Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: bea-besluit.pdf
340
Besluit van 6 juli 2004, houdende regels met
betrekking tot het afvalbeheer en het gebruik
van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische
en elektronische apparatuur (Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 14 mei 2004, nr.
MJZ2004048257, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op richtlijn nr. 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad
van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende beperking van het
gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische
apparatuur (PbEU 2003, L 37), richtlijn nr. 2002/96/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003
betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (PbEU
2003, L 37), zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 2003/108/EG van 8 december
2003 (PbEU L 345), artikel 24, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke
stoffen en de artikelen 1.1, derde lid, 8.2, tweede lid, 8.40 tot en met 8.42,
8.44, 8.45, 10.15 tot en met 10.17, 10.22, tweede lid, en 10.61 van de Wet
milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 17 juni 2004, No.
W08.04.0192/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 juli 2004, nr. MJZ2004066587,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. richtlijn nr. 2002/95: richtlijn nr. 2002/95/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003
betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in
elektrische en elektronische apparatuur (PbEU 2003, L 37);
b. richtlijn nr. 2002/96: richtlijn nr. 2002/96/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003
betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (PbEU
2003, L 37);
Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden
Jaargang 2004
Staatsblad 2004 340 1
c. verordening nr. 2037/2000: verordening (EG) nr. 2037/2000 van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000
betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244);
d. elektrische en elektronische apparatuur: apparaten die elektrische
stromen of elektromagnetische velden nodig hebben om naar behoren te
kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten
van die stromen en velden, die:
1°. onder een van de in bijlage IA bij richtlijn nr. 2002/96 genoemde
categorieën vallen, en
2°. bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 volt
bij wisselstroom en 1500 volt bij gelijkstroom;
e. producent: degene die, ongeacht de verkooptechniek:
1°. onder zijn eigen merk elektrische en elektronische apparatuur
vervaardigt en verkoopt,
2°. onder zijn eigen merk elektrische en elektronische apparatuur
wederverkoopt die door andere leveranciers is vervaardigd of ingevoerd
en verkocht, met uitzondering van de wederverkoop van apparatuur
wanneer het merk van degene, bedoeld onder 1°, op het apparaat
zichtbaar is, of
3°. in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf elektrische en elektronische
apparatuur invoert in, respectievelijk uitvoert uit Nederland,
met uitzondering van degene die uitsluitend voorziet in financiering op
grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst;
f. financieringsovereenkomst: een lening-, lease-, huur- of afbetalingsovereenkomst
of een regeling met betrekking tot enige apparatuur,
ongeacht of volgens die overeenkomst of regeling, dan wel volgens een
bijkomende overeenkomst of regeling, eigendomsoverdracht van het
apparaat zal of kan plaatsvinden;
g. CFK: chloorfluorkoolstoffen als bedoeld in artikel 2 van verordening
nr. 2037/2000;
h. HCFK: chloorfluorkoolwaterstoffen als bedoeld in artikel 2 van
verordening nr. 2037/2000.
2. Onder de in bijlage IA bij richtlijn nr. 2006/96 genoemde categorieën
elektrische en elektronische apparatuur vallen in ieder geval de producten,
bedoeld in bijlage IB bij die richtlijn.
Artikel 2
1. Het is verboden om elektrische en elektronische apparatuur van de
categorieën 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 10 van bijlage IA bij richtlijn nr. 2002/96,
armaturen bestemd voor huishoudens of gloeilampen in Nederland in te
voeren, voor handelsdoeleinden voorhanden te hebben, aan een ander ter
beschikking te stellen of uit te voeren indien deze een van de volgende
stoffen bevatten:
a. lood,
b. kwik,
c. cadmium,
d. zeswaardig chroom,
e. polybroombifenylen (PBB’s),
f. polybroomdifenylethers (PBDE’s).
2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
a. de in de bijlage bij richtlijn nr. 2002/95 genoemde toepassingen,
b. het hergebruik als product van elektrische en elektronische
apparatuur die voor 1 juli 2006 binnen de Europese Gemeenschap op de
markt is gebracht alsmede op de reserveonderdelen voor de herstelling
daarvan,
c. elektrische en elektronische apparatuur die voor 1 juli 2006 binnen de
Europese Gemeenschap op de markt is gebracht,
d. elektrische en elektronische apparatuur die niet binnen de Europese
Gemeenschap op de markt wordt gebracht.
Staatsblad 2004 340 2
Artikel 3
Onverminderd de artikelen 4, zesde lid, en 5, vierde lid, van verordening
nr. 2037/2000 is het verboden om CFK- of HCFK-houdende koel- en
vriesapparatuur voor handelsdoeleinden voorhanden te hebben die
afkomstig is van particuliere huishoudens of van anderen dan particuliere
huishoudens voorzover deze naar aard en hoeveelheid vergelijkbaar is
met die van particuliere huishoudens.
Artikel 4
1. De producent doet binnen dertien weken nadat de Regeling beheer
elektrische en elektronische apparatuur op hem van toepassing is
geworden, aan Onze Minister door middel van een daartoe door hem vast
te stellen formulier mededeling over de wijze waarop uitvoering zal
worden gegeven aan de in dat formulier genoemde artikelen van die
regeling, voorzover die artikelen op hem van toepassing zijn.
2. De mededeling behoeft de instemming van Onze Minister.
3. De instemming, bedoeld in het tweede lid, geldt voor een daarbij
vast te stellen tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
4. Onze Minister kan voorschriften of beperkingen verbinden aan de
instemming met de mededeling.
5. Onze Minister kan de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het
vierde lid, ambtshalve of op een daartoe strekkend verzoek wijzigen of
intrekken.
6. De producent doet uiterlijk dertien weken voor het verstrijken van het
tijdvak waarvoor de instemming geldt opnieuw een mededeling als
bedoeld in het eerste lid.
Artikel 5
Een wijziging van de bijlage bij richtlijn nr. 2002/95 of van bijlage IA bij
richtlijn nr. 2002/96 gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met
ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven,
tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt,
een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Artikel 6
In artikel 2, tweede lid, van het Besluit beheer autowrakken1 wordt «bij
of krachtens het Besluit beheer wit- en bruingoed of het Besluit beheer
batterijen» vervangen door: in het Besluit beheer elektrische en elektronische
apparatuur, de Regeling beheer elektrische en elektronische
apparatuur dan wel bij of krachtens het Besluit beheer batterijen.
Artikel 7
Het Besluit beheer wit- en bruingoed2 wordt ingetrokken.
Artikel 8
De bijlage bij het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer3 wordt
als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel A wordt de zinsnede «wit- en bruingoed: producten als
bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer wit- en bruingoed»
vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en
elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur.
Staatsblad 2004 340 3
2. In voorschrift 1.3.2, onder f, wordt «wit- en bruingoed» vervangen
door: elektrische en elektronische apparatuur.
Artikel 9
Het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer4 wordt als
volgt gewijzigd:
1. In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt «of 20 01 35*»
vervangen door: , 20 01 35* of 21 01 21*.
2. In bijlage 2 wordt in onderdeel A de zinsnede «wit- bruingoed:
producten als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer wit- en
bruingoed» vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur:
elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het
Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.
3. In bijlage 2 wordt in voorschrift 1.3.2, onder c, «wit- en bruingoed»
vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur.
Artikel 10
Bijlage 2 bij het Besluit glastuinbouw5 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel A wordt de zinsnede «wit- en bruingoed: producten als
bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit verwijdering wit- en
bruingoed» vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur:
elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het
Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.
2. In voorschrift 1.2.2, onder c, wordt «wit- en bruingoed» vervangen
door: elektrische en elektronische apparatuur.
Artikel 11
De bijlagen bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer6, bij het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer7,
bij het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer8, bijlage 1
bij het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer9 en bijlage 2 bij het
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer10 worden als volgt
gewijzigd:
1. In onderdeel A wordt de zinsnede «wit- bruingoed: producten als
bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer wit- en bruingoed»
vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur: elektrische en
elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur.
2. In voorschrift 1.3.2, onder c, wordt «wit- en bruingoed» vervangen
door: elektrische en elektronische apparatuur.
Artikel 12
In bijlage 1 bij het Besluit kca-logo11 vervalt onderdeel 2 en worden de
onderdelen 3 en 4 vernummerd tot 2 en 3.
Staatsblad 2004 340 4
Artikel 13
Het Besluit kwikhoudende producten Wms 199812 wordt als volgt
gewijzigd:
1. Aan artikel 1.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Dit besluit geldt voorts niet met betrekking tot kwikhoudende
producten ten aanzien waarvan in het Besluit beheer elektrische en
elektronische apparatuur regels zijn gesteld.
2. In artikel 2.4 vervalt onderdeel l en worden de onderdelen m tot en
met p geletterd l tot en met o.
Artikel 14
Het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer13 wordt als volgt
gewijzigd:
1. In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, wordt «of 20 01 35*»
vervangen door: , 20 01 35* of 21 01 21*.
2. In de bijlage wordt in onderdeel A de zinsnede «wit- bruingoed:
producten als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit beheer wit- en
bruingoed» vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur:
elektrische en elektronische apparatuur als bedoeld in artikel 1 van het
Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.
3. In de bijlage wordt in voorschrift 1.3.2, onder c, «wit- en bruingoed»
vervangen door: elektrische en elektronische apparatuur.
Artikel 15
In het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen14 komt artikel
1, eerste lid, onder 11, te luiden:
11. elektrische en elektronische apparatuur;.
Artikel 16
Het Cadmiumbesluit Wms 199915 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het opschrift van paragraaf 1 komt te luiden:
§ 1. Begripsbepalingen en reikwijdte.
2. In artikel 1.1, eerste lid, onderdeel e, wordt de komma aan het slot
van onderdeel 4° vervangen door «, of». Onder vervanging van «, of» aan
het slot van onderdeel 5° door een puntkomma vervalt onderdeel 6°.
3. Na artikel 1.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1.1a
Dit besluit is niet van toepassing op producten voorzover daaromtrent
regels zijn gesteld in het Besluit beheer elektrische en elektronische
apparatuur.
Artikel 17
In bijlage I bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer16
wordt in categorie 28.8 «uitsluitend voor zover die afvalstoffen zijn
afgegeven door of ingezameld bij particuliere huishoudens» vervangen
Staatsblad 2004 340 5
door: voorzover die afvalstoffen zijn afgegeven door of ingezameld bij
particuliere huishoudens of naar aard en hoeveelheid met die van particuliere
huishoudens vergelijkbaar zijn.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking met ingang van 13 augustus 2004, met
uitzondering van:
a. artikel 12, dat met ingang van 13 augustus 2005 in werking treedt, en
b. de artikelen 2, 13 en 16, die met ingang van 1 juli 2006 in werking
treden.
Artikel 19
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beheer elektrische en elektronische
apparatuur.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 6 juli 2004
Beatrix
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. L. B. A. van Geel
Uitgegeven de vijftiende juli 2004
De Minister van Justitie,
J. P. H. Donner
STB8687
ISSN 0920 – 2064
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2004
1 Stb. 2002, 259.
2 Stb. 1998, 238.
3 Stb. 2000, 334, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 9 april 2002, Stb. 189.
4 Stb. 1998, 603, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 9 april 2002, Stb. 189.
5 Stb. 2002, 109, gewijzigd bij besluit van 3 juli
2003, Stb. 315.
6 Stb. 1998, 322, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 16 januari 2004, Stb. 26.
7 Stb. 2000, 262, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 24 mei 2002, Stb. 259.
8 Stb. 1998, 602, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 9 april 2002, Stb. 189.
9 Stb. 2001, 146, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 16 januari 2004, Stb. 26.
10 Stb. 2001, 487, laatstelijk gewijzigd bij
besluit van 19 maart 2004, Stb. 127.
11 Stb. 1994, 22, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 9 april 2002, Stb. 189.
12 Stb. 1998, 553, gewijzigd bij besluit van
9 april 2002, Stb. 189.
13 Stb. 2000, 278, laatstelijk gewijzigd bij
besluit van 9 april 2002, Stb. 189.
14 Stb. 2001, 493, laatstelijk gewijzigd bij
besluit van 24 mei 2002, Stb. 259.
15 Stb. 1999, 149.
16 Stb. 1993, 50, laatstelijk gewijzigd bij besluit
van 19 maart 2004, Stb. 127.
Het advies van de Raad van State wordt niet
openbaar gemaakt op grond van artikel 25a,
vijfde lid j° vierde lid, onder b van de Wet op
de Raad van State, omdat het zonder meer
instemmend luidt.
Staatsblad 2004 340 6
NOTA VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
In dit besluit is een aantal regels opgenomen met betrekking tot
elektrische en elektronische apparatuur. Het besluit strekt primair tot
implementatie van richtlijn nr. 2002/95/EG van het Europees Parlement en
de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende beperking
van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en
elektronische apparatuur (PbEU L 2003, 37) (verder: richtlijn nr. 2002/95).
Deze richtlijn reguleert het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen zoals
lood, kwik en cadmium in elektrische en elektronische apparatuur. De
regels zijn opgesteld uit oogpunt van gezondheidsbescherming en de
milieuhygiënisch verantwoorde verwerking van apparatuur. De rechtsbasis
is artikel 95 van het EG-Verdrag.
Daarnaast bevat dit besluit een handelsverbod voor CFK- of HCFKhoudende
koel-vriesapparatuur en een verplichting voor producenten van
elektrische en elektronische apparatuur om een mededeling in te dienen
met betrekking tot de uitvoering van de voor hun geldende verplichtingen
op grond van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur.
Dit besluit hangt nauw samen met de Regeling beheer elektrische en
elektronische apparatuur, die op artikel 21.6, zesde lid, van de Wet
milieubeheer (Wm) is gebaseerd. Voornoemde regeling geeft uitvoering
aan richtlijn nr. 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische
en elektronische apparatuur (PbEU L 2003, 37), zoals gewijzigd bij richtlijn
2003/108/EG van 8 december 2003 (PbEU L 345) (verder: richtlijn nr.
2002/96). In de regeling is het afvalbeheer geregeld van elektrische en
elektronische apparatuur en is invulling gegeven aan het uitgangspunt
van «producentenverantwoordelijkheid». Het besluit en de Regeling
beheer elektrische en elektronische apparatuur vervangen onder meer
hetgeen voorheen in het Besluit beheer wit- en bruingoed was geregeld.
2. Reikwijdte en inhoud van het besluit
Voor de begripsbepalingen in artikel 1 is nauw aangesloten bij het
begrippenkader uit de bovenvermelde Europese richtlijnen. In artikel 2 is
het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische
apparatuur geregeld. Artikel 3 bevat een aanvulling op het
handelsverbod voor CFK- of HCFK-houdende producten en apparatuur dat
is opgenomen in verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 juni 2000 betreffende
de ozonlaag afbrekende stoffen (PbEG L 244) (verder: verordening nr.
2037/2000). Door deze aanvulling is voorzien in een totaal handelsverbod
van CFK- of HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur. Dit onderdeel is een
voorzetting van het handelsverbod dat in het Besluit beheer wit- en
bruingoed was opgenomen. In artikel 4 is de mededelingsplicht geregeld.
Producenten die verplichtingen hebben op grond van de Regeling beheer
elektrische en elektronische apparatuur zijn verplicht aan de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)
mededeling te doen op welke wijze zij aan die verplichtingen uitvoering
zullen geven («plan van aanpak»). Deze mededelingsplicht komt voor in
diverse besluiten op grond van de Wet milieubeheer, waaronder de
voorganger van dit besluit, het Besluit beheer wit- en bruingoed. De
mededelingsplicht geeft in dit geval mede uitvoering aan (de artikelen 12
en 16 van) richtlijn nr. 2002/96, waarin onder meer is bepaald dat lidstaten
Staatsblad 2004 340 7
voorzien in een passende informatievoorziening en ervoor zorg dragen
dat er inspecties en controles voorhanden zijn om het bepaalde in de
richtlijn te handhaven. In verband met het bepaalde in artikel 21.6, zesde
lid, van de Wm kon deze verplichting niet rechtstreeks worden
opgenomen in de Regeling beheer elektrische en elektronische
apparatuur.
3. Uitvoerbaarheid en handhaving
Dit besluit is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet milieugevaarlijke
stoffen (verder: Wms). Op grond van artikel 10.17 van de Wm
kunnen in het belang van de bescherming van het milieu regels worden
gesteld omtrent het innemen, nuttig toepassen of verwijderen van daarbij
aangewezen stoffen, preparaten of andere producten.
Op grond van artikel 24 van de Wms kunnen, indien een redelijk
vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten
ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regels worden
gesteld met betrekking tot het in Nederland invoeren, voorhanden
hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en
zich ontdoen van deze stoffen of preparaten. Het tweede lid bepaalt, in
onderdeel f, dat daartoe een verbod kan worden ingesteld om zodanige
handeling te verrichten met betrekking tot producten, indien deze daarbij
aangewezen stoffen of preparaten bevatten.
De artikelen 2 en 3 zijn gebaseerd op artikel 24 van de Wms. Artikel 4 is
gebaseerd op artikel 10.17 van de Wm. De handhaving van deze artikelen
kan zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk plaatsvinden. Ten behoeve
van de bestuursrechtelijke handhaving (zoals bestuursdwang of het
opleggen van een dwangsom) staat het instrumentarium van hoofdstuk
18 van de Wm ter beschikking. Ingevolge artikel 64, eerste lid, van de
Wms zijn de artikelen 18.3 tot en met 18.6 van de Wm eveneens van
toepassing op de handhaving van bepalingen die bij of krachtens de Wms
zijn opgesteld.
Een overtreding van de artikelen 2 en 3, die gebaseerd zijn op artikel 24
van de Wms, is een economisch delict in de zin van artikel 1a, onder 1°,
van de Wet op de economische delicten. Een overtreding van artikel 4, dat
is gebaseerd op artikel 10.17 van de Wm, is een economisch delict in de
zin van artikel 1a, onder 2°, van de Wet op de economische delicten.
Toezicht op de naleving van dit besluit en de bestuursrechtelijke
handhaving zijn verantwoordelijkheden van de Minister van VROM. De
uitvoering daarvan is gemandateerd aan de VROM-Inspectie. De strafrechtelijke
vervolging geschiedt door het Openbaar Ministerie, mogelijk op
voorstel van de VROM-Inspectie. De handhaving zal primair gericht zijn op
de artikelen 2, 3 en 4.
Handhaving van artikel 2 kan plaatsvinden bij iedere onderneming die
elektrische en elektronische apparatuur voorhanden heeft of aan een
ander ter beschikking stelt (waaronder het op de markt brengen daarvan).
De handhaving zal zich niet beperken tot de producenten van deze
apparatuur, maar ook uitstrekken tot bijvoorbeeld detaillisten die deze
apparatuur verkopen. Voor de handhaving van het handelsverbod van
CFK- of HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur (artikel 3) zal aansluiting
worden gezocht bij de handhaving van verordening nr. 2037/2000 en het
Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003. Dat ligt in de rede
aangezien artikel 3 van onderhavig besluit een aanvulling is op het
handelsverbod dat in verordening nr. 2037/2000 is opgenomen. De
handhaving van artikel 4 (mededelingsplicht) zal plaatsvinden bij de
producenten van elektrische en elektronische apparatuur. Producenten
kunnen zich aansluiten bij een collectieve uitvoeringsorganisatie. Indien
Staatsblad 2004 340 8
de mededeling van deze uitvoeringsorganisatie wordt goedgekeurd,
hebben de aangesloten producenten daarmee aan de verplichting,
bedoeld in artikel 4, voldaan. De praktijk heeft geleerd dat de handhaving
van de mededelingsplicht met beperkte inzet van capaciteit kan worden
gerealiseerd omdat concurrenten van de producenten die geen
mededeling indienen, dit melden bij de VROM-Inspectie, zodat deze
gericht actie kan ondernemen.
De mededelingsplicht is een belangrijk instrument omdat het de
uitvoerbaarheid vergroot en de handhavingsmogelijkheden verbetert. Dit
was de uitkomst van een werkbaarheidsanalyse die in samenwerking met
het Expertisecentrum Rechtshandhaving van het Ministerie van Justitie in
september 2003 is uitgevoerd. Centraal stond de vraag of de mededelingsplicht
(een plan van aanpak dat goedkeuring behoeft van de Minister
van VROM) vervangen kon worden door een lichter regime dat minder
administratieve lasten met zich meebrengt, in de vorm van een «melding»
(een kennisgeving met alleen naam, adres en woonplaats zonder dat een
beoordelingsprocedure plaatsvindt). De gevolgen voor de uitvoering en
handhaving zijn doorgesproken met een aantal producenten, detaillisten
en de VROM-Inspectie. De eenduidige conclusie dat een meldingsplicht
tot gevolg zal hebben dat er veel meer «free riders» (dit zijn producenten
die de verplichtingen niet nakomen) zullen zijn dan bij een mededelingsplicht
en de handhavingsproblemen die daarbij zullen ontstaan, heeft
ertoe geleid dat in afwijking van hetgeen in de brief aan de Tweede Kamer
is gemeld over de herijking van regelgeving (Kamerstukken II 2003/04, 29
200 XI, nr. 7) in dit besluit is gekozen voor een mededelingsplicht in plaats
van een meldingsplicht.
4. Administratieve lasten voor het bedrijfsleven
Artikel 4 (mededelingsplicht) bevat een informatieverplichting voor het
bedrijfsleven. De administratieve lasten van het bedrijfsleven voor dit
artikel zijn geraamd op € 405 (maximaal € 480) per bedrijf, wat neerkomt
op € 81 000 (maximaal € 96 000) voor het hele bedrijfsleven. De
mededelingsplicht is geen nieuwe verplichting, maar was reeds in het
Besluit beheer wit- en bruingoed opgenomen. De meerkosten (ten
opzichte van de situatie zoals deze direct voor de inwerkingtreding van dit
besluit bestond) beragen € 162 (maximaal € 87) per bedrijf en € 13 000
(maximaal € 28 000) voor het hele bedrijfsleven. De berekening en
onderbouwing van deze bedragen zijn opgenomen in de Regeling beheer
elektrische en elektronische apparatuur omdat de mededelingsplicht
nauw samenhangt met de overige verplichtingen van die regeling.
5. Internationale aspecten
Artikel 3 bevat een aanvulling van verordening nr. 2037/2000. Deze
verordening verbiedt de productie en het op de markt brengen van CFKof
HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur. Daarnaast bevat deze
verordening een handelsverbod voor dergelijke apparatuur. Het verbod
heeft echter geen betrekking op CFK-houdende apparatuur die voor 30
september 2000 is geproduceerd en HCFK-houdende apparatuur die voor
31 december 1995 is geproduceerd.
Aangezien verordening nr. 2037/2000 is gebaseerd op artikel 175 van het
EG-Verdrag maakt artikel 176 van het EG-Verdrag het mogelijk om
verdergaande beschermende maatregelen te treffen voorzover deze
verenigbaar zijn met het EG-Verdrag. Het handelsverbod in artikel 3 van
het onderhavige besluit betreft een dergelijke strengere beschermingsmaatregel.
Door deze nationale maatregel zal CFK- en HCFK-houdende
koel- en vriesapparatuur die voor 30 september 2000, respectievelijk
Staatsblad 2004 340 9
31 december 1995 is geproduceerd eerder worden uitgefaseerd. Op die
manier wordt bijgedragen aan het realiseren van de doelstelling van de
verordening om de aanwezigheid van CFK’s of HCFK’s in dergelijke
apparatuur terug te dringen. Het handelsverbod is al vanaf 1 januari 1999
in Nederland van kracht (artikel 3 van het voormalige Besluit beheer witen
bruingoed) zodat sprake is van continuering van het nationale beleid.
Deze nationale maatregel is verenigbaar met het EU-Verdrag. Zo er al
sprake is van handelsbelemmeringen in de zin van artikel 28 en 29
EU-Verdrag, zijn deze gerechtvaardigd op grond van artikel 30 EU-Verdrag.
CFK’s en HCFK’s zijn immers stoffen die een gevaar opleveren voor de
gezondheid en leven van mens, dier en plant. Het opheffen van het
bestaande handelsverbod voor bovenbedoelde apparatuur zou een stap
terug betekenen voor het in Nederland reeds bereikte niveau van de
milieubescherming. Het handelsverbod is zonder onderscheid van
toepassing op import, export en binnenlandse handel. Het handelsverbod
was eerder opgenomen in artikel 3 van het Besluit wit- en bruingoed dat
onder nummer 97/0408/NL is genotificeerd. Voorts is dat besluit op
13 oktober 1997 aangemeld bij het Secretariaat van de Wereld Handelsorganisatie
ter voldoening aan de TBT-verplichtingen (TBT notificatienummer
97.0674).
Ter uitvoering van artikel 176 van het EG-verdrag zal artikel 3 ter kennis
worden gebracht van de Commissie.
6. Reacties op het ontwerp
Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer en artikel
61, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen is het ontwerpbesluit
aan beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden, alsmede gepubliceerd
in de Staatscourant van 5 februari 2004 (Stcrt. 24) zodat een ieder
zijn zienswijze daarover bekend heeft kunnen maken.
Van Stichting ICT Milieu is een reactie ontvangen op het ontwerpbesluit.
In deze reactie wordt gevraagd om een uitzondering voor het hergebruik
van nieuwe apparaten waarin bestaande onderdelen worden gebruikt
waarbij deze onderdelen stoffen bevatten die in artikel 2, eerste lid, zijn
genoemd. Het betreft onderdelen afkomstig uit apparatuur die voor 1 juli
2006 op de markt is gebracht. Het probleem wordt onderkend maar kan
alleen opgelost worden door een aanpassing van de richtlijn. Binnen
Europees verband is hiervoor aandacht gevraagd.
Verder vreest Stichting ICT Milieu dat de uitvoerbaarheid van de
Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur bemoeilijkt wordt
omdat de mededelingsplicht is opgenomen in het besluit en niet in de
genoemde regeling. In verband met het bepaalde in artikel 21.6, zesde lid,
van de Wm is het niet mogelijk de mededelingsplicht in de regeling op te
nemen. De uitvoeringsproblemen zullen echter gering zijn omdat de
formulieren zullen worden opgenomen in de Regeling beheer elektrische
en elektronische apparatuur. Voorts zal in de toelichting van de regeling
en in het voorlichtingstraject worden gewezen op de verplichting tot het
doen van een mededeling. Hierdoor wordt de kenbaarheid voor de
producenten dat zij een mededeling moeten indienen, geoptimaliseerd.
De Vaste Commissie voor VROM van de Tweede Kamer heeft op
11 maart 2004 enkele feitelijke vragen gesteld over de ontwerpregelgeving.
Deze vragen zijn bij brief van 13 april, nr. SAS/2004033084,
beantwoord. De vragen en de antwoorden zijn als kamerstuk gepubliceerd
(Kamerstukken II 2003/04, 29 200 XI, nr. 95).
Staatsblad 2004 340 10
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel 1
Eerste lid
De definities in de onderdelen d tot en met f zijn ontleend aan richtlijn
nr. 2002/95 en richtlijn nr. 2002/96. Deze definities zijn ook opgenomen in
de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur.
In onderdeel d is bepaald wat elektrische en elektronische apparatuur is.
Het gaat om apparaten die onder een van de categorieën vallen van
bijlage IA bij richtlijn nr. 2002/96. Deze categorieën zijn uitgewerkt in
producten die opgenomen zijn in bijlage IB bij richtlijn nr. 2002/96.
Laatstgenoemde lijst met producten is echter geen limitatieve lijst en is
dus niet bepalend voor de vraag of een bepaald product «apparatuur» in
de zin van dit besluit is. Bepalend is of een product onder een van de
categorieën van bijlage IA bij richtlijn nr. 2002/96 valt. Of er sprake is van
elektrische of elektronische apparatuur in de zin van dit besluit, hangt af
van de vraag of de apparaten ook aan de overige punten van de definitie
voldoen. Overigens wordt met het begrip «naar behoren te werken»
aangegeven dat het apparaat elektrische energie nodig heeft om de
primaire functies uit te oefenen. Zo kan een koelkast zonder elektriciteit
haar primaire functie «koelen» niet uitvoeren en is elektriciteit noodzakelijk
voor een koelkast om naar behoren te kunnen werken. Een pluche
speelgoedbeest dat bij aanraking geluid kan maken is niet afhankelijk van
elektriciteit om haar primaire functie uit te oefenen. Een dergelijk artikel
kan ook zonder batterij naar behoren functioneren omdat de primaire
functie «knuffelbeest» is. Het maken van geluid is een bijkomstige functie
maar niet de primaire functie.
In onderdeel e is de definitie van producent opgenomen. Het is een
ruime definitie. Zo is onder andere aangegeven dat de verkooptechniek
niet bepalend is. De apparaten die zijn verkocht per internet (elektronische
handel) of op andere wijze zijn verkocht op afstand overeenkomstig
Richtlijn nr. 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei
1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand
gesloten overeenkomsten (PbEG L 144) vallen ook onder de reikwijdte van
dit besluit. Degene die apparatuur importeert wordt ook aangemerkt als
producent. In de praktijk is gebleken dat onduidelijk kan zijn wie de
apparatuur invoert. Om te bepalen of er sprake is van invoer kan worden
aangesloten bij de BTW-indicaties op de factuur. Beschikt de ondernemer
over facturen met een buitenlandse BTW of het BTW-nultarief, dan is
sprake van «invoer» en kan de desbetreffende onderneming worden
aangemerkt als producent in de zin van deze regelgeving. De parallelimporteurs
vallen ook onder de reikwijdte van deze definitie en zijn
producent in de zin van dit besluit. Zij hebben dezelfde verplichtingen als
de overige producenten. Overigens is ook degene die apparatuur uitvoert
producent in de zin van deze regelgeving. Bij verkoop van apparatuur
vanuit Nederland (bijvoorbeeld per internet) die afgeleverd wordt in een
ander land (al dan niet lid van de Europese Unie) heeft de producent (dus
degene die uitvoert) verplichtingen op grond van dit besluit in Nederland.
Degene die uitsluitend in de financiering op grond van een financieringsovereenkomst
voorziet, wordt niet aangemerkt als een producent. Dat is
anders wanneer hij ook andere activiteiten als bedoeld in de onderdelen
1°, 2°, of 3° verricht. In dat geval is de uitzondering niet van toepassing en
wordt hij wel als producent aangemerkt.
Staatsblad 2004 340 11
Tweede lid
Het tweede lid geeft (gelet op het bepaalde in het eerste lid, onder d,
onder 1°) aan welke producten in ieder geval onder de categorieën,
genoemd in bijlage IA bij richtlijn nr. 2002/96, vallen. Het betreft de
producten die zijn opgenomen in bijlage IB bij richtlijn nr. 2002/96. Deze
lijst is niet limitatief.
Artikel 2
Het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen is vanaf 1 juli 2006 niet
meer toegestaan in elektrische en elektronische apparatuur. Vanaf die
datum is het verboden om dergelijke apparatuur in te voeren, voor
handelsdoeleinden voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking
stellen of uit te voeren. Hetzelfde geldt voor gloeilampen en armaturen
bestemd voor particuliere huishoudens. Bij de formulering van de
verboden handelingen is aangesloten bij artikel 24, eerste lid, van de Wet
milieugevaarlijke stoffen. De verboden handelingen geven tezamen
uitvoering aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 2002/95.
Daarin is bepaald dat er met ingang van 1 juli 2006 binnen de Europese
Gemeenschap geen nieuwe elektrische en elektronische apparatuur op de
markt mag worden gebracht die een van de genoemde stoffen bevat. Bij
de omzetting is ervoor gekozen om het verbod niet alleen van toepassing
te laten zijn op de eerste handeling die beschouwd kan worden als het op
de markt brengen (verderop wordt op de betekenis van dit begrip
ingegaan) maar ook op vervolghandelingen (o.a. het verder aan een ander
ter beschiking stellen). Daarmee wordt voorkomen dat producten op de
Gemeenschappelijke markt zullen worden gebracht en dat een eenmaal
illegaal op de markt gebracht product ongestraft verder verhandeld kan
worden.
Het tweede lid bevat enkele uitzonderingen. Ten eerste wordt een
uitzondering gemaakt voor een aantal concrete toepassingen, die zijn
opgenomen in de bijlage bij richtlijn nr. 2002/95/EG. In onderdeel b wordt
een uitzondering gemaakt voor het producthergebruik van apparaten die
voor 1 juli 2006 binnen de Europese Gemeenschap op de markt zijn
gebracht. Het betreft derhalve het hergebruik van afgedankte elektrische
en elektronische apparatuur. Gelet op de voordelen die het hergebruik van
producten biedt, is bepaald dat de reserveonderdelen, benodigd voor de
herstelling van die producten, eveneens van het verbod, bedoeld in het
eerste lid, zijn uitgezonderd. In onderdeel c is bepaald dat het verbod,
bedoeld in het eerste lid, niet geldt voor producten die voor 1 juli 2006 op
de Gemeenschappelijke markt zijn gebracht waarmee wordt aangesloten
bij de richtlijn. Deze bepaling maakt het onder meer mogelijk om
resterende handelsvoorraden uit te faseren. Tot slot is, in onderdeel d, een
uitzondering gemaakt voor producten die niet op de Europese markt
worden gebracht. Het voorhanden hebben of aan een ander ter
beschikking stellen (bijvoorbeeld in het kader van de overslag of
doorvoer) van producten ten behoeve van de export buiten de Europese
Gemeenschap blijft derhalve toegestaan.
Voor de uitleg van het begrip «op de markt brengen» is aangesloten bij
de uitleg van het begrip «in de handel brengen» zoals dat in de «Gids voor
de tenuitvoerlegging van de op basis van de nieuwe aanpak en de globale
aanpak tot stand gekomen richtlijnen1» is omschreven. Daarin wordt
onder het begrip «op de markt brengen» verstaan het voor het eerst
beschikbaar stellen van een product op de markt van de Gemeenschap,
met het oog op de distributie en/of het gebruik ervan in de Gemeenschap.
Het beschikbaar stellen kan zowel tegen betaling als gratis zijn. Een
product wordt voor het eerst beschikbaar gesteld wanneer het product na
de productiefase wordt overgedragen met de bedoeling het product te
1 http://europa.eu.int/comm/enterprise/
newapproach/legislation/guide/legislation.htm
Staatsblad 2004 340 12
distribueren of het gebruik daarvan. Het begrip «op de markt brengen»
doelt niet op een type product maar op elk product afzonderlijk, of het nu
als een losse eenheid of in serie is gefabriceerd.
Zoals hierboven is vermeld treedt het verbod met ingang van 1 juli 2006
in werking. Tot dat moment blijft de bestaande regelgeving ten aanzien
van kwik en cadmium, zoals opgenomen in het Besluit kwikhoudende
producten Wms 1998 en het Cadmiumbesluit Wms 1999 van kracht.
Artikel 3
In dit artikel is een handelsverbod opgenomen voor CFK- of
HCFK-houdende koelkasten en vriesapparatuur. De productie en het op de
markt brengen van dergelijke apparatuur is al verboden in verordening nr.
2037/2000. In die verordening is ook een beperkt handelsverbod
opgenomen voor CFK- of HCFK- houdende koel- en vriesapparatuur.
CFK-houdende apparatuur die voor 30 september 2000 is geproduceerd
en HCFK-houdende apparatuur die voor 31 december 1995 is geproduceerd
vallen echter buiten het handelsverbod. Omdat Nederland reeds
sinds 1 januari 1999 over een algeheel handelsverbod beschikte in het
Besluit beheer wit- en bruingoed, is er voor gekozen dit algehele verbod te
continueren. Net als in het Besluit beheer wit- en bruingoed, is het
handelsverbod alleen van toepassing op apparatuur van particuliere
huishoudens en de apparatuur uit andere dan particuliere huishoudens
(d.w.z. uit commerciële, industriële, institutionele of andere bronnen) die
daarmee naar aard en hoeveelheid (omvang) vergelijkbaar is. Voor een
nadere toelichting op de internationaal rechtelijke aspecten wordt
verwezen naar paragraaf 5 van het algemeen deel van de nota van
toelichting.
Artikel 4
In dit artikel is bepaald dat de producent mededeling doet over de wijze
waarop hij uitvoering zal geven aan de verplichtingen van de Regeling
beheer elektrische en elektronische apparatuur. Voor deze mededeling,
een plan van aanpak, zal een formulier worden vastgesteld. De
mededeling zal worden beoordeeld door de Minister van VROM, waarbij
met name getoetst zal worden of er daadwerkelijk een systeem is opgezet
dat (naar verwachting) aan de eisen van de regelgeving zal voldoen. Het
betreft hier een beoordeling van het «plan van aanpak» wat een toetsing
vooraf is. Het is vanzelfsprekend dat een eventuele positieve beoordeling
onverlet laat dat ook handhaving achteraf kan plaatsvinden bij de
uitvoering van de verplichtingen van de regelgeving in de praktijk.
Wijzigingen in andere besluiten
Deze artikelen 6 tot en met 17 dragen er zorg voor dat andere besluiten
worden aangepast aan de nieuwe regelgeving inzake het beheer van
elektrische en elektronische apparatuur. Daarbij zijn de te wijzigen
besluiten alfabetisch gerangschikt. Uit oogpunt van regelgevingseconomie
zijn enkele wijzigingen die in meer besluiten op gelijke wijze
worden doorgevoerd, samengevoegd. Hieronder worden enkele wijzigingen
nader toegelicht.
Artikel 7
Door het intrekken van het Besluit beheer wit- en bruingoed, vervallen
tevens de Regeling aanwijzing producten wit- en bruingoed en de
Regeling eisen verwerking CFK- en HCFK-houdende koel- en vriesapparatuur
2000.
Staatsblad 2004 340 13
Artikelen 9 en 14
In artikel 3, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van het Besluit detailhandel
milieubeheer en het Besluit opslag- en transportbedrijven
milieubeheer wordt de Eural-code 21 01 21*, die betrekking heeft op
tl-buizen en ander kwikhoudend afval, toegevoegd. Het gevolg daarvan is
dat binnen deze zgn.«8.40-inrichtingen» maximaal 35 m3 aan tl-buizen
mag worden opgeslagen. Deze opslagcapaciteit is noodzakelijk om
uitvoering te kunnen geven aan de verplichtingen op grond van dit
besluit. Zonder deze wijziging zouden deze inrichtingen vergunningplichtig
worden.
Artikel 12
Dit artikel bevat een wijziging van het Besluit kca-logo. In dat besluit
vervalt de verplichting om het kca-logo aan te brengen op gasontladingslampen,
respectievelijk de verpakking daarvan. In plaats daarvan zullen
gasontladingslampen worden voorzien van het symbool, bedoeld in
bijlage III van voornoemde richtlijn. Deze verplichting, ter implementatie
van artikel 10, derde lid, van richtlijn nr. 2002/96, is opgenomen in de
Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur. De richtlijn
bepaalt dat deze verplichting geldt voor elektrische en elektronische
apparatuur die vanaf 13 augustus 2005 op de markt wordt gebracht.
Artikelen 13 en 16
In deze artikelen is bepaald dat in het Besluit kwikhoudende producten
Wms 1998 en het Cadmiumbesluit Wms 1999 een artikel wordt
opgenomen dat bepaalt dat die besluiten niet van toepassing zijn op
producten waaromtrent regels zijn gesteld in Besluit beheer elektrische en
elektronische apparatuur. Op deze manier wordt voorkomen dat ten
aanzien van die producten een dubbel regime geldt. Artikel 2.4, onderdeel
l, van het Besluit kwikhoudende producten Wms 1998, dat betrekking
heeft op gasontladingslampen, en artikel 1.1, eerste lid, onderdeel e,
onder 6°, van het Cadmiumbesluit Wms 1999, dat betrekking heeft op
fluorescentiebuislampen, zijn overbodig geworden aangezien het nieuwe
regime inzake het beheer van elektrische en elektronische apparatuur
daaromtrent regels stelt. Deze artikelen zijn daarom geschrapt. Weliswaar
zijn in die besluiten ook andere apparaten genoemd, maar deze kunnen in
bepaalde situaties buiten de reikwijdte van het begrip «elektrische en
elektronische apparatuur» in de zin van dit besluit vallen. Dat is bijvoorbeeld
het geval bij apparatuur die bedoeld is voor gebruik met een andere
spanning dan in de definitie is genoemd.
Artikel 17
Onder afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere
huishoudens wordt in de Regeling beheer elektrische en elektronische
apparatuur verstaan: afgedankte apparatuur die afkomstig is van
particuliere huishoudens of van commerciële, industriële, institutionele of
andere bronnen en die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere
huishoudens vergelijkbaar is. Als gevolg van het feit dat de regeling ook
op laatstbedoelde categorie (bedrijfs)afvalstoffen betrekking heeft, zou in
een aantal gevallen het bevoegd gezag van een inrichting overgaan van
burgemeester en wethouders naar gedeputeerde staten. Dat is onwenselijk
aangezien er vanwege de gelijke aard en omvang van het afval geen
reden is om onderscheid te maken naar bevoegd gezag. Om die reden is
categorie 28.8 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
(Ivb) aangepast. Ten aanzien van inrichtingen voor het opslaan van, ter
uitvoering van een verplichting tot inname van afvalstoffen, opgelegd bij
Staatsblad 2004 340 14
een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 10.17 of artikel
15.32, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, afvalstoffen die naar
aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar
zijn, blijven burgemeester en wethouders derhalve het bevoegd gezag.
Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat categorie 28.8 van het Ivb
uitsluitend het bevoegd gezag bepaalt. Uit deze wijziging van het Ivb
vloeit bijvoorbeeld niet voort dat er voor gemeentelijke milieustraten een
verplichting bestaat om bedrijfsafvalstoffen in te nemen die naar aard en
omvang vergelijkbaar zijn met die van particuliere huishoudens. Of dat
het geval is wordt bepaald door de precieze inhoud en reikwijdte van de
algemene maatregel van bestuur krachtens 10.17 of 15.32, eerste en
tweede lid, respectievelijk een ministeriële regeling krachtens artikel 21.6,
zesde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 18
Dit besluit treedt in werking op 13 augustus 2004, de datum waarop
uitvoering moet zijn gegeven aan het bepaalde in richtlijn nr. 2002/95 en
richtlijn nr. 2002/96. Voor enkele voorschriften wordt in de richtlijnen
bepaald dat deze vanaf een andere datum gelden. Deze zijn in de
onderdelen a en b van dit artikel uitgezonderd.
Onderdeel a
Vanaf 13 augustus 2005 geldt de verplichting om elektrische en
elektronische apparatuur te voorzien van het symbool, bedoeld in bijlage
III van richtlijn nr. 2006/96. De in artikel 12 opgenomen wijziging stemt het
Besluit kca-logo daarop af en treedt eveneens met ingang van die datum
in werking.
Onderdeel b
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr.
2002/95 bepaalt het onderhavige artikel dat het verbod, bedoeld in artikel
2, vanaf 1 juli 2006 in werking treedt. De bepalingen die het Besluit
kwikhoudende producten Wms 1998 en het Cadmiumbesluit Wms 1999
daarop afstemmen, treden derhalve eveneens met ingang van die datum
in werking.
Transponeringstabel
Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur (verder:
Bea)
Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur (verder:
Rea)
Richtlijn nr. 2002/95 Nederlandse wet- en regelgeving
artikel 1 Behoeft geen implementatie
artikel 2, eerste lid artikel 2, eerste lid, Bea
artikel 2, tweede lid Behoeft geen implementatie
artikel 2, derde lid artikel 2, tweede lid, onder b, Bea
artikel 3, onder a artikel 1, eerste lid, onder d, Bea
artikel 3, onder b artikel 1, eerste lid, onder e, Bea
artikel 4, eerste lid artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 13 en 16
Bea
artikel 4, tweede lid artikel 2, tweede lid, onder a, en artikel 5 Bea
artikel 4, derde lid Behoeft geen implementatie
artikel 5 Behoeft geen implementatie
artikel 6 Behoeft geen implementatie
Staatsblad 2004 340 15
Richtlijn nr. 2002/95 Nederlandse wet- en regelgeving
artikel 7 Behoeft geen implementatie
artikel 8 volgt uit artikel 64, eerste lid, Wms en hoofdstuk
18 Wm/artikel 1a, onder 1oen 2o, Wet op de
economische delicten
artikel 9 Behoeft geen implementatie
Bijlage dynamische verwijzing o.g.v. artikel 2, tweede lid,
onder a, Bea
Richtlijn nr. 2002/96 Nederlandse wet- en regelgeving
artikel 1 behoeft geen implementatie
artikel 2, eerste lid artikel 2, onder a en artikel 1, eerste lid, onder b,
Rea
artikel 2, tweede lid behoeft geen implementatie
artikel 2, derde lid artikel 2, onder b, Rea
artikel 3, onder a artikel 1, eerste lid, onder b, Rea
artikel 3, onder b artikel 1, eerste lid, onder c, Rea
artikel 3, onder c artikel 1, eerste lid, onder d, Rea
artikel 3, onder d artikel 1, eerste lid, onder e, Rea
artikel 3, onder e artikel 1, eerste lid, onder f en g, Rea
artikel 3, onder f artikel 1.1, eerste lid, Wm
artikel 3, onder g artikel 1.1, eerste lid, Wm
artikel 3, onder h artikel 1, eerste lid, onder h, Rea
artikel 3, onder i artikel 1, eerste lid, onder j, Rea
artikel 3, onder j artikel 1, eerste lid, onder k, Rea
artikel 3, onder k artikel 1, eerste lid, onder l, Rea
artikel 3, onder l artikel 1, eerste lid, onder m, Rea
artikel 3, onder m artikel 1, eerste lid, onder i, Rea
artikel 4 financiële steun op projectbasis
artikel 5, eerste lid artikel 3, eerste lid, en artikel 7 Rea en
voorlichtings- en stimuleringsmaatregelen (zoals
SAM)
artikel 5, tweede lid, onder a artikel 3, tweede lid, Rea
artikel 5, tweede lid, onder b artikel 4 (er is geen gebruik gemaakt van de
mogelijkheid om af te wijken)
artikel 5, tweede lid, onder c artikel 6 Rea
artikel 5, tweede lid, onder d, eerste alinea artikel 5 Rea en artikel 10.21 Wm
artikel 5, tweede lid, onder d, tweede alinea geen gebruik van gemaakt
artikel 5, derde lid artikel 7 Rea
artikel 5, vierde lid artikel 8 Rea, artikel 8.1 Wm, artikel 10.37 Wm en
artikel 10.1 Wm
artikel 5, vijfde lid Behoeft geen implementatie
artikel 6, eerste lid, eerste alinea artikel 8 en artikel 9, eerste lid, Rea
artikel 6, eerste lid, tweede alinea Behoeft geen implementatie
artikel 6, eerste lid, derde alinea geen gebruik van gemaakt
artikel 6, tweede lid, eerste alinea artikel 8.1 Wm en bijlage I, cat. 28 Inrichtingenen
vergunningenbesluit
artikel 6, tweede lid, tweede alinea geen gebruik van gemaakt
artikel 6, derde lid artikel 9, tweede lid, Rea
artikel 6, vierde lid artikel 8.1 Wm en Inrichtingen- en vergunningenbesluit
artikel 6, vijfde lid, eerste alinea de nationale wet- en regelgeving verhindert dit
niet
EVOA werkt rechtstreeks door
artikel 6, vijfde lid, tweede alinea artikel 10, derde lid, Rea
artikel 6, zesde lid wordt gerealiseerd door stichting CCM (een door
VROM opgerichte stichting)
artikel 7, eerste lid, eerste zin volgt uit hele besluit
artikel 7, eerste lid, tweede zin artikel 10.4 en 10.5 Wm en Landelijk Afvalbeheerplan
artikel 7, eerste lid, derde zin Artikel 10, tweede lid, Rea
artikel 7, tweede lid, Artikel 10, eerste lid, R ea
artikel 7, derde lid, eerste alinea artikelen 8.14 en 10.37 Wm
artikel 7, derde lid, tweede alinea Behoeft geen implementatie
artikel 7, vierde lid Behoeft geen implementatie
artikel 7, vijfde lid door middel van financiële middelen
artikel 8, eerste lid Artikel 11, eerste, tweede en derde lid, Rea
artikel 8, tweede lid, eerste alinea Artikel 11, eerste lid, Rea
artikel 8, tweede lid, tweede alinea Artikel 11, vierde en vijfde lid, Rea
artikel 8, tweede lid, derde alinea Artikel 11, zesde lid, Rea
artikel 8, derde lid, eerste alinea Artikel 11, tweede lid, Rea
artikel 8, derde lid, tweede alinea Artikel 11, zevende lid, Rea
Staatsblad 2004 340 16
Richtlijn nr. 2002/96 Nederlandse wet- en regelgeving
artikel 8, vierde lid volgt uit de definitie van producent (artikel 1,
onder i, Rea) waarin ook de verkoop op afstand is
meegenomen
artikel 9, eerste lid, eerste alinea
artikel 9, eerste lid, tweede alinea
artikel 9, eerste lid, derde alinea
artikel 12, eerste lid, Rea
artikel 12, tweede lid, Rea
artikel 12, tweede lid (er is gekozen voor het
geboden alternatief)
artikel 9, eerste lid, vierde alinea artikel 12, tweede lid, Rea
artikel 9, tweede lid Artikel 12, derde lid, Rea
artikel 10, eerste lid, onder a stimuleringsprogramma’s voor gescheiden
afgifte door burgers (STAP en SAM),
voorlichtingsprogramma’s van VROM middels
Milieu Centraal, AOO en internetsite VROM en
volgt uit het systeem v.d. Wm: gemeente moet
gescheiden inzamelen en communiceert dit naar
burgers
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. L. B. A. van Geel
Staatsblad 2004 340 17
Klik hier om de pdf te downloaden