeden als de werknemer voor woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets.
De werkgever mag voor met de fiets samenhangende zaken in 2011 maximaal € 82 (€ 82) onbelast aan zijn werknemer vergoeden of verstrekken. Het maximum van € 82 per kalenderjaar geldt voor vergoedingen en verstrekkingen samen.
2.2.7 Personeelsfestiviteiten
De werkgever kan de kosten van personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele voorzieningen vergoeden voor zover de kosten per werknemer niet meer bedragen dan € 454 per jaar. Voorwaarde daarbij is dat dergelijke personeelsvoorzieningen een gezamenlijk karakter dragen en de deelname daaraan openstaat voor ten minste driekwart van de werknemers die behoren tot een organisatorische of functionele eenheid.
In 2010 gold geen maximum.
2.3 Regelingen die buiten de werkkostenregeling of het regime van vrije vergoedingen en verstrekkingen blijven
2.3.1 Auto van de zaak
Er zijn vier tarieven voor de (minimum)bijtelling auto van de zaak:
1. 0% voor auto’s zonder CO2-uitstoot (bijvoorbeeld elektrische auto’s);
2. 14% voor zeer zuinige auto’s met een CO2-uitstoot van maximaal:
– 95 gram per kilometer bij een auto die op diesel rijdt;
– 110 gram per kilometer bij een auto die niet op diesel rijdt;
3. 20% voor zuinige auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan:
– 95 en maximaal 116 gram per kilometer bij een auto die op diesel rijdt;
– 110 en maximaal 140 gram per kilometer bij een auto die niet op diesel rijdt;
4. 25% voor alle andere auto’s.
De grondslag voor de bijtelling is de catalogusprijs van de auto inclusief BPM.
De verlaagde bijtelling van 0% voor auto’s zonder CO2-uitstoot geldt tot en met 2014.
De bijtelling voor auto’s van de zaak die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen is ten minste 35% van de waarde van de auto in het economische verkeer. Bij deze oude auto’s is de catalogusprijs dus niet van belang.
2.3.2 Vakantiebonnen
Regelmatig (volgens de CAO) bij de betaling van het loon verstrekte vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen of van daarmee overeenkomende aanspraken worden gewaardeerd op 99% van de nominale waarde.
2.3.3 Vrijwilligers
De vergoeding die een vrijwilliger ontvangt, wordt niet als loon beschouwd als deze niet meer bedraagt dan € 1.500 (€ 1.500) per jaar en € 150 (€ 150) per maand.
Bij een beloning die kan worden aangemerkt als een marktconforme beloning, is er geen sprake van `vrijwilligerswerk`. Een belangrijk kenmerk van vrijwilligerswerk is namelijk dat een vergoeding niet in verhouding staat tot het tijdsbeslag en de aard van het verrichte werk.
2.3.4 Spaarloon of levensloopregeling
Spaarloon
Het bedrag dat de werknemer maximaal mag sparen met toepassing van deze regeling bedraagt € 613 per jaar. De werknemer mag slechts bij één werkgever deelnemen aan de spaarloonregeling.
Sinds 15 september 2010 kan het spaarloon dat is opgebouwd in de jaren 2006 tot en met 2009 zonder fiscale consequenties worden gedeblokkeerd.
22
Levensloopregeling
Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling recht op de levensloopverlofkorting. Bij de berekening van de loonbelasting/premie volksverzekeringen wordt deze extra heffingskorting verrekend. De levensloopverlofkorting is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling met een maximum van € 201 (€ 199) per gespaard kalenderjaar.
Werknemers die bij het begin van het kalenderjaar 61 jaar of ouder zijn, hebben geen recht meer op de arbeidskorting, de aanvullende alleenstaande-ouderkorting en de doorwerkbonus met betrekking tot het uit de levensloopregeling opgenomen bedrag.
De werknemer kan jaarlijks kiezen aan welke regeling hij wil deelnemen: spaarloon of levensloop. In hetzelfde jaar in beide regelingen geld inleggen is niet mogelijk.
2.3.5 Kleinebanenregeling
De kleinebanenregeling wordt met een jaar verlengd en geldt dus ook in 2011. De kleinebanenregeling regelt dat voor de werknemer jonger dan 23 jaar met een kleine baan geen premies werknemersverzekeringen hoeven te worden betaald en dat voor die werknemer de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet op nul wordt gesteld. De werkgever hoeft dan ook geen vergoeding voor die inkomensafhankelijke bijdrage meer te geven. Van een kleine baan is sprake in het geval het loon voor een 22-jarige niet meer bedraagt dan maximaal € 600 per maand. Voor lagere leeftijden gelden lagere bedragen (zie de tabel hieronder). Voor de inhouding van loonbelasting/premie volksverzekeringen verandert er niets en moet – dus ook voor kleine banen – nog steeds de verschuldigde loonheffing worden ingehouden.
Leeftijd
Maximumbedrag fiscaal loon per maand
Jonger dan 18 jaar
275
18
325
19
375
20
425
21
500
22
600
23
3 Afdrachtvermindering loonbelasting
3.1 Afdrachtvermindering onderwijs
De afdrachtvermindering onderwijs is de verzamelnaam van acht verschillende categorieën afdrachtvermindering die gerelateerd zijn aan onderwijs. Voor elke afdrachtvermindering gelden eigen voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen. De categorieën zijn:
• de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) tot een bedrag van max. € 2.738 (€ 2.706);
• assistenten in opleiding of onderzoekers in opleiding tot een bedrag van max. € 2.738
(€ 2.706);
• overig promotieonderzoek tot een bedrag van max. € 2.738 (€ 2.706);
• duale hbo-opleiding tot een bedrag van max. € 2.738 (€ 2.706);
• scholing tot startkwalificatieniveau tot een bedrag van max. € 3.286 (€ 3.247);
• leerwerktraject vmbo tot max. € 2.738 (€ 2.706);
• stage in het kader van de beroepsopleidende leerweg (BOL) tot een bedrag van max.
€ 1.315 (€ 1.299);
• procedure erkenning verworven competenties (EVC) voor een bedrag van € 329 (€ 325)
Het toetsloon voor 2011 is € 23.943 (€ 23.507).
3.2 Verruiming afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
Werkgevers kunnen een afdrachtvermindering van loonbelasting krijgen voor werknemers die (gekwalificeerd) speur- en ontwikkelingswerk (S&O) verrichten. De S&O-faciliteit is in 2010 incidenteel extra verruimd. Dit wordt verlengd met een jaar. Dit houdt in dat, net als in 2010, voor 2011 de S&O-loonsomgrens € 220.000 bedraagt en een S&O-inhoudingsplichtige over een groot deel van de totale S&O-loonsom het verhoogde percentage afdrachtvermindering kan toepassen.
De afdrachtvermindering S&O bedraagt net als in 2010 voor 2011 ook 50% van de S&O-loonsom voor zover dit loon in totaal niet meer bedraagt dan € 220.000 en 18% over de resterende S&O-loonsom. De S&O-loonsom wordt bepaald door het verwachte aantal S&O-uren te vermenigvuldigen met het gemiddelde S&O-uurloon. De S&O-afdrachtvermindering bedraagt maximaal € 14 miljoen (plafond).
Voor de toepassing van de afdrachtvermindering S&O is een S&O-verklaring van het Agentschap NL noodzakelijk. Binnen een kalenderjaar mag de werkgever voor maximaal drie perioden van minstens drie kalendermaanden en maximaal zes kalendermaanden een aanvraag indienen. Een verklaring voor een heel kalenderjaar wordt alleen onder bepaalde voorwaarden afgegeven.
24
4 Schenk- en erfbelasting
4.1 Tarieven schenk- en erfbelasting
tarieven schenk- en erfbelasting (2011)
Deel van de belaste verkrijging
Tariefgroep 1
Tariefgroep 1A
Tariefgroep 2
(partners en kinderen)
(kleinkinderen)
(overige verkrijgers)
€ 0 – € 118.708
10%
18%
30%
€ 118.708 – hoger
20%
36%
40%
tarieven schenk- en erfbelasting (2010)
Deel van de belaste verkrijging
Tariefgroep 1
Tariefgroep 1A
Tariefgroep 2
(partners en kinderen)
(kleinkinderen)
(overige verkrijgers)
€ 0 – € 118.000
10%
18%
30%
€ 118.000 – hoger
20%
36%
40%
4.2 Vrijstellingen schenk- en erfbelasting
4.2.1 Vrijstellingen schenkbelasting
Kinderen
€ 5.030 (€ 5.000)
Kinderen 18 – 35 jaar (eenmalig) of
€ 24.144 (€ 24.000)
Kinderen 18 – 35 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor aankoop huis of voor een studie
€ 50.300 (€ 50.000)
Overige verkrijgers
€ 2.012 (€ 2.000)
4.2.2 Vrijstellingen erfbelasting
Partners
€ 603.600 (€ 600.000)
Kinderen en kleinkinderen
€ 19.114 (€ 19.000)
Bepaalde zieke en gehandicapte kinderen
€ 57.342 (€ 57.000)
Ouders
€ 45.270 (€ 45.000)
Overige verkrijgers
€ 2.012 (€ 2.000)
Alle vrijstellingen zijn voetvrijstellingen. Dat betekent dat de vrijstelling niet vervalt als meer wordt verkregen dan de vrijstelling, zoals bij een drempelvrijstelling wel het geval is, maar dat de vrijstelling ook geldt als meer wordt verkregen dan het bedrag van de vrijstelling. Als een partner in 2011 bijvoorbeeld € 703.600 uit de nalatenschap van een erflater verkrijgt, is de vrijstelling van € 603.600 van toepassing en wordt slechts een verkrijging van € 100.000 in de heffing betrokken.
4.3 Ondernemingsvermogen
Een verkrijging van ondernemingsvermogen is tot een waarde van € 1.006.000 van de objectieve ondernemingen voor 100% vrijgesteld. Voor ondernemingen die meer waard zijn dan die € 1.006.000 (€ 1.000.000) geldt voor het meerdere verkregene een vrijstelling van 83%. Voor de belasting die dan eventueel nog is verschuldigd over het niet-vrijgstelde deel (veelal tariefgroep I tegen een tarief van 10-20%) kan 10 jaar uitstel van betaling worden verkregen.
25
5 Belastingen op milieugrondslag
5.1 Milieubelastingen
De tarieven van de grondwaterbelasting, de belasting op leidingwater, de afvalstoffenbelasting, de kolenbelasting, de energiebelasting en de verpakkingenbelasting worden verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexering. De indexatiefactor voor 2011 is 0,6%.
5.2 Belasting op grondwater
De tarieven van de grondwaterbelasting, per kubieke meter, bedragen:
2011
2010
Reguliere tarief
€ 0,1963
€ 0,1951
Vermindering infiltratie
€ 0,1644
€ 0,1634
Onttrekkingen met behulp van een OEDI-inrichting
€ 0,0635
€ 0,0631
5.3 Belasting op leidingwater
Het tarief van de leidingwaterbelasting, per kubieke meter, bedraagt:
2011
2010
Leidingwater tot een maximum van 300 kubieke meter
€ 0,158
€ 0,157
5.4 Belasting op afvalstoffen
De tarieven van de afvalstoffenbelasting, per 1000 kilogram, bedragen:
2011
2010
Regulier tarief
€ 108,13
€ 107,49
Verlaagd tarief
€ 16,89
€ 16,79
5.5 Belasting op kolen
Het tarief van de kolenbelasting, per 1000 kilogram, bedraagt:
2011
2010
Kolen
€ 13,50
€ 13,42
5.6 Energiebelasting
De tarieven voor de energiebelasting, per kubieke meter, bedragen:
2011
2010
Aardgas (kubieke meter)
0 – 5.000
€ 0,1639
€ 0,1629
5.000 – 170.000
€ 0,1419
€ 0,1411
170.000 – 1 mln.
€ 0,0393
€ 0,0391
1 mln. – 10 mln.
€ 0,0125
€ 0,0124
Boven 10 mln. niet-zakelijk
€ 0,0117
€ 0,0116
Boven 10 mln. zakelijk
€ 0,0082
€ 0,0082
T.b.v. CNG-vulstation*
€ 0,0318
€ 0,0316
* een rechtstreeks op het distributienet van aardgas aangesloten inrichting waar uitsluitend aardgas wordt samengeperst tot CNG, dat wordt afgeleverd aan motorrijtuigen.
2011
2010
Elektriciteit (kWh)
0 – 10.000
€ 0,1121
€ 0,1114
10.000 – 50.000
€ 0,0408
€ 0,0406
50.000 – 10 mln.
€ 0,0109
€ 0,0108
Boven 10 mln. niet-zakelijk
€ 0,0010
€ 0,0010
Boven 10 mln. zakelijk
€ 0,0005
€ 0,0005 26
Op de energiebelasting, die aan de hand van deze tarieven is berekend, wordt vervolgens per elektriciteitsaansluiting met verblijfsfunctie (bijvoorbeeld een aansluiting in een eengezinswoning) een belastingvermindering van € 318,62 per verbruiksperiode van twaalf maanden toegepast. Voor elektriciteitsaansluitingen zonder verblijfsfunctie geldt een belastingvermindering van € 119,62.
5.7 Verpakkingenbelasting
De tarieven van de verpakkingenbelasting, per kilogram verpakkingsmateriaal, bedragen:
2011
2010
Aluminium en legeringen van aluminium
€ 0,9563
€ 0,9506
Kunststof
€ 0,4733
€ 0,4705
Overige metalen
€ 0,1595
€ 0,1585
Biokunststof
€ 0,0800
€ 0,0795
Papier en karton
€ 0,0800
€ 0,0795
Glas
€ 0,0722
€ 0,0718
Hout
€ 0,0211
€ 0,0210
Andere materiaalsoorten
€ 0,1766
€ 0,1755
Indien uitsplitsing naar materiaalsoorten niet mogelijk is
€ 0,5100
€ 0,5100
27
6 Autobelastingen
6.1 Wijzigingen BPM en MRB
Het project kilometerbeprijzing is stopgezet. Vooruitlopend op de introductie betrof een onderdeel van dit project de afbouw van de BPM (aanschafbelasting bij aankoop van een nieuwe personenauto of particuliere bestelauto) en de gelijktijdige evenredige verhoging van de MRB (motorrijtuigenbelasting). Per 1 januari 2011 wordt de afbouw van de BPM stilgezet.
De stilzetting van de afbouw van de BPM krijgt vorm door verhoging van de voor de jaren 2011, 2012 en 2013 reeds vastgelegde CO2-afhankelijke tarieven in de BPM. Door de verhoging van de CO2-tarieven zal in 2011 en 2012 het relatieve aandeel van het CO2-gerelateerde deel van de BPM groter zijn dan oorspronkelijk voorzien in het Belastingplan 2009. Hiermee wordt aan de ombouw van de grondslag zelf niet getornd, de BPM zal vanaf 2013 uitsluitend zijn gebaseerd op de absolute CO2-uitstoot.
In de onderstaande tabel zijn de tarieven van de BPM voor de jaren 2010 en 2011 opgenomen.
Tabel 1 Tarieven BPM 2010 en 2011
2010
2011
basispercentage BPM (in % catalogusprijs)
27,4%
19,0%
benzinekorting (in €)
-1.288
-824
dieseltoeslag (in €)
1.076
1.526
CO2-grenzen benzine
eerste schijf (gr/km)
110
110
tweede schijf (gr/km)
180
180
derde schijf (gr/km)
270
270
CO2-grenzen diesel1
eerste schijf (gr/km)
95
95
tweede schijf (gr/km)
155
155
derde schijf (gr/km)
232
232
tarief eerste schijf euro per gr/km (in €)
34
61
tarief tweede schijf euro per gr/km (in €)
126
202
tarief derde schijf euro per gr/km (in €)
288
471
1 Deze schijven gelden ook voor aardgasauto’s. 28
In onderstaande grafiek wordt de wijziging schematisch weergegeven. Het gearceerde bovenste deel van de BPM zou oorspronkelijk naar de MRB worden overgebracht, maar zal nu worden opgevangen door verhoging van de CO2-afhankelijke tarieven.
Grafiek 1 Schematisch verloop CO2-deel en catalogusprijsdeel in de BPM* 2010-2013 2010201120122013cat.deelCO2-deelCO2-deel agv stoppen afbouw
6.2 Onderzoek
In 2010 is het ministerie van Financiën met een onderzoek gestart naar de wijze waarop de stimuleringsmaatregelen voor (zeer) zuinige auto’s en de BPM, de MRB en de bijtelling ook in de verdere toekomst een stimulans kunnen blijven om steeds te kiezen voor de zuinigste auto. Als belangrijke uitgangspunten gelden eenvoud, de robuustheid in de budgettaire beheersbaarheid van de stimulansen en de effectiviteit en efficiency van de stimulansen.
6.3 Invoering inflatiecorrectie BPM
De CO2-tarieven worden vanaf 1 januari 2011 jaarlijks aangepast met de in de fiscaliteit gebruikelijke inflatiecorrectie. Tot op heden werd het CO2-afhankelijke deel van het BPM-tarief niet geïndexeerd.
6.3 Verhoging MRB voor motoren
De MRB voor motoren wordt in 2011 met 6% verhoogd. Dit komt neer op een MRB-verhoging van € 1,07 (per kwartaal). De MRB wordt in 2012 met 6% en in 2013 met 12% verhoogd.
6.4 Faciliteit Euro-6 dieselpersonenauto’s
Vanaf 1 januari 2011 moet elke nieuwe dieselpersonenauto zijn voorzien van een affabriekroetfilter op grond van de dan geldende Euro-5 norm. Nederland maakt gebruik van de mogelijkheid om vanaf 1 januari 2011 Euro-6 dieselpersonenauto’s fiscaal te stimuleren. De stimulering mag blijven bestaan totdat de Euro-6 norm verplicht wordt (per 1 september 2015). Deze stimulering houdt in dat in 2011 voor een Euro-6 dieselpersonenauto een korting op de BPM geldt van € 1500, in 2012 € 1000 en in 2013 € 500.
29
7 Vennootschapsbelasting
7.1 Tarieven
7.1.1 Tarieven 2011
Bij een winst van:
meer dan
niet meer dan
bedraagt het percentage

€ 200.000
20,0
€ 200.000
25,0
7.1.2 Tarieven 2010
Bij een winst van:
meer dan
niet meer dan
bedraagt het percentage

€ 200.000
20,0
€ 200.000
25,5
7.2 Willekeurige afschrijving
De tijdelijke regeling voor versnelde afschrijving op investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen wordt met een jaar verlengd. Dit betekent dat bedrijven die investeringen doen in het kalenderjaar 2011 deze in twee jaar kunnen afschrijven waarbij in het investeringsjaar ten hoogste 50% willekeurig mag worden afgeschreven. Niet alle investeringen in bedrijfsmiddelen komen voor de tijdelijke willekeurige afschrijving in aanmerking. De belangrijkste uitzonderingen zijn investeringen in: gebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, dieren, immateriële activa (waaronder software), bromfietsen, motorrijwielen en personenauto’s. Uitgesloten zijn ook investeringen in bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om voor langere tijd ter beschikking te worden gesteld aan derden. Taxi’s en zeer zuinige personenauto’s mogen wel willekeurig worden afgeschreven. Een personenauto geldt als zeer zuinig als de CO2-uitstoot niet meer bedraagt dan 95 gram per kilometer bij dieselmotoren, of niet meer dan 110 gram per kilometer bij andere personenauto’s.
Willekeurige afschrijving is mogelijk zodra (in het kalenderjaar 2011) een investeringsverplichting is aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. Het bedrag van de willekeurige afschrijving kan echter niet hoger zijn dan het bedrag dat ter zake van de investeringsverplichting is betaald dan wel het bedrag van de gemaakte voortbrengingskosten. Het bedrijfsmiddel moet vóór 1 januari 2014 door de belastingplichtige in gebruik zijn genomen. Deze maatregel gold al voor investeringen gedaan in 2009 en 2010 (met ingebruikname vóór 1 januari 2012 respectievelijk vóór 1 januari 2013) en wordt met een jaar verlengd.
Voor zeeschepen geldt als aanvullende voorwaarde dat niet eerder dan na 10 jaar na toepassing van de willekeurige afschrijving voor het tonnageregime kan worden gekozen. Dit voorkomt dat het mogelijk is om een onbedoeld fiscaal voordeel te creëren door de tijdelijke willekeurige afschrijving en het tonnageregime binnen een kort tijdsbestek te combineren.
7.3 Verruiming innovatiebox
De innovatiebox wordt verder verruimd. Innovatievoordelen behaald tussen de aanvraag van een octrooi en het verlenen van een octrooi kunnen voortaan in de box worden betrokken. Voorheen was dit niet mogelijk. Hiermee wordt voorkomen dat de duur van de octrooiaanvraagprocedure van invloed is op de aan de innovatiebox toe te rekenen voordelen. In principe is het nu mogelijk om alle innovatievoordelen in aanmerking te laten komen voor de innovatiebox.
30
7.4 Verruiming verliesverrekening
De tijdelijke verruiming van de achterwaartse verliesverrekening wordt met een jaar verlengd. Dit houdt in dat de bestaande mogelijkheid tot terugwenteling van verliezen van één jaar op verzoek wordt verlengd tot drie jaar. In ruil hiervoor wordt dan de huidige voorwaartse verliesverrekening van negen jaar ingekort tot zes jaar. Deze maatregel gold al voor de belastingjaren 2009 en 2010.
7.5 Dividendnota
De dividendnota kan sinds maart 2010 ook elektronisch worden verstrekt. De elektronisch verstrekte dividendnota moet dezelfde gegevens bevatten als de papieren versie. Het verstrekken van een dividendnota aan een aanmerkelijkbelanghouder is niet langer noodzakelijk. Hetzelfde geldt in de situaties dat inhouding van dividendbelasting achterwege kan blijven, bijvoorbeeld omdat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is of sprake is van een fiscale eenheid.
7.6 Reparatie constructies winstvennootschappen
De antimisbruikbepaling in de vennootschapsbelasting tegen de handel in lege vennootschappen wordt uitgebreid met de verrekening van winst en verlies binnen hetzelfde jaar.
31
8 BTW en Accijnzen
8.1 Btw
8.1.1 Tijdelijk verlaagd btw-tarief renovatie van woningen
Tot 1 juli 2011 is het verlaagde btw-tarief van 6 % van toepassing op de arbeidskosten (niet op materialen) bij renovatie en herstel van woningen ouder dan 2 jaar. Deze maatregel geldt al sinds 1 oktober 2010. Daarnaast bestaat sinds medio 2009 ook het lage tarief van 6% voor schilder- en stukadoorswerk en het laten aanbrengen van isolatiemateriaal aan dak, muur, en vloer van woningen ouder dan 2 jaar.
8.1.2 Algemeen btw-tarief podiumkunsten en kunstvoorwerpen
De volgende voorwerpen vallen vanaf 1 januari onder het algemene tarief:
• invoer van kunstvoorwerpen en voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten;
• levering van kunstvoorwerpen door de maker ervan of een incidentele ondernemer.
Met ingang van 1 juli 2011 valt het verlenen van toegang tot muziek- en toneeluitvoeringen (bijvoorbeeld opera’s, operettes, dansen, musicals), alsmede lezingen en het optreden door uitvoerende kunstenaars onder het algemene btw-tarief van 19%.
Overgangsmaatregel
Met betrekking tot verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten is overgangsrecht getroffen. Als de voorstelling in 2011 plaatsvindt maar het kaartje in 2010 wordt gekocht, geldt het verlaagde btw-tarief van 6%. Als het kaartje op 1 maart 2011 wordt gekocht en de voorstelling is op 1 april 2011, geldt ook het verlaagde tarief. Als het kaartje op 1 maart 2011 wordt gekocht en de voorstelling is op 1 juli 2011 (of later) dan geldt het algemene tarief.
8.1.2 Implementatie technische herzieningsrichtlijn
Met ingang van 1 januari 2011 wordt over het gratis privégebruik van onroerende zaken van een ondernemer niet langer BTW geheven. In de nieuwe opzet is er geen aftrek meer van de btw die betaald is voor de uitgaven in verband met het privégebruik van die onroerende zaak.
8.2 Accijnzen
8.2.1 Alcoholaccijns
De accijns van wijn en tussenproducten blijft onveranderd ten opzichte van 2010 en bedraagt per fles van 0,75 liter:
Wijn tot 8,5% alcohol
€ 0,26
Wijn van 8,5 – 15% alcohol
€ 0,53
Wijn met meer dan 15% alcohol
€ 0,92
Mousserende wijn en champagne tot 8,5% alcohol
€ 0,34
Mousserende wijn en champagne met meer dan 8,5% alcohol
€ 1,80
Tussenproducten tot 15% alcohol
€ 0,65
Tussenproducten zoals port en sherry met meer dan 15% alcohol
€ 0,92
Mousserende tussenproducten, ongeacht alcoholpercentage
€ 1,80
8.2.2 Sigarettenaccijns
Met ingang van 1 maart 2011 wordt het accijnstarief op sigaretten verhoogd. Het betreft een accijnsverhoging van circa 22 cent per pakje sigaretten (exclusief btw) van de meest gevraagde prijsklasse van 19 stuks.
8.2.3 Shagaccijns
Met ingang van 1 maart 2011 wordt het accijnstarief op shag verhoogd. Het betreft een verhoging van circa 22 cent per pakje rooktabak (exclusief btw) van de meest gevraagde prijsklasse van 45 gram.
32
8.2.4 Accijns van minerale oliën
De tarieven van de accijns op minerale oliën worden verhoogd als gevolg van de jaarlijkse indexering. De indexatiefactor voor 2011 is 0,6%.
De tarieven per liter of per kilogram (voor zware stookolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas) bedragen:
2011
2010
Gelode lichte olie
€ 799,88
€ 795,11
Ongelode lichte olie
€ 718,27
€ 713,99
Zwavelvrije halfzware olie en gasolie
€ 423,60
€ 421,07
Andere halfzware olie en gasolie
€ 434,34
€ 431,75
Zware stookolie
€ 33,89
€ 33,69
Vloeibaar gemaakt petroleumgas
€ 155,04
€ 154,12
Halfzware olie en gasolie bestemd voor de voortstuwing van luchtvaartuigen
€ 221,77
€ 220,45
Halfzware olie en gasolie bestemd voor ander gebruik dan voor het aandrijven van motorrijtuigen/ pleziervaartuigen/luchtvaartuigen
€ 254,53
€ 253,01
Accijnsteruggaaf vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor de aandrijving van vuilniswagens, kolkenzuigers en straatveegwagens en autobussen die hoofdzakelijk worden gebruikt in het openbaar vervoer
€ 47,96
€ 47,67
Accijnsteruggaaf halfzware olie en gasolie respectievelijk vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor de glastuinbouw
€ 155,97
€ 132,69
€ 155,04
€ 131,90
Accijnsteruggaaf halfzware olie en gasolie respectievelijk vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor ander gebruik dan voor het aandrijven van motorrijtuigen, plezier- en luchtvaartuigen, mits de verbruiker de brandstoffen voor eigen verbruik heeft betrokken en hoger is dan een in de wet bepaalde grens
€ 33,10
€ 39,17
€ 64,00
€ 75,72
Accijnsteruggaaf halfzware olie en gasolie respectievelijk vloeibaar gemaakt petroleumgas bestemd voor kerken en non-profitinstellingen
€ 87,36
€ 77,52
€ 86,84
€ 77,06
Omgerekend naar liters dan wel kilogrammen (voor zware stookolie en vloeibaar gemaakt petroleumgas) bedragen de accijnsverhogingen 0,48 eurocent (€ 0,0048) voor gelode benzine, 0,43 eurocent voor ongelode benzine, 0,25 eurocent voor zwavelvrije dieselolie, 0,26 eurocent voor andere dieselolie, 0,02 eurocent voor zware stookolie, 0,09 eurocent voor vloeibaar gemaakt petroleumgas, 0,13 eurocent voor halfzware olie en gasolie die zijn bestemd voor de voorstuwing van luchtvaartuigen en 0,15 eurocent voor halfzware olie en gasolie die zijn bestemd voor ander gebruik dan voor het aandrijven van motorrijtuigen op de weg of van pleziervaartuigen of voor de voortstuwing van luchtvaartuigen en die daartoe zijn voorzien van bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden, voorgeschreven herkenningsmiddelen.
33
9 Overige
9.1 Assurantiebelasting
9.1.1 Verhoging tarief assurantiebelasting
Met ingang van 1 maart 2011 wordt het tarief in de assurantiebelasting verhoogd van 7,5% naar 9,7%. Vanaf 2015 wordt het tarief 9,5%.
9.1.2 Fiscaal vertegenwoordiger
Buitenlandse verzekeringsmaatschappijen die tot en met 2010 nog verplicht waren in Nederland een fiscaal vertegenwoordiger aan te stellen, mogen vanaf 2011 ook zelf de verschuldigde assurantiebelasting aangeven bij de Belastingdienst.
9.2 Overdrachtsbelasting
9.2.1 Tijdelijke verlenging termijn doorverkoop van woningen
Voor woningen die in 2011 gekocht worden en die binnen twaalf maanden een tweede keer van eigenaar wisselen, is bij de tweede aankoop alleen overdrachtsbelasting verschuldigd over de eventuele winst. Dit is een tijdelijke uitbreiding van de termijn, want in de reguliere regelgeving geldt de vrijstelling alleen als een woning twee keer wordt verkocht in een tijdsbestek van zes maanden. De verruiming geldt tot en met 2011.
9.2.2 Reparatie constructies onroerende zaaklichamen
Onder voorwaarden wordt overdrachtsbelasting geheven over de verkrijging van aandelen in een zogeheten onroerendezaaklichaam (OZL). Vanuit de praktijk werd duidelijk dat er bepaalde onwenselijke constructies bestaan om overdrachtsbelasting te ontgaan. Om deze constructies te bestrijden wordt de wetgeving ten aanzien van OZL’s met ingang van 1 januari 2011 aangescherpt.
9.3 Doorlopend beslag
Voortaan kan beslag gelegd door een gerechtsdeurwaarder op een voorlopige teruggaaf Inkomstenbelasting of op een voorschot op een toeslag over de jaargrens doorlopen. Voorheen moest bij aanvang van een nieuwe kalenderjaar ook opnieuw beslag worden gelegd.
9.4 Toeslagen
9.4.1 Nieuwe bedragen
De bedragen en wijzigingen in het kindgebonden budget, de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag zijn afkomstig van andere ministeries. De Belastingdienst zorgt voor de uitvoering en uitbetaling. Vanaf januari 2011 kan er op www.toeslagen.nl voor de verschillende toeslagen een proefberekening worden gemaakt op basis van individuele gegevens.
34