Uw zoekopdracht komt in het volgende document voor:

Document: amalgaamafscheiders_besluit_milieubeheer_2007.pdf

Klik hier om de pdf te downloaden

415
Besluit van 19 oktober 2007, houdende
algemene regels voor inrichtingen (Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 29 maart 2007, nr. DJZ2007031290, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens de
Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement en de
Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter bevordering
van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen
in het vervoer, richtlijn nr. 91/271/EEG van de Europese Gemeenschappen
van 21 mei 1991 betreffende het stedelijk afvalwater (PbEG L 135), richtlijn
91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377),
richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 11 maart 1999 inzake de beperking van de emissie van
vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische
oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en installaties (PbEG L 85),
richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen
voor scheepsafval en ladingresiduen (PbEG L 332), richtlijn
2000/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december
2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEU 1), richtlijn
2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327),
richtlijn 2006/11/EG van 15 februari 2006 betreffende de verontreiniging
veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu
van de Gemeenschap worden geloosd (PbEU L 64), richtlijn 80/86/EEG van
de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het
grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van
bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L 20), richtlijn 2006/118/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december
2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging
en achteruitgang van de toestand (Pb L 371) en op de artikelen 8.1,
tweede lid, 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer, en op de artikelen
2a, eerste en tweede lid, 2b en 2c, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren;
De Raad van State gehoord (advies van 28 juni 2007,
nr. W08.07.0082/IV);
Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden
Jaargang 2007
Staatsblad 2007 415 1
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 oktober 2007, nr.
DJZ2007098397, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht
mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat;
Hebben goedgevonden en verstaan:
HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN
AFDELING 1.1 BEGRIPSBEPALINGEN, REIKWIJDTE EN PROCEDURELE
BEPALINGEN
§ 1.1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
ADR: de op 30 september 1957 te Genève totstandgekomen Europese
Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke
stoffen over de weg (Trb. 1959, 171);
afleverinstallatie: geheel van de al dan niet onder de grond liggende
tank of tanks met daaraan gekoppelde leidingen, appendages, één of
meer afleverzuilen, voorzover aanwezig, een kassa en, voorzover
aanwezig, één of meer betaalautomaten;
andere hernieuwbare brandstoffen: andere hernieuwbare brandstoffen
als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/30/EG;
autowrak: autowrak als bedoeld in het Besluit beheer autowrakken;
bedrijfsduurcorrectie: correctie als bedoeld in de Handleiding meten en
rekenen industrielawaai, zijnde de logaritmische verhouding tussen de
tijdsduur dat de geluidsbron gedurende de beoordelingstijd in werking is,
en de duur van die beoordelingsperiode;
bedrijventerrein: cluster aaneengesloten percelen met overwegend
bedrijfsbestemmingen, binnen een in een bestemmingsplan als bedrijventerrein
aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd
industrieterrein;
beperkt kwetsbaar object: beperkt kwetsbaar object als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel a van het Besluit externe veiligheid
inrichtingen;
bijkomend gevaar: een gevaar naast de grootste gevaarseigenschap als
bedoeld in het ADR;
biobrandstof: biobrandstof als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel
a, van richtlijn 2003/30/EG, waaronder in elk geval de biobrandstoffen,
bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2003/30/EG, worden verstaan;
bodembedreigende activiteit: bedrijfsmatige activiteit als bedoeld in
paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB;
bodembeschermende maatregel: op de gebezigde stoffen en gebruikte
bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht
op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne
controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem
of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit,
waarvan de uitvoering is gewaarborgd;
bodembeschermende voorziening: een vloeistofkerende voorziening,
een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke
voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem;
bovengrondse opslagtank: opslagtank die geheel boven de bodem is
gelegen;
brandcompartiment: brandcompartiment als bedoeld in artikel 1.1,
eerste lid, van het Bouwbesluit 2003;
Staatsblad 2007 415 2
BTEX: benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen;
bunkerstation: drijvend bouwsel dat wegens zijn bestemming in de
regel niet wordt verplaatst en dat bestemd of in gebruik is voor de opslag
of levering van brandstof voor voortstuwing van schepen;
consumentenvuurwerk: consumentenvuurwerk als bedoeld in artikel
1.1.1, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
CMR-stof: stof of preparaat die volgens bijlage I bij Richtlijn nr.
67/548/EEG geclassificeerd is als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als
Mutageen categorie 1 of 2 of als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1
of 2;
doelmatig beheer van afvalwater: zodanig beheer van afvalwater dat
daarbij rekening wordt gehouden met de voorkeursvolgorde aangegeven
in artikel 10.29a van de wet;
equivalent geluidsniveau: equivalent geluidsniveau als bedoeld in
artikel 1 van de Wet geluidhinder;
etmaalwaarde: de hoogste van de volgende drie waarden:
a. de waarde van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAR, LT)
tussen 07.00 en 19.00 uur (dag);
b. de met 5 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAR, LT) tussen 19.00 en 23.00 uur (avond);
c. de met 10 dB(A) verhoogde waarde van het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAR, LT) tussen 23.00 en 07.00 uur (nacht);
gasdrukmeet- en regelstation categorie A: gasdrukmeet- en regelstation
met:
– een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 650 normaal kubieke
meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die
kleiner of gelijk aan 0,1 bar is;
– een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 10 normaal kubieke
meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die
kleiner of gelijk aan 16 bar is;
gasdrukmeet- en regelstation categorie B: gasdrukmeet- en regelstation
met een ontwerpcapaciteit die kleiner of gelijk aan 6000 normaal kubieke
meter per uur is met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die
kleiner of gelijk aan 16 bar is, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation
categorie A;
gasdrukmeet- en regelstation categorie C: gasdrukmeet- en regelstation
met een maximale operationele inlaatzijdige werkdruk die kleiner of gelijk
aan 100 bar is, niet zijnde een gasdrukmeet- en regelstation categorie A of
gasdrukmeet- en regelstation categorie B;
gasfles: een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet
meer dan 150 liter;
geluidsgevoelige ruimte: geluidsgevoelige ruimte als bedoeld in artikel
1 van de Wet geluidhinder;
geluidsniveau: geluidsniveau in dB(A) als bedoeld in artikel 1 van de
Wet geluidhinder;
gevaarlijke stoffen: stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer
volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen
voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen
aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code;
gevel: gevel als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vijfde lid, van de
Wet geluidhinder;
gevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel
1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als andere geluidsgevoelige
gebouwen, met uitzondering van die gebouwen behorende bij
de betreffende inrichting;
gevoelige objecten: gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen;
gevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet
geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen, met
uitzondering van die terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
Staatsblad 2007 415 3
gezoneerd industrieterrein: industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van
de Wet geluidhinder;
koelinstallatie: een combinatie van met koudemiddel gevulde onderdelen
die met elkaar zijn verbonden en die tezamen een gesloten
koudemiddelcircuit vormen waarin het koudemiddel circuleert met het
doel warmte op te nemen of af te staan;
kwetsbaar object: kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel m, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;
landbouwinrichting: inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit
landbouw milieubeheer;
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: (LAr,LT) het gemiddelde van de
afwisselende niveaus van het ter plaatse optredende geluid, gemeten in
een bepaalde periode en vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de
Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
lekbak: een voorziening waarvan de bodembeschermende werking door
de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd,
en die zich rondom of onder een bodembedreigende activiteit
bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of
wegspattende vloeistoffen op te vangen;
lozen: het brengen van:
1°. afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een
ander werk is aangesloten, of op een andere wijze dan met behulp van
een werk;
2°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;
3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;
4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;
5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;
6°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, of
7°. afvalwater of andere afvalstoffen met behulp van een werk niet
zijnde een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater
op een zuiveringstechnisch werk;
LQ: Limited Quantities, gelimiteerde hoeveelheden als bedoeld in het
ADR;
massastroom: massa van een bepaalde stof of stoffen die per tijdseenheid
wordt geëmitteerd, uitgedrukt in massa per uur;
maximaal geluidsniveau: (LAmax) maximaal geluidsniveau gemeten in
de meterstand «F» of «fast», als vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig
de Handleiding meten en rekenen industrielawaai;
meststoffengroep: aanduiding van de gevaarscategorie van vaste
minerale anorganische meststoffen overeenkomstig de indeling van
PGS 7;
NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven
norm;
NeR: door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;
noodsignalen: noodsignalen die onder de klasse 1.3 of klasse 1.4 van
het ADR vallen;
normaal kubieke meter: afgashoeveelheid bij 273,15 Kelvin en 101,3 kilo
Pascal en betrokken op droge lucht;
NRB: door InfoMil uitgegeven Nederlandse richtlijn bodembescherming
bedrijfsmatige activiteiten;
oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere
bescherming behoeven: oppervlaktewateren die op grond van artikel 1.7,
eerste lid, onderdeel b, zijn aangewezen;
opslagtank: een opslagvoorziening voor gas met een inhoud van ten
minste 150 liter of een opslagvoorziening voor vloeistof met een inhoud
van ten minste 300 liter, uitgezonderd een intermediate bulk container die
voldoet aan hoofdstuk 6.5 van het ADR;
Staatsblad 2007 415 4
PER: tetrachlooretheen;
PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen;
pleziervaartuig: schip bestemd of gebruikt voor sport of
vrijetijdsbesteding;
propaan: product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan en propeen, met
geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, voor zover de
dampspanning bij 343 Kelvin (70 graden Celsius) ten hoogste 3100
kilopascal (31 bar) bedraagt;
richtlijn 2003/30/EG: richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees Parlement
en de Raad van de Europese Unie van 8 mei 2003 (PbEU L 123) ter
bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare
brandstoffen in het vervoer;
rookzwak kruit: kruit dat onder de klasse 1.3 van het ADR valt;
spuitbus: niet-hervulbare houder van metaal, glas of kunststof die een
samengeperst, vloeibaar gemaakt of opgelost gas bevat, al dan niet met
een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien van een
aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in
de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in
de vorm van schuim, pasta of poeder of in vloeibare of gasvormige
toestand;
systeem voor dampretour Stage-II: geheel van vulpistool, slang,
appendages, regelinstrumenten en overige toebehoren waarmee de bij
het afleveren van benzine aan motorvoertuigen voor het wegverkeer uit
het brandstofreservoir van het motorvoertuig verdreven dampen worden
teruggevoerd in de ondergrondse opslagtank van het tankstation;
theatervuurwerk: theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid,
van het Vuurwerkbesluit;
verblijfsruimten: verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel e,
van het Besluit geluidhinder;
verbruik van vluchtige organische stoffen: verbruik van vluchtige
organische stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit omzetting
EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
verpakkingsgroep: een groep, waarin bepaalde stoffen op grond van
hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer conform het ADR zijn ingedeeld
voor verpakkingsdoeleinden:
1°. verpakkingsgroep I: zeer gevaarlijke stoffen;
2°. verpakkingsgroep II: gevaarlijke stoffen;
3°. verpakkingsgroep III: minder gevaarlijke stoffen;
vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen: een voertuig, oplegger of
aanhanger met een conform het ADR voor het vervoer van gevaarlijke
stoffen toegelaten tank, tankcontainer, tankbatterij, laadketel, laadruimte
of laadvloer waarin gevaarlijke stoffen aanwezig zijn;
verwaarloosbaar bodemrisico: een situatie als bedoeld in de NRB
waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen
en bodembeschermende maatregelen de kans op een verandering
van de bodemkwaliteit, ten gevolge van een immissie van een stof,
verwaarloosbaar is gemaakt;
vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in
de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns;
vloeistofdichte vloer of verharding: vloer of verharding direct op de
bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste
zijde van die vloer of verharding kan komen;
vloeistofkerende voorziening: lekbak, tankput, vloer, verharding of een
andere doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert
zolang als nodig is om met de daarop afgestemde bodembeschermende
maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in de bodem kunnen geraken;
vluchtige organische stoffen: stoffen als bedoeld in het Oplosmiddelenbesluit
omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer;
Staatsblad 2007 415 5
voorziening voor het beheer van afvalwater: een openbaar vuilwaterriool,
openbaar hemelwaterstelsel, openbaar ontwateringstelsel, een
andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater,
een zuiveringstechnisch werk of een zuiveringsvoorziening;
vuilwaterriool:
1°. een openbaar vuilwaterriool;
2°. een andere voorziening voor de inzameling en het transport van
stedelijk afvalwater, aangesloten op een zuiveringsvoorziening, die
blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater
is bedoeld, of aangesloten op een zuiveringstechnisch werk; of
3°. een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;
vuurwerk: vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het
Vuurwerkbesluit;
warmtekrachtinstallatie: installatie voor het gelijktijdig opwekken van
warmte en kracht waarbij de warmte nuttig wordt aangewend;
waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3
van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren bevoegd zou zijn een
vergunning op grond van die wet te verlenen;
woning: een gebouw of een deel van een gebouw dat voor bewoning
wordt gebruikt of daartoe is bestemd;
zuiveringstechnisch werk: werk voor het zuiveren van stedelijk
afvalwater, in beheer bij een waterschap of gemeente of in exploitatie bij
een rechtspersoon die door het bestuur van een waterschap of een
gemeente met de zuivering van stedelijk afvalwater is belast;
zuiveringsvoorziening: werk voor het zuiveren van afvalwater, dat geen
zuiveringstechnisch werk is;
zwart kruit: kruit dat onder de klasse 1.1 van het ADR valt.
2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien
van emissies naar de lucht, verstaan onder:
bron: emissie naar de lucht van een bewerkingseenheid al dan niet
voorzien van emissiebeperkende voorzieningen en ongeacht de vraag of
die emissie gecombineerd met andere emissies wordt geloosd op één of
meer puntbronnen;
emissieconcentratie-eis: per bron voor onderscheiden afgascomponenten
als bovengrens te hanteren emissieconcentratie ten aanzien van
emissies naar de lucht, uitgedrukt in massa per normaal kubieke meter;
grensmassastroom: een drempelwaarde per stofklasse, uitgedrukt in
gram emissie per uur, waarboven een emissie naar de lucht als relevant
beschouwd wordt;
meetmethode: het geheel van monsterneming, monsterbehandeling en
analyse ten behoeve van de kwantificering van emissies;
stofcategorie: clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische
of chemische eigenschappen, overeenkomstig paragraaf 4.4 van de NeR;
stofklasse: onderverdeling binnen een stofcategorie op basis van
vergelijkbare (toxicologische) eigenschappen, overeenkomstig paragraaf
4.5 van de NeR;
gA: gasvormige anorganische stoffen als bedoeld in de NeR;
gO: gasvormige organische stoffen als bedoeld in de NeR;
MVP: minimalisatieverplichte stoffen als bedoeld in de NeR;
puntbron: een gefixeerd punt van gekanaliseerde en daarmee in
principe kwantificeerbare emissies naar de lucht;
S: totaal stof, als bedoeld in de NeR;
sO: stofvormige organische stoffen als bedoeld in de NeR;
sA: stofvormige anorganische stoffen als bedoeld in de NeR.
Staatsblad 2007 415 6
Artikel 1.2
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
bevoegd gezag: het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 1.1 van de wet,
alsmede het bestuursorgaan dat bevoegd zou zijn een vergunning
krachtens artikel 8.1 van de wet voor de betrokken inrichting te verlenen
of de waterkwaliteitsbeheerder, indien het lozen betreft als bedoeld in
artikel 1, eerste tot en met vierde lid, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren en de uitzondering, bedoeld in artikel 1, tweede lid,
eerste zin, van die wet niet van toepassing is;
inrichting type A: een inrichting:
a. waarvoor op grond van artikel 8.1 van de wet geen vergunning is
vereist;
b. waar, indien binnen een afstand van 50 meter van de grens van de
inrichting gevoelige objecten aanwezig zijn, in de periode tussen 19.00 en
7.00 uur gemiddeld vier of minder transportbewegingen, als bedoeld in
artikel 1.11, eerste lid, plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de
massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer
dan 3500 kilogram is;
c. waarbij mede op basis van de aard van de inrichting, niet aannemelijk
is dat in enig vertrek van de inrichting het equivalente geluidsniveau (Leq)
veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve
bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1°. 70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met
gevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is;
d. waar in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting geen
muziek ten gehore wordt gebracht;
e. waar geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing
behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kilogram koudemiddel; en
f. waarbinnen geen van de in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de
hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen
milieubeheer genoemde activiteiten of slechts één of meer van de
volgende activiteiten dan wel deelactiviteiten worden verricht:
1°. het vervaardigen van voedingsmiddelen voor personen die wonen of
werken in de inrichting;
2°. het in werking hebben van stookinstallaties voor de verwarming van
gebouwen;
3°. het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage voor
maximaal 30 personenauto’s;
4°. het aanwezig hebben van een noodstroomaggregaat dat niet meer
dan 50 uren per jaar in werking is;
5°. het lozen van huishoudelijk afvalwater in een vuilwaterriool;
6°. het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een
bodembeschermende voorziening;
7°. het lozen van koelwater anders dan in een vuilwaterriool;
8°. het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater als
bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, op of in de bodem;
9°. het opslaan in opslagtanks van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen
of minerale olie;
10°. het opslaan in verpakking van stoffen niet zijnde gevaarlijke stoffen;
en
inrichting type B: een inrichting waarvoor op grond van artikel 8.1 van
de wet geen vergunning is vereist en die geen inrichting type A of C is;
inrichting type C: een inrichting:
a. die behoort tot een categorie van inrichtingen die op grond van
artikel 8.1, tweede lid, van de wet is aangewezen;
b. die een landbouwinrichting is;
Staatsblad 2007 415 7
c. die een glastuinbouwbedrijf type B als bedoeld in het Besluit
glastuinbouw is; of
d. die uitsluitend bestaat uit één of meer bassins voor het bewaren van
dunne mest als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdelen b, c en d, van
het Besluit mestbassins milieubeheer;
maatwerkvoorschrift: voorschrift als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid,
van de wet, inhoudende:
a. een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt;
dan wel
b. een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen
bepalingen niet van toepassing verklaart al dan niet onder het stellen van
beperkingen of voorwaarden;
vergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet;
wet: de Wet milieubeheer.
Artikel 1.3
1. Met goederen als bedoeld bij of krachtens dit besluit worden
gelijkgesteld desbetreffende goederen die rechtmatig zijn vervaardigd of
in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie of
in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij
een tot een douane-unie strekkend Verdrag, dan wel rechtmatig zijn
vervaardigd in een staat die partij is bij een tot een vrijhandelszone
strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die voldoen aan eisen die een
beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het
niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
2. Met keuringsverklaringen als bedoeld bij of krachtens dit besluit
worden gelijkgesteld keuringsverklaringen, afgegeven door een onafhankelijke
keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan
wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is
bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend Verdrag dat
Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen
die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig
is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
3. Met beroepseisen als bedoeld bij of krachtens dit besluit worden
gelijkgesteld beroepseisen die worden gesteld in een andere lidstaat van
de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de
Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe
strekkend Verdrag dat Nederland bindt, en die een beroepsniveau
waarborgen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de
nationale eisen wordt nagestreefd.
§ 1.1.2 Reikwijdte en andere procedurele bepalingen
Artikel 1.4
1. Degene die een inrichting type A drijft voldoet aan de bij of krachtens
dit besluit gestelde regels. Afdeling 1.2 is niet van toepassing ten aanzien
van een inrichting type A.
2. Degene die een inrichting type B drijft voldoet aan de bij of krachtens
dit besluit gestelde regels.
3. Degene die een inrichting type C drijft voldoet aan de regels gesteld
bij of krachtens:
a. hoofdstuk 3;
b. paragraaf 4.1.5 voor zover dit betrekking heeft op het brengen van
afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen
in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander
werk is aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk;
c. artikel 4.18 ten aanzien van een warmtekrachtinstallatie waarop
paragraaf 3.2.1, van toepassing is;
Staatsblad 2007 415 8
d. artikel 4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3.000 liter
gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in
artikel 3.17, betreft;
e. paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen die
gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen;
f. hoofdstuk 1, afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 van hoofdstuk 2 en
hoofdstuk 6, voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of
deelactiviteiten van de inrichting, bedoeld in onderdelen a tot en met e.
4. Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoet een ieder die loost
vanuit een inrichting type A of B voor het lozen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder
bevoegd gezag is aan de bij of krachtens dit besluit
gestelde regels, met uitzondering van afdeling 1.2.
5. Onverminderd het derde lid, voldoet een ieder die loost vanuit een
inrichting type C voor het lozen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder
bevoegd gezag is aan de regels genoemd in het derde lid, met uitzondering
van afdeling 1.2.
Artikel 1.5
De in artikel 8.1, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van
inrichtingen worden in bijlage 1 genoemd.
Artikel 1.6
1. De bij of krachtens artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
gestelde verboden gelden niet voor het lozen vanuit:
a. inrichtingen type A of inrichtingen type B; of
b. inrichtingen type C, voor zover het lozen betrekking heeft op de
activiteiten genoemd in:
– hoofdstuk 3;
– paragraaf 4.1.5 indien het brengen van afvalwater of andere afvalstoffen,
verontreinigende of schadelijke stoffen in het oppervlaktewater,
met behulp van een werk dat niet op een ander werk is aangesloten of op
een andere wijze dan met behulp van een werk betreft.
2. Dit besluit is niet van toepassing op:
a. het in het oppervlaktewater:
1°. in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;
2°. aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan van grond of baggerspecie
alsmede het houden van die aangebrachte of tijdelijk opgeslagen
grond of baggerspecie;
b. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Lozingenbesluit
Wvo vaste objecten;
c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater
ten gevolge van agrarische activiteiten als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
dan wel activiteiten die daarmee verband houden;
d. het lozen op of in de bodem ten gevolge van agrarische activiteiten
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit
open teelt en veehouderij, dan wel van activiteiten die daarmee verband
houden;
e. het lozen waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit
landbouw milieubeheer.
Artikel 1.7
1. Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat:
a. ter bescherming van het milieu regels worden gesteld ter uitwerking
van de hoofdstukken 2, 3 en 4;
Staatsblad 2007 415 9
b. ter uitwerking van de bij of krachtens dit besluit voor het lozen in het
oppervlaktewater gestelde regels, oppervlaktewateren worden aangewezen,
die met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming
behoeven; en
c. bodembedreigende activiteiten worden aangewezen, waarop afdeling
2.4 niet van toepassing is.
2. Bij ministeriële regeling kan in overeenstemming met Onze Minister
van Verkeer en Waterstaat de verplichting worden opgelegd te voldoen
aan maatwerkvoorschriften die nodig zijn ter bescherming van het milieu
gesteld door het bevoegd gezag met betrekking tot de regels, bedoeld in
het eerste lid, onderdeel a, en kan worden bepaald in welke mate die
maatwerkvoorschriften kunnen afwijken van de regels, bedoeld in
onderdeel a.
3. Bij ministeriële regeling worden in overeenstemming met Onze
Minister van Verkeer en Waterstaat regels gesteld omtrent de bij de
toepassing van dit besluit in acht te nemen tekst van:
a. de bij of krachtens dit besluit genoemde niet-publiekrechtelijke
regelingen;
b. de NeR; en
c. de NRB.
Artikel 1.8
Indien bij of krachtens dit besluit is bepaald dat een daarbij aangegeven
maatregel ter bescherming van het milieu moet worden toegepast kan
een andere maatregel worden toegepast indien het bevoegd gezag heeft
beslist dat met die maatregel ten minste een gelijkwaardig niveau van
bescherming van het milieu wordt bereikt.
Artikel 1.9
Van de beschikking waarbij bij of krachtens dit besluit een maatwerkvoorschrift
wordt gesteld, wordt kennisgegeven in één of meer
dagbladen, nieuwsbladen of huis-aan-huisbladen.
AFDELING 1.2 MELDING
Artikel 1.10
1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken
voor de oprichting aan het bevoegd gezag.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking
daarvan. Deze melding is niet vereist, indien eerder een melding
overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen
afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond
van de artikelen 1.11, 1.12, 1.13 en 1.14 geen andere gegevens zouden
moeten worden verstrekt.
3. Bij de melding worden de volgende gegevens verstrekt:
a. het adres en het nummer van de Kamer van Koophandel van de
inrichting;
b. de naam en het adres van degene die de inrichting opricht dan wel
verandert of de werking daarvan verandert, en, indien dit iemand anders
is, van degene die de inrichting drijft of zal drijven;
c. het tijdstip waarop de inrichting of de verandering daarvan in werking
zal worden gebracht, dan wel de verandering van de werking daarvan
verwezenlijkt zal zijn;
d. de aard en omvang van de activiteiten en processen in de inrichting;
Staatsblad 2007 415 10
e. de indeling en uitvoering van de inrichting, waarbij de grenzen van
het terrein van de inrichting, de ligging en de indeling van de gebouwen,
de functie van de te onderscheiden ruimten en de ligging van de
bedrijfsriolering en de plaats van de lozingspunten worden aangegeven;
en
f. een situatieschets, met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de
ligging van de inrichting ten opzichte van de omgeving is aangegeven en
die is voorzien van een noordpijl.
4. Het bestuursorgaan dat een melding ontvangt waarvoor een ander
bestuursorgaan mede bevoegd gezag is, stuurt onverwijld een kopie van
de melding aan dat andere bevoegde gezag. De melding wordt geacht
mede bij dat andere bevoegde gezag te zijn gedaan.
Artikel 1.11
1. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een
akoestisch onderzoek gevoegd indien tussen 19.00 en 7.00 uur naar
verwachting gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden
met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig
vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kilogram en binnen
een afstand van 50 meter van de grens van de inrichting gevoelige
objecten aanwezig zijn. Het gemiddelde als bedoeld in de eerste volzin
betreft een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. De eerste
volzin is niet van toepassing op inrichtingen voor de openbare verkoop
aan derden van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas voor het
wegverkeer en inrichtingen waar uitsluitend of in hoofdzaak horecaactiviteiten
plaatsvinden.
2. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een
akoestisch onderzoek gevoegd indien het, mede op basis van de aard van
de inrichting, aannemelijk is dat:
a. in enig vertrek van de inrichting het equivalente geluidsniveau (LAeq)
veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve
bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:
1°. 70 dB(A), indien dit vertrek in- of aanpandig is gelegen met
gevoelige gebouwen;
2°. 80 dB(A), indien onderdeel 1° niet van toepassing is; of
b. in de buitenlucht of op een open terrein van de inrichting muziek ten
gehore zal worden gebracht.
3. Bij de melding, bedoeld in artikel 1.10, wordt een rapport van een
akoestisch onderzoek gevoegd indien er sprake is van het omzetten van
windenergie in elektrische energie in één of meer windturbines en de
afstand van een windturbine tot het dichtstbijzijnde gevoelige object
kleiner is dan:
a. 100 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf
20 meter en tot 30 meter;
b. 200 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf
30 meter en tot 50 meter; en
c. 300 meter voor een windturbine met een rotordiameter vanaf
50 meter.
4. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapport
van een akoestisch onderzoek als bedoeld in het eerste, tweede, of derde
lid niet is vereist, indien aannemelijk is dat het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAr,LT) en de maximale geluidsniveaus (LAmax)
veroorzaakt door de inrichting niet meer bedragen dan de waarden,
bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20.
5. Indien er een melding is gedaan als bedoeld in artikel 1.10, eerste of
tweede lid, en aannemelijk is dat, in andere gevallen dan die genoemd in
het eerste, tweede en derde lid, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
(LAr,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de
inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de
Staatsblad 2007 415 11
inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten of veroorzaakt door de
verandering daarvan, meer bedragen dan de waarden, bedoeld in de
artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20, kan het bevoegd gezag binnen vier
weken na ontvangst van de melding besluiten dat binnen een door het
bevoegd gezag gestelde termijn een rapport van een akoestisch
onderzoek wordt overgelegd.
6. Het bevoegd gezag kan binnen vier weken na ontvangst van de
melding, bedoeld in artikel 1.10, besluiten dat een rapport van een
akoestisch onderzoek wordt overgelegd indien de inrichting is gelegen op
een gezoneerd industrieterrein en een rapport van een akoestisch
onderzoek noodzakelijk is voor zonebeheer.
7. Uit het rapport van een akoestisch onderzoek blijkt op grond van
verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of aan de waarden,
bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19 dan wel de op grond van artikel 2.20
door het bevoegd gezag vastgestelde waarde kan worden voldaan. In het
rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te
voorkomen dat de in de eerste volzin bedoelde waarden worden
overschreden.
8. Het akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de
Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
Artikel 1.12
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van
een lozing vanuit een bodemsanering of een proefbronnering als bedoeld
in artikel 3.1 de volgende gegevens gemeld:
a. het tijdstip van de aanvang, de verwachte duur en het maximale
debiet van het lozen; en
b. de oorzaak van de bodemverontreiniging.
Artikel 1.13
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van
een lozing van grondwater als bedoeld in artikel 3.2, derde, vierde,
zevende en negende lid, in het oppervlaktewater of in een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater, de volgende
gegevens gemeld:
a. het tijdstip van de aanvang, de verwachte duur en het maximale
debiet van het lozen; en
b. gegevens over de samenstelling van het te lozen grondwater, voor
zover die afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit.
Artikel 1.14
Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 worden indien sprake is van
een lozing van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater of op of
in de bodem als bedoeld in artikel 3.4 de volgende gegevens gemeld:
a. het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd; en
b. de wijze van behandeling van het afvalwater.
Artikel 1.15
Degene die een inrichting drijft verstrekt desgevraagd aan het bevoegd
gezag binnen de door dat bestuursorgaan gestelde redelijke termijn, voor
zover hij daarover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, alle gegevens
over stoffen en preparaten en producten waarin stoffen of preparaten zijn
verwerkt, die het bevoegd gezag redelijkerwijs nodig heeft voor het stellen
van maatwerkvoorschriften.
Staatsblad 2007 415 12
HOOFDSTUK 2 ALGEMENE REGELS TEN AANZIEN VAN ALLE
ACTIVITEITEN
AFDELING 2.1 ZORGPLICHT
Artikel 2.1
1. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen
weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten
werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu
ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen
of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde
regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet
mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
2. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige
gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. een doelmatig gebruik van energie;
b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van bodemverontreiniging;
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater;
d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de verontreiniging van het oppervlaktewater;
e. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van luchtverontreiniging;
f. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder;
g. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;
h. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van lichthinder;
i. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;
j. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van trillinghinder;
k. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken
van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen
en goederen van en naar de inrichting;
l. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
m. het zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting;
n. de bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen
voor het beheer van afvalwater;
o. het doelmatig beheer van afvalwater;
p. het doelmatig beheer van afvalstoffen;
q. het beschermen van de duisternis en het donkere landschap in door
het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
3. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting bedoeld in
het eerste lid maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende
aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze
maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door de inrichting
te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen,
berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de
mate waarin de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.
Staatsblad 2007 415 13
AFDELING 2.2 LOZINGEN
Artikel 2.2
1. Het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde
een vuilwaterriool, is verboden tenzij het lozen bij of krachtens de
artikelen 3.1 tot en met 3.6, 4.10, 4.11, 4.19, 4.104, 4.109, is toegestaan.
2. In afwijking van het eerste lid is lozen op of in de bodem verboden,
indien daarbij stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in
het grondwater geraken.
3. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het
eerste en tweede lid niet van toepassing zijn en dat lozen in het oppervlaktewater,
op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en
het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool is toegestaan
indien het belang van de bescherming van het milieu zich gelet op de
samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van de lozing daartegen
niet verzet.
4. Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid kunnen
voorwaarden worden gesteld met betrekking tot:
a. de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van de lozing en het
meten en registreren daarvan;
b. te treffen maatregelen;
c. de duur van de lozing; en
d. de plaats van het lozingspunt.
5. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op lozen in de
bodem waaraan in een vergunning op grond van artikel 14 van de
Grondwaterwet voorschriften zijn gesteld.
6. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het derde lid een
lozing betreft die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kan hebben, is op
de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift afdeling 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 2.3
1. Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen
voor het lozen worden uitgevoerd volgens:
a. NEN 6966 en NEN 6966/C1 ten aanzien van arseen, cadmium,
chroom, ijzer, koper, nikkel, lood, tin, zilver en zink, waarbij de ontsluiting
van de elementen plaats vindt volgens NEN-EN-ISO 15587-1 en NEN 6961;
b. NEN-EN-1483 ten aanzien van kwik;
c. NEN-EN-ISO 14403 ten aanzien van vrij cyanide in afvalwater;
d. NEN-EN-ISO 15680 ten aanzien van benzeen, tolueen, ethylbenzeen,
xyleen en naftaleen;
e. NEN 6401 ten aanzien van vluchtige organohalogeenverbindingen;
f. NEN-EN-ISO 6468 ten aanzien van aromatische organohalogeenverbindingen;
g. NEN-EN-ISO 10301 ten aanzien van PER, trichlooretheen,
1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan en vinylchloride;
h. NEN 6676 ten aanzien van extraheerbare organohalogeenverbindingen;
i. NEN-EN-ISO 9377-2 ten aanzien van olie;
j. NEN-EN-ISO 17993 ten aanzien van polyaromatische koolwaterstoffen;
k. ISO 5815-1/2:2003 of NEN-EN 1899-1/2 ten aanzien van het biochemisch
zuurstof verbruik;
l. NEN-ISO 15705 ten aanzien van het chemisch zuurstof verbruik;
m. NEN 6499 ten aanzien van onopgeloste bestanddelen;
n. NEN-EN-ISO 15682 ten aanzien van chloride;
o. NEN-EN-ISO 10304-2 ten aanzien van sulfaat;
p. NEN-EN-ISO 15681-1/2 ten aanzien van fosfaat;
Staatsblad 2007 415 14
q. NEN 6646, NEN-EN-ISO 11732 of NEN 6604 ten aanzien van
ammoniumstikstof;
r. NEN-ISO 5813 of NEN-ISO 5814 ten aanzien van het zuurstofgehalte;
s. NEN-EN 872 ten aanzien van zwevend stof;
t. NEN-ISO 15681-1 en NEN-ISO 15681-2 ten aanzien van fosfor totaal;
u. NEN 6414 ten aanzien van temperatuur; en
v. ISO 11083 ten aanzien van chroom VI.
2. De monstername ten behoeve van de emissiemetingen ter controle
van de naleving van de emissie-eisen voor het lozen wordt uitgevoerd
volgens NEN-6600-1 en de conservering van het monster wordt uitgevoerd
volgens NEN-EN-ISO 5667-3. Het monster wordt niet gefiltreerd en
de onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen andere methoden
voor emissiemetingen, monstername en conservering worden gebruikt,
indien deze gelijkwaardig zijn aan de in die leden genoemde methoden.
AFDELING 2.3 LUCHT
Artikel 2.4
De artikelen 2.5 en 2.6 zijn uitsluitend van toepassing op emissies van
stoffen bij activiteiten waarvoor bij of krachtens de artikelen 4.13, 4.21,
4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met
4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68, ten aanzien van emissies
naar de lucht regels zijn gesteld.
Artikel 2.5
1. Indien de som van de onder normale procesomstandigheden
gedurende één uur optredende massastromen van stoffen naar de lucht
binnen een zelfde stofklasse vanuit alle bronnen in de inrichting de in
tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt,
emitteren al die bronnen afzonderlijk niet meer dan de in tabel 2.5
opgenomen emissieconcentratie-eis behorende bij die stofklasse.
2. Voor stofklasse S geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:
a. niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter emitteren,
indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale
procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen
van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is
aan 200 gram per uur; of
b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter emitteren,
indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale
procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen
van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan
200 gram per uur.
3. Voor stofklasse sO geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:
a. niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter emitteren,
indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale
procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen
van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is
aan 100 gram per uur; of
b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter emitteren,
indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale
procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen
van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan
100 gram per uur.
4. Indien voor een bron geen filtrerende afscheider kan worden
toegepast, emitteert deze bron in afwijking van het tweede lid, onderdeel
a, en derde lid, onderdeel a, afzonderlijk niet meer dan 20 milligram per
normaal kubieke meter.
Staatsblad 2007 415 15
5. Onverminderd het eerste lid is voor de stofcategorieën MVP, sA en
gO de in tabel 2.5 bij die stofklasse genoemde emmissieconcentratie-eis
voor alle bronnen afzonderlijk van toepassing indien:
a. de gedurende één uur optredende massastromen van stoffen uit een
stofklasse genoemd in tabel 2.5 tezamen met de gedurende hetzelfde uur
optredende massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere
stofklasse genoemd in die tabel, vanuit alle bronnen in de inrichting de in
die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde stofklasse
overschrijdt;
b. de gedurende één uur optredende massastromen van afzonderlijke
stofklassen binnen één stofcategorie tezamen vanuit alle bronnen in de
inrichting de in tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste
stofklasse genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt.
6. Indien eisen zijn gesteld aan de emissie van chroom VI-verbindingen
wordt ten aanzien van de berekeningen in het eerste en vijfde lid gerekend
met de afwijkende massastroom en emissieconcentratie-eis zoals
opgenomen in de betreffende artikelen van hoofdstuk 4.
Tabel 2.5
Stofcategorie Stofklasse Grensmassastroom
g/uur
Emissieconcentratie-eis
Milligram per normaal
kubieke meter
MVP MVP1 0,15 0,05
MVP2 2,5 1
sA sA.1 0,25 0,05
sA.2 2,5 0,5
sA.3 10 5
gA gA.1 2,5 0,5
gA.2 15 3
gA.3 150 30
gA.4 2000 50
gA.5 2000 200
gO gO.1 100 20
gO.2 500 50
gO.3 500 100
Artikel 2.6
Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in
tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens gelden in afwijking van artikel 2.5
en de emissieconcentratie-eisen voor stoffen waarvoor in hoofdstuk 4
eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld, de daarin
genoemde emissieconcentratie-eisen niet voor de emissie van die bron.
Tabel 2.6
Stofcategorie Stofklasse Vrijstellingsgrens
(kilogram per jaar)
MVP MVP1 0,075
MVP2 1,25
Staatsblad 2007 415 16
Stofcategorie Stofklasse Vrijstellingsgrens
(kilogram per jaar)
S S 100
sO sO 50
sA sA.1 0,125
sA.2 1,25
sA.3 5
gA gA.1 1,25
gA.2 7,5
gA.3 75
gA.4 1000
gA.5 1000
gO gO.1 50
gO.2 250
gO.3 250
Artikel 2.7
1. Indien de NeR daartoe aanleiding geeft kan het bevoegd gezag de
emissieconcentratie-eisen, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, en de
emissieconcentratie-eisen voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3 en
4 eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht zijn gesteld, bij
maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en met inachtneming
van de NeR ten aanzien van stoffen genoemd in die artikelen en hoofdstukken
andere emissieconcentratie-eisen dan wel andere eisen stellen ter
beperking van de emissies naar de lucht.
2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht als bedoeld in de
artikelen 2.5 en 2.6 ten aanzien van alle activiteiten waarvoor bij of
krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen ten aanzien van emissies naar de
lucht zijn gesteld indien:
a. de inrichting een andere maatregel heeft gekozen dan de maatregel
die is erkend op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in 1.7;
b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de
geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel
onderhoud nodig is dan wel er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte
van de emissies;
c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven;
d. de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de
emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.
3. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende
techniek die door de inrichting wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6,
4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44
tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65 en 4.68 te voldoen indien
geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud
is verricht aan de emissiebeperkende techniek.
Staatsblad 2007 415 17
Artikel 2.8
1. Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat
daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen
worden toegepast en degene die de inrichting drijft op een andere wijze
voldoet aan de eisen ten aanzien van de emissies naar de lucht van
stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld:
a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag éénmalig aangetoond of de
grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3
en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden
worden; of
b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag indien één of meer
grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden,
éénmalig aangetoond of voldaan wordt aan de emissie-eisen dan wel een
op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen
waarvoor in de artikelen 4.13, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35,
4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65
en 4.68, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door
middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening
mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met
uitzondering van bronnen waarvan aangetoond dat de massastroom lager
is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing
op een verandering van de inrichting indien de verandering naar
verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.
3. Emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen
worden uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR en volgens:
a. NEN-EN 13284-1, dan wel in het geval van continue metingen,
volgens NEN-EN 13284-2, ten aanzien van totaal stof;
b. ISO 16740, ten aanzien van chroom VI -verbindingen;
c. NEN-EN 14385, ten aanzien van zware metalen;
d. NEN-EN 1911-1, 1911-2 en 1911-3, dan wel in het geval van continue
metingen volgens VDI 3480-3, ten aanzien van zoutzuur;
e. NEN 2819, ten aanzien van waterstoffluoride;
f. NEN-EN 14792, dan wel in het geval van continue metingen volgens
NEN-ISO 10849, ten aanzien van stikstofoxiden; en
g. NEN 2826, ten aanzien van ammoniak.
4. Toetsing van emissiemetingen aan de emissieconcentratie-eisen als
bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4 vindt plaats overeenkomstig
paragraaf 3.7 van de NeR.
5. In afwijking van het derde lid kunnen andere bepalingsmethoden
worden gebruikt indien deze gelijkwaardig zijn aan de in dat lid genoemde
methoden.
AFDELING 2.4 BODEM
Artikel 2.9
1. Indien in een inrichting een bodembedreigende activiteit wordt
verricht worden bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende
maatregelen getroffen waarmee een verwaarloosbaar
bodemrisico wordt gerealiseerd.
2. De bodembeschermde voorzieningen en bodembeschermende
maatregelen voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen in
verband met de goede werking van die voorzieningen en maatregelen, en
omtrent de controle van die eisen alsmede aan de bij ministeriële regeling
gestelde eisen in verband met de mogelijkheid om bodemverontreiniging
te kunnen signaleren.
Staatsblad 2007 415 18
Artikel 2.10
1. Om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voldoet een
ondergrondse opslagtank aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen
in verband met:
a. de goede werking van die opslagtank;
b. de mogelijkheid om bodemverontreiniging te kunnen signaleren.
2. Een kathodische bescherming voldoet aan de bij ministeriële
regeling gestelde eisen in verband met de goede werking van die
bescherming.
Artikel 2.11
1. Indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit wordt
verricht, wordt uiterlijk binnen drie maanden na oprichting van de
inrichting, een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de
bodemkwaliteit toegestuurd aan het bevoegd gezag.
2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot het uitvoeren van een onderzoek naar de bodemkwaliteit bij
een verandering van de inrichting, indien het gelet op de aard of de mate
waarin de inrichting verandert, nodig is de bodemkwaliteit vast te leggen
met het oog op een mogelijke aantasting of verontreiniging van de bodem
die kan of is ontstaan door een bodembedreigende activiteit.
3. Indien in de inrichting een bodembedreigende activiteit is verricht
wordt uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting of na
beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in
een ondergrondse opslagtank, een rapport met de resultaten van een
onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag.
In dit rapport wordt ten minste vermeld:
a. de naam en adres van degene die het onderzoek heeft verricht;
b. de wijze waarop het onderzoek is verricht;
c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigende stoffen en
de herkomst daarvan;
d. de mate waarin de bodemkwaliteit is gewijzigd ten opzichte van de
situatie bij de oprichting of de verandering van de inrichting voor zover
die situatie is vastgelegd in een rapport;
e. de wijze waarop en de mate waarin de bodemkwaliteit wordt hersteld
als bedoeld in het vijfde lid.
4. De onderzoeken en rapporten, bedoeld in het eerste, tweede en
derde lid, worden uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een
persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op
grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.
5. Indien uit het rapport, bedoeld in het derde lid, blijkt dat de bodem
als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd,
draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes
maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de
bodemkwaliteit is hersteld tot:
a. de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting voor zover
die situatie is vastgelegd in een rapport;
b. de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit
indien er geen rapport als bedoeld in onderdeel a beschikbaar is. Herstel
vindt plaats zover dat met de best beschikbare technieken redelijkerwijs
haalbaar is.
6. Het herstel van de bodemkwaliteit als bedoeld in het vijfde lid
geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een
erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.
7. Degene die de inrichting drijft meldt de aanvang en de afronding van
de werkzaamheden, bedoeld in het vijfde lid, direct aan het bevoegd
gezag.
Staatsblad 2007 415 19
8. De onderzoeken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, richten
zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden
ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of
vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten
plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden.
9. Een aanwezige vloeistofdichte vloer of verharding wordt ten behoeve
van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid of tweede lid, niet doorboord
of anderszins aangetast.
AFDELING 2.5 AFVALBEHEER
Artikel 2.12
1. Gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de bijlage van de Regeling
scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen worden van
elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en
gescheiden afgegeven.
2. Andere dan de in het eerste lid bedoelde afvalstoffen worden
gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dit
redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
Artikel 2.13
Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren,
verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen die uit de
inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een
straal van 25 meter van de inrichting.
Artikel 2.14
Indien binnen een inrichting een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof
of textiel als grondstof wordt ingezet voor het vervaardigen, samenstellen
of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal,
hout, kunststof of textiel en de eigenschappen van de afvalstof afwijken
van de gangbare grondstof kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften
stellen om nadelige gevolgen voor het milieu die kunnen
ontstaan door het afwijken van de eigenschappen, te voorkomen of voor
zover dat niet mogelijk is te beperken.
AFDELING 2.6 ENERGIEBESPARING
Artikel 2.15
1. Degene die de inrichting drijft neemt alle bekende energiebesparende
maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder of die
een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van
15%.
2. Indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het eerste lid, kan
het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft waarvan het energieverbruik
in enig kalenderjaar groter is dan 200.000 kilowatt uur aan
elektriciteit of groter is dan 75.000 kubieke meter aardgasequivalenten aan
brandstoffen, verplichten om binnen een door het bevoegd gezag te
bepalen termijn, onderzoek te verrichten of te laten verrichten waaruit
blijkt of aan het eerste lid wordt voldaan.
3. Indien uit het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat niet
wordt voldaan aan het eerste lid, neemt degene die de inrichting drijft de
in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen een door het bevoegd
gezag te bepalen redelijke termijn.
Staatsblad 2007 415 20
4. Het eerste lid is niet van toepassing indien het energiegebruik in de
inrichting in enig kalenderjaar kleiner is dan 50.000 kilowatt uur aan
elektriciteit of kleiner is dan 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten
aan brandstoffen.
AFDELING 2.7 VERKEER EN VERVOER
Artikel 2.16
1. Degene die een inrichting drijft, treft ten aanzien van het vervoer van
de eigen werknemers van en naar de inrichting de in de ministeriële
regeling genoemde maatregelen, waarbij kan worden bepaald dat
maatregelen worden getroffen die tezamen ten minste het op grond van
die ministeriële regeling benodigde aantal punten behalen.
2. Indien in de inrichting meer dan 500 werknemers werkzaam zijn kan
het bevoegd gezag degene die de inrichting drijft verplichten om binnen
een door het bevoegd gezag te bepalen termijn onderzoek naar personenvervoer
te verrichten of te laten verrichten waaruit blijkt welke aanvullende
maatregelen kunnen worden toegepast. Het bevoegd gezag kan
naar aanleiding van dat onderzoek bij maatwerkvoorschrift aanvullende
maatregelen voorschrijven.
3. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een lager
aantal punten dan het in de ministeriële regeling vastgestelde puntenaantal
vaststellen indien degene die de inrichting drijft aantoont dat het
gezien de aard en ligging van de inrichting op geen enkele manier
mogelijk is om het puntenaantal zoals opgenomen in de ministeriële
regeling te bereiken.
4. Het eerste lid is niet van toepassing indien er in de inrichting minder
dan 50 werknemers werkzaam zijn.
AFDELING 2.8 GELUIDHINDER
Artikel 2.17
1. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het
maximaal geluidsniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting
aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting
verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten
behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet
meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a
07:00–19:00
uur
19:00–23:00
uur
23:00–07:00
uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
LAr,LTLT in in- en aanpandige gevoelige
gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen
maximale geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op laad- en
losactiviteiten;
Staatsblad 2007 415 21
c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige
gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of
doen uitvoeren van geluidsmetingen;
d. de in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het
woningen betreft gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten;
en
f. de in tabel 2.17a aangegeven waarden niet gelden op gevoelige
objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
2. Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een gezoneerd
industrieterrein, waarbij binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige
objecten, anders dan gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde
industrieterrein, zijn gelegen, bedraagt in afwijking van het eerste lid, het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de
inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door die inrichting
verrichte werkzaamheden en activiteiten niet meer dan de in tabel 2.17b
bij het betreffende tijdstip aangegeven waarde.
Tabel 2.17b
07.00–19.00
uur
19.00–23.00
uur
23.00–07.00
uur
LAr,LT op een afstand van 50 meter vanaf de
grens van de inrichting 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)
3. Ten aanzien van een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein,
bedragen in afwijking van het eerste lid, het langtijdgemiddelde
beoordelingsniveau (LAR,LT) en het maximaal geluidsniveau (LAmax) op de
in tabel 2.17c genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer dan de in die
tabel aangegeven waarden. De in artikel 2.17c aangegeven waarden
binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen zijn niet van toepassing
indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming
geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.
De in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel zijn ook van
toepassing bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. De
waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen gelden in geluidsgevoelige
ruimten en verblijfsruimten.
Tabel 2.17c
07.00-19.00
uur
19.00-23.00
uur
23.00-07.00
uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen op
het bedrijventerrein 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
op het bedrijventerrein 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LA max op de gevel van gevoelige gebouwen op
het bedrijventerrein 75 dB(A) 70 dB(A) 65 dB(A)
LA max in in- en aanpandige gevoelige
gebouwen op het bedrijventerrein 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
4. In afwijking van het eerste en het tweede lid, geldt voor het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau
(LAmax), bij een inrichting voor openbare verkoop van vloeibare brandstoffen,
mengsmering of aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer, dat:
Staatsblad 2007 415 22
a. de geluidsniveaus op de in tabel 2.17d genoemde plaatsen en
tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b. de in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur in tabel 2.17d opgenomen
maximale geluidsniveaus (LAmax) niet van toepassing zijn op laad- en
losactiviteiten;
Tabel 2.17d
07:00–21:00 uur 21:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 40 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 60 dB(A)
c. de in tabel 2.17d aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
d. indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein en
binnen een afstand van 50 meter geen gevoelige objecten, anders dan
gevoelige objecten gelegen op het gezoneerde industrieterrein zijn
gelegen, de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
(LAr,LT) uit tabel 2.17d gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens
van de inrichting; en
e. de in tabel 2.17d aangegeven waarden niet gelden op gevoelige
objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.
Artikel 2.18
1. Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in de artikelen 2.17,
2.19 en 2.20, blijft buiten beschouwing:
a. het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt
terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden
aangemerkt als een binnenterrein;
b. het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting
voor sport- of recreatieactiviteiten;
c. het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van
godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of
levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid
in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;
d. het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens
het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang
op militaire inrichtingen;
e. het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door
militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met
een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen;
f. het ten gehore brengen van onversterkte muziek tenzij en voor zover
daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.
2. Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in artikel 2.17 wordt
voor muziekgeluid geen bedrijfsduurcorrectie toegepast.
3. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in
artikel 2.17 blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
a. het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of
in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden;
b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die
hiermee in nauw verband staan.
4. De maximale geluidsniveaus (LAmax), bedoeld in artikel 2.17 zijn
tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing ten aanzien van aandrijfgeluid
van motorvoertuigen bij laad- en losactiviteiten indien:
a. degene die de inrichting drijft aantoont dat het maximaal geluidsniveau
(LAmax), genoemd in tabel 2.17a, niet te bereiken is door het
treffen van maatregelen; en
Staatsblad 2007 415 23
b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van
het motorvoertuig niet hoger is van 65dB(A).
5. Bij gemeentelijke verordening kunnen ten behoeve van het
voorkomen van geluidhinder regels worden gesteld met betrekking tot het
ten gehore brengen van onversterkte muziek.
Artikel 2.19
1. Bij gemeentelijke verordening kunnen voorwaarden worden
vastgesteld op grond waarvan krachtens de verordening gebieden
worden aangewezen waarin de in de verordening opgenomen geluidsnormen
gelden die afwijken van de waarden, bedoeld in artikel 2.17 indien
de in dat artikel genoemde waarden gelet op de aard van de gebieden niet
passend zijn. Alvorens een gebied wordt aangewezen worden de
gevolgen hiervan voor de in die gebieden gelegen inrichtingen, de
bewoners van die gebieden en andere belanghebbenden in kaart
gebracht.
2. In een gebied als bedoeld in het eerste lid bedragen de waarden
binnen een geluidsgevoelige ruimte of een verblijfsruimte voor zover deze
niet zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, op de volgende
tijdstippen niet meer dan de in tabel 2.19 aangegeven waarden:
Tabel 2.19
07.00–19.00 uur 19.00–23.00 uur 23.00–07.00 uur
LAr,LT 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
LAmax 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
3. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in
het tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:
a. het komen en gaan van bezoekers bij inrichtingen waar uitsluitend of
in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten plaatsvinden;
b. het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die
hiermee in nauw verband staan.
4. De in het tweede lid genoemde waarden gelden niet indien de
gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het
in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen.
5. In een verordening als bedoeld in het eerste lid kan worden bepaald
dat het bevoegd gezag ten aanzien van een gebied dat krachtens de
verordening is aangewezen overeenkomstig artikel 2.20 maatwerkvoorschriften
kan stellen.
Artikel 2.20
1. In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, kan
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift andere waarden voor het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau
(LAmax) vaststellen.
2. Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen dan de
waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, indien geluidsgevoelige
ruimten dan wel verblijfsruimten van gevoelige gebouwen, die zijn
gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een
etmaalwaarde van maximaal 35 dB(A) wordt gewaarborgd.
3. De in het tweede lid bedoelde hogere etmaalwaarden zijn niet van
toepassing indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen
toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren
van geluidsmetingen.
Staatsblad 2007 415 24
4. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen over de plaats
waar de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19, voor een inrichting
gelden.
5. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen welke
technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht en welke
gedragsregels in acht worden genomen teneinde aan geldende geluidsnormen
te voldoen.
6. In afwijking van de waarden, bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.19 kan
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in
een inrichting, anders dan festiviteiten als bedoeld in artikel 2.21, andere
waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het
maximaal geluidsniveau (LAmax) vaststellen. Het bevoegd gezag kan
daarbij voorschriften vaststellen met betrekking tot de duur van de
activiteiten, het treffen van maatregelen, de tijdstippen waarop de
activiteiten plaatsvinden of het vooraf melden per keer dat de activiteit
plaatsvindt.
Artikel 2.21
1. De waarden bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 zijn voor zover
de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet
van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:
a. festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn
aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening
geldt;
b. andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting, waarbij het
aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen
of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar.
2. Bij of krachtens gemeentelijke verordening kunnen voorwaarden
worden verbonden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van
geluidhinder.
3. Een festiviteit als bedoeld in het eerste lid die maximaal een etmaal
duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd
als plaatshebbende op één dag.
Artikel 2.22
1. Bij het bepalen van het maximaal geluidsniveau (LAmax), bedoeld in
artikel 2.17, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van het
uitrukken van motorvoertuigen ten behoeve van ongevallenbestrijding en
brandbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.
2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot het treffen van technische en organisatorische maatregelen
ten aanzien van het uitrukken van motorvoertuigen bij ongevallenbestrijding
en brandbestrijding, indien dat bijzonder is aangewezen in het
belang van het milieu.
AFDELING 2.9 TRILLINGHINDER
Artikel 2.23
1. Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties
of toestellen alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden
of andere activiteiten, bedragen in geluidsgevoelige ruimten en
verblijfsruimten, met uitzondering van geluidsgevoelige ruimten en
verblijfsruimten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, niet meer dan
de trillingsterkte, genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn
deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting
Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen.
Staatsblad 2007 415 25
2. De waarden gelden niet indien de gebruiker van de geluidsgevoelige
ruimten of verblijfsruimten geen toestemming geeft voor het in
redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.
3. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet
van toepassing verklaren en een andere trillingsterkte toelaten. Deze
trillingsterkte is niet lager dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor
de gebouwfunctie wonen in de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B
«Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch
Rotterdam.
AFDELING 2.10 FINANCIËLE ZEKERHEID
Artikel 2.24
1. Degene die een inrichting drijft waarin vloeibare brandstof of
afgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt opgeslagen stelt door
verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de
aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als
gevolg van dat opslaan of het drijven van het tankstation. De eerste volzin
is niet van toepassing op het Rijk.
2. De zekerheid bedraagt € 225.000 per ondergrondse tank. Bij meer
dan zes ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal
€ 1.361.340,65.
3. De zekerheid wordt in stand gehouden vanaf het tijdstip waarop het
opslaan aanvangt tot vier weken na toezending van een rapport als
bedoeld in artikel 2.11, derde lid, aan het bevoegd gezag.
4. Indien uit een rapport als bedoeld in artikel 2.11, derde lid, blijkt dat
de bodem met vloeibare brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd,
wordt, in afwijking van het derde lid, de financiële zekerheid in
stand gehouden tot het tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene
die opslaat of een tankstation voor het wegverkeer drijft, schriftelijk
hebben verklaard dat de door hen nodig geachte maatregelen zijn
genomen. Degene die opslaat of een tankstation voor het wegverkeer
drijft, kan gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als
bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslissen op het verzoek
uiterlijk vier weken nadat het verzoek is verzonden.
Artikel 2.25
Degene die een inrichting drijft waarin vloeibare brandstof of
afgewerkte olie in een ondergrondse tank wordt opgeslagen, legt binnen
acht weken nadat hij met deze activiteit is aangevangen aan het bevoegd
gezag schriftelijk bewijsstukken over, waaruit blijkt dat:
a. wordt voldaan aan artikel 2.24, eerste en tweede lid;
b. voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor het
wegverkeer kan worden voldaan aan artikel 2.24, vierde lid;
c. degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de
aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, voor zover sprake is
van het drijven van een tankstation voor het wegverkeer, het bevoegd
gezag zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis zal stellen van het tijdstip
waarop die zekerheid is of zal komen te vervallen, alsmede van de
opneming van uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de
afgesloten overeenkomst die de gestelde zekerheid inperken; en
d. de persoon, bedoeld in onderdeel b, tot een jaar na de in dat
onderdeel bedoelde schriftelijke kennisgeving garant staat voor herstel of
vergoeding van schade die is ontstaan tijdens de looptijd van de
financiële zekerheid.
Staatsblad 2007 415 26
Artikel 2.26
Degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, draagt er zorg
voor dat de vorm van de financiële zekerheid en de hoedanigheid van
degene die contractueel instaat voor de financiële dekking van de
aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, niet wordt gewijzigd
dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is
overgelegd, waaruit blijkt dat de gewijzigde financiële zekerheid voldoet
aan artikel 2.24.
Artikel 2.27
Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam,
’s-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen
krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming,
en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in
verandering, treden voor de toepassing van artikel 2.24, vierde lid, in de
plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als
bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde
staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij die algemene
maatregel van bestuur zijn overgedragen.
HOOFDSTUK 3 BEPALINGEN MET BETREKKING TOT ACTIVITEITEN
IN INRICHTINGEN, TEVENS GELDEND VOOR INRICHTINGEN
TYPE C
AFDELING 3.1 AFVALWATERBEHEER
§ 3.1.1 Lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering
Artikel 3.1
1. Bij het lozen van grondwater vanuit een proefbronnering, die
plaatsvindt in het kader van een saneringsonderzoek in de zin van de Wet
bodembescherming, of vanuit een bodemsanering in de zin van de Wet
bodembescherming wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met
het negende lid.
2. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in oppervlaktewateren die met
het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet
zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien bij het lozen:
a. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt;
b. geen visuele verontreiniging plaatsvindt; en
c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1a niet
worden overschreden.
Tabel 3.1a
Stoffen Emissiegrenswaarde
BTEX-som 50 microgram per liter
Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 20 microgram per liter
Aromatische organohalogeenverbindingen 20 microgram per liter
Minerale olie 500 microgram per liter
Naftaleen 0,1 microgram per liter
PAK’s 0,003 microgram per liter
Staatsblad 2007 415 27
Stoffen Emissiegrenswaarde
Cadmium 4 microgram per liter
Kwik 1 microgram per liter
Koper 11 microgram per liter
Nikkel 41 microgram per liter
Lood 53 microgram per liter
Zink 120 microgram per liter
Chroom 24 microgram per liter
Onopgeloste bestanddelen 50 milligram per liter
3. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in andere oppervlaktewateren
dan de oppervlaktewateren als bedoeld in het tweede lid, is toegestaan,
indien bij het lozen:
a. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt;
b. geen visuele verontreiniging plaatsvindt; en
c. in enig steekmonster de emissiegrenswaarden van tabel 3.1b niet
worden overschreden.
Tabel 3.1b
Stoffen Emissiegrenswaarde
Benzeen 2 microgram per liter
Tolueen 7 microgram per liter
Ethylbenzeen 4 microgram per liter
Xyleen 4 microgram per liter
PER 3 microgram per liter
Trichlooretheen 20 microgram per liter
1,2-dichlooretheen 20 microgram per liter
1,1,1-trichloorethaan 20 microgram per liter
Vinylchloride 8 microgram per liter
Som van de vijf hierboven staande stoffen 20 microgram per liter
Monochloorbenzeen 7 microgram per liter
Dichloorbenzenen 3 microgram per liter
Trichloorbenzenen 1 microgram per liter
Minerale olie 50 microgram per liter
Naftaleen 0,01 microgram per liter
PAK’s 0,0003 microgram per liter
Cadmium 0,4 microgram per liter
Kwik 0,1 microgram per liter
Koper 1,1 microgram per liter
Nikkel 4,1 microgram per liter
Lood 5,3 microgram per liter
Staatsblad 2007 415 28
Stoffen Emissiegrenswaarde
Zink 12 microgram per liter
Chroom 2,4 microgram per liter
Onopgeloste bestanddelen 20 milligram per liter
4. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan
indien het gehalte aan stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt
dan de streefwaarden in de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden
bodemsanering en geen wateroverlast plaatsvindt.
5. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden.
6. Indien lozen als bedoeld in het eerste lid in het oppervlaktewater, op
of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport
van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet mogelijk
is:
a. is, in afwijking van het vijfde lid, het lozen vanuit een proefbronnering
in het vuilwaterriool toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste
bestanddelen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter;
b. kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift het vijfde lid niet van
toepassing verklaren en het lozen vanuit een bodemsanering in een
vuilwaterriool toestaan, indien het belang van de bescherming van het
milieu zich gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van
het afvalwater niet tegen het lozen in een vuilwaterriool verzet. Artikel 2.2,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift:
a. de waarden, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid en zesde lid,
onderdeel a, niet van toepassing verklaren en hogere gehalten bepalen
dan de gehalten, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid en het
zesde lid, onderdeel a, of het zuurstofgehalte, bedoeld in het tweede en
derde lid, niet van toepassing verklaren en een lagere waarde bepalen
voor het zuurstofgehalte dan het zuurstofgehalte, bedoeld in tweede en
derde lid, indien de gehalten bedoeld in het twee tot en met vierde lid en
zesde lid, onderdeel a, dan wel de waarde bedoeld in het tweede en derde
lid niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden
bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen
het lozen met een hoger gehalte dan wel een lagere waarde verzet;
b. lagere gehalten bepalen dan de gehalten bedoeld in het tweede lid,
indien vanuit een voorziening bedoeld in dat lid geloosd wordt in
oppervlaktewateren die met het oog op het lozen bijzondere bescherming
behoeven, of op of in de bodem en het belang van bescherming van het
milieu tot het stellen van een lager gehalte noodzaakt.
8. De lagere gehalten, bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, worden
niet lager vastgesteld dan:
a. de waarden opgenomen in tabel 3.1b, indien geloosd wordt in
oppervlaktewateren;
b. de streefwaarden, bedoeld in het vierde lid, indien geloosd wordt op
of in de bodem.
9. Het te lozen grondwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 3.1.2 Lozen van grondwater bij ontwatering
Artikel 3.2
1. Bij het lozen van grondwater bij ontwatering, niet zijnde grondwater
als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, wordt ten minste voldaan aan het
tweede tot en met het twaalfde lid.
Staatsblad 2007 415 29
2. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, op of in de bodem is toegestaan
indien als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.
3. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in oppervlaktewateren die met
het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven is toegestaan
indien:
a. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per
liter bedraagt;
b. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt; en
c. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
4. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in andere oppervlaktewateren
dan de oppervlaktewateren als bedoeld in het derde lid is toegestaan
indien:
a. het lozen ten hoogste 4 weken duurt en de geloosde hoeveelheid ten
hoogste 5 kubieke meter per uur bedraagt;
b. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per
liter bedraagt;
c. het zuurstofgehalte ten minste 5 milligram per liter bedraagt; en
d. als gevolg van het lozen geen visuele verontreiniging optreedt.
5. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen, bedoeld in het
derde en vierde lid, bij maatwerkvoorschrift:
a. de gehalten, genoemd in die leden, niet van toepassing verklaren en
een hoger gehalte aan onopgeloste bestanddelen vaststellen dan de
gehalten, genoemd in die leden, en een lager zuurstofgehalte vaststellen
dan het zuurstofgehalte, genoemd in die leden, indien laatstgenoemde
gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen
worden bereikt en het belang van de bescherming van het milieu zich niet
tegen het lozen met een hoger respectievelijk lager gehalte verzet; en
b. bepalen dat visuele verontreiniging mag optreden, indien visuele
verontreiniging niet door toepassing van beste beschikbare technieken
kan worden voorkomen en het belang van de bescherming van het milieu
zich niet tegen het lozen waarbij visuele verontreiniging optreedt verzet.
6. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de tijdsduur en de
hoeveelheid, bedoeld in het vierde lid, bij maatwerkvoorschrift andere
waarden vaststellen dan de waarden, bedoeld in dat lid, indien dat nodig
is in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater.
7. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een openbaar hemelwaterstelsel
of een openbaar ontwateringsstelsel is toegestaan indien het
gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 50 milligram per liter
bedraagt en het ijzergehalte ten hoogste 5 milligram per liter bedraagt.
8. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot het lozen als bedoeld in
het zevende lid bij maatwerkvoorschrift of verordening als bedoeld in
artikel 10.32a van de wet:
a. de gehalten, bedoeld in dat lid niet van toepassing verklaren en
hogere gehalten vaststellen dan de gehalten, bedoeld in dat lid, indien
laatstgenoemde gehalten niet door toepassing van beste beschikbare
technieken kunnen worden bereikt en het belang van de bescherming van
het milieu zich niet tegen het lozen met een hoger gehalte verzet;
b. het ijzergehalte, bedoeld in dat lid niet van toepassing verklaren en
een lager ijzergehalte bepalen dan het gehalte, bedoeld in dat lid, indien
het belang van bescherming van het milieu tot het stellen van een lager
gehalte noodzaakt.
9. Het lozen, bedoeld in het eerste lid, in een vuilwaterriool is verboden,
tenzij:
a. het lozen ten hoogste 4 weken duurt;
b. de geloosde hoeveelheid ten hoogste 5 kubieke meter per uur
bedraagt; en
c. het gehalte onopgeloste bestanddelen ten hoogste 300 milligram per
liter bedraagt.
Staatsblad 2007 415 30
10. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de tijdsduur en de
hoeveelheid, bedoeld in het negende lid bij maatwerkvoorschrift of bij
verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de wet andere waarden
vaststellen indien dit nodig is in het belang van een doelmatig beheer van
afvalwater.
11. Het te lozen grondwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
12. De per tijdseenheid geloosde hoeveelheid grondwater als bedoeld
in het vierde en negende lid kan op een doelmatige wijze worden bepaald.
§ 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende
voorziening
Artikel 3.3
1. Onverminderd het bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 ten
aanzien van het lozen van hemelwater bepaalde is het lozen anders dan in
een vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van
een bodembeschermende voorziening, als bedoeld in artikel 2.9 en
hemelwater dat door middel van drainage wordt afgevoerd toegestaan.
2. Het lozen van hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende
voorziening, die met het oog op artikel 2.9, eerste lid is
aangelegd en van hemelwater dat door middel van drainage wordt
afgevoerd vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het op of
in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in het oppervlaktewater
lozen van dat hemelwater redelijkerwijs niet mogelijk is. Artikel 2.2,
vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikel 3.4
1. Het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater of op
of in de bodem is toegestaan indien het lozen plaatsvindt buiten een
bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk
afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan
2000 inwonerequivalenten en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool
of een zuiveringstechnisch werk waarop kan worden aangesloten
meer bedraagt dan:
a. 40 meter bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;
b. 100 meter bij meer dan 10 doch minder dan 25 inwonerequivalenten;
c. 600 meter bij 25 doch minder dan 50 inwonerequivalenten;
d. 1500 meter bij 50 doch minder dan 100 inwonerequivalenten; en
e. 3000 meter bij 100 tot en met 200 inwonerequivalenten.
2. De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:
a. vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk
afvalwater vrijkomt; en
b. langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende
bezwaren kunnen worden aangelegd.
3. Indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, minder bedraagt dan de
afstanden, genoemd in dat lid, kan het bevoegd gezag indien het belang
van de bescherming van de bodem of de kwaliteit van het oppervlaktewater
zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het lozen op of
in de bodem of in het oppervlaktewater toestaan:
a. voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet
verstreken deel van een afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van het
vuilwaterriool of het zuiveringstechnisch werk reeds bestaande
zuiveringsvoorziening; of
Staatsblad 2007 415 31
b. indien voor een deel van het huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt
binnen de inrichting waarvan de vervuilingswaarde niet groter is dan
3 inwonerequivalenten aansluiting op de bedrijfsriolering die op een
vuilwaterriool is aangesloten niet doelmatig is, waarbij kan worden
bepaald dat het afvalwater door een zuiveringsvoorziening wordt geleid.
Artikel 3.5
1. Bij het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem of in het
oppervlaktewater worden de volgende grenswaarden niet overschreden:
Tabel 3.5
Lozen op of in de bodem en in oppervlaktewateren
die met het oog op het lozen geen bijzondere
bescherming behoeven
Lozen in overige oppervlaktewateren
Parameter Representatief etmaalmonster
Steekmonster Representatief etmaalmonster
Steekmonster
Biochemisch zuurstof
verbruik 30 milligram per liter 60 milligram per liter 20 milligram per liter 40 milligram per liter
Chemisch zuurstof verbruik 150 milligram per liter 300 milligram per liter 100 milligram per liter 200 milligram per liter
Totaal stikstof 30 milligram per liter 60 milligram per liter
Ammoniumstikstof 2 milligram per liter 4 milligram per liter
Zwevend stof 30 milligram per liter 60 milligram per liter 30 milligram per liter 60 milligram per liter
Fosfor totaal 3 milligram per liter 6 milligram per liter
2. Bij lozen op of in de bodem wordt het huishoudelijk afvalwater op
een zodanige wijze geloosd, dat de nadelige gevolgen voor het milieu zo
veel mogelijk worden beperkt.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op een lozing van huishoudelijk
afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten indien het afvalwater is
geleid door een zuiveringsvoorziening die voldoet aan bij ministeriële
regeling bepaalde eisen.
4. Het bevoegd gezag kan, bij lozen in andere oppervlaktewateren dan
oppervlaktewateren die met het oog op het lozen geen bijzondere
bescherming behoeven, indien het belang van de bescherming van het
milieu daartoe noodzaakt bij maatwerkvoorschrift de eisen bedoeld in het
derde lid niet van toepassing verklaren en daarbij bepalen dat het
huishoudelijk afvalwater door een aangegeven zuiveringsvoorziening
dient te worden geleid.
5. In afwijking van het eerste lid, kan het bevoegd gezag, indien het
belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, op
een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen
termijn bij maatwerkvoorschrift bepalen dat bij het lozen niet aan de in dat
lid genoemde waarden behoeft te worden voldaan. Het bevoegd gezag
kan daarbij:
a. andere waarden vaststellen;
b. bepalen dat het huishoudelijk afvalwater door een aangegeven
zuiveringsvoorziening dient te worden geleid.
6. Het te lozen huishoudelijk afvalwater kan op een doelmatige wijze
worden bemonsterd.
Staatsblad 2007 415 32
§ 3.1.5 Lozen van koelwater
Artikel 3.6
1. Bij het lozen van koelwater wordt ten minste voldaan aan het eerste
tot en met zevende lid.
2. Het lozen van koelwater waaraan geen chemicaliën zijn toegevoegd
in het oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan
indien de warmtevracht niet meer bedraagt dan:
a. 1000 Kilojoule per seconde, indien het oppervlaktewateren betreft, die
met het oog op het lozen geen bijzondere bescherming behoeven;
b. 10 Kilojoule per seconde, indien het andere oppervlaktewateren
betreft dan oppervlaktewateren als bedoeld in onderdeel a.
3. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het
product van:
a. het lozingsdebiet van koelwater in kubieke meter per seconde;
b. het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het
ontvangende oppervlaktewater in graden Celsius;
c. de warmtecapaciteit van het koelwater hetgeen gelijk is aan 4190
Kilojoule per kubieke meter per graad temperatuursverhoging.
4. Het bevoegd gezag kan indien het belang van de bescherming van
het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift het tweede
lid niet van toepassing verklaren en het lozen van koelwater met een
hogere warmtevracht dan bedoeld in het tweede lid of waaraan in
beperkte mate chemicaliën zijn toegevoegd toestaan.
5. Indien het lozen, bedoeld in het tweede lid, een temperatuurstijging
zou veroorzaken die tot beperking van de warmtevracht noodzaakt, kan
het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift voor de warmtevracht lagere
waarden vaststellen dan bedoeld in het tweede lid.
6. Het lozen van koelwater als bedoeld in het tweede lid vindt slechts
dan in een vuilwaterriool plaats indien het lozen van dat koelwater in het
oppervlaktewater of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool redelijkerwijs niet
mogelijk is.
7. De warmtevracht van een lozing van koelwater kan op een
doelmatige wijze worden bepaald, dan wel door degene die de inrichting
drijft aannemelijk worden gemaakt.
AFDELING 3.2 INSTALLATIES
§ 3.2.1 In werking hebben van een warmtekrachtinstallatie
Artikel 3.7
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van
het gelijktijdig produceren van elektrische energie en thermische energie
door middel van een warmtekrachtinstallatie, indien:
a. de installatie een nominaal elektrisch vermogen heeft van maximaal
10 megawatt;
b. ten behoeve van de installatie geen andere brandstof dan aardgas,
propaangas of butaangas wordt gebruikt; en
c. zich in de inrichting geen broeikasgasinstallaties bevinden als
bedoeld in artikel 16.1 van de wet.
Artikel 3.8
Een warmtekrachtinstallatie voldoet ten behoeve van:
Staatsblad 2007 415 33
a. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; en
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.9
1. Van een warmtekrachtinstallatie is het jaargemiddeld rendement ten
minste 65%, berekend volgens de formule: de som van het energetisch
rendement van de opwekking van kracht plus tweederde deel van het
energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden
warmte.
2. De warmtekrachtinstallatie wordt zodanig in bedrijf gehouden dat de
hoeveelheid warmte die nuttig gebruikt wordt zo hoog mogelijk is en de
hoeveelheid warmte die ongebruikt aan de omgeving wordt afgegeven zo
klein mogelijk is. Onder ongebruikte warmte wordt mede verstaan de
warmte die door de noodkoeler wordt afgegeven.
Artikel 3.10
1. Jaarlijks wordt het brandstofverbruik en de geproduceerde elektriciteit
geregistreerd.
2. Indien de warmtekrachtinstallatie is aangesloten op een noodkoeler
wordt jaarlijks de hoeveelheid nuttig toegepaste warmte geregistreerd.
3. Indien de warmtekrachtinstallatie niet is aangesloten op een
noodkoeler wordt het thermisch rendement eenmaal per vier jaar
vastgesteld.
4. De in het eerste en tweede lid bedoelde registraties worden
gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening bewaard en zijn in de
inrichting aanwezig of binnen een termijn die wordt gesteld door het
bevoegd gezag voor deze beschikbaar.
§ 3.2.2 In werking hebben van een installatie voor het reduceren van
aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
Artikel 3.11
Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een
installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van
aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit indien:
a. de maximale inlaatzijdige werkdruk maximaal 10.000 kilo Pascal
bedraagt;
b. geen expansieturbine aanwezig is;
c. geen drukverhogende installatie aanwezig is;
d. de gastoevoerleiding een diameter van maximaal 50,8 centimeter
heeft.
Artikel 3.12
1. In inrichtingen waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C
in werking zijn, is een bedrijfsnoodplan aanwezig.
2. Het bedrijfsnoodplan omvat informatie betreffende:
a. het gebouw, de technische installaties, de locaties van gevaarlijke
stoffen en de beschikbare hulpmiddelen;
b. de interne organisatie en taken en verantwoordelijkheden;
c. de actieplannen en maatregelen gebaseerd op alle reëel te achten
calamiteiten en incidenten;
Staatsblad 2007 415 34
d. de interne en externe meldingsstructuur bij calamiteiten en
incidenten;
e. het beheer van het bedrijfsnoodplan.
3. Het bedrijfsnoodplan alsmede wijzigingen daarvan wordt toegestuurd
aan het bevoegd gezag en de regionale brandweer.
4. Degene die de inrichting als bedoeld in het eerste lid drijft heeft op
inzichtelijke wijze binnen de inrichting dan wel binnen een door het
bevoegd gezag gestelde termijn, beschikbaar:
a. het algemene beheerssysteem voor milieu- en veiligheidsaspecten
waarmee aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt voldaan;
b. periodieke onderhoudsschema’s en de resultaten van inspecties;
c. een actuele plattegrond en situatietekening van de inrichting.
5. Het bedienend personeel heeft toegang tot:
a. een schema van het aardgasmeet- of regelstation en de toegepaste
appendages;
b. een schema van de in- en uitgaande leidingen met hun afsluiters;
c. rapporten van eerdere beproevingen.
6. Met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukmeet- en
regelstation ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare
objecten en beperkt kwetsbare objecten, worden de in tabel 3.12
opgenomen afstanden in acht genomen:
Tabel 3.12 veiligheidsafstanden
Categorieindeling
Opstellingswijze Kwetsbare
objecten
Beperkt kwetsbare
objecten
B Kast 4 meter 2 meter
(semi-)Ondergronds station 4 meter 2 meter
Kaststation 6 meter 4 meter
Open opstelling/vrijstaand gebouw 10 meter 4 meter
C Alle stations t/m 40 000 normaal kubieke
meter per uur aardgas 15 meter 4 meter
Alle stations boven 40 000 normaal kubieke
meter per uur aardgas 25 meter 4 meter
7. De in tabel 3.12 genoemde afstanden voor een ondergronds dan wel
semi-ondergronds station mogen worden gehalveerd indien het
gasvoerende deel geheel ondergronds ligt. Kasten mogen tegen
gebouwen worden geplaatst mits wordt voldaan aan de bepalingen van
NEN 1059.
8. Onverminderd het eerste tot en met zevende lid wordt voldaan aan
de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van het
voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan
wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de
risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan.
§ 3.2.3 In werking hebben van een windturbine
Artikel 3.13
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. windturbines met een rotordiameter groter dan twee meter;
b. windturbines die elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met de
bodem of de waterbodem in de vorm van een mast;
c. windturbines die zijn voorzien van een horizontale draaias van de
rotor;
Staatsblad 2007 415 35
d. windturbines met een gezamenlijk vermogen kleiner dan 15
megawatt;
e. inrichtingen met maximaal negen windturbines; en
f. windturbines waarbij de afstand tussen de afzonderlijke windturbine
en de dichtstbijzijnde woning of andere gevoelige objecten, ten minste
viermaal de ashoogte bedraagt.
Artikel 3.14
1. Een windturbine wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar
beoordeeld op de noodzakelijke beveiligingen, onderhoud en reparaties
door een deskundige op het gebied van windturbines.
2. Indien wordt geconstateerd of indien het redelijk vermoeden bestaat
dat een onderdeel of onderdelen van de windturbine een gebrek bezitten,
waardoor de veiligheid voor de omgeving in het geding is, wordt de
windturbine onmiddellijk buiten bedrijf gesteld en het bevoegd gezag
daaromtrent geïnformeerd. De windturbine wordt eerst weer in bedrijf
genomen nadat alle gebreken zijn hersteld.
3. Indien een windturbine als gevolg van het in werking treden van een
beveiliging buiten bedrijf is gesteld, wordt deze pas weer in werking
gesteld nadat de oorzaak van het buiten werking stellen is opgeheven.
4. Bij het inwerking hebben van een windturbine worden ten behoeve
van het voorkomen of beperken van slagschaduw en lichtschittering de bij
ministeriële regeling te stellen maatregelen toegepast.
5. Een windturbine voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s
voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet
mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving
en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen
hiervan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.15
1. Metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van
een windturbine worden uitgevoerd volgens NEN-EN-IEC 61400–11
«Generatorsystemen voor windturbines – Deel 11» of een naar het
oordeel van het bevoegd gezag daaraan ten minste gelijkwaardige
meetmethode.
2. Metingen worden uitgevoerd bij een gemiddelde windsnelheid van 7
meter per seconde waarbij een maximale afwijking is toegestaan van plus
of min 2 meter per seconde. De bronsterktespectra worden bepaald in
octaafbanden.
3. Metingen ten behoeve van de bepaling van het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) op de gevel van een gevoelig gebouw of op de
erfgrens van een gevoelig terrein en de beoordeling daarvan, worden
uitgevoerd met inachtneming van de windnormcurve, bedoeld in grafiek
3.15.
4. Een meting als bedoeld in het eerste lid kan indien nodig op een van
NEN-EN-IEC 61400-11 afwijkend meetpunt worden uitgevoerd indien het
bevoegd gezag daarmee instemt.
5. Tijdens het uitvoeren van de metingen overeenkomstig het eerste lid
wordt gelijktijdig de ter plaatse heersende windsnelheid gemeten op een
hoogte van ten minste 10 meter boven het maaiveld. Indien naar het
oordeel van het bevoegd gezag een meethoogte van 10 meter redelijkerwijs
niet kan worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag bij
maatwerkvoorschrift de eerste zin niet van toepassing verklaren en een
andere meethoogte aanwijzen.
6. Indien voor de inrichting een andere norm LAr,LT dan 40 dB(A) in de
nachtperiode is vastgesteld, wordt de windnormcurve, bedoeld in grafiek
3.15, met deze hogere of lagere waarde in overeenstemming gebracht.
Staatsblad 2007 415 36
Grafiek 3.15 Windnormcurve (WNC)
§ 3.2.4 In werking hebben van een installatie voor het doorvoeren,
bufferen of keren van rioolwater
Artikel 3.16
Bij het in werking hebben van een installatie voor het doorvoeren,
bufferen of keren van rioolwater worden ten behoeve van het voorkomen
dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau
beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling te stellen maatregelen
genomen.
AFDELING 3.3 VOORZIENINGEN
§ 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten
behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer
Artikel 3.17
Deze paragraaf is van toepassing op een inrichting waarbij sprake is van
het afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten
behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer voorzover:
a. geen aflevering plaatsvindt met een pomp die zich onder het
vloeistofniveau van de tank bevindt;
b. het afleveren van lichte olie door een afleverzuil geschiedt tenzij
aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20 meter
afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal,
zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw,
speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein,
bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting,
gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw
met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation
van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object
met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse
Staatsblad 2007 415 37
opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten
behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke
inhoud meer dan 2500 liter waterinhoud bedraagt van derden;
c. een ondergrondse tank van staal of kunststof aanwezig is met een
inhoud van minder dan 150 kubieke meter waarin vloeibare brandstof,
afgewerkte olie of huishoudelijk afvalwater wordt opgeslagen.
Artikel 3.18
1. De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van
gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die
aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten
minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per
etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze
afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden
gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op
een afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven
in tabel 3.18.
Tabel 3.18
Waterinhoud bufferopslag Afstand
Minder dan 3000 liter 10 meter
Vanaf 3000 tot 5000 liter 15 meter
Meer dan 5000 liter 20 meter
2. Een aardgas-afleverinstallatie voor het afleveren van aardgas ten
behoeve van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten
behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
Artikel 3.19
Het afleveren van vloeibare brandstoffen en mengsmering ten behoeve
van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer voldoet
ten behoeve van:
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico en het
voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van luchtverontreiniging, aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen; en
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
Artikel 3.20
1. Het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het
wegverkeer ten behoeve van openbare verkoop geschiedt via een
systeem voor dampretour Stage-II. Deze verplichting geldt niet voor:
a. het afleveren van lichte olie met een maximale afleversnelheid van
10 liter per minuut of minder; en
b. het afleveren van lichte olie met mengsmering met een maximale
afleversnelheid van 45 liter per minuut of minder.
Staatsblad 2007 415 38
2. Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II moet ten minste
75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven
dampen naar de ondergrondse opslagtank terugvoeren.
3. Een systeem voor dampretour Stage-II:
a. is goedgekeurd overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour
Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands
Meetinstituut door een keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad
voor Accreditatie is geaccrediteerd op grond van NEN-ENISO/IEC 17025;
en
b. voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve
van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
4. Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en
daarna eenmaal per drie jaar gecontroleerd op de goede werking. Deze
controle moet overeenkomstig de Test Procedure voor Damp Retour
Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het Nederlands
Meetinstituut plaatsvinden door een onafhankelijke inspectie-instelling.
5. Indien tijdens de uitvoering van de in het vierde lid bedoelde controle
afwijkingen worden geconstateerd worden deze afwijkingen onverwijld
opgeheven.
Artikel 3.21
Op of direct bij een afleverzuil die bestemd is voor het afleveren van
brandstof waarin een hoger percentage biobrandstoffen en andere
hernieuwbare brandstoffen dan de grenswaarde van 5% methylvetzuur
(FAME) of bio-ethanol is bijgemengd, wordt duidelijk zichtbaar de
volgende tekst vermeld: Deze brandstof bevat meer dan 5% biobrandstoffen
en is niet geschikt voor motorvoertuigen die voor het gebruik
daarvan niet zijn uitgerust.
Artikel 3.22
1. Degene die de inrichting drijft neemt de resultaten van de metingen,
keuringen en controles aan installaties of installatieonderdelen die op
grond van artikel 3.20 worden verricht, op in een installatieboek.
2. Het installatieboek bevat voor zover van toepassing tevens:
a. een plattegrond op een schaal van ten minste één op tweehonderdvijftig
aanduidende de uit- en inwendige samenstelling van de inrichting
en toebehoren;
b. alle bewijzen van gecertificeerde of geaccrediteerde aanleg en
inspectie die op grond van dit besluit uitgevoerd worden.
3. De resultaten van de metingen, keuringen en controles worden in
ieder geval tot het beschikbaar zijn van de resultaten van de eerstvolgende
meting, keuring dan wel controle, maar ten minste drie jaar
opgenomen in het installatieboek.
4. Het installatieboek wordt in de inrichting bewaard en ter inzage
beschikbaar gehouden voor het bevoegd gezag.
5. Het vierde lid is niet van toepassing op een onbemand tankstation, in
welk geval het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift de locatie bepaalt
waar het installatieboek wordt bewaard.
Artikel 3.23
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een
bodembeschermende voorziening waarop het afleveren van vloeibare
brandstof, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare verkoop
voor motorvoertuigen voor het wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste
Staatsblad 2007 415 39
voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider
die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
3. Het gehalte aan olie in het afvalwater na de afscheider bedraagt niet
meer dan 200 milligram per liter in enig steekmonster.
4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen
Artikel 3.24
1. Bij het wassen van motorvoertuigen wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op landbouwinrichtingen,
glastuinbouwbedrijven en op inrichtingen type C die zijn bestemd voor
het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van
landbouwhuisdieren.
Artikel 3.25
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een
bodembeschermende voorziening waarop motorvoertuigen worden
gewassen, wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vierde
lid.
2. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
3. In afwijking van het tweede lid mag het gehalte aan olie ten hoogste
200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen, indien het
afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt
geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
§ 3.3.3 Tandheelkunde
Artikel 3.26
Ten behoeve van het verwijderen van amalgaam wordt bij het in het
vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van tandheelkundige
bewerkingen het amalgaamhoudend afvalwater geleid door een
amalgaamafscheider, die voldoet aan de eisen gesteld in NEN-EN-ISO
11143.
§ 3.3.4 Opslaan van propaan
Artikel 3.27
Deze paragraaf is van toepassing op inrichtingen waarbij sprake is van
het opslaan van propaan indien:
a. het opslaan van propaan geschiedt in bovengrondse opslagtanks elk
met een inhoud van maximaal 13 kubieke meter;
b. niet meer dan twee opslagtanks binnen de inrichting aanwezig zijn;
en
c. propaan uitsluitend in de gasfase aan een opslagtank wordt
onttrokken behoudens het leegmaken van een opslagtank voor
verplaatsing.
Staatsblad 2007 415 40
Artikel 3.28
1. Met betrekking tot de opstelplaats van een opslagtank met propaan,
het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de
tankwagen worden ten opzichte van buiten de inrichting gelegen
kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, de in tabel 3.28 opgenomen
afstanden in acht genomen, waarbij de afstanden gelden van het vulpunt
en de bovengrondse opslagtank, gerekend vanaf de aansluitpunten van
de leidingen alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de
pomp bij de opslagtank:
Tabel 3.28 veiligheidsafstanden
Bevoorrading tot en
met 5 keer per jaar
Bevoorrading meer dan
5 keer per jaar
Opslagtank met propaan tot en met 5
kubieke meter 10 meter 20 meter
Opslagtank met propaan groter dan 5
kubieke meter tot en met 13 kubieke meter 15 meter 25 meter
2. Een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met
propaan en de opstelplaats van de tankwagen is gelegen op ten minste de
helft van de afstanden, genoemd in tabel 3.28, indien het objecten betreft
waar ook een opslagtank met propaan aanwezig is.
3. In afwijking van het eerste lid worden met betrekking tot de
opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een
opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten
opzichte van gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende
een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten,
dan wel gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen
gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, de volgende
afstanden in acht genomen:
a. bij een opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter: 25 meter;
b. bij een opslagtank met propaan van meer dan 5 kubieke meter tot en
met 13 kubieke meter: 50 meter.
4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, voldoet een
opslagtank met propaan alsmede de bijbehorende leidingen en appendages
ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en
ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 3.3.5 Opslaan van vloeibare brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse
opslagtanks
Artikel 3.29
Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vloeibare
brandstof en afgewerkte olie in ondergrondse tanks van metaal of
kunststof van maximaal 150 kubieke meter.
Artikel 3.30
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een
ondergrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de opslag
van vloeibare brandstof of afgewerkte olie wordt ten behoeve van:
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
Staatsblad 2007 415 41
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan;
c. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van verontreiniging van het grondwater,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
HOOFDSTUK 4 BEPALINGEN MET BETREKKING TOT OVERIGE
ACTIVITEITEN IN INRICHTINGEN; NIET GELDEND VOOR INRICHTINGEN
TYPE C MET UITZONDERING VAN DE IN ARTIKEL 1.4,
DERDE LID, ONDERDEEL B TOT EN MET E GENOEMDE ACTIVITEITEN
AFDELING 4.1 OP- EN OVERSLAAN VAN GEVAARLIJKE EN ANDERE
STOFFEN EN GASSEN EN HET VULLEN VAN GASFLESSEN
§ 4.1.1 Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking niet zijnde vuurwerk,
vaste kunstmeststoffen en andere ontplofbare stoffen
Artikel 4.1
1. De verpakking en de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in
verpakking voldoen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten
minste aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Indien in een opslagvoorziening bestemd voor de opslag van
gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking meer dan 2.500 kilogram
gevaarlijke stoffen, niet zijnde gasflessen behorende tot de ADR klasse 2,
aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening en de
dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 20 meter.
3. Indien de opslagvoorziening bestemd voor de opslag van gevaarlijke
stoffen en CMR-stoffen in verpakking is uitgevoerd als brandcompartiment
of indien tussen de opslagvoorziening en de woning van
derden een brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig
is, bedraagt de afstand, bedoeld in het derde lid, ten minste 8 meter.
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien in de
opslagvoorziening geen brandbare gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
5. Indien in een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening meer
dan 1.000 liter brandbare gassen in gasflessen gemeten naar de totale
waterinhoud aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagvoorziening
en de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 15
meter. Indien tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een
brandwerende voorziening van voldoende omvang aanwezig is, bedraagt
de afstand, bedoeld in de eerste zin, ten minste 7,5 meter.
6. Het voorhanden hebben en het gebruik van gasflessen die gevuld
zijn met autogas is verboden, met uitzondering van wisselreservoirs ten
behoeve van interne transportmiddelen.
7. De verpakking en de opslag van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in
verpakking voldoen ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar
bodemrisico, aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
8. Dit artikel is niet van toepassing op de opslag van vuurwerk, andere
ontplofbare stoffen en vaste kunstmeststoffen in verpakking.
Staatsblad 2007 415 42
§ 4.1.2 Opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen
Artikel 4.2
1. Inbeslaggenomen vuurwerk met aan consumentenvuurwerk
vergelijkbare eigenschappen dat wordt opgeslagen in politiebureaus en
theatervuurwerk wordt opgeslagen in een brandveiligheidsopslagkast, die
voldoet aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen ten behoeve van
het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen,
dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan.
2. De opslag van vuurwerk vindt niet plaats in combinatie met het
afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering of aardgas ten behoeve
van openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer.
Artikel 4.3
1. Zwart kruit, rookzwak kruit en noodsignalen worden opgeslagen in
een brandcompartiment dat voldoet aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
2. Een brandcompartiment bestemd voor de opslag van zwart kruit of
rookzwak kruit is gelegen op een afstand van ten minste 8 meter van
kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
Artikel 4.4
1. Een voorziening voor de opslag van meer dan 10.000 patronen voor
vuurwapens, dan wel onderdelen daarvan, is gelegen op een afstand van
ten minste 8 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de voorziening, bedoeld in
dat lid, in een brandcompartiment is gesitueerd.
§ 4.1.3 Opslaan van stoffen in opslagtanks
Artikel 4.5
1. Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een
bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de
opslag van zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of stikstof wordt ten
behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Indien in een inrichting ten minste twee bovengrondse opslagtanks
bestemd voor de opslag van zuurstof, elk met een inhoud van ten minste
25 kubieke meter aanwezig zijn, is elke tank gelegen op een afstand van
ten minste 20 meter van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.
Artikel 4.6
Bij het in gebruik hebben en het beëindigen van het gebruik van een
bovengrondse opslagtank die wordt dan wel werd gebruikt voor de
opslag van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, stoffen van ADR klasse 8
verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar, PER, stoffen van ADR
Staatsblad 2007 415 43
klasse 5.1 of andere bodembedreigende vloeistoffen wordt ten behoeve
van:
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.1.4 Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.7
1. De afstand tussen een geparkeerde vervoerseenheid met gevaarlijke
stoffen en een woning van derden bedraagt ten minste 20 meter. Deze
afstand wordt gemeten vanaf de rand van de vervoerseenheid tot de
gevel van de woning.
2. In een geparkeerde vervoerseenheid met gevaarlijke stoffen zijn
gevaarlijke stoffen van verpakkingsgroep I en gevaarlijke stoffen van de
klasse ADR 1 of 6.2, met uitzondering van categorie I3 en I4 niet aanwezig.
3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op het opstellen
van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen in verband met aanmelden
of andere formaliteiten, of op het opstellen van vervoerseenheden met
gevaarlijke stoffen voor het verrichten van laad- of loshandelingen.
4. Met betrekking tot het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke
stoffen wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten
minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen
§ 4.1.5 Opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen
Artikel 4.8
Opslag en mengen van bulkgoederen behorend tot stuifklassen S1 of S3
van bijlage 4.6 van de NeR vindt plaats in gesloten ruimtes.
Artikel 4.9
1. Bij de volgende windsnelheden vinden afhankelijk van de stuifgevoeligheid
van de bulkgoederen, behorend tot stuifklassen volgens
bijlage 4.6 van de NeR, geen overslagactiviteiten plaats:
a. S1 en S2 bij een windsnelheid groter dan 8 meter per seconde;
b. S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
2. Indien degene die de inrichting drijft aantoont dat door het treffen
van maatregelen verspreiding en morsing van losse goederen ten gevolge
van de weersomstandigheden wordt voorkomen kan het bevoegd gezag
bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren en
overslagactiviteiten bij grotere windsnelheden dan aangegeven in het
eerste lid onder voorwaarden toestaan. Deze voorwaarden kunnen
betrekking hebben op de toe te passen maatregelen om verspreiding of
morsing van goederen te voorkomen of op hogere maximale windsnelheden
waarboven overslag niet meer is toegestaan dan genoemd in het
eerste lid.
Artikel 4.10
Bulkgoederen worden in de buitenlucht zodanig op- of overgeslagen
dat:
Staatsblad 2007 415 44
a. zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die
op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog
waarneembaar is;
b. verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt;
c. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in het oppervlaktewater
geraken;
d. zoveel mogelijk voorkomen wordt dat bulkgoederen in een
voorziening voor het beheer van afvalwater geraken.
Artikel 4.11
1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan
van bulkgoederen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met
achtste lid.
2. Indien de opgeslagen bulkgoederen worden bevochtigd wordt
afvalwater dat met opgeslagen bulkgoederen in contact is geweest zoveel
mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.
3. Het in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een
vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met
opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn aangewezen is
toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer
bedraagt dan 50 milligram per liter.
4. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is
geweest met opgeslagen goederen die bij ministeriële regeling zijn
aangewezen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats indien lozen als
bedoeld in het derde lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan
onopgeloste bestanddelen niet meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
5. Het in het oppervlaktewater dat met het oog op het lozen geen
bijzondere bescherming behoeft, op of in de bodem of in een voorziening
voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een
vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met andere
opgeslagen goederen dan bedoeld in het derde lid is toegestaan indien in
enig steekmonster de emissiegrenswaarden vermeld in tabel 4.11 niet
worden overschreden.
Tabel 4.11
Parameter Emissiegrenswaarde
Chemisch zuurstof verbruik 200 milligram per liter
Onopgeloste bestanddelen 50 milligram per liter
Som zware metalen 1 milligram per liter
Minerale olie 10 milligram per liter
PAK’s (som van naftaleen, anthraceen, fluorantheen,
benzo(g, h, i,)peryleen, benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen,
benzo(k)fluorantheen en indeno(1, 2, 3-cd)pyreen) 50 microgram per liter
Extraheerbaar organisch chloor 5 microgram per liter
Totaal stikstof 10 milligram per liter
Fosfor 2 milligram per liter
6. Lozen van afvalwater als bedoeld in het vijfde lid in een vuilwaterriool
is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet
meer bedraagt dan 50 milligram per liter.
7. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het derde tot en met zesde lid kan
op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
Staatsblad 2007 415 45
8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder zware metalen
verstaan: arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zink.
Artikel 4.12
Bij het inpandig opslaan, overslaan en mengen van bulkgoederen
worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse
emissie en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht te
bevorderen ten minste de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen
toegepast.
Artikel 4.13
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het opslaan, overslaan en
mengen van stuifgevoelige bulkgoederen in gesloten ruimtes de
emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom die
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij pneumatisch transport van stuifgevoelige bulkgoederen behorend
tot stuifklasse S1 of S2 van bijlage 4.6 van de NeR is de emissie van totaal
stof uit een container, bulktransportwagen of ander transportmiddel niet
hoger dan 10 milligram per normaal kubieke meter.
Artikel 4.14
In afwijking van artikel 2.9 voldoet de opslag van vaste mest aan de
afdelingen 2.2, 2.3 en 2.4 van de bijlage van het Besluit landbouw
milieubeheer.
Artikel 4.15
Bij het opslaan en overslaan van bulkgoederen en stukgoederen wordt
ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.1.6 Het vullen van gasflessen met propaan en/of butaan
Artikel 4.16
Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten behoeve van
het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen,
dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van
de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich
voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële regeling te
stellen eisen.
§ 4.1.7 Opslaan van nitraathoudende kunstmeststoffen
Artikel 4.17
Onverminderd paragraaf 4.15 wordt bij het opslaan van kunstmeststoffen
ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen en ten
behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan
de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Staatsblad 2007 415 46
AFDELING 4.2 INSTALLATIES
§ 4.2.1 In werking hebben van een stookinstallatie
Artikel 4.18
1. Een niet-gasgestookte verwarmings- of stookinstallatie met een
nominaal vermogen van:
a. 20 kilowatt tot ten hoogste 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per
vier jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en
energiezuinigheid;
b. meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per twee jaar
gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
2. Een gasgestookte verwarmings- of stookinstallatie met een nominaal
vermogen van meer dan 100 kilowatt wordt ten minste eenmaal per vier
jaar gekeurd op veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid.
3. Een keuring als bedoeld in het eerste en het tweede lid omvat mede
de afstelling voor de verbranding, het systeem voor de toevoer van
brandstof en de afvoer van verbrandingsgassen.
4. Een keuring als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verricht
door een persoon die beschikt over een geldig certificaat dat is afgegeven
door een instelling die door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd
teneinde uitvoering te kunnen geven aan de «beoordelingrichtlijn voor het
uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» van de
Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties of
aantoonbaar voldoet aan eisen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die
beoordelingrichtlijn.
5. Indien uit een keuring blijkt dat de verwarmings- of stookinstallatie
onderhoud behoeft vindt dat onderhoud binnen twee weken na de
keuring plaats. Degene die de inrichting drijft vraagt een bewijs waaruit
blijkt wanneer, door wie en welk onderhoud is verricht.
6. Het laatst opgestelde keuringsrapport en het laatst opgestelde
onderhoudsbewijs worden bewaard.
Artikel 4.19
1. Het spuien van een stoomketel geschiedt in een geschikte spuitank
dan wel in een andere geschikte voorziening die ten minste voldoen aan
de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. Indien spuiwater van een stoomketel of condensaat van rookgassen
van een stookinstallatie niet in een openbaar vuilwaterriool geloosd kan
worden, is lozing op of in de bodem of in het oppervlaktewater toegestaan.
§ 4.2.2 In werking hebben van een koelinstallatie
Artikel 4.20
1. Een koelinstallatie met een inhoud van 12 kilogram of meer aan
natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve van het voorkomen van
risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover
dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de
omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de
gevolgen hiervan, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoet een ammoniakkoelsysteem ten
minste aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.
Staatsblad 2007 415 47
3. Een koelinstallatie als bedoeld in het eerste lid en een ammoniakkoelsysteem
als bedoeld in het tweede lid worden ten minste eenmaal per
twee kalenderjaren gekeurd op veilig functioneren, lekkages en energiezuinigheid.
4. Een keuring als bedoeld in het derde lid wordt verricht door een
onafhankelijk deskundig persoon die van de keuring een rapport opmaakt
dat hij aan de drijver van de inrichting ter beschikking stelt.
5. Indien een keuring uitwijst dat de koelinstallatie onderhoud behoeft,
vindt dat onderhoud binnen twee weken na de keuring plaats. Degene die
de inrichting drijft vraagt naar een bewijs waaruit blijkt wanneer, door wie
en welk onderhoud is verricht.
6. Het laatst opgestelde keuringsrapport en het laatst opgestelde
onderhoudsbewijs worden bewaard.
7. In een kunstijsbaan waar een ammoniakkoelinstallatie wordt
toegepast wordt een indirect ammoniakkoelsysteem als bedoeld in
hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.
AFDELING 4.3 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT HOUT EN KURK
§ 4.3.1 Mechanische bewerkingen van hout of kurk dan wel van houten,
kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.21
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen
van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen,
de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
totaal stof gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur;
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij de mechanische bewerkingen van hout of kurk, dan wel van
houten, kurken of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling
te bepalen maatregelen toegepast.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het onderhouden
en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht door derden op de
winterberging bij een jachthaven.
§ 4.3.2 Reinigen, coaten en lijmen van hout of kurk dan wel houten, kurken
of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.22
1. Het is verboden om in de buitenlucht hout, kurk dan wel houten,
kurken of houtachtige voorwerpen met behulp van een nevelspuit te
coaten of te lijmen dan wel met behulp van een nevelspuit te reinigen met
vluchtige organische stoffen houdende producten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om
deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten
vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.23
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van
coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
Staatsblad 2007 415 48
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar
de lucht van totaal stof kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van
artikelen 4.22, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.24
1. Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of
lijmen van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige
voorwerpen de bij ministeriële regeling gestelde emissiereducerende
maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen tenzij deze
niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van
vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten
minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als bedoeld in het eerste lid, voert
een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige
organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
4. Het eerste en derde lid is niet van toepassing op het verbruik van
vluchtige organische stoffen waarvan het in de handel brengen is
gereguleerd door het Besluit organische oplosmiddelen in verven en
vernissen Wms.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten
minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
6. Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden
overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is
dat besluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.25
Bij het reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken
of houtachtige voorwerpen worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.26
1. Bij het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, coaten of
lijmen van hout of kurk dan wel houten, kurken of houtachtige
voorwerpen in een vuilwaterriool wordt ten minste voldaan aan het
tweede tot en met vijfde lid.
2. Het lozen van afvalwater, bedoeld in het eerste lid, is toegestaan
indien het afvalwater niet meer bevat dan 2 milligram lood per liter en 2
milligram zink per liter.
3. De in eerste lid genoemde waarden gelden voor representatieve
etmaalmonsters. Voor steekmonsters gelden een factor drie hogere
waarden.
4. In afwijking van het tweede lid wordt afvalwater dat meer dan
3 milligram vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor
per liter in enig steekmonster bevat, niet geloosd.
5. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het tweede lid, kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Staatsblad 2007 415 49
AFDELING 4.4 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT KUNSTSTOF
§ 4.4.1 Mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.27
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij mechanische bewerkingen
van kunststof of kunststofproducten de emissieconcentratie van totaal stof
niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Bij de mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten
worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse
emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het onderhouden
en repareren van pleziervaartuigen in de buitenlucht door derden bij een
jachthaven.
§ 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.28
1. Het is verboden om in de buitenlucht kunststof of kunststofproducten
met behulp van een nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel met behulp
van een nevelspuit te reinigen met vluchtige organische stoffen houdende
producten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om
deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten
vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.29
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van
coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van
artikel 4.28, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.30
1. Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of
lijmen van kunststof of kunststofproducten de bij ministeriële regeling
gestelde emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige
organische stoffen tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar
zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van
vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten
minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als bedoeld in het eerste lid, voert
een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige
organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
Staatsblad 2007 415 50
4. Het eerste en derde lid zijn niet van toepassing op het verbruik van
vluchtige organische stoffen waarvan het in de handel brengen is
gereguleerd door het Besluit organische oplosmiddelen in verven en
vernissen Wms.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten
minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
6. indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden
overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is
dat besluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.31
Bij het reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten
worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
AFDELING 4.5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT METAAL
§ 4.5.1 Spaanloze, verspanende en thermische bewerking en mechanische
eindafwerking van metalen
Artikel 4.32
1. Het is verboden om in de buitenlucht spaanloze, verspanende en
thermische bewerkingen en mechanische eindafwerking van metalen uit
te voeren.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om in
het inpandig deel van de inrichting spaanloze, verspanende en thermische
bewerking en mechanische eindafwerking van metalen uit te voeren
vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.33
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij smeden, droogverspanende
bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische
eindafwerking van metalen, de emissieconcentratie van totaal stof niet
meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkzaamheden op
grond van de artikelen 4.32, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden
verricht.
Artikel 4.34
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij droogverspanende
bewerkingen, thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking
van roestvast staal, de emissieconcentratie van chroom VI-verbindingen,
berekend als chroom, niet meer dan 0,1 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van chroom VI-verbindingen naar de lucht,
berekend als chroom, meer bedraagt dan 0,5 gram per uur.
Staatsblad 2007 415 51
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkzaamheden op
grond van de artikelen 4.32, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden
verricht.
Artikel 4.35
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het snijden van koper:
a. de emissieconcentratie van koperverbindingen berekend als koper,
niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
van koperverbindingen naar de lucht berekend als koper, meer
bedraagt dan 10 gram per uur;
b. de emissieconcentratie van koperrook berekend als koper, niet meer
dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
koperrook naar de lucht berekend als koper, meer bedraagt dan 2,5 gram
per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de werkzaamheden op
grond van artikel 4.32, tweede lid, in de buitenlucht worden verricht.
Artikel 4.36
Bij verspanende bewerkingen waar metaalbewerkingsvloeistoffen
worden verneveld of verdampt worden maatregelen getroffen om
zichtbare verspreiding van druppels en nevels die vrijkomen bij verspanende
bewerkingen waarbij bewerkingsvloeistoffen worden gebruikt, in
de buitenlucht te voorkomen.
Artikel 4.37
Bij het smeden, droogverspanende bewerkingen, thermische bewerking
en mechanische eindafwerking van metalen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling
te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.38
Bij spaanloze, verspanende en thermische bewerkingen en mechanische
eindafwerkingen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren
van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
§ 4.5.2 Lassen van metalen
Artikel 4.39
1. Het is verboden om in de buitenlucht laswerkzaamheden te
verrichten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om in
het inpandig deel van de inrichting te lassen vanwege de omvang van het
te lassen object.
Artikel 4.40
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij laswerkzaamheden
behorend tot de klassen III tot en met VII als genoemd in de Praktijkrichtlijn
Lasrook, beschrijving doeltreffende maatregelen bij blootstelling
aan rook en/of gassen en/of aanverwante processen, de emissieconcentratie
van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
Staatsblad 2007 415 52
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op
grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden
verricht.
Artikel 4.41
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het lassen van roestvast
staal of Berylliumlegeringen de emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan 0,1
milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van chroom
VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, meer bedraagt dan
0,5 gram per uur; en
b. berylliumverbindingen, berekend als beryllium, niet meer dan 0,05
milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
berylliumverbindingen naar de lucht, berekend als Beryllium, meer
bedraagt dan 0,15 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op
grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden
verricht.
Artikel 4.42
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het lassen van materialen
die geverfd zijn met loodmenie de emissieconcentratie van loodverbindingen,
berekend als lood, niet hoger dan 0,5 milligram per normaal
kubieke meter, indien de massastroom van loodverbindingen naar de
lucht, berekend als lood, meer bedraagt dan 2,5 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de laswerkzaamheden op
grond van de artikelen 4.39, tweede lid, of 4.86 in de buitenlucht worden
verricht.
Artikel 4.43
Bij het lassen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan
wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
§ 4.5.3 Solderen van metalen
Artikel 4.44
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij solderen de emissieconcentratie
van totaal stof niet meer dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter indien de
massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op zachtsolderen indien het
jaarverbruik van soldeermiddel minder bedraagt dan 250 ton.
Artikel 4.45
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij hardsolderen met cadmiumhoudend
soldeermiddel de emissieconcentratie van cadmium en
cadmiumverbindingen, niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van cadmium en cadmiumverbindingen
naar de lucht meer bedraagt dan 10 gram per uur.
Staatsblad 2007 415 53
Artikel 4.46
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij solderen met vloeimiddelen
die leiden tot gasvormige emissies naar de lucht de emissieconcentratie
van de stoffen behorend tot de stofklassen gA.1, gA.2, gA.3, gA.4, gA.5,
gO.1, gO.2 en gO.3, naar de lucht niet meer dan de voor die betreffende
stofklasse genoemde emissieconcentratie-eis in artikel 2.5 indien de
massastroom gelijk of groter is dan de in artikel 2.5 voor de betreffende
stofklasse genoemde grensmassastroom.
Artikel 4.47
1. Op verzoek van het bevoegd gezag overlegt degene die de inrichting
drijft waar metalen worden gesoldeerd informatie ten aanzien van:
a. de samenstelling en het jaarverbruik van de verschillende vloeimiddelen
en soldeermaterialen, gesorteerd naar de verschillende
procesvormen;
b. een overzicht van de aard en omvang van de gasvormige emissies
naar de lucht die bij het solderen vrijkomen.
2. Het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing indien het
jaarverbruik van vloeimiddelen niet meer bedraagt dan 100 kilogram.
Artikel 4.48
Bij het solderen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen
dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
§ 4.5.4 Stralen van metalen
Artikel 4.49
1. Het is verboden om in de buitenlucht straalwerkzaamheden te
verrichten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om in
het inpandige deel van de inrichting te stralen vanwege de omvang van
het te stralen object.
Artikel 4.50
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij straalwerkzaamheden
de emissieconcentratie van:
a. totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter
is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal
kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is
dan 0,15 gram per uur;
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan
0,25 gram per uur;
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan 2,5
gram per uur;
e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.3 stoffen naar de lucht groter is dan 10
gram per uur;
Staatsblad 2007 415 54
f. sO stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sO stoffen naar de lucht gelijk is aan of
groter is dan 100 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 100 gram
per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de straalwerkzaamheden
op grond van artikel 4.49, tweede lid, in de buitenlucht worden verricht.
3. Bij het stralen van metalen worden ten behoeve van het voorkomen
dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van
emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling te bepalen
maatregelen toegepast.
Artikel 4.51
Bij het stralen van metalen wordt ten behoeve van het realiseren van
een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.
§ 4.5.5 Reinigen, lijmen en coaten van metalen
Artikel 4.52
In deze paragraaf wordt onder het reinigen van metalen niet verstaan
het wassen van motorvoertuigen als bedoeld in paragraaf 3.3.2 en het
afspuiten van pleziervaartuigen als bedoeld in pararagraaf 4.6.6.
Artikel 4.53
1. Het is verboden om in de buitenlucht metalen met behulp van een
nevelspuit te coaten of te lijmen dan wel met behulp van een nevelspuit te
reinigen met vluchtige organische stoffen houdende producten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het niet mogelijk is om
deze activiteiten in het inpandige deel van de inrichting te verrichten
vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.54
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen
van coating of lijmlagen de emissieconcentratie van totaal stof niet meer
dan:
a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van
totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur; en
b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom
kleiner is dan 200 gram per uur.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het coaten op grond van
artikel 4.53, tweede lid, in de buitenlucht plaatsvindt.
Artikel 4.55
1. Degene die de inrichting drijft neemt bij het reinigen, coaten of
lijmen van metalen voorwerpen met betrekking tot vluchtige organische
stoffen de bij ministeriële regeling gestelde emissiereducerende maatregelen
tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het totaal verbruik van
vluchtige organische stoffen bij de in het eerste lid genoemde activiteiten
minder bedraagt dan 1.000 kilogram per jaar, zoals dat blijkt uit de
oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.
3. Degene die een inrichting drijft als bedoeld in het eerste lid, voert
een oplosmiddelenboekhouding waarin het verbruik van vluchtige
organische stoffen per kilogram per jaar wordt geregistreerd.
Staatsblad 2007 415 55
4. Het eerste en derde lid is niet toepassing op het verbruik van
vluchtige organische stoffen waarvan het in de handel brengen is
gereguleerd door het Besluit organische oplosmiddelen in verven en
vernissen Wms.
5. De oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid, wordt ten
minste drie jaar in de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
6. Indien de drempelwaarden, genoemd in bijlage IIa van het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer worden
overschreden, zijn het eerste tot en met vijfde lid niet van toepassing en is
dat besluit van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.56
Bij het reinigen, coaten en lijmen van metalen worden ten behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.5.6 Aanbrengen anorganische deklagen op metalen
Artikel 4.57
1. Het is verboden om in de buitenlucht anorganische deklagen op
metalen aan te brengen.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op schooperen indien het niet
mogelijk is om deze werkzaamheden in het inpandige deel van de
inrichting uit te voeren vanwege de omvang van het te bewerken object.
Artikel 4.58
Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het aanbrengen van
anorganische deklagen op metalen de emissieconcentratie van:
a. totaal stof niet meer dan 5 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter
is dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal
kubieke meter indien de massastroom van totaal stof naar de lucht kleiner
is dan 200 gram per uur;
b. MVP1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke
meter, indien de massastroom van de MVP1 stoffen naar de lucht groter is
dan 0,15 gram per uur;
c. sA.1 stoffen niet meer dan 0,05 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.1 stoffen naar de lucht groter is dan
0,25 gram per uur;
d. sA.2 stoffen niet meer dan 0,5 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.2 stoffen naar de lucht groter is dan
2,5 gram per uur;
e. sA.3 stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sA.3 stoffen naar de lucht groter is dan
10 gram per uur;
f. sO stoffen niet meer dan 5,0 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van de sO stoffen naar de lucht gelijk is of groter
is dan 100 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per normaal
kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 100 gram per uur.
Staatsblad 2007 415 56
Artikel 4.59
Bij het aanbrengen van anorganische deklagen van metaal worden ten
behoeve van:
a. het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van stofhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.5.7 Beitsen en etsen van metalen
Artikel 4.60
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het beitsen en etsen van
metalen en metalen voorwerpen de emissieconcentratie van:
a. waterstoffluoride niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke
meter indien de massastroom van waterstoffluoride naar de lucht groter
is dan 15 gram per uur;
b. zoutzuur niet meer dan 10 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van zoutzuur naar de lucht groter is dan 150 gram
per uur, tenzij de concentratie aan zoutzuur in de ongereinigde massastroom
kleiner is dan 1 gram per normaal kubieke meter in welk geval de
emissieconcentratie van zoutzuur niet meer is dan 30 milligram per
normaal kubieke meter;
c. salpeterzuur niet meer dan 30 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van salpeterzuur groter is dan 150 gram per uur;
d. zwavelzuur niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van zwavelzuur groter is dan 15 gram per uur;
e. azijnzuur niet meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van azijnzuur groter is dan 500 gram per uur.
2. Bij het beitsen en etsen van metalen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en het doelmatig
verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij ministeriële regeling
te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.61
Bij het beitsen en etsen van metalen wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.8 Elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op
metalen
Artikel 4.62
1. Onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6 is bij het elektrolytisch en
stroomloos aanbrengen van chroom en cadmiumlagen de emissieconcentratie
van:
a. chroom VI-verbindingen, berekend als chroom, niet meer dan
0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
chroom VI-verbindingen naar de lucht, berekend als chroom, groter is dan
0,5 gram per uur;
b. cadmium en cadmiumverbindingen niet meer dan 0,05 milligram per
normaal kubieke meter indien de massastroom van cadmium en
cadmiumverbindingen groter is dan 0,25 gram per uur.
Staatsblad 2007 415 57
2. Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op
metalen worden ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van
diffuse emissies en het doelmatig verspreiden van emissies naar de
buitenlucht de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.63
Bij het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen wordt
ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.9 Drogen van metalen
Artikel 4.64
1. Bij het drogen van metalen is het gebruik van oplosmiddelen niet
toegestaan.
2. Indien degene die de inrichting drijft aantoont dat het niet mogelijk is
om anders te drogen dan met behulp van oplosmiddelen kan het bevoegd
gezag bij maatwerkvoorschrift het eerste lid niet van toepassing verklaren
en het gebruik van oplosmiddelen bij het drogen van metalen onder
voorwaarden toestaan. Deze voorwaarden beogen de nadelige gevolgen
van het drogen met behulp van oplosmiddelen te voorkomen of indien
dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken voor zover dat redelijkerwijs
mogelijk is. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten
minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare
technieken worden toegepast.
§ 4.5.10 Aanbrengen van conversielagen op metalen
Artikel 4.65
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het aanbrengen
van conversielagen de emissieconcentratie van:
a. chroom VI-verbindingen berekend als chroom, niet meer dan
0,1 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van
chroom VI-verbindingen naar de lucht berekend als chroom, groter is dan
0,5 gram per uur;
b. zwavelzuur niet meer dan 3 milligram per normaal kubieke meter
indien de massastroom van zwavelzuur naar de lucht groter is dan
15 gram per uur.
2. Bij het aanbrengen van conversielagen op metalen worden ten
behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies en
het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij
ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.66
Het gebruik van perfluoroctaansulfonaten bij anodiseren is verboden.
Artikel 4.67
Bij het aanbrengen van conversielagen op metalen wordt ten behoeve
van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de
bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Staatsblad 2007 415 58
§ 4.5.11 Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen
Artikel 4.68
1. Onverminderd de artikelen 2.5 tot en met 2.6 is bij het thermisch
aanbrengen van metaallagen op metalen:
a. de emissieconcentratie van totaal stof niet meer dan 5 milligram per
normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de
lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en niet meer dan
50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom naar de
lucht kleiner is dan 200 gram per uur;
b. de emissieconcentratie van zinkchloride niet meer dan 5,0 milligram
per normaal kubieke meter, indien de massastroom van zinkchloride naar
de lucht groter is dan 10 gram per uur;
c. de emissieconcentratie van chloorverbindingen, niet zijnde
zinkchloride, niet meer dan 30 milligram per normaal kubieke meter,
indien de massastroom van chloorverbindingen naar de lucht groter is
dan 150 gram per uur.
2. Bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen worden
ten behoeve van het voorkomen dan wel beperken van diffuse emissies
en het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, de bij
ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
Artikel 4.69
Bij het thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen wordt ten
behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.5.12 Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en
met 4.5.11
Artikel 4.70
Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van de
activiteiten genoemd in de paragrafen 4.5.1 tot en met 4.5.11 wordt ten
minste voldaan aan de artikelen 4.71 tot en met 4.74.
Artikel 4.71
1. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan
20 milligram olie per liter.
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het gehalte aan olie ten
hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster indien het afvalwater
wordt geleid door een olie-afscheider die voldoet aan en wordt gebruikt
conform NEN-EN 858-1 en 2.
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan
op een doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.72
1. Het lozen van metalen en hulpstoffen wordt beperkt door toepassing
van beste beschikbare technieken.
2. Het gebruik van kwik is verboden.
3. Ter beperking van het lozen van metalen en hulpstoffen wordt ten
minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen daaromtrent.
Staatsblad 2007 415 59
Artikel 4.73
1. Onverminderd artikel 4.72 worden bij het lozen van afvalwater dat
vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de paragrafen 4.5.7,
4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11, de emissiegrenswaarden genoemd in kolom A van
tabel 4.73 niet overschreden.
Tabel 4.73
Stof emissiegrenswaarde in milligram per liter
Kolom A Kolom B
Chroom 0,5 1,0
Chroom VI 0,1 0,1
Koper 0,5 2,0
Lood 0,5 2,0
Nikkel 0,5 2,0
Zilver 0,1 1,0
Tin 2,0 3,0
Zink 0,5 2,0
Vrij cyanide 0,2 1,0
De in tabel 4.73 genoemde waarden gelden voor representatieve
etmaalmonsters. Voor steekmonsters gelden een factor drie hogere
waarden.
2. Bij het lozen in het vuilwaterriool van afvalwater dat vrijkomt bij een
of meer processen als bedoeld in het eerste lid bedraagt het gehalte aan
vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor niet meer
dan 0,1 milligram per liter.
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
Artikel 4.74
1. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag artikel 4.73, eerste
lid, niet van toepassing verklaren en hogere gehalten vaststellen dan de
gehalten, bedoeld in dat lid.
2. Het bevoegd gezag kan een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het
eerste lid slechts vaststellen indien:
a. de som van de vrachten van de metalen chroom, koper, nikkel, lood,
zink, tin en zilver na het proces maar voor de eindzuivering minder dan
200 gram per dag bedraagt, of de gehalten genoemd in kolom A van tabel
4.73 niet met de best beschikbare technieken kunnen worden bereikt, met
dien verstand dat het bij maatwerkvoorschrift toegestane gehalte niet
meer bedraagt dan de gehalten genoemd in kolom B van tabel 4.73;
b. aannemelijk is dat de som van de vrachten van de metalen chroom,
koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver na het proces maar voor de
eindzuivering minder dan 80 gram per dag bedraagt, met dien verstande
dat het bij maatwerkvoorschrift toegestane som van de gehaltes van de
metalen chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver niet meer bedraagt
dan 15 milligram per liter indien het de som van de metalen in een
representatief etmaalmonster betreft of niet meer dan 45 milligram per
liter indien het de som van de gehaltes van deze metalen in een steekmonster
betreft.
Staatsblad 2007 415 60
3. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het tweede lid, kan op een
doelmatige wijze worden bemonsterd.
AFDELING 4.6 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT MOTOREN,
MOTORVOER- EN VAARTUIGEN EN ANDERE GEMOTORISEERDE
APPARATEN
§ 4.6.1 Lozen van afvalwater (algemeen)
Artikel 4.75
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een
of meer activiteiten als bedoeld in de paragrafen 4.6.2, 4.6.3, 4.6.5 en 4.6.6
wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
2. In het afvalwater afkomstig van het reviseren van motoren worden
de emissiegrenswaarden genoemd in tabel 4.75 niet overschreden:
Tabel 4.75
Stoffen Emissiegrenswaarde
BTEX-som 15 milligram per liter
Vluchtige organohalogeenverbindingen uitgedrukt als chloor 100 microgram per liter
Olie 20 milligram per liter
PAK’s (som van fluorantheen, benzo(g, h, i)peryleen,
benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen,
en indeno (1, 2, 3-cd)pyreen) 5 microgram per liter
Koper 1 milligram per liter
Nikkel 3 milligram per liter
Lood 3 milligram per liter
Zink 3 milligram per liter
Chroom 2 milligram per liter
3. Ander afvalwater dan het afvalwater, bedoeld in het tweede lid, dat
afkomstig is uit een ruimte waar een activiteit als bedoeld in het eerste lid
wordt uitgevoerd of van een vloeistofdichte vloer of verharding waarop
die activiteit wordt uitgevoerd wordt niet geloosd, indien het in enig
steekmonster meer bevat dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
4. In afwijking van het derde lid bedraagt het gehalte aan olie ten
hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster indien het afvalwater,
voor vermenging met ander afvalwater, wordt geleid door een
slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden gebruikt
conform NEN-EN 858-1 en 2.
5. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het tweede en derde lid, kan op
een doelmatige wijze worden bemonsterd.
§ 4.6.2 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Artikel 4.76
1. Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage met ten minste
20 parkeerplaatsen worden ten behoeve van:
a. het doelmatig verspreiden van emissies;
b. het voorkomen dan wel beperken van geurhinder;
Staatsblad 2007 415 61
c. het voorkomen dan wel beperken van luchtverontreiniging door
benzeen, de bij ministeriële regeling te bepalen maatregelen toegepast.
2. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen:
a. ten aanzien van de beperking van de emissie van benzeen uit een
parkeergarage indien dit nodig is in het belang van de luchtkwaliteit;
b. ten aanzien van de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de
mechanische ventilatie van een parkeergarage en de uitvoering en het
onderhoud van de ventilatoren indien dit nodig is in het belang van de
luchtkwaliteit dan wel indien dit nodig is om de geurhinder te voorkomen
dan wel te beperken.
§ 4.6.3 Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
Artikel 4.77
Binnen een afstand van 20 meter van een bunkerstation vindt geen
recreatief verblijf plaats.
Artikel 4.78
1. Bij een afleverpunt voor vloeibare brandstof aan vaartuigen zijn
voldoende hulpmiddelen aanwezig voor de eerste bestrijding van een
waterverontreiniging ten gevolge van een calamiteit bij het afleveren van
brandstof.
2. Een afleverinstallatie voor vloeibare brandstof, alsmede de daarbij
behorende tankinstallatie is zodanig uitgevoerd, dat bij wisselende
waterstanden, voor zover deze ter plaatse optreden, als gevolg van die
waterstanden geen nadelige gevolgen voor het milieu optreden.
3. Het bevoegd gezag kan indien uit de aard en de ligging van de
installatie onduidelijk zou kunnen zijn welke hulpmiddelen het meest zijn
aangewezen, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot de
hoeveelheid en het soort hulpmiddelen, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 4.79
Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen wordt ten
behoeve van:
a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;
b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.6.4 Afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen
gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer
Artikel 4.80
1. Het afleveren van lichte olie voor eigen gebruik en niet-openbare
verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer geschiedt
via een systeem voor dampretour Stage-II. De eerste zin is niet van
toepassing:
a. op het afleveren van lichte olie met een maximale afleversnelheid van
10 liter per minuut of minder;
b. op het afleveren van lichte olie met mengsmering met een maximale
afleversnelheid van 45 liter per minuut of minder; en
Staatsblad 2007 415 62
c. indien de doorzet aan lichte olie minder bedraagt dan 500 kubieke
meter per jaar, waarbij als bewijs dat de doorzet aan lichte olie in enig jaar
minder heeft bedragen dan 500 kubieke meter is uiterlijk op 31 maart van
het daarop volgende kalenderjaar een afschrift van een accountantsverklaring
daaromtrent in de inrichting aanwezig is.
2. Het gebruikte systeem voor dampretour Stage-II voert ten minste
75% van de uit de brandstofreservoirs van de motorvoertuigen verdreven
dampen naar de ondergrondse opslagtank terug.
3. Een systeem voor dampretour Stage-II is goedgekeurd overeenkomstig
de Test Procedure voor Damp Retour Systemen in Benzinepompen
voor Nederland van het Nederlands Meetinstituut door een
keuringsinstantie, welke daartoe door de Raad voor Accreditatie is
geaccrediteerd op grond van NEN-EN-ISO/IEC 17025.
4. Een systeem voor dampretour Stage-II wordt voor ingebruikname en
daarna eenmaal per drie jaar overeenkomstig de Test Procedure voor
Damp Retour Systemen in Benzinepompen voor Nederland van het
Nederlands Meetinstituut, gecontroleerd op de goede werking door een
onafhankelijke inspectie-instelling.
5. Indien tijdens de uitvoering van de in het vierde lid bedoelde controle
afwijkingen worden geconstateerd ten opzichte van de eisen gesteld in
het tweede en derde lid, worden deze afwijkingen onverwijld opgeheven.
6. De keuringscertificaten zijnde de resultaten van de keuring en de
controle, bedoeld in het derde onderscheidenlijk vierde lid, worden in de
inrichting bewaard.
7. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van:
a. het voorkomen van stankhinder ten gevolge van het afleveren van
lichte olie, of
b. het beperken van de emissie van benzeen ten gevolge van het
afleveren van lichte olie, bij maatwerkvoorschrift bepalen welke maatregelen
bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden
getroffen.
Artikel 4.81
1. De afleverzuil bij een aardgas-afleverstation voor het afleveren van
gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer die
aardgas als motorbrandstof gebruiken bevindt zich op een afstand van ten
minste 10 meter van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Indien per
etmaal meer dan 300 personenauto’s worden gevuld, bedraagt deze
afstand 15 meter. Indien per etmaal meer dan 100 autobussen worden
gevuld, bedraagt deze afstand 20 meter. De bufferopslag bevindt zich op
een afstand van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zoals aangegeven
in tabel 4.81.
Tabel 4.81
Waterinhoud bufferopslag Afstand
Minder dan 3000 liter 10 meter
Vanaf 3000 tot 5000 liter 15 meter
Meer dan 5000 liter 20 meter
2. Een aardgas-afleverinstallatie voor het afleveren van aardgas ten
behoeve van niet-openbare verkoop voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, aan
de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Staatsblad 2007 415 63
Artikel 4.82
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van een
vloeistofdichte vloer of verharding waarboven het afleveren van motorbrandstof
voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor
voertuigen voor het wegverkeer plaatsvindt, wordt ten minste voldaan
aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Het afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider
die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2.
3. Het gehalte aan olie in het afvalwater na de afscheider bedraagt niet
meer dan 200 milligram per liter in enig steekmonster bepaald overeenkomstig
de bepalingsmethode.
4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Artikel 4.83
Bij het afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen
gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van luchtverontreiniging voldaan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen; en
b. ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en
ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel
mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat
ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan,
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.6.5 Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en
andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van motoren
Artikel 4.84
1. In de inrichting zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig.
2. Het is niet toegestaan een autowrak en de daarin aanwezige
materialen of onderdelen te verwijderen of nuttig toe te passen,
behoudens voor zover:
1°. het de opslag betreft, of
2°. het accessoires betreft die worden gedemonteerd omdat de laatste
eigenaar of houder van het autowrak hierom anders dan in de uitoefening
van zijn beroep of bedrijf heeft verzocht en met als doel die accessoires
opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig waarvan
hij eigenaar of houder is.
3. Het proefdraaien vindt niet in de buitenlucht plaats.
4. Bij het onderhouden of repareren van motoren, motorvoertuigen of
andere gemotoriseerde apparaten of bij het proefdraaien van motoren
wordt ten behoeve van het voorkomen of beperken van:
a. risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor
zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s
voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en
de gevolgen hiervan;
b. geurhinder;
c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;
d. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
Staatsblad 2007 415 64
Artikel 4.85
In afwijking van artikel 4.84, derde lid, is het proefdraaien van motoren
van pleziervaartuigen in de buitenlucht toegestaan voor zover de motor
zich in het vaartuig bevindt.
§ 4.6.6 Onderhouden en repareren en afspuiten van pleziervaartuigen
Artikel 4.86
1. In afwijking van de artikelen 4.32 en 4.39 is het onderhouden en
repareren van pleziervaartuigen door derden bij een jachthaven toegestaan.
2. In afwijking van de artikelen 4.22, 4.28 en 4.53 vinden verfspuitwerkzaamheden
aan pleziervaartuigen door derden bij een jachthaven
waarbij verf met een nevelspuit wordt opgebracht plaats in een daartoe
bestemde ruimte.
Artikel 4.87
Degene die een inrichting drijft waar derden gelegenheid wordt
geboden om pleziervaartuigen te onderhouden, te repareren of af te
spuiten voldoet ten behoeve van het voorkomen van milieuverontreiniging
bij die werkzaamheden ten minste aan de bij ministeriële regeling
te stellen eisen.
Artikel 4.88
Bij het onderhouden, repareren en afspuiten van pleziervaartuigen
wordt ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
AFDELING 4.7 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT PAPIER EN TEXTIEL
§ 4.7.1 Ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 4.89
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het
ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal wordt ten minste
voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.
2. Bij het ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal worden
in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en een doelmatige
zilverterugwininstallatie toegepast.
3. In afwijking van het tweede lid behoeft geen zilverterugwininstallatie
te worden toegepast indien per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare
fixeer wordt gebruikt en in de inrichting gedragsvoorschriften
aanwezig zijn en worden nageleefd gericht op de beperking van de
zilveremissie.
4. Het gehalte aan zilver in het afvalwater afkomstig van het ontwikkelen
en afdrukken van fotografisch materiaal bedraagt in enig steekmonster
minder dan 4 milligram per liter.
5. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Staatsblad 2007 415 65
§ 4.7.2 Zeefdrukken
Artikel 4.90
1. Voor de eindreiniging van zeefdrukramen worden uitsluitend
reinigingsmiddelen gebruikt met een vlampunt groter dan 55 graden
Celsius of op waterbasis.
2. Indien voor de zeefdruk per jaar meer dan 1.000 kilogram inkt op
basis van organische oplosmiddelen gebruikt wordt, wordt een registratie
bijgehouden van het verbruik aan vluchtige organische stoffen in kilogram
per jaar.
3. De registratie, bedoeld in het derde lid, wordt ten minste drie jaar in
de inrichting bewaard en ter inzage gehouden.
Artikel 4.91
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van
zeefdruk wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid en artikel
4.92.
2. Bij het reinigen van zeefdrukramen wordt het lozen van oplosmiddelen
en inkten zoveel mogelijk voorkomen door het verwijderen van inkt
en het strippen van de sjabloon procesmatig te scheiden. Het lozen mag
uitsluitend bestaan uit het lozen van spoelwater afkomstig van het
polijsten, ontvetten of ontwikkelen van het zeefdrukgaas, sojaboonverwijdering
of schaduwbeeldverwijdering.
3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Artikel 4.92
1. Bij het lozen als bedoeld in artikel 4.91 wordt rekening gehouden met
de beschikbare milieu-informatie van de stoffen die in het afvalwater
kunnen geraken. Indien op grond van die informatie uit de algemene
beoordelingsmethodiek voor stoffen en preparaten zoals opgenomen in
de nota «Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van
het emissiebeleid water» van de Commissie Integraal Waterbeheer blijkt
dat de stof niet loosbaar is wordt deze niet geloosd.
2. Van de in gebruik zijnde grondstoffen en hulpstoffen die in het
afvalwater, dat wordt geloosd, kunnen geraken is de beschikbare
milieu-informatie te allen tijde voor het bevoegd gezag ter inzage bij het
bedrijf.
Artikel 4.93
Bij het zeefdrukken wordt ten behoeve van
a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een
aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder;
b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.7.3 Overige druktechnieken
Artikel 4.94
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het
bedrukken van papier door middel van offsettechnieken wordt ten minste
voldaan aan het tweede tot en met het vierde lid.
2. Afvalwater dat chroomhoudende of zinkhoudende correctiemiddelen
bevat, afkomstig van het bijwerken van offsetplaten wordt niet geloosd.
Staatsblad 2007 415 66
3. Het afvalwater afkomstig van het reinigen van rubberdoeken en
drukvormen van offsetpersen bevat voor vermenging met ander
afvalwater, niet meer dan 200 milligram olie per liter in enig steekmonster.
4. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
§ 4.7.4 Reinigen en wassen van textiel
Artikel 4.95
1. Het reinigen van textiel vindt voor zover daar chemische stoffen bij
worden gebruikt, uitsluitend plaats met behulp van PER of
niet-gechloreerde alifatische koolwaterstoffen.
2. Bij ministeriële regeling kunnen andere stoffen dan genoemd in het
eerste lid, worden aangewezen.
Artikel 4.96
1. Bij het reinigen en wassen van textiel is de immissieconcentratie van
PER in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel
uitmaakt van de inrichting, per week gemiddeld niet meer dan 0,25
milligram per normaal kubieke meter.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de gebruiker van een
ruimte als bedoeld in dat lid geen toestemming geeft voor het verrichten
van een meting als bedoeld in dat lid.
3. Bij het reinigen en wassen van textiel is de immissieconcentratie van
PER ter plaatse van gevoelige objecten en niet tot de inrichting behorende
balkons, terrassen of tuinen, per jaar gemiddeld niet meer dan 0,25
milligram per normaal kubieke meter.
4. Voor het bepalen van de immissieconcentratie van PER, bedoeld in
het eerste of derde lid, wordt de methode met absorptiemateriaal of de
methode met continu registrerende meetapparatuur toegepast.
5. In afwijking van artikel 1.1 wordt voor de toepassing van dit artikel
verstaan onder gevoelig object: een gebouw of een gedeelte van een
gebouw dat bestemd is voor het verblijf van personen of een object,
gebouw of terrein dat bestemd is voor verblijfs- of dagrecreatie, niet
zijnde een kampeerterreinen voor ten hoogste vijftien kampeermiddelen.
Artikel 4.97
1. Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de binnenlucht
in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt
van de inrichting, bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de
methode met absorptiemateriaal zijn het tweede tot en met vijftiende lid
van toepassing.
2. Voor de metingen wordt gebruik gemaakt van monsterneming door
middel van adsorptiemateriaal in buisjes of badges.
3. De toe te passen buisjes of badges hebben een detectielimiet van 0,1
milligram per normaal kubieke meter of lager en zijn volgens de schriftelijke
verklaring van de fabrikant of leverancier geschikt voor de toepassing
bij deze meetmethode.
4. Bij de toepassing van buisjes of badges de door de fabrikant of
leverancier opgestelde gebruiksvoorschriften worden in acht genomen.
5. De bemonstering van de binnenlucht kan zowel passief als actief
plaatsvinden. In geval van actieve bemonstering vindt deze plaats met een
daartoe geschikte pomp.
6. De gasconcentratie in de binnenlucht wordt na analyse van de
koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de aangetroffen hoeveelheid
PER in de bemonstering en het totaal doorgezogen luchtvolume.
Staatsblad 2007 415 67
7. De te bemonsteren ruimte is een ruimte waar personen verblijven of
werkzaam zijn en direct grenst aan de inrichting.
8. De plaats van monsterneming wordt vrij in de betreffende ruimte
gepositioneerd op een zodanige plaats dat gassen kunnen worden
bemonsterd. De afstand tussen die plaats en een vloer, een wand en het
plafond van de te bemonsteren ruimte is ten minste 50 centimeter.
9. De buisjes of badges zijn gedurende de voorgeschreven meettijd in
de ruimte op dezelfde plek aanwezig.
10. Gedurende de bemonsteringsperiode mag in de te bemonsteren
ruimte geen gebruik worden gemaakt van oplosmiddelhoudende
materialen.
11. Het al dan niet aanwezig zijn van personen, de duur van die
aanwezigheid en de wijze van ventileren en de duur daarvan gedurende
een meting in de ruimte worden in een verslag vastgelegd.
12. De meettijd bedraagt ten minste één week.
13. Met de buisjes of badges wordt een gemiddelde immissieconcentratie
gemeten over de meetperiode.
14. De gemeten of de berekende immissieconcentratie mag uitsluitend
voor de gevoelige objecten worden gecorrigeerd met de expositieduur, op
basis van de gemiddelde verblijfstijd in zodanig object die redelijkerwijs
mag worden verondersteld.
15. Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op het eerste
verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten
minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt
bewaard.
Artikel 4.98
1. Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de binnenlucht
in een besloten ruimte van een gevoelig object, die geen deel uitmaakt
van de inrichting, bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de
methode met continu registrerende meetapparatuur zijn het tweede tot en
met tiende lid van toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van continu registrerende meetapparatuur
die een detectielimiet heeft van 0,1 milligram per normaal kubieke meter
of lager.
3. Er wordt gemeten gedurende ten minste een hele werkdag waarbij
het begin van een meting ligt op ten minste een uur voor de start van de
bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op een uur na het
beëindigen van de bedrijfsvoering op die werkdag.
4. De weekgemiddelde immissieconcentratie wordt berekend door de
gemiddelde gemeten immissieconcentratie tijdens de bedrijfsvoering te
vermenigvuldigen met het quotiënt van het totaal aantal bedrijfsuren op
weekbasis en het totaal aantal uren in een week dat 168 uur bedraagt.
5. De gemeten of berekende immissieconcentratie mag uitsluitend voor
een besloten ruimte van een gevoelig object worden gecorrigeerd met de
expositieduur op basis van de gemiddelde verblijfstijd in die besloten
ruimte, die redelijkerwijs mag worden verondersteld.
6. De te bemonsteren ruimte is een ruimte waar personen verblijven of
werkzaam zijn en direct grenst aan de inrichting.
7. De plaats van monsterneming wordt vrij in de betreffende ruimte
gepositioneerd op een zodanige plaats dat gassen kunnen worden
bemonsterd. De afstand tussen die plaats en een vloer, een wand en het
plafond van de te bemonsteren ruimte is ten minste 50 centimeter.
8. Gedurende de bemonsteringsperiode in de te bemonsteren ruimte
mag geen gebruik worden gemaakt van oplosmiddelhoudende
materialen.
9. Het al dan niet aanwezig zijn van personen, de duur van die
aanwezigheid, de wijze van ventileren en de duur daarvan gedurende een
meting in de ruimte, worden in een verslag vastgelegd.
Staatsblad 2007 415 68
10. Van een meting een verslag wordt gemaakt dat op het eerste
verzoek van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten
minste twee jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt
bewaard.
Artikel 4.99
1. Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht
als bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met
absorptiemateriaal zijn het tweede tot en met eenentwintigste lid van
toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van monsterneming door middel van
absorptiemateriaal in buisjes of badges.
3. De toe te passen buisjes of badges hebben een detectielimiet van 0,1
milligram per normaal kubieke meter of lager en zijn volgens de schriftelijke
verklaring van de fabrikant of leverancier geschikt voor de toepassing
bij deze meetmethode.
4. Bij de toepassing van buisjes of badges worden de door de fabrikant
of leverancier opgestelde gebruiksvoorschriften in acht worden.
5. De bemonstering van de buitenlucht kan zowel passief als actief
plaatsvinden. In geval van actieve bemonstering vindt deze plaats met een
daartoe geschikte pomp.
6. De gasconcentratie in de buitenlucht wordt na analyse van de
koolbuisjes berekend uit het quotiënt van de aangetroffen hoeveelheid
PER in de bemonstering en het totaal doorgezogen luchtvolume.
7. De meettijd bedraagt ten minste twee weken.
8. De monstername vindt plaats in de buitenlucht en bij de keuze van
een meetplaats wordt in beschouwing genomen:
a. de afstand van het emissiepunt tot het dichtstbij gelegen gevoelige
object, en
b. de te verwachten wijze van emissie, waaronder het concentratieverloop
in de tijd.
9. De aanwezige en mogelijke emissieplaatsen en gevoelige objecten
worden geïnventariseerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling
gestelde selectielijst meetplaatsen PER-imissiemeting.
10. Als gevoelige objecten worden aangemerkt:
a. te openen ramen, deuren en ventilatieroosters;
b. terrassen;
c. balkons;
d. tuinen; en
e. perceelsgrens.
11. Per geïnventariseerde emissieplaats wordt de omvang van de
emissie ingeschat.
12. De afstand tot een gevoelig object wordt bepaald of ingeschat en
ingedeeld in de volgende categorieën:
a. minder dan 5 meter;
b. vanaf 5 tot 15 meter;
c. vanaf 15 tot 25 meter;
d. vanaf 25 meter.
13. Uit de geïnventariseerde gevoelige objecten wordt een selectie
gemaakt van de gevoelige objecten die de meeste relevantie hebben.
14. De resultaten van de inventarisatie van aanwezige en mogelijke
meetplaatsen en gevoelige objecten, bedoeld in het negende lid, de
inschatting van de emissie, bedoeld in het elfde lid, en de indeling en
selectie van gevoelige objecten, bedoeld in het twaalfde en dertiende lid,
worden in een verslag opgenomen.
15. Een meting vindt plaats ter plaatse van de geselecteerde gevoelige
objecten, bedoeld in het dertiende lid. Indien het gevoelige object geen
perceelsgrens is, vindt tevens op de perceelsgrens een meting plaats.
Indien meting op de perceelsgrens niet mogelijk is, wordt een plaats
Staatsblad 2007 415 69
genomen die zo dicht mogelijk bij de perceelsgrens ligt.
16. De exacte plaats van elke meetplaats wordt op een situatietekening
aangegeven, die wordt opgenomen in een verslag.
17. Het meetinstrumentarium wordt ter plaatse van een meetplaats
bevestigd.
18. De gemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de
gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van
het totaal aantal bedrijfsuren gedurende de meetperiode. Vervolgens
wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die
redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe
te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag
voorgelegd.
19. Zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de
berekende jaargemiddelde immissie wordt in een verslag vermeld.
20. De jaargemiddelde immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde
concentratie die gedurende twee weken wordt gemeten.
21. Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek
van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee
jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.100
1. Bij het meten van de immissieconcentratie van PER in de buitenlucht,
bedoeld in artikel 4.96, vierde lid, door middel van de methode met
continu registrerende meetapparatuur zijn het tweede tot en met lid van
toepassing.
2. Er wordt gebruik gemaakt van continu registrerende meetapparatuur
dat een detectielimiet heeft van 0,1 milligram per normaal kubieke meter
of lager.
3. Er wordt gemeten gedurende ten minste een hele werkdag waarbij
het begin van een meting ligt op ten minste een uur voor de start van de
bedrijfsvoering en het einde van een meting ligt op een uur na het
beëindigen van de bedrijfsvoering op die werkdag.
4. De meting wordt uitgevoerd bij de op de meetplaats van toepassing
zijnde meest voorkomende windcondities met betrekking tot de
windrichting en windsnelheid.
5. Indien een gevoelig object zich niet aan de lijzijde van de meest
voorkomende windrichting bevindt, wordt een meting uitgevoerd
gedurende een tweede hele werkdag bij een tegenovergestelde
windrichting.
6. Voor het vaststellen van de meest voorkomende windcondities wordt
gebruik gemaakt van de jaargegevens van het KNMI weerstation dat het
dichtst bij de locatie is gelegen en deze gegevens worden in een verslag
vermeld.
7. Een meting wordt niet uitgevoerd wanneer er neerslag valt noch
wanneer het mistig is.
8. De monstername vindt plaats in de buitenlucht en bij de keuze van
een meetplaats wordt in beschouwing genomen:
a. de afstand van het emissiepunt tot het dichtstbij gelegen gevoelige
object; en
b. de te verwachten wijze van emissieconcentratieverloop in de tijd.
9. Aanwezige en mogelijke emissieplaatsen van gevoelige objecten
worden geïnventariseerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling
vastgestelde selectielijst meetplaatsen PER-imissiemeting.
10. Als gevoelige objecten worden aangemerkt:
a. te openen ramen, deuren en ventilatieroosters;
b. terrassen;
c. balkons;
d. tuinen; en
e. de perceelsgrens.
Staatsblad 2007 415 70
11. Per geïnventariseerde emissieplaats wordt de omvang van de
emissie ingeschat.
12. De afstand tot een geïnventariseerd gevoelig object wordt bepaald
of ingeschat en ingedeeld in de volgende categorieën:
a. minder dan 5 meter;
b. vanaf 5 tot 15 meter;
c. vanaf 15 tot 25 meter;
d. vanaf 25 meter.
13. Uit de geïnventariseerde gevoelige objecten wordt een selectie
gemaakt van de gevoelige objecten die de meeste relevantie hebben.
14. De resultaten van de inventarisatie van aanwezige en mogelijke
meetplaatsen en gevoelige objecten, bedoeld in het tiende lid, de
inschatting van de emissie, bedoeld in het elfde lid, en de indeling en
selectie van gevoelige objecten, bedoeld in het twaalfde en dertiende lid,
worden in een verslag opgenomen.
15. Een meting vindt plaats ter plaatse van de geselecteerde gevoelige
objecten, bedoeld in het dertiende lid. Indien het gevoelige object geen
perceelsgrens is, vindt tevens op de perceelsgrens een meting plaats.
Indien meting op de perceelsgrens niet mogelijk is wordt een plaats
genomen die zo dicht mogelijk bij de perceelsgrens ligt.
16. De exacte plaats van elke meetplaats wordt op een situatietekening
aangegeven, die wordt opgenomen in een verslag.
17. Het meetinstrumentarium wordt ter plaatse van een meetplaats
bevestigd.
18. De gemiddelde immissieconcentratie wordt bepaald door de
gemeten gemiddelde immissie te vermenigvuldigen met het quotiënt van
het totaal aantal bedrijfsuren gedurende de meetperiode. Vervolgens
wordt de gemeten immissie gecorrigeerd met de expositieduur die
redelijkerwijs mag worden verondersteld, op het gevoelige object. De toe
te passen expositieduur wordt ter goedkeuring aan het bevoegd gezag
voorgelegd.
19. Zowel de niet gecorrigeerde als de gecorrigeerde waarde van de
berekende jaargemiddelde immissie wordt in een verslag vermeld.
20. De jaargemiddelde immissieconcentratie is gelijk aan de gemiddelde
concentratie die gedurende twee weken wordt gemeten.
21. Van een meting wordt een verslag gemaakt dat op eerste verzoek
van het bevoegd gezag wordt overgelegd en gedurende ten minste twee
jaren na de eerstvolgende meting in de inrichting wordt bewaard.
Artikel 4.101
1. Een machine bestemd voor het reinigen met een koolwaterstof wordt
zo ingesteld, gebruikt en onderhouden dat de hoeveelheid van die
koolwaterstof in het gereinigde textiel en in de vrijkomende drooglucht
niet meer bedraagt dan 20 gram per kilogram gereinigd textiel. Binnen de
inrichting worden behalve PER, uitsluitend niet-gechloreerde alifatische
koolwaterstoffen toegepast.
2. De drijver van de inrichting bewaart het laatste keurings- en
onderhoudsrapport, waaruit mede blijkt wie en wanneer de keuring of het
onderhoud heeft onderscheidenlijk is verricht.
Artikel 4.102
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het
reinigen en wassen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede
en derde lid.
2. Afvalwater afkomstig van het wasproces bevat in enig steekmonster
niet meer dan 0,1 milligram PER per liter.
3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Staatsblad 2007 415 71
Artikel 4.103
Bij het reinigen en wassen van textiel wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
AFDELING 4.8 OVERIGE ACTIVITEITEN
§ 4.8.1 Inwendig reinigen van tanks en tankwagens
Artikel 4.104
1. Bij het inwendig reinigen van tanks en tankwagens wordt het in het
afvalwater geraken van het product zo veel mogelijk voorkomen.
2. Indien in de inrichting afvalwater ontstaat met een soortgelijke
samenstelling als het afvalwater dat ontstaat bij het inwendig reinigen van
tanks en tankwagens, is het toegestaan laatstgenoemd afvalwater te lozen
op dezelfde wijze als het afvalwater van soortgelijke samenstelling mits
het afvalwater van soortgelijke samenstelling door een zuiveringsvoorziening
wordt geleid, die is gedimensioneerd op de totale afvalwaterstroom.
§ 4.8.2 Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
Artikel 4.105
1. Het lozen van ingenomen huishoudelijk afvalwater en de inhoud van
chemische toiletten van pleziervaartuigen vanuit een jachthaven vindt
plaats in een vuilwaterriool.
2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van ingenomen bilgewater van
pleziervaartuigen wordt ten minste voldaan aan de voorwaarden
genoemd in het derde tot en met het vijfde lid.
3. Het afvalwater bevat in enig steekmonster niet meer dan:
a. 20 milligram olie per liter;
b. 300 milligram onopgeloste bestanddelen per liter.
4. In afwijking van het derde lid mag het gehalte aan olie ten hoogste
200 milligram per liter in enig steekmonster bedragen indien het
afvalwater, voorafgaand aan de vermenging met ander afvalwater wordt
geleid door een slibvangput en olieafscheider die voldoen aan en worden
gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2.
5. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden
bemonsterd.
Artikel 4.106
1. In een jachthaven worden de volgende afvalstoffen ingenomen:
a. afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijk afval noch de inhoud van
chemische toiletten noch afvalwater, indien een jachthaven beschikt over
meer dan 25 ligplaatsen;
b. afgewerkte olie, indien in de inrichting een bunkerstation voor
pleziervaartuigen aanwezig is, of meer dan 50 pleziervaartuigen met een
binnenboordmotor een vaste ligplaats hebben en in de jachthaven tevens
onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen plaatsvindt;
c. bilgewater, indien in de inrichting meer dan 50 pleziervaartuigen met
een binnenboordmotor een vaste ligplaats hebben;
d. gevaarlijke afvalstoffen, niet zijnde afgewerkte olie noch bilgewater,
indien de inrichting beschikt over meer dan 25 ligplaatsen en in de
jachthaven tevens onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen
plaatsvindt;
Staatsblad 2007 415 72
e. huishoudelijk afvalwater en de inhoud van chemische toiletten van
pleziervaartuigen, indien de inrichting beschikt over meer dan 50
ligplaatsen, waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd
voor open pleziervaartuigen.
2. Indien twee of meer jachthavens in elkaars onmiddellijke nabijheid
zijn gelegen wordt voldaan aan het eerste lid indien de voorzieningen
gemeenschappelijk worden aangebracht en beheerd en daartoe een
overeenkomst is gesloten. De overeenkomst wordt ter goedkeuring
voorgelegd aan het bevoegd gezag.
3. Voor de inzameling, bedoeld in het eerste lid, wordt geen aparte
financiële vergoeding gevraagd aan de gebruikers van de inrichting.
4. Indien een jachthaven op grond van het eerste lid niet behoeft te
beschikken over een voorziening voor de inzameling van een bepaalde
categorie afvalstoffen, wordt binnen de jachthaven duidelijk aangegeven
waar de gebruikers van de jachthaven hun afvalstoffen kunnen afgeven.
Artikel 4.107
1. In afwijking van artikel 4.106, eerste lid, worden de in dat lid
genoemde afvalstoffen in een jachthaven die gewoonlijk wordt
aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen ingenomen ongeacht het
aantal ligplaatsen in die inrichting.
2. Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan
door zeegaande pleziervaartuigen, maakt bij de inning van het havengeld
kenbaar welk aandeel daarvan bestemd is voor het instandhouden van de
voorzieningen voor het in ontvangst nemen en verder beheren van
afvalstoffen.
3. Degene die een jachthaven drijft die gewoonlijk wordt aangedaan
door zeegaande pleziervaartuigen, stelt, na overleg met betrokken
partijen, eens in de drie jaar een passend plan vast voor het in ontvangst
nemen en verder beheren van afvalstoffen, en legt dit plan ter
goedkeuring voor aan het bevoegd gezag.
Artikel 4.108
Ten aanzien van een jachthaven die gewoonlijk wordt aangedaan door
zeegaande pleziervaartuigen en is aangewezen krachtens artikel 6 van de
Wet voorkoming verontreiniging door schepen, zijn de artikelen 4.106 en
4.107 niet van toepassing.
§ 4.8.3 Bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 4.109
1. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het
bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten
wordt ten minste voldaan aan het derde tot en met het vijfde lid.
2. Indien niet in een vuilwaterriool geloosd kan worden, is lozen anders
dan in een vuilwaterriool toegestaan indien het afvalwater gezamenlijk
met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het
zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van
het afvalwater van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee
samenhangende activiteiten.
3. Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende
apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.
4. Het vethoudende afvalwater afkomstig uit de ruimte waar de
activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht wordt voorafgaand aan
de vermenging met een ander afvalwater geleid door een vetafscheider
en slibvangput die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN
1825-1 en 2. In afwijking van de NEN-EN 1825-1 en 2 kan met een lagere
Staatsblad 2007 415 73
frequentie van het ledigen en reinigen dan daarin vermeld worden
volstaan indien een lagere frequentie geen nadelige gevolgen heeft met
het oog op het doelmatig functioneren van de afscheider.
5. Bij maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag het vierde lid niet
van toepassing verklaren en het lozen zonder een vetafscheider en
slibvangput toestaan indien gelet op het vetgehalte in het te lozen
afvalwater in combinatie met de hoeveelheid te lozen afvalwater, het
lozen geen nadelige gevolgen heeft voor de doelmatige werking van de
voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Artikel 2.2, vierde lid, is
van overeenkomstige toepassing.
Artikel 4.110
Bij het bereiden van voedingsmiddelen worden ten behoeve van het
voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar
niveau beperken van geurhinder de bij ministeriële regeling te
bepalen maatregelen toegepast.
§ 4.8.4 Slachten van dieren
Artikel 4.111
1. Het slachten van dieren vindt inpandig plaats.
2. Bij het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het
slachten van dieren wordt het vethoudende afvalwater afkomstig uit de
ruimte waar de activiteit, bedoeld in het eerste lid, wordt verricht voor
vermenging met ander afvalwater geleid door een vetafscheider en
slibvangput, die voldoen aan en worden toegepast volgens NEN-EN
1825-1 en 2.
Artikel 4.112
Bij het slachten van dieren wordt:
a. ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen;
b. ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder ten minste
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.8.5 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport
Artikel 4.113
1. De verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht is
uitgeschakeld:
a. tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en
b. indien er geen sport beoefend wordt noch onderhoud plaatsvindt.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband
met:
a. de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke
verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor
de verordening geldt;
b. de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden in de inrichting,
waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te
wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per
kalenderjaar;
c. door het bevoegd gezag aangewezen activiteiten in een inrichting,
anders dan festiviteiten als bedoeld in onderdeel b, waarbij het aantal aan
te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel tezamen niet meer
bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.
Staatsblad 2007 415 74
3. Een festiviteit of activiteit als bedoeld het tweede lid die maximaal
een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt
hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.
§ 4.8.6 In werking hebben acculader
Artikel 4.114
Bij het in werking hebben van een acculader wordt ten behoeve van het
realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, voldaan aan de bij
ministeriële regeling te stellen eisen.
§ 4.8.7 In werking hebben van een noodstroomaggregaat
Artikel 4.115
Bij het in werking hebben van een noodstroomaggregaat wordt ten
behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
HOOFDSTUK 5 WIJZIGING VAN BESLUITEN
Artikel 5.1
In de aanhef van artikel 3, eerste lid, van het Lozingenbesluit Wvo
bodemsanering en proefbronnering wordt na «van toepassing op het
lozen» ingevoegd: anders dan vanuit een inrichting als bedoeld in artikel
1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer.
Artikel 5.2
In artikel 6, onderdeel b, van het Besluit beheer autowrakken, wordt «als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen
milieubeheer» vervangen door: waar onderhoud en reparatie
van motorvoertuigen plaatsvindt als bedoeld in categorie II van bijlage 1
bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Artikel 5.3
In artikel 2, derde lid, van het Besluit financiële zekerheid milieubeheer,
wordt:
a. in onderdeel a «artikel 15 van het Besluit opslaan in ondergrondse
tanks 1998» vervangen door: artikel 2.12 van het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer;
b. in onderdeel b «artikel 8 van het Besluit tankstations milieubeheer»
vervangen door: artikel 2.24 van het Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer.
Artikel 5.4
Het Besluit glastuinbouw wordt als volgt gewijzigd:
a. in artikel 2, onderdeel b, onder 12e, wordt «het Besluit opslaan in
ondergrondse tanks 1998» vervangen door: het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer;
b. in artikel 2, onderdeel b, onder 13e, wordt «het Besluit voorzieningen
en installaties milieubeheer» vervangen door: het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer;
Staatsblad 2007 415 75
c. In Bijlage 2, deel B, punt 2.1.9, onderdeel a, wordt «het Besluit
opslaan in ondergrondse tanks» vervangen door: het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer;
d. In Bijlage 2, deel B, punt 2.1.9, onderdeel b, wordt «het Besluit
voorzieningen en installaties milieubeheer» vervangen door: het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Artikel 5.5
Het Besluit landbouw milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:
a. in artikel 3, eerste lid, onderdeel n, onder 8e, onderdeel a, wordt «het
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998» vervangen door: het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
b. in artikel 3, eerste lid, onderdeel n, onder 9e, wordt «het Besluit
voorzieningen en installaties milieubeheer» vervangen door: het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;
c. in de bijlage, deel B, punt 2.6.10, onderdeel a, wordt «het Besluit
opslag in ondergrondse tanks» vervangen door: het Besluit algemene
regels voor inrichtingen milieubeheer;
d. in de bijlage, deel B, punt 2.6.10, onderdeel b, wordt «het Besluit
voorzieningen en installaties milieubeheer» vervangen door: het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
Artikel 5.6
Het Besluit omgevingslawaai wordt als volgt gewijzigd:
a. artikel 1, onderdelen b en c, komen te luiden:
b. concentratiegebied voor horeca-inrichtingen: een gebied waarvoor
een gemeentelijke verordening geldt met zodanige geluidsnormen voor
horeca-inrichtingen dat de geluidsbelasting Lden op omliggende woningen
55 dB of meer kan bedragen of de geluidsbelasting Lnight op omliggende
woningen 50 dB of meer;
c. concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven: een
gebied waarvoor een gemeentelijke verordening geldt met zodanige
geluidsnormen voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat de geluidsbelasting
Lden op omliggende woningen 55 dB of meer kan bedragen of
de geluidsbelasting Lnight op omliggende woningen 50 dB of meer;
b. artikel 2 komt te luiden:
Artikel 2
Inrichtingen als bedoeld in artikel 115 van de wet, begripsomschrijving
van «verzameling van inrichtingen», onder b, zijn inrichtingen gelegen in
concentratiegebieden voor horeca-inrichtingen of detailhandel en
ambachtsbedrijven.
3. In artikel 17 vervalt de zinsnede «, voor zover de ten hoogst
toelaatbare geluidsbelasting voor één of meer van de betrokken inrichtingen
binnen het concentratiegebied overeenkomt met 55dB Lden of meer
dan wel 50 dB Lnight of meer».
Staatsblad 2007 415 76
Artikel 5.7
In het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit milieubeheer wordt in
Bijlage 1, categorie 19.1, onderdeel h vervangen door:
h. jachthaven met de daarbij behorende grond waar overwegend
gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd
houden van tien of meer pleziervaartuigen;.
Artikel 5.8
In artikel 3.2.1, derde lid, van het Vuurwerkbesluit wordt «het Besluit
horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer» vervangen door:
het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.
HOOFDSTUK 6 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
§ 6.1 Algemeen overgangsrecht
Artikel 6.1
1. Voor een inrichting waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het
tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 een vergunning in werking en
onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning
gedurende drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.1
aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die
vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het
stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de
inrichting van toepassing is. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
2. De nadere eisen die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 op grond van de
besluiten, bedoeld in artikel 6.43, in werking en onherroepelijk waren,
worden aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de nadere eisen
vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van
maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
3. De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op
grond van de besluiten, bedoeld in artikel 6.43, die voor een inrichting
onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel
2.1 in werking en onherroepelijk waren en niet vallen binnen de
bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften
worden indien op grond van dit besluit strengere
bepalingen gaan gelden gedurende zes maanden aangemerkt als
maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is niet van
toepassing.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de
aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften
van de vergunning aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
Artikel 6.2
1. Voor het lozen vanuit een inrichting type A of B waarvoor onmiddellijk
voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1
een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren in werking en onherroepelijk was, worden de
voorschriften van die vergunning gedurende drie jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 aangemerkt als maatwerkvoorschriften,
mits de voorschriften vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd
Staatsblad 2007 415 77
gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid,
van de wet is van overeenkomstige toepassing.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot
het lozen vanuit een inrichting type C, voor zover het lozen betrekking
heeft op de activiteiten genoemd in:
a. hoofdstuk 3; of
b. indien het lozen in het oppervlaktewater plaatsvindt: paragraaf 4.1.5.
3. De nadere eisen die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 golden krachtens het Lozingenbesluit
Wvo huishoudelijk afvalwater of het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering
en proefbronnering voor het lozen vanuit een inrichting, blijven na het
tijdstip van de inwerkingtreding van artikel 2.1 gelden als maatwerkvoorschriften,
mits de nadere eisen vallen binnen de reikwijdte van een
maatwerkvoorschrift. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige
toepassing.
4. De voorschriften van een vergunning dan wel de nadere eisen op
grond van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater of het
Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering voor het lozen
vanuit een inrichting, die voor een inrichting onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 in werking en
onherroepelijk waren en niet vallen binnen de bevoegdheid van het
bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften worden indien
op grond van dit besluit strengere bepalingen gaan gelden gedurende zes
maanden aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid,
van de wet is niet van toepassing.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de
aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften
van de vergunning aangemerkt als voorschriften van de vergunning.
Artikel 6.3
1. Een ontheffing op grond van de artikelen 14, tweede lid, 24, tweede
lid, en 25, tweede lid, van het Lozingenbesluit bodembescherming met
betrekking tot het lozen als bedoeld in artikel 2.2, eerste of tweede lid,
wordt gedurende de resterende termijn van die ontheffing aangemerkt als
een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid. Artikel 8.42,
vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
2. In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als
bedoeld in artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 2.2,
eerste lid, gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt
als een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.
Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
3. In afwijking van artikel 6.2, eerste lid, wordt een vergunning als
bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
met betrekking tot het lozen, bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid,
gedurende de resterende termijn van die vergunning aangemerkt als een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b.
Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van overeenkomstige toepassing.
4. Onverminderd artikel 6.2, derde en vierde lid, is het lozen vanuit een
bodemsanering in het vuilwaterriool dat op het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 2.1 was toegestaan volgens het Lozingenbesluit Wvo
bodemsanering en proefbronnering, in afwijking van artikel 3.1, vijfde lid,
toegestaan en worden de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste tot en met derde
lid, 7, eerste lid, 8, 12, 13 en 14 van dat besluit aangemerkt als maatwerkvoorschrift
als bedoeld in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b.
5. Indien op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit het
lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater was toegestaan
op grond van artikel 14 van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk
Staatsblad 2007 415 78
afvalwater, blijft die toestemming gelden gedurende de termijn die volgt
uit de toepassing van dat artikel.
6. Voor de toepassing van dit artikel worden gegevens die in de
aanvraag staan die geacht worden onderdeel te zijn van de voorschriften
van de ontheffing of de vergunning aangemerkt als voorschriften van de
ontheffing of vergunning.
Artikel 6.4
1. Degene die een inrichting type B of type C drijft die is opgericht voor
de inwerkingtreding van artikel 1.10 en waarvoor onmiddellijk voorafgaand
aan het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel geen
vergunning in werking en onherroepelijk was en geen melding was
gedaan op grond van een van de in artikel 6.43 genoemde besluiten,
meldt aan het bevoegd gezag dat hij de inrichting in werking heeft.
2. Degene die de inrichting drijft doet de melding, bedoeld in het eerste
lid, binnen vier weken na het tijdstip waarop artikel 1.10 in werking is
getreden. Afdeling 1.2 is van overeenkomstige toepassing.
3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1.10 ten
aanzien van een inrichting type B nog niet is beslist op een aanvraag om
een vergunning op grond van artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a, van de
wet zoals luidde voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet van
22 november 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer en enige andere
daarmee verband houdende wetten (modernisering van de algemene
milieuregels voor inrichtingen, Stb. 606) zijn het eerste en tweede lid niet
van toepassing en wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt als
een melding overeenkomstig artikel 1.10.
Artikel 6.5
Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.2 nog niet is
beslist op een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 1 van de
Wet verontreiniging oppervlaktewateren en dit besluit op het betreffende
lozen van toepassing is, wordt de aanvraag om de vergunning aangemerkt
als:
a. een melding overeenkomstig artikel 1.10, voor zover het lozen bij of
krachtens de in hoofdstuk 3 of 4 van dit besluit gestelde voorschriften is
toegestaan;
b. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld
in artikel 2.2, derde lid, voor zover de aanvraag het brengen van afvalwater
of andere afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het
oppervlaktewater, met behulp van een werk dat niet op een ander werk is
aangesloten of op een andere wijze dan met behulp van een werk betreft,
en dat brengen niet bij of krachtens de in de hoofdstukken 3 of 4 van dit
besluit gestelde voorschriften is toegestaan; of
c. een verzoek tot het stellen van een maatwerkvoorschrift als bedoeld
in artikel 3.1, zesde lid, onderdeel b, voor zover de aanvraag lozen betreft
als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid.
Artikel 6.6
Voor de toepassing van dit besluit wordt als eerste dag van de termijn
waarbinnen wordt gekeurd aangemerkt: de dag waarop voor het laatst is
gekeurd.
Artikel 6.7
1. Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.7 waartoe een gpbv-installatie
behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat
artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van
Staatsblad 2007 415 79
toepassing was, zijn de artikelen 3.8, 3.9, 3.10 en 6.20 tot 1 januari 2011
van toepassing.
2. Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.11 waartoe een gpbv-installatie
behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat
artikel het Besluit voorzieningen en installatie milieubeheer van
toepassing was, zijn de artikelen 3.12 en 6.21 tot 1 januari 2011 van
toepassing.
3. Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.13 waartoe een gpbv-installatie
behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat
artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van
toepassing was, is artikel 3.15 tot 1 januari 2011 van toepassing.
4. Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.27 waartoe een gpbv-installatie
behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat
artikel het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van
toepassing was, is artikel 3.28 tot 1 januari 2011 van toepassing.
5. Op een inrichting als bedoeld in artikel 3.30 waartoe een gpbv-installatie
behoort en waarop voorafgaand aan de inwerkingtreding van dat
artikel het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing
was, is dat artikel tot 1 januari 2011 van toepassing.
§ 6.2 Overgangsrecht energiebesparing
Artikel 6.8
In afwijking van artikel 6.1 worden de nadere eisen die voor een
inrichting onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 2.15 op grond van voorschrift 4.2.1 van bijlage 2 van het Besluit
detailhandel en ambachtsbedrijven golden tot 1 januari 2012 aangemerkt
als maatwerkvoorschriften. Artikel 8.42, vierde lid, van de wet is van
overeenkomstige toepassing.
§ 6.3 Overgangsrecht verkeer en vervoer
Artikel 6.9
Indien artikel 2.16 in werking treedt na het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel 2.1, is artikel 2.1, derde lid, van toepassing ten aanzien van het
vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting.
§ 6.4 Overgangsrecht bodem
Artikel 6.10
1. Indien een bodembedreigende activiteit reeds werd uitgevoerd voor
de inwerkingtreding van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag in afwijking
van dat artikel op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een
aanvaardbaar bodemrisico kan worden gerealiseerd.
2. Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan slechts
worden gesteld indien het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico
redelijkerwijs niet kan worden gevergd en is voldaan aan het derde
lid.
3. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt een plan van aanpak
gevoegd, waarin ten minste is vastgelegd:
a. de wijze waarop het risicobeperkende bodemonderzoek wordt
uitgevoerd;
b. de bodemkwaliteit op dat moment, zoals dat is onderzocht en
vastgelegd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over
een erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer;
Staatsblad 2007 415 80
c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen eventueel optredende
verontreiniging of aantasting van de bodem wordt hersteld door een
persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond
van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer;
d. de kosten die daarvoor worden geraamd en de wijze waarop hiervoor
financiële zekerheid wordt gesteld.
4. Het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, waarmee het bevoegd
gezag heeft ingestemd maakt deel uit van het maatwerkvoorschrift.
5. Onder een aanvaarbaar bodemrisico als bedoeld in het eerste lid
wordt verstaan: een situatie als bedoeld in de NRB waarin een bodemrisico
aanvaardbaar is gemaakt met risicobeperkend bodemonderzoek en
door het anticiperen op het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken
van eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem.
6. Het risicobeperkend bodemonderzoek als bedoeld in het derde en
vijfde lid, voldoet aan paragraaf 1.5 van onderdeel B1 van de NRB en
wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over
een erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.
Artikel 6.11
Indien het Besluit bodemkwaliteit in werking treedt wordt in de artikelen
2.11, vierde en zesde lid, 6.7, derde lid, onderdelen b en c, en zesde lid,
«Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer» telkens vervangen door:
Besluit bodemkwaliteit.
§ 6.5 Overgangsrecht geluidhinder
Artikel 6.12
1. De waarden genoemd in tabel 2.17a worden met 5 dB(A) verhoogd
indien onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 2.17
op grond van een in het derde lid genoemd voorschrift hogere waarden
golden.
2. Indien in een milieuvergunning die inwerking en onherroepelijk was
op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest
zijnde voorschrift, genoemd in het derde lid, lagere waarden dan de
waarden, bedoeld het eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere
waarden van toepassing.
3. De voorschriften, bedoeld in het tweede en derde lid zijn: voorschrift
1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven
milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandelen
ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van
het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer,
voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven
milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en
verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het
Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van
bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer,
voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen
milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit
tankstations milieubeheer en voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit
tandartspraktijken milieubeheer.
Artikel 6.13
1. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van
artikel 2.20, eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting:
Staatsblad 2007 415 81
a. waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
2.20, het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, het Besluit
detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, het Besluit horeca-,
sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit bouw- en
houtbedrijven milieubeheer, het Besluit woon- en verblijfsgebouwen
milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, het
Besluit jachthavens milieubeheer of het Besluit motorvoertuigen
milieubeheer van toepassing was, en
b. die voor de inwerkingtreding van het betreffende in onderdeel a
genoemde besluit is opgericht.
2. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van
artikel 2.20, eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting
waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit
het Besluit tankstations milieubeheer of het Besluit tandartspraktijken
milieubeheer van toepassing was.
Artikel 6.14
Voor inrichtingen waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding
van artikel 2.17, voorschrift 1.1.8 van het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was, kan het bevoegd
gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 2.17, tweede lid, niet
van toepassing is voor de toetsing van geluidsniveaus tussen 23.00 en
07.00 uur. Indien op grond van het maatwerkvoorschrift een bedrijfsduurcorrectie
wordt toegepast, is het door de inrichting veroorzaakte geluidsniveau
gedurende de bedrijfstijd tussen 23.00 en 07.00 uur niet hoger dan
op grond van artikel 2.17 is toegestaan tussen 19.00 en 23.00 uur.
Artikel 6.15
Voor inrichtingen waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de artikelen 2.17 en 2.18, het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven
milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen
milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit de artikelen 2.17,
2.18 dan wel 2.19 niet van toepassing op de gevel van respectievelijk in
een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van
een inrichting.
Artikel 6.16
1. Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.19 is dit artikel van
toepassing.
2. Artikel 2.17 is niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in
een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of in een concentratiegebied
voor detailhandel en ambachtsbedrijven, dat bij of krachtens een
verordening als zodanig is aangewezen.
3. In een gebied als bedoeld in het tweede lid bedraagt het langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting
aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting
verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval niet meer:
a. dan het in dat gebied heersende referentieniveau;
b. dan de in tabel 6.16 aangegeven waarden binnen een woning of
andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen.
Staatsblad 2007 415 82
Tabel 6.16
07.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-07.00 uur
Langtijdgemiddeld
beoordelingsniveau (LAr,LT) 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A)
Maximaal geluidsniveau 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A)
4. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder referentieniveau:
hoogste waarde van de in onderdeel a en b genoemde niveaus:
a. het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een
bepaalde periode, gedurende 95% van de tijd wordt overschreden,
exclusief de bijdrage van de inrichting zelf;
b. het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq), veroorzaakt door
wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de
nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur alleen wegverkeerbronnen in
rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500
motorvoertuigen gedurende die periode.
§ 6.6 Overgangsrecht met betrekking tot slibvangputten en olieafscheiders
Artikel 6.17
1. Artikel 3.23, tweede lid, is niet van toepassing indien:
a. voor de inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een
olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan en gebruikt worden conform
NEN 7089; of
b. voor 1 maart 1997 een slibvangput of een olieafscheider zijn
geplaatst, die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
2. In afwijking van de artikelen 3.25, derde lid, 4.71, tweede lid, 4.75,
vierde lid, en 4.105, vierde lid zijn die artikelen van overeenkomstige
toepassing indien voor de inwerkingtreding van het respectievelijke
artikellid:
a. een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die voldoen aan
en worden gebruikt conform NEN 7089;
b. voor 1 maart 1997 een slibvangput en een olieafscheider zijn
geplaatst, die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.
§ 6.7 Overgangsrecht met betrekking tot het lozen van afvloeiend
hemelwater
Artikel 6.18
1. Artikel 3.3, tweede lid, is niet van toepassing ten aanzien van
lozingen die zijn aangevangen voor de inwerkingtreding van dat artikel.
2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het
lozen in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig
is van een bodembeschermende voorziening, die met het oog op artikel
2.9, eerste lid, is aangelegd en hemelwater dat door middel van drainage
wordt afgevoerd, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan de inwerkingtreding
van artikel 3.3, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde
termijn wordt gestaakt.
Staatsblad 2007 415 83
§ 6.8 Overgangsrecht met betrekking tot het lozen van huishoudelijk
afvalwater
Artikel 6.19
1. In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand
tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij
voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem
dat voor 1 juli 1990 al regelmatig plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte
van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een
zuiveringstechnisch werk bevindt.
2. In afwijking van artikel 3.4, tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand
tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij
voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater
dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte
van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een
zuiveringstechnisch werk bevindt.
§ 6.9 Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een
warmtekrachtinstallatie
Artikel 6.20
In afwijking van artikel 3.9, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie
die in gebruik is genomen voor de inwerkingtreding van dat artikel, een
jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de
formule bedoeld in dat lid.
§ 6.10 Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een
installatie voor het reduceren van aardgasdruk, meten en regelen van
aardgashoeveelheid of aardgaskwaliteit
Artikel 6.21
1. Artikel 3.12, zesde lid, is niet van toepassing op een gasdrukmeet- en
regelstation:
a. waarop onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
3.10 het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing
was, is opgericht voor 1 december 2001 en waarvoor onmiddellijk
voorafgaand aan de laatstgenoemde datum een vergunning in werking en
onherroepelijk was; of
b. dat voor de inwerkingtreding van artikel 3.12 is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan die datum een vergunning in
werking en onherroepelijk was;
voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de
afstanden, bedoeld in tabel 3.12.
2. Ten aanzien van een gasdrukmeet- en regelstation als bedoeld in het
eerste lid zijn de afstanden opgenomen in de vergunning van toepassing.
3. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen met
betrekking tot de veiligheid, voor die situatie, bedoeld in het eerste lid,
voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de
afstanden, bedoeld in tabel 3.12.
Staatsblad 2007 415 84
§ 6.11 Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare
brandstoffen, mengsmering en aardgas ten behoeve van openbare
verkoop voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
Artikel 6.22
1. Artikel 3.20 is niet van toepassing op inrichtingen die zijn opgericht
voor 1 juli 1995 en waarvan de doorzet aan lichte olie minder bedraagt
dan 500 kubieke meter per jaar. Als bewijs dat de doorzet aan lichte olie in
enig jaar minder heeft bedragen dan 500 kubieke meter is uiterlijk op
31 maart van het daarop volgende kalenderjaar een afschrift van een
accountantsverklaring daaromtrent in de inrichting aanwezig.
2. Het bevoegd gezag kan met het oog op:
a. het voorkomen van stankhinder ten gevolge van het afleveren van
lichte olie, of
b. het beperken van de emissies van benzeen ten gevolge van het
afleveren van lichte olie,
bij maatwerkvoorschrift bepalen welke maatregelen bij een inrichting
als bedoeld in het eerste lid worden getroffen.
§ 6.12 Overgangsrecht tandheelkunde
Artikel 6.23
Artikel 3.26 is tot 1 januari 2011 niet van toepassing indien het afvalwater
afkomstig van tandheelkundige bewerkingen wordt geleid door een
amalgaamafscheider die voor de inwerkingtreding van dat artikel is
geplaatst en de door de leverancier aangegeven maximale doorstroomsnelheid
niet wordt overschreden.
§ 6.13 Overgangsrecht met betrekking tot de opslag van propaan
Artikel 6.24
1. In afwijking van artikel 3.28, eerste lid, geldt voor een opslagtank met
propaan groter dan 5 kubieke meter met een bevoorradingsfrequentie van
meer dan 5 keer per jaar, die is opgericht voor de inwerkingtreding van
dat artikel gedurende drie jaar een afstand van 20 meter.
2. In afwijking van artikel 3.28, tweede lid, geldt voor een opslagtank
met propaan met een bevoorradingsfrequentie van meer dan 5 keer per
jaar, die is opgericht voor de inwerkingtreding van dat artikel, gedurende
drie jaar een afstand van 7,5 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf de
bovengrondse opslagtank.
§ 6.14 Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van gevaarlijke
stoffen in verpakking, niet zijnde vuurwerk, vaste kunstmeststoffen en
andere ontplofbare stoffen
Artikel 6.25
1. De in artikel 4.1, tweede en derde lid, opgenomen afstanden zijn
gedurende drie jaar niet van toepassing op inrichtingen die zijn opgericht
voor de inwerkingtreding van dat artikel en waarvan onmiddellijk
voorafgaand aan die inwerkingtreding een vergunning in werking en
onherroepelijk was.
2. Op de inrichtingen, bedoeld in het eerste lid, blijven gedurende drie
jaar de voorschriften uit de vergunning van toepassing.
Staatsblad 2007 415 85
§ 6.15 Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan en overslaan van
bulkgoederen en stukgoederen
Artikel 6.26
1. Artikel 4.13, eerste lid, is tot 30 oktober 2010 niet van toepassing op
een inrichting die voor de inwerkingtreding van dat artikel is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een van de in artikel
6.43 genoemde besluiten van toepassing was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is bedraagt de emissieconcentratie
van totaal stof naar de lucht niet meer dan 10 milligram per
normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof meer
bedraagt dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter bij een massastroom van minder dan 200 gram
per uur.
§ 6.16 Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een
stookinstallatie
Artikel 6.27
In afwijking van artikel 4.18, vierde lid, kan de keuring als bedoeld in het
eerste en tweede lid van dat artikel gedurende twee jaren na de inwerkingtreding
van dat artikel, worden verricht door een persoon die beschikt
over een geldig bewijs dat op grond van de «beoordelingsrichtlijn voor
het uitvoeren van onderhoud en inspecties aan stookinstallaties» is
afgegeven door de Stichting Certificatie Inspectie en Onderhoud Stookinstallaties.
§ 6.17 Overgangsrecht met betrekking tot het in werking hebben van een
koelinstallatie
Artikel 6.28
Artikel 4.20, zevende lid, is niet van toepassing op kunstijsbanen die zijn
opgericht voor de inwerkingtreding van dat artikel.
§ 6.18 Overgangsrecht met betrekking tot de mechanische bewerkingen
van hout of kurk dan wel van houten, kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 6.29
1. Artikel 4.21, eerste lid, is tot 30 oktober 2010 niet van toepassing op
een inrichting die voor de inwerkingtreding van dat artikel is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een van de in artikel
6.43 genoemde besluiten van toepassing was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is bedraagt de emissieconcentratie
van totaal stof naar de lucht niet meer dan 10 milligram per
normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof meer
bedraagt dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter bij een massastroom van minder dan 200 gram
per uur.
Staatsblad 2007 415 86
§ 6.19 Overgangsrecht met betrekking tot het reinigen, coaten en lijmen
van hout of kurk dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 6.30
1. Artikel 4.23, eerste lid, is tot 30 oktober 2010 niet van toepassing op
een inrichting die voor de inwerkingtreding van dat artikel is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een van de in artikel
6.43 genoemde besluiten van toepassing was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is bedraagt de emissieconcentratie
van totaal stof naar de lucht niet meer dan 10 milligram per
normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof meer
bedraagt dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter bij een massastroom van minder dan 200 gram
per uur.
§ 6.20 Overgangsrecht met betrekking tot mechanische bewerkingen van
kunststof of kunststofproducten
Artikel 6.31
1. Artikel 4.27, eerste lid, is tot 30 oktober 2010 niet van toepassing op
een inrichting die voor de inwerkingtreding van dat artikel is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een van de in artikel
6.43 genoemde besluiten van toepassing was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is, bedraagt de emissieconcentratie
van totaal stof naar de lucht niet meer dan 10 milligram per
normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof meer
bedraagt dan 200 gram per uur, en niet meer dan 50 milligram per
normaal kubieke meter bij een massastroom van minder dan 200 gram
per uur.
§ 6.21 Overgangsrecht met betrekking tot het reinigen, coaten en lijmen
van kunststof of kunststofproducten
Artikel 6.32
1. Artikel 4.29, eerste lid, is tot 30 oktober 2010 niet van toepassing op
een inrichting die voor de inwerkingtreding van dat artikel is opgericht en
waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip een van de in artikel
6.43 genoemde besluiten van toepassing was.
2. Indien het eerste lid van toepassing is bedraagt de emissie van totaal
stof niet meer dan 10 milligram per normaal kubieke meter, indien de
massastroom van totaal stof meer bedraagt dan 200 gram per uur, en niet
meer dan 50 milligram per normaal kubieke meter bij een massastroom
van minder dan 200 gram per uur.
§ 6.22 Overgangsrecht met betrekking tot het lozen van afvalwater
afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en met 4.5.11
Artikel 6.33
In afwijking van artikel 6.2, vierde lid, kan het bevoegd gezag het lozen
van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de
paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift voor een
daarbij aangegeven termijn bepalen dat het lozen van afvalwater met een
hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 is
toegestaan, indien:
Staatsblad 2007 415 87
a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden
genoemd in kolom B van tabel 4.73 was toegestaan op grond van een
vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren, die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 4.74 in werking en onherroepelijk was;
b. degene die de inrichting drijft aantoont dat bij het lozen niet aan de
emissiegrenswaarden genoemd in kolom B van artikel 4.73 kan worden
voldaan; en
c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes
maanden na de inwerkingtreding van artikel 4.74 bij het bevoegd gezag is
gedaan.
§ 6.23 Overgangsrecht met betrekking tot het afleveren van vloeibare
brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik en niet-openbare verkoop aan
derden voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
Artikel 6.34
Artikel 4.80, eerste lid, is tot vijf jaar na de inwerkingtreding van dat
artikel niet van toepassing op afleverinstallaties van benzine voor eigen
gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van
dat lid aanwezig waren.
§ 6.24 Overgangsrecht met betrekking tot het bieden van gelegenheid tot
het afmeren van pleziervaartuigen
Artikel 6.35
1. Artikel 4.106, eerste lid, onderdeel e, is met betrekking tot huishoudelijk
afvalwater niet van toepassing tot 1 januari 2009, indien binnen de
inrichting meer dan 50 doch niet meer dan 100 ligplaatsen, waaronder
niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open pleziervaartuigen,
aanwezig zijn.
2. Artikel 4.106, eerste lid, onderdeel e, is met betrekking tot de inhoud
van chemische toiletten niet van toepassing tot 1 januari 2009, indien
binnen de inrichting meer dan 50 doch niet meer dan 250 ligplaatsen,
waaronder niet begrepen ligplaatsen uitsluitend bestemd voor open
pleziervaartuigen, aanwezig zijn.
§ 6.25 Overgangsrecht met betrekking tot het vervaardigen en bereiden
van voedingsmiddelen
Artikel 6.36
1. Artikel 4.109, vierde lid, is niet van toepassing indien voor de
inwerkingtreding van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn
geplaatst die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087.
2. Indien op een inrichting voor het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel 4.109 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en
vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van
voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider
en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel NEN 7087,
wordt voor dat lozen een maatwerkvoorschrift als bedoeld artikel 4.109,
vijfde lid, geacht te zijn verleend.
Staatsblad 2007 415 88
§ 6.26 Overgangsrecht met betrekking tot het slachten van dieren
Artikel 6.37
Artikel 4.111, tweede lid, is niet van toepassing indien voor de inwerkingtreding
van dat lid een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst
die voldoen aan en worden gebruikt conform NEN 7087.
§ 6.27 Overgangsrecht met betrekking tot het opslaan van brandbare
stoffen
Artikel 6.38
1. Indien artikel 1.4 in werking treedt voor het tijdstip waarop de op
grond van artikel 8, achtste lid, van de Woningwet te geven algemene
maatregel van bestuur waarin voorschriften worden gegeven omtrent het
brandveilig gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen in werking
treedt zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing op het opslaan
van brandbare stoffen op open erven of terreinen tot de datum van
inwerkingtreding van die algemene maatregel van bestuur.
2. Bij de opslag van brandbare stoffen anders dan in een gebouw
draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat er bij brand geen
onveilige situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel
gelegen of op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren
gebouw dat op grond van het Bouwbesluit 2003 een brandcompartiment
of gedeelte van een brandcompartiment is, speeltuin, kampeerterrein als
bedoeld in de Wet op de openluchtrecreatie of opslag van gevaarlijke
stoffen.
3. Aan het tweede lid wordt bij opslag van hout voldaan indien:
a. de opslag bij brand geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan
15 kilowatt per vierkante meter gedurende ten minste 60 minuten,
gerekend vanaf het ontstaan van de brand;
b. de bereikbaarheid van de opslag vanaf twee tegenover elkaar
liggende zijden is gewaarborgd en de bereikbaarheid van ten minste één
van de andere zijden indien die langer zijn dan 40 meter, en
c. bij of in de directe omgeving van de opslag een bluswatervoorziening
aanwezig is die gedurende ten minste vier uren een toevoercapaciteit
heeft van ten minste 90 kubieke meter.
4. De in het derde lid, onderdeel a, bedoelde stralingsbelasting wordt
gemeten op:
a. de naar de houtopslag toegekeerde uitwendige scheidingsconstructie
van het op het aangrenzend perceel gelegen gebouw, en
b. de perceelsgrens, indien het aangrenzend perceel is ingericht als
speeltuin of kampeerterrein of op dat aangrenzend perceel gevaarlijke
stoffen zijn opgeslagen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
toepassing van dit artikel.
§ 6.28 Overgangsrecht betreffende gevaarlijke afvalstoffen
Artikel 6.39
1. Ten aanzien van inrichtingen:
a. waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen
zijn tot het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 4.15 en
4.84 voor zover het gevaarlijke afvalstoffen betreft, de voorschriften 2.2.1,
2.2.2, 2.2.4, 2A.1.1 en 2A1.2 van de bijlage van het Besluit jachthavens
zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van
artikel 6.43 van toepassing;
Staatsblad 2007 415 89
b. waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen
zijn tot het tijdstip van inwerkingtreding van paragrafen 3.3.5 en
4.1.1 voor zover het opslag van bilgewater en afgewerkte olie in ondergrondse
tanks afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen
respectievelijk de opslag in verpakking van gevaarlijke afvalstoffen
afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen betreft,
artikel 10 van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 en de
voorschriften 2.2.13 tot en met 2.2.17 van de bijlage bij het Besluit
jachthavens zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding
van artikel 6.43 van toepassing;
c. onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaatsvindt en waar
autowrakken worden opgeslagen waarop op 31 december 2007 het
Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer van toepassing
was of zou zijn geweest zijn tot het tijdstip van inwerkingtreding van de
artikelen 4.15 en 4.84 voor zover het de opslag en het demonteren van
autowrakken betreft, de voorschriften 2.1.7 en 2.2.12 van de bijlage bij het
Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen zoals deze luidden op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.43 van toepassing;
d. met een opslag van gevaarlijke afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden,
onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die
buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft,
waarop op 31 december 2007
1°. het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer;
2°. het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer;
3°. het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer;
4°. het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, of
5°. het Besluit jachthavens,
van toepassing was of zou zijn geweest, zijn tot het tijdstip van
inwerkingtreding van paragraaf 4.1.1 voor zover het die opslag betreft,
paragraaf 2.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport-, en recreatieinrichtingen,
paragraaf 2.1 van de bijlage bij het Besluit bouw- en
houtbedrijven milieubeheer, paragraaf 2.1 van de bijlage bij het Besluit
inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, paragraaf 2.4 van de
bijlage bij het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer en de
voorschriften 2.2.14 tot en met 2.2.17 van het Besluit jachthavens zoals
deze luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
6.43 van toepassing.
2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 6.40
1. Onverminderd bijlage 1, gelden de in artikel 8.1, eerste lid, van de
wet opgenomen verboden voor de volgende categorieën van inrichtingen:
a. inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen met een opslag van ingenomen afgewerkte olie,
bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van onderhoud en
reparatie van pleziervaartuigen in tanks met een maximale capaciteit van
150 kubieke meter;
b. inrichtingen met een opslag van meer dan 35, maar minder dan 100
kubieke meter afgedankte apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel l,
van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur die
conform artikel 4 van die regeling zijn ingenomen bij het ter beschikking
stellen van een nieuw product;
c. inrichtingen voor het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte
apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit beheer
elektrische en elektronische apparatuur voor zover deze apparatuur vanuit
de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan particulieren in Nederland
en de opslagoppervlakte voor deze apparatuur maximaal 1.000 vierkante
meter is;
Staatsblad 2007 415 90
d. inrichtingen voor het opslaan van maximaal vier autowrakken in het
kader van hulpverlening aan kentekenhouders door een daartoe aangewezen
instantie of in het kader van onderzoek door politie of justitie, en
inrichtingen waar onderhoud en reparatie van motorvoertuigen plaatsvindt
en waar autowrakken worden opgeslagen indien deze inrichtingen
op 31 december 2007 niet onder het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen
vielen dan wel zouden vallen;
e. inrichtingen met een opslag van gevaarlijke afvalstoffen ontstaan bij
bouwwerkzaamheden, onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden
die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting
drijft, waarop op 31 december 2007:
1°. het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen milieubeheer;
2°. het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer;
3°. het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer;
4°. het Besluit textielreinigingbedrijven milieubeheer; dan wel
5°. het Besluit jachthavens milieubeheer,
niet van toepassing was dan wel zou zijn geweest.
2. Dit artikel vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
§ 6.29 Slotbepalingen
Artikel 6.41
Indien een niet-publiekrechtelijke norm waarnaar in dit besluit wordt
verwezen, de NeR of de NRB wijzigt kan bij ministeriële regeling
overgangsrecht worden opgenomen waarbij kan worden bepaald dat de
oude norm voor bestaande inrichtingen al dan niet tijdelijk blijft gelden.
Artikel 6.42
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
zendt in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en
Waterstaat binnen zes jaar na de inwerkingtreding van artikel 2.1 aan de
Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van
dit besluit in de praktijk.
Artikel 6.43
De volgende besluiten worden ingetrokken:
Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer
Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer
Besluit jachthavens
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer
Besluit tandartspraktijken milieubeheer
Besluit tankstations milieubeheer
Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer
Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer.
Artikel 6.44
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen en voor
verschillende soorten inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.
Staatsblad 2007 415 91
Artikel 6.45
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit algemene regels voor
inrichtingen milieubeheer.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 19 oktober 2007
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. M. Cramer
De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,
J. C. Huizinga-Heringa
Uitgegeven de zesde november 2007
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin
STB11269
ISSN 0920 – 2064
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2007
Het advies van de Raad van State is openbaar
gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer.
Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage
gelegde stukken worden opgenomen in het
bijvoegsel bij de Staatscourant van
13 november 2007, nr. 220.
Staatsblad 2007 415 92
BIJLAGE 1 Lijst van vergunningplichtige inrichtingen
De in artikel 8.1, eerste lid van de wet opgenomen verboden gelden
voor de volgende categorieën van inrichtingen:
a. inrichtingen bedoeld in artikel 8.2, derde en vierde lid, van de wet en
de artikelen 3.2 en 3.3 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
milieubeheer, uitgezonderd inrichtingen behorend tot categorie 5 van
bijlage II van dat besluit;
b. inrichtingen waarop een van de onderstaande besluiten en
regelingen van toepassing is:
• Besluit glastuinbouw voor zover het een glastuinbouwbedrijf type A
betreft;
• Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen;
• Besluit externe veiligheid inrichtingen;
• Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;
• Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen;
• Besluit LPG-tankstations milieubeheer;
• Besluit risico’s zware ongevallen 1999;
• Besluit verbranden afvalstoffen;
• Besluit beheer autowrakken;
• Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies-PVC-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling grenswaarden luchtemissies VCM-inrichtingen milieubeheer;
• Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land;
c. landbouwinrichtingen waarop het Besluit landbouw milieubeheer op
grond van artikel 3 of artikel 4 van dat besluit niet van toepassing is;
d. inrichtingen voor activiteiten die krachtens artikel 7.2, eerste lid, van
de wet zijn aangewezen, voorzover de terzake van de activiteiten
krachtens het derde en vierde lid aangewezen categorieën de besluiten
zijn waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en afdeling
13.2 van de wet van toepassing zijn;
e. inrichtingen waarin zich één of meer broeikasgasinstallaties bevinden
als bedoeld in artikel 16.1 van de wet;
f. inrichtingen op een locatie waar de in art 8.49 van de wet bedoelde
zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd;
g. inrichtingen
• waar één of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren aanwezig
zijn met een totaal geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer;
• waar een warmtekrachtinstallatie aanwezig is waarin een andere
brandstof dan aardgas, propaangas of butaangas wordt gebruikt;
• voor het beproeven van verbrandingsmotoren waarbij voorzieningen
of installaties aanwezig zijn voor het afremmen van een gezamenlijk
motorisch vermogen van 1 MW of meer;
• voor het beproeven van straalmotoren of -turbines;
• waar een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal
vermogen van meer dan 20 kilowatt waarin andere stoffen dan aardgas,
propaangas, butaangas, vloeibare brandstoffen of biodiesel die voldoet
aan NEN-EN 14.214 worden verstookt, met uitzondering van installaties
voor het smeden;
• waar sprake is van een crematorium
h. inrichtingen voor het vervaardigen of verwerken van elastomeren of
kunststoffen;
i. inrichtingen voor het vervaardigen van gevaarlijke stoffen of stoffen
die bij of krachtens het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke
stoffen en preparaten zijn ingedeeld in een categorie als bedoeld in artikel
34, tweede lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen of voor het vervaardigen
van verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen;
j. inrichtingen voor de opslag van:
• meer dan 1.500 l ammoniak in gasflessen;
• meer dan 1.500 l ethyleenoxide in gasflessen;
Staatsblad 2007 415 93
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen in gasflessen met een andere
inhoud dan ammoniak, ethyleenoxide, verstikkende, oxiderende of
brandbare gassen, samengeperste lucht of koelgas;
• propaan in meer dan twee opslagtanks;
• propaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 13.000 liter;
• propaan waarbij het propaan, behoudens voor het leegmaken voor
verplaatsing van het reservoir, niet uitsluitend in de gasfase aan een
reservoir wordt onttrokken,
• zuurstof in één of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van
meer dan 100 kubieke meter;
• andere gassen dan propaan, zuurstof, koolzuur, lucht, argon, helium of
stikstof in een opslagtank; of
• gassen, anders dan in gasflessen, gaspatronen, spuitbussen of
bovengrondse opslagtanks;
k. inrichtingen voor de opslag van ontplofbare stoffen van de klasse 1
van het ADR, indien sprake is van:
• meer dan 25 kilogram theatervuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van
het Vuurwerkbesluit, waarbij voor de bepaling van de hoeveelheid
vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht van het vuurwerk als zijnde
onverpakt vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onder b, van het
Vuurwerkbesluit;
• meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk, waarbij voor de
bepaling van de hoeveelheid vuurwerk wordt uitgegaan van het gewicht
van het vuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1, vijfde lid, onderdeel b, van
het Vuurwerkbesluit;
• meer dan 25 kilogram in beslag genomen vuurwerk met aan
consumentenvuurwerk vergelijkbare eigenschappen in een politiebureau;
• meer dan 1 kilogram zwart kruit;
• meer dan 50 kilogram rookzwak kruit;
• meer dan 50 kilogram netto explosieve massa noodsignaal;
• meer dan 250.000 munitiepatronen of hagelpatronen dan wel
onderdelen daarvan voor vuurwapens;
• meer dan 250.000 patronen ten behoeve van schiethamers; of
• andere ontplofbare stoffen dan de hierboven genoemde stoffen en
anders dan pyrotechnisch speelgoed;
l. inrichtingen voor de opslag van:
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks
met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke meter,
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen
of afgewerkte olie in ondergrondse opslagtanks, uitgezonderd de opslag
van condensaat bij een inrichting voor het reduceren van aardgasdruk of
het meten van aardgashoeveelheid,
• gasolie of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks in de
buitenlucht met een gezamenlijke inhoud van meer dan 150 kubieke
meter;
• vloeibare brandstoffen of afgewerkte olie in bovengrondse opslagtanks
inpandig met een gezamenlijke inhoud van meer dan 15 kubieke
meter per opslagruimte;
• vloeibare brandstoffen in een bunkerstation met een inhoud van meer
dan 15 kubieke meter;
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan vloeibare brandstoffen
in een bunkerstation;
• stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen II en III,
zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks met een
gezamenlijke inhoud van meer dan 10 kubieke meter; of
• gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen anders dan gassen, gasolie,
afgewerkte olie of stoffen van ADR klasse 5.1 of klasse 8, verpakkingsgroepen
II en III, zonder bijkomend gevaar, in bovengrondse opslagtanks,
uitgezonderd ten hoogste 15 kubieke meter opslag van PER bij een
inrichting voor de reiniging van textiel, ten hoogste 5 kubieke meter
Staatsblad 2007 415 94
opslag van tetrahydrothiofeen bij een inrichting waar aardgasdruk wordt
gereduceerd of aardgashoeveelheid wordt gemeten en ten hoogste 1,5
kubieke meter opslag van halfzware olie bij een landbouwinrichting of
glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit
glastuinbouw;
m. inrichtingen voor de opslag van andere gevaarlijke stoffen of
CMR-stoffen dan genoemd onder j of k in verpakking, uitgezonderd:
• stoffen van de klasse 3, 5.1, 7 en 9 van het ADR;
• stoffen van de klasse 4.1, verpakkingsgroep II en II en klasse 4.2 en 4.3,
verpakkingsgroep I, II en III van het ADR;
• stoffen van de klasse 5.2 van het ADR uitsluitend als LQ tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 6.2 van het ADR;
• stoffen van de klasse 6.1 van het ADR verpakkingsgroep II en III;
• stoffen van de klasse 6.1. verpakkingsgroep I tot 1.000 kg;
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I zonder
aanvullend etiket 6.1 van het ADR en verpakkingsgroep II en III;
• stoffen van de klasse 8 van het ADR verpakkingsgroep I met
aanvullend etiket nummer 6.1 van het ADR tot 1.000 kilogram;
n. inrichtingen voor de opslag van gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen
anders dan in verpakking, in opslagtanks van metaal of kunststof of in
bunkerstations;
o. inrichtingen waar een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke
stoffen of CMR-stoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000
kilogram aanwezig is;
p. inrichtingen:
• voor het vullen van gasflessen met uitzondering van het vullen van
gasflessen met propaan of butaan vanuit een gasfles van maximaal 150
liter van gasflessen met een inhoud kleiner dan 12 liter en met uitzondering
van het vullen van persluchtflessen door middel van een
compressor;
• voor het vullen van spuitbussen;
• voor het begassen of ontgassen van containers;
• voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;
• waar warmtepompen, koelinstallaties of vriesinstallaties aanwezig zijn,
met een inhoud per installatie van meer dan 1.500 kilogram ammoniak of
100 kilogram propaan, butaan of een mengsel van propaan en butaan;
• voor het reduceren van aardgasdruk of het meten van aardgashoeveelheid,
voor zover de maximale inlaatzijdige werkdruk meer dan
10.000 kilo Pascal bedraagt of een gasexpansieturbine aanwezig sof
drukverhogende installaties aanwezig zijn of de gastoevoerleiding een
grotere diameter heeft dan 20 inch;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen
voor het wegverkeer waar aflevering plaatsvindt met een pomp die zich
onder het vloeistofniveau in de tank bevindt;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen;
• voor het afleveren van vloeibare brandstoffen door een afleverzuil
waar aflevering zonder direct toezicht mogelijk is en er minder dan 20
meter afstand is tussen de afleverzuil en een woning van derden, sporthal,
zwembad, winkel, hotel, restaurant, kantoorgebouw, bedrijfsgebouw,
speeltuin, sportveld, camping, volkstuinencomplex, recreatieterrein,
bejaardenoord, verpleeginrichting, ziekenhuis, sanatorium, zwakzinnigeninrichting,
gezinsvervangend tehuis, school, telefooncentrale, gebouw
met vluchtleidingsapparatuur, elektriciteitscentrale, hoofdschakelstation
van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in de Spoorwegwet, object
met een hoge infrastructurele waarde, installatie en bovengrondse
opslagtank voor brandbare, explosieve of giftige stoffen, en een plaats ten
behoeve van de bewaring van gasflessen waarvan de gezamenlijke
inhoud meer dan 2500 liter (waterinhoud) bedraagt van derden;
• voor het verven van bloemen en planten;
Staatsblad 2007 415 95
• waar praktijkruimten aanwezig zijn voor chemisch, natuurkundig of
medisch onderwijs waarop de Wet op het hoger onderwijs en het
wetenschappelijk onderzoek van toepassing is;
• waar laboratoria aanwezig zijn uitgezonderd laboratoria voor interne
kwaliteitscontroles of productcontroles en laboratoria ten behoeve van
huisartsen, dierenartsen, tandartsen of tandtechnici;
q. inrichtingen voor het vervaardigen of bewerken van harsen of
dierlijke of plantaardige oliën en vetten en voor het opslaan van harsen of
dierlijke of plantaardige oliën en vetten in opslagtanks met een gezamenlijke
inhoud groter dan 150 kubieke meter;
r. inrichtingen voor:
• het vervaardigen of bewerken van anorganische nitraathoudende
kunstmeststoffen;
• het opslaan van meststoffen behorende tot meststoffengroep 3 of
meststoffengroep 4;
• het opslaan van meer dan 50 ton meststoffen behorende tot
meststoffengroep 2;
• het bewerken of verwerken van dierlijke of overige organische
meststoffen, uitgezonderd mengen en roeren;
• het opslaan van meer dan 600 kubieke meter vaste meststoffen;
• het opslaan van dunne mest waarop het Besluit mestbassins milieubeheer
niet van toepassing is en voor zover het niet gaat om een
landbouwinrichting;
s. inrichtingen voor:
• het houden van honden, roofvogels of siervogels in de buitenlucht;
• dierentuinen in de zin van artikel 1 onder a van het Dierentuinenbesluit;
• het kweken van consumptie vis;
• het recreatievissen of het kweken van siervis in een bassin dat in
contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater;
• het kweken van ongewervelde dieren;
• het houden van meer dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks
pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren, voor zover het
niet gaat om een landbouwinrichting;
• het verladen van landbouwhuisdieren;
• het slachten van meer dan 20 dieren per week en het verwerken van
producten die bij het slachten vrijkomen;
• het vervaardigen of het industrieel verwerken van huiden, bont, leer of
lederhalffabrikaten;
• activiteiten, waarvoor de verboden van artikel 5 van de Destructiewet
gelden;
t. inrichtingen voor:
• het vervaardigen, bewerken of verwerken van voedingsmiddelen,
genotmiddelen of grondstoffen daarvoor waarbij:
i. de gezamenlijke nominale belasting op bovenwaarde van continuovens
meer bedraagt dan 200 kilowatt;
ii. gebruik wordt gemaakt van een of meer andere apparaten dan
continu-ovens met een individuele nominale belasting op bovenwaarde
van meer dan 130 kilowatt of een aansluitwaarde van meer dan 130
kilowatt;
• het vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen voor dieren;
• het vervaardigen van meel en bloem, met uitzondering van wind- en
watermolens;
• het opslaan van ruwe cacao;
• het onder een permanente opstand van glas of kunststof telen van
gewassen voor zover het niet gaat om een landbouwinrichting of een
glastuinbouwbedrijf zoals bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit
glastuinbouw;
u. inrichtingen voor:
Staatsblad 2007 415 96
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele
nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een
aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van keramische producten,
bakstenen, sierstenen of bestratingsstenen, dakpannen, porselein of
aardewerk;
• het opslaan of overslaan van steenkool en ertsen of derivaten van
ertsen;
• het malen, roosten, pelletiseren of doen sinteren van ertsen of
derivaten daarvan;
• het vervaardigen van cement of cementklinker en cementmortel of
betonmortel;
• het vervaardigen van cementwaren of betonwaren met behulp van
persen, triltafels of bekistingstrillers;
• het vervaardigen of bewerken met apparaten met een individuele
nominale belasting op bovenwaarde van meer dan 130 kilowatt of een
aansluitwaarde van meer dan 130 kilowatt van glas of glazen voorwerpen;
• het vervaardigen van glasvezel, glazuren, emailles, glaswol of
steenwol;
• het vervaardigen van asfalt of asfaltproducten;
• het vervaardigen van cokes uit steenkool;
• het vergassen van steenkool;
• het bewerken of verwerken van gesteente, afkomstig uit kolenmijnen;
• het winnen van steen, met uitzondering van grind en mergel;
• het bewerken van natuursteen;
• het winnen, breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand of grind,
kalkzandsteen, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;
v. inrichtingen voor:
• het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro
metalen;
• het met warm- of koudwalsen tot platen omvormen van metalen of
hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger is dan 800 K, waarbij de
dikte van het aangevoerde materiaal groter is dan 1 mm en waar het
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000
vierkante meter;
• het met wals- en trekinstallaties tot profielmateriaal of stafmateriaal
omvormen van metalen of hun legeringen, waarvan het smeltpunt hoger
is dan 800 K en waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer
bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• het met wals- of trekinstallaties produceren van metalen buizen en
waar het productieoppervlak ten aanzien daarvan meer bedraagt dan
2.000 vierkante meter;
• het smeden van ankers of kettingen waar het productieoppervlak ten
aanzien daarvan meer bedraagt dan 2.000 vierkante meter;
• voor het produceren, renoveren of schoonmaken van metalen ketels,
vaten, tanks of containers waar het productieoppervlak ten aanzien
daarvan meer dan 2.000 vierkante meter bedraagt;
• het samenvoegen van plaatmaterialen, profielmaterialen,
stafmaterialen of buismaterialen door middel van smeden, klinken, lassen
of monteren waar het niet in een gesloten gebouw ondergebrachte
productieoppervlak ten aanzien daarvan meer dan 2.000 vierkante meter
bedraagt;
• het gieten van metalen of hun legeringen;
• het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het
metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of procesgassen anders dan
inerte gassen of koolzuurgas worden toegepast;
• het behandelen van metaaloppervlakken door schoonbranden en
pyrolyse;
• het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met
een totale badinhoud van meer dan 100 liter;
w. inrichtingen voor:
Staatsblad 2007 415 97
• het vervaardigen, onderhouden, repareren, proefdraaien of reinigen
van vliegtuigen;
• het vervaardigen of assembleren van automobielen of motoren voor
automobielen met een productieoppervlak ten aanzien daarvan van 10.103
vierkante meter of meer;
• het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de
oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart;
• het vervaardigen van pleziervaartuigen;
• het afmeren van zeegaande veerboten;
• het overslaan van schip naar schip;
• het reinigen van tankschepen;
• het voor meer dan 24 uur parkeren van vervoerseenheden met
gevaarlijke stoffen;
• het parkeren van meer dan 3 vervoerseenheden met gevaarlijke
stoffen;
x. spoorwegemplacementen;
y. inrichtingen voor het onderhouden, repareren, keuren, reinigen,
verhandelen, verhuren, proefdraaien of behandelen van de oppervlakte
van spoorvoertuigen of onderdelen daarvan;
z. inrichtingen voor:
• het vervaardigen van producten van houtmeelvezels, houtwolvezels of
houtvezels;
• het vervaardigen van triplexplaten, fineerplaten, vezelplaten of
spaanplaten;
• het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de
vacuümdrukmethode;
aa. inrichtingen voor:
C het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel,
textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan;
C het vervaardigen of bewerken van papierstof, papier of producten
hiervan;
C het zelfklevend maken van materialen;
C het toepassen van de volgende drukprocessen:
i. illustratiediepdruk;
ii. rotatieoffset;
iii. vellen-offset, met apparatuur een totaal elektromotorisch of
verbrandingsmotorisch vermogen groter dan 40 kilowatt;
iv. flexodruk en verpakkingsdiepdruk;
v. rotatiezeefdruk;
vi. zeefdruk met een emissie groter dan 10.000 kilogram vluchtige
organische stoffen per jaar;
bb. inrichtingen voor schieten met vuurwapens of werpen met
ontvlambare of ontplofbare voorwerpen;
cc. inrichtingen voor:
C sport of recreatie die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken;
C het gebruiken van gemotoriseerde modelvliegtuigen, -vaartuigen of
-voertuigen in de open lucht;
C het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde
voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve
doeleinden in de open lucht;
C het in de buitenlucht beoefenen van wedstrijdsport waar permanente
voorzieningen zijn voor de gelijktijdige aanwezigheid van meer dan 6.000
bezoekers;
C het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk
meer dan 5.000 bezoekers aanwezig kunnen zijn;
C het paintballspel;
C het schieten in de open lucht met wapens werkend met luchtdruk of
gasdruk;
dd. inrichtingen voor:
C het omzetten van windenergie in mechanische, elektrische of
thermische energie, waarbij:
Staatsblad 2007 415 98
i. de windturbines niet elk afzonderlijk een vaste verbinding hebben met
de bodem of waterbodem in de vorm van een mast;
ii. de windturbines geen horizontale draaias van de rotor hebben, of
iii. de afstand tussen een afzonderlijke windturbine en het dichtstbijzijnde
gevoelige object kleiner is dan viermaal de ashoogte;
C het omzetten van hydrostatische energie in elektrische of thermische
energie;
C het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie
met een vermogen van meer dan 4 kilowatt;
C het omzetten van thermische energie in elektrische energie;
ee. transformatorstations met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte
transformatoren, met een maximaal gelijktijdig in te schakelen
elektrisch vermogen van 200 MVA of meer;
ff. inrichtingen waar activiteiten of handelingen plaatsvinden als
bedoeld in categorie 21 van bijlage 1 behorend bij het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit;
gg. academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op
het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek, en inrichtingen
die krachtens de Wet toelating zorginstellingen zijn aangewezen als
instellingen voor medisch-specialistische zorg;
hh. inrichtingen voor het vervaardigen van koolstofelektroden;
ii. inrichtingen voor het inwendig reinigen van:
C van buiten de inrichting afkomstige gebruikte drukhouders, insluitsystemen,
ketels of vaten;
C mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers waarin
gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen zijn vervoerd;
C mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers die niet
in de inrichting zijn geladen of gelost;
jj. inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken;
kk. zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die
zelfstandig een inrichting vormen;
ll. inrichtingen voor:
C verwijdering van afvalstoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de
Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen,
C het opslaan van meer dan 35 kubieke meter van buiten de inrichting
afkomstige afvalstoffen niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, uitgezonderd:
i. ten hoogste 2.000 kubieke meter zand, grind en grond bij een
landbouwinrichting voor zover deze stoffen bedoeld en geschikt zijn voor
nuttige toepassing;
ii. ten hoogste 600 kubieke meter groenafval, afgedragen gewas of
bloembollenafval bij een landbouwinrichting;
iii. ten hoogste 1.000 kubieke meter restproducten uit de land- en
tuinbouw en de voedingsbereiding en -verwerking met euralcodes:
020103. 020304. 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting
bestemd om binnen de inrichting te worden gebruikt als diervoeder; en
iv. een maximale opslagoppervlakte van 6.000 vierkante meter voor
afgedankte consumentenproducten bij een inrichting voor het voor
hergebruik geschikt maken van deze producten voor zover deze producten
vanuit de inrichting ter beschikking worden gesteld aan particulieren in
Nederland;
C het opslaan van gevaarlijke afvalstoffen die van buiten de inrichting
afkomstig zijn, uitgezonderd:
i. het opslaan van autowrakken bij inrichtingen waar onderhoud en
reparatie van motorvoertuigen plaats vindt en het opslaan van maximaal
4 autowrakken in het kader van hulpverlening aan kentekenhouders door
een daartoe aangewezen instantie of in het kader van onderzoek door
politie of justitie;
ii. het opslaan van ten hoogste 100 kubieke meter afgedankte
apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer
Staatsblad 2007 415 99
elektrische en elektronische apparatuur die conform artikel 4 van die
regeling zijn ingenomen bij het ter beschikking stellen van een nieuw
product;
iii. een maximale opslagoppervlakte van 1.000 vierkante meter voor
afgedankte apparatuur, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit
beheer elektrische en elektronische apparatuur bij een inrichting voor het
voor hergebruik geschikt maken van deze apparatuur voor zover deze
apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking wordt gesteld aan
particulieren in Nederland;
iv. ten hoogste 35 kubieke meter afvalstoffen ontstaan bij bouwwerkzaamheden,
onderhoudswerkzaamheden of herstelwerkzaamheden die
buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft;
v. ingenomen afgewerkte olie, bilgewater en gevaarlijke afvalstoffen
afkomstig van onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen bij een
inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen met een maximale opslag van 150 kubieke meter in
tanks en 10.000 kilogram anders dan in tanks;
C het overslaan van afvalstoffen die van buiten de inrichting afkomstig
zijn met een capaciteit van meer dan 1.000 kubieke meter per jaar bij een
inrichting waar geen opslag van afvalstoffen plaatsvindt;
C het bewerken of verwerken van afvalstoffen, uitgezonderd:
i. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde
metaal, hout, kunststof of textiel voor het vervaardigen, samenstellen of
repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal,
hout, kunststof of textiel met een maximale capaciteit van 10.000 ton per
jaar;
ii. het voor hergebruik geschikt maken van afgedankte consumentenproducten,
niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en van afgedankte
elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens,
bedoeld in artikel 1, onderdeel l, van de Regeling beheer elektrische en
elektronische apparatuur voor zover de apparatuur niet wordt ontmanteld,
deze producten en apparatuur vanuit de inrichting ter beschikking worden
gesteld aan particulieren in Nederland en de oppervlakte voor reparatie
niet groter is dan 1.000 vierkante meter;
iii. het scheiden van olie- en waterfractie van ingenomen bilgewater bij
een inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen met een slibvangput en olieafscheider met een
maximale nominale grootte van 20 volgens NEN-EN 858-1 en 2;
iv. het composteren van plantaardig restmateriaal bij een landbouwinrichting
met een maximaal volume van 600 kubieke meter;
v. het als diervoerder binnen de inrichting gebruiken en voor dit gebruik
geschikt maken van plantaardige restproducten uit de land- en tuinbouw
en uit de voedselbereiding en -verwerking met euralcodes: 020103,
020304, 020501, 020601 en 020704, bij een landbouwinrichting met een
maximale capaciteit van 4.000 ton per jaar;
C het vernietigen van afvalstoffen, waaronder mede begrepen het
geheel of gedeeltelijk vernietigen van buiten de inrichting afkomstige
genetisch gemodificeerde organismen als afvalstoffen of voorkomend in
afvalstoffen;
C het verbranden van afvalstoffen;
C het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van
afvalstoffen.
Voor de toepassing van ll blijven buiten beschouwing:
C het opslaan, behandelen of reinigen van afvalwater, gebracht in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;
C het reinigen van drukhouders, insluitsystemen, ketels, vaten, mobiele
tanks, tankwagens of tankcontainers en bulkcontainers;
C het opslaan, bewerken of verwerken van dierlijke of overige
organische meststoffen, niet zijnde zuiveringsslib.
Staatsblad 2007 415 100
NOTA VAN TOELICHTING
BESLUIT ALGEMENE REGELS VOOR INRICHTINGEN
MILIEUBEHEER
Inhoudsopgave
Algemeen deel blz.
1. Aanleiding 102
2. Uitgangspunten bij de modernisering 104
3. Reikwijdte 105
3.1 Algemeen 105
3.2 Meer vergunningplichtige bedrijven onder algemene regels 105
3.3 Type A-, B- en C-inrichting 106
3.4 Lozen van afvalwater 107
3.4.1 Afbakening Wm en Wvo 108
3.4.2 Nieuw onder het besluit gereguleerde lozingen 108
4. Eindsituatie 109
4.1 Activiteiten buiten inrichtingen 110
5. Wijzigingen in wetgeving met het oog op het besluit 110
5.1 Wet milieubeheer 110
5.2 Wet verontreiniging oppervlaktewateren 111
5.3 Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken 111
6. Opzet van het besluit 111
6.1 Indeling 111
6.2 Verdeling besluit en ministeriële regeling 112
6.3 Doelvoorschriften, maatregelen en zorgplicht 113
6.4 De doelvoorschriften, verplichte en erkende maatregelen 113
6.5 De zorgplichtbepaling 114
6.6 Maatwerkvoorschriften 115
6.7 De gelijkwaardigheidtoets 118
7. Inrichtingsgerelateerde milieuvoorschriften 118
7.1 Geluidhinder 119
7.1.1 Akoestische onderzoeken 119
7.1.2 Gemeentelijk geluidbeleid 119
7.2 Geurhinder 119
7.3 Emissies naar de lucht en luchtkwaliteit 120
7.3.1 Emissies naar de lucht 120
7.3.2 Luchtkwaliteit 121
7.4 Lozingen 122
7.4.1 Activiteitspecifieke voorschriften 122
7.4.2 Regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke
voorschriften zijn uitgewerkt 123
7.4.3 De zorgplichtbepaling en lozingen 124
7.5 Externe veiligheid 125
7.5.1 Externe veiligheid in relatie tot het besluit 125
7.5.2 De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen in het besluit 125
7.6 Lichthinder en de bescherming van de duisternis en het donkere
landschap 125
7.7 Bodembescherming 126
7.7.1 Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige
activiteiten 126
7.7.2 Bepalen risico’s 126
7.7.3 Voorzieningen en maatregelen 127
7.7.4 Controle effectiviteit voorzieningen en maatregelen 128
7.7.5 Verwaarloosbaar versus aanvaardbaar risico 130
7.8 Verruimde reikwijdte algemeen 131
Staatsblad 2007 415 101
7.8.1 Energiebesparing 132
7.8.2 Scheiden van afvalstoffen 132
7.8.3 Verkeer en vervoer 132
8. Ondersteuning van de nieuwe wet- en regelgeving door ICT 133
9. Samenhang met andere beleidsterreinen 133
9.1 Modernisering van de algemene regels voor de landbouw 133
9.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 135
9.3 Waterwet 136
9.4 Bouwbesluit en bouwverordening 136
9.4.1 Bouwbesluit 2003 136
9.4.2 Gemeentelijke bouwverordening 137
9.4.3 Concept-Besluit brandveilig gebruik bouwwerken 138
9.5 Arbo-regelgeving 139
9.6 Verhouding tot het internationale recht 139
10. Terugdringing van administratieve lasten, de gevolgen voor de
bestuurlijke lasten en gevolgen voor de burger 142
10.1 De administratieve lasten 142
10.2 Bestuurlijke lasten 145
10.3 Gevolgen voor de burger 146
11. Bedrijfs- en milieueffecten 146
11.1 Bedrijfseffecten 146
11.2 Milieueffecten 148
12. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid 148
12.1 Tot wie richt het besluit zich? 148
12.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid 149
12.3 Zorgplicht 150
12.4 Omvang en mogelijkheden tot controle 151
13. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure 152
13.1 De snelheid van totstandkoming en implementatie 152
13.2 Beoordeling totaalpakket besluit en ministeriële regeling 153
13.3 Maatwerkvoorschriften en zorgplicht 153
13.4 Uniformering van de voorschriften 154
13.5 Type A-inrichtingen 154
13.6 Onderzoeksverplichtingen 155
13.7 Afvalbeheer 155
13.8 Gebruik term redelijkerwijs 156
13.9 Verkeer en vervoer 156
13.10 Gemeentelijke verordening voor geluid 156
13.11 Overige reacties 156
14. Notificatie 156
Artikelsgewijze toelichting 158
ALGEMEEN DEEL
1. Aanleiding
Op grond van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) moeten inrichtingen
die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken ofwel over een
milieuvergunning beschikken of voldoen aan algemene regels die
voorschriften met betrekking tot de bescherming van het milieu bevatten
(de 8.40-besluiten). Ook voor lozingen in het oppervlaktewater of in de
bodem is veelal een vergunning of ontheffing vereist, of gelden algemene
regels (hierna: lozingenbesluiten) op grond van de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren (hierna Wvo), respectievelijk de Wet bodembescherming
(hierna Wbb.
Staatsblad 2007 415 102
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit waren
voorschriften verdeeld over een groot aantal 8.40-besluiten en lozingenbesluiten,
gerangschikt naar branche of type lozing.
Er is een aantal aanleidingen om de 8.40-besluiten en de lozingenbesluiten
grondig te moderniseren en meer inrichtingen en lozingen
onder algemene regels te brengen: de vereenvoudiging en vermindering
van de regelgeving, de reductie van administratieve lasten die uit de
rijksregelgeving voortvloeien en de resultaten van een aantal onderzoeken
naar de werking van de 8.40-besluiten en de lozingenbesluiten.
Bij het aantreden van het kabinet Balkenende-II zijn vereenvoudiging en
vermindering van wet- en regelgeving en administratieve lasten belangrijke
uitgangspunten voor de rijksoverheid. De vereenvoudiging en
vermindering van regelgeving door de rijksoverheid is geen nieuw
streven. Het vloeit bijvoorbeeld ook voort uit het rijksbrede traject
Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW) dat onder de
voorgaande kabinetten tot stand is gekomen. In 2003 is het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) dan ook
gestart met het project herijking en modernisering van de VROM-regelgeving.
Bij de start van dit project is alle wet- en regelgeving op de
terreinen wonen, ruimte en milieu doorgelicht. Ook zijn de mogelijkheden
voor vereenvoudiging en vermindering van regels bekeken en zijn
voorstellen ter zake gedaan. In de brief van 17 oktober 2003 (Kamerstukken
II 2003/04, 29 200 XI, nr. 7) zijn de resultaten van de doorlichting
en de voorstellen neergelegd. In deze brief is ook het voornemen
opgenomen om de 8.40-besluiten grondig te herzien, samen te voegen en
meer inrichtingen onder de 8.40-besluiten te brengen: de Modernisering
van de algemene regels. Tevens is in de brief aangegeven dat waar
mogelijk de regels met betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater en
op of in de bodem worden vervangen door algemene regels, zodat
bedrijven met minder vergunningen worden geconfronteerd. Met
betrekking tot lozingen in het oppervlaktewater vloeit deze vereenvoudiging
van regelgeving tevens voort uit het eind 2002 binnen het
ministerie van Verkeer en Waterstaat gestarte programma «Minder lastig
voor bedrijven» (Kamerstukken II 2003/04, 29 515, nr. 4).
De modernisering van de algemene regels levert niet alleen effectievere
en uniformere regels op. Door het laten vervallen van de vergunningplicht
voor een groot aantal inrichtingen en het verminderen van de meet-,
registratie- en onderzoeksverplichtingen, levert het ook een belangrijke
bijdrage aan het voornemen van de kabinetten Balkenende-II en IV om de
administratieve lasten met 25% te reduceren.
Een andere belangrijke reden om de 8.40-besluiten grondig te herzien
en te moderniseren heeft te maken met de praktijkervaringen die de
afgelopen jaren zijn opgedaan. Regelmatig is onderzoek gedaan naar de
werking van de 8.40-besluiten. Verder zijn aan het begin van de modernisering
van de 8.40-besluiten alle knelpunten geanalyseerd die door
bevoegde gezagsinstanties en bedrijven naar voren zijn gebracht.
Geconstateerd is dat veel voorschriften aan een grondige herziening toe
waren. De conclusies van de onderzoeken en de knelpunteninventarisatie
zijn in de tekst van dit besluit, de ministeriële regeling en de toelichting
verwerkt.
De nieuwe algemene regels en hun grotere toepassingsbereik leiden tot
een verbeterde uitvoering en handhaving en daarmee tot een doeltreffender
bescherming van het milieu. Tegelijk leveren zij een efficiencywinst
op in de vorm van een aanzienlijke reductie van de administratieve lasten,
waarbij de bestuurlijke lasten niet toenemen.
Staatsblad 2007 415 103
Het bovenstaande leidt ertoe dat het logischer is om algemene regels
op te stellen voor activiteiten, in plaats van per branche min of meer
dezelfde regels te stellen. De 8.40-besluiten kenden veelal gelijke regels
voor verschillende branches. Het reguleren van activiteiten is dan een
logische vervolgstap. Uit de praktijk is bovendien gebleken dat bij toezicht
en handhaving door het bevoegd gezag de activiteiten van inrichtingen
centraal staan. Ook voor inrichtingen is deze insteek herkenbaar.
Om in de toekomst meer inrichtingen onder de algemene (milieu)regels
te kunnen brengen, is regulering op activiteiten een relatief eenvoudige
wijze.
In de praktijk wordt dit besluit daarom ook wel het Activiteitenbesluit
genoemd.
2. Uitgangspunten bij de modernisering
Bij de modernisering van de algemene regels is een aantal uitgangspunten
geformuleerd die zijn neergelegd in de brief van 29 maart 2005
(Kamerstukken II 2004/05, 29 383, nr. 27). Deze uitgangspunten worden in
deze paragraaf kort toegelicht.
– De nieuwe algemene regels dienen relevante en herkenbare milieudoelen.
Activiteiten met een geringe milieubelasting worden niet of
slechts globaal gereguleerd. In dit besluit is voor een aantal activiteiten
daarom afgezien van het stellen van regels of zijn er ondergrenzen
aangebracht, waardoor inrichtingen met een geringe milieurelevantie
slechts met een beperkt aantal voorschriften te maken krijgt.
– De nieuwe algemene regels moeten goed uitvoerbaar en
handhaafbaar zijn. Dit betekent voor de inhoud van de voorschriften
onder meer dat ze helder, eenduidig en ook voor kleine inrichtingen
hanteerbaar dienen te zijn. Daar waar dit lastig is, biedt ICT ondersteuning.
Dit besluit moet voorts het bevoegd gezag voldoende mogelijkheden
bieden om effectief toezicht te kunnen houden en zonodig te
kunnen handhaven. In paragraaf 12 wordt nader ingegaan op de
uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van dit besluit.
– De nieuwe algemene regels zijn zoveel mogelijk uniform, maar bieden
ook ruimte voor flexibiliteit en innovatie. Waar nodig is ruimte voor
maatwerk en/of gebiedsgerichte normering. In beginsel worden dezelfde
activiteiten die binnen verschillende bedrijfstakken plaatsvinden, gelijk
geregeld met dezelfde voorschriften. Rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en
een effectieve uitvoering, naleving en handhaving zijn hierbij gebaat. Het
bedrijfsleven en de overheden hebben op dit punt behoefte aan duidelijkheid
en zekerheid. De regels laten waar mogelijk de vrijheid om andere
middelen te gebruiken om de voorschriften na te leven, zodat innovatie
wordt bevorderd. Voor de meeste inrichtingen kan volstaan worden met
de algemene regels, maar in een aantal gevallen zijn specifieke
voorschriften nodig. Dit heeft te maken met de omgeving waarin de
inrichting zich bevindt, in combinatie met de specifieke activiteiten die in
een inrichting worden verricht. Daarom bieden de algemene regels waar
nodig mogelijkheden voor het bevoegd gezag om voorschriften verder te
verbijzonderen met maatwerkvoorschriften of, met het oog op specifieke,
plaatselijke of regionale milieuomstandigheden, een afwijkende
normering in een gemeentelijke verordening op te nemen. Naar
verwachting zal hier terughoudend gebruik van worden gemaakt.
– Uit de nieuwe algemene regels vloeien aanzienlijk minder administratieve
lasten voort. Toegezegd is om € 55 miljoen te besparen op lasten die
door 8.40-besluiten werden veroorzaakt. Ook is toegezegd € 161 miljoen
te besparen door 20.000 inrichtingen extra onder dit besluit te brengen.
Voor meer details wordt verwezen naar paragraaf 10. Van belang is dat de
besparingen op administratieve lasten niet mogen leiden tot een toename
van de bestuurlijke lasten. Ook hierop zijn de voorschriften bezien en
doorgerekend.
Staatsblad 2007 415 104
Bij de start van de modernisering van de algemene regels is als
randvoorwaarde gesteld dat het beschermingsniveau van de voorschriften
uit de 8.40-besluiten en Wm-vergunningen niet ter discussie
staat. Dit mag alleen anders zijn voor voorschriften waarvan is gebleken
dat ze in de praktijk niet goed uitvoerbaar of handhaafbaar zijn of waar
voor dezelfde activiteit verschillende voorschriften waren opgenomen. In
dat geval zijn de voorschriften herzien en geüniformeerd conform de
systematiek van de Wm.
De nieuwe normen zijn gebaseerd op de recente en algemeen
aanvaarde milieuhygiënische inzichten, vastgelegd als best beschikbare
technieken (BBT). Een nieuwe norm zal overigens voor branches niet tot
een substantiële lastenverzwaring mogen leiden.
3. Reikwijdte
In vergelijking met de 8.40-besluiten en lozingenbesluiten kent dit
besluit niet alleen een geheel andere opzet, maar er zijn ook meer
inrichtingen onder de reikwijdte gebracht. De bedoeling is in de toekomst
het aantal inrichtingen dat onder algemene regels valt verder uit te
breiden.
3.1 Algemeen
In de Wm was als uitgangspunt vastgelegd dat een inrichting een
milieuvergunning dient te hebben, tenzij het onder de algemene regels
krachtens artikel 8.40 van de Wm valt. Thans is deze systematiek
omgedraaid. Nu is het uitgangspunt dat een inrichting onder de algemene
regels valt, tenzij deze is uitgezonderd. De uitzonderingen zijn in dit besluit
aangegeven. Dit sluit beter aan bij de huidige situatie waar het merendeel
van de inrichtingen onder algemene regels valt en dit aantal in de
toekomst verder zal toenemen. In de eindsituatie zal alleen een beperkt
aantal inrichtingen, waar activiteiten plaatsvinden met omvangrijke en
complexe milieueffecten, nog onder de vergunningsplicht vallen. In het
algemeen zijn dit inrichtingen die thans onder de werking van één of meer
Europese richtlijnen vallen.
Het dient duidelijk te zijn of een inrichting onder dit besluit valt dan wel
vergunningplichtig is. Indien een inrichting onder dit besluit valt, moet
bovendien duidelijk zijn of de inrichting al of niet onder het zogenaamde
licht regime valt. Met het licht regime wordt gedoeld op inrichtingen die
geen melding (meer) hoeven te doen en waarvoor slechts een beperkt
aantal voorschriften geldt.
In het kader van de omkering van de systematiek is in bijlage 1 van dit
besluit een uitputtende lijst van vergunningplichtige inrichtingen
opgenomen. In de artikelsgewijze toelichting wordt deze lijst nader
toegelicht.
3.2 Meer vergunningplichtige inrichtingen onder algemene regels
De reikwijdte van dit besluit is in vergelijking met de 8.40-besluiten
aanzienlijk uitgebreid door de toevoeging van nieuwe categorieën
inrichtingen. Het gaat om drie categorieën inrichtingen.
In de eerste plaats betreft het inrichtingen die door de samenvoeging
van de 8.40-besluiten «automatisch» onder dit besluit vallen omdat het
«in-hoofdzaak-criterium» is vervallen. Deze inrichtingen waren voorheen
vergunningplichtig, omdat ze niet in hoofdzaak onder één 8.40-besluit
onder te brengen waren.
Staatsblad 2007 415 105
In de tweede plaats gaat het om inrichtingen die voorheen vergunningplichtig
waren, maar die nu onder het besluit vallen, omdat bepaalde
activiteiten met de bijbehorende voorschriften in het besluit zijn
opgenomen. De voorschriften zijn afgeleid van algemeen toegepaste
vergunningvoorschriften en uitvoeringsdocumenten, zoals branchewerkboeken.
De grootste groep betreft inrichtingen die behoren tot de
metalectro-sector. Ook zeefdrukkerijen en kleinere sectoren, zoals
tandheelkundige laboratoria, zijn onder de reikwijdte van dit besluit
gebracht.
De metalectro-sector wordt gekenmerkt door een groot aantal verschillende
type inrichtingen met veel uiteenlopende bewerkingsprocessen die
voorheen grotendeels onder de vergunningplicht vielen. Een aanzienlijk
deel van deze inrichtingen maakt deel uit van het midden- en kleinbedrijf,
waarvoor het vervallen van de vergunningplicht uit het oogpunt van
administratieve lasten grote voordelen biedt. Het is voor deze inrichtingen
bijvoorbeeld niet meer noodzakelijk om een oprichting-, wijzigings- of
revisievergunningen aan te vragen of meldingen te doen krachtens artikel
8.19 van de Wm.
Bij het opstellen van de activiteiten en de daaraan verbonden
voorschriften voor deze inrichtingen is het bestaande beschermingsniveau
gehanteerd. Dit niveau is afgeleid uit de verschillende richtlijnen
en regelgeving die worden gebruikt om invulling te geven aan het
BBT-beginsel, zoals de Nederlandse emissierichtlijn lucht en het
Oplosmiddelenbesluit. Daarnaast is voor het opstellen van voorschriften
gebruik gemaakt van het Werkboek milieumaatregelen metalectro. In dit
besluit wordt voor de metalectro-sector een aantal hoofdactiviteiten
onderscheiden, die in de artikelsgewijze toelichting nader wordt
uitgewerkt.
In de derde plaats betreft het inrichtingen die uitgezonderd waren van
de algemene regels, omdat ze onder één of meerdere uitsluitcriteria vielen
van de 8.40-besluiten. Veel van deze uitsluitcriteria zijn vervallen of
opgehoogd, waardoor feitelijk meer inrichtingen dan voorheen onder de
algemene regels vallen. Omdat gekozen is voor regulering op het niveau
van activiteiten, is het eenvoudiger geworden om voorschriften op te
nemen voor dergelijke inrichtingen.
Naast het vervallen van de Wm-vergunningplicht voor inrichtingen is
voor verschillende categorieën van lozingen ook het vereiste van
vergunning of ontheffing vervangen door algemene regels.
In paragraaf 3.4.1. wordt daar nader op ingegaan.
3.3 Type A-, B- en C-inrichting
Om recht te doen aan de in paragraaf 2 genoemde uitgangspunten kent
dit besluit drie verschillende typen van inrichtingen.
Type A-inrichtingen
Type A-inrichtingen vallen onder het zogenaamde licht regime van dit
besluit. Deze inrichtingen hebben geen verplichting om een melding te
doen aan het bevoegd gezag bij oprichting of wijziging. Voor dit type
inrichtingen geldt, met uitzondering van enkele specifieke voorschriften,
slechts het inrichtinggerelateerde gedeelte van dit besluit. Het gaat hierbij
bijvoorbeeld om kantoren, een groot deel van de schoolgebouwen, kleine
detailhandel en zorginstellingen. Deze inrichtingen vielen onder één van
de 8.40-besluiten en waren meldingsplichtig.
Staatsblad 2007 415 106
Type B-inrichtingen
Voor type B-inrichtingen geldt geen vergunningplicht (meer). Deze
inrichtingen vallen geheel onder dit besluit. Het gaat hierbij om:
1. de inrichtingen die voorheen onder de 8.40-besluiten vielen maar die
niet vallen onder het licht regime;
2. een groot aantal inrichtingen uit de metalectro-sector;
3. inrichtingen die, door ophoging of het vervallen van de uitsluitcriteria
en het vervallen van het «in-hoofdzaak-criterium», onder dit besluit vallen.
Type C-inrichtingen
Dit zijn inrichtingen waarvoor de vergunningplicht blijft gelden, maar
die voor een deel van de activiteiten te maken krijgen met de voorschriften
die in hoofdstuk 3 van dit besluit zijn opgenomen.
Het betreft activiteiten die voorheen in het Besluit tandartspraktijken
milieubeheer, het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998, in bijlage 1
van het Besluit voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit
tankstations milieubeheer waren opgenomen, aangevuld met een aantal
activiteiten met betrekking tot (het lozen van) afvalwater die bij veel
inrichtingen plaatsvindt (o.a. het lozen van huishoudelijk afvalwater,
afvloeiend hemelwater en grondwater).
Daarnaast kan een aantal voorschriften uit paragraaf 4.1.5 op deze
inrichtingen van toepassing zijn, voor zover deze voorschriften betrekking
hebben op het (direct) lozen op het oppervlaktewater,artikel 4.18 ten
aanzien van een warmtekrachtinstallatie waarop paragraaf 3.2.1 van
toepassing is, artikel 4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3000
liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in
artikel 3.17, betreft en paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een
inrichting waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van
pleziervaartuigen die gewoonlijk worden aangedaan door zeegaande
pleziervaartuigen. Zowel de specifieke voorschriften uit hoofdstuk 3 als de
bijbehorende algemene voorschriften uit hoofdstuk 1, afdeling 2.1, 2.2, 2.4
en 2.10 en hoofdstuk 5 (bijvoorbeeld die betreffende de melding of
maatwerk) zijn bij de vergunningplichtige inrichtingen van toepassing,
voor zover de algemene voorschriften betrekking hebben op de
(deel)activiteiten van de inrichting die in hoofdstuk 3 en paragraaf 4.1.5,
artikel 4.18, artikel 4.6 en paragraaf 4.8.2 worden geregeld. Eventuele
voorschriften die met betrekking tot deze activiteiten in de vergunning
waren opgenomen, komen met dit besluit van rechtswege te vervallen.
Het overgangsrecht voorziet er wel in dat deze voorschriften in principe
gedurende drie jaar als maatwerkvoorschrift blijven gelden. Het algemene
gedeelte waarin de inrichtingsgerelateerde normen zijn opgenomen is
overigens niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Dit
vindt zijn oorzaak in het feit dat juist voor deze inrichtingsgerelateerde
normen de huidige vergunningen afwijkende normen kennen.
3.4 Lozingen van afvalwater
Zoals in paragraaf 1 is aangegeven zijn in dit besluit waar mogelijk de
regels met betrekking tot lozingen op het oppervlaktewater en op of in de
bodem opgenomen. Het betreft daarbij zowel lozingen die direct op het
oppervlaktewater of in de bodem plaatsvinden, als de zogenaamde
indirecte lozingen, waarbij primair lozing op rioolstelsels plaatsvindt.
Laatstbedoelde lozingen worden overwegend via de Wm gereguleerd, en
werden veelal ook in de 8.40-besluiten gereguleerd. Dit besluit is daarom
gebaseerd op twee wetten, namelijk de Wm en de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren. Beide wetten hebben betrekking op (afvalwater-)
lozingen. De afbakening tussen beide wetten met betrekking tot lozingen
wordt hieronder nader toegelicht.
Staatsblad 2007 415 107
3.4.1 Afbakening Wm en Wvo
De meeste lozingen, vanuit de onder dit besluit vallende inrichtingen,
vinden niet rechtstreeks in het milieu plaats, maar op rioolstelsels die in
de meeste gevallen door gemeenten worden beheerd. In de Wm worden
deze stelsels aangeduid met de term «voorzieningen voor de inzameling
en het transport van afvalwater». Deze lozingen die dus niet direct in het
milieu plaatsvinden en vandaar ook veelal met de term «indirecte
lozingen» worden aangeduid, vallen onder de Wm. Voor indirecte
lozingen die via rioolstelsels uiteindelijk het oppervlaktewater bereiken
volgt dit uit artikel 1, tweede lid, van de Wvo in samenhang met het vierde
lid van artikel 22.1, van de Wm. In de terminologie van de Wvo worden
die indirecte lozingen aangeduid als «lozingen met behulp van een werk
dat op een ander werk is aangesloten». Een uitzondering hierop vormen
indirecte lozingen die rechtstreeks op een door de waterbeheerder
beheerde inrichting voor het zuiveren van afvalwater plaatsvinden,
waaruit vervolgens in het oppervlaktewater wordt geloosd. Deze indirecte
lozingen vallen, voor zover het de wateraspecten betreft, niet onder de
Wm, maar uitsluitend onder de Wvo. Daarnaast is er een categorie
indirecte lozingen, die op dit moment zowel onder de Wm als de Wvo
vallen. Het betreft lozingen uit een twintigtal categorieën inrichtingen,
aangewezen op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wvo. De bewindslieden
van het ministerie van VROM en het ministerie van Verkeer en
Waterstaat hebben in een brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat alle
vergunningen die betrekking hebben op de waterketen, en dus ook de
vergunningen voor deze nu nog onder zowel de Wm als de Wvo vallende
indirecte lozingen, in de omgevingsvergunning zullen worden geïntegreerd
(Kamerstukken II, 2005/06, 29383, nr. 40), waardoor de dubbele
bevoegdheid voor deze lozingen vervalt. Ook voor lozingen die onder
algemene regels vallen, zal de dubbele bevoegdheid vervallen. Omdat dit
besluit eerder dan beide wetsvoorstellen in werking treedt, wordt hierin
nog wel van de dubbele bevoegdheid voor deze categorieën indirecte
lozingen uitgegaan. Na de inwerkingtreding van bovengenoemde
wetsvoorstellen zal dit besluit op dit punt worden aangepast.
Met betrekking tot de directe lozingen is de verhouding tussen beide
wetten als volgt:
– De Wm is van toepassing op directe lozingen vanuit inrichtingen op of
in de bodem. Die lozingen kunnen ook op grond van de Wet bodembescherming
worden gereguleerd. Gelet op het voornemen om de Wbb in
de Wm te integreren, is in dit besluit gekozen voor een regeling op grond
van de Wm.
– De Wvo is van toepassing op directe lozingen op het oppervlaktewater,
inclusief de bodem onder het oppervlaktewater. In de terminologie
van die wet gaat het om «lozingen met behulp van een werk» (zie artikel 1,
eerste lid, van de Wvo), en lozingen op een andere wijze dan met behulp
van een werk, waarbij de verontreinigende stoffen op een andere wijze
het oppervlaktewater bereiken, bijvoorbeeld door directe afstroming
vanuit een verhard oppervlak (zie artikel 1, derde lid, van de Wvo).
Dergelijke lozingen vinden bijvoorbeeld plaats bij op- en overslag van
bulkgoederen nabij het oppervlaktewater.
3.4.2 Nieuw onder het besluit gereguleerde lozingen
Met betrekking tot lozingen op het oppervlaktewater die thans onder de
Wvo vallen en lozingen in de bodem die thans op grond van de Wbb zijn
gereguleerd, is waar mogelijk de vergunningplicht of ontheffingsplicht
vervangen door algemene regels. Deze algemene regels zijn opgenomen
in dit besluit, voor zover de lozingen plaatsvinden vanuit inrichtingen.
Staatsblad 2007 415 108
Dit houdt in dat uit besluiten op grond van de Wvo en de Wbb die
betrekking hebben op lozingen vanuit inrichtingen naar dit besluit zijn
overgeheveld. Dit betreft met name het Lozingenbesluit bodembescherming,
het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater en het
Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering. Maar ook
lozingen waarvoor nu nog vergunningen of ontheffingen nodig zijn
worden zoveel mogelijk in dit besluit algemeen gereguleerd. Wat betreft
de Wvo vergunningplichtige lozingen gaat het om circa 1300 inrichtingen,
waarvan de lozingen in dit besluit worden gereguleerd. Voor het grootste
deel betreft het inrichtingen actief in de galvano-industrie, zeefdrukkerijen,
inrichtingen actief in de fotografische industrie en op- en overslagbedrijven.
Daarnaast worden in dit besluit ook de lozingen van koelwater
en hemelwater gereguleerd, waarvoor het reguleren door middel van
algemene regels in het rapport Kleine en kortdurende lozingen van de
Commissie Integraal Waterbeheer uit 2001 is aanbevolen.
De boven bedoelde besluiten, waarvan onderdelen naar dit besluit
worden overgeheveld, worden overigens niet ingetrokken. Deze besluiten
blijven relevant voor lozingen van afvalwater, anders dan vanuit inrichtingen
en huishoudens. De lozingen vanuit huishoudens zullen via het
Besluit lozing afvalwater huishoudens worden gereguleerd. In de
eerdergenoemde herijking van de VROM-regelgeving, alsmede het
Programma Minder lastig voor bedrijven van het Ministerie van Verkeer
en Waterstaat, bestaat het voornemen om ook de resterende regels voor
lozingen (dus anders dan vanuit inrichtingen en huishoudens) te
integreren in besluiten op grond van de Wm en de Wvo. Bij deze
gelegenheid kunnen de hierboven bedoelde besluiten worden
ingetrokken.
Lozingen vanuit type A- en B-inrichtingen vallen volledig onder de
werking van dit besluit.
Met betrekking tot type C-inrichtingen vallen in beginsel enkel de
lozingen waarvoor in hoofdstuk 3 voorschriften zijn opgenomen onder de
reikwijdte van dit besluit. Dit zijn lozingen die bij veel inrichtingen
plaatsvinden, zoals het lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend
hemelwater en grondwater. Voor deze lozingen waren voorheen, veelal op
vrij uniforme wijze, voorschriften opgenomen in een ontheffing of
vergunning. Voor het direct lozen vanuit een type C-inrichting op het
oppervlaktewater ingevolge de Wvo, zijn daarnaast de daarop betrekking
hebbende voorschriften uit paragraaf 4.1.5 van toepassing. Voor de
overige lozingen vanuit deze inrichtingen is gezien de mogelijke aard en
omvang daarvan onverminderd een ontheffing, dan wel vergunning
noodzakelijk.
Daarnaast is dit besluit niet van toepassing op het lozen, waarvoor
regels zijn gesteld bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit, het
Lozingenbesluit Wvo vaste objecten, het Besluit glastuinbouw en het
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Voor deze lozingen zijn
algemene regels opgesteld of worden in de toekomst algemene regels
voorzien.
Tevens is, in aansluiting op de reikwijdte ingevolge de Wvo, voorzien in
een verbreding van de normadressant door deze voor wat betreft het
(in)direct lozen op oppervlaktewater als bedoeld in de Wvo niet enkel te
beperken tot degene die de inrichting drijft, maar te verbreden tot een
ieder die vanuit de desbetreffende inrichting loost.
4. Eindsituatie
Met de inwerkingtreding van dit besluit worden circa 37.000 voorheen
Wm-vergunningplichtige inrichtingen en 1300 Wvo-vergunningplichtige
activiteiten onder dit besluit gebracht. Het laten vervallen van de
Staatsblad 2007 415 109
vergunningplicht voor inrichtingen en deze onder algemene regels
brengen vindt ook in de landbouwsector plaats. Zo vallen circa 25.000
voorheen vergunningplichtige landbouwinrichtingen onder het Besluit
landbouw milieubeheer (Stb. 2006, 390) en is inmiddels een wijziging van
het Besluit landbouw (Stcrt. 2006, 206) in procedure gebracht om meer
landbouwinrichtingen, waaronder de intensieve veehouderij, onder
algemene regels te brengen. Hiermee wordt de trend om meer inrichtingen
onder algemene regels te brengen onverminderd doorgezet. Het
streven is erop gericht om ook na de inwerkingtreding van dit besluit
meer inrichtingen of bedrijfstakken in hun geheel onder de werking van
dit besluit te brengen. Voor deze inrichtingen zullen specifieke activiteiten
worden gereguleerd. Een voorbereidend onderzoek is eind 2006 afgerond
(Van Vliet Milieumanagement, 2006. Onderzoek vergunningplichtige
activiteiten naar algemene regels na 2007. Erik van Vliet Milieumanagement,
november 2006). In 2008 wordt duidelijk welke bedrijven of
bedrijfstakken in deze tweede fase in aanmerking komen om onder
algemene regels te worden gebracht.
4.1 Activiteiten buiten inrichtingen
Zoals hierboven uiteen is gezet, is het streven op termijn alle algemene
regels over bedrijfsmatige milieurelevante activiteiten in één besluit onder
te brengen. Er geldt wel een beperking. Het gaat om activiteiten binnen
een «inrichting» in de zin van de Wm. Bedrijfsactiviteiten die buiten een
inrichting plaatsvinden vallen vooralsnog buiten de reikwijdte van de
nieuwe algemene regels. Met name bij landbouwbedrijven komen
dergelijke activiteiten veelvuldig voor. Op grond van de jurisprudentie
worden landbouwgronden immers over het algemeen niet tot de
inrichting gerekend. Daarnaast vallen ook kortdurende activiteiten, zoals
bepaalde bodemsaneringen, buiten het begrip inrichting. Veel milieurelevante
activiteiten buiten inrichtingen vallen overigens momenteel wel
onder algemene regels, bijvoorbeeld onder het Lozingenbesluit open teelt
en veehouderij en het Besluit gebruik meststoffen. In beginsel is het
mogelijk ook activiteiten die niet onder het begrip inrichting vallen in de
nieuwe algemene regels onder te brengen en in dat kader de algemene
regels voor inrichtingen samen te voegen met de algemene regels voor
andere bedrijfsactiviteiten. Om het project beheersbaar te houden is daar
thans niet voor gekozen. Op de langere termijn wordt een verdere
uitbouw en samenvoeging van de algemene regels echter uitdrukkelijk
overwogen.
Wel is het mogelijk om door middel van een maatwerkvoorschrift, dat is
gekoppeld aan de zorgplicht, indirecte hinder veroorzaakt door een
inrichting te reguleren. De geluidsoverlast veroorzaakt door het verkeer
van personen of goederen van en naar de inrichting buiten de grenzen
van de inrichting, kan bijvoorbeeld door middel van een maatwerkvoorschrift
gereguleerd worden.
5. Wijzigingen in wetgeving met het oog op het besluit
5.1 Wet milieubeheer
Om de nieuwe algemene regels mogelijk te maken, is de Wm gewijzigd
(Stb. 2006, 606). Het doel van deze wetswijziging is het bieden van een
juridische grondslag voor de wijziging van de algemene regels. De nieuwe
bepalingen in de Wm over het stellen van algemene regels maken de
volgende veranderingen mogelijk:
– In tegenstelling tot het huidige systeem in hoofdstuk 8 van de Wm
hanteert het nieuwe systeem het uitgangspunt dat voor het oprichten of
wijzigen van een inrichting of de werking daarvan geen vergunning is
Staatsblad 2007 415 110
vereist, maar dat daarbij moet worden voldaan aan voorschriften uit
algemene regels. Slechts een beperkt aantal inrichtingen zal vergunningplichtig
blijven;
– bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kan worden bepaald of
de oprichting of verandering van een inrichting aan het bevoegd gezag
gemeld moet worden. Voorafgaand aan de wetswijziging was deze
melding altijd vereist;
– er wordt een delegatiemogelijkheid aan de AMvB-regelgever
geboden. In dit besluit zijn voornamelijk doelvoorschriften opgenomen.
De voorschriften met betrekking tot de te nemen (technische) maatregelen
worden voornamelijk gesteld in een ministeriële regeling;
– de wet biedt de mogelijkheid om bij AMvB te bepalen dat in plaats van
bij of krachtens het besluit aangegeven (technische) maatregelen andere,
tenminste gelijkwaardige, maatregelen kunnen worden toegepast;
– er is behoefte aan meer duidelijke en meer effectieve mogelijkheden
voor maatwerk. De voorheen geldende mogelijkheid tot het stellen van
nadere eisen blijkt in dit verband niet toereikend. De wetswijziging maakt
het mogelijk om ruimere maatwerkvoorschriften op te nemen. Daarnaast
is artikel 8.40, tweede en derde lid, van de Wm ook van toepassing op het
stellen van maatwerkvoorschriften. Dit betekent dat een bestuursorgaan
binnen dezelfde kaders als de wetgever moet blijven bij het stellen van
maatwerkvoorschriften;
– het onderscheid tussen algemene regels voor vergunningplichtige
inrichtingen (artikel 8.44 Wm) en voor niet-vergunningplichtige inrichtingen
(artikel 8.40 Wm) is vervallen.
5.2 Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Conform de bestaande systematiek voor algemene regels naast of in de
plaats van de vergunningplicht is, om de nieuwe algemene regels
mogelijk te maken, overwegend aansluiting gezocht bij de wijzigingen die
in de Wm worden doorgevoerd. Hierdoor zal ook de Wvo voorzien in de
hierboven beschreven mogelijkheden tot subdelegatie, het stellen van
maatwerkvoorschriften en het achterwege kunnen laten van de meldingsplicht.
5.3 Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke
watertaken
Parallel aan de voorbereiding van dit besluit vindt ook wijziging van een
aantal wetten plaats in verband met de aanpassing van gemeentelijke
watertaken en het bijbehorend bekostigingsinstrumentarium (Wet
verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken, Staatsblad
2007, 276). In het kader van die wetswijziging zijn ook begripsomschrijvingen
met betrekking tot afvalwater aangepast, zijn de gemeentelijke
afvalwaterzorgplichten verduidelijkt, is een voorkeursvolgorde voor
het omgaan met afvalwater geïntroduceerd en wordt gemeenten de
mogelijkheid geboden om bij verordening regels te stellen met betrekking
tot lozingen van afvloeiend hemelwater en grondwater. Dit besluit is op
deze wijzigingen in de wetgeving met betrekking tot afvalwater
afgestemd.
6. Opzet van het besluit
6.1 Indeling
De 8.40-besluiten kenden een regulering per branche. Dit besluit kent
een geheel andere opzet en verlaat daarmee de branchegerichte aanpak.
In dit besluit worden enerzijds in een algemeen deel (hoofdstuk 2) die
onderwerpen geregeld die op de gehele inrichting betrekking hebben.
Staatsblad 2007 415 111
Anderzijds worden per activiteit of installatie specifieke eisen gesteld
(hoofdstukken 3 en 4). Het reguleren op het niveau van activiteiten maakt
het mogelijk om successievelijk steeds meer, thans nog vergunningplichtige,
bedrijfstakken op betrekkelijk eenvoudig wijze onder dit besluit
te brengen.
Het besluit is als volgt ingedeeld:
– Hoofdstuk 1: Algemeen (begripsbepalingen, reikwijdte, procedurele
bepalingen en de melding);
– Hoofdstuk 2: Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten;
– Hoofdstuk 3: Bepalingen met betrekking tot activiteiten in inrichtingen,
tevens geldend voor inrichtingen type C (bepalingen die ook voor
vergunningplichtige inrichtingen gelden);
– Hoofdstuk 4: Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in
inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type C, met uitzondering van
paragraaf 4.1.5 voor zover deze voorschriften betrekking hebben op het
(direct) lozen op het oppervlaktewater, artikel 4.18 ten aanzien van een
warmtekrachtinstallatie waarop paragraaf 3.2.1 van toepassing is, artikel
4.6 voor zover het het opslaan van ten hoogste 3000 liter gasolie,
smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als bedoeld in artikel 3.17,
betreft en paragraaf 4.8.2, voor zover het gaat om een inrichting waar
gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen die
gewoonlijk worden aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen;
– Hoofdstuk 5: Wijziging van besluiten;
– Hoofdstuk 6: Overgangs -en slotbepalingen.
6.2 Verdeling besluit en ministeriële regeling
In dit besluit zijn voornamelijk voorschriften opgenomen die bepalend
zijn voor de omvang van de verplichtingen die gelden voor de drijver van
de inrichting, of die noodzakelijk zijn in het kader van de bescherming van
het milieu. In het besluit is ook opgenomen of met betrekking tot een
activiteit verplichte maatregelen zijn opgenomen. De maatregelen zelf zijn
opgenomen in de ministeriële regeling. Hiervoor is gekozen omdat het
veelal gaat om maatregelen van technische aard die vrij gedetailleerd zijn.
Daarnaast is het wegens de voortdurende technische ontwikkelingen
noodzakelijk dat deze snel en eenduidig doorwerken in de nieuwe
voorschriften. De ministeriële regeling biedt aldus de mogelijkheid om in
het bedrijfsleven ontwikkelde alternatieven voor reeds geldende
voorschriften op een vlotte en generieke wijze onder de werkingssfeer van
dit besluit te brengen.
In de praktijk komt het erop neer dat in dit besluit voornamelijk
doelvoorschriften zijn opgenomen en in de ministeriële regeling voornamelijk
middelvoorschriften en maatwerkvoorschriften.
Gezien het belang van de ministeriële regeling en met het oog op de
kenbaarheid wordt opgemerkt dat aanpassing van de ministeriële regeling
zal geschieden na overleg met het betrokken bedrijfsleven en de
betrokken overheden.
Specifiek voor de directe lozingen wordt in de ministeriële regeling
onderscheid gemaakt tussen oppervlaktewateren die met het oog op het
lozen bijzondere bescherming behoeven en oppervlaktewateren waar dat
niet voor nodig is. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan wateren
waar een speciale functie aan is toegekend, zoals de zwemwaterfunctie of
wateren, die op grond van de Kaderrichtlijn water speciale bescherming
behoeven. Over het algemeen zal dat samenvallen met het onderscheid
tussen grote en kleinere wateren. Daarbij zal aansluiting worden gezocht
bij de bestaande ministeriële regeling op grond van het Bouwstoffenbesluit
bodem- en oppervlaktewateren bescherming.
Staatsblad 2007 415 112
6.3 Doelvoorschriften, maatregelen en zorgplicht
Onder dit besluit valt een breed scala aan activiteiten, die uiteenlopende
gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Mede gelet daarop is het
uitputtend reguleren van al deze activiteiten en de daaraan gekoppelde
mogelijke milieugevolgen, om daarmee op voorhand te verzekeren dat de
belasting van het milieu in alle situaties voldoende wordt teruggedrongen,
niet mogelijk. Om dat te waarborgen zou immers ook aan de
gemiddeld genomen milieuhygiënisch minder relevante activiteiten en
aspecten aandacht moeten worden besteed. Ook zou expliciet moeten
worden aangegeven welke handelingen, hoe theoretisch misschien ook,
zondermeer achterwege moeten blijven, om daarmee ook de handelswijze
van een minder milieubewuste ondernemer in concrete verboden en
geboden te vatten. Het mag duidelijk zijn dat een dergelijke wijze van
reguleren tot een veel meer omvangrijk besluit zou leiden, waarin veel
voorschriften zouden staan die in een gemiddelde situatie overbodig
overkomen. Een dergelijke wijze van reguleren zou bovendien op
gespannen voet staan met de voornemens van het kabinet om het aantal
regels te beperken en meer verantwoordelijkheid te leggen bij de
doelgroepen.
Daarom is ervoor gekozen om in dit besluit en de daarop gebaseerde
ministeriële regeling niet voor alle potentiële activiteiten en de milieugevolgen
daarvan voorschriften uit te werken. De voorschriften blijven
beperkt tot de meest relevante aspecten van milieubelangrijke activiteiten,
zoals de emissie van bepaalde stoffen naar lucht en water als gevolg van
verschillende activiteiten met betrekking tot metaal. Voor de minder
milieurelevante activiteiten en aspecten of meer theoretische handelingen
is in dit besluit een zorgplichtbepaling opgenomen, die als uitgangspunt
heeft dat de ondernemer ook bij niet concreet gereguleerde situaties de
nodige aandacht aan de bescherming van het milieu dient te besteden.
In de volgende onderdelen van dit hoofdstuk wordt achtereenvolgend
ingegaan op de doelvoorschriften en de verplichte en erkende maatregelen,
de zorgplichtbepaling, de maatwerkvoorschriften en de
gelijkwaardigheidtoets.
6.4 De doelvoorschriften, verplichte en erkende maatregelen
In dit besluit zijn voor de meer milieurelevante activiteiten en aspecten
concrete voorschriften uitgewerkt. Waar mogelijk is dit gedaan in de vorm
van gekwantificeerde doelvoorschriften, zoals emissiegrenswaarden.
Dergelijke gekwantificeerde doelvoorschriften geven veelal eenduidig aan
wat de maximaal toegestane milieubelasting als gevolg van een activiteit
is. Zo wordt bijvoorbeeld de maximaal toegestane concentratie van een
bepaalde stof in de afgassen of afvalwater aangegeven, waarbij tevens
aangegeven wordt op welke wijze bemonstering moet plaatsvinden en
welke analysemethode gebruikt moet worden voor het bepalen van de
concentratie. Dergelijke doelvoorschriften bieden de maximale vrijheid bij
de keuze van de maatregelen om aan het doelvoorschrift te voldoen. Dit
voordeel heeft echter voor die ondernemers, die duidelijkheid over welke
maatregelen genomen moeten worden verkiezen boven keuzevrijheid,
ook een nadeel. Ze kunnen uit het besluit immers niet aflezen, welke
(technische) maatregelen genomen moeten worden om aan dit besluit te
voldoen. Om dit bezwaar weg te nemen is er bij een deel van de
doelvoorschriften voor gekozen om in de ministeriële regeling erkende
maatregelen op te nemen, die gekoppeld zijn aan een gekwantificeerd
doelvoorschrift.
Staatsblad 2007 415 113
Om de flexibiliteit te waarborgen kan een drijver van een inrichting ook
een andere maatregel treffen, die vervolgens wordt getoetst aan een
gekwantificeerd doelvoorschrift. De keuze van de maatregel is een eigen
verantwoordelijkheid voor de ondernemer, die voor het treffen van een
dergelijke maatregel geen voorafgaande toestemming van het bevoegd
gezag behoeft.
Naast de gekwantificeerde doelvoorschriften en erkende maatregelen
zijn in dit besluit en de ministeriële regeling ook maatregelen opgenomen
die met het oog op de bescherming van het milieu dusdanig van belang
worden geacht, dat ze in beginsel verplicht moeten worden toegepast.
Deze maatregelen worden aangeduid met verplichte maatregelen. Daar
waar het formuleren van een gekwantificeerd doelvoorschrift niet
mogelijk is gebleken of daar waar toetsing aan een gekwantificeerd
doelvoorschrift niet te allen tijde op een eenvoudige wijze mogelijk is, is
veelal voor verplichte maatregelen gekozen. In dit besluit wordt in dat
geval bij de desbetreffende activiteit aangegeven voor welke onderwerpen
en milieuaspecten verplichte maatregelen gelden. Wanneer deze
verplichte maatregelen de vorm van een middelvoorschrift hebben, zijn
deze veelal in de ministeriële regeling opgenomen. De overwegingen
daarvoor zijn beschreven in paragraaf 6.2. Indien verplichte maatregelen
zijn opgenomen, biedt dit besluit wel de ruimte voor het toepassen van
alternatieve, aan een verplichte maatregel gelijkwaardige maatregelen.
Omdat deze gelijkwaardigheid niet op elk moment eenvoudig kan worden
getoetst aan een gekwantificeerd doelvoorschrift is ervoor gekozen om in
dit geval wel voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag te
vereisen, waarbij de drijver van de inrichting moet aantonen dat de
maatregel voldoet (zie verder paragraaf 6.7).
6.5 De zorgplichtbepaling
In dit besluit is een zorgplichtbepaling opgenomen, waarin aangegeven
is dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen
weten dat door het in werking zijn van de inrichting nadelige gevolgen
voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende
worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels, die gevolgen voorkomt of beperkt voor zover
voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan
worden gevergd.
De zorgplichtbepaling geeft vervolgens concreter aan, wat moet worden
verstaan onder het vorkomn of beperken van het ontstaan van nadelige
gevolgen voor het milieu. Ook is in de zorgplichtbepaling het bevoegd
gezag de mogelijkheid geboden om maatwerkvoorschriften te stellen. De
zorgplichtbepaling is overigens niet nieuw; ook in de eerdere
8.40-besluiten was een bepaling met vergelijkbare strekking opgenomen.
Indien een aspect al uitputtend is geregeld in het besluit, is het niet
mogelijk om nog maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende
regeling is sprake indien er ten aanzien van een omschreven situatie of
activiteit een limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of
voorschriften. Daarbij is steeds zo nauwkeurig mogelijk omschreven met
betrekking tot welk aspect van de zorgplicht en welke activiteit de regels
worden gesteld (zie ook artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.1, derde
lid). Indien een aspect nog niet uitputtend is geregeld kan er een
maatwerkvoorschrift worden vastgesteld. Het gaat daarbij om maatwerkvoorschriften
die passen binnen de verplichting van het eerste lid; dit
betekent ook dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld indien de
nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden voorkomen of
onvoldoende worden beperkt door de naleving van de bij of krachtens dit
besluit gestelde voorschriften. De maatwerkvoorschriften die op grond
Staatsblad 2007 415 114
van dit lid worden gesteld mogen niet afwijken van bepalingen van dit
besluit. Met toepassing van het maatwerkvoorschrift kan worden
voorkomen dat voor de niet in dit besluit concreet uitgewerkte aspecten
de belangen van de bescherming van het milieu geschaad worden. De
verwachting is dat dit niet vaak aan de orde is. Wanneer immers een
activiteit voor een bepaald aspect in veel gevallen strijd met het belang
van de bescherming van het milieu kan opleveren, mag er in beginsel van
worden uitgegaan dat voor dat aspect concrete voorschriften bij of
krachtens dit besluit zijn uitgewerkt.
Indien door het bevoegd gezag wordt geconstateerd dat een bijzondere
situatie met betrekking tot een milieuaspect, niet uitputtend is geregeld en
het belang van de bescherming van het milieu wordt geschaad, kan direct
met toepassing van de zorgplichtbepaling worden gehandhaafd of kan
een maatwerkvoorschrift worden gesteld.
Direct handhavend optreden is aan de orde wanneer het belang van de
bescherming van het milieu wordt geschaad als gevolg van handelen,
waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid had kunnen overzien
dat er sprake is van strijd met de in de zorgplichtbepaling verwoorde
belangen van de bescherming van het milieu. Daarbij gaat het bijvoorbeeld
om de lozing van (afval)stoffen op het vuilwaterriool die evident
schadelijk zijn voor de doelmatige werking van de voorzieningen voor het
beheer van afvalwater, zoals (meer dan marginale hoeveelheden)
motorolie, bestrijdingsmiddelen of vast afval. Het vuilwaterriool is
immers, ondanks het daaraan gekoppelde zuiveringstechnisch werk, geen
afvalput met een onbegrensde verwerkingscapaciteit, en afvalstoffen die
in redelijkheid daaruit weggehouden kunnen worden dienen op andere
wijze te worden afgevoerd.
In gevallen waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid niet
had kunnen weten dat door zijn handelen het belang van bescherming
van het milieu wordt geschaad, ligt direct handhavend optreden met
gebruik van de zorgplichtbepaling minder voor de hand. Dit kan bijvoorbeeld
aan de orde zijn indien bij lozing van afvalwater op een openbaar
riool door de geloosde hoeveelheid de capaciteit van dat riool wordt
overschreden, waardoor de doelmatige werking van dat riool in gevaar
komt. Omdat dit afhankelijk is van de kenmerken van het rioolstelsel en
van de omvang van de overige lozingen, zal degene die de inrichting drijft
veelal niet zelf kunnen inzien dat zijn handelen tot verstoring van de
doelmatige werking van het riool kan leiden. Door het stellen van een
maatwerkvoorschrift kan ten aanzien van de te lozen hoeveelheid water
een grens worden gesteld, die in het vervolg aan de drijver van de
inrichting duidelijkheid biedt. Overigens is het uiteraard ook zeer wel
mogelijk dat de lozer na een aanschrijving van het bevoegd gezag of naar
aanleiding van overleg met het bevoegd gezag zelf vrijwillig besluit om
bepaalde maatregelen te treffen, zodat het stellen van een maatwerkvoorschrift
niet nodig is. Wanneer wel een maatwerkvoorschrift wordt
gesteld, kan deze vervolgens op dezelfde manier gehandhaafd worden als
de overige voorschriften uit dit besluit.
6.6 Maatwerkvoorschriften
Dit besluit geeft het bevoegd gezag op verschillende plaatsen de
bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
In de eerste plaats is de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften
opgenomen voor die onderwerpen, waarbij in specifieke
gevallen de voorschriften van dit besluit nadere invulling of aanvulling
kunnen behoeven. Dit is dan steeds bij het desbetreffende voorschrift
expliciet aangegeven. Indien deze mogelijkheid is opgenomen kan het
bevoegd gezag indien daartoe aanleiding is bij beschikking een maatwerk-
Staatsblad 2007 415 115
voorschrift geven. In een aantal gevallen is daarbij ook aangegeven dat
het bevoegd gezag kan afwijken van normen in dit besluit. Het spreekt
voor zich dat het bevoegd gezag slechts maatwerkvoorschriften kan
stellen binnen de in het desbetreffende voorschrift aangegeven ruimte.
Indien deze mogelijkheid is opgenomen kan het bevoegd gezag indien
daartoe aanleiding is ontheffing verlenen van voorschriften van het
besluit.
In de tweede plaats is aan de zorgplichtbepaling (artikel 2.1) een
bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften gekoppeld. Indien
een aspect al uitputtend is geregeld in het besluit, is het niet mogelijk om
nog maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende regeling is
sprake indien er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit een
limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften. Daarbij
is steeds zo nauwkeurig mogelijk omschreven met betrekking tot welk
aspect van de zorgplicht en welke activiteit de regels worden gesteld (zie
ook artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.1, derde lid). Indien een aspect
nog niet uitputtend is geregeld kan er een maatwerkvoorschrift worden
vastgesteld. Van een uitputtende regeling is in ieder geval ook sprake
wanneer voor een bepaald aspect concrete voorschriften zijn uitgewerkt in
de vorm van kwantitatieve doelvoorschriften, dan wel wanneer is bepaald
dat met betrekking tot dat aspect bij of krachtens dit besluit aangegeven
middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast of als
erkende maatregel kunnen worden toegepast. De houder van een
inrichting heeft aldus de zekerheid dat het bevoegd gezag met betrekking
tot het desbetreffende aspect geen maatwerkvoorschrift op grond van de
zorgplichtbepaling kan stellen. Bij concrete voorschriften is het stellen van
een maatwerkvoorschrift alleen mogelijk indien het concrete voorschrift
zelf die mogelijkheid biedt. Van een uitputtende regeling is eveneens
sprake, wanneer dit besluit voor een bepaald aspect weliswaar geen
concrete voorschriften bevat, maar wel de mogelijkheid tot het stellen van
een op het desbetreffende aspect toegesneden maatwerkvoorschrift biedt.
Door deze specifieke mogelijkheid tot maatwerk, is het niet mogelijk om
ten aanzien van het betreffende aspect ook nog de maatwerkmogelijkheid
behorende bij de zorgplichtbepaling in te zetten.
Het instrument maatwerkvoorschrift maakt het mogelijk om te komen
tot een op een concrete situatie toegesneden doelmatige oplossing.
Gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument dient het gebruik
beperkt te blijven tot bijzondere en incidentele gevallen. Dit is vergelijkbaar
met het stellen van nadere eisen zoals tot nu toe gebruikelijk is. De
intentie is dat de huidige praktijk met betrekking tot de nadere eisen
voortgezet kan worden. Verder zal bij de evaluatie van het besluit de
toepassing door het bevoegd gezag van de maatwerkvoorschriften
expliciet meegenomen worden.
De mogelijkheid om van een in dit besluit opgenomen doelvoorschrift
af te wijken, die is opgenomen voor een aantal onderwerpen, is ruimer
voor maatwerk ten opzichte van de zogenoemde nadere eis in de
8.40-besluiten. Gaandeweg zijn bij aanpassingen van de 8.40-besluiten
deze nadere eisen geëvolueerd, waardoor ze naast de oorspronkelijke
beoogde toepassing, namelijk nadere detaillering van een algemene
regel, soms een bredere rol zijn gaan vervullen. Zo is al in een aantal
gevallen in de 8.40-besluiten de mogelijkheid geboden om bij nadere eis
af te wijken van een in het 8.40-besluit gesteld voorschrift of om aanvullende
voorschriften te stellen. In artikel 8.42 van de Wm is in lijn met deze
ontwikkeling de term «nadere eis» vervangen door de ruimere term
«voorschriften».
In de 8.40-besluiten waren de mogelijkheden voor nadere eisen niet bij
de betreffende onderwerpen ondergebracht, maar in een afzonderlijk
hoofdstuk in de bijlage met voorschriften. Omwille van de kenbaarheid
Staatsblad 2007 415 116
zijn de voorschriften die maatwerk mogelijk maken in dit besluit, direct bij
het voorschrift waarop het maatwerkvoorschrift betrekking heeft,
opgenomen.
Het bevoegd gezag heeft de keuze om van haar bevoegdheid tot het
opleggen van een maatwerkvoorschrift gebruik te maken. Het bevoegd
gezag is daarbij vrij in de wijze van invulling van deze bevoegdheid. De
bevoegdheid voor het opleggen van maatwerkvoorschriften reikt
vanzelfsprekend niet verder dan bepaald in de specifieke bepalingen van
dit besluit en onderliggende ministeriële regeling. Indien een maatwerkbepaling
uit dit besluit bijvoorbeeld stelt dat voorzieningen opgelegd
kunnen worden die nodig zijn om aan een bepaalde norm uit dit besluit te
voldoen, dan behelst dit niet tevens de bevoegdheid voor het bevoegd
gezag om op basis van deze maatwerkbepaling een onderzoeksverplichting
naar de mogelijkheden van de te treffen voorzieningen op te
leggen. Daarnaast mogen onderwerpen welke in andere wetgeving zijn
geregeld niet door middel van een maatwerkvoorschrift onder de werking
van de Wm worden gebracht. Een voorbeeld hiervan is parkeren op de
stoep. Dit is een aspect dat valt onder de werking van de
Wegenverkeerswet.
Bij de invulling van de beslissingsvrijheid die op grond van dit besluit
aan het bevoegd gezag wordt toegekend is zij niet geheel vrij. Allereerst
dient het betreffende bestuursorgaan bij de besluitvorming binnen de
kaders van artikel 8.40, tweede en derde lid, van de Wm te blijven. Dit is
bepaald in artikel 8.42, tweede lid, van de Wm. Daarnaast dient het
bestuursorgaan de geschreven en ongeschreven beginselen van
behoorlijk bestuur in acht te nemen. Het opleggen van een maatwerkvoorschrift
is een besluit waartegen bezwaar en beroep kan worden
ingediend conform de Algemene wet bestuursrecht.
Bij het geven van een maatwerkvoorschrift gaat het zoals hiervoor al
aangegeven om een beschikking waarin een nadere invulling wordt
gegeven aan of een aanvulling wordt gegeven op de artikelen van het
besluit. Ook kan het bij het geven van een maatwerkvoorschrift gaan om
het verlenen van een ontheffing. De Algemene wet bestuursrecht bevat
verder verschillende bepalingen die bij de totstandkoming van het besluit
en met betrekking tot de inhoud van het besluit door het bevoegd gezag
in acht genomen dienen te worden, ongeacht haar beslissingsvrijheid. Zo
dient een maatwerkvoorschrift zorgvuldig voorbereid te worden. Dit houdt
met name in dat het bevoegd gezag onderzoek dient te verrichten naar de
gevolgen van het maatwerkvoorschrift. Artikel 3.2 van de Algemene wet
bestuursrecht legt het bevoegd gezag een actieve onderzoeksplicht op.
Zoals reeds hierboven ter sprake is gekomen dient er een zorgvuldige en
evenredige afweging plaats te vinden van alle rechtstreeks bij het besluit
betrokken belangen voor zover dit niet wordt beperkt door de betreffende
maatwerkbepaling in dit besluit of op basis van de Wm (artikel 3.4 van de
Algemene wet bestuursrecht). Bedrijfseconomische belangen, milieubelangen
en belangen van derden spelen daarbij een belangrijke rol.
Daarnaast dient het opleggen van een maatwerkvoorschrift te worden
voorzien van een kenbare en deugdelijke motivering (afdeling 3.7
Algemene wet bestuursrecht). De motivering moet het besluit kunnen
dragen. Indien een maatwerkbepaling bijvoorbeeld stelt dat een
voorziening of een maatregel opgelegd mag worden, die nodig is om aan
de normen uit dit besluit te kunnen voldoen, dient het bevoegd gezag aan
te tonen dat het betreffende maatwerkvoorschrift ook nodig is om aan de
normen uit dit besluit te voldoen. Het motiveringsbeginsel houdt mede in
dat bij toepassing van een beleidsregel door het bestuursorgaan moet
worden beoordeeld of in het specifieke geval een reden is om af te wijken
van die beleidsregel. Verder is het belangrijk dat het maatwerkvoorschrift
Staatsblad 2007 415 117
duidelijk en ondubbelzinnig is geformuleerd, zodat de drijver van de
inrichting weet wat van hem wordt verlangd.
De drijver van de inrichting heeft in de procedure van het maatwerkvoorschrift
de gebruikelijke middelen om tegen het besluit in te gaan,
wanneer in haar ogen de eisen onredelijk zouden zijn of wanneer op een
ander wijze in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
wordt gehandeld.
Overigens is het ook voor een derde-belanghebbende mogelijk om het
bevoegd gezag om het opleggen van een maatwerkvoorschrift te vragen.
6.7 De gelijkwaardigheidtoets
De gelijkwaardigheidstoets heeft betrekking op een alternatief voor een
verplichte maatregel. De gelijkwaardigheid van het alternatief dient
voorafgaand aan de toepassing getoetst te worden door het bevoegd
gezag.
De procedure voor de toetsing is sterk vergelijkbaar met de oude
procedure voor het opleggen van nadere eisen en werkt in grote lijnen als
volgt. De drijver van de inrichting dient bij het bevoegd gezag een verzoek
in om een alternatief middel te mogen toepassen. Hij doet dit vier weken
voordat hij dit middel wil toepassen. Het bevoegd gezag beslist over de
gelijkwaardigheid van het gekozen middel door middel van een
beschikking, waartegen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.
In dit kader kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een werkgroep
gelijkwaardige beoordeling. Gekozen is deze werkgroep niet wettelijk te
regelen en daarmee te centraliseren. Het gaat immers primair over een
beslissing van het bevoegd gezag, die na overleg met de drijver van de
inrichting een besluit moet nemen over het alternatief.
Naast de hierboven omschreven individuele toetsing kan ook in meer
algemene zin een verzoek worden gedaan om een alternatief voor een
erkende of verplichte maatregel in de ministeriële regeling op te nemen.
Gedacht kan worden aan een verzoek van een brancheorganisatie of één
of meerdere gemeenten. Dit verzoek wordt bij het ministerie van VROM
ingediend, dat vervolgens de mogelijkheid heeft om de werkgroep in te
schakelen teneinde een advies uit te brengen. Op basis van dit advies kan
worden besloten om het alternatief in de ministeriële regeling op te
nemen. De verwachting is dat hierdoor regelmatige actualisering van de
in de ministeriële regeling opgenomen maatregelen zal plaatsvinden.
In het kader van haar taak is van belang dat de werkgroep zodanig is
samengesteld om met gezag te adviseren. Dit betekent onder meer dat
sprake moet zijn van voldoende deskundigheid, gezag en uitstraling. Het
ministerie van VROM faciliteert de oprichting van de werkgroep.
7. Inrichtinggerelateerde milieuvoorschriften
De in hoofdstuk 2 van dit besluit geregelde milieuaspecten, die
betrekking hebben op de inrichting als geheel, worden in dit hoofdstuk
achtereenvolgend behandeld:
– geluidhinder;
– geurhinder;
– emissies naar de lucht en luchtkwaliteit;
– lozingen;
– externe veiligheid;
– lichthinder;
– bodem;
– energiebesparing;
– scheiden van afvalstoffen;
– verkeer en vervoer.
Staatsblad 2007 415 118
7.1 Geluidhinder
In deze paragraaf wordt ingegaan op de belangrijkste elementen van
het nieuwe geluidbeleid. Voor een uitgebreide toelichting wordt verwezen
naar de artikelsgewijze toelichting.
7.1.1 Akoestische onderzoeken
In vergelijking met de oude systematiek is de verplichting tot het
uitvoeren van akoestische onderzoeken in die gevallen gehandhaafd,
waarin op voorhand sprake kan zijn van significante gevolgen voor geluid.
Voor die gevallen heeft het bevoegd gezag inzicht nodig in de werkelijke
geluidssituatie om een goed beheer van de ruimte te kunnen uitvoeren.
Voor de overige activiteiten is een bevoegdheid opgenomen voor het
bevoegd gezag om gemotiveerd een akoestisch onderzoek te vragen. Er
moet immers worden voorkomen dat het bedrijfsleven met een te grote
administratieve last wordt opgezadeld, doordat het bevoegd gezag zonder
motivatie de verplichting kan opleggen een akoestisch rapport te
overleggen. Vooral bij kleinere inrichtingen en inrichtingen waarbij in de
directe nabijheid geen woningen en andere gevoelige objecten zijn
gelegen is dit vaak onnodig.
7.1.2 Gemeentelijk geluidbeleid
De nieuwe voorschriften bevatten de mogelijkheid voor gemeenten om
bij verordening gebieden aan te wijzen waar de normering hoger of lager
kan liggen dan de standaard geluidsnorm. Geluid is bij uitstek een
milieuaspect dat betrekking heeft op de directe leefomgeving en voornamelijk
een rol speelt op lokale schaal. Per gebiedstype kan blijken dat de
standaardnorm niet passend is. Daarom wordt de systematiek uit
Handreiking industrielawaai en vergunningverlening, die ook in enkele
ingetrokken besluiten op grond van artikel 8.40 van de Wm vorm had
gekregen, voortgezet. Het is bijvoorbeeld goed denkbaar dat een
gemeente in een drukke binnenstad een hogere geluidswaarde wil
toelaten dan in een rustige woonwijk of landelijk gebied. In een verordening
kan het gemeentebestuur een hogere of lagere norm vaststellen.
Uiteraard moet aan het gemeentelijke beleid een goede motivering ten
grondslag liggen. Het effectueren van gemeentelijk beleid middels een
verordening gebeurt in twee stappen. In de verordening wordt de
toepasselijk geachte norm vastgelegd. Vervolgens wordt door de
gemeente in een concretiserend besluit aangewezen welke gebieden
onder dit regime vallen. Tegen dit concretiserende besluit staat bezwaar
en beroep open. Een verschil met de voormalige situatie is dat nu de
nieuwe norm in een verordening kan worden vastgelegd, terwijl in de
oude situatie per inrichting een nadere eis gesteld moest worden. Dit
brengt een vermindering van bestuurlijke lasten met zich mee.
7.2 Geurhinder
Geur is de eigenschap van (een combinatie van) stoffen om met behulp
van zintuigen in de neus te worden waargenomen. Geurhinder treedt op
als de herhaaldelijk waargenomen geur als onaangenaam wordt
beoordeeld, het welbevinden daardoor negatief wordt beïnvloed en indien
onttrekking aan die waarneming niet eenvoudig mogelijk is. Geurhinder
leidt tot gewijzigd gedrag of gedragsaanpassing en leidt daarmee tot
beperking van mogelijkheden van gehinderden. Geurhinder veroorzaakt
bij de mens verschillende reacties en effecten, die bij toenemende
blootstelling kunnen leiden tot lichamelijke klachten.
Staatsblad 2007 415 119
Het geurbeleid is gebaseerd op de brief van de minister van VROM van
30 juni 1995. In die brief informeert de minister de bevoegde gezagsinstanties
over het stankbeleid dat is geformuleerd in de Herziene Nota
Stankbeleid in samenhang met de aanpassingen daarop in de brieven van
31 januari 1995 en 21 maart 1995, die zijn geaccordeerd door de Tweede
Kamer. De beleidslijn die uit die brief volgt is:
– als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
– als er wel hinder is, worden maatregelen gebaseerd op toepassing
van de BBT;
– de mate van hinder kan onder andere worden bepaald via een
belevingsonderzoek, hinderenquête of klachtenregistratie. In bijzondere
regelingen wordt het hinderniveau voor specifieke bedrijfstakken
vastgelegd;
– de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het
bevoegd bestuursorgaan.
De Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) is in beginsel
bedoeld om de milieuvergunningverlening voor het compartiment lucht te
harmoniseren en heeft in beginsel geen wettelijke status, tenzij daar in de
regelgeving expliciet naar wordt verwezen. Dit beleid blijft in het kader
van de toepassing van dit besluit ongewijzigd. De NeR wordt door de
gezamenlijke overheden, het ministerie van VROM, het Interprovinciaal
Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Unie van
Waterschappen (UvW), vastgesteld en geactualiseerd op basis van
voorstellen, die door vertegenwoordigers van overheidsinstanties en
overkoepelende organisaties uit het bedrijfsleven zijn voorbereid.
De systematiek van de NeR is gebaseerd op algemene eisen aan
emissieconcentraties, die overeenkomen met de stand der techniek van
emissiebeperking. Voor specifieke activiteiten en bedrijfstakken zijn
bijzondere regelingen opgesteld. De aanpak van geurhinder wijkt af van
deze algemene systematiek. In de paragrafen 2.9 en 3.6 beschrijft de NeR
een alternatieve systematiek waarmee «het acceptabel hinderniveau» kan
worden bepaald. Tevens worden methoden geschetst waarmee een beeld
van het hinderniveau kan worden verkregen.
Het algemene, niet gekwantificeerd doelvoorschrift is opgenomen in het
algemeen deel van dit besluit in de vorm van een zorgplicht. Voorts zijn in
de ministeriële regeling een aantal verplichte maatregelen opgenomen
voor die activiteiten waarbij geurhinder te verwachten is.
In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.1 van dit besluit wordt een
nadere toelichting gegeven op de wijze waarop geurhinder is geregeld in
dit besluit.
7.3 Emissies naar de lucht en luchtkwaliteit
7.3.1 Emissies naar de lucht
Met dit besluit worden ook inrichtingen onder de werkingssfeer van de
algemene regels gebracht waarbij de emissies naar de lucht een grotere
rol kunnen spelen. Het gaat hierbij met name om de inrichtingen uit de
metalectro-sector. Naast de verschillende 8.44-besluiten, zoals het
Oplosmiddelenbesluit en het Besluit emissie-eisen stookinstallaties, wordt
in Nederland ten aanzien van de emissies naar de lucht bij de vergunningverlening
gebruik gemaakt van de NeR. Bij het opstellen van dit besluit is
voor de activiteiten waarbij relevante emissies naar de lucht kunnen
optreden gebruik gemaakt van de NeR. De opgenomen eisen en drempels
zijn hiervan afgeleid. Tevens is ook de systematiek van de toetsing en de
vrijstellingsbepaling opgenomen. De NeR biedt daarnaast nog verschillende
handvatten om flexibel om te gaan met de eisen uit de NeR bij
vergunningverlening. In dit besluit zijn deze niet allemaal opgenomen om
te voorkomen dat dit besluit te complex zou worden en teveel afwijkt van
Staatsblad 2007 415 120
het systeem van algemene regels. Gemotiveerd afwijken van de gestelde
eisen is wel mogelijk door het stellen van maatwerkvoorschriften door het
bevoegd gezag.
In hoofdstuk 2, afdeling 2.3 is een algemene, op de NeR gebaseerde
regeling opgenomen betreffende de sommatie van emissies van
verschillende activiteiten binnen een inrichting en meetbepalingen
betreffende de emissie van schadelijke stoffen. In afdeling 2.3 van dit
besluit is bepaald dat de sommatiebepalingen van toepassing zijn op
activiteiten waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit emissieeisen
zijn gesteld.
Tevens is de bevoegdheid opgenomen om bij maatwerkvoorschriften
emissieconcentratie-eisen niet van toepassing te verklaren en met
inachtneming van de NeR ten aanzien van stoffen waarvoor deze eisen
golden andere eisen te stellen. Kern van deze bevoegdheid is dat een
alternatief voorschrift kan worden gesteld dat meer past bij de bijzonderheden
van een specifieke bedrijfssituatie waarbij het milieubeschermingsniveau
blijft gehandhaafd. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan
een emissieplafond voor de hele inrichting in plaats van emissie-eisen
voor individuele onderdelen of activiteiten van de inrichting. De NeR, die
uitgaat van BBT, is hierbij leidend en begrenst deze bevoegdheid. De
verwachting is dat maatwerkvoorschriften incidenteel zullen worden
toegepast en dan vooral bij inrichtingen uit de metalectro-sector.
7.3.2 Luchtkwaliteit
De onder dit besluit vallende inrichtingen zijn verantwoordelijk voor
emissies vanuit de inrichting naar de buitenlucht. Deze emissies kunnen
gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit en inherent daaraan het woon- en
leefklimaat. De laatste jaren is steeds meer de nadruk komen te liggen op
het tegengaan van luchtvervuiling als gevolg van de toename van
schadelijke stoffen in de atmosfeer. Verbrandingsprocessen in de
industrie, verkeer en huishoudens vervuilen de buitenlucht met luchtverontreinigende
stoffen. Voorbeelden hiervan zijn stikstofdioxide,
zwaveldioxide, koolmonoxide, vluchtige organische stoffen (VOS),
polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en zware metalen als
lood, zink, cadmium, arseen en benzeen. Ook fijn stof, dat de gezondheid
van mens en milieu kan schaden, staat op de publieke en politieke
agenda. Het kabinet beschouwt het terugdringen van schadelijke
luchtverontreiniging dan ook als een prioriteit. De luchtkwaliteitsnormstelling
is neergelegd in het Besluit luchtkwaliteit 2005.
Het Besluit luchtkwaliteit 2005 richt zich veelal tot de lokale overheden,
die tot taak hebben om maatregelen te nemen bij (dreigende) overschrijding
van de normen. Voor zover in een bepaald gebied in een gemeente
de luchtkwaliteitseisen (dreigen te) worden overschreden, is het aan het
bevoegd gezag om te bepalen op welke wijze aan de norm kan worden
voldaan. Dergelijke maatregelen zijn niet afdoende met algemene
voorschriften te regelen. Voor de met dit besluit gereguleerde activiteiten
is gekozen om in eerste instantie voor een beperkt aantal activiteiten een
voorschrift op te nemen, dat de mogelijkheid biedt om in het kader van
maatwerk aanvullende eisen te stellen. Het gaat hierbij om het parkeren of
stallen van auto’s in parkeergarages, het afleveren van motorbrandstoffen
en een aantal activiteiten die verband houden met de bewerking,
verwerking of vervaardiging van metalen voorwerpen en hout, alsook de
opslag van stuifgevoelige goederen. Gezien de aard en omvang van de in
dit besluit gereguleerde activiteiten is de verwachting dat hiermee de
doorwerking van de luchtkwaliteitseisen afdoende is geregeld. Voor zover
toekomstige ontwikkelingen op het gebied van luchtkwaliteit niettemin
nopen tot het treffen van maatregelen die niet in dit besluit zijn
Staatsblad 2007 415 121
opgenomen, fungeert de zorgplicht van artikel 2.1 als vangnet. Op grond
daarvan kan alsnog een maatwerkvoorschrift worden gesteld.
In uitzonderingsgevallen zou het Besluit luchtkwaliteit 2005 ertoe
kunnen leiden dat relatief kleine inrichtingen (het Besluit luchtkwaliteit
2005 gebruikt het begrip projecten waar ook inrichtingen onder verstaan
worden) toch te maken krijgen met (dreigende) overschrijding van de
normen van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Dit zou dus het geval kunnen
zijn voor inrichtingen die onder dit besluit zijn ondergebracht en waarvoor
het opleggen van maatwerkvoorschriften niet afdoende is. Dit aspect van
kleine projecten speelt ook op andere gebieden, zoals bouwinitiatieven.
Om te voorkomen dat van ieder project, hoe klein ook, de mogelijke
gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld gebracht moeten worden en dat
ieder project op die gevolgen getoetst moet worden is in de Wijziging van
Wet milieubeheer inzake luchtkwaliteitseisen (Kamerstukken I, 2006/07,
30 489, A) onder meer het begrip «niet in betekenende mate» geïntroduceerd.
Het doel daarvan is dat wanneer een project, bijvoorbeeld het
oprichten van een inrichting, weinig bijdraagt aan de heersende concentratie
van een stof, ook al wordt een grenswaarde reeds overschreden,
verdere toetsing achterwege kan blijven. Het begrip «niet in betekenende
mate» wordt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
nader ingevuld. Bijdragen die minder bedragen dan 3%
van de jaargrenswaarde voor fijn stof (zwevende deeltjes PM10) en
stikstofdioxide worden op grond van dat besluit geacht niet in betekenende
mate bij te dragen aan de concentratie van die stoffen. Om te
voorkomen dat voor alle stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ook
grenzen voor niet in betekenende mate moeten worden gesteld waaraan
moet worden getoetst, (ook indien zich geen overschrijdingsrisico
voordoet) is de 3% grens en daarmee de toetsing beperkt tot die stoffen
ten aanzien waarvan de kans op overschrijding van de daarvoor vastgestelde
grenswaarde het grootst is. Dit zijn fijn stof en stikstofdioxide
(NO2). Voor andere stoffen speelt dit niet of vrijwel niet. De verwachting is
dat inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van dit besluit deze grenzen
niet zullen overschrijden.
7.4 Lozingen
De regels in dit besluit met betrekking tot het lozen van afvalwater zijn
onder te verdelen in drie categorieën:
– de activiteitspecifieke voorschriften;
– regels voor lozingen, waarvoor geen activiteitspecifieke voorschriften
zijn uitgewerkt;
– de zorgplichtbepaling.
7.4.1 Activiteitspecifieke voorschriften
De voorschriften zijn opgenomen in hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit.
Daarbij betreft het zowel lozingen die als een zelfstandige activiteit
worden gereguleerd, als lozingen die als onderdeel van een veel bredere
activiteit worden gereguleerd. Eerstbedoelde lozingen beperken zich niet
tot één of enkele activiteiten, waardoor ze plaatsvinden vanuit veel van de
verschillende soorten inrichtingen die onder dit besluit vallen. Het betreft
hierbij onder meer het lozen van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend
hemelwater en koelwater. Deze lozingen zijn ondergebracht in hoofdstuk
3, zodat de daarvoor opgenomen voorschriften ook van toepassing zijn op
type C-inrichtingen. Dit geldt ook voor lozingen die onderdeel zijn van een
activiteit, voor zover de voorschriften met betrekking tot die activiteit in
hoofdstuk 3 zijn opgenomen (dit is bijvoorbeeld het geval bij het afleveren
van motorbrandstoffen).
Staatsblad 2007 415 122
Wanneer de voorschriften met betrekking tot een activiteit in hoofdstuk
4 zijn opgenomen, zijn de activiteitspecifieke voorschriften in beginsel niet
van toepassing op type C-inrichtingen. Voor directe lozingen in het
oppervlaktewater afkomstig van het opslaan en overslaan van bulkgoederen
en stuksgoederen (paragraaf 4.1.5) is hierop een uitzondering
gemaakt. Naar verwachting zullen deze lozingen vanuit een type
C-inrichting geen problemen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater
met zich meebrengen, mits voldaan wordt aan de in dit besluit
opgenomen voorschriften. Een individuele beoordeling in het kader van
een vergunningprocedure wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.
Bijkomend voordeel vanuit het oogpunt van de administratieve en
bestuurlijke lasten is dat er geen noodzaak is voor een zelfstandige
vergunning(aanvraag) op basis van de Wvo. De voorschriften voor deze
lozingen in paragraaf 4.1.5 zijn op grond van artikel 1.4, derde lid onder b,
dan ook van toepassing op type C-inrichtingen.
Voor zover ten aanzien van lozingen of aspecten daarvan in uitgewerkte
voorschriften in dit besluit of de ministeriële regeling is voorzien, is het
afwijken van de daarin opgenomen normering enkel mogelijk indien het
desbetreffende artikel de mogelijkheid biedt om hierin bij maatwerkvoorschrift
te voorzien. Voor de toelichting op de activiteitspecifieke
voorschriften wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting.
7.4.2 Regels voor lozingen waarvoor geen activiteitspecifieke
voorschriften zijn uitgewerkt
Onder dit besluit valt een breed scala aan activiteiten, die uiteenlopende
gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Het is niet mogelijk en
wenselijk om alle daaraan gekoppelde milieugevolgen uitputtend te
reguleren. Dit geldt ook voor lozingen vanuit de inrichtingen die onder dit
besluit vallen. In praktijk zullen zich dan ook lozingen voordoen die niet
expliciet in dit besluit zijn genoemd en waarvoor dus bij of krachtens dit
besluit geen specifieke voorschriften zijn opgenomen. In dit besluit wordt
afhankelijk van het type lozing met deze niet genoemde lozingen
verschillend omgegaan.
Bij het lozen op een vuilwaterriool zijn ook de lozingen die niet expliciet
genoemd zijn in beginsel toegestaan, wanneer wordt voldaan aan de
zorgplichtbepaling. Het is de verantwoordelijkheid van de lozer om,
binnen de grenzen van redelijkheid, zich ervan te vergewissen of bij een
dergelijke lozing het belang van de bescherming van het milieu, zoals in
de zorgplichtbepaling is verwoord, niet wordt geschaad. Dit kan door het
raadplegen van richtlijnen of handboeken met betrekking tot lozingen
vanuit de specifieke activiteiten. Uiteraard behoort overleg met het
bevoegd gezag ook tot de mogelijkheden (zie verder paragraaf 7.4.3).
Lozingen, die niet plaatsvinden op een vuilwaterriool en welke bij of
krachtens dit besluit niet expliciet zijn toegestaan, zijn in beginsel
verboden. Artikel 2.2 biedt aan het bevoegd gezag wel de mogelijkheid
om bij maatwerkvoorschrift deze lozingen alsnog toe te staan en daaraan
zo nodig de noodzakelijke voorwaarden te verbinden. Bij de keuze voor
deze wijze van reguleren van niet expliciet genoemde lozingen die niet op
een vuilwaterriool plaatsvinden, hebben de volgende overwegingen een
rol gespeeld. Omdat bij de in dit besluit genoemde activiteiten aan de
thans bekende milieuhygiënisch relevante en/of veel voorkomende
lozingen voorschriften zijn gesteld, is de verwachting dat niet expliciet
toegestane lozingen vooral lozingen met beperkte milieurelevantie zullen
zijn, die bovendien slechts in een beperkt aantal gevallen zullen
voorkomen. Het in stand houden van een volledige vergunningplicht voor
deze lozingen wordt derhalve niet wenselijk geacht. Het zou er immers toe
kunnen leiden dat een inrichting, die voor de overige milieuaspecten
geheel onder dit besluit kan vallen, vanwege een niet expliciet toegestane
beperkt milieurelevante lozing toch een vergunningprocedure zou moeten
Staatsblad 2007 415 123
doorlopen. Dit terwijl gelet op de beperkte milieurelevantie de bij die
vergunning of ontheffing behorende openbare voorbereidingsprocedure
niet noodzakelijk wordt geacht. Aan de andere kant is een toetsmoment
vooraf wel wenselijk, omdat deze lozingen (anders dan lozingen in een
vuilwaterriool) niet door een zuiveringstechnisch werk worden geleid,
waardoor de effecten op het ontvangend oppervlaktewater of de bodem
in theorie groter kunnen zijn.
Daarom is gekozen voor een toestemming vooraf bij maatwerkvoorschrift.
Dit is ten opzichte van de vergunning of ontheffing een
lichtere procedure, maar hierbij heeft het bevoegd gezag wel de
mogelijkheid om zo nodig in het gewenste maatwerk te voorzien. Dit kan
mede van belang zijn met het oog op het behalen van de doelstellingen
ingevolge de Kaderrichtlijn water.
Wanneer in een specifiek geval zou blijken dat een niet expliciet
toegestane lozing tot substantiële gevolgen voor het milieu en/of derde
belanghebbenden kan leiden, dan ligt het voor de hand dat het bevoegd
gezag bij de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift voor de openbare
voorbereidingsprocedure kiest, zodat rechtsbescherming adequaat is
gewaarborgd.
7.4.3 De zorgplichtbepaling en lozingen
Zoals in paragraaf 6.5 reeds is aangegeven vervult de zorgplichtbepaling
een rol daar waar, met betrekking tot aspecten van in dit geval
een lozing of (ingeval van het lozen in een vuilwaterriool) de lozing als
zodanig, geen uitgewerkte voorschriften in dit besluit, de ministeriële
regeling of in een maatwerkvoorschrift zijn opgenomen. Op die lozing als
zodanig, dan wel de niet uitgewerkte aspecten van de lozing is dan de
zorgplichtbepaling van toepassing, waardoor ook hiervoor niet langer een
ontheffing, dan wel vergunning noodzakelijk is. De zorgplicht biedt het
bevoegd gezag een handvat om, zo nodig na concretisering van de
zorgplicht in de vorm van een maatwerkvoorschrift, in te grijpen ten
aanzien van lozingen of aspecten daarvan waarmee het belang van de
bescherming van het milieu wordt of kan worden geschaad.
Deze systematiek bouwt voort op de bepalingen die voor indirecte
lozingen golden als gevolg van de wet van 2 november 1994, houdende
wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
(afvalwater) (Stb. 798), waarmee de lozingen van afvalwater op
het vuilwaterriool onder de Wm zijn gebracht. Deze dienen mede ter
implementatie van richtlijn nr. 91/271/EEG inzake de behandeling van
stedelijk afvalwater en zijn destijds opgenomen in alle algemene regels
die betrekking hadden op lozingen op de riolering. Dit is gebeurd bij
besluit van 19 januari 1996, houdende het opnemen van voorschriften in
8.40-besluiten met betrekking tot het brengen van bedrijfsafvalwater in
een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (Stb.
45). Daarnaast zijn deze ook opgenomen in vele Wm-vergunningen ter
vervanging van de daarvóór geldende regels uit de toenmalige gemeentelijke
lozingsverordeningen. Deze gemeentelijke verordeningen zijn met het
inwerking treden van de landelijke regels komen te vervallen.
Nu in dit besluit ook regels zijn opgenomen ten aanzien van directe
lozingen in het oppervlaktewater en op of in de bodem, is de zorgplichtbepaling
en de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen ook
relevant voor die directe lozingen. Een min of meer vergelijkbare, maar
specifiekere zorgplichtbepaling is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit,
waarbij is voortgeborduurd op de reeds bestaande zorgplichtbepaling
in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.
Staatsblad 2007 415 124
7.5 Externe veiligheid
7.5.1 Externe veiligheid in relatie tot het besluit
Voor zover het Besluit externe veiligheid inrichtingen of het Besluit
risico’s en zware ongevallen niet van toepassing is, vallen activiteiten met
gevaarlijke stoffen onder dit besluit. Er is in dit besluit geen algemeen
geldend doelvoorschrift voor het thema externe veiligheid, bijvoorbeeld in
de vorm van een risicocontour, opgenomen. Een dergelijk doelvoorschrift
is voor de inrichtingen die onder dit besluit vallen niet zinvol, omdat een
dergelijke risicocontour in het algemeen binnen de inrichting of in
sommige gevallen net buiten inrichtingsgrens valt. Het uitgangspunt is
dat het voldoen aan de stand der techniek («brongericht») een afdoende
bescherming biedt voor de omgeving. Overigens fungeert de in dit besluit
opgenomen algemene zorgplichtbepaling als vangnet. In een enkel geval
is het nodig om voor een activiteit met gevaarlijke stoffen een beperkte
afstand tot (beperkt) kwetsbare objecten of woningen van derden te
waarborgen. Anders dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen
wordt deze afstand niet gekoppeld aan een ruimtelijke verankering
(vastleggen in bestemmingsplan).
7.5.2 De Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen in het besluit
De CPR-richtlijnen zijn recentelijk vervangen door de Publicatiereeks
Gevaarlijke Stoffen (PGS). Het doel van deze publicaties is in hoofdlijnen
hetzelfde als het doel van de CPR-richtlijnen, namelijk het geven van een
overzicht, op basis van actuele technieken, van de voorschriften, eisen,
criteria en voorwaarden die kunnen worden toegepast door overheden bij
de vergunningverlening, het opstellen van algemene regels en het
toezicht op inrichtingen waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen,
waaronder tevens wordt verstaan opslag en transport.
De publicaties zijn tot stand gekomen op basis van actuele kennis en na
overleg tussen rijk, IPO, VNG en bedrijfsleven (VNO-NCW, MKB-Nederland)
over de maatschappelijke gevolgen van het hanteren van de
publicaties in de praktijk van vergunningverlening en toezicht. De
publicaties zijn een advies aan het betreffende bevoegd gezag, waarvan
gemotiveerd kan worden afgeweken. Tevens kan de Arbeidsinspectie
gebruik maken van de publicaties bij het stellen van eisen. In voorkomende
gevallen moet een publicatie worden beoordeeld op haar
toepasbaarheid in de betreffende specifieke situatie. Het ligt in de rede dat
afwijkingen van de publicaties worden gemotiveerd. Dat geldt zowel voor
afwijkingen voorgesteld door de drijver van een inrichting als door het
bevoegd gezag.
Naar het oordeel van IPO, VNG, het bedrijfsleven en het rijk kan met de
publicaties in veel gevallen een invulling worden gegeven aan het overleg
tussen overheid en bedrijfsleven over het verantwoord omgaan met
gevaarlijke stoffen of de wijze waarop effecten en risico’s worden
berekend en in beeld worden gebracht.
Voor zover van toepassing zijn de publicaties van de PGS-reeks
verwerkt in dit besluit.
7.6 Lichthinder en de bescherming van de duisternis en het
donkere landschap
Onder de zorgplicht met betrekking tot lichthinder valt het voorkomen,
danwel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau
beperken van hinderlijke lichtverschijnselen voor omwonenden als gevolg
van lichtinstallaties, toestellen, windturbines, gebouwen of werkzaamheden.
Verlichting kan voor omwonenden hinder veroorzaken.
Staatsblad 2007 415 125
Onder de zorgplicht valt eveneens het beschermen van de duisternis en
het donkere landschap in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.
In de Wm wordt onder de gevolgen voor het milieu onder andere
verstaan gevolgen voor het fysieke milieu gezien vanuit het belang van de
bescherming van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische
waarden. De Wm heeft derhalve mede tot doel de bescherming
van de duisternis en het donkere landschap. Het bevoegd gezag kan
op basis van de zorgplicht van artikel 2.1 een maatwerkvoorschrift stellen
met betrekking tot de te treffen maatregelen of voorzieningen ter
bescherming van de duisternis en het donkere landschap, indien de
inrichting is gelegen in een gebied waarvoor in een beleidsregel,
verordening of een bestemmingsplan eisen ten aanzien van de
bescherming van de duisternis of het donkere landschap zijn vastgesteld.
Er bestaat overigens geen meet- en onderzoeksverplichting voor de
drijver van de inrichting.
7.7 Bodembescherming
Voor activiteiten binnen inrichtingen geldt het algemene uitgangspunt
dat aan het preventieve bodembeschermingsbeleid ten grondslag ligt, te
weten dat de gebruiksmogelijkheden van de bodem voor verschillende
functies niet mogen verslechteren; waar mogelijk zal verbetering worden
gerealiseerd (Kamerstukken II, 2003/04, 28 663, nr. 13, blz. 5). Dit uitgangspunt
is een uitvloeisel van het stand-still beginsel. De brongerichte aanpak
staat dan ook centraal bij de vormgeving van de bodembeschermingsvoorschriften
in dit besluit. Dat betekent dat bodemverontreiniging en
-aantasting zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, wordt voorkomen.
7.7.1 De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige
activiteiten
De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten
(hierna: NRB) geeft voor bedrijfsmatige activiteiten invulling aan het
preventieve bodembeschermingsbeleid. De NRB is een harmoniserend
instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van
bodembeschermende maatregelen en voorzieningen. De NRB geeft voor
bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van
geschikte bodembeschermende voorzieningen en maatregelen gebaseerd
op de stand der techniek, die is vastgelegd in kennisdocumenten en
beoordelingsrichtlijnen. In de NRB staat het begrip «verwaarloosbaar
bodemrisico» centraal. Voorzieningen en maatregelen dienen een
verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige
activiteiten. Dit is in overeenstemming met het hiervoor
beschreven uitgangspunt van het preventieve bodembeschermingsbeleid.
7.7.2 Bepalen risico’s
Met behulp van de NRB kunnen de risico’s op bodemverontreiniging,
als gevolg van de activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden,
worden bepaald. Of er sprake is van een bodembedreigende situatie
hangt af van de aard van de activiteit en de betrokken stoffen. De NRB
somt de bedrijfsactiviteiten op die als bodembedreigend worden
beschouwd. Bodembedreigend zijn opslag, overslag en intern transport
van bulkvloeistoffen, opslag en verlading van stort- en stukgoed,
procesactiviteiten, procesbewerkingen en een aantal overige activiteiten.
Binnen deze hoofdcategorieën van activiteiten worden diverse
subactiviteiten onderscheiden.
Staatsblad 2007 415 126
7.7.3 Voorzieningen en maatregelen
Bij een bodembedreigende bedrijfsmatige activiteit moeten de
voorzieningen en maatregelen worden getroffen die redelijkerwijs kunnen
worden gevergd om verontreiniging of aantasting van de bodem te
voorkomen. Geconstateerde verontreiniging of aantasting van de
bodemkwaliteit moet worden hersteld.
Preventieve bodembescherming bij bedrijfsmatige activiteiten wordt
gerealiseerd met doelmatige combinaties van voorzieningen en maatregelen.
De NRB geeft aan waar en hoe een verwaarloosbaar bodemrisico
kan worden bereikt. Afhankelijk van de categorie waarin een bedrijfsactiviteit
valt, zijn er veelal diverse combinaties van voorzieningen en
maatregelen mogelijk om de bodem te beschermen. Onder voorzieningen
worden fysieke voorzieningen begrepen, zoals vloeistofdichte vloeren en
verhardingen, vloeistofkerende vloeren en lekbakken. Dergelijke voorzieningen
dienen altijd in combinatie met de daarbij behorende maatregelen
te worden toegepast. Zo dient een vloeistofdichte vloer of verharding
periodiek op vloeistofdichtheid te worden gekeurd door een gekwalificeerde
inspecteur en dienen vloeistofkerende voorzieningen altijd
gepaard te gaan met organisatorische beheermaatregelen of incidentenmanagement.
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat bij «zware»
voorzieningen «lichte» maatregelen voldoende zijn en bij «lichte»
voorzieningen «zware» maatregelen nodig zijn. Een «zware» voorziening
is bijvoorbeeld een vloeistofdichte vloer. Een dergelijke voorziening is
relatief duur, maar vergt veel minder maatregelen dan bijvoorbeeld een
vloeistofkerende vloer.
Bij voorzieningen en maatregelen wordt onderscheid gemaakt tussen
brongerichte en effectgerichte voorzieningen en maatregelen.
Brongerichte voorzieningen en maatregelen zijn gericht op het voorkomen
van emissies. Als voorbeeld kan gedacht worden aan procedures die het
risico voor de bodem reduceren, zoals vervanging van bodemverontreinigende
stoffen door andere stoffen, vermindering van voorraden en
het bundelen van bodembedreigende activiteiten. Een ander voorbeeld is
het treffen van extra voorzieningen in de installaties om bedreigende
stoffen in hun omhulling te houden, zoals verbetering van afdichtingen
van apparatuur en dubbelwandige systemen met een lekdetectievoorziening.
Effectgerichte voorzieningen en maatregelen zijn gericht op het
tegengaan van indringing in de bodem en hebben tot doel de
verspreiding naar en in de bodem (imissie) ten gevolge van buiten hun
omhulling getreden schadelijke stoffen (emissie) te voorkomen of te
beperken. Voorbeelden van effectgerichte voorzieningen en maatregelen
zijn het aanbrengen van vloeistofdichte vloeren of verhardingen en het
onmiddellijk opruimen van gemorste vloeistoffen.
Dit besluit bevat een algemeen doelvoorschrift op basis waarvan
degene die de inrichting drijft bodembeschermende voorzieningen en
bodembeschermende maatregelen moet treffen, waarmee een verwaarloosbaar
bodemrisico wordt gerealiseerd. De NRB duidt dit verwaarloosbare
bodemrisico aan als bodemrisico categorie A.
Dit algemene doelvoorschrift is in de ministeriële regeling nader
uitgewerkt met specifieke invullingen voor de bodembeschermende
voorzieningen en maatregelen. Deze zullen gericht worden op activiteiten
die onder verschillende omstandigheden kunnen worden uitgevoerd. De
invulling wordt gebaseerd op de bodemrisico-checklisten die zijn
opgenomen in de NRB. Afhankelijk van de aard van de activiteit en de
wijze van uitvoering kunnen verschillende combinaties van voorzieningen
en maatregelen leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Staatsblad 2007 415 127
Dit besluit biedt meer ruimte voor de invulling van de bodembeschermende
voorzieningen en maatregelen dan de 8.40-besluiten. De
8.40-besluiten bevatten een beperkte selectie van de mogelijkheden die de
NRB biedt. Dit vloeide voort uit de constatering dat, gezien de aard en
omvang van de inrichtingen, de doelmatige uitvoering van bodembeschermende
maatregelen niet altijd was gewaarborgd.
Naar aanleiding van de problematiek met betrekking tot de inspectie
van vloeistofdichte vloeren is begin 2005 een reparatie doorgevoerd in de
8.40-besluiten op grond van het Besluit inspectie vloeistofdichte vloeren
(Stb. 2005, 99). Behalve de omzetting van de eis van certificatie naar
accreditatie van inspectie-instellingen zijn met dat besluit de mogelijkheden
voor het toepassen van vloeistofkerende voorzieningen verruimd.
Op basis van een onderzoek uitgevoerd door TNO in opdracht van een
aantal brancheorganisaties is besloten dat het repareren en onderhouden
van motorvoertuigen niet langer boven een vloeistofdichte vloer dient te
worden uitgevoerd. Een voorziening, die in staat is vrijgekomen stoffen
tijdelijk te keren, waarbij deze stoffen worden opgeruimd voordat
indringing in de bodem kan plaatsvinden, volstaat. Belangrijk gevolg van
deze wijziging is dat de vloeren niet langer gekeurd moeten worden.
Nadat deze wijziging in het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen was
doorgevoerd verzochten ook andere branches, zoals transportsector en
metaalsector, om verruiming van de mogelijkheden voor vloeistofkerende
vloeren. Omdat de voorbereidingen voor dit besluit al in volle gang waren
en tussentijdse aanpassingen niet wenselijk waren, is telkens aangegeven
dat verruimde mogelijkheden pas in het kader van dit besluit nader
worden bekeken.
Gezien de precedentwerking van het reparatiebesluit wordt het verzoek
tot verruiming ingewilligd. Omdat gelijke gevallen gelijk behandeld
moeten worden zouden ook activiteiten in andere categorieën van
inrichtingen uitgevoerd mogen worden boven vloeistofkerende voorzieningen,
indien de bodemrisico’s daar hetzelfde zijn. De NRB biedt deze
verruiming onder de waarborg van doelmatige beheermaatregelen.
In de ministeriële regeling zijn nadere regels gesteld omtrent de
voorzieningen en maatregelen. Indien voldaan wordt aan de in de
ministeriële regeling opgenomen regels, wordt tevens voldaan aan het
doelvoorschrift in het besluit. In de ministeriële regeling is bepaald welke
maatregelen bij welke voorzieningen moeten worden getroffen.
7.7.4 Controle effectiviteit voorzieningen en maatregelen
In tegenstelling tot vloeistofdichte vloeren is er bij vloeistofkerende
voorzieningen niet of nauwelijks sprake van een controle op de effectiviteit.
Vloeistofdichte vloeren en verhardingen moeten aan allerlei eisen
voldoen en dienen periodiek gekeurd te worden. Voor vloeistofkerende
voorzieningen geldt alleen dat vloeistoffen die daarop terechtkomen
moeten worden opgeruimd, voordat indringing in de bodem kan
plaatsvinden. De borging bij vloeistofkerende voorzieningen is gelegen in
de organisatorische beheermaatregelen. Simpel gezegd: de drijver van
een inrichting moet ervoor zorgen dat het personeel is geïnstrueerd hoe te
handelen bij calamiteiten of morsingen en zij dient zorg te dragen voor
voldoende hulpmiddelen waarmee gemorste stoffen kunnen worden
opgeruimd, voordat deze in de bodem terecht kunnen komen.
In de praktijk is het lastig te toetsen of beheermaatregelen in voldoende
mate zijn geïmplementeerd en in de praktijk voldoende werken. De
effectiviteit van vloeistofkerende voorzieningen met beheermaatregelen
zou gecontroleerd kunnen worden met periodiek uit te voeren bodemonderzoek
(bodemmonitoring). Het bedrijfsleven en het bevoegd gezag
twijfelen echter aan nut en noodzaak van dit bodemonderzoek. Het
Staatsblad 2007 415 128
bedrijfsleven wijst vooral op de extra kosten en lasten die daarmee
samenhangen. Daar komt bij dat de 8.40-besluiten, met uitzondering van
het Besluit opslaan in ondergrondse tanks en het Besluit tankstations
milieubeheer geen verplichtingen bevatten tot het uitvoeren van periodiek
bodemonderzoek. Het opnemen van dergelijke verplichtingen in dit
besluit zou dan ook leiden tot een lastenverzwaring, hetgeen haaks staat
op de uitgangspunten van dit besluit. Overigens kent de NRB wel het
uitgangspunt dat de bodem periodiek moet worden onderzocht om de
effectiviteit van de toegepaste voorzieningen en maatregelen te controleren.
De NRB is echter eind jaren negentig van de vorige eeuw totstandgekomen
en derhalve niet geïmplementeerd in de 8.40-besluiten, die voor
die tijd al in werking waren getreden.
Naast het periodiek uit te voeren bodemonderzoek bestaan bodemonderzoeken
die voor aanvang en na beëindiging van de activiteiten worden
uitgevoerd. Het bodemonderzoek dat voor aanvang van de activiteiten
wordt uitgevoerd dient ertoe de bodemkwaliteit vast te leggen. Het
bodemonderzoek dat na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten wordt
uitgevoerd, heeft tot doel om vast te stellen of de bodemkwaliteit ten
opzichte van de beginsituatie is veranderd. Indien inderdaad sprake is van
verslechtering dient de bodemkwaliteit te worden hersteld in de oorspronkelijke
situatie. Ook deze bodemonderzoeken kunnen worden gezien als
controles op de effectiviteit van de toegepaste bodembeschermende
voorzieningen en maatregelen.
In tegenstelling tot het periodiek bodemonderzoek bevatten de
8.40-besluiten wel de verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek
bij aanvang en beëindiging van de bedrijfsactiviteiten. Dit geldt, conform
de NRB, indien binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten
worden uitgevoerd.
Omdat dit besluit van toepassing wordt op inrichtingen die al langer in
werking zijn, kan de situatie aan het begin van de bedrijfsactiviteiten
feitelijk niet in kaart worden gebracht. Dergelijk onderzoek moest op
grond van de 8.40-besluiten overigens ook worden uitgevoerd bij
veranderingen van een inrichting. De wenselijkheid om voor de bestaande
gevallen wel of geen bodemonderzoek uit te voeren zou eigenlijk van
geval tot geval moeten worden beoordeeld. Niet iedere verandering van
een inrichting is namelijk relevant. Het bevoegd gezag kent de lokale
situatie en de inrichting en kan derhalve het beste beoordelen of een
bodemonderzoek in geval van een verandering van de inrichting nodig is.
Dit besluit bevat daarom alleen een verplichting tot het uitvoeren van
bodemonderzoek voor inrichtingen die worden opgericht en inrichtingen
waarbinnen de activiteiten worden beëindigd. In geval van veranderingen
van een inrichting dient de noodzaak tot bodemonderzoek door het
bevoegd gezag te worden beoordeeld. Daartoe bevat dit besluit een
bevoegdheid om in bepaalde gevallen tot bodemonderzoek te verplichten
in de vorm van een maatwerkvoorschrift.
Het niet bij iedere verandering van een inrichting verlangen van een
bodemonderzoek is niet in overeenstemming met de NRB. Desalniettemin
past dit beter binnen het kabinetsbeleid om te streven naar meer
deregulering en decentralisatie. Daarnaast kan worden opgemerkt dat dit
leidt tot een verdergaande reductie van de administratieve lasten, zonder
dat dit ten koste gaat van het milieu.
Bodemonderzoek bij beëindiging van een inrichting blijft nodig om te
kunnen beoordelen of de inrichting de bodem heeft verontreinigd of
aangetast. Aangezien de 8.40-besluiten verplichtingen kennen tot het
verrichten van dergelijk onderzoek en dit tevens conform de NRB en het
bodembeleid is, wordt deze verplichting gecontinueerd. Indien met het
bodemonderzoek wordt geconstateerd dat de bodem is verontreinigd of
aangetast door de activiteiten van de inrichting, dient deze verontreiniging
Staatsblad 2007 415 129
of aantasting ongedaan te worden gemaakt. Deze herstelplicht, die reeds
voortvloeit uit de zorgplichtbepaling van artikel 13 van de Wbb, blijkt in de
praktijk tot veel misverstanden en verkeerde toepassingen te leiden. De
herstelplicht wordt nu voor activiteiten binnen inrichtingen eenduidig
geregeld.
De procedurebepalingen die op grond van de Wbb gelden voor het
saneren van bodemverontreinigingen die voor 1987 zijn ontstaan, gelden
niet voor de hier bedoelde herstelwerkzaamheden. Volgens artikel 28,
zesde lid, van de Wbb geldt er namelijk geen meldingsverplichting voor
gevallen waarop artikel 27, artikel 30, eerste lid, en artikel 43 van de Wbb
van toepassing zijn. Kort gezegd gaat het daarbij om gevallen van
verontreiniging of aantasting van de bodem die na 1987 zijn ontstaan. En
als er geen meldingsverplichting geldt op grond van artikel 28 van de
Wbb dan stelt het bevoegd gezag ook geen beschikking ernst en risico’s
vast en is er geen verplichting om een saneringsplan op te stellen. Omdat
de procedures van de Wbb niet van toepassing zijn, kunnen alle herstelwerkzaamheden
relatief snel worden uitgevoerd. In artikel 2.11 is dan ook
opgenomen dat de herstelwerkzaamheden uiterlijk binnen zes maanden
moeten aanvangen. Indien de bodemverontreiniging of -aantasting het
gevolg is van een ongewoon voorval dan dienen de herstelmaatregelen
onverwijld te worden genomen, zie artikel 13 van de Wbb. In dergelijke
gevallen kan dus geen zes maanden worden gewacht, maar moet
onmiddellijk worden gestart met het herstel.
Op grond van artikel 27 van de Wbb dient degene door wiens handelen
de bodem is verontreinigd of aangetast een melding te doen aan
gedeputeerde staten. Naar aanleiding van deze melding kunnen gedeputeerde
staten aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen
(herstel)maatregelen.
De bodemonderzoeken moeten worden uitgevoerd door een persoon of
instelling die daarvoor is erkend conform het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer. Laatstgenoemd besluit bevat onder meer eisen, waaraan
bodemonderzoek moet voldoen en waarmee waarborgen zijn ingebouwd
voor een kwalitatief goede uitvoering. Naar verwachting gaat de regeling
van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer eind 2007 of begin 2008
op in het Besluit bodemkwaliteit.
Naast het achteraf beoordelen van de effectiviteit van voorzieningen en
maatregelen door bodemonderzoek is het tevens gewenst een (betere)
regeling voor borging van beheermaatregelen, die behoren bij vloeistofkerende
voorzieningen, op te nemen. Bij zo’n regeling, die in overeenstemming
is met de NRB, kan worden gedacht aan minimale eisen
waaraan een inrichting moet voldoen om te borgen dat gemorste stoffen
worden opgeruimd, voordat deze in de bodem terecht komen. Dit besluit
biedt de mogelijkheid om ten aanzien van deze borging bij ministeriële
regeling nadere regels te stellen.
7.7.5 Verwaarloosbaar versus aanvaardbaar bodemrisico
Het met bodembeschermende voorzieningen en maatregelen realiseren
van een verwaarloosbaar bodemrisico vormt het uitgangspunt van het
Nederlandse bodembeleid. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij het
bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico alleen mogelijk is met
zeer kostbare voorzieningen en maatregelen die niet in een evenredige
verhouding staan tot het milieudoel. Voor dergelijke situaties is het
conform de NRB ook toegestaan dat de bodemrisico’s aanvaardbaar
worden gemaakt. De regel is echter dat pas nadat de onredelijkheid van
verwaarloosbaar bodemrisico afdoende is aangetoond, de haalbaarheid
van aanvaardbaar bodemrisico kan worden afgewogen. De keuze tussen
verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico is derhalve geen
Staatsblad 2007 415 130
bedrijfseconomische afweging. Dat betekent dat er niet kan worden
gekozen voor het treffen van voorzieningen en maatregelen die leiden tot
een aanvaardbaar bodemrisico, enkel vanwege het feit dat deze
goedkoper zijn dan de voorzieningen en maatregelen die leiden tot een
verwaarloosbaar bodemrisico. In dit besluit is dit tot uitdrukking gebracht
in de formulering van artikel 6.10, tweede lid. Verwaarloosbaar bodemrisico
is het uitgangspunt en aanvaardbaar bodemrisico vormt daarop de
uitzondering. Op aanvaardbaar bodemrisico kan dus alleen worden
teruggevallen indien het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico
onredelijk hoge investeringen van een inrichting verlangt die bedrijfseconomisch
gezien niet verantwoord zijn. Bovendien dient het dan te gaan
om zogenoemde bestaande gevallen. Voor bodembedreigende activiteiten
die na de inwerkingtreding van dit besluit aanvangen geldt derhalve altijd
het verwaarloosbaar bodemrisico.
Wanneer de drijver van de inrichting een aanvaardbaar bodemrisico wil
realiseren zal hij daartoe een aanvraag moeten indienen bij het bevoegd
gezag. Op basis van die aanvraag kan het bevoegd gezag een en ander in
een maatwerkvoorschrift vastleggen. Bij de aanvraag moet een plan van
aanpak worden gevoegd, waarin in elk geval moet zijn vastgelegd op
welke wijze het risicobeperkende bodemonderzoek wordt uitgevoerd, wat
de bodemkwaliteit is op dat moment, de wijze waarop en de termijn
waarbinnen eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de
bodem wordt hersteld en de kosten die daarvoor worden geraamd en de
wijze waarop hiervoor financiële zekerheid wordt gesteld. Al deze
voorwaarden vloeien voort uit de NRB waarin is aangegeven dat bij een
aanvaardbaar bodemrisico de bodemkwaliteit met doelmatig risicobeperkend
bodemonderzoek zal moeten worden bewaakt. Het falen van
de bodembescherming wordt door risicobeperkend bodemonderzoek pas
ontdekt nadat een bodembelasting is opgetreden. Dergelijk bodemonderzoek
is dan ook altijd gekoppeld aan bodemherstel dat altijd afdoende
moet zijn gewaarborgd. Indien nodig zullen ook direct tijdelijke beheersmaatregelen
moeten worden getroffen.
7.8 Verruimde reikwijdte algemeen
Vanaf 1993 is in de Wm expliciet aangegeven dat de onderwerpen
grondstoffenbesparing, afvalpreventie, afvalscheiding, waterbesparing,
energiebesparing en verkeer en vervoer onderdeel uitmaken van het
begrip milieu. Met het oog op de reductie van de administratieve lasten is
besloten om de mogelijkheden voor het opleggen van onderzoeken en het
stellen van nadere eisen voor de verschillende onderwerpen uit de
verruimde reikwijdte drastisch te verminderen. Daarnaast is uit de praktijk
gebleken dat het invullen van de onderwerpen van de verruimde
reikwijdte niet voor alle onderwerpen even goed mogelijk was. Door het
bedrijfsleven en bevoegd gezagsinstanties zijn deze onderwerpen ter
discussie gesteld. Voor afvalpreventie geldt dat maatwerk zeer belangrijk
is. Dit leidt ertoe dat er geen lijst van concrete maatregelen kon worden
opgesteld. Derhalve is besloten dat het onderwerp afvalpreventie niet
meer in dit besluit terugkomt.
Geconstateerd is dat nauwelijks aandacht wordt besteed aan
grondstoffenbesparing. Daarnaast blijkt het moeilijk te zijn om maatregelen
te stellen die door de afdeling rechtspraak van de Raad van State
worden geaccepteerd, omdat deze veelal de inrichting overstijgen. Dit
betekent niet dat het besparen van grondstoffen en het verminderen van
afvalstoffen geen belangrijke milieuonderwerpen zijn. Voor een effectieve
en efficiënte uitvoering zijn echter andere instrumenten dan algemene
regels meer geschikt.
Staatsblad 2007 415 131
7.8.1 Energiebesparing
Het klimaatbeleid van het kabinet is gericht op het terugdringen van
broeikasgasemissies in het licht van internationale afspraken binnen de
United Nations Framework Convention on Climate Change. De broeikasgasemissies
in Nederland dienen voor de eerste budgetperiode (2008-
2012) met 6% te worden gereduceerd ten opzichte van 1990. Voor de
periode na 2012 zijn verdergaande reducties nodig, teneinde de gevolgen
van klimaatverandering tegen te gaan. Energiebesparing levert een
belangrijke bijdrage aan het verminderen van de klimaatproblematiek.
Daarnaast heeft het een positief effect op de luchtkwaliteit. Het kabinet
heeft daarom in 2005 besloten het beleid ten aanzien van energiebesparing
te intensiveren. Een ander argument voor deze intensivering is
dat uit de handhavingspraktijk blijkt dat veel bedrijven zo’n 20% tot 40%
van de rendabele maatregelen voor energiebesparing niet nemen. Tegen
de achtergrond dat het energieverbruik de komende jaren nog verder zal
toenemen, pleit dit ervoor om bij de energievraagkant te blijven sturen op
energiebesparing. Dit besluit stelt dan ook, evenals zijn voorgangers,
eisen aan het energiegebruik binnen inrichtingen in de zin van de Wm.
Energiebesparing maakt ook deel uit van de verruimde reikwijdte. De
verruimde reikwijdte, ofwel preventie, is sinds 1993 een wettelijke taak
voor het bevoegd gezag en heeft betrekking op duurzaamheid in de
bedrijfsvoering van inrichtingen. De invulling van preventie is primair de
verantwoordelijkheid van drijvers van inrichtingen. Inrichtingen waarbij
de preventie-inspanningen achterwege blijven bij datgene wat redelijkerwijs
kan worden gevergd, kunnen door het bevoegd gezag gewezen
worden op de eigen verantwoordelijkheid. In de regel zal het bevoegd
gezag daarbij stimulerend te werk gaan. De handreiking «Wegen naar
preventie» biedt een integrale systematiek voor de toepassing van
preventie.
7.8.2 Scheiden van afvalstoffen
Voor elke inrichting geldt de verplichting gevaarlijke afvalstoffen te
scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven (artikel 2.12,
eerste lid). Het betreft gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in de Regeling
scheiden en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen. Voor het
scheiden van overige afvalstoffen zijn geen specifieke voorschriften
opgenomen. Dit is niet noodzakelijk omdat er een generieke verplichting
is om deze te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven,
tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 2.12, tweede lid).
Het criterium voor de beoordeling of van dit laatste sprake is, is
vastgelegd in het Landelijk Afvalbeheerplan. Op basis hiervan geldt de
verplichting wanneer de extra kosten niet meer bedragen dan € 45 per
ton.
7.8.3 Verkeer en vervoer
Dit onderwerp is opgenomen in de algemene zorgplichtbepaling. In
deze bepaling is de algemene zorgplichtbepaling van artikel 1.1a van de
Wm verbijzonderd voor de gevolgen voor het milieu door verkeer en
vervoer van en naar een inrichting.
Tijdens de behandeling van de begroting van het ministerie van Verkeer
en Waterstaat voor het jaar 2006 is door de leden Van der Ham en Dijksma
een motie ingediend om de toepassing van de Wm ten aanzien van het
aspect mobiliteitsmanagement van zijn vrijblijvendheid te ontdoen. De
Minister van Verkeer en Waterstaat heeft deze motie overgenomen en in
de brief van 22 november 2005 onder meer gesteld dat in het kader van
het project herijking VROM-regelgeving bezien zal worden of de in het
Staatsblad 2007 415 132
kader van de 8.40-besluiten te stellen regels voor vervoermanagement
concreter vorm kunnen worden gegeven. Artikel 2.16 bevat daartoe de
grondslag. In de ministeriële regeling zijn de te treffen maatregelen
aangegeven.
8. Ondersteuning van de nieuwe wet- en regelgeving door ICT
Ter ondersteuning van de wet- en regelgeving is een ICT-systeem
ontwikkeld dat via het internet beschikbaar wordt gesteld. Dit ICT-systeem
heeft tot doel dit besluit en de ministeriële regeling te ontsluiten voor
bedrijven en het bevoegd gezag. Het systeem bestaat uit twee hoofdmodules:
– De vraag/antwoordmodule: deze stelt de gebruiker van het
ICT-systeem in staat om door het beantwoorden van een aantal vragen die
op de betreffende inrichting van toepassing zijn, op eenvoudige wijze
kennis te nemen van de relevante voorschriften uit dit besluit. Op basis
van de antwoorden wordt een advies opgesteld dat kan bestaan uit:
niet-meldingsplichtig, meldingsplichtig of vergunningplichtig. Daarnaast
wordt een overzicht van de geldende voorschriften ingevolge dit besluit
voor de betreffende inrichting getoond.
– De meldingsmodule: deze maakt het mogelijk om de feitelijke melding
voor het bevoegd gezag op te stellen en deze langs elektronische weg te
versturen. Daarnaast kan de melding ook worden opgeslagen of worden
afgedrukt om per post te versturen. Ook geeft de meldingsmodule de
mogelijkheid om eventueel gevraagde bijlagen digitaal mee te sturen.
Het gebruik van het ICT-systeem biedt verschillende voordelen voor
zowel degene die de melding doet, als het bevoegd gezag. Naast de
(digitale) melding wordt een pakket voorschriften en een checklist «op
maat» gegenereerd. Hierdoor weet zowel de melder als het bevoegd
gezag precies welke voorschriften voor de betreffende inrichting gelden
en kan hij met de checklist controleren of aan de gestelde voorschriften
wordt voldaan.
Het ICT-systeem heeft het karakter van een ondersteunend systeem dat
de gebruiker helpt bij het maken van keuzes en de gebruiker op efficiënte
wijze langs de relevante vragen leidt. Het ICT-systeem heeft echter geen
juridische status; de gebruiker kan er geen rechten aan ontlenen en blijft
daarmee zelf verantwoordelijk voor de juistheid van de melding. Het
ministerie van VROM ziet toe op de goede werking van het ICT-systeem.
Hierbij is onder meer van belang dat de beschreven wet- en regelgeving
juist wordt weergegeven. Het ICT-systeem wordt beschikbaar gesteld via
een internetapplicatie en aangeboden via de website van de gemeente
waarin de inrichting is gevestigd.
9. Samenhang met andere beleidsterreinen
Dit besluit heeft relatie met een groot aantal andere beleidsterreinen.
Hieronder worden de belangrijkste toegelicht.
9.1 Modernisering van de algemene regels voor de landbouw
De 8.40-besluiten op het gebied van de landbouw zullen gefaseerd
worden samengevoegd tot één nieuw Besluit landbouw milieubeheer
(hierna: Besluit landbouw), waarbij verschillende, thans nog vergunningplichtige
inrichtingen onder de werkingssfeer van het nieuwe besluit
zullen worden gebracht. In de eerste fase (2004–2006) zijn het Besluit
melkveehouderijen milieubeheer en het Besluit akkerbouwbedrijven
milieubeheer samengevoegd. Ook zijn gemechaniseerde loonbedrijven en
inrichtingen voor opslag van vaste mest onder de werkingssfeer van het
Besluit landbouw gebracht. In de tweede fase worden intensieve
Staatsblad 2007 415 133
veehouderijen onder de werkingssfeer van het Besluit landbouw gebracht.
Op 23 oktober 2006 (Stct. 206, blz. 20) is hiertoe het Ontwerpbesluit
wijziging Besluit landbouw met betrekking tot intensieve veehouderijen
gepubliceerd.
Het Besluit landbouw stelt regels aan een breed scala categorieën van
inrichtingen. In het Besluit landbouw zijn niet zozeer homogene categorieën
bijeengebracht, als wel onderling vergelijkbare activiteiten, in
hetzelfde type omgeving (agrarisch buitengebied) waarvan de effecten
voor het milieu niet ver uiteenlopen. Vanuit die invalshoek kan de opslag
van vaste mest een plaats vinden in een besluit dat zich ook uitstrekt tot
bijvoorbeeld melkrundveehouderijen: de milieueffecten zijn in bepaalde
opzichten vergelijkbaar. Omdat de voorschriften hetzelfde doel beogen te
beschermen, kan in het Besluit landbouw ook een set identieke bodembeschermende
voorschriften worden gesteld aan een aantal categorieën
van inrichtingen die geen direct onderling verband kennen, zoals
akkerbouw- en tuinbouwbedrijven met open grondteelt, melkrundveehouderijen,
paardenhouderijen en gemechaniseerde loonbedrijven.
Die voorschriften beogen de bodem te beschermen tegen de gevolgen
van de opslag van meststoffen, bestrijdingsmiddelen of andere gevaarlijke
stoffen.
De voorschriften van het Besluit landbouw hebben onder meer
betrekking op de technische uitvoering en het onderhoud van de
voorgeschreven voorzieningen. Voor sommige categorieën van inrichtingen
kan worden volstaan met een beperkt aantal voorschriften (zoals
spoelbassins). Daarnaast dient hinder als gevolg van bedrijfsvoering tot
een acceptabel niveau te worden teruggebracht. Meer dan voorheen zijn
doelvoorschriften geformuleerd, in plaats van middelvoorschriften, die de
middelen aangeven die ter bescherming van het milieu moeten worden
toegepast. Soms zijn het voorschriften waaraan voorzieningen, installaties
of activiteiten binnen de inrichting moeten voldoen. Voor andere
onderdelen zijn concrete voorschriften geformuleerd die handelingen
vergen of de handelingsvrijheid beperken.
De voorschriften beogen een beschermingsniveau te realiseren dat ten
minste voldoet aan de BBT als bedoeld in de Wm. De voorschriften zijn
vergelijkbaar met de voorschriften die worden gesteld in een adequate
milieuvergunning voor een vergelijkbare bedrijfsactiviteit.
De bedrijfsvoering, waarbinnen de voorschriften van het Besluit
landbouw moeten worden ingepast, dient zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid
van de ondernemer te blijven. Streven is dit uitgangspunt niet
te veel ten koste te laten gaan van de duidelijkheid van de voorschriften.
Dit is een aspect van regelgeving waaraan vooral kleinere bedrijven
waarde hechten.
Het Besluit landbouw bevat ook een vangnetbepaling. Het vangnet is
noodzakelijk omdat een volledig dekkend pakket van maatregelen voor
alle denkbare situaties niet mogelijk is. Dit voorschrift fungeert daarnaast
als sluitstuk in situaties waarin geen van de voorschriften van het Besluit
landbouw van toepassing zijn, maar waarbij in redelijkheid moet worden
geoordeeld dat de gevolgen van een bepaalde activiteit zodanig zijn, dat
zij niet mogen worden aanvaard.
In de toekomst worden de mogelijkheden bekeken om het Besluit
landbouw samen te voegen met dit besluit. Als het Besluit landbouw en
dit besluit worden samengevoegd, zullen de algemene delen van beide
besluiten worden geïntegreerd en worden de landbouwgerelateerde
activiteiten aan dit besluit toegevoegd. Bij deze samenvoeging zal
rekening gehouden worden met de specifieke aspecten van landbouw-
Staatsblad 2007 415 134
inrichtingen, zoals de aard van de inrichtingen en activiteiten en de
omgeving waarin deze inrichtingen doorgaans zijn gelegen. Dit betekent
dat bij een samenvoeging niet vanzelfsprekend het laagste beschermingsniveau
van de twee besluiten zal gelden. Als voorbeeld wordt genoemd
dat in het Besluit landbouw als geluidsnorm een etmaalwaarde wordt
gesteld van 45 dB(A), terwijl de standaard etmaalwaarde in dit Besluit
50 dB(A) is. Bij een samenvoeging van de twee besluiten zal onderzocht
worden in hoeverre 45 dB(A) als standaard-etmaalwaarde in landelijk
gebied kan gelden.
Vooralsnog zijn beide besluiten naast elkaar van kracht. Onderlinge
afstemming vindt plaats door landbouwinrichtingen aan te merken als
type C-inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1. Degene die een landbouwinrichting
drijft, voldoet naast zijn milieuvergunning of de bepalingen uit
het Besluit landbouw aan de van toepassing zijnde bepalingen uit dit
besluit.
9.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Op 18 oktober 2006 is het Wetsvoorstel algemene bepalingen
omgevingsrecht (Kamerstukken II 2005/06, 30 844) aangeboden aan de
Tweede Kamer. Het hoofddoel van de omgevingsvergunning is gelegen in
het samenbrengen van verschillende toestemmingsvereisten in één
besluit, waarbij de aanvrager te maken krijgt met één vergunning en één
en dezelfde weg voor inspraak en beroep. Hierbij is vooralsnog gekozen
voor procedurele integratie en inhoudelijke coördinatie. Er is dus nog
geen sprake van volledige integratie van de toetsingskaders op de
verschillende beleidsterreinen, waaronder ruimtelijke ordening en milieu.
Het wetsvoorstel algemene bepalingen omgevingsrecht zorgt er wel voor,
dat verschillende toestemmingsvereisten tot één vergunning worden
geïntegreerd, indien op grond van verschillende wetten een afzonderlijke
vergunning nodig is.
Met de integratie van de 8.40-besluiten op grond van hoofdstuk 8 van
de Wm, de Wvo en de Wbb wordt wat betreft de algemene regels een
vergelijkbaar doel nagestreefd, met dien verstande dat de integratie is
beperkt tot milieuthema’s. Op basis van het huidige systeem kan een
inrichting op grond van deze wetten met verschillende algemene
maatregelen van bestuur worden geconfronteerd. Met de voorziene
integratie, waarvoor het wetsvoorstel de weg bereidt, worden de
milieuvoorschriften zoveel mogelijk in één besluit opgenomen.
Vooralsnog wordt daarbij niet gekozen voor het tevens integreren van
besluiten op grond van de ruimtelijke- en bouwwetgeving. Wel is
gewaarborgd dat geen tegenstrijdigheden voorkomen tussen de
verschillende algemene regels.
In de milieuregelgeving is de vergunningplicht afgelopen decennia in
belangrijke mate vervangen door algemene regels. Bovendien is het
streven in de toekomst meer inrichtingen onder de reikwijdte van de
algemene regels te brengen. Voor deze inrichtingen zal het veelal zo zijn
dat een inrichting wel een omgevingsvergunning nodig zal hebben
vanwege andere aspecten (bijvoorbeeld bouwen), maar dat daarnaast wat
betreft de bescherming van het milieu de algemene regels in dit Besluit
zullen gelden. Gezien het voorgaande zijn de systemen van algemene
regels enerzijds en de omgevingsvergunning anderzijds complementair.
In de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht zullen nadere
regels worden gesteld over de samenhang tussen beide stelsels. De
meldingen, bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer, zullen in de
invoeringswet van de Wabo worden gekoppeld aan de aanvraag om een
omgevingsvergunning. De melding zal gelijktijdig bij hetzelfde loket
moeten worden gedaan wanneer voor een project zowel een meldings-
Staatsblad 2007 415 135
verplichting als een vergunningplicht op grond van de Wabo geldt. Denk
aan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen die
samenloopt met een meldingsverplichting op grond van dit besluit. Het
doen van een melding is dus straks één van de indieningsvereisten voor
de aanvraag om een vergunning. Het bevoegd gezag (dit zal in het
algemeen de gemeente zijn of de waterschappen voor directe lozingen)
verkrijgt dan gelijktijdig met de aanvraag voor een omgevingsvergunning
zicht op de meldingsplichtige activiteit. Hiermee wordt de naleving van de
meldingsverplichting versterkt. Het idee is om te bepalen dat als er sprake
is van samenloop (bijvoorbeeld bouwen van een gebouw en oprichten
van een inrichting) de aanvraag om omgevingsvergunning buiten
behandeling moet worden gelaten indien niet gelijktijdig gemeld is.
Daarnaast zal voor eventuele toestemmingsbesluiten op grond van dit
Besluit, waaronder de procedure voor maatwerkvoorschriften en de
gelijkwaardige voorziening, aansluiting worden gezocht bij de reguliere
(korte) procedure van de omgevingsvergunning voor zover het geen
directe lozingen betreft. Hierdoor zal afstemming tussen de voorschriften
op grond van de omgevingsvergunning en op grond van dit Besluit
worden bevorderd. Bovendien zal bepaald worden dat maatwerkvoorschriften
die betrekking hebben op activiteiten die zijn toegestaan
krachtens een omgevingsvergunning worden afgestemd op de aan die
omgevingsvergunning verbonden voorschriften. Zo wordt het mogelijk
gemaakt om het besluit tot maatwerk te nemen gelijktijdig aan en
afgestemd op het besluit inzake de omgevingsvergunning (bijvoorbeeld
ten aanzien van het bouwen van het bouwwerk waarin de inrichting zal
worden gevestigd). Overigens geldt, anders dan gebruikelijk in de
reguliere procedure van de omgevingsvergunning, niet de mogelijkheid
van fictieve vergunningverlening bij een maatwerkvoorschrift op
aanvraag.
9.3 Waterwet
In 2003 is door het kabinet besloten de totstandkoming van één
integrale wet voor het waterbeheer te bevorderen. Inmiddels is een
wetsvoorstel daartoe naar de Tweede Kamer toegezonden (Kamerstukken
II 2006/07, 30 818, nrs. 1-3). De beoogde wet zal een aantal belangrijke
verbeteringen bevatten ten opzichte van de huidige situatie. De wet zal
gericht zijn op het bereiken van doelstellingen van watersystemen via een
stroomgebiedsgewijze benadering, met een heldere verdeling van
verantwoordelijkheden en taken tussen de verschillende betrokken
overheden en een adequaat instrumentarium gericht op de uitvoering van
het waterbeleid. Daartoe gaan in beginsel alle wetten die betrekking
hebben op het waterbeheer op in de Waterwet. Het betreft hierbij onder
meer de Wvo waarop dit besluit, voor zover het lozingen in het oppervlaktewater
betreft, mede is gebaseerd. Daarbij wordt gestreefd naar een zo
licht mogelijke regeldruk. Dit laatste sluit goed aan bij het Programma
Andere Overheid van het kabinet en het Programma Beter Geregeld van
het ministerie van Verkeer en Waterstaat (Kamerstukken II 2004/05, 29515,
nr. 86). Na integratie van de Wvo in de Waterwet zal laatstgenoemde wet
aan dit besluit ten grondslag komen te liggen. Om ook tot aan dat
moment te voorzien in een aantal grondslagen om de regeldruk te
verlichten, wordt vooruitlopend op en zoveel mogelijk in lijn met het
ontwerp van de Waterwet in wijziging van de Wvo voorzien.
9.4 Bouwbesluit en bouwverordening
9.4.1 Bouwbesluit 2003
Het Bouwbesluit 2003 is een op de Woningwet gebaseerde algemene
maatregel van bestuur. In het Bouwbesluit 2003 zijn landelijk geldende
Staatsblad 2007 415 136
technische voorschriften gegeven voor bestaande en te bouwen
bouwwerken. Die voorschriften zijn te herleiden tot veiligheid, gezondheid,
bruikbaarheid, energiezuinigheid en het milieu (duurzaam bouwen).
De voorschriften die uit het oogpunt van veiligheid zijn gesteld, hebben
onder meer betrekking op constructieve veiligheid en brandveiligheid. Het
Bouwbesluit 2003 moet volgens artikel 5 van de Woningwet uiteindelijk
alle technische voorschriften bevatten die bij het bouwen en voor
bestaande bouwwerken van belang zijn. Dat betekent dat voorschriften
van technische aard, die op grond van andere wetten dan de Woningwet
zijn gegeven, op den duur deel uit moeten maken van het Bouwbesluit
2003.
Bouwwerken worden in het Bouwbesluit 2003 onderscheiden in
gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. De voorschriften voor
gebouwen zijn vervolgens te onderscheiden in tot bewoning bestemde en
niet tot bewoning bestemde gebouwen.
De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 zijn minimumvoorschriften
die de technische kwaliteit van een bouwwerk bepalen. Bouwwerken,
zowel gebouwen (niet tot bewoning bestemde gebouwen) en bouwwerken,
geen gebouw zijnde, kunnen deel uitmaken van een inrichting in
de zin van de Wm.
De technische kwaliteit van een bouwwerk is bepalend voor het gebruik
van het desbetreffende bouwwerk. Dat betekent dat, wanneer men een
bouwwerk of een ruimte binnen een gebouw voor bepaalde doeleinden
wil gebruiken, de technische kwaliteit van dat bouwwerk of die ruimte
geschikt moet zijn voor dat gebruik.
Het bouwen van een gebouw of een bouwwerk, dat deel uitmaakt van
een inrichting, mag volgens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet niet
zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders
verleende bouwvergunning plaatshebben. Daartoe moet een aanvraag
om bouwvergunning worden ingediend bij de gemeente waar de
inrichting is gevestigd of zich gaat vestigen.
9.4.2 Gemeentelijke bouwverordening
Op grond van artikel 8 van de Woningwet moeten de gemeenteraden
een gemeentelijke bouwverordening vaststellen. In die verordening
worden alleen voorschriften gegeven waartoe artikel 8 van de Woningwet
of een krachtens dat artikel gegeven algemene maatregel van bestuur
opdracht geeft. De inhoud van de gemeentelijke bouwverordening is dus
limitatief aangegeven. Tot deze voorschriften behoren onder meer
stedenbouwkundige voorschriften, voorschriften omtrent het gebruik van
bouwwerken en voorschriften omtrent open erven en terreinen. Zowel de
gebruiksvoorschriften als de stedenbouwkundige voorschriften zijn onder
meer gerelateerd aan brandveiligheid. Met het oog op het brandveilig
gebruik van met name niet tot bewoning bestemde gebouwen kennen de
gemeentelijke bouwverordeningen de zogeheten gebruiksvergunning. Die
vergunning dient aangevraagd te worden bij burgemeester en wethouders
en wordt ook door hen geweigerd of verleend. Burgemeester en
wethouders gaan daarbij af op het advies dat de gemeentelijke of
regionale brandweer ter zake geeft.
Ten behoeve van haar leden (de gemeenten) heeft de VNG de
zogeheten Model-bouwverordening opgesteld. Deze verordening wordt
ook regelmatig geactualiseerd.
De voorschriften van dit besluit zijn aan te merken als gebruiksbepalingen
voor inrichtingen. Omdat een inrichting in de regel ook uit
bouwwerken (niet tot bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken,
geen gebouw zijnde) en open erven of terreinen bestaat, zijn de
voorschriften van dit besluit, waar nodig, afgestemd op de voorschriften
van het Bouwbesluit 2003. Dit kan betekenen dat de technische minimum-
Staatsblad 2007 415 137
kwaliteit die de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 biedt, niet
toereikend is om het gebruik als voorzien in dit besluit mogelijk te maken.
Het gevolg daarvan is dat de technische kwaliteit van bouwwerken die
deel uitmaken van een inrichting, hoger zal moeten zijn. Daartoe zullen
dan ook ten opzichte van de voorschriften van het Bouwbesluit 2003
aanvullende bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen,
waarvoor volgens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet een bouwvergunning
is vereist. De indiener van de aanvraag om een bouwvergunning
zal dan ook moeten aangeven voor welke doeleinden hij de bouwwerken
wil gebruiken, alsmede de met het oog op dat gebruik van belang zijnde
gegevens moeten overleggen. Bij het beoordelen van de daartoe
strekkende aanvraag om een bouwvergunning zal het bevoegd gezag
rekening moeten houden met het voorziene gebruik als onderdeel van een
inrichting.
De voorschriften van het Bouwbesluit 2003 zijn aan te merken als
producteisen, waaraan een bouwer (eigenaar/verhuurder) moet voldoen,
terwijl de gebruiker/huurder de voorschriften omtrent het gebruik ten tijde
van het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk moet naleven.
9.4.3 Concept-Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
In het kader van de modernisering van de VROM-regelgeving is
besloten dat de voorschriften omtrent het brandveilig gebruik van
bouwwerken, zoals die in de Model-bouwverordening zijn gegeven,
worden geüniformeerd. Die uniformering heeft in beginsel plaats bij
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van
de Woningwet. De werktitel voor dat besluit is Besluit brandveilig gebruik
bouwwerken. De voornemens met betrekking tot de totstandkoming van
dat besluit zijn:
– een landelijke uniformering van de voorschriften voor brandveilig
gebruik van bouwwerken die in de gemeentelijke bouwverordeningen zijn
opgenomen;
– bij die landelijke uniformering hebben de voorschriften zoveel
mogelijk de vorm van algemene regels en wordt het aantal gebruiksvergunningplichtige
bouwwerken zoveel mogelijk beperkt (zo mogelijk tot
20% van het huidige aantal);
– bij de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
wordt de gebruiksvergunning(procedure) vervolgens ingebed in de
omgevingsvergunning(procedure);
– in de volgende fase wordt bezien of het mogelijk is om ook voor het
gebruik van de resterende gebruiksvergunningplichtige gebouwen
algemene regels te formuleren, in welk geval de gebruiksvergunningplicht
ook in die gevallen kan komen te vervallen.
Bij het opstellen van dit besluit is bezien of brandveiligheidsvoorschriften
krachtens de 8.40-besluiten konden komen te vervallen, omdat
het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken of de Modelbouwverordening
daar al in voldoende mate in (zal) voorzien.
In de 8.40-besluiten stond een aantal voorschriften dat betrekking heeft
op brandveiligheid. Bij de totstandkoming van dit besluit is zorgvuldig
bekeken waar deze voorschriften thuis horen. In veel gevallen dienen de
voorschriften met betrekking tot brandveiligheid meerdere doelen (zoals
het voorkomen van gevaarlijke situaties voor omwonenden) en vereisen
ze een specifieke expertise bij toezicht en controle hierop. In dit besluit
komt een aantal voorschriften dan ook niet meer voor, omdat deze reeds
in de Model-bouwverordening zijn geregeld en op termijn in het toekomstige
Besluit brandveilig gebruik bouwwerken gereguleerd worden. De
belangrijkste voorschriften in dit kader betreffen:
Staatsblad 2007 415 138
– de keuring van brandblusmiddelen. Deze komen niet meer terug in dit
Besluit, aangezien deze zijn opgenomen in de Model-bouwverordening en
op termijn in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken worden
opgenomen;
– de voorschriften omtrent het opslaan van brandbare, niet-milieugevaarlijke
stoffen. Deze voorschriften zullen bij de inwerkingtreding van
het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken vervallen en blijven tot die
tijd onderdeel van dit Besluit. De regels omtrent het opslaan van
milieugevaarlijke, brandbare stoffen zullen permanent op basis van artikel
8.40 van de Wm worden gereguleerd.
9.5 Arbo-regelgeving
In de 8.40-besluiten is een aantal voorschriften opgenomen dat
Arbo-gerelateerd is. Feitelijk valt Arbo-gerelateerde regelgeving onder de
verantwoordelijkheid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(hierna: SZW). Te denken valt aan voorschriften die een direct
verband hebben met arbeidsomstandigheden (veiligheid en gezondheid
van in de inrichting werkend personeel). Voor zover hierover in reeds
bestaande Arbo-regelgeving regels zijn gesteld, zijn deze regels niet in dit
besluit opgenomen. Er wordt gestreefd naar een juiste afstemming van
regelgeving tussen het ministerie van VROM en het ministerie van SZW.
Voorts zijn onderlinge afspraken gemaakt ten aanzien van handhaving
tussen het bevoegd gezag (signaleringsfunctie) en de Arbeidsinspectie,
bijvoorbeeld in de sfeer van externe veiligheid.
9.6 Verhouding tot het internationale recht
Wat betreft de verhouding tussen de voorgenomen wijze van regulering
en de uit het toepasselijke Europese recht voortvloeiende eisen, die onder
meer betrekking hebben op het waarborgen van inspraak en rechtsbescherming
op milieugebied, wordt het volgende opgemerkt. De vraag in
welke gevallen en voor welke activiteiten een individuele beoordeling is
vereist, wordt primair bepaald door de volgende EG-richtlijnen.
Wat betreft de richtlijn nr. 96/61 van de Raad van de Europese Unie van
24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van
verontreiniging (PbEG L 257) (hierna: de IPPC-richtlijn), zoals gewijzigd bij
richtlijn over inspraak bij milieubesluitvorming (richtlijn nr. 2003/35/EG,
PbEG L 156), wordt ingevolge de Wet modernisering van de algemene
milieuregels voor inrichtingen expliciet bepaald dat inrichtingen als
bedoeld in deze richtlijn vergunningplichtig zijn. Om eventuele strijdigheid
met de IPPC-richtlijn op voorhand uit te sluiten, is dit besluit niet van
toepassing op IPPC-inrichtingen. Deze inrichtingen vallen derhalve niet
onder de begripsbepalingen van inrichting type A, inrichting type B of
inrichting type C.
De richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen (PbEG L 114/9)
vereist dat inrichtingen waarin de in bijlage IIA (verwijderingshandelingen),
respectievelijk IIB (handelingen van nuttige toepassing) over een
vergunning moeten beschikken. Er zijn uitzonderingen op deze
vergunningplicht mogelijk voor inrichtingen die hun afvalstoffen op de
plaats van productie in eigen beheer verwijderen en inrichtingen of
ondernemingen die afvalstoffen nuttig toepassen. Van de mogelijkheid tot
vrijstelling van vergunningplicht kan gebruik worden gemaakt onder de
volgende voorwaarden. Er dienen algemene regels te zijn per type
activiteit, waarbij soort en hoeveelheid afvalstoffen zijn vrijgesteld. De
soorten en hoeveelheden afvalstoffen en de wijze van verwijdering of
Staatsblad 2007 415 139
nuttige toepassing moeten zodanig zijn dat er geen nadelige gevolgen
voor het milieu zijn. Dit besluit doet aan deze richtlijn niets af.
De richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende
gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377) geeft een zelfde vrijstellingsmogelijkheid
voor inrichtingen die afvalstoffen nuttig toepassen als
richtlijn nr. 2006/12/EG, voor zover dit gevaarlijke afvalstoffen betreft.
Artikel 3, tweede lid, van de richtlijn betreffende gevaarlijke afvalstoffen
stelt voorwaarden overeenkomstig de voorwaarden zoals deze gelden op
grond van artikel 11, tweede lid, van de richtlijn betreffende afvalstoffen,
en als aanvullende eis dat er specifieke voorwaarden worden gesteld. De
specifieke voorwaarden worden in ieder geval nader verduidelijkt met drie
voorwaarden: grenswaarden voor het gehalte aan gevaarlijke stoffen in
het afval, emissiegrenswaarden en type activiteit. Deze voorwaarden zijn
niet limitatief en het type activiteit kan andere maatregelen vereisen.
Echter er zal in ieder geval moeten worden gekeken of deze benoemde
specifieke voorwaarden moeten worden gesteld. Indien wordt afgeweken
van deze benoemde specifieke voorwaarden, dient dat gemotiveerd te
worden.
Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen
van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde
openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG
van de Raad van de Europese Unie van 3 maart 1997 tot wijziging van
richtlijn 85/337/EEG (PbEG L 175) (hierna: de MER-richtlijn) vereist dat
projecten die nadelige effecten voor het milieu kunnen hebben, aan een
individuele beoordeling van de milieueffecten worden onderworpen. Dit
Besluit doet ook aan deze richtlijn niets af, omdat bij het bepalen van de
reikwijdte van dit besluit, evenals voorheen het geval was, de criteria van
de MER-richtlijn expliciet zijn meegewogen.
De richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen
van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, (PbEG
L 103) (hierna:de Vogelrichtlijn) respectievelijk richtlijn nr. 92/43/EEG van
de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna,
(PbEG L 206) (hierna: de Habitatrichtlijn) vereisen dat voor sommige
plannen of projecten onderzoek wordt gedaan naar de gevolgen van het
plan of project voor een Natura 2000-gebied. Op 1 oktober 2005 is de Wet
van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in
verband met Europeesrechtelijke verplichtingen (Stb. 195) in werking
getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 regelt dat een vergunning op
basis van die wet vereist is voor projecten die de kwaliteit van de
natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een dergelijk gebied
kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de
soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor plannen geldt een
vergelijkbare bepaling, waarbij goedkeuring of overeenstemming met de
minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dient te worden
verkregen. Dit betekent dat een plan of project waarvoor een individuele
beoordeling op basis van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn is vereist,
in ieder geval individueel wordt beoordeeld in het kader van de
vergunning of goedkeuring op basis van de Natuurbeschermingswet
1998. Dit besluit bevat geen aanvullende regeling op dit punt.
Richtlijn nr. 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van de
Europese Unie van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327)
(hierna: Kaderrichtlijn water) heeft als doel de bescherming van oppervlaktewater
en grondwater. Hiertoe is in de Kaderrichtlijn water bepaald
dat de lidstaten, in beginsel in het jaar 2015, bepaalde milieudoelstel-
Staatsblad 2007 415 140
lingen moeten bereiken. De milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn
water zijn samen te vatten als goede toestand van oppervlaktewater en
grondwater. Deze doelstellingen zijn vastgelegd in diverse onderdelen van
artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, met bijbehorende uitzonderingsbepalingen.
Dit regime is nog tamelijk abstract; voor de uitwerking wordt
verwezen naar met name bijlage V van de Kaderrichtlijn water. Uiteindelijk
moet de toepassing van de bijlagen van de Kaderrichtlijn water, alsmede
de vaststelling van dochterrichtlijnen voor prioritaire stoffen en voor
grondwater in het jaar 2009 resulteren in concrete, gekwantificeerde
doelstellingen. De ecologische doelstellingen zullen veelal geconcretiseerd
worden per waterlichaam. De chemische doelstellingen worden
vastgesteld in Europese of nationale regelingen. Op diverse plaatsen in de
Kaderrichtlijn water is het uitgangspunt een maatschappelijk haalbare en
kosteneffectieve aanpak; zonodig kan op basis van disproportionele
kosten voor één of meer waterlichamen verlenging van de streeftermijn
tot 2021 of 2027 plaatsvinden, dan wel een minder stringente doelstelling
worden bepaald.
Op dit moment is dus nog niet duidelijk welke verplichtingen de
Kaderrichtlijn water per waterlichaam nu concreet met zich meebrengt.
Hierbij is mede van belang dat nog een aantal kaders nader moeten
worden ingevuld, zoals de indeling in waterlichamen, alsmede het
maatregelenpakket per stroomgebieddistrict dat, met publieke participatie,
zal worden ontwikkeld om de milieudoelstellingen te realiseren en
dat eveneens in 2009 zal worden vastgelegd. Mede in verband hiermee is
in de Kaderrichtlijn water een aantal overgangsbepalingen opgenomen
die erin voorzien dat «oude» Europese richtlijnen inzake de bescherming
van het oppervlaktewater en grondwater voorlopig nog ten dele van
kracht blijven.
Aangezien nog niet exact duidelijk is welke verplichtingen de Kaderrichtlijn
water met zich meebrengt, kon hiermee bij de voorbereiding van
het besluit niet in detail rekening worden gehouden. Bij het formuleren
van voorschriften voor lozingen is hiermee als volgt omgegaan:
– voor wat betreft lozingen van afvalstoffen, verontreinigende en
schadelijke stoffen is steeds beoordeeld, in hoeverre een toegestane
lozing zou kunnen leiden tot strijd met verplichtingen die uit de Kaderrichtlijn
voortvloeien, en met name tot overschrijding van chemische
doelstellingen (waarvan de exacte waarde weliswaar nog niet bekend is,
maar waarvoor de bestaande milieukwaliteitsdoelstellingen wel een
indicatie vormen) of strijdigheid met het stand-still beginsel;
– bij het formuleren van emissiegrenswaarden voor het lozen in
oppervlaktewater is voor een aantal gevallen een striktere normering
opgenomen voor oppervlaktewateren die bijzondere bescherming
behoeven. Dit betreft oppervlaktewateren die niet bij ministeriële regeling
zijn aangewezen als oppervlaktewateren die geen bijzondere bescherming
behoeven;
– alleen daar waar in redelijkheid niet verwacht kan worden dat zelfs in
specifieke situaties van een strijd met verplichtingen van de Kaderrichtlijn
sprake zou kunnen zijn, is het bevoegd gezag geen mogelijkheid geboden
om de in het besluit opgenomen voorschriften aan te scherpen. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij lozingen in vuilwaterriolen van stoffen die in de
zuiveringstechnische werken afdoende worden verwijderd, of lozingen
direct in het milieu waarbij de emissienormen reeds op het niveau van
streefwaarden zijn gesteld;
– in situaties, waarbij het wel mogelijk wordt geacht dat de verplichtingen
van de Kaderrichtlijn in specifieke gevallen tot verdergaande
voorschriften zouden kunnen leiden, is het bevoegd gezag mogelijkheid
tot maatwerk geboden, zodat zo nodig grenzen kunnen worden gesteld
aan de te lozen concentraties, of de totale hoeveelheid van de geloosde
stoffen. Deze mogelijkheid tot maatwerk is waar relevant in de uitgewerkte
voorschriften zelf opgenomen, als mogelijkheid om de daarin
Staatsblad 2007 415 141
opgenomen emissiegrenswaarden aan te scherpen. Voor de overige
lozingen of aspecten van lozingen vormt de zorgplichtbepaling de
mogelijkheid om zo nodig lozingen in overeenstemming te brengen met
de vereisten van de Kaderrichtlijn water.
Deze systematiek is ook gevolgd bij lozingen op of in de bodem en in
schoonwaterstelsels. Daarmee zijn ook voldoende waarborgen geboden
om te kunnen voldoen aan de verplichtingen van Richtlijn 2006/11/EG van
15 februari 2006 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door
bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap
worden geloosd (PbEU L 64), en richtlijnen nr. 2006/118/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december
2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging
en achteruitgang van de toestand (Pb L 371) en nr. 1980/68/EG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1979
betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging
veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (PbEG L20)
(hierna: Grondwaterrichtlijn). De Grondwaterrichtlijn beoogt de verontreiniging
van grondwater te verminderen. Dit wordt bewerkstelligd door
harmonisatie van regelgeving van de lidstaten betreffende lozingen van
bepaalde gevaarlijke stoffen in het grondwater en door het totstandbrenging
van een systematische controle op de grondwaterkwaliteit. De
Grondwaterrichtlijn heeft tot doel verontreiniging van het grondwater
door stoffen van Lijst I en II te voorkomen en de gevolgen van bestaande
verontreinigingen zoveel mogelijk te beperken of te beëindigen. Mede met
het oog op de Grondwaterrichtlijn is in dit besluit een aantal specifieke
voorschriften ten aanzien van het lozen op of in de bodem opgenomen.
Daarnaast strekken de genoemde richtlijnen mede ter implementatie
van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus (Trb. 2001, 73), dat handelt over
inspraak in besluiten over het al dan niet toestaan van specifieke
activiteiten. Op grond van artikel 6 moet, als (in de nationale wetgeving)
een vergunningprocedure in het leven is geroepen voor in bijlage I bij het
verdrag vermelde activiteiten, voldaan zijn aan de eisen die in artikel 6 van
het Verdrag ten aanzien van inspraak zijn opgenomen. Artikel 9, tweede
lid, van het Verdrag koppelt vervolgens de eis van rechtsbescherming
tegen besluiten over specifieke activiteiten direct aan de reikwijdte van
artikel 6. In alle andere gevallen staat de tekst van het Verdrag van Aarhus
niet aan een overgang naar algemene regels in de weg.
Zowel in Vlaanderen als in Duitsland wordt in wetgeving verwezen naar
externe normen, voorbeelden daarvan zijn te vinden in het Besluit van de
Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale
bepalingen inzake milieuhygiëne en in de Technische Anleitung zur
Reinhaltung der Luft.
10. Terugdringen van administratieve lasten, de gevolgen voor de
bestuurlijke lasten en de gevolgen voor de burger
Het kabinet Balkenende-II had als doelstelling om de administratieve
lasten uiterlijk in 2007 met 25% terug te dringen. Tijdens de totstandkoming
van dit besluit zijn de nieuwe voorschriften bezien op hun
gevolgen voor de administratieve en bestuurlijke lasten. Voor wat betreft
de administratieve lasten lag hieraan een gedetailleerde nulmeting ten
grondslag. Bij de bestuurlijke lasten is gekeken naar de veranderingen ten
opzichte van de voormalige voorschriften. Daarnaast wordt ingegaan op
de lasten voor burgers.
10.1 De administratieve lasten
In het kader van het voorontwerp van dit besluit is onderzoek gedaan
naar de administratieve lasten en de bestuurlijke lasten (SIRA Consulting,
Staatsblad 2007 415 142
2006. Rapportage SIRA Consulting ten behoeve van ACTAL-toets en
rapportage bestuurlijke lasten, december 2006 SIRA Consulting). Ten
opzichte van het voorontwerp is een aantal wijzigingen doorgevoerd die
gevolgen hebben voor de administratieve lasten. Deze wijzigingen zijn
tevens onderzocht. Met betrekking tot de administratieve lasten kan het
volgende worden geconcludeerd:
In de nulmeting zijn de totale lasten als gevolg van de Wm-vergunning
en de 8.40-besluiten geraamd op € 817 miljoen per jaar. Bij implementatie
van dit besluit zullen deze lasten worden gereduceerd tot € 591,3 miljoen
per jaar, hetgeen overeenkomt met een reductie van € 225,7 miljoen per
jaar, ofwel een procentuele reductie van 27%. Met deze vermindering
wordt ruimschoots voldaan aan bovengenoemde kabinetsdoelstelling,
zoals deze is geprognosticeerd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II,
2003/04, 28 383 nr. 11). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de reductie
van de administratieve lasten als gevolg van de omgevingsvergunning
hierin niet is meegenomen. Deze resultaten zijn weergegeven in het
rapport «Administratieve Lasten Omgevingsvergunning» (SIRA
Consulting, 2006).
Bovendien worden in dit besluit algemene regels gesteld voor activiteiten
op grond van de Wvo. Gevolg hiervan is dat inrichtingen die onder
de reikwijdte van dit besluit vallen niet meer genoodzaakt zijn een
vergunning op basis van de Wvo aan te vragen. Deze verandering
betekent een additionele vermindering van de administratieve lasten met
€ 14 miljoen euro. Deze additionele reductie, die wordt toegerekend aan
de reductietaakstelling van het ministerie van Verkeer en Waterstaat,
betekent dat de totale reductie als gevolg van dit besluit uitkomt op
€ 239,7 miljoen per jaar.
De hierboven genoemde reductie van € 225,7 miljoen per jaar kan als
volgt worden verbijzonderd:
– een reductie van € 177,5 miljoen als gevolg van het vergroten van de
reikwijdte, waardoor meer Wm-vergunningplichtige inrichtingen onder de
werking van dit besluit komen te vallen en het onderscheid tussen het
regulier regime (type B-inrichtingen) en het licht regime (type A-inrichtingen),
waardoor 68.000 inrichtingen niet meer meldingsplichtig zijn.
Deze berekening is gebaseerd op de oorspronkelijke nulmeting
administratieve lasten. Nadien is in het kader van de tweede fase (zie
paragraaf 4) een gedetailleerd en uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar
het aantal inrichtingen dat vergunningplichtig is vóór en na de inwerkingtreding
van dit Besluit. Hieruit blijkt dat uiteindelijk niet 20.000, maar
37.000 inrichtingen onder dit besluit komen te vallen. Dit wordt deels
veroorzaakt, doordat bij de berekening in het kader van het onderzoek van
Van Vliet Milieumanagement (november 2006) in de huidige situatie meer
inrichtingen onder de Wm-vergunningplicht zijn opgenomen dan bij de
nulmeting. Dit betreft bijna 9.500 inrichtingen. Daarnaast komen nog eens
7.500 inrichtingen extra onder de algemene regels. Omdat de nulmeting
en het latere onderzoek verschillende bronnen hebben gebruikt is de extra
reductie op dit moment niet nauwkeurig te berekenen. Daarvoor is een
nieuwe nulmeting noodzakelijk. Voorlopige berekeningen geven aan dat
het tenminste om tientallen miljoenen gaat;
– een reductie van € 48,2 miljoen als gevolg van het vereenvoudigen
van informatieverplichtingen, zoals het terugbrengen van keuringsfrequenties
en het afschaffen van een aantal onderzoeksverplichtingen en
een aantal voorschiften.
Meer specifiek leiden de volgende zaken in ieder geval tot significante
reducties van de administratieve lasten:
Staatsblad 2007 415 143
– In het kader van een scherpere afbakening tussen de regelgeving op
het gebied van milieu, bouwen en brandveiligheid is besloten de
algemene regeling over brandblusmiddelen niet meer te regelen in dit
Besluit. De Model-bouwverordening kent hiervoor een regeling en in de
toekomst zal deze opgaan in het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken.
In dit besluit zijn hierover geen voorschriften opgenomen.
In de eerder genoemde nulmeting is uitgegaan van een lastendruk van
€ 66 miljoen voor de controle op brandslanghaspels en draagbare
mobiele brandblusapparaten. Thans blijkt dat van een te hoog aantalbrandblussers
is uitgegaan en een splitsing moet worden aangebracht in
de lasten voor de jaarlijkse controle op brandslanghaspels (€ 22 miljoen)
en de jaarlijkse controle op draagbare brandblusapparaten (€ 12
miljoen).De regeling omtrent brandblusmiddelen komt niet terug in dit
Besluit en om die reden is de € 33 miljoen verschuiving van lasten
verdisconteerd in de reductie van € 48,2 miljoen.
Bij het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken zal worden bezien of de
controlefrequentie van mobiele brandblusapparaten kan worden
teruggebracht om zo een besparing van administratieve lasten te creëren.
– Het niet meer laten terugkomen van de regeling omtrent afvalpreventie
heeft een reductie van € 4,5 miljoen tot gevolg.
– Het vervallen van de verplichting tot het uitvoeren van een waterbesparingsonderzoek
levert een reductie op van € 2,7 miljoen.
– Verlenging van de keuringsinterval voor stookinstallaties van jaarlijks
naar tweejaarlijks levert een reductie op van € 90.000.
– Voor circa 68.000 inrichtingen is de meldingsplicht vervallen. Voor het
grootste gedeelte betreft het inrichtingen die onder het Besluit woon- en
verblijfsgebouwen vielen (kantoren, zorginstellingen, religieuze gebouwen
en een deel van de scholen), de minder milieurelevante detailhandel en
horeca, de parkeergarages en de stallingsbedrijven. Voorts betreft het een
aantal voorzieningen en activiteiten, zoals de rioolpoldergemalen en het
opslaan van propaan. Hiermee wordt een reductie van €17 miljoen
gerealiseerd.
– Het vervallen van de bodemonderzoeken bij aanpassing van de
inrichting. Deze onderzoeken worden thans alleen vereist bij oprichting
van de inrichting. Hiermee wordt een reductie gerealiseerd van € 1,4
miljoen.
Als gevolg van dit besluit ontstaan initiële lasten door de noodzakelijke
kennisname van de nieuwe regelgeving voor circa 320.000 inrichtingen.
Het ministerie van VROM ontwikkelt een ICT-middel om deze inrichtingen
daarbij te helpen. Momenteel wordt gewerkt aan de operationalisering
van dat systeem. Naar verwachting zal dit instrument een belangrijke
bijdrage leveren aan de eenvoudige kenbaarheid van het nieuwe systeem,
zeker gezien het grote aantal inrichtingen dat onder de reikwijdte van het
nieuwe stelsel komt te vallen. Door dit ICT-middel kunnen bedrijven met
gerichte vragen in relatief korte tijd de voor hen relevante voorschriften
verkrijgen. Het ICT-systeem wordt getest met ondernemers en bevoegde
gezagsinstanties.
Het Adviescollege Administratieve Lasten (ACTAL) heeft op basis van
het voorontwerp geadviseerd dit besluit in te dienen, nadat met hun
opmerkingen rekening is gehouden. ACTAL prijst de aanpak en adviseert
de eenmalige administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken. ACTAL
vraagt om inzicht in de gevolgen voor de administratieve lasten vanwege
de wijzigingen die zijn doorgevoerd na haar advies. Gezien het aantal
wijzigingen zijn de gevolgen beperkt. Afgesproken is dat de eventuele
gevolgen voor de administratieve lasten bij de tweede tranche van dit
besluit inzichtelijk zullen worden gemaakt. Bij de ontwikkeling van het
ondersteunende ICT-systeem en de voorlichting zal hiermee rekening
worden gehouden. ACTAL heeft signalen vanuit het bedrijfsleven
Staatsblad 2007 415 144
ontvangen dat de begrijpelijkheid van het ICT-systeem voor de gebruikers
extra aandacht behoeft. Dat punt wordt meegenomen in de lopende
ICT-pilotprojecten. ACTAL heeft nog een aantal andere opmerkingen
gemaakt die de keuring van de brandblusmiddelen betreffen en de
frequentie van de akoestische onderzoeken en de bodemonderzoeken. Op
basis van dit Besluit is ten opzichte van het voorontwerp en de
8.40-besluiten thans in minder gevallen een nulsituatie-bodemonderzoek
nodig. De regeling omtrent de akoestische onderzoeken is gewijzigd,
waardoor het automatisme van het vragen van een dergelijk onderzoek in
een aantal gevallen wordt vervangen door een actief besluit van het
bevoegd gezag. Voor wat betreft de mogelijkheden voor het stellen van
maatwerkvoorschriften en de gemeentelijke verordening voor geluid, ziet
ACTAL een risico voor de administratieve lasten en adviseert om de wijze
waarop de decentrale overheden omgaan met hun bevoegdheden te
monitoren en zonodig bij te sturen. Deze suggestie is overgenomen en
mede om deze reden is in dit besluit een evaluatiebepaling opgenomen.
Zes jaar na inwerkingtreding zal dit besluit worden geëvalueerd. Deze
termijn is gekozen omdat na de inwerkingtreding voor een aantal
bepalingen voor thans vergunningplichtige inrichtingen en nadere eisen
een overgangstermijn van drie jaar geldt. Pas na deze drie jaar treedt dit
besluit in zijn volle omvang in werking. Een zinvolle evaluatie is na nog
eens drie jaar mogelijk. Bij deze evaluatie zal uitdrukkelijk aandacht
worden gegeven aan de nieuwe elementen van het besluit en de
onderdelen waar tijdens de inspraak veel op in is gegaan. Dit betreft met
name: de werking van de maatwerkvoorschriften en in het bijzonder de
mogelijkheid daartoe bij de zorgplicht, de gemeentelijke verordening en
het laten vervallen van de verplichting voor inrichtingen type A om te
melden. Bij deze onderdelen zal onder andere geëvalueerd worden hoe
hier in de praktijk mee is omgegaan en of ze overeenkomstig de bedoeling
van de wetgever zijn uitgevoerd. Er zal bovendien een beheersorganisatie
in het leven worden geroepen om zowel het besluit als de regeling te
monitoren op actualiteit. Zonodig zullen tussentijdse aanpassingen van
het besluit en de regeling worden doorgevoerd.
10.2 Bestuurlijke lasten
Uitgangspunt bij het opstellen van dit besluit is geweest dat de
bestuurlijke lasten niet mogen toenemen. Tijdens de totstandkoming zijn
dan ook niet alleen de gevolgen voor de administratieve, maar ook die
voor de bestuurlijke lasten in beeld gebracht (SIRA Consulting, 2006.
Bestuurlijke lasten Activiteiten AmvB; Onderzoek naar het effect van de
bestuurlijke lasten van het Concept Besluit activiteiten inrichtingen van
het ministerie van VROM, december 2006). In het kader van het inschatten
van de bestuurlijke lasten is een indicatieve berekening gemaakt van de
bestuurlijke lasten die de 8.40-besluiten veroorzaken en de veranderingen
die hierin zullen plaatsvinden als gevolg van dit besluit. Voor dit indicatieve
onderzoek zijn interviews bij gemeenten afgenomen. De resultaten
hiervan zijn geverifieerd in een begeleidingscommissie, eveneens
bestaande uit gemeenten. De bestuurlijke lasten zijn voor de huidige
situatie geschat op € 127 miljoen per jaar. De jaarlijkse reductie als gevolg
van dit besluit wordt geraamd tussen de € 1,8 en € 6,5 miljoen per jaar.
Kort samengevat is enerzijds sprake van een afname van deze lasten door
het vervallen van de meldingplicht voor 68.000 inrichtingen (zie paragraaf
10.1) en doordat veel minder inrichtingen een vergunning behoeven aan
te vragen en kunnen volstaan met een melding. Anderzijds leidt dit besluit
tot een toename vanwege:
– initiële lasten door de noodzakelijke kennisname van de nieuwe
regelgeving door de gemeenten;
Staatsblad 2007 415 145
– het bepalen welke voorschriften van toepassing zijn op inrichtingen
die voor de eerste maal onder de reikwijdte van dit besluit worden
gebracht;
– nu het vooroverleg vervalt, zal een aantal zaken verschuiven naar
toezicht en handhaving;
– een groter accent op toezicht wegens het gebruik van
doelvoorschriften en de verminderde mogelijkheden voor maatwerk in
vergelijking met de aan de vergunningen verbonden voorschriften.
10.3 Gevolgen voor de burger
De veranderingen van de regelgeving zijn niet van toepassing op
burgers en zullen dan ook geen direct effect hebben op de administratieve
lasten voor deze doelgroep. Het is mogelijk dat de lasten voor deze
doelgroep iets zullen dalen door de verlaging van het aantal inrichtingen
dat een Wm-vergunning dient aan te vragen en de daarmee verband
houdende mogelijkheden om tegen deze vergunningen bezwaar en
beroep aan te tekenen. In de huidige situatie worden jaarlijks naar
schatting 20.000 procedures doorlopen voor de Wm-vergunning (zie SIRA
Consulting, 2006. Administratieve Lasten Omgevingsvergunning). Naar
schatting 45% van deze procedures wordt gestart door een (georganiseerde)
burger. Door dit besluit zal het aantal procedures voor (georganiseerde)
burgers dalen van 9.000 naar 7.200 (20% minder Wm-vergunningplichtige
inrichtingen). De kosten van een procedure kunnen zeer
verschillen. Exacte cijfers hierover zijn niet bekend. Aangenomen wordt
echter dat deze kosten beperkt zijn, omdat de meeste procedures niet tot
een beroepszaak leiden. Op basis van eerdere onderzoeken in het kader
van administratieve lasten wordt aangenomen dat de kosten gemiddeld
circa 10 uur en € 500 per procedure bedragen. De administratieve
lastenreductie voor burgers wordt hiermee zeer globaal geschat op 18.000
uur en € 900.000.
Overigens stuit het vervallen van inspraak- en beroepsmogelijkheden bij
de overgang van vergunningverlening naar algemene regulering vanuit
de bredere optiek van inspraak en rechtsbescherming niet op overwegende
bezwaren. Het gaat hier om gevallen en activiteiten die in hoge
mate vergelijkbaar zijn, waardoor algemene regulering mogelijk wordt en
ook het meest efficiënt is. Indien een vergunning grotendeels bestaat uit
voorschriften die standaard in dergelijke vergunningen worden
opgenomen, heeft inspraak op een ontwerpvergunning weinig toegevoegde
waarde. Algemene regulering ligt dan voor de hand en heeft uit
een oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid de voorkeur boven
een individuele benadering. Deze benadering stuit ook niet op Europeesrechtelijke
bezwaren. Voor zover het Europese recht een individuele
beoordeling vereist, vallen inrichtingen niet onder de algemene regels.
Mocht in voorkomende gevallen overigens behoefte bestaan aan
maatwerk, dan kan het bevoegd gezag in een concreet geval nadere,
aanvullende of zelfs afwijkende voorschriften stellen. Daarbij staat
ingevolge het wetsvoorstel inspraak en rechtsbescherming open. Het
stellen van maatwerkvoorschriften is een besluit in de zin van artikel 1:3
van de Algemene wet bestuursrecht, dat wordt voorbereid met toepassing
van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en waartegen beroep
kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.
11. Bedrijfs- en milieueffecten
11.1 Bedrijfseffecten
Dit besluit heeft directe invloed op alle 288.000 inrichtingen die
voorheen te maken hadden met de 8.40-besluiten en op zo’n 37.000
Staatsblad 2007 415 146
inrichtingen die voorheen Wm-vergunningplichtig waren. Ook zal voor
circa 1500 inrichtingen de Wvo-vergunningplicht komen vervallen. Voor
de eerste categorie inrichtingen zal er materieel weinig veranderen, met
dien verstande de vermindering van rapportage- en onderzoeksverplichtingen
ook voor deze inrichtingen van toepassing is. Deze
inrichtingen behoeven niet opnieuw een melding in te dienen.
De voorschriften voor circa 37.000 inrichtingen die voorheen vergunningplichtig
waren en die thans onder de werking van dit besluit komen te
vallen, zijn in nauw overleg met de betrokken sectoren, de brancheorganisaties
en de bevoegde gezagsinstanties tot stand gekomen. Dit
geldt met name voor de metalectro-sector. Door het vervallen van de
vergunningplicht vervalt tevens de verplichting voor deze inrichtingen om
een oprichtings-, c.q. veranderingsvergunning aan te vragen bij het
bevoegd gezag. Het achterwege blijven van de vergunningprocedure
betekent behalve een administratieve lastenvermindering ook een
financiële lastenbesparing, omdat een vergunningprocedure in het
algemeen meer kosten met zich meebrengt dan een melding op grond
van algemene regels. Ook levert het vervallen van de procedure van de
vergunning tijdswinst op voor een bedrijf dat op korte termijn wil starten
of een wijziging wil doorvoeren. Daarnaast zijn voor deze categorie van
inrichtingen de exploitatiekosten van de algemene regels in vergelijking
met de vergunning aanzienlijk lager.
Bij het in werking treden van dit besluit op 1 januari 2008 zullen in totaal
circa 324.000 inrichtingen moeten voldoen aan de voorschriften in dit
besluit. Het streven is om nog meer vergunningplichtige inrichtingen
onder algemene regels te brengen. Dit zal gebeuren in de tweede tranche
die vanaf januari 2008 zal starten.
Dit besluit heeft geen effect op het totaal aantal inrichtingen dat onder
de werkingssfeer van de Wm valt. Het Inrichtingen en vergunningbesluit,
waarin inrichtingen worden aangewezen «die nadelige gevolgen voor het
milieu kunnen veroorzaken» en waarvoor algemene regels dan wel de
vergunningplicht geldt, wordt op dit punt niet gewijzigd. Er is alleen
sprake van een verschuiving van vergunningplicht naar algemene regels.
Voor wat betreft de voorheen vergunningplichtige inrichtingen die thans
door dit besluit worden bestreken, gaat het naar schatting om de
volgende typen en aantallen:
– de metalectro-sector waarbij ten minste 13.900 voorheen vergunningplichtige
inrichtingen onder dit besluit komen te vallen;
– inrichtingen die automatisch onder de werking van dit besluit vallen
omdat het «in-hoofdzaak-criterium» vervalt. Bij de 8.40-besluiten was een
inrichting vergunningplichtig wanneer deze onder twee of meerdere
besluiten viel. Het betreft ongeveer 9750 inrichtingen. Hierbij gaat het
bijvoorbeeld om tandartspraktijken die in een verzamelgebouw gevestigd
zijn, garages met een tankstation en bouwbedrijven met een winkel.
Dergelijke inrichtingen waren formeel vergunningplichtig, maar werden
door gemeenten vaak onder een 8.40-besluit gebracht;
– door het ophogen van de zogenaamde uitsluitcriteria en door het
schrappen van veel irrelevante bovengrenzen zal nog eens een groot
aantal inrichtingen onder dit besluit komen te vallen. Het betreft circa
13.500 inrichtingen zoals grond-, weg- en waterbouw en grondverzet,
opslagdepots aan het oppervlaktewater, tandtechnische laboratoria,
bromfietsherstellers, kattenpensions, dierenwinkels, uitvaartondernemers
en zeefdrukkerijen. Ook vervalt hierdoor de vergunningplicht voor veel
middelgrote bedrijven, zoals bungalowparken, campings, recreatieparken,
sportparken, televisiestudio´s, wasserijen, houtbedrijven en opslag- en
transportbedrijven.
Staatsblad 2007 415 147
11.2 Milieueffecten
Met dit besluit wordt invulling gegeven aan het streven van het kabinet
naar minder, eenvoudigere en effectievere regels en naar vermindering
van administratieve lasten. Dit streven wordt niet alleen ingegeven door
economische motieven, maar ook door het besef dat modernisering van
de regelgeving noodzakelijk is om het draagvlak voor het milieu te
behouden.
Bij het opstellen van dit besluit gold als uitgangspunt dat de vereenvoudiging
en versobering van de regels niet mag leiden tot een lager niveau
van milieubescherming. Dit geldt zowel voor inrichtingen die al onder
algemene regels vielen als voor inrichtingen die vergunningplichtig waren
en nu onder de algemene regels vallen.
Voor de eerst genoemde categorie inrichtingen zijn de milieudoelen
overgenomen die werden nagestreefd met de 8.40-besluiten. De wijze
waarop deze milieudoelen gehaald moesten worden of de wijze waarop
zeker gesteld werd dat het milieudoel werd gehaald, is in een aantal
gevallen gewijzigd. Kernbegrippen hierbij zijn flexibiliteit en versobering
van onderzoeks- en controleverplichtingen. Flexibiliteit wordt bereikt door
inrichtingen meer mogelijkheden te geven zelf te bepalen hoe zij concrete
doelen bereiken. Voorschriften in de 8.40-besluiten die in de praktijk niet
goed uitvoerbaar of handhaafbaar bleken, zijn aangepast of geschrapt.
Waar met betrekking tot dezelfde activiteit verschillende voorschriften
waren opgenomen, zijn deze geharmoniseerd conform de systematiek
van de Wm. Dit betekent toepassing van de BBT. Zoals aangegeven wordt
door deze flexibilisering, versobering en stroomlijning van de voorschriften
het niveau van milieubescherming niet aangetast. Eerder zal het een
positief milieueffect hebben, omdat toezicht en handhaving effectiever
kunnen plaatsvinden (meer focus, beter handhaafbaar) en ook omdat het
draagvlak voor de regels is vergroot.
Voor inrichtingen in de metalectro-sector die niet eerder onder de
algemene regels vielen, geldt in grote lijnen hetzelfde als voor de
inrichtingen die onder een 8.40-besluit vielen. Bij vergunningverlening
voor inrichtingen in de metalectro-sector geldt als uitgangspunt het
toepassen van de BBT, uitgewerkt in branchedocumenten, zoals het
Werkboek milieumaatregelen metalectro, de rapporten van de Commissie
Integraal Waterbeheer en de NeR. Bij het opstellen van dit besluit is van
dezelfde uitgangspunten en documenten uitgegaan, waardoor voor de
onder dit besluit vallende inrichtingen eenzelfde niveau van milieubescherming
is gegarandeerd in vergelijking met de vroegere situatie,
waarbij de vergunningplicht gold.
Van het schrappen van de verplichting tot melding voor circa 68.000
inrichtingen wordt geen negatief milieueffect verwacht. Het betreft hier
inrichtingen die in de praktijk slechts een zeer beperkte invloed op het
milieu hebben, zoals kantoren, zorginstellingen, religieuze gebouwen en
een deel van de scholen. In de praktijk is gebleken dat de vroegere
meldingsplicht in het overgrote deel van de gevallen niet werd nageleefd
en dat dit niet aantoonbaar tot (milieu)problemen heeft geleid.
12. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
12.1 Tot wie richt het besluit zich?
Dit besluit richt zich op inrichtingen die onder 8.40-besluiten vielen, een
groot aantal inrichtingen uit de metalectro-sector en een aantal kleinere
inrichtingen dat wegens de uitsluitcriteria niet onder de reikwijdte van de
8.40-besluiten vielen en daardoor vergunningplichtig waren. Degene die
een inrichting drijft is verantwoordelijk dat de voorschriften van dit besluit
Staatsblad 2007 415 148
worden nageleefd. Evenals bij 8.40-besluiten blijft de gemeente het
bevoegd gezag, en heeft op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wm
onder andere tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke
handhaving.
Zoals hiervoor in paragraaf 3.4 is uiteengezet, is dit besluit mede
gebaseerd op de Wvo. Dit betekent dat ook met betrekking tot lozingen
algemene voorschriften van toepassing zijn in plaats van vergunningvoorschriften.
In aansluiting bij de reikwijdte ingevolge de Wvo is
voorzien in een verbreding van de normadressant door deze voor wat
betreft het (in)direct lozen op oppervlaktewater niet enkel te beperken tot
degene die de inrichting drijft, maar te verbreden tot een ieder die vanuit
de desbetreffende inrichting loost. Voor zover sprake is van lozingen die
onder de Wvo vallen is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag, die
op grond van artikel 29 van de Wvo onder andere tot taak heeft zorg te
dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens de
Wvo brengen van stoffen in oppervlaktewateren.
12.2 Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
Bij de totstandkoming van dit besluit is veel aandacht besteed aan
verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Bij de aanvang
van het traject zijn de knel- en verbeterpunten bij de 8.40-besluiten
geïnventariseerd. Er is uitvoerig overleg gevoerd met vertegenwoordigers
van zowel het bedrijfsleven als de decentrale overheden over de
voorschriften en de uitvoerbaarheid van het besluit. De gedane suggesties
zijn waar mogelijk meegenomen bij de formulering van voorschriften.
Ook voor wat betreft de lozingen op of in de bodem en lozingen die
onder de reikwijdte van Wvo vallen, zijn bij de voorbereiding van dit
besluit de knel- en verbeterpunten in relatie tot handhaving beschouwd.
Voor bepaalde categorieën van directe lozingen op of in de bodem of in
het oppervlaktewater wordt de handhaafbaarheid door dit besluit
verbeterd. Deze verbetering heeft met name betrekking op lozingen van
afvloeiend hemelwater en grondwater. Voor de inwerkingtreding van dit
besluit was de regelgeving ten aanzien van afvloeiend hemelwater
onvoldoende duidelijk. De lozing van niet verontreinigd afvloeiend
hemelwater was in beginsel toegestaan, doch voor verontreinigd
afvloeiend hemelwater was een individuele toestemming vereist.
Onduidelijk was echter wat onder «niet verontreinigd» moest worden
verstaan. Strikt genomen bevat elk geloosd afvloeiend hemelwater en
grondwater enige mate van verontreiniging. Het milieuhygiënisch effect
van die verontreiniging is echter veelal dusdanig beperkt, dat zowel door
bevoegde instanties als burgers de voor de individuele toestemming
benodigde procedure niet werd gevolgd. Dat maakte handhaving
problematisch. Daarom is in het besluit afgestapt van het onderscheid
«verontreinigd» en «niet verontreinigd».
Enkele belangrijke veranderingen als gevolg van de modernisering van
algemene regels worden hieronder expliciet toegelicht.
Meer uniformiteit
De handhaafbaarheid wordt door dit besluit eenvoudiger, omdat meer
inrichtingen onder een uniform systeem van algemene regels vallen.
Hierdoor wordt voorkomen dat ondernemers met meerdere inrichtingen
voor dezelfde activiteiten met verschillende voorschriften worden
geconfronteerd, zonder dat daarvoor objectieve redenen zijn aan te geven.
Nadere regels bij ministeriële regeling
Het doel van de mogelijkheid om bij ministeriële regeling regels te
stellen is om een lijst van middelvoorschriften te geven, waarmee de
Staatsblad 2007 415 149
ondernemer aan de in het besluit opgenomen doelvoorschriften kan
voldoen. Het bedrijfsleven heeft om dit systeem verzocht in verband met
de voorkeur van kleine en middelgrote bedrijven voor middelvoorschriften.
Ook gemeenten zijn voorstander van middelvoorschriften in verband
met de handhaafbaarheid.
Door deze wijze van regulering kunnen innovatiemogelijkheden snel en
eenduidig door werken in (nieuwe)voorschriften. Gezien de voortdurende
technische ontwikkelingen is dit gewenst. Aanpassing van de ministeriële
regeling zal geschieden na overleg met het betrokken bedrijfsleven en de
betrokken overheden. Naar verwachting zal deze wijze van regulering
bijdragen aan verbetering van de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.
Vervallen meldingplicht
Vanwege het vervallen van de meldingsplicht is het mogelijk dat het
bevoegd gezag niet wordt geattendeerd op het oprichten of veranderen
van een inrichting. In de praktijk zal dit zich naar verwachting in zeer
beperkte mate voordoen. Zoals reeds is opgemerkt bij de beschrijving van
de type A-inrichting, betreft het enkel inrichtingen die weinig milieurelevante
activiteiten verrichten, zoals kantoren en de kleine detailhandel.
Voor toezicht en handhaving in het kader van milieu zijn deze inrichtingen
minder relevant. De mogelijkheid om te kunnen optreden in geval van
overlast blijft bestaan, omdat het algemeen deel van dit besluit van
toepassing blijft. Daarbij komt dat in het verleden bij dit type inrichting
handhaving veelal plaatsvond naar aanleiding van klachten. Overigens
worden gegevensbestanden in toenemende mate gekoppeld, waardoor
gemeenten ook langs andere weg eenvoudig van het bestaan van
dergelijke inrichtingen op de hoogte kunnen komen. Tijdens de invoering
zullen deze andere mogelijkheden over het voetlicht worden gebracht.
Gelijkwaardige maatregelen
De mogelijkheid om gelijkwaardige maatregelen toe te passen is ook uit
het oogpunt van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid een verbetering.
De 8.40-besluiten bevatten deze mogelijkheid slechts op enkele punten.
Deze mogelijkheid was bovendien beperkt tot toe te passen middelen.
Waar een algemeen geformuleerd voorschrift in een specifiek geval
onredelijk uitpakte en binnen de regelgeving geen mogelijkheid was om
deze te nuanceren, kon dat leiden tot het ontstaan van gedoogsituaties.
De formulering in dit besluit biedt ruimte om gelijkwaardige maatregelen,
waaronder bijvoorbeeld gelijkwaardige werkwijzen, toe te staan.
Hierdoor wordt voorkomen dat een inrichting in het kader van de
handhaving aangesproken wordt op het niet naleven van een bepaald
voorschrift, terwijl gelijkwaardige maatregelen worden toegepast om het
milieu adequaat te beschermen.
Voorafgaande toestemming om een gelijkwaardige maatregel toe te
passen is slechts noodzakelijk voor zover sprake is van een alternatief
voor een verplichte maatregel. Voor een alternatief voor een erkende
maatregel is geen voorafgaande toestemming noodzakelijk (zie paragraaf
6.4 en paragraaf 6.7).
12.3 Zorgplicht
Voor een uitgebreide beschrijving van de zorgplicht wordt verwezen
naar paragraaf 6.5 en 6.6. Aan de zorgplichtbepaling is een bevoegdheid
tot het stellen van maatwerkvoorschriften gekoppeld. Indien een aspect al
uitputtend is geregeld in het besluit, is het niet mogelijk om nog
maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende regeling is sprake
indien er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit een
limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften. Daarbij
is steeds zo nauwkeurig mogelijk omschreven met betrekking tot welk
aspect van de zorgplicht en welke activiteit de regels worden gesteld (zie
Staatsblad 2007 415 150
ook artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.1, derde lid). Indien een aspect
nog niet uitputtend is geregeld kan er een maatwerkvoorschrift worden
vastgesteld. Het gaat daarbij om maatwerkvoorschriften die passen
binnen de verplichting van het eerste lid; dit betekent ook dat maatwerkvoorschriften
kunnen worden gesteld indien de nadelige gevolgen voor
het milieu niet kunnen worden voorkomen of onvoldoende worden
beperkt door de naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde
voorschriften. De maatwerkvoorschriften die op grond van dit lid worden
gesteld mogen niet afwijken van bepalingen van dit besluit. Indien nodig,
heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om met toepassing van de
zorgplichtbepaling direct te handhaven of een maatwerkvoorschrift op te
leggen. Direct handhavend optreden is aan de orde wanneer het belang
van de bescherming van het milieu wordt geschaad als gevolg van
handelen, waarbij degene die de inrichting drijft in redelijkheid had
kunnen overzien dat er sprake is van strijd met de in de zorgplichtbepaling
verwoordde belangen van de bescherming van het milieu. Indien degene
die de inrichting drijft in redelijkheid niet had kunnen weten dat door zijn
handelen het belang van bescherming van het milieu wordt geschaad, ligt
direct handhavend optreden met gebruik van de zorgplichtbepaling niet
voor de hand. In een dergelijk geval kan op grond van de zorgplicht een
maatwerkvoorschrift worden vastgesteld.
Overigens is het uiteraard ook zeer wel mogelijk dat bijvoorbeeld
ingeval van een lozing, een lozer na overleg met het bevoegd gezag zelf
vrijwillig besluit om bepaalde maatregelen te treffen, zodat het stellen van
een maatwerkvoorschrift niet nodig is. Wanneer wel een maatwerkvoorschrift
wordt gesteld, kan deze vervolgens op dezelfde manier
worden gehandhaafd als de overige voorschriften van dit besluit. De
inrichting beschikt, in de procedure voor het stellen van een maatwerkvoorschrift,
over de gebruikelijke rechtsbeschermingsmiddelen.
Op de handhaving van het activiteitenbesluit is hoofdstuk 18 Wm van
toepassing. Op grond van artikel 18.3 kan bij algemene maatregel van
bestuur in het belang van een doelmatige handhaving regels worden
gesteld. Deze regels staan in het Besluit kwaliteitseisen handhaving
milieubeheer. Op basis van artikel 2 van dat besluit moet een bevoegd
gezag handhavingsbeleid vaststellen dat gebaseerd is op een risicoanalyse
van de problemen bij niet-naleving en de kansen dat overtredingen
plaatsvinden. Op basis hiervan wordt een prioriteitstelling
gemaakt met betrekking tot de handhaving. Het ligt voor de hand dat de
handhaving in dit kader tot de evidente gevallen zal worden beperkt, maar
uiteindelijk is het bestuursorgaan primair verantwoordelijk voor de
handhaving.
In de toelichting bij het besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer
staat ook nadrukkelijk dat bij de prioriteitstelling niet alles van tevoren kan
worden geprogrammeerd. Handhaving vindt namelijk vaak plaats naar
aanleiding van klachten. Geconstateerd kan worden dat de handhaving
van een vangnet doorgaans niet als prioriteit zal worden beschouwd en
als zodanig niet van tevoren zo zal worden geprogrammeerd, maar dat er
bij de handhaving van de zorgplicht vooral in actie wordt gekomen bij
daadwerkelijke overtreding.
De afspraken met het Openbaar Ministerie zijn ook vastgelegd in het
Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer. Op grond van artikel 2,
vijfde lid, van dat besluit dient het handhavingsbeleid tevens inzicht te
geven in de afspraken die het bestuursorgaan heeft gemaakt met andere
betrokken bestuursorganen en de organen die belast zijn met strafrechtelijke
handhaving.
12.4 Omvang en mogelijkheden tot controle
De mate waarin dit besluit wordt nageleefd is mede afhankelijk van de
relatie tussen enerzijds de gemeente en de waterkwaliteitsbeheerder als
Staatsblad 2007 415 151
bevoegd gezag en anderzijds de inrichting, de frequentie van de contacten
en de wijze van het toezicht. De gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders
blijven verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving van dit
besluit. Veelal wordt gewerkt met stappenschema’s met een getrapte
aanpak. De mate van toezicht is primair afhankelijk van de prioritering van
de milieutaken van gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders.
Naast de bestuurlijke aanpak kan ook strafrechtelijk worden opgetreden
op grond van de Wet op de economische delicten. Zonodig zal per geval
in overleg met de betrokken instanties moeten worden bepaald welke
aanpak het meest effectief en efficiënt is.
13. Reacties naar aanleiding van de inspraakprocedure
In december 2005, nog voor de voorpublicatie van het ontwerp van dit
besluit, is een conceptversie toegestuurd aan de betrokken overheden en
het bedrijfsleven. Deze versie is eveneens op de website van het ministerie
van VROM geplaatst. Voorafgaand aan de voorpublicatie heeft
overleg plaatsgevonden in een aantal technische werkgroepen met
bedrijfsleven en overheden. De reden om voor deze informatieve aanpak
te kiezen is dat dit besluit omvangrijk en verstrekkend is voor de betrokkenen.
Daarom is een langere periode om het besluit te bestuderen op zijn
plaats.
Naar aanleiding van de verspreiding van een tweetal conceptversies en
de publicatie van het ontwerpbesluit op 29 juni 2006 (Stcrt. 124), is een
groot aantal reacties binnengekomen. De reacties zijn onder andere
afkomstig van gemeenten, waterschappen en brancheorganisaties. De
inspraak loopt uiteen van fundamenteel commentaar op uitgangspunten
en opzet van het besluit tot technische inspraak over specifieke
voorschriften.
Er is waardering voor de met dit besluit nagestreefde vermindering van
de administratieve lasten. Naast vragen en signalen van onduidelijkheid
zijn ook voorstellen gedaan voor tekstuele wijzigingen. Over een aantal
belangrijke onderdelen van dit besluit bestaan sterk tegengestelde
meningen. Ook is gebleken dat enkele branches de voorkeur hebben om
de huidige, branchespecifieke 8.40-besluiten in stand te laten.
Het binnengekomen commentaar is gestructureerd verwerkt in een
inspraakdocument. Aan de hand van het inspraakdocument is met
brancheorganisaties en overheden in de technische werkgroepen verder
inhoudelijk overleg gevoerd. Alle voorstellen zijn met zorg geanalyseerd
en waar deze tot verbetering leiden, zijn deze zoveel mogelijk omgezet in
aanpassingen van dit besluit.
Hieronder volgen de belangrijkste algemene elementen uit de reacties
en de beoordeling daarvan.
13.1 De snelheid van totstandkoming en implementatie
Zowel vanuit de gemeenten als vanuit het bedrijfsleven zijn zorgen
geuit over de snelheid waarmee de wet- en regelgeving tot stand komt.
Door het bedrijfsleven is naar voren gebracht dat men eraan twijfelt of er
voldoende tijd is om te overleggen over de inhoudelijke punten van
inspraak.
Gelet op de taakstelling met betrekking tot administratieve lasten en de
toezegging om het aantal vergunningstelsels te verminderen, is een vlotte
afronding van het regelgevingstraject echter noodzakelijk geacht. Naar
aanleiding van de geuite twijfels, waaronder die over de noodzaak van
een overkoepelend besluit, is het overleg met de verschillende branches
geïntensiveerd. Ook de besprekingen met de betrokken overheden zijn
Staatsblad 2007 415 152
gecontinueerd. Daarbij is besloten om de geplande datum van inwerkingtreding
iets op te schuiven, naar 1 januari 2008.
Mede om tegemoet te komen aan de zorgen rond de implementatie is
door het ministerie van VROM ter ondersteuning een ICT-systeem
ontwikkeld, dat via het digitale omgevingsloket beschikbaar wordt
gesteld. Dit ICT-systeem heeft tot doel dit besluit en de ministeriële
regeling te ontsluiten voor inrichtingen en het bevoegd gezag. Daarnaast
is het ministerie van VROM al in een vroeg stadium gestart met het
voorlichtingstraject.
13.2 Beoordeling totaalpakket besluit en ministeriële regeling
Veel insprekers zijn van mening dat een goede beoordeling van dit
besluit niet mogelijk is, zonder kennis te hebben van de bijbehorende
ministeriële regeling. Daardoor, zo stellen zij, is het niet mogelijk om de
(financiële) consequenties van het besluit goed te beoordelen.
Om tegemoet te komen aan deze bezwaren is enerzijds in de toelichting
van het besluit aandacht besteed aan de aard van de in de ministeriële
regeling geformuleerde verplichte maatregelen. Anderzijds is een
conceptversie van de ministeriële regeling in november 2006 breed
verspreid. Tevens is de ministeriële regeling, in afwijking van de gebruikelijke
procedure, in mei 2007 voor inspraak gepubliceerd.
13.3 Maatwerkvoorschriften en zorgplicht
Door het stellen van algemene, landelijk geldende normen en
voorschriften kan het in een aantal gevallen voorkomen, dat dit onredelijk
uitpakt voor het bedrijfsleven of dat de normen en voorschriften onvoldoende
zijn om een adequate bescherming van het milieu te bieden. In
deze gevallen is de mogelijkheid tot het stellen van maatwerk opgenomen
in dit besluit.
Veel brancheorganisaties hebben bezwaar gemaakt tegen de naar hun
mening te ruime mogelijkheden om af te wijken van de algemene regels
bij maatwerkvoorschrift of bij gemeentelijke verordening. Zij vrezen dat
dit kan leiden tot het stellen van onnodig strenge eisen en willekeur. Aan
de andere kant zijn verschillende gemeenten van mening dat dit besluit
juist te weinig mogelijkheden voor maatwerk biedt.
Maatwerkvoorschriften, zorgplichtbepalingen en gebiedsgericht beleid
door middel van gemeentelijke verordeningen zijn echter niet nieuw. De
8.40-besluiten kennen al de figuur van de nadere eis. Dit besluit geeft
vaker dan in de 8.40-besluiten de mogelijkheid de normen te verruimen.
Dit doet recht aan het feit dat een gemiddeld genomen redelijke norm in
specifieke gevallen onnodig streng kan uitpakken. Mede daarom is de
term «nadere eis» vervangen door de term «maatwerkvoorschrift».
Tevens hebben inrichtingen, in afwijking van de situatie van de nadere eis,
nu de mogelijk om te verzoeken om een maatwerkvoorschrift. Ook de
mogelijkheid tot het voeren van gebiedsgericht beleid en het gebruik van
zorgplichtbepalingen zijn niet nieuw. De vrees van insprekers dat
bevoegde gezagsinstanties deze instrumenten zullen misbruiken om
alsnog knellende regels op te leggen, lijkt dan ook niet aan de orde. Bij de
totstandkoming van de 8.40-besluiten was ook veel weerstand tegen de
figuur van de nadere eis. Echter, gemeenten gaan in het algemeen
terughoudend en redelijk met dit instrument om. Er is geen reden om aan
te nemen dat gemeenten, provincies en waterschappen anders gaan
handelen dan onder de 8.40-besluiten en Wm-vergunningen. Overigens
kan een inrichting zich bij de rechter verweren tegen een maatwerkvoorschrift
dat als niet redelijk wordt ervaren.
Een notoire vervuiler kan met de zorgplichtbepaling strafrechtelijk
worden aangepakt. Dit kan overigens ook onder de 8.40-besluiten.
Staatsblad 2007 415 153
Het stelsel van maatwerkvoorschriften in combinatie met de zorgplichtbepalingen
past binnen het streven naar het gebruik van zorgplichtbepalingen.
Het doet recht aan het uitgangspunt «centraal wat moet,
decentraal wat kan», waarbij wordt vertrouwd op de professionaliteit van
de uitvoerders. Er bestaat daarom geen aanleiding om de balans van dit
systeem aan te passen. Wel heeft de inspraak ertoe geleid dat de tekst van
dit besluit en de toelichting verduidelijkt zijn over de wijze van toepassing
in de praktijk. Daarnaast zijn in enkele gevallen toch specifieke normen, in
plaats van de mogelijkheid tot het stellen van maatwerk opgenomen, om
tegemoet te komen aan de uitdrukkelijk geuite wens tot duidelijkheid.
13.4 Uniformering van de voorschriften
Door de samenvoeging van de 8.40-besluiten in dit besluit vindt een
uniformering van de voorschriften plaats. Uitgangspunten bij deze
uniformering zijn dat niet getornd wordt aan het niveau van milieubescherming
en dat het niet in de bedoeling ligt om de milieuregels aan te
scherpen.
Verschillende vertegenwoordigers van het bedrijfsleven signaleren of
vrezen een aanscherping van de normen en een daaraan gekoppelde
stijging van de lasten. Gemeenten stellen daarentegen dat op een aantal
onderdelen de bescherming van het milieu minder is.
Omdat zoveel inrichtingen onder gelijke voorwaarden zijn gebracht, kan
het voorkomen dat er individuele inrichtingen zijn, waarvoor de milieueisen
zijn aangescherpt. Dit geldt in ieder geval voor inrichtingen waarvan
de vergunning niet recentelijk is geactualiseerd. Net zoals er inrichtingen
zijn waarvoor de milieueisen zijn verruimd.
Leidend bij de verwerking van de commentaren zijn, naast de
genoemde uitgangspunten, de overwegingen dat het speelveld voor de
inrichtingen zoveel mogelijk gelijk is, de BBT worden gehanteerd en
knelpunten in handhaving en uitvoering zijn weggenomen. Bij de
behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft deze lijn ook
de steun van de leden van de Kamer gekregen.
13.5 Type A-inrichtingen
Om de administratieve lasten te verminderen is in dit besluit een
categorie van inrichtingen benoemd die in de toekomst geen meldingsverplichting
meer heeft. Dit zijn de zogenaamde type A-inrichtingen.
Gemeenten hebben hiertegen bezwaar gemaakt. De gemeenten voeren
als reden aan dat het lastiger zou zijn om te weten welke inrichtingen
binnen een gemeente opereren. Verder zouden de mogelijkheden voor
toezicht door gemeenten worden beperkt. Daarentegen wil een deel van
het bedrijfsleven de type A-inrichtingen helemaal onder de werkingssfeer
van de milieuwetgeving weghalen.
Er is gekozen om de regeling in stand te laten. Het is een compromis
tussen enerzijds de wens van met name het midden- en kleinbedrijf om
minder milieurelevante inrichtingen te ontzien qua administratieve lasten
en anderzijds de wens om het instrumentarium te behouden om op te
kunnen treden bij klachten. Indien type A-inrichtingen niet meer onder dit
besluit zouden vallen, kan dit ertoe leiden dat andere overheden lokale
regels gaan stellen. Als alle inrichtingen die onder dit besluit vallen een
meldingsplicht hebben, is niet alleen de beoogde administratieve
lastenreductie minder, ook wordt zo een schijnzekerheid gecreëerd dat
alle inrichtingen bij de gemeente bekend zijn. De huidige praktijk heeft
echter geleerd dat slechts een deel van de desbetreffende inrichtingen
zich daadwerkelijk meldt. Ook de Tweede Kamer heeft bij de behandeling
van het wetsvoorstel dit compromis ondersteund.
Staatsblad 2007 415 154
13.6 Onderzoeksverplichtingen
In het kader van de reductie van de administratieve lasten is gekeken
naar de mogelijkheden om bestaande onderzoeksverplichtingen te
reduceren. Dit heeft geresulteerd in het afschaffen van eerdere verplichtingen,
zoals onderzoeken naar grondstoffenbesparing, afvalpreventie en
waterbesparing. Bij de gemeenten heeft de afschaffing tot bezwaren
geleid. Zij pleiten juist voor een verruiming van de mogelijkheden om een
onderzoeksverplichting op te leggen. Inrichtingen willen daarentegen
meer onderzoeksverplichtingen reduceren of afschaffen.
Naar aanleiding van deze commentaren is dit punt, ook bij de
bespreking in de Tweede Kamer, uitgebreid beschouwd. Het uitgangspunt
van het terugbrengen van de administratieve lasten weegt hier zwaar.
Anderzijds is gekeken naar te bereiken milieudoelstellingen en de rol die
de onderzoeken hierbij kunnen spelen. Voor bijvoorbeeld energiebesparing
is geoordeeld dat een onderzoek naar de mogelijkheden tot
energiebesparing een belangrijke factor is. Energiebesparing is immers
noodzakelijk om te komen tot een vermindering van broeikasgasemissies
en luchtverontreiniging. Om de lasten voor het bedrijfsleven toch te
beperken zijn de onderzoeksverplichtingen slechts aan de grotere
inrichtingen opgelegd, indien deze niet of onvoldoende energiebesparende
maatregelen hebben getroffen.
Een vergelijkbare afweging is gemaakt voor onderzoeken voor verkeer
en vervoer.
Ten aanzien van het onderdeel geluid is gekozen om de verplichting tot
het uitvoeren van akoestische onderzoeken in die gevallen te handhaven,
waarin op voorhand sprake kan zijn van significante gevolgen voor geluid.
Het bevoegd gezag heeft de uitkomsten van deze onderzoeken nodig om
een goed beheer van de (geluids)ruimte te kunnen voeren. Voor de
overige activiteiten kan het bevoegd gezag gemotiveerd om een akoestisch
onderzoek vragen. Met deze motivatieverplichting wordt voorkomen
dat het bedrijfsleven te lichtvaardig met een administratieve last wordt
geconfronteerd.
Op het gebied van bodembescherming bestaat een divers beeld. Binnen
de 8.40-besluiten en de NRB bestaan verschillen inzake het uitvoeren van
bodemonderzoek. Ook hier is gekozen voor een oplossing waarbij een
reductie van de administratieve lasten plaatsvindt, zonder dat dit ten koste
gaat van het milieu. De verplichting tot het uitvoeren van bodemonderzoek
wordt beperkt tot inrichtingen die worden opgericht en inrichtingen
waarbinnen de activiteiten worden beëindigd. Bij veranderingen
van een inrichting beoordeelt het bevoegd gezag of bodemonderzoek
nodig is.
13.7 Afvalbeheer
In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen was een bepaling
opgenomen die er toe strekt dat uit de inrichting afkomstig zwerfafval
binnen een straal van 25 meter wordt opgeruimd.
Bij de totstandkoming van dit besluit is er gesproken over het uitbreiden
van deze straal, voor alle onder het besluit vallende inrichtingen, naar 100
meter omdat in een aantal situaties het zwerfafval verder dan 25 meter
buiten de inrichting terecht komt. De VNG gaf aan een voorstander te zijn
van een dergelijke uitbreiding. De brancheorganisaties hebben nadrukkelijk
en herhaald aangegeven deze verruiming in strijd te achten met het
uitgangspunt van het terugbrengen van de administratieve lasten.
Uiteindelijk heeft na afweging het argument van de beoogde lastenverlichting
de doorslag gegeven en heeft deze verruiming tot 100 meter
geen doorgang gevonden.
Staatsblad 2007 415 155
Tijdens de inspraak is naar voren gekomen dat de VNG en een aantal
gemeenten van mening zijn dat met het laten vervallen van afvalpreventie
en het ophogen van de grenzen van het energiebesparingsonderzoek de
milieubescherming in het gedrang komt. Voor inrichtingen die thans
onder dit besluit komen te vallen is dit voor afvalpreventie niet het geval
en zijn andere, meer stimulerende, maatregelen aangewezen. Bij het
onderbrengen van nieuwe bedrijven en bedrijfstakken in de tweede fase
zal worden bekeken of het voor deze categorie wel opportuun en mogelijk
is om voorschriften te stellen.
13.8 Gebruik term redelijkerwijs
Enkele branches wilden dat het woord redelijkerwijs vaker toegevoegd
werd bij voorschriften. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid en
wetgevingstechnische eisen wordt gebruik van dit woord echter zoveel
mogelijk vermeden. Bij de totstandkoming van het besluit is dit per artikel
afgewogen. Wat redelijkerwijs inhoudt is daarom zoveel mogelijk in de
artikelen concreet gemaakt; de term is verdwenen waar dat kon. Dit laat
onverlet dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort
van kracht blijven.
13.9 Verkeer en vervoer
Vanuit het bedrijfsleven is veel inspraak ontvangen op het onderdeel
verkeer en vervoer. Men gaf er de voorkeur aan om als werkgevers samen
met werknemers en overheden een regeling te ontwikkelen. In het
artikelsgewijze deel van de Nota van toelichting is bij artikel 6.9 hier nader
op ingegaan.
13.10 Gemeentelijke verordening voor geluid
De mogelijkheid om bij gemeentelijke verordening van de standaard
afwijkende geluidsnormen te stellen heeft tot veel reacties geleid. Het
aspect rechtsbescherming speelde hierbij een grote rol. Zie ook paragraaf
7.1.2 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel 6.16.
13.11 Overige reacties
Naast de bovengenoemde reacties heeft het ministerie van VROM een
groot aantal meer technische en gedetailleerde opmerkingen ontvangen.
Deze toelichting biedt geen ruimte om daar inhoudelijk op in te gaan.
Deze opmerkingen hebben geleid tot overleg in de technische
werkgroepen of tot separaat overleg tussen deskundigen en de betreffende
branches of inrichtingen. Voor zover dit binnen de kaders en
uitgangspunten van het besluit past, zijn suggesties tot verduidelijking en
aanpassing overgenomen.
14. Notificatie
Het ontwerpbesluit is op 16 mei 2007 gemeld aan de Commissie van de
Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2007/0278/NL) ter
voldoening aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het
Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998
betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en
technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de
informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij Richtlijn
98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).
De volgende bepalingen bevatten vermoedelijk technische voorschriften:
artikel 2 tot en met artikel 4.
Staatsblad 2007 415 156
Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; ze
zijn evenredig en, daar waar nodig, voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling
met het oog op de wederzijdse erkenning.
Naar aanleiding van de notificatie zijn twee opmerkingen ontvangen:
1. wat betreft de definitie van inwonerequivalenten merkte de
Commissie op dat de term «inwonerequivalenten» niet is gedefinieerd in
het ontwerp van het besluit. Deze term is echter wel gedefinieerd in artikel
1.1, eerste lid, van de Wm, waarop het besluit mede is gebaseerd. De
definities van artikel 1.1 gelden voor die wet en voor de daarop berustende
bepalingen, zodat de definitie van inwonerequivalenten in de wet
ook voor dit besluit van toepassing is. Het is dan ook niet nodig om de
term nogmaals te definiëren in dit besluit. Overigens wijkt de definitie
van inwonerequivalenten in de Wm enigszins af van de definitie in artikel
2 van Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater
(PB L 135, hierna: «Richtlijn stedelijk afvalwater»). In de Wm is een
inwonerequivalent gedefinieerd als een biochemisch zuurstofverbruik van
54 gram per etmaal; biochemisch zuurstofverbruik staat daarbij voor de
massaconcentratie aan opgeloste zuurstof die gedurende vijf dagen wordt
verbruikt door biochemische oxydatie van organische bestanddelen onder
uitsluiting van ammoniumoxydatie onder omstandigheden die zijn
gespecificeerd in een door de minister aangewezen norm van het
Nederlands Normalisatie Instituut. In de Richtlijn stedelijk afvalwater is
een inwonerequivalent de biologisch afbreekbare organische belasting
met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen (BZV5) van
60 g zuurstof per dag. Bij de implementatie van de Richtlijn stedelijk
afvalwater in 1993 is bewust gekozen voor een strengere definitie van het
begrip inwonerequivalenten, die aansloot bij de destijds bestaande
praktijk (Kamerstukken II 1993–1994, 23603, nr. 3, p. 6). Het gevolg van de
strengere definitie in de Wm is, dat de verplichtingen van de Richtlijn
stedelijk afvalwater in Nederland tevens gelden voor lozingen uit
agglomeraties die volgens de Richtlijn stedelijk afvalwater niet onder de
betreffende verplichting vallen.
2. De Commissie was van mening dat artikel 3.4 van het ontwerpbesluit
niet duidelijk het verband geeft met artikel 3 van de Richtlijn stedelijk
afvalwater. Naar aanleiding van deze opmerking is het ontwerpbesluit
aangepast. In artikel 3.4 van het besluit is duidelijk gemaakt dat het lozen
van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater alleen is toegestaan
buiten de bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit
stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder
dan 2000 inwonerequivalenten. Met deze formulering wordt een
koppeling gelegd met artikel 10.33 van de Wm, waarin artikel 3 van de
Richtlijn stedelijk afvalwater is geïmplementeerd. Bij het verlenen van de
ontheffing, bedoeld in het vierde lid van artikel 10.33 Wm, wordt telkens
een individuele, gemotiveerde afweging gemaakt, waarbij de eisen van de
Richtlijn stedelijk afvalwater, inclusief de interpretatie daarvan conform de
«Terms and Definitions of the Urban Waste Water Treatment Directive
(91/271/EEC)», betrokken wordt.
Het ontwerpbesluit is niet aan de WTO gemeld, omdat het in dat kader
geen significante gevolgen heeft.
Het ontwerpbesluit is ook gemeld op basis van artikel 3, vierde lid, van
Richtlijn 91/689/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 94/31/EG van de Raad
van 27 juni 1994 en Verordening (EG) nr. 166/2006 van het Europees
Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van
een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigde
stoffen.
Staatsblad 2007 415 157
ARTIKELSGEWIJS
Hoofdstuk 1 Algemeen
Afdeling 1.1 Begripsbepalingen, reikwijdte en procedurele bepalingen
§ 1.1.1 Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In dit artikel zijn de technische begripsbepalingen opgenomen. In artikel
1.2 zijn de meer centrale definities opgenomen.
Met betrekking tot water
De besluiten waarin lozing van afvalwater vanuit inrichtingen vóór de
inwerkingtreding van dit besluit was geregeld, hanteerden verschillende
begripsomschrijvingen. Het begrippenkader in de Wm met betrekking tot
afvalwater en de voorzieningen waarin afvalwater wordt geloosd is met
de inwerkingtreding van de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke
watertaken per 1 januari 2008 aangepast. Daarbij is zoveel mogelijk
aangesloten bij begripsomschrijvingen uit Europese regelgeving, met
name bij richtlijn nr. 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk
afvalwater. Dit besluit hanteert dit aangepaste begrippenkader, ook voor
lozingen die onder de Wvo vallen.
In de omschrijving van het begrip lozen worden de verschillende
mogelijkheden genoemd om zich van afvalwater te ontdoen. Bij de eerste
twee, namelijk het direct brengen in het oppervlaktewater of op of in de
bodem, vindt lozing van afvalwater (al dan niet na zuivering) rechtstreeks
in het milieu plaats. Bij de overige mogelijkheden wordt geloosd in een
voorziening die voor het beheer (zoals inzameling, transport, nuttige
toepassing of verwijdering) van afvalwater is bestemd en wordt het
afvalwater vervolgens door de beheerder van die voorziening, al dan niet
na behandeling, in het milieu gebracht.
Daarbij kan het gaan om verschillende voorzieningen:
1. Een openbaar vuilwaterriool, beheerd door of namens de gemeente.
Stedelijk afvalwater wordt hiermee ingezameld en naar een zuiveringstechnisch
werk getransporteerd. Daarbij kan het zowel gaan om de
klassieke grootschalige rioolstelsels, waarmee omvangrijke woongebieden
worden gerioleerd, als om kleinschalige voorzieningen, waardoor
bijvoorbeeld in het buitengebied het afvalwater van slechts een beperkt
aantal lozers naar een kleinschalig zuiveringstechnisch werk wordt
getransporteerd. Uit de begripsomschrijvingen van openbaar vuilwaterriool
en stedelijk afvalwater in de Wm volgt dat van een openbaar
vuilwaterriool slechts sprake is als daardoor huishoudelijk afvalwater
wordt ingezameld en getransporteerd, al dan niet in combinatie met
afvloeiend hemelwater en bedrijfsafvalwater. Dat is in overeenstemming
met de primaire functie van het openbaar vuilwaterriool, namelijk
transport van bezinkbare en biologisch afbreekbare stoffen naar zuiveringsinstallaties
die primair voor verwijdering van die stoffen zijn
ontworpen.
2. Een openbaar hemelwaterstelsel, bestemd voor de inzameling en
verdere verwerking van afvloeiend hemelwater. Daarbij kan het gaan om
riolering; een zelfstandig hemelwaterriool of het hemelwatergedeelte van
een verbeterd gescheiden stelsel. Het kan ook gaan om een bovengrondse
voorziening voor afvoer en in het milieu terugbrengen van afvloeiend
hemelwater, zoals de zogenaamde wadi’s. Indien afvloeiend hemelwater
wordt ingezameld en getransporteerd door middel van een voorziening,
die tevens bestemd is voor inzameling en transport van huishoudelijk
afvalwater is er geen sprake van een openbaar hemelwaterstelsel, maar
Staatsblad 2007 415 158
van een openbaar vuilwaterriool. Door de vermenging is het relatief
schone afvloeiend hemelwater immers verontreinigd geraakt en moet het
verder als vuilwater worden behandeld.
3. Een openbaar ontwateringsstelsel bestemd voor de verwerking van
grondwater. Een dergelijke voorziening kan in de praktijk worden
gecombineerd met een voorziening voor het beheer van afvloeiend
hemelwater. Gelet op de in de Wm gehanteerde begripsomschrijvingen is
bij een dergelijke gecombineerde voorziening zowel sprake van een
openbaar hemelwaterriool als een openbaar ontwateringsstelsel.
4. Een andere voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater. Onder die restcategorie vallen enerzijds stelsels die van
overheidswege worden beheerd, maar bestemd zijn voor ander afvalwater
dan stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of overtollig
grondwater. Anderzijds vallen daaronder stelsels die niet door of namens
de overheid worden beheerd, maar bijvoorbeeld door een stichting die
een terrein beheert waar afvalwater vrijkomt. Veelal zal afvalwater uit
dergelijke stelsels uiteindelijk alsnog op een overheidsvoorziening worden
geloosd.
5. Zuiveringstechnisch werk waaronder zowel wordt verstaan de
grootschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties als kleinschalige door de
overheid beheerde zuiveringstechnische werken die in het buitengebied
om redenen van doelmatigheid worden toegepast als alternatief voor
aansluiting op het openbaar vuilwaterriool waarmee de bebouwde kom is
gerioleerd.
6. Een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, dat is aangesloten op een zuiveringstechnisch
werk. Hierbij gaat het om riolering, waarmee vanuit inrichtingen rechtstreeks
wordt geloosd op een zuiveringstechnisch werk (waaronder ook
vallen de bijbehorende transportleidingen).
Voor het reguleren van het lozen in voorzieningen voor het beheer van
afvalwater is het van belang, of het in de voorzieningen geloosde
afvalwater voordat het in het milieu wordt gebracht wordt gezuiverd in
een werk, dat (mede) voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is
bedoeld. Dit kan een zuiveringstechnisch werk zijn, of een zuiveringsvoorziening
die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de
Wvo, mede voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is bedoeld (dit kan
ook het geval zijn bij industriële zuiveringen, welke qua prestaties niet
verschillen van een zuiveringstechnisch werk, en waarin naast het
bedrijfsafvalwater ook stedelijk afvalwater van derden wordt gezuiverd). Is
dat wel het geval, dan verschillen de eisen voor het lozen voor verschillende
parameters van eisen die worden gesteld wanneer het lozen vanuit
de voorziening rechtstreeks in het milieu plaatsvindt. Om dit onderscheid
te maken wordt in dit besluit de omschrijving «vuilwaterriool» gebruikt.
Hieronder vallen naast een openbaar vuilwaterriool ook:
a. een andere voorziening voor de inzameling en het transport van
afvalwater die uitkomt op een zuiveringstechnisch werk, of op een
zuiveringsvoorziening die blijkens een vergunning als bedoeld in artikel 1,
eerste lid van de Wvo, voor het zuiveren van stedelijk afvalwater is
bestemd.
b. een werk, niet zijnde een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, aangesloten op een zuiveringstechnisch werk.
Met betrekking tot de overige begrippen
Bedrijventerrein
Het begrip bedrijventerrein is opgenomen omdat in artikel 2.17, derde
lid, ten aanzien van gevoelige objecten die op een bedrijventerrein zijn
gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het
begrip bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende bestemmings-
Staatsblad 2007 415 159
plannen. Het komt vaak voor dat een bestemmingsplan dat een bedrijventerrein
aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen.
Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel
uitmaken van een gebied dat in een bestemmingsplan is begrensd door
een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat
de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het
voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming
dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met
bedrijfsbestemmingen. Voor dergelijke percelen, bijvoorbeeld een
burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van
toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster
percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Als een bepaald
bedrijventerrein niet onder de definitie valt, bijvoorbeeld omdat nog geen
bestemmingsplan is vastgesteld, kan een gemeente desgewenst via een
gemeentelijke verordening een andere geluidswaarde vaststellen.
Beperkt kwetsbare objecten en kwetsbare objecten
In de oude besluiten werden tot dusverre uiteenlopende indelingen naar
kwetsbaarheid van objecten gehanteerd, al naar gelang van het type
risicobron (LPG-tankstation, opslag van propaan, CPR-15 inrichting). In dit
besluit zijn die indelingen zoveel mogelijk geharmoniseerd in de lijn van
het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Een uitgebreide toelichting op
de begrippen kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten is
opgenomen in de nota van toelichting van het Besluit externe veiligheid
inrichtingen.
Brandcompartiment
In artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 is voor brandcompartiment
de volgende definitie opgenomen: een gedeelte van één of
meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.
Bunkerstation
Voor deze definitie is aangesloten bij de definitie van bunkerstation
zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van het
Binnenschepenbesluit.
CMR-stof
CMR-stoffen zijn carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen. Het
betreft stoffen en preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr.
67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of
als Mutageen categorie 1 of 2 of als «voor de voortplanting giftig»
categorie 1 of 2. Het handelt dus alleen om producten die het symbool
«T» (Giftig) toegekend hebben gekregen. Voor een overzicht van deze
stoffen wordt verwezen naar de volgende overzichten van het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid:
– SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen;
– SZW-lijst van mutagene stoffen;
– Niet-limitatieve lijst van voor de voortplanting giftige stoffen.
Gasdrukmeet- en regelstations
Bij de categorie indeling van de gasdrukmeet- en regelstations is
aangesloten bij de indeling zoals deze is opgenomen in de NEN 1059.
Gevoelig object
Het begrip «gevoelig object» is een verzamelnaam voor gevoelige
gebouwen en gevoelige terreinen. De begrippen «gevoelige objecten»,
«gevoelige gebouwen» en «gevoelige terreinen» worden gebruikt om die
gebouwen en terreinen aan te wijzen die onder dit besluit beschermd
worden ten aanzien van hinder veroorzaakt door onder andere geluid,
geur en slagschaduw. Ten aanzien van het voorkomen dan wel zoveel
Staatsblad 2007 415 160
mogelijk beperken van hinder is het wenselijk en ligt het voor de hand dat
voor de verschillende aspecten (zoals geluid en geurhinder) van dezelfde
te beschermen objecten wordt uitgegaan. Gekozen is daarom om in dit
Besluit één definitie voor de te beschermen objecten te hanteren en
daarbij aan te sluiten bij de begrippen in de Wet geluidhinder. In een enkel
geval waar dit niet mogelijk is gebleken is dit duidelijk in het betreffende
artikel weergegeven.
Opslagtank
Opslagtanks kunnen stationair en mobiel zijn. Gezien de omschrijving
van «opslag» in de Dikke van Dale («een voorraad vormen van …») is er
geen sprake van opslag indien er een chemische reactie of vermenging
plaatsvindt. Alleen tanks waarin geen chemische reactie of vermenging
plaatsvindt worden daarom beschouwd als opslagtanks.
De grenzen van 150 en 300 liter geven het onderscheid tussen een tank
en een verpakking. Voor vervoer volgens de ADR is ook een flexibele of
stijve verpakking groter dan 300 liter toegestaan. Dit valt onder het begrip
intermediate bulk container (IBC) en wordt niet als een tank maar als een
verpakking beschouwt. Een IBC die voldoet aan het ADR is te herkennen
aan een kenmerk dat conform hoofdstuk 6.5 van het ADR bestaat uit:
– het UN-verpakkingssymbool;
– de code van het type IBC volgens 6.5.1.4 beginnend met de cijfers 11,
13, 21 of 31, daarna een letter A voor staal, B voor aluminium, N voor
ander metaal, H voor kunststof (bij combinatieverpakking H en de letter
van de buitenverpakking), L voor textiel, M voor papier, G voor karton en
C, D en F voor verschillende houtsoorten.
– een hoofdletter X, Y of Z om de verpakkingsgroepen aan te geven;
– de maand en laatste twee cijfers van het jaar van fabricage;
– de staat van toekenning van het kenmerk (aangeduid via het verkeerskenmerk);
– naam of merkteken van de fabrikant;
– de belasting in kilogram waarbij de stapelproef is uitgevoerd; en
– de grootste toelaatbare bruto massa in kilogram.
Het begrip verpakking wordt niet apart gedefinieerd. Daaronder valt in
ieder geval een verpakking die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
over de weg is toegelaten. Maar ook andere verpakkingen dan verpakkingen
die zijn toegelaten voor het vervoer over de weg kunnen
voorkomen. Voor alle verpakkingen die worden gebruikt voor gevaarlijke
stoffen gelden de voorschriften in paragraaf 4.1.1 van het besluit en de
regeling.
Vloeibare brandstof
De Wet op de accijns onderscheidt in artikel 26 verschillende soorten
minerale olie aan de hand van internationaal vastgestelde UN-codes. De
verschillende klassen zijn:
– methaan (bijvoorbeeld aardgas)
– vloeibaar gemaakt petroleumgas (bijvoorbeeld LPG)
– lichte olie (bijvoorbeeld benzine)
– halfzware olie (bijvoorbeeld kerosine en petroleum)
– gasolie (bijvoorbeeld diesel en huisbrandolie)
– zware stookolie.
Het begrip «vloeibare brandstof» wordt zo gedefinieerd dat alleen de
klassen van stoffen die vloeibaar zijn bij atmosferische druk en gemiddelde
buitentemperaturen er onder vallen, dit zijn lichte olie, halfzware
olie en gasolie. Door aan te sluiten bij deze indeling is het onderscheid dat
in de tot voor kort geldende besluiten gemaakt werd tussen vloeibare
brandstoffen en brandbare vloeistoffen niet meer relevant.
Staatsblad 2007 415 161
Woning
Het uitgangspunt is dat het milieurecht is geschreven ter bescherming
van het belang van het milieu en het ruimtelijke ordeningsrecht bevoegdheden
geeft in verband met een goede ruimtelijke ordening. Bij illegale
bewoning van een gebouw dient het bevoegd gezag te handhaven op
grond van het ruimtelijk ordeningsrecht.
Het kan echter voorkomen dat illegaal bewoonde gebouwen onbedoeld
akoestisch worden beschermd, omdat het bevoegd gezag het bestemmingsplan
niet kan of wil handhaven. Vanwege de onwenselijkheid
hiervan, zal evaluatie plaatsvinden van de betekenis van het begrip
woning in verschillende wetten en besluiten. Dit onderzoek zal betrekking
hebben op meer wetten en regels dan alleen dit besluit. Daarbij zal ook
meegenomen worden de problemen van dienstwoningen en woningen op
bedrijventerreinen.
Artikel 1.2
In dit artikel zijn de centrale begripsbepalingen opgenomen. Hieronder
wordt een aantal van deze nog verder toegelicht.
Bevoegd gezag
Op grond van artikel 1.1 van de wet wordt onder «bevoegd gezag»
verstaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het geven van een
beschikking of het nemen van een ander besluit. Daaronder valt ook het
bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 van
de wet af te geven. Het begrip «bevoegd gezag» in dit besluit omvat mede
dit begrip. Daarnaast wordt onder bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan
dat bevoegd zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de
wet af te geven. Daarmee wordt gedoeld op situaties waarin geen
vergunning (meer) is vereist.
Dit betekent dat voor inrichtingen die onder dit besluit vallen burgemeester
en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen,
in de regel het bevoegd gezag zijn. Voor lozingen die onder de Wvo vallen
is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Op de bevoegdheidsverdeling
tussen de Wm en de Wvo met betrekking tot lozingen wordt
ingegaan in paragraaf 3.4.1 van het algemeen deel van de toelichting.
Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat indien in een
voorkomend geval de provinciale staten het bevoegd gezag zijn en op
grond van dit besluit het bijvoorbeeld mogelijk is om maatwerkvoorschriften
op te stellen, ook hiervoor provinciale staten het bevoegd
gezag zijn en dat deze bevoegdheid dus niet toekomt aan burgermeester
en wethouders.
Inrichting type A, inrichting type B en inrichting type C
Het begrip inrichting is in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer
gedefinieerd als elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof
zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere
begrenzing pleegt te worden verricht. Om onder de werking van dit
besluit te vallen, moet de inrichting behoren tot een in het Inrichtingen- en
vergunningenbesluit milieubeheer genoemde categorie.
Inrichtingen met een gpbv-installatie (ook wel IPPC-inrichtingen) vallen
buiten de reikwijdte van dit besluit (zie voor de relatie tussen dit besluit en
de IPPC-richtlijn de algemene toelichting). Op grond van artikel 8.1, eerste
lid, van de wet is het verboden een dergelijke inrichting op te richten, te
veranderen (of de werking daarvan te veranderen) en in werking te
hebben zonder een vergunning. Dit besluit is niet van toepassing op
IPPC-inrichtingen.
Staatsblad 2007 415 162
Drie typen inrichtingen vallen onder dit besluit (zie ook de algemene
toelichting, paragraaf 3.3). Om te voorkomen dat er onduidelijkheid
bestaat over welke voorschriften op welke inrichting van toepassing zijn,
is onderscheid gemaakt tussen inrichtingen van het type A, B en C. In
artikel 1.4 wordt vervolgens aangegeven aan welke voorschriften degene
die een van deze typen inrichtingen drijft dient te voldoen.
Inrichting type A
Onder een inrichting type A wordt verstaan een inrichting die, behalve
de in de begripsbepaling genoemde activiteiten, geen andere (deel)activiteiten,
genoemd in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit of in de
ministeriële regeling, verricht. Wanneer de inrichting geen andere dan de
in de begripsbepaling genoemde activiteiten verricht, bestaat de
verwachting dat de inrichting dusdanig weinig milieurelevant is dat het
niet nodig is dat deze inrichting zich meldt bij het bevoegd gezag. Zie
hierover de toelichting bij artikel 1.4.
De criteria voor een inrichting type A zijn gebaseerd op de vraag
wanneer een inrichting dermate geringe gevolgen voor het milieu heeft
dat het bevoegd gezag alleen bij problemen hoeft te controleren en voor
oprichting geen beoordeling van het bevoegd gezag nodig is. Dit geldt in
het algemeen zodra er een activiteit plaatsvindt waarvoor in hoofdstuk 3
of 4 voorschriften zijn gesteld, behalve als het om een zeer kleinschalige
of relatief weinig milieubelastende activiteit gaat. Een belangrijk
aandachtspunt naast de activiteiten van hoofdstuk 3 en 4 is het akoestisch
onderzoek. Aangezien geluid alleen in hoofdstuk 2 van dit besluit geregeld
is, zijn activiteiten waar geluid het enige relevante milieuaspect is, niet
opgenomen in hoofdstuk 3 en 4. Om die reden zijn de criteria onder b tot
en met d opgenomen. Dit zijn gevallen waarin het bevoegd gezag kan
besluiten dat een akoestisch rapport bij de melding gevoegd moet
worden. In onderdeel e is daarnaast toegevoegd dat geen koelinstallatie
met meer dan 30 kilogram koudemiddel aanwezig mag zijn. Het criterium
van 30 kilogram is ontleend aan de Regeling lekdichtheid koelinstallaties
die is gebaseerd op het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003. De
koudemiddelinhoud van een koelinstallatie staat vermeld in de bij die
installatie behorende gebruiksaanwijzing. De gebruiksaanwijzing moet bij
de installatie aanwezig zijn volgens die regeling. Door de grens van 30
kilogram hoeft er bij simpele koelinstallaties bij slagers, horeca en
koelcellen bij instellingen nog niet gemeld te worden maar wel voor grote
koelinstallaties in supermarkten, koel- en vriespakhuizen en de procesindustrie.
Een akoestisch rapport vooraf kan nodig zijn bij dergelijke grote
installaties vanwege de condensors. Er wordt een opsomming gegeven
van 1–10 van (deel)activiteiten uit hoofdstuk 3 en 4 die niet hoeven te
worden gemeld. Het gaat dan om activiteiten of installaties waarvoor
geen of alleen zeer algemene voorschriften gelden.
Bij het inwerking hebben van een noodstroomaggregaat is toegevoegd
dat dit aggregaat maximaal 50 uur per jaar in bedrijf mag zijn. 50 Uur is
meer dan voldoende voor stroomstoringen en proefruns. Als een
inrichting een noodstroomaggregaat langer wil gebruiken, bijvoorbeeld
om pieken in het elektriciteitsgebruik te scheren, is een aanvullende
beoordeling door het bevoegd gezag nodig. Aangezien noodstroomaggregaten
niet de meest schone, stille en zuinige dieselmotoren
bevatten, is in die gevallen een melding nodig zodat het bevoegd gezag
kan beoordelen of maatwerkvoorschriften nodig zijn voor het aggregaat.
Een noodstroom aggregaat hoeft niet gemeld te worden als in het
aggregaat een geïntegreerde opslag van diesel zit.
Inrichting type B
Een inrichting type B betreft een inrichting waarvoor geen vergunning
als bedoeld in artikel 8.1 van de wet is vereist. Hieronder vallen de
Staatsblad 2007 415 163
inrichtingen die voorheen volledig vielen onder één van de 8.40-besluiten
(oude stijl), die door dit besluit zijn vervallen. Maar ook inrichtingen die
bijvoorbeeld activiteiten met betrekking tot metaal verrichten, welke
nieuw in dit besluit zijn gereguleerd, zijn een inrichting type B, voor zover
ze geen IPPC-inrichtingen zijn en niet genoemd worden in de bijlage bij dit
besluit.
In de begripsbepaling van inrichting type B is expliciet aangegeven dat
een dergelijke inrichting niet ook een inrichting type A of inrichting C kan
zijn. Het is derhalve niet mogelijk dat een inrichting tegelijkertijd een
inrichting van meerdere types is.
Inrichting type C
De inrichtingen type C betreffen de inrichtingen die activiteiten
verrichten waarvoor dit besluit voorschriften bevat, maar waarop
eveneens hetzij een vergunning, hetzij het Besluit landbouw milieubeheer
of (een deel van) het Besluit glastuinbouw van toepassing is. In het Besluit
landbouw milieubeheer zijn algemene regels opgenomen voor landbouwinrichtingen.
Het Besluit landbouw milieubeheer zal mogelijk tezijnertijd in
dit besluit worden opgenomen. Ook op de inrichtingen die onder het
Besluit glastuinbouw vallen zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van
toepassing. Dit geldt zowel voor de vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijf
type A, zie artikel 2, onderdeel b, van het Besluit glastuinbouw) als
voor de niet-vergunningplichtige (glastuinbouwbedrijven type B, zie
artikel 2, onderdeel c, van het Besluit glastuinbouw) glastuinbouwbedrijven.
De vergunningplichtige glastuinbouwbedrijven vallen onder de
beschrijving «inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen als
bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de wet». Om ook de glastuinbouwbedrijven
type B onder dit besluit te laten vallen is in de begripsbepaling
opgenomen dat deze inrichtingen behoren tot inrichting type C.
Staatsblad 2007 415 164
Via onderstaand stroomschema is na te gaan met wat voor type inrichting men van doen heeft.
Staatsblad 2007 415 165
Maatwerkvoorschrift
In artikel 8.42 van de Wm is de term «nadere eis» vervangen door het
ruimere «voorschriften». Het kan bij daarbij zowel gaan om nadere
voorschriften als in een voorkomend geval om afwijkende voorschriften.
Deze voorschriften worden in dit besluit geduid als maatwerkvoorschriften.
Om daarmee tot uitdrukking te brengen dat het hierbij gaat om het
maatwerk dat noodzakelijk is wanneer gewerkt wordt met algemene
regels. In het gros van de gevallen zullen de algemene regels volstaan,
echter in het enkele geval dat de algemene regels niet passend zijn zal er
de mogelijkheid moeten zijn voor maatwerk. Deze mogelijkheid is dus
opgenomen in de vorm van maatwerkvoorschriften. In de definitie
bepaling van de term «maatwerkvoorschrift» is tot uitdrukking gebracht
dat het hier gaat om de voorschriften als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid,
van de wet. De maatwerkvoorschriften kunnen twee verschijningsvormen
hebben, namelijk een ambtshalve beschikking waarbij het bevoegd gezag
aanvullende eisen stelt (onderdeel a) dan wel een ontheffing waarbij het
bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing
verklaart al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden
(onderdeel b). Uit de aard van de bepaling waarin de bevoegdheid tot het
stellen van maatwerkvoorschriften is opgenomen wordt duidelijk welke
verschijningsvormen het maatwerkvoorschrift in het desbetreffende geval
kan hebben. Het stellen van aanvullende eisen kan ook inhouden dat er bij
maatwerkvoorschrift een nadere invulling wordt gegeven aan een
bepaling, zoals dat het geval is in artikel 2.1, derde lid, waardoor bij
maatwerkvoorschrift nadere invulling kan worden gegeven aan de
zorgplicht. Ook in artikel 2.11, tweede lid, gaat het om een nadere
invulling. Een ander voorbeeld van een maatwerkvoorschrift als bedoeld
in onderdeel a is artikel 2.14. In dat artikel is opgenomen dat het bevoegd
gezag maatwerkvoorschriften kan stellen met betrekking tot het als
grondstof inzetten van een afvalstof zijnde metaal, hout, kunststof of
textiel voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of
onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, kunststof of textiel, indien
de eigenschappen van de afvalstof afwijken van de gangbare grondstof.
Een voorbeeld van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel b
van de begripsomschrijving vormt het maatwerkvoorschrift op grond van
het derde lid van artikel 2.2. In dat artikellid is opgenomen dat het
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift kan bepalen dat het eerste en
tweede lid van dat artikel niet van toepassing zijn en dat lozen in het
oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool
is toegestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich
gelet op de samenstelling, hoeveelheid en eigenschappen van het
afvalwater daartegen niet verzet. Ook in artikel 2.20, zesde lid, is een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel b opgenomen. Het bevoegd
gezag kan, in afwijking van de waarden bedoeld in de artikelen 2.17 en
2.19, bij maatwerkvoorschrift voor bepaalde activiteiten in een inrichting
andere waarden vaststellen. In artikel 3.1, zevende lid, is de mogelijkheid
opgenomen om maatwerkvoorschriften op te nemen die zowel een
maatwerkvoorschrift als bedoeld in onderdeel a als in onderdeel b kunnen
inhouden.
Vergunning
Vergunning is gedefinieerd als de vergunning op grond van artikel 8.1,
eerste lid, van de wet, waarbij «de wet» staat voor de Wet milieubeheer. In
dit besluit wordt ook van vergunning gesproken indien sprake is van een
vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Indien van het laatste sprake is, is dit expliciet in de betreffende artikelen
vermeld.
Staatsblad 2007 415 166
Artikel 1.3
Ten behoeve van het vrij verkeer van goederen en diensten binnen de
Europese Unie regelt dit artikel de wederzijdse erkenning van goederen
die elders op rechtmatige wijze zijn vervaardigd en in de handel gebracht,
en de wederzijdse erkenning van keuringsverklaringen en beroepseisen.
Zo is in een aantal voorschriften van dit besluit bepaald dat een
onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerde instantie.
Mede in het kader van de wederzijdse erkenning van instellingen, is in
deze voorschriften ruimte geboden dat het onderzoek wordt uitgevoerd
door een ten minste gelijkwaardige instelling, een instelling die
aantoonbaar over ten minste gelijkwaardige vaardigheden beschikt, of
door een geaccepteerd deskundige.
Van de wederzijdse erkenning moet worden onderscheiden het
gelijkwaardigheidsbeginsel uit artikel 1.8. Het gelijkwaardigheidsbeginsel
beoogt de toepassing van alternatieve middelen mogelijk te maken. De
wederzijdse erkenning daarentegen beoogt de ongehinderde toepassing
van buiten Nederland vervaardigde producten te garanderen.
§ 1.1.2 Reikwijdte en andere procedurele bepalingen
Artikel 1.4
Eerste lid
Inrichtingen type A zijn inrichtingen die dusdanig weinig milieurelevant
zijn dat het niet nodig is dat deze inrichtingen zich melden. Afdeling 1.2 is
dan ook niet van toepassing op deze inrichtingen. Daarnaast volgt uit de
begripsbepaling van inrichtingen type A dat de hoofdstukken 3 en 4 in
beginsel niet van toepassing zijn, omdat indien sprake is van de daarin
gereguleerde activiteiten geen sprake kan zijn van een dergelijke
inrichting. Voor een aantal expliciet in de begripsbepaling genoemde
activiteiten is echter een uitzondering gemaakt. Dit brengt met zich mee
dat de voorschriften van hoofdstuk 3 en 4 die betrekking hebben op (het
deel van) de genoemde activiteiten wel op inrichtingen type A van
toepassing zijn.
Tweede lid
Op inrichtingen type B is in principe het gehele besluit van toepassing.
Het spreekt voor zich dat de voorschriften uit hoofdstuk 3 en 4 voor
activiteiten die de inrichting niet verricht, niet relevant zijn voor de
inrichting.
Derde lid
Op inrichtingen type C zijn de voorschriften uit hoofdstuk 3 van dit
besluit van toepassing. Tevens is:
– paragraaf 4.1.5 van toepassing voor zover deze betrekking heeft op het
brengen van afvalwater of andere afvalstoffen, verontreinigende of
schadelijke stoffen in het oppervlaktewater, met behulp van een werk dat
niet op een ander werk is aangesloten of op een andere wijze dan met
behulp van een werk.
– artikel 4.18 van toepassing ten aanzien van een warmtekrachtinstallatie
waarop paragraaf 3.2.1, van toepassing is;
– artikel 4.6 van toepassing voor zover het het opslaan van ten hoogste
3.000 liter gasolie, smeerolie en afgewerkte olie bij een inrichting als
bedoeld in artikel 3.17, betreft;
– paragraaf 4.8.2 van toepassing voor zover het gaat om een inrichting
waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen
die gewoonlijk wordt aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen.
Staatsblad 2007 415 167
De voorschriften uit hoofdstuk 1, de afdelingen 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 van
hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 zijn slechts van toepassing, voor zover deze
betrekking hebben op een activiteit of deelactiviteiten, bedoeld in
onderdelen a tot en met e.
In hoofdstuk 3 staan de voorschriften ten aanzien van de activiteiten die
voorheen in het Besluit tandartspraktijken milieubeheer, in bijlage 1 van
het Besluit voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit
tankstations milieubeheer waren opgenomen. Deze besluiten waren
gebaseerd op artikel 8.44 van de wet, waardoor de daarin opgenomen
voorschriften ook van toepassing waren op vergunningplichtige inrichtingen.
In navolging daarvan zijn deze voorschriften ook van toepassing
op een inrichting type C. Hoofdstuk 3 is bovendien aangevuld met
voorschriften ten aanzien van een aantal activiteiten met betrekking tot
water die bij vele inrichtingen plaatsvinden (lozen van huishoudelijk
afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater) en waarvoor het
wenselijk wordt geacht dat deze voorschriften ook bij inrichtingen type C
gelden.
Voor inrichtingen type C geldt dat de overige voorschriften van dit
besluit slechts van toepassing zijn, voor zover deze voorschriften
betrekking hebben op een activiteit uit hoofdstuk 3, of een lozing in het
oppervlaktewater in paragraaf 4.1.5.
Dit betekent dat, ook al verricht een inrichting type C een activiteit
waarvoor in hoofdstuk 4 voorschriften zijn opgenomen, die voorschriften
niet van toepassing zijn op de inrichting. Voor deze activiteit zullen
voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen. Hierop
bestaat één uitzondering: voorschriften met betrekking tot het lozen in het
oppervlaktewater die in paragraaf 4.1.5 zijn opgenomen, gelden ook voor
dergelijk lozen in het oppervlaktewater vanuit een inrichting type C.
Hiervoor is gekozen omdat, wanneer dergelijke lozingen de enige lozingen
in het oppervlaktewater vanuit de desbetreffende inrichting zouden zijn,
hiervoor een afzonderlijke Wvo vergunning verleend zou moeten worden.
Dit is uit oogpunt van administratieve lasten onwenselijk. De voorschriften
die met betrekking tot het lozen in het oppervlaktewater in paragraaf 4.1.5
zijn opgenomen waarborgen ook bij inrichtingen type C een adequate
bescherming van het milieu, zodat deze uitzondering op de hoofdregel dat
de voorschriften van hoofdstuk 4 niet van toepassing zijn op een
inrichting type C milieuhygiënisch verantwoord is.
Een en ander kan in het volgende schema worden weergegeven. Een ja
staat voor volledig van toepassing. Voor de volledigheid zijn ook de
inrichtingen met een gpbv-installatie opgenomen in het schema. Op deze
inrichtingen is dit besluit niet van toepassing.
Activiteitenbesluit Inrichting type A Inrichting type B Inrichting type C IPPC inrichtingen
Afdeling 1.1 ja ja Alleen van toepassing voor
zover het uit activiteiten
voortvloeit
nee
Afdeling 1.2 nee ja Idem idem
Afdeling 2.1, 2.2, 2.4 en 2.10 ja ja Idem idem
Afdeling 2.3, 2.5 t/m 2.9 ja ja nee idem
Hoofdstuk 3 Alleen als het activiteiten
betreft die in de definitie bij
type A zijn genoemd
ja ja idem
Staatsblad 2007 415 168
Activiteitenbesluit Inrichting type A Inrichting type B Inrichting type C IPPC inrichtingen
Hoofdstuk 4 Idem ja Alleen met betrekking tot:
paragraaf 4.1.5
artikel 4.6;
artikel 4.18;
paragraaf 4.8.2
idem
Hoofdstuk 6 ja ja Alleen van toepassing voor
zover het uit de activiteiten
voortvloeit
Idem
(zie voor de overgangsrechtelijke
uitzonderingen:
artikel 6.7)
Uit dit artikel kan naast de reikwijdte van het besluit voor elk type
inrichting tevens worden afgeleid dat degene die de inrichting van het
betreffende type inrichting drijft, de normadressaat van de bij of krachtens
dit besluit gestelde voorschriften is. Binnen het stelsel van de Wet
milieubeheer wordt degene die de inrichting drijft, primair verantwoordelijk
geacht voor de naleving van de voorschriften of de beperkingen die
aan de inrichting zijn gesteld. In artikel 8.20, eerste lid, van de Wet
milieubeheer is dat expliciet verwoord in het kader van de vergunning.
Ook artikel 1.4 bewerkstelligt dat geen discussie behoeft te ontstaan over
het feit dat degene die de inrichting drijft, ervoor zorg draagt dat de
voorschriften worden nageleefd. Dat betekent dat degene die de
eindverantwoordelijkheid voor het functioneren van de inrichting draagt,
bouwkundige, technische of organisatorische maatregelen treft om te
waarborgen dat de voorschriften worden nageleefd en dat milieubedreigende
of -schadelijke situaties worden voorkomen. Een en ander
laat onverlet dat zonodig ook tegen andere personen, zoals werknemers,
strafrechtelijk kan worden opgetreden.
De onderdelen c en d hebben betrekking op specifieke gevallen. Bij een
warmtekrachtinstallatie waarvoor dit besluit voorschriften stelt, is ook het
keuringsregime van artikel 4.18 van toepassing. Het Besluit tankstations
milieubeheer stelde in bijlage 1, onderdeel 9, voorschriften voor het
opslaan van gasolie, smeerolie en afgewerkte olie in bovengrondse tanks,
die ook van toepassing waren bij vergunningplichtige tankstations. Door
de toevoeging in onderdeel d blijven in die gevallen de relevante eisen uit
paragraaf 4.1.3 gelden.
Het Besluit jachthavens bevatte een instructieregeling die bedoeld was
om te voorkomen dat er lacunes kunnen ontstaan bij de implementatie
van Europese richtlijn nr. 2000/59/EG van 27 november 2000 betreffende
havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingsresiduen.
Deze richtlijn is in hoofdzaak geïmplementeerd via de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen (Wvvs). De regels die die wet stelt zijn
vooral bedoeld voor de beroepsvaart en gaan verder dan de eisen die het
Besluit jachthavens en dit besluit stellen. De regels van die wet gelden
uitsluitend voor havens die zijn aangewezen bij of krachtens artikel 6 van
die wet. Hoewel het zeldzaam is, is het niet uitgesloten dat havens die niet
op die manier zijn aangewezen toch worden aangedaan door zeegaande
pleziervaartuigen. In die gevallen moeten op grond van de richtlijn
dezelfde eisen gelden voor de havenontvangstvoorzieningen. Via dit
artikellid wordt er voor gezorgd dat in die gevallen de relevante artikelen
van dit besluit ook gelden. Anders dan bij het Besluit jachthavens wordt
dit niet gedaan door een instructieregeling maar door het rechtstreeks van
toepassing verklaren van de relevante paragraaf. Voor vergunningplichtige
jachthavens die worden aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen
en die niet zijn aangewezen bij of krachtens artikel 6 van de Wvvs
gelden daardoor alle bepalingen over het innemen van afvalstoffen
ongeacht het aantal ligplaatsen. Voor vergunningplichtige jachthavens die
worden aangedaan door zeegaande pleziervaartuigen en die wel zijn
Staatsblad 2007 415 169
aangewezen bij of krachtens artikel 6 van de Wvvs komt deze bepaling
erop neer dat de lozingsvoorschriften voor ingenomen huishoudelijk
afvalwater, chemische toiletten en de afgescheiden waterfractie van
bilgewater van pleziervaartuigen aan de regeling van de Wvvs worden
toegevoegd.
Vierde en vijfde lid
Ten aanzien van het normadressaat wijkt de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren af van de Wet milieubeheer. In de systematiek van de
Wvo is degene die loost de normadressaat van voorschriften met
betrekking tot het brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
stoffen in oppervlaktewater. Het vierde en vijfde lid zorgen er voor dat
de normadressaat van de voorschriften van het besluit met betrekking tot
lozingen waarvoor de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag is, in
overeenstemming is met de systematiek van de Wvo. Er is daarbij een
uitzondering gemaakt voor afdeling 1.2 van het besluit, die betrekking
heeft op de melding. Hiermee wordt voorkomen dat lozingen of wijzigingen
daarvan dubbel gemeld zouden moeten worden. Het is vanzelfsprekend
voldoende dat degene die de inrichting drijft een nieuwe of
gewijzigde lozing meldt.
Artikel 1.5
In de wet is in artikel 8.1, tweede lid, de mogelijkheid gegeven om naast
de IPPC-inrichtingen ook andere categorieën van inrichtingen als
vergunningplichtig aan te wijzen. Tot nu toe werkte het systeem
andersom. In de 8.40-besluiten werd aangegeven of een inrichting onder
de algemene regels viel. Doordat het systeem is omgekeerd is een lijst
met categorieën van inrichtingen die vergunningplichtig zijn gemaakt.
Deze lijst is in de bijlage 1 opgenomen. Zie verder toelichting bij de
bijlage.
Artikel 1.6
Met betrekking voor het reguleren van lozingen is er in dit besluit voor
gekozen om bij inrichtingen die voor wat betreft de Wm onder dit besluit
vallen in beginsel ook alle lozingen op grond van de Wvo middels dit
besluit te reguleren. Conform de Wm wordt hierbij de vergunningplicht
vervangen door algemene regels. Hiervoor moet op grond van artikel 2a,
tweede lid, van de Wvo in het besluit worden bepaald dat de verboden als
gevolg van artikel 1 van die wet niet langer voor de aan te wijzen
categorieën gelden. Dit is in artikel 1.6 in de eerste plaats gedaan voor
lozingen vanuit inrichtingen type A en B die daardoor volledig door
middel van dit besluit zijn gereguleerd. Voor deze lozingen kan dus ook
geen sprake zijn van een Wvo-vergunningplicht. Daarnaast is hieraan
deels uitvoering gegeven voor inrichtingen type C. Bij inrichtingen type C
heeft dit besluit betrekking op alle lozingen die het gevolg zijn van
activiteiten waarvoor regels zijn gesteld in hoofdstuk 3 en op lozingen in
het oppervlaktewater die het gevolg zijn van activiteiten waarvoor regels
zijn gesteld in paragraaf 4.1.5. De werking van het hierna te bespreken
artikel 2.2 brengt daarnaast met zich mee dat het besluit ook van
toepassing is op lozingen waar weliswaar geen expliciete voorschriften
voor zijn opgenomen, maar die wel betrekking hebben op een van de
activiteiten genoemd in hoofdstukken 3 en 4. Voor lozingen vanuit
inrichtingen type C die betrekking hebben op activiteiten die niet onder de
reikwijdte van dit besluit vallen geldt onverkort de vergunningplicht op
grond van artikel 1 van de Wvo.
Voor een aantal categorieën lozingen in het oppervlaktewater vanuit
onder dit besluit vallende inrichtingen is dit besluit niet van toepassing.
Het betreft lozingen die gereguleerd zijn door middel van het Besluit
Staatsblad 2007 415 170
bodemkwaliteit, het Lozingenbesluit Wvo vaste objecten, het Besluit
glastuinbouw en het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Besloten
is om deze besluiten niet met onderhavig besluit te integreren, mede
omdat ze naast lozingen vanuit inrichtingen ook betrekking hebben op
lozingen buiten inrichtingen.
Het Besluit bodemkwaliteit voorziet in algemene regels voor de
toepassing van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Bepaalde toepassingen
van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater
vallen niet onder dat besluit. Voor dergelijke toepassingen dient de
vergunningplicht op grond van artikel 1 Wvo onverkort te blijven bestaan.
Om deze reden zijn alle toepassingen van bouwstoffen, grond en
baggerspecie in oppervlaktewater uitgezonderd van de werkingssfeer van
het onderhavige besluit. Indien een toepassing van bouwstoffen, grond of
baggerspecie in oppervlaktewater binnen een inrichting niet door middel
van het Besluit bodemkwaliteit geregeld wordt, is niet het onderhavige
besluit, maar artikel 1 van de Wvo van toepassing.
Een vergelijkbare afstemmingsbepaling geldt voor het lozen en het
gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater ten gevolge
van agrarische activiteiten dan wel van activiteiten die daarmee verband
houden, als bedoeld in het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.
Artikel 2, eerste lid, onderdeel a en c tot en met m van het Lozingenbesluit
open teelt en veehouderij noemt activiteiten waarvoor de vergunningplicht
op grond van artikel 1 Wvo blijft gelden. Het onderhavige besluit
brengt daarin geen verandering.
Artikel 1.7
Eerste lid
Onderdeel a
De artikelen 8.40, eerste lid, en 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer
en artikel 2a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren maken het
mogelijk om op het niveau van de ministeriële regeling regels te stellen.
Het voordeel hiervan is dat, gelet op de korte proceduretijd, veel sneller
wijzigingen kunnen worden doorgevoerd dan in het geval van een
algemene maatregel van bestuur. In de ministeriële regeling zal het
merendeel van de middelvoorschriften worden opgenomen. Hierbij wordt
een onderscheid gemaakt tussen verplichte en erkende maatregelen (zie
paragraaf 6.4 van het algemeen deel van de toelichting). De ministeriële
regeling bevat allereerst regels die de voorschriften ten aanzien van de in
dit besluit opgenomen activiteiten uitwerken. Hierbij kan worden gedacht
aan middelvoorschriften ter uitwerking van de doelvoorschriften uit dit
besluit, maar ook een nadere uitwerking van keuringen of de uitvoering
van bepaalde in het besluit genoemde maatregelen (onderdeel a). Juist
met betrekking tot de middelvoorschriften bestaat de behoefte aan het
snel doorvoeren van wijzigingen, bijvoorbeeld wanneer door innovatie
nieuwe technieken beschikbaar komen, die als erkende maatregelen
kunnen dienen.
Onderdeel b
In onderdeel b is geregeld dat bij ministeriële regeling oppervlaktewateren
kunnen worden aangewezen die met het oog op lozingen geen
bijzondere bescherming behoeven. Voor dergelijke oppervlaktewateren
gelden bij bepaalde lozingen andere regels dan voor oppervlaktewateren,
waarvoor juist wel een bijzondere bescherming vereist is.
Onderdeel c
In onderdeel d wordt de mogelijkheid geboden om bij ministeriële
regeling bepaalde activiteiten aan te wijzen die volgens de begripsomschrijving
bodembedreigend zijn, maar waarvoor afdeling 2.4 toch niet
Staatsblad 2007 415 171
van toepassing is. Er rust op de drijver van de inrichting dus geen
verplichting om voorzieningen en maatregelen te treffen waarmee een
verwaarloosbaar bodemrisico wordt bereikt. Bovendien bestaat er geen
verplichting tot het verrichten van een nul- en een eindsituatiebodemonderzoek.
Aanwijzing van activiteiten vindt alleen plaats indien deze,
gelet op de aard of de hoeveelheid van de daarbij gebruikte of vrijkomende
stoffen, geen risico op verontreiniging of aantasting van de bodem
opleveren.
Tweede lid
Artikel 8.42 van de wet biedt de grondslag om in de regeling mogelijk te
maken dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stelt met betrekking
tot de in de regeling opgenomen voorschriften ten aanzien van activiteiten.
Het gaat hierbij om de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te
stellen met betrekking tot de in de ministeriële regeling opgenomen
technische voorschriften. Ook hierbij zullen in het overgrote deel van de
gevallen de algemene regels voldoende zijn. Maar ook hier kunnen zich
bijzondere situaties voordoen waarin dat niet het geval is. Wanneer zo’n
situatie zich kan voordoen kan in de ministeriële regeling de bevoegdheid
worden opgenomen om bij maatwerkvoorschrift aanvullende voorschriften
(beschikking ambtshalve) te stellen dan wel om bij maatwerkvoorschrift
een voorschrift niet van toepassing te verklaren (ontheffing te
verlenen). Zo worden er in de ministeriële regeling gedetailleerde eisen
gesteld in verband met het beperken van geurhinder. Daarnaast kan het
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de situering van
de afvoerpijp indien deze situering in verband met de specifieke situatie
tot overlast kan leiden. Hoewel het mogelijk is om bij deze maatwerkvoorschriften
een voorschrift van de ministeriële regeling niet van
toepassing te verklaren, is het niet mogelijk om daarbij regels op te
nemen die afwijken van of in strijd zijn met de voorschriften die in dit
besluit zijn opgenomen.
Derde lid
In dit besluit en in de regeling wordt op verschillende plekken verwezen
naar niet-publiekrechtelijke regelingen, zoals Publicaties in de publicatiereeks
gevaarlijke stoffen (PGS) en NEN-normen. Dergelijke normen blijken
in de praktijk geregeld te worden aangepast. In de voorgaande
8.40-besluiten werd in de besluiten aangewezen welke uitgave van
toepassing was. Dit had tot gevolg dat de verwijzing in die besluiten
geregeld moesten worden aangepast. In dit artikel wordt het mogelijk
gemaakt om bij ministeriële regeling aan te geven welke uitgave van
dergelijke niet-publiekrechtelijke normen van toepassing is. Ditzelfde geldt
voor de NeR en de NRB. Dit zijn geen zuiver niet-publiekrechtelijke
normen en worden derhalve expliciet genoemd. De aanpassing van een
ministeriële regeling vergt veel minder tijd dan de aanpassing van dit
besluit. Op grond van artikel 6.41 is het mogelijk in verband met een
wijziging van een niet-publiekrechtelijke regel overgangsrecht op te
nemen.
Artikel 1.8
In dit artikel is het zogenaamde gelijkwaardigheidsbeginsel neergelegd.
Het gelijkwaardigheidsbeginsel houdt in dat degene die de inrichting drijft
andere, gelijkwaardige maatregelen kan treffen dan de in het besluit of de
ministeriële regeling opgenomen verplichte maatregelen. Degene die een
andere maatregel wil toepassen, dient dit op grond van artikel 8.40a,
tweede lid, van de wet vóór toepassing tijdig te melden aan het bevoegd
gezag, onder overlegging van de benodigde gegevens. Daardoor hebben
zowel het bevoegd gezag als de ondernemer tijd voor een verantwoorde
afweging en keuze van de andere maatregel. Het bevoegd gezag besluit
Staatsblad 2007 415 172
naar aanleiding van de overlegde gegevens of het bedrijf de andere
maatregelen mag toepassen. Als criterium voor toestemming geldt dat
met de andere maatregel een ten minste gelijkwaardige bescherming van
het milieu wordt gerealiseerd, vergeleken met de verplichte maatregel.
Artikel 1.9
Dit artikel betreft een algemene invulling van de in de derde volzin van
artikel 8.42, vijfde lid, van de wet opgenomen mogelijkheid om te bepalen
dat van de beschikking waarbij het maatwerkvoorschrift wordt gesteld,
wordt kennisgegeven in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
De reden voor een algemene invulling van die mogelijkheid ligt in
het belang van derdebelanghebbenden om bezwaar te maken tegen een
dergelijke beschikking. Om bezwaar te kunnen maken, is bovenal van
belang dat kennis kan worden genomen van de beschikking.
Afdeling 1.2 Melding
Artikel 1.10
Eerste lid
Op basis van de oude systematiek moesten alle bedrijven die onder
algemene regels vielen, zich vier weken voor de aanvang van de
activiteiten melden. De melding dient om het bevoegd gezag op de
hoogte te stellen van het oprichten of het veranderen van de inrichting
(signaleringsfunctie) en zorgt voor bekendheid van gegevens van de
inrichting bij het bevoegd gezag met het oog op handhaving (controlefunctie).
Op de melding volgt geen besluit en deze heeft dus niet
rechtstreeks rechtsgevolgen. Het niet doen van een melding blijft wel
strafbaar op basis van de Wet op de economische delicten. Dit principe
blijft grotendeels ook met betrekking tot het dit besluit gelden.
Inrichtingen type A zullen op grond van artikel 1.4 niet meer hoeven te
melden. Het betreft hier in beginsel bedrijven waar behalve een of
meerdere van de in de begripsbepaling expliciet opgesomde minder
milieurelevante activiteiten uit de hoofdstukken 3, 4 geen andere in de
hoofdstukken 3 en 4 genoemde activiteiten plaatsvinden. Dit hangt samen
met het feit dat het hier minder milieurelevante bedrijven betreft.
In het kader van de voorbereiding van de Invoeringswet van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht zal worden bezien op welke wijze
het doen van de melding gekoppeld kan worden aan de aanvraag om een
omgevingsvergunning op het moment dat er sprake is van samenloop (er
moet zowel gemeld worden als een omgevingsvergunning wordt
aangevraagd).
Op grond van artikel 2:3, eerste lid, van de Awb is een bestuursorgaan
verplicht geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander
bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door te zenden naar dat orgaan,
onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender. Mocht degene
die de inrichting drijft de melding per abuis naar het verkeerde bestuursorgaan
zenden dan is deze verplicht deze melding door te zenden naar het
bevoegd gezag.
Tweede lid
Veranderingen van de inrichting of de werkingen daarvan worden
overeenkomstig het eerste lid gemeld. Dit geldt niet wanneer er door de
verandering geen afwijking ontstaat ten aanzien van een bij een eerdere
melding verstrekte gegevens en op grond van de artikelen 1.11, 1.12, 1.13
en 1.14 geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.
Staatsblad 2007 415 173
Derde lid
Zoals reeds in de oude 8.40-besluiten is bepaald, worden bij de melding
de gegevens over de aard en de omvang van de inrichting aangegeven en
wordt aangegeven wat de belangrijkste kernelementen van de inrichting
zijn, die de inrichting typeren. De gegevens over de indeling en de
uitvoering van de inrichting kunnen worden verstrekt door het aanleveren
van een plattegrond.
De gegevens moeten zodanig zijn dat het bevoegd gezag een goed
inzicht krijgt in de aard en omvang van de binnen de inrichting uit te
voeren activiteiten en processen. Ook wanneer men van plan is een
inrichting uit te breiden of te veranderen is men verplicht dit te melden, zij
het niet in alle gevallen. Alleen indien een uitbreiding of verandering leidt
tot wijziging van de gegevens waarover het bevoegd gezag op grond van
een eerdere melding beschikt, is een dergelijke melding vereist. Zolang er
ten opzichte van die gegevens niet verandert behoeven veranderingen of
uitbreidingen niet te worden gemeld.
De situatieschets is onder andere bedoeld om te bepalen of een
akoestisch onderzoek noodzakelijk is. De situatieschets heeft een schaal
van ten minste 1:10.000 en is voorzien van een noordpijl. Op de situatieschets
zijn de inrichting en de in de omgeving gelegen gebouwen
weergegeven. Mits deze voldoende duidelijk is en aan de overige eisen
genoemd in het derde lid wordt voldaan, kan hierbij gebruik worden
gemaakt van een (raster)tekening.
Met de controlefunctie van de melding aan de ene kant en de wens om
de melding zo eenvoudig mogelijk te maken aan de andere kant, zijn
slechts die gegevens vereist die noodzakelijk zijn om een inschatting te
krijgen van de aard en omvang van de inrichting en de eventuele
belasting op de omgeving. Het scala bedrijven dat onder de werking van
dit besluit valt is qua aard en omvang zeer uiteenlopend. Het ligt voor de
hand dat kleine weinig gecompliceerde inrichtingen zoals een ambachtelijke
warme bakkerij met minder detailinformatie kunnen volstaan om aan
de meldingseisen van het derde lid, onderdelen d en e te voldoen dan een
meubelfabriek waar tal van activiteiten en industriële bewerkingsprocessen
plaatsvinden. In het eerste geval zullen de beschrijving en de
plattegrond van de inrichting kort en globaal kunnen zijn. Bij een
meubelfabriek zullen de verschillende activiteiten en processen duidelijk
worden omschreven waarbij wordt omschreven welke emissies vrijkomen
en welke maatregelen hiertegen getroffen worden. De processen en de
relevante emissiepunten kunnen op de plattegrond van de gebouwen
worden aangegeven. Met name geluid kan hinder veroorzaken voor de
omgeving. Indien achteraf geconstateerd wordt dat de geluidsnorm wordt
overschreden, kan de inrichting genoodzaakt zijn om maatregelen te
nemen. Bij bedrijven waar het geluidsaspect relevant is voor de omgeving
moet onder het omschrijven van de aard en omvang van de activiteiten en
processen binnen de inrichting ook worden begrepen het aangeven van
de locatie van de relevante geluidsbronnen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan
rijroutes van vrachtwagens, de locatie van laden en lossen, de rijroutes
van voertuigen binnen de inrichting, de aard, omvang en frequentie van
transportactiviteiten en de aard en gebruiksfrequentie van relevante
geluidsbronnen. Indien het bevoegd gezag vooraf bekend is met deze
informatie, kan een betere inschatting gemaakt worden of aan de
geluidsnorm zal worden voldaan of welke maatregelen (vooraf) genomen
kunnen worden om overschrijding te voorkomen.
Vierde lid
Als een melding bij een bestuursorgaan wordt gedaan dat niet bevoegd
is, geldt de doorzendplicht van artikel 2:3, eerste lid van de Algemene wet
bestuursrecht. Teneinde de lasten voor het bedrijfsleven verder te
beperken wordt voorzien in een ICT systeem, waarmee door het bedrijf
Staatsblad 2007 415 174
een melding kan worden uitgevoerd. Teneinde te voorkomen dat het
bedrijf meerdere meldingen moet verrichten wordt geregeld dat als een
melding wel bij een bevoegd gezag wordt gedaan, deze dient te beoordelen
of de melding elementen bevat waarvoor een ander bestuursorgaan
bevoegd gezag is. Indien dat het geval is stuurt het bevoegde gezag een
kopie naar dat andere bevoegde gezag en wordt die kopie als melding
aangemerkt. Voor het bedrijf is daarmee één keer melden voldoende.
Artikel 1.11
Een belangrijk aspect waar het bevoegd gezag bij de ontvangst van een
melding aandacht aan zal moeten besteden is geluidhinder. In dit artikel
wordt dan ook bij een aantal activiteiten bepaald dat bij de melding tevens
een akoestisch rapport moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder
meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van
muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode
(tussen 19.00 en 7.00 uur). Met betrekking tot de gevallen waarvoor bij de
specifieke bepalingen een verplichting is opgenomen tot het indienen van
een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te
verwachten zijn bij toetsing aan de geluidsnormen. Als het bevoegd gezag
ook in deze gevallen telkens een apart een besluit zou moeten nemen tot
het eisen van een akoestisch rapport, zou dit een onevenredige
verzwaring van bestuurlijke lasten als gevolg hebben.
Eerste lid
Transportbewegingen kunnen geluidhinder veroorzaken. Geluidhinder
is met name te verwachten als er transportbewegingen buiten de
dagperiode plaatsvinden en er in de nabijheid van de inrichting woningen
van derden of andere gevoelige gebouwen of gevoelige terreinen liggen.
Op grond van dit lid wordt een rapport van een akoestisch onderzoek bij
de melding gevoegd indien er elke dag gemiddeld vier transportbewegingen
tussen 19.00 uur en 7.00 uur plaatsvinden. Het gemiddelde
wordt over een periode van een jaar gemeten. Dit betekent dat de
bepaling met name ziet op transportbedrijven en andere inrichtingen waar
veel transportbewegingen met vrachtwagens plaatsvinden, zoals
bergingsbedrijven en groothandelsondernemingen. Op deze manier
wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan de oude situatie, waarbij alleen
inrichtingen die onder de werking van het Besluit opslag- en transportbedrijven
milieubeheer vielen een akoestisch rapport moesten indienen in
verband met transportbewegingen. Het is dus niet de bedoeling dat een
detailhandelsbedrijf waar eenmaal per dag een leverancier komt een
akoestisch rapport moet indienen. Om problemen te voorkomen dienen
inrichtingen waar op jaarbasis gemiddeld meer dan vier transportbewegingen
per dag in de periode 19.00 tot 7.00 uur plaatsvinden en
waarbij binnen een afstand van 50 meter gevoelige objecten zijn gelegen,
een akoestisch rapport over te leggen. Met name vrachtwagenbewegingen
kunnen geluidsoverlast opleveren. De verplichting een
akoestisch onderzoek te overleggen bij de melding geldt daarom alleen
als tussen 19.00 en 7.00 uur transportbewegingen met vrachtwagens
plaatsvinden. Tankstations zijn uitgesloten van deze bepaling en ook
vervoersbewegingen van bezoekers die per vrachtwagen een horecabedrijf
bezoeken worden niet meegewogen. Als vanwege een specifieke
situatie problemen verwacht worden, kan het bevoegd gezag op grond
van het vijfde lid besluiten een akoestisch rapport te vragen. Hetzelfde
geldt als bijvoorbeeld problemen worden verwacht vanwege verkeersbewegingen
met personenauto’s.
Tweede lid
Bij inrichtingen waar muziek ten gehore wordt gebracht is de kans op
hinder reëel en dient vooraf extra aandacht te worden besteed aan de
Staatsblad 2007 415 175
geluidsaspecten. Het gaat daarbij om inrichtingen waarbij het ten gehore
brengen van muziek structureel deel uitmaakt van de bedrijfsvoering en
uit de aard van het bedrijf onmisbaar is. Vanzelfsprekend speelt het
bronniveau daarbij een belangrijke rol. Het heeft immers weinig zin een
akoestisch onderzoek te verlangen indien de akoestische gevolgen nihil
zijn, bijvoorbeeld bij het uitsluitend ten gehore brengen van achtergrondmuziek
of een incidentele muzikale noot. De akoestische relevantie staat
dus centraal. Voor de vraag of aannemelijk is dat het equivalente
geluidsniveau binnen de inrichting meer dan 70 respectievelijk 80 dB(A)
zal bedragen, wordt uiteraard in eerste instantie afgegaan op hetgeen de
inrichtinghouder in de melding aangeeft.
Daarnaast speelt de aard van de inrichting een rol. Bij een discotheek of
een karaoke-café is het bijvoorbeeld aannemelijk dat het equivalente
geluidsniveau in de inrichting meer dan 70, of zelfs 90 dB(A) bedraagt.
Voor wat betreft locaties waar in de buitenlucht muziek wordt geproduceerd
wordt bijvoorbeeld gedacht aan muziek op terrassen en dergelijke.
Ten einde problemen te voorkomen, dienen dergelijke inrichtingen bij de
melding een akoestisch rapport te overleggen.
Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om in voorkomende gevallen
van deze verplichting af te zien. Het vierde lid maakt het mogelijk dat het
bevoegd gezag besluit dat een akoestisch onderzoek niet nodig is indien
het aannemelijk is dat de inrichting de waarden van de artikelen 2.17 en
2.19 dan wel artikel 2.20 niet zal overschrijden. Of dat aan de orde is, is ter
beoordeling van het bevoegd gezag. Met name de aard en de ligging van
de inrichting zullen hiervoor de aanleiding kunnen zijn. Het kan daarbij
gaan om locaties waarbij woningen buiten de akoestische invloedssfeer
van een inrichting zijn gelegen, zoals afgelegen locaties of gunstig
gesitueerde bedrijfsterreinen.
Vierde lid
Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om in voorkomende gevallen
van de verplichting tot het overleggen van een akoestisch rapport af te
zien. Met name de aard en de ligging van de inrichting kunnen duidelijk
maken dat geen overlast te verwachten is, bijvoorbeeld als ook buiten de
dagperiode transportbewegingen plaatsvinden, maar er geen woningen
van derden in de nabije omgeving zijn gelegen. Het bevoegd gezag kan
een inschatting maken aan de hand van bronvermogens en afstanden tot
gevoelige objecten. Daarnaast kan aansluiting gezocht worden bij het
groene boekje van de VNG en de brochure «Horecalawaai de baas» van
de Stichting Bouwresearch Rotterdam.
Vijfde lid
Indien uit de meldinggegevens blijkt dat de kans op geluidhinder toch
zeer reëel is, maar het indienen van een akoestisch onderzoek niet
verplicht is, kan het bevoegd gezag een akoestisch onderzoek eisen.
Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau
en/of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden
bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20. Het gaat om gevallen
waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot
gevoelige objecten de normen zullen worden overschreden. Deze
beoordeling is afhankelijk van de aard van het bedrijf en de omgeving en
kan derhalve het beste op lokaal niveau plaatsvinden. De beslissing van
het bevoegd gezag betreft een besluit waartegen bezwaar en beroep
openstaan.
Door het initiatief bij het bevoegd gezag te leggen, waarbij sprake moet
zijn van een goede onderbouwing, wordt een drempel opgeworpen voor
het vragen van een akoestisch rapport. Alleen in die gevallen waarbij
problemen zijn te verwachten bij het voldoen aan de geluidsnormen, kan
een akoestisch rapport gevraagd worden. Er zal vanwege deze drempel
Staatsblad 2007 415 176
niet te pas en te onpas van deze bevoegdheid gebruik gemaakt worden,
hetgeen van belang is in verband met verlaging van administratieve
lasten. In het geval dat een inrichting zich niet gemeld heeft, kan het
bevoegd gezag eerst eisen dat alsnog gemeld wordt.
Zesde lid
In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de
geluidsproductie van inrichtingen gelegen op een gezoneerd industrieterrein
te weten. Dit kan het geval zijn als een inrichting aan de rand van
het industrieterrein is gelegen of als een inrichting met de waarden
genoemd in artikel 2.17 een onevenredig groot beslag zou leggen op de
nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die inrichting de bij deze
waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft.
Artikelen 1.12, 1.13 en 1.14
Bij een aantal onder dit besluit gereguleerde lozingen is het gewenst dat
het bevoegd gezag tevens over een aantal gegevens met betrekking tot
die lozingen beschikt. In deze artikelen is voor lozingen vanuit een
bodemsanering of een proefbronnering, voor lozingen van grondwater en
voor lozingen van huishoudelijk afvalwater bepaald, welke gegevens bij
een melding als bedoeld in artikel 1.10 aan het bevoegd gezag moeten
worden gemeld.
Artikel 1.15
In dit artikel is voor degene die de inrichting drijft de verplichting
opgenomen om informatie te verstrekken over de stoffen en preparaten
en producten waarin stoffen of preparaten zijn verwerkt die het bevoegd
gezag redelijkerwijs nodig heeft voor het stellen van maatwerkvoorschriften.
Daarbij gaat het niet alleen om informatie over stoffen en
preparaten die binnen de inrichting aanwezig zijn, maar ook om informatie
over stoffen die vanuit de inrichting worden geëmitteerd naar het
milieu. Degene die de inrichting drijft, verstrekt het bevoegd gezag op
diens verzoek in elk geval informatie over de stofnaam, de gevaarsaspecten
en risico’s van de stoffen voor mens en milieu, alsmede de
maatregelen die de drijver van de inrichting neemt om deze risico’s zo
veel mogelijk te beperken. Het is niet de bedoeling dat deze gegevens
standaard bij de melding moeten worden gevoegd.
Het bevoegd gezag kon deze informatie bij vergunningplichtige
inrichtingen bij de aanvraag van de vergunning vragen. Dit is ook
beschreven in de circulaire over benodigde gegevens van chemische
stoffen (Stcrt. 2003, 197). Echter, nu de vergunningplicht in een aantal
gevallen vervalt, beschikt het bevoegd gezag langs die weg niet over de
informatie die het nodig heeft in verband met het stellen van maatwerkvoorschriften.
Derhalve is in dit artikel de genoemde verplichting
opgenomen. De mogelijkheid voor het bevoegd gezag om de bovengenoemde
informatie op te vragen bij de drijver van de inrichting is met
name van belang in die situaties waarin het bedrijf het milieu verontreinigt
of gezondheidsklachten of overlast bij omwonenden veroorzaakt.
In het kader van het toezicht op de naleving van het besluit kunnen op
grond van de Algemene wet bestuursrecht gegevens worden gevraagd.
Staatsblad 2007 415 177
Hoofdstuk 2 Inrichtingsgerelateerde aspecten
Afdeling 2.1 Zorgplicht
Artikel 2.1
Eerste lid
In paragraaf 6.5 van het algemene deel van de toelichting is reeds
uitgebreid op artikel 2.1 ingegaan.
Tweede lid
In het tweede lid staat limitatief opgesomd wat voor de toepassing van
het eerste lid moet worden verstaan onder het voorkomen of beperken
van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu.
Daarbij worden de nadelige gevolgen voorkomen en voor zover dat niet
mogelijk is worden deze zoveel mogelijk beperkt. In het geval van hinder
wordt dit voorkomen en voor zover dat niet mogelijk is tot een
aanvaarbaar niveau beperkt. Dit verschil komt voort uit het gegeven dat
het er bij hinder om gaat om de overlast die deze geeft weg te nemen en
er wordt aangesloten bij de formulering zoals deze bijvoorbeeld is
opgenomen in de NeR.
In het navolgende wordt aan de hand van een aantal voorbeelden de
werking van de zorgplichtbepaling nader toegelicht.
Lozingen
In navolging van de voorafgaand aan dit besluit geldende regels voor
lozingen in rioolstelsels is er ook in het onderhavige besluit van afgezien
om met betrekking tot een aantal parameters doelvoorschriften te stellen
die op de totale lozing vanuit een inrichting betrekking hebben, zoals de
temperatuur, zuurgraad en sulfaatconcentratie. Voor deze aspecten van
het lozen van afvalwater zijn dus in het besluit geen concrete
voorschriften uitgewerkt, waardoor de lozing getoetst wordt aan de
zorgplichtbepaling.
Bij het lozen in rioolstelsels kunnen nadelige gevolgen voor het milieu
optreden indien afvalwater wordt geloosd:
– met een temperatuur die hoger is dan 30°C;
– waarvan de zuurgraad, uitgedrukt in waterstofionenexponent (pH),
lager dan 6,5 of hoger dan 10 is;
– waarvan de sulfaatconcentratie hoger is dan 300 milligram per liter
(mg/l);
– dat brand- of explosiegevaar kan veroorzaken, of
– dat door een beerput, rottingsput of septictank is geleid.
Bij de inbouw van voorschriften voor lozen op de riolering in de Wm is
er in 1996 voor gekozen om deze parameters niet als doelvoorschriften op
te nemen. Dit omdat in de praktijk situaties kunnen voorkomen waarbij de
duur of de omvang van de lozing zo beperkt is dat van een belemmering
van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van
afvalwater of nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater geen sprake
is, ook niet wanneer bedrijfsafvalwater met een of meer van de genoemde
kenmerken in een riolering wordt gebracht. Een voorbehandeling van het
bedrijfsafvalwater zou in die situaties buitenproportioneel zijn. Deze keuze
is in dit besluit overgenomen. Het verdient uiteraard wel aanbeveling om
indien een bedrijf afvalwater wil lozen waarbij bij bovengenoemde
parameters afgeweken wordt van bij die parameters aangegeven
waarden, hierover overleg met het bevoegd gezag te hebben, om zeker te
zijn dat het belang van de bescherming van het milieu niet wordt
geschaad. Indien in een specifiek geval behoefte zou bestaan om met
betrekking tot bovenbedoelde parameters een grens vast te leggen, kan
Staatsblad 2007 415 178
daartoe een maatwerkvoorschrift op grond van het derde lid worden
gesteld.
Zo kan het wenselijk zijn om een grens te stellen aan het te lozen
sulfaatgehalte.
In het rioolstelsel kan onder anaërobe omstandigheden uit sulfaat
zwavelzuur ontstaan. Dit zwavelzuur tast het beton aan waar het rioolstelsel
van is gemaakt, hetgeen de reden is waarom eisen kunnen worden
gesteld aan de lozing van sulfaat. Een gangbare norm voor sulfaat is 300
milligram per liter. Vooral oudere betonnen rioolstelsels kunnen door
zwavelzuur danig aangetast worden. Bij nieuwere rioolstelsels speelt dit
probleem minder omdat het huidige beton waar rioolbuizen van gemaakt
worden beter bestand is tegen zwavelzuuraantasting. Rioolbuizen met een
levensduur langer dan 50 jaar zijn echter geen uitzondering. Indien in het
rioolstelsel geen beton is verwerkt speelt het probleem in het geheel niet.
Wel moet bedacht worden dat aantasting op grote afstand van de lozing
plaats kan vinden. Het feit dat het rioolstelsel ter plaatse van de lozing
bestand is tegen de sulfaatlozing wil niet zeggen dat de lozing ook
toelaatbaar is met het oog op het gehele traject dat het afvalwater moet
doorlopen tot de zuivering. In dit besluit is er geen lozingseis opgenomen
voor sulfaat. Op grond van artikel 2.1 kan het bevoegde gezag maatwerkvoorschriften
stellen voor het lozen van sulfaat indien de bescherming
van het riool dat noodzakelijk maakt.
Een maatwerkvoorschrift betreffende lozingen kan overigens ook
betrekking hebben op de hoeveelheid afvalwater, wanneer met betrekking
tot dit aspect geen concrete voorschriften in het besluit zijn uitgewerkt.
Maatwerkvoorschriften kunnen zo nodig gebruikt worden om de
hoeveelheid afvalwater te reguleren daar waar het geloosde volume
afvalwater de doelmatige werking van het openbaar riool of de zuiveringstechnische
werken belemmert. Zo kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd
dat de lozing van zogeheten dun water op een vuilwaterriool
wordt tegengegaan of beperkt. Wanneer een bedrijf bijvoorbeeld een
omvangrijke lozing op een openbaar riool met beperkte capaciteit uitvoert
kan de doelmatige werking daarvan verstoord worden (rioolwater op
straat, overstorten, en dergelijke). Dit probleem is in veel gevallen op te
lossen met een lozingsregime, waarbij de omvangrijke lozingen op de
daluren plaatsvinden. In de praktijk zal de gemeente dit probleem
signaleren en het bedrijf hierop attenderen. Het heeft dan de voorkeur dat
in overleg tussen gemeente en bedrijf het lozingsregime wordt aangepast
waardoor problemen worden voorkomen. Mocht dit overleg niet slagen,
dan is er de mogelijkheid tot het stellen van een maatwerkvoorschrift
waarin het lozingsregime concreet is geregeld en waarop ook kan worden
gehandhaafd.
Ten slotte kan de mogelijkheid om een maatwerkvoorschrift te stellen
ook betrekking hebben op de plaats van het lozingspunt. Vooral bij
lozingen van afvalwater in het oppervlaktewater of op of in de bodem kan
de plaats van de lozing mede bepalend zijn voor de milieuhygiënische
gevolgen. Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift dient op grond van
de Algemene wet bestuursrecht (met name artikel 3:4) de redelijkheid,
alsmede proportionaliteit in acht te worden genomen. Ten aanzien van de
plaats van het lozen brengt dit bijvoorbeeld met zich mee dat het
maatwerkvoorschrift er niet toe mag leiden dat het afvalwater over grote
afstand dient te worden getransporteerd.
Een ander voorbeeld waarin de zorgplichtbepaling bij lozingen aan de
orde is vormt de problematiek van lozingen bij toepassing van watergedragen
verven. Vanwege de gevolgen voor de (volk)gezondheid en het
milieu is het gebruik van vluchtige oplosmiddelen in verven en lijmen
sterk gereduceerd ten gunste van watergedragen verven. Onder praktijkomstandigheden
kan bij gebruik van watergedragen verven in enige mate
afvalwater ontstaan. Dit kan zowel zeer kleinschalig aan de orde zijn
(bijvoorbeeld in het kader van onderhoud binnen een inrichting), maar
Staatsblad 2007 415 179
ook op grotere schaal, in inrichtingen waar het aanbrengen van verflagen
een substantiële activiteit vormt. Bij laatstgenoemde inrichtingen is lozing
ongewenst. Watergedragen verven bevatten, in geringe concentraties,
diverse toxische componenten, die dus ook in het afvalwater zullen
geraken. Bovendien zullen de vaste bestanddelen zich afzetten en
sedimenteren in het rioolstelsel. Onder normale omstandigheden zal er
weinig tot geen afvalwater ontstaan dat verontreinigd is met verfbestanddelen.
Door professionele schilders worden kwasten en rollers over het
algemeen niet uitgespoeld voor herhaald gebruik. Aan het eind van de
werkdag worden kwasten en rollers luchtdicht verpakt waardoor ze de
volgende dag weer voor dezelfde klus gebruikt kunnen worden. Aan het
eind van de klus wordt kwast of roller weggegooid omdat de kostprijs van
een nieuwe roller of kwast niet opweegt tegen de loonkosten voor het
schoonspoelen. Wanneer toch dergelijk afvalwater ontstaat, kan met een
eenvoudige behandeling dit afvalwater geloosd worden op een vuilwaterriool.
Die behandeling bestaat uit flocculatie en vervolgens bezinking of
filtratie. Dit kan door het afvalwater te verzamelen in een vat en daar het
vlokmiddel, onder goed mengen, aan toe te voegen. Na de reactietijd kan
het bovenstaande afvalwater geloosd worden en het slib als afvalstof
worden afgevoerd. Van belang hierbij is een juiste dosering van het
vlokmiddel aangezien dat ook milieubezwaarlijke stoffen bevat. Bij juiste
dosering concentreren deze stoffen zich in het slib. Er is tegenwoordig ook
diverse apparatuur op de markt die op basis van dit principe werkt.
In het besluit zijn geen grenzen opgenomen ten aanzien van het lozen
van afvalwater verontreinigd met watergedragen verven. Wanneer van
een dergelijke lozing sprake zou zijn, vormt daarom de zorgplichtbepaling
het kader waaraan die lozing zal worden getoetst.
Met nadruk zij gesteld dat daar waar wel in concrete voorschriften is
voorzien, de zorgplichtbepaling en de bevoegdheid om op grond van die
bepaling maatwerkvoorschriften te stellen niet aan de orde is. Zo is
bijvoorbeeld bij een aantal activiteiten bepaald dat afvalwater met minder
dan 20 milligram aan olie op een vuilwaterriool kan worden geloosd. Het
bevoegd gezag kan dan niet op grond van de zorgplichtbepaling de
ondernemer er op aanspreken, dat een nog lager gehalte moet worden
bereikt. Ook het stellen van een maatwerkvoorschrift met die strekking is
niet mogelijk. Mocht in het afvalwater van de desbetreffende activiteiten
naast olie nog een andere verontreinigende stof aanwezig zijn, waarvoor
geen doelvoorschrift is opgenomen, dan kan voor die stof wel bij
maatwerkvoorschrift een grenswaarde worden gesteld, indien dat met het
oog van de bescherming van het milieu noodzakelijk is. Immers, omdat
voor die andere stof in het besluit geen grenswaarde is opgenomen, is het
lozen daarvan niet uitputtend geregeld.
Lichthinder en de bescherming van de duisternis en het donkere
landschap
Onder de zorgplicht met betrekking tot lichthinder valt het voorkomen
of zoveel mogelijk beperken van hinderlijke lichtverschijnselen in woon- of
slaapvertrekken van woningen als gevolg van lichtinstallaties, toestellen,
windturbines, gebouwen of werkzaamheden. Verlichting kan voor
omwonenden hinder veroorzaken. Vaak wordt overlast veroorzaakt door
schijnwerpers die zijn geplaatst als inbraakpreventie of door lichtbakken
voor reclamedoeleinden. Door schijnwerpers of armaturen zorgvuldig af
te stellen en te richten kunnen klachten veelal worden verholpen. Naast de
intensiteit van directe en indirecte lichtinstraling kan er ook door
knipperen, flikkeren of door kleur hinder door verlichting ontstaan. Gezien
het feit dat lichthinder een zeer locatiegebonden probleem is, vraagt dit
om lokaal maatwerk. In de praktijk blijkt dit ook goed te werken.
Knelpunten worden over het algemeen in goed overleg tussen bevoegd
gezag en inrichting opgelost. Voor de vaststelling of er sprake is van
Staatsblad 2007 415 180
hinder is geen universele definitie van het begrip «lichthinder»
beschikbaar.
Wel kunnen de «Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder» van de
Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt
worden gehanteerd. De richtlijnen betreffende lichthinder van de NSVV
bestaan uit een algemeen deel 1 met grenswaarden voor sportverlichting,
en aanvullende delen 2, 3 en 4 voor respectievelijk terreinverlichting,
aanstraling gebouwen en reclameverlichting. Andere aanvullingen zijn in
voorbereiding bij de Commissie Lichthinder van de NSVV. Aangezien deel
4 niet geheel toepasbaar is voor lichtreclame is hier door de sector een
aanvulling op geleverd in het rapport «Onderzoek luminantie ter
voorkoming van lichthinder door lichtreclame voor AmvB». Dit rapport is
verkrijgbaar bij UNETO-VNI, vakgroep lichtreclame Zoetermeer.
Lichthinder kan ook worden beperkt door een gebruiksafspraak tussen
gehinderden en de gebruiker van de installatie. Het bevoegd gezag kan zo
nodig bij maatwerkvoorschrift een gebruiksafspraak tussen gehinderden
en de gebruiker van de installatie vastleggen.
Bij de activiteit «het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van
sport» is in artikel 4.113 een voorschrift opgenomen m.b.t. de tijden
waarop verlichting ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen
dient te zijn uitgeschakeld. Met dit voorschrift is voor deze activiteit het
aspect uitschakelen van de sportverlichting uitputtend geregeld. Dit
betekent onder meer dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift geen
andere tijden kan opleggen waarop de verlichting uitgeschakeld moet zijn.
Wel blijft de zorgplicht van toepassing op de wijze waarop de verlichting
wordt uitgevoerd, omdat omtrent dat aspect het besluit geen
voorschriften stelt.
Onder de zorgplicht valt ook het beschermen van duisternis en het
donkere landschap in gebieden die daar door middel van een verordening,
bestemmingsplan of beleidsregel voor zijn aangewezen.
Indien er een dergelijke beleidsregel, verordening of bestemmingsplan
van rijk, provincie of gemeente bestaat, kan het bevoegd gezag door
middel van een maatwerkvoorschrift maatregelen of voorzieningen
opleggen om de duisternis en het donkere landschap te beschermen. Ook
in dit geval kunnen de bovengenoemde NSVV richtlijnen worden gebruikt
als richtsnoer.
Windturbines kunnen slagschaduwen en schittering veroorzaken. Door
de juiste coating, frequentie en zo nodig stilstandvoorzieningen kan dit
voorkomen of in elk geval beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau.
Geurhinder
Geurhinder kan optreden door emissies die ontstaan bij diverse
activiteiten die onder dit besluit vallen. Geurhinder is niet volledig te
voorkomen. Het beleidsuitgangspunt voor geur, zoals neergelegd in de
Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (NeR) is het bereiken van een
acceptabel hinderniveau. Een verdere toelichting op het begrip «acceptabel
hinderniveau» is te vinden in de NeR.
Voor een aantal branches is in bijzondere regelingen in de NeR een
acceptabel hinderniveau vastgelegd in de vorm van een immissienorm
voor geur. Een dergelijke immissienorm is niet voor alle emissies en
activiteiten beschikbaar. Voor de emissies die vrij kunnen komen bij
inrichtingen waarop dit besluit van toepassing is, is dit bijvoorbeeld niet
het geval. Om die reden zal de oplossing voor geurproblemen meestal
gezocht moeten worden in middelvoorschriften zoals een ontgeuringsinstallatie
of een verhoogde schoorsteen.
Bij een aantal activiteiten komt geurhinder zo vaak voor dat structurele
aandacht voor geur nodig is. Voor die activiteiten worden in de ministeriële
regeling bij dit besluit een aantal voorschriften gesteld met als doel
geurhinder te beperken tot een acceptabel niveau. Het gaat dan om
rioolgemalen (paragraaf 3.2.4), het reinigen, coaten en lijmen van hout en
Staatsblad 2007 415 181
kurk (paragraaf 4.3.2), het reinigen, coaten en lijmen van kunststof
(paragraaf 4.4.2), het reinigen, lijmen en coaten van metalen (paragraaf
4.5.5), het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen (paragraaf
4.5.6), parkeergarages (paragraaf 4.6.2), zeefdruk (paragraaf 4.7.2) en het
bereiden van voedingsmiddelen (paragraaf 4.8.3). Indien nodig is bij deze
voorschriften in de regeling een specifieke maatwerkmogelijkheid
opgenomen. Voor die hierboven genoemde activiteiten is het aspect
geurhinder (zoals bedoeld in artikel 2.1, tweede lid onderdeel g) in de
regeling uitputtend geregeld, en kunnen voor dit aspect geen maatwerkvoorschriften
worden opgelegd op grond van artikel 2.1.
Voor wat betreft het repareren van motoren, motorvoertuigen en andere
gemotoriseerde apparaten en het proefdraaien van motoren (paragraaf
4.6.5) en het slachten van dieren (paragraaf 4.8.4) worden in de ministeriële
regeling ook een aantal voorschriften gesteld met als doel
geurhinder te voorkomen. Omdat het in deze gevallen daarnaast nog de
behoefte aan maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht bestaat is
er in die paragraaf geen uitputtende regeling opgenomen. Dit blijkt uit de
zinsnede «ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen
eisen» in de betreffende artikelen.
Een verdere toelichting op de aanpak van geurhinder bij deze activiteiten
wordt gegeven bij de ministeriële regeling.
Voor de andere activiteiten zijn geen geurvoorschriften opgenomen in
de ministeriële regeling. Toch is de kans op geurhinder bij geen enkele
activiteit uit te sluiten. Als er bij de andere activiteiten toch sprake is van
klachten over geurhinder dan zal van geval tot geval gekeken moeten
worden of die klachten gegrond zijn en zo ja, welke maatregelen redelijk
zijn. Bij een structurele activiteit die voor geurhinder zorgt, kunnen
redelijke maatregelen afgeleid worden van de aanpak van geur in de
regeling – dus aandacht voor afvoerpunt, en – hoogte, en de mogelijkheid
van een ontgeuringsinstallatie. Bij een activiteit die alleen af en toe
uitgevoerd wordt ligt het meer voor de hand afspraken te maken met
bedrijf en gehinderden, om de hinder op andere manieren aan te pakken,
bijvoorbeeld door de activiteit alleen op bepaalde tijdstippen uit te voeren.
Dergelijke afspraken kunnen in een maatwerkvoorschrift op grond van
artikel 2.1 worden vastgelegd. Voor het opstellen van maatwerkvoorschriften
ligt het voor de hand dat gebruik wordt gemaakt van de
hindersystematiek voor het bepalen van het acceptabel hinderniveau,
zoals beschreven in paragraaf 3.6 van de NeR. Deze systematische aanpak
om het acceptabel hinderniveau voor geur te bepalen is geschreven voor
meer industriële emissies. In een aantal gevallen zal het bij de bedrijven
die onder dit besluit vallen en waarvoor niet als concreet iets geregeld is
in de voorschriften van de ministeriële regeling, gaan om kleinschalige
emissies die op relatief korte afstand van de bron geurhinder veroorzaken.
Bij deze kleinschalige bronnen, incidentele emissies en hinder op korte
afstand van de bron in een bebouwde omgeving is het kwantificeren van
de geuremissie en immissie door middel van een geuremissie-onderzoek
met een verspreidingsberekening niet zo zinvol omdat de resultaten van
zo’n onderzoek niet voldoende nauwkeurig zijn.
Bij kleinschalige bronnen met hinder op korte afstand ligt het voor de
hand om te kijken naar concrete maatregelen die de hinder kunnen
verminderen, zonder dat hier uitgebreide kwantitatieve onderzoeken aan
ten grondslag liggen.
Doelmatig gebruik van energie
Onder een doelmatig gebruik van energie wordt verstaan een gebruik
van energie gericht op het waar mogelijk beperken van dat gebruik.
Staatsblad 2007 415 182
Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en
goederen van en naar de inrichting
Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onderdeel k, kan het bevoegd
gezag ook maatwerkvoorschriften stellen omtrent verkeer en vervoer van
bezoekers en goederen. Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of
bezoekers – in grote aantallen – aan een inrichting. In veel gevallen is het
bestaan van die inrichting gebaseerd op die bezoekersstromen: een
bioscoop, een winkel of een theater, vaak ook per auto (doe-het-zelfcentra).
Aanpak van dit bezoekersverkeer raakt direct aan het economisch
functioneren. Het gaat daarbij om een type vervoer waar de inrichting
geen gezag over heeft. Gebleken is dat bij bedrijven met meer dan 500
bezoekers per dag mogelijkheden aanwezig zijn om efficiënte en haalbare
maatregelen te treffen. Er wordt beoogd de huidige situatie van de
Handreiking PD09 Preventie, «Wegen naar preventie bij bedrijven» ten
aanzien van het aspect bezoekersverkeer ongewijzigd te handhaven.
Net als bezoekersverkeer is goederenvervoer op dezelfde wijze ingevuld
zoals dat nu al in de Handreiking PD09 Preventie, «Wegen naar preventie
bij bedrijven» is beschreven. Ten aanzien van de redelijkheid van de
maatregel geldt als richtlijn een terugverdientijd van 5 jaar, dan wel
hetgeen economisch verantwoord wordt beschouwd in de betreffende
sector. De grens van 1.000.000 (eigen) of 2.000.000 (uitbestede) transportkilometers
zijn bedoeld om kleine inrichtingen uit te sluiten. Het criterium
«transportkilometers» is vervangbaar door een criterium met een gelijke
mate van milieurelevantie als daar in specifieke situaties aanleiding voor
is (bijvoorbeeld omdat het bedrijf geen administratie kan bijhouden van
transportkilometers).
Verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting kan ook
indirecte geluidshinder met zich meebrengen. Onder indirecte geluidshinder
wordt geluidshinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door
activiteiten of installaties binnen de inrichting, maar die wel aan de
inrichting is toe te rekenen. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter
voorkoming van indirecte geluidshinder vanwege wegverkeer kan de
circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld
«Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting;
beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet
milieubeheer» als hulpmiddel dienen.
Ongevallen en risico’s voor de omgeving
In onderdeel l is opgenomen dat onder het voorkomen of beperken van
het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu mede moet worden
verstaan het voorkomen van ongewone ongevallen en risico’s voor de
omgeving, dan wel het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de kans
dat ongewone voorvallen en risico’s voor de omgeving optreden. Voor
wat betreft de term «ongewoon voorval» wordt hierbij uitgegaan van de
invulling die daar op grond van artikel 17.1 van de wet ook aan is
gegeven. De strekking van dit onderdeel is dat ongewone voorvallen
waarvan op grond van artikel 17.2 van de wet, melding moet worden
gedaan, moeten worden voorkomen dan wel dat de kans dat zich een
ongewoon voorval voordoet tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.
Activiteiten binnen de inrichting kunnen ook risico’s voor de omgeving
met zich mee brengen.
Zo kan in geval van schieten met hand- of kruisbogen in de buitenlucht
en schieten met gas- of luchtdrukwapens binnen de veiligheid van
mensen buiten de inrichting in het geding zijn als de projectielen buiten
de baan, ruimte of inrichting kunnen komen.
Ook de toepassing van natte koeltorens bij onder andere woon- en
verblijfsgebouwen kan risico’s voor de omgeving met zich meebrengen.
Bij niet adequaat beheer van een natte koeltoren bestaat het risico van
Staatsblad 2007 415 183
verspreiding van de legionellabacterie naar de omgeving. Een adequaat
beheer van natte koeltorens is ook vereist op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving.
In dat kader is ook het Arbo-informatieblad AI-32
Legionella (ISBN 9012099536) opgesteld, waarin gedrags- en beheersregels
voor natte koeltoren nader zijn uitgewerkt. Op grond van dit
Arbo-informatieblad kan degene die de inrichting drijft verantwoord
invulling geven aan zijn zorgplicht, ook daar waar de
arbeidsomstandighedenwetgeving formeel niet geldt (vanwege het
ontbreken van een relatie werkgever-werknemer).
Bij de opstelling van dit besluit is er van uitgegaan dat de drijver van
inrichting zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen op
verantwoorde wijze invult. Er zijn geen uitgewerkte maatregelen
opgenomen ter voorkoming van risico’s voor de omgeving. Indien in een
incidenteel geval de veiligheid van mensen in het geding komt, kan er op
grond van onderdeel l van dit besluit gehandhaafd worden of kunnen er
concrete maatwerkvoorschriften worden opgelegd.
In al deze gevallen valt ook onder de zorgplicht het zorgen voor
voldoende gekwalificeerd personeel. Indien er onvoldoende gekwalificeerd
personeel werkzaam is in de inrichting moet men redelijkerwijs
begrijpen dat hiermee een risico wordt genomen ten aanzien van het
milieu. Uiteraard is het in bepaalde gevallen ook mogelijk om in plaats
van zelf gekwalificeerd personeel in dienst te hebben terug te vallen op
betrouwbare en professionele dienstverlening. Zo kan het beheer van een
natte koeltoren worden uitbesteed aan een installatie- of onderhoudsbedrijf.
Derde lid
In dit lid is voor het bevoegd gezag de mogelijkheid opgenomen om
met betrekking tot het eerste lid maatwerkvoorschriften te stellen. Deze
mogelijkheid komt overeen met de mogelijkheid tot het stellen van nadere
eisen zoals ook opgenomen in de 8.40-besluiten (bijvoorbeeld in artikel 6,
eerste lid, onderdeel b, van het Besluit landbouw milieubeheer). Het gaat
hierbij om een invulling van de zorglicht in specifieke gevallen. In plaats
van direct te handhaven op de zorgplicht kan het in specifieke situaties
eerder aangewezen zijn dat het bevoegd gezag duidelijk maakt op welke
wijze invulling moet worden gegeven aan de zorgplicht in die situatie. Dit
schept duidelijkheid voor de degene die de inrichting drijft en kan
voorkomen dat handhavend optreden achteraf noodzakelijk is (zie ook
paragraaf 6.5 en 6.6 van het algemeen deel van deze toelichting).
Indien een aspect al uitputtend is geregeld in het besluit, is het niet
mogelijk om nog maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende
regeling is sprake indien er ten aanzien van een omschreven situatie of
activiteit een limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of
voorschriften. Daarbij is steeds zo nauwkeurig mogelijk omschreven met
betrekking tot welk aspect van de zorgplicht en welke activiteit de regels
worden gesteld. Een voorbeeld van een uitputtende regeling is te vinden
in artikel 4.16. «Een vulstation voor het vullen van gasflessen voldoet ten
behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone
voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk
beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone
voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan aan de bij ministeriële
regeling te stellen eisen.»
De activiteit is in het dit geval het vullen van gasflessen. Het aspect dat
hier uitputtend wordt geregeld is het voorkomen van risico’s voor de
omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk
is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de
kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan.
Staatsblad 2007 415 184
Hieromtrent kunnen op grond van de zorgplicht dan ook geen maatwerkvoorschriften
meer worden vastgesteld. Een voorbeeld van een
niet-uitputtende regeling is te vinden in artikel 4.102, eerste lid. «Bij het in
het vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen en
wassen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde
lid.» Hierbij is het mogelijk dat naast hetgeen is geregeld in het tweede en
derde lid op grond van de zorgplicht nog maatwerkvoorschriften worden
gesteld ten aanzien van het in het vuilwaterriool lozen van afvalwater
afkomstig van die activiteit.
Van een uitputtende regeling is in ieder geval sprake wanneer voor een
bepaald aspect concrete voorschriften zijn uitgewerkt in de vorm van
kwantitatieve doelvoorschriften, dan wel wanneer is bepaald dat met
betrekking tot dat aspect bij of krachtens dit besluit aangegeven middelen
ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast of als erkende
maatregel kunnen worden toegepast. De houder van een inrichting heeft
aldus de zekerheid dat het bevoegd gezag met betrekking tot het
desbetreffende aspect de zorgplichtbepaling niet toe kan passen en dus
ook niet kan overgaan tot het stellen van een aan de zorgplichtbepaling
gekoppeld maatwerkvoorschrift. Bij concrete voorschriften is het stellen
van een maatwerkvoorschrift alleen mogelijk indien het concrete
voorschrift zelf die mogelijkheid biedt. Van een uitputtende regeling is
eveneens sprake, wanneer dit besluit voor een bepaald aspect weliswaar
geen concrete voorschriften bevat, maar wel de mogelijkheid tot het
stellen van een op het desbetreffende aspect toegesneden maatwerkvoorschrift
biedt. Door deze specifieke mogelijkheid tot maatwerk, is het
niet mogelijk om ten aanzien van het betreffende aspect ook nog de
maatwerkmogelijkheid behorende bij de zorgplichtbepaling in te zetten.
Indien een aspect nog niet uitputtend is geregeld kan er een maatwerkvoorschrift
worden vastgesteld. Het gaat daarbij om maatwerkvoorschriften
die passen binnen de verplichting van het eerste lid; dit
betekent ook dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld indien de
nadelige gevolgen voor het milieu niet kunnen worden voorkomen of
onvoldoende worden beperkt door de naleving van de bij of krachtens dit
besluit gestelde voorschriften. De maatwerkvoorschriften die op grond
van dit lid worden gesteld mogen niet afwijken van bepalingen van dit
besluit.
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat maatwerkvoorschriften worden
opgesteld wanneer al handhavend wordt opgetreden. Dit opdat wordt
voorkomen dat onduidelijk is op welke norm moet worden gehandhaafd,
dat er legalisatie achteraf plaatsvindt of handhavend optreden wordt
gefrustreerd.
Afdeling 2.2 Lozingen
Artikel 2.2
Bij het lozen in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een
voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater die geen
vuilwaterriool is, is in het eerste lid bepaald dat het lozen slechts is
toegestaan, indien dit bij of krachtens de hoofdstukken 3 of 4 expliciet is
bepaald. In paragraaf 7.4.2 van het algemeen deel van deze toelichting is
de keuze voor deze wijze van reguleren toegelicht. Het tweede lid van
artikel 2.2 is ontleend aan artikel 11, derde lid, onderdeel j, van richtlijn
2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor
communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (de Kaderrichtlijn
Water) waarin is bepaald dat lidstaten in maatregelenprogramma’s
een verbod op een rechtstreekse lozing van verontreini-
Staatsblad 2007 415 185
gende stoffen in het grondwater moeten opnemen. Een directe lozing van
het grondwater is in artikel 2 van de richtlijn omschreven als lozing van
verontreinigende stoffen in het grondwater zonder doorsijpeling door
bodem of ondergrond. Overeenkomstig de verplichting van de richtlijn
bevat het tweede lid van dit artikel een verbod voor een dergelijke lozing
in het grondwater. Voorafgaande betekent echter niet dat vanuit de
gereguleerde activiteiten in de andere gevallen lozen nooit toelaatbaar
zou kunnen zijn. Om die reden is een bepaling opgenomen die inhoudt
dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift lozen kan toestaan, indien
het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.
Pas wanneer een dergelijk maatwerkvoorschrift is gesteld, mag met het
lozen worden aangevangen. Aan het lozen kunnen door het bevoegd
gezag bij het maatwerkvoorschrift voorwaarden worden gesteld. Voor
inrichtingen type A en B geldt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift
niet expliciet toegestane lozingen alsnog toe te staan voor alle
lozingen vanuit die inrichting.
Bij inrichting type C beperkt dit zich tot lozingen met betrekking tot
activiteiten in hoofdstuk 3 en voor lozingen in oppervlaktewater ook nog
tot activiteiten genoemd in paragraaf 4.1.5. Naar verwachting betreft dit
een beperkt aantal lozingen. Het bovengenoemde artikel 11, derde lid, van
de Kaderrichtlijn Water biedt aan de lidstaten de mogelijkheid om in een
aantal in dat artikel genoemde gevallen een rechtstreekse lozing in het
grondwater toe te staan. Een dergelijke toestemming kan ook bij
maatwerkvoorschrift op grond van het derde lid worden verleend.
Wanneer in een specifiek geval het bevoegd gezag, al dan niet op
verzoek van de inrichting voornemens zou zijn om bij maatwerkvoorschrift
een lozing toe te staan die tot substantiële gevolgen voor het
milieu zou kunnen leiden, maar vanuit het oogpunt van de bescherming
van het milieu door het bevoegd gezag wel toelaatbaar wordt geacht, dan
dient het bevoegd gezag bij de voorbereiding van het maatwerkvoorschrift
de openbare voorbereidingsprocedure toe te passen. Hiermee
wordt invulling gegeven aan de verplichtingen van het verdrag van
Verdrag van Aarhus1 met betrekking tot de inspraak en rechtsbescherming.
In het vijfde lid is bepaald dat het verbod om in de bodem te lozen niet
geldt indien aan het lozen voorschriften zijn gesteld in een vergunning op
grond van artikel 14 van de Grondwaterwet. Dit kan bijvoorbeeld aan de
orde zijn bij koude warmte opslag in de bodem, waarbij grondwater wordt
onttrokken en, nadat daaraan warmte is toegevoegd of onttrokken, weer
in de bodem wordt gebracht.
Artikel 2.3
In dit artikel is aangegeven aan welke voorwaarden een emissiemeting
moet voldoen indien deze wordt uitgevoerd ter controle van de naleving
van emissie-eisen.
In het eerste lid is per parameter de bepalingsmethode vastgelegd. In
het tweede lid van dit artikel is een norm opgenomen voor de
monstername en voor de conservering van dat monster. Gezien het feit
dat de emissiegrenswaarden die gesteld zijn bij de lozingsactiviteiten
betrekking hebben op afvalwater en op het totaal van opgeloste en niet
opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet
gefilterd mag worden en dat de stoffen die zich onopgelost in het
afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse. Deze
voorwaarden moet in acht worden genomen bij het volgen van de norm
voor de monstername, de conservering daarvan en de bepalingsmethode.
Op grond van het derde lid kan een gelijkwaardige bepalingsmethode
worden toegepast; in dat geval is het aan het bevoegd gezag om aan te
tonen dat de bepalingsmethode gelijkwaardig is.
1 Elke Partij: … past, in overeenstemming met
haar nationale wetgeving, de bepalingen van
dit artikel (inzake inspraak – RvS.) ook toe op
besluiten over niet in bijlage I vermelde
voorgestelde activiteiten die een aanzienlijk
effect op het milieu kunnen hebben. Hiertoe
bepalen de Partijen of een dergelijke voorgestelde
activiteit onder deze bepalingen valt.
Staatsblad 2007 415 186
Afdeling 2.3 Lucht
Algemeen
Indien voor emissies naar de lucht vanuit de inrichting emissie-eisen
gelden op basis van andere besluiten in het kader van artikel 8.40 Wet
milieubeheer zoals het Oplosmiddelenbesluit, het Besluit emissie-eisen
stookinstallaties (BEES A of B) en het Besluit verbranden afvalstoffen, dan
blijven die eisen onverkort van toepassing. In dit besluit worden er ten
aanzien van emissies die worden geregeld in het kader van de hiervoor
genoemde andere besluiten geen eisen opgenomen.
In dit besluit is voor het aspect luchtemissies aangesloten bij de
systematiek van de NeR. In het kort komt deze systematiek op het
volgende neer:
– emissiereductie dient in de eerste plaats gericht te zijn op een
vermindering van de emissievracht;
– diffuse emissies dienen zoveel mogelijk door procesgeïntegreerde of
brongerichte voorzieningen te worden bestreden;
– de noodzaak van emissiebeperking is afhankelijk van de grootte van
de emissievracht (massastroom) van de gekanaliseerde emissies;
– overschrijdt de massastroom van de gekanaliseerde emissies de
grensmassastroom dan wordt gesproken van een relevante emissie en
dienen emissiebeperkende voorzieningen overeenkomstig de Best
Beschikbare Technieken (BBT) te worden getroffen. Het toepassen van
procesgeïntegreerde maatregelen heeft daarbij de voorkeur boven het
toepassen van nageschakelde technieken vanwege het structurele
karakter van procesgeïntegreerde maatregelen;
– door het vastleggen van emissie-eisen in voorschriften wordt de
toepassing van een doelmatige maatregel verzekerd.
Deze systematiek is in hoofdstuk 2 verwerkt. Voor activiteiten waarbij
relevante luchtemissies verwacht worden zijn in hoofdstuk 4 concrete
emissieconcentratie-eisen opgenomen. Als voor een activiteit
emissieconcentratie-eisen zijn vastgelegd moet conform artikel 2.5
beoordeeld worden of de betreffende emissie binnen de inrichting
relevant is. Zodra de emissievracht (massastroom) van de betreffende stof
of groep van stoffen waartoe deze behoort, over de hele inrichting gezien
relevant is (de betreffende grensmassastroom overschrijdt) dan gelden de
in hoofdstuk 4 gestelde emissieconcentratie-eisen voor alle bronnen die
de betreffende stoffen emitteren. Als een bepaalde bron nauwelijks
bijdraagt in de jaarlijkse uitstoot, kan die bron op grond van artikel 2.6
worden uitgezonderd van de emissieconcentratie-eisen.
Voor de stofcategorie totaal stof (S) geldt een wat afwijkend regime. De
emissieconcentratie-eis van 5 milligram per normaal kubieke meter is op
een bron van toepassing indien:
– de massastroom over de totale emissie van stoffen ingedeeld in
stofklasse S conform artikel 2.5 over de hele inrichting, meer bedraagt dan
200 gram per uur, en
– de massastroom van de betreffende bron, de vrijstellingsgrens uit
artikel 2.6 overschrijdt.
Voor activiteiten waarvoor in hoofdstuk 4 emissieconcentratie-eisen zijn
opgenomen, zijn in de ministeriële regeling erkende maatregelen
opgenomen. Door toepassing van deze erkende maatregelen wordt
voldaan aan de emissieconcentratie-eisen uit hoofdstuk 4 van het besluit.
Dit houdt in dat in gevallen waarin de erkende maatregelen zijn getroffen,
niet meer aangetoond hoeft te worden dat aan de emissieconcentratieeisen
wordt voldaan. Er is slechts sprake van een erkende maatregel als
voldaan wordt aan alle voorwaarden genoemd bij die maatregel. Dat wil
Staatsblad 2007 415 187
zeggen (aantoonbare) deugdelijke dimensionering, (aantoonbaar)
deugdelijk onderhoud en (aantoonbare) geschiktheid van de maatregel
voor het betreffende doel.
Indien een andere maatregel getroffen wordt dan de erkende maatregel
die in de ministeriële regeling wordt genoemd, of een maatregel wordt
niet volgens de beschrijving van de erkende maatregel uitgevoerd
(bijvoorbeeld omdat deze niet juist is gedimensioneerd, niet goed is
uitgevoerd of onderhouden), is er geen sprake van een erkende maatregel
en moet de inrichtinghouder op verzoek van het bevoegd gezag op grond
van artikel 2.8 aantonen dat met de getroffen maatregel voldaan wordt
aan de in het Besluit genoemde emissieconcentratie-eis in hoofdstuk 4, of
dat de grensmassastroom niet wordt overschreden. Indien geen
maatregel getroffen wordt, kan het bevoegd gezag de inrichtinghouder op
grond van artikel 2.8 verzoeken om aan te tonen dat de betreffende
emissie niet relevant is op basis van de hiervoor genoemde NeR
systematiek die later in deze toelichting verder wordt uitgewerkt.
De in hoofdstuk 4 opgenomen concrete emissieconcentratie-eisen zijn
van toepassing op zogenaamde gekanaliseerde emissies. De
emissieconcentratie-eisen zijn dus niet van toepassing op diffuse
emissies. Ten aanzien van het zoveel mogelijk voorkomen van diffuse
emissies worden in de ministeriële regeling verplichte maatregelen
opgenomen, gebaseerd op de zorgplichtbepaling uit artikel 2.1, tweede
lid, onderdelen e en i. Deze voorschriften zijn gericht op het zoveel
mogelijk aan de bron afzuigen van significante emissiebronnen. Omdat
het niet mogelijk is om ter voorkoming van diffuse emissies concrete
emissie-eisen in het besluit op te nemen, zijn er in de regeling ter
voorkoming van diffuse emissies geen erkende maar verplichte maatregelen
opgenomen. In de beschrijving van de verplichte maatregel wordt
zo nauwkeurig aangegeven in welke gevallen de maatregel getroffen
moet worden en in welke gevallen dit niet redelijk is.
Ten aanzien van emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) naar
de lucht worden in dit besluit alleen emissie-eisen opgenomen voor
activiteiten die niet onder de werkingssfeer vallen van het Oplosmiddelenbesluit
(dit zijn activiteiten die niet zijn genoemd in bijlage I van het
Oplosmiddelenbesluit (bijvoorbeeld solderen) dan wel de drempelwaarde
uit bijlage IIA van het Oplosmiddelenbesluit niet overschrijden).
Voor activiteiten die weliswaar genoemd worden in het Oplosmiddelenbesluit
maar waarbij het VOS-verbruik lager is dan de drempelwaarde van
het Oplosmiddelenbesluit zijn er overigens geen concrete
emissieconcentratie-eisen opgenomen in dit besluit. Daarom zijn voor
deze activiteiten maatregelen opgenomen op basis van het afgeronde
KWS2000-project (en VOS maatregelen uit paragraaf 3.4 van de NeR) en
het Werkboek milieumaatregelen metaal- en elektrotechnische industrie
en is aangesloten bij het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het
Besluit motorvoertuigen milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven
milieubeheer en het Besluit organische oplosmiddelen in verven
en vernissen Wms.
Artikel 2.4
Alleen voor de emissies naar de lucht die samenhangen met activiteiten
waarvoor in hoofdstuk 4 van het Besluit emissieconcentratie-eisen zijn
gesteld, zijn ook de artikelen 2.5 en 2.6 van toepassing.
Staatsblad 2007 415 188
Artikel 2.5
Eerste tot en met het derde lid
De bedoeling van de bepalingen ten aanzien van luchtemissies is het
beperken van de omvang van massastromen die worden geëmitteerd
(ofwel de vracht van de emissie in gram per uur na eventuele reiniging)
van schadelijke stoffen naar de lucht. Stoffen die vanuit de inrichting
geëmitteerd kunnen worden, worden overeenkomstig paragraaf 4.5 van
de NeR ingedeeld in stofcategorieën en stofklassen.
De NeR gaat uit van zes stofcategorieën, die weer onderverdeeld zijn in
stofklassen op basis van hun chemische, fysische en toxische eigenschappen.
De volgende categorieën worden onderscheiden:
MVP: minimalisatieverplichte stoffen,
S: stof (totaal stof),
sO: organische stoffen stofvormig,
sA: anorganische stoffen stofvormig,
gA: anorganische stoffen gasvormig, en
gO: organische stoffen gasvormig.
Voor de beoordeling van relevante emissies zijn, overeenkomstig de
NeR, per stofklasse drempelwaarden van toepassing, aangeduid als
grensmassastroom. De relevantie van de emissie, en daarmee de hoogte
van de grensmassastroom, hangt af van de schadelijkheid van de stoffen.
Emissies die onder de daarvoor vastgestelde grensmassastromen
blijven, zijn niet relevant, emissies die één of meer grensmassastromen
overschrijden, wel.
Optellen massastromen binnen de stofklasse
Om te toetsen of er grensmassastromen zijn die overschreden worden,
moeten eerst de massastromen (emissievrachten in gram per uur) van
alle bronnen binnen de inrichting, die stoffen emitteren behorende tot een
zelfde stofklasse, bij elkaar worden opgeteld. De totale emissie die binnen
het tijdsvak van één uur kan optreden vanuit de inrichting is daarbij
maatgevend. Als sprake is van een inrichting die uit verschillende
onderdelen bestaat die onafhankelijk van elkaar zouden kunnen functioneren,
kan de totale emissie per bedrijfsonderdeel worden bepaald.
Als de opgetelde massastromen van stoffen die tot een zelfde klasse
behoren, de grensmassastroom van de betreffende klasse overschrijden,
dan moeten de opgetelde emissieconcentraties van de betreffende stoffen
per bron, voldoen aan de emissieconcentratie-eis van die klasse. Dit
betekent dat de betreffende emissieconcentratie-eis zowel geldt in de
gevallen dat de emissie van één enkele stof de grensmassastroom
overschrijdt, als in gevallen dat de emissie van de individuele stoffen
onder de grensmassastroom blijft, maar de som van de emissies de
grensmassastroom wel overschrijdt. In dit laatste geval moet dan de som
van de emissieconcentraties van de betreffende stoffen aan de
emissieconcentratie-eis voldoen.
Vierde lid
Indien het voor een bepaald emissiepunt, vanwege de specifieke
eigenschappen van de emissie, om technische redenen niet mogelijk is
een filtrerende afscheider toe te passen, dan dient gebruik gemaakt te
worden van niet filtrerende afscheiders. Bij het niet kunnen toepassen van
een filtrerende afscheider moet gedacht worden aan de volgende
omstandigheden:
– hoge temperaturen van het afgas (waarbij koeling of aanpassing
filtermedium niet kosteneffectief mogelijk is);
– plakkerige componenten of componenten met ongunstige hygroscopische
eigenschappen in afgassen;
– hoge vochtgehalten van afgassen;
Staatsblad 2007 415 189
– kans op brandbare of chemisch reactieve deeltjes in afgassen;
– sterk wisselende condities van afgassen;
– negatieve effecten (anders dan economische) van het filtersysteem op
de bedrijfsvoering.
Indien sprake is van dergelijke omstandigheden moet de inrichtinghouder
dit kunnen onderbouwen op basis van bijvoorbeeld vergelijking
van de specificaties van het afgas met de randvoorwaarden van potentiële
filtrerende afscheiders.
Omdat niet filtrerende afscheiders meestal een lagere emissiereductie
kunnen bewerkstelligen dan filtrerende afscheiders geldt op basis van
artikel 2.5, vierde lid, voor de gevallen waarin filtrerende afscheiders niet
toegepast kunnen worden, een emissiegrenswaarde van 20 mg/m3 in
plaats van 5 mg/m3.
Vijfde lid
Bij stoffen die zijn ingedeeld in de stofklassen MVP, sA, of gO moeten
aanvullend de volgende berekeningen plaatsvinden.
Optellen massastromen binnen de stofcategorie
Als de totale massastroom van alle stoffen binnen een klasse de
grensmassastroom van de klasse niet overschrijdt, dan moet vervolgens
worden getoetst of de totale massastroom van deze klasse samen met de
totale massastroom van de in nummer hogere klasse wél de grensmassastroom
van deze hogere klasse overschrijdt. Als dit het geval is dan geldt
de emissieconcentratie-eis van deze hogere klasse voor het totaal van alle
stoffen van de beide beoordeelde klassen. Als dit niet het geval is dan
moet vervolgens worden getoetst of de totale massastroom van de beide
klassen samen met die van de in nummer hoogste klasse, wél de
grensmassastroom van deze hoogste klasse overschrijdt. Als dit het geval
is dan geldt de emissieconcentratie-eis van deze hoogste klasse voor het
totaal van alle stoffen van de drie klassen.
Met de in nummer hoogste klasse wordt hier bedoeld de klasse met de
minst strenge emissieconcentratie-eis, dit is in het onderstaande
voorbeeld uitgewerkt.
Illustratie sommatiebepaling binnen de stofcategorie
De sommatiebepaling over vrachten
(massastromen) valt te illustreren met
het volgende voorbeeld, waarbij:
klasse = gO1, hogere klasse = gO2 en
hoogste klasse = gO3.
De gezamenlijke vracht van de stoffen
behorende tot klasse gO1 moet worden
getoetst aan de grensmassastroom van
gO1.
Vervolgens wordt de gezamenlijke
vracht van de stoffen behorende tot de
klassen gO1 plus gO2 getoetst aan de
grensmassastroom van gO2.
Tot slot wordt de gezamenlijke vracht
van stoffen behorende tot de klassen
gO1, gO2 en gO3 getoetst aan de
grensmassastroom van gO3.
Staatsblad 2007 415 190
Artikel 2.6
Overeenkomstig de systematiek van de NeR worden bronnen die op
jaarbasis maar een zeer geringe bijdrage aan de emissie hebben,
vrijgesteld van de emissieconcentratie-eisen uit artikel 2.5. Voor deze
kleine bronnen gelden dan geen emissieconcentratie-eisen ten aanzien
van de betreffende stoffen waarvan de jaarvracht onder het 500-voudige
van de grensmassastroom blijft. Artikel 2.6 regelt ook dat deze individuele
kleine bronnen zijn vrijgesteld van de emissie-concentratie-eisen bij de
activiteiten in de hoofdstukken 3 en 4 van dit besluit op die plekken waar
is bepaald dat artikel 2.5 onverminderd van toepassing is.
Overigens tellen deze kleine bronnen wel mee ter bepaling of de
grensmassastroom voor een stof of stofklasse wordt overschreden. Dus
als door optelling van de massastroom van verschillende bronnen binnen
de inrichting de grensmassastroom voor bijvoorbeeld totaal stof wordt
overschreden, geldt dat alle bronnen moeten voldoen aan de emissieconcentratie-
eis voor totaal stof, behalve de in dit artikel genoemde kleine
bronnen.
Artikel 2.7
Eerste lid
Dit lid biedt de mogelijkheid voor het bevoegd gezag gemotiveerd af te
wijken van de emissieconcentratie-eisen als bedoeld in hoofdstuk 4 in
combinatie met artikel 2.5.
Indien het bevoegd gezag in een specifieke situatie een dergelijk besluit
neemt, zal bij dit gemotiveerde besluit de NeR moeten worden betrokken.
De NeR geeft de stand der techniek weer op het gebied van emissiebeperking
naar de lucht. De bevoegdheid voor het bevoegd gezag om
afwijkende emissie-eisen te stellen wordt hiermee begrensd.
De emissieconcentratie-eisen die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en
artikel 2.5 zijn gebaseerd op de NeR. Naast emissieconcentratie-eisen
geeft de NeR aan dat in specifieke situaties kan worden afgeweken van
deze eisen. Er is niet voor gekozen om de verschillende uitzonderingsbepalingen
uit de NeR in dit besluit over te nemen. Maar om recht te
blijven doen aan de flexibiliteit van de NeR heeft het bevoegd gezag via
dit lid de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de
emissieconcentratie-eisen binnen het kader van de NeR.
Dit kan aan de orde zijn indien met een andere maatregel dan de
erkende maatregel (zoals die is opgenomen in de ministeriële regeling)
één of meer grensmassastromen overschreden worden en de
emissieconcentratie-eisen overschreden worden, terwijl wel een significante
emissiereductie gerealiseerd wordt (in kilogram vermeden emissie
per jaar).
Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien een bedrijf een
bronmaatregel of een procesgeïntegreerde maatregel wil treffen. Als
afwijkende emissie-eis zou dan door het bevoegd gezag in plaats van een
emissieconcentratie-eis bijvoorbeeld een emissiereductie-eis of een
emissievracht kunnen worden vastgesteld.
Afwijken van de emissieconcentratie-eisen kan ook aan de orde zijn
indien er sprake is van een afwijkend emissieverloop of bijzondere
bronnen zoals bedoeld in paragraaf 2.4 van de NeR. Het gaat hierbij om
bijvoorbeeld het toepassing geven aan de middelingsbepaling,
piekemissiebepaling, en bepalingen ten aanzien van niet reguliere
emissies zoals opgenomen in paragraaf 2.4 van de NeR. Daarnaast zijn
afwijkingen mogelijk van grensmassastromen en emissieconcentratieeisen
voor MVP-stoffen, conform het bepaalde onder emissie-eisen van
paragraaf 3.2.1 van de NeR.
Staatsblad 2007 415 191
Het bevoegd gezag neemt bij zijn beslissing ook de kosteneffectiviteit
van maatregelen als bedoeld in paragraaf 2.11 van de NeR in acht.
In gevallen waarin het wenselijk wordt geacht om van gestelde
emissiegrenswaarden af te wijken vanwege een integrale afweging van
milieucompartimenten zoals bedoeld in paragraaf 2.7.3 van de NeR,
kunnen met behulp van artikel 2.7 eveneens andere emissie-eisen worden
vastgesteld, onderbouwd op basis van de gemaakte integrale afweging.
Tweede lid
Dit lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid voorschriften te stellen
ten aanzien van het controleren van emissies door het bedrijf. Dit kan
alleen bij die activiteiten waar ook daadwerkelijk in dit besluit emissieeisen
naar de lucht zijn opgenomen.
In veel gevallen zal het niet nodig zijn om extra voorschriften te stellen
ten aanzien van het controleren van emissies, omdat de meeste bedrijven
door middel van het toepassen van erkende maatregelen worden geacht
te hebben voldaan aan de emissie-eisen. Voor deze erkende maatregelen
is in de ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 vastgelegd waar
deze maatregelen aan moeten voldoen om te kunnen spreken van een
erkende maatregel (zoals doelmatige werking van de maatregel).
Er kunnen echter situaties zijn waarbij een aanvullend controleregime
nodig is. Hiervan is sprake:
– indien een bedrijf een andere maatregel kiest dan die genoemd zijn bij
de erkende maatregelen. Een aanvullend controleregime ligt dan meer
voor de hand dan in gevallen dat een bedrijf er voor kiest een erkende
maatregel te treffen. In de regeling is vastgelegd waaraan een erkende
maatregel moet voldoen en hoe deze onderhouden moet worden om de
gewenste milieubescherming te realiseren. Dit is niet het geval voor
andere maatregelen of technieken die niet in de regeling zijn vastgelegd;
– indien de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met
de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel
onderhoud nodig is, er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte van de
emissies en afstelling nodig is;
– indien de grootte en aard van de emissies daar aanleiding toe geven;
– indien de grootte van emissies die kunnen optreden bij storing aan de
emissiebeperkende techniek daartoe aanleiding geven. Dit kan aan de
orde zijn indien een storing in de emissiebeperkende techniek direct zeer
grote gevolgen heeft voor de grootte van de emissies.
Als hulpmiddel voor het opstellen van een aanvullend controleregime
kan gebruik gemaakt worden van paragraaf 3.7 van de NeR. In veel
gevallen is een kwantitatieve emissiemeting niet nodig om de goede
werking van een emissiereducerende techniek vast te stellen en kan
volstaan worden met een controleregime op basis van Emissie Relevante
Parameters (ERP’s).
Derde lid
Dit lid biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid voorschriften te stellen
ten aanzien van het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende
techniek die door een inrichting wordt ingezet om emissies naar de lucht
te beperken. Indien naar het oordeel van het bevoegd gezag het
onderhoud van een dergelijke techniek onvoldoende is en er een risico is
dat de techniek om die reden niet doelmatig is en daardoor niet meer de
emissiereductie realiseert die deze geacht wordt te realiseren, kan het
bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift stellen waarin bijvoorbeeld de
frequentie van onderhoud wordt vastgelegd of de frequentie van
vervanging van filtermateriaal.
Staatsblad 2007 415 192
Artikel 2.8
Eerste lid
In dit lid wordt aangegeven dat wanneer geen, of andere maatregelen
genomen worden, dan de in de ministeriële regeling genoemde erkende
maatregelen, indien het bevoegd gezag daarom verzoekt er een
éénmalige verplichting rust op de drijver van de inrichting om aan te
tonen of:
– de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken
3 en 4 worden overschreden;
– het treffen van een maatregel nodig is omdat, weliswaar grensmassastromen
overschreden worden maar de emissie vanuit bepaalde bronnen
beneden de vrijstellingsbepaling uit artikel 2.6 blijven;
– met getroffen andere maatregelen (dan een erkende maatregel) aan
de emissie-eisen wordt voldaan.
Tweede lid
In het tweede lid is aangegeven dat het eerste lid ook geldt bij veranderingen
binnen de inrichting die significante negatieve gevolgen kunnen
hebben voor emissies naar de lucht. Dit geldt bijvoorbeeld als er nieuwe
bronnen bijkomen waar geen maatregelen of andere dan erkende
maatregelen zijn getroffen, maar ook voor bestaande bronnen waar de
massastroom is toegenomen. In dit laatste geval zal aangetoond moeten
worden dat:
– nog steeds geen maatregel getroffen hoeft te worden of,
– de dimensionering, onderhoud en geschiktheid van een bestaande
erkende dan wel andere maatregel in overeenstemming is met de nieuwe
situatie, of
– met een nieuw te treffen andere dan een erkende maatregel aan de
emissie-eisen wordt voldaan.
Derde lid
In het derde lid is aangegeven aan welke voorwaarden een emissiemeting
moet voldoen en op welke wijze er getoetst moet worden aan de
emissie-eisen indien er een emissiemeting wordt uitgevoerd om aan te
tonen dat aan de emissie-eisen wordt voldaan. Afwijking van een
bepalingsmethode zoals genoemd in dit artikel is alleen toegestaan als dit
is aangeven door het bevoegd gezag, dan wel op basis van eventueel
opgestelde maatwerkvoorschriften met betrekking tot het bepalen van de
emissies naar de lucht op grond van artikel 2.7, tweede lid.
In paragraaf 3.7.4 van de NeR wordt onder meer aangegeven uit
hoeveel deelmetingen een afzonderlijke emissiemeting dient te bestaan,
hoe lang de bemonsteringsduur van de deelmeting dient te zijn en hoe
omgegaan moet worden met de onnauwkeurigheid van een
meetresultaat.
Emissiemetingen van chroomVI-verbindingen kunnen zowel op grond
van het derde lid, onderdeel b, als op grond van het derde lid, onderdeel
c, worden uitgevoerd. Daarbij wordt opgemerkt dat in onderdeel b
genoemde bepalingsmethode bedoeld is voor werkplekmetingen in het
kader van de arbo-regelgeving en minder geschikt is voor metingen van
ChroomVI-verbindingen in het kader van dit besluit. Een nieuwe
bepalingsmethode is hiervoor in ontwikkeling.
In de praktijk is het vaak praktischer om gebruik te maken van de
bepalingsmethode voor zware metalen, alhoewel daarmee het totaal aan
chroomverbindingen (zowel chroom III als chroomVI) wordt bepaald.
Indien het totaal aan chroomverbindingen lager is dan de norm voor
chroomVI-verbindingen, dan wordt daarmee in ieder geval ook voldaan
aan de emissie-eis voor chroomVI-verbindingen.
Staatsblad 2007 415 193
Vierde lid
In dit lid is vastgelegd op welke wijze de meetwaarden die het resultaat
zijn van een emissiemeting (continu of afzonderlijk) moeten worden
getoetst aan de emissieconcentratie-eis zoals die is opgenomen in artikel
2.5. In paragraaf 3.7 van de NeR wordt dit exact aangegeven.
De emissie-eisen gelden als bovengrens voor halfuurgemiddelde
concentraties onder normale condities (273Kelvin, 101,3 kilopascal en
betrokken op droge lucht). Bij het bepalen van de concentratie in de
afgassen wordt alleen gerekend met die luchtstroom die nodig is voor het
reguliere proces. Luchtstromen die ter verdunning, koeling of anderszins
met de betreffende afgasstroom worden gemengd dan wel via hetzelfde
emissiepunt worden afgevoerd, mogen in principe niet bij de bepaling
van de afgasconcentratie worden meegenomen. De bepaling van de
concentratie in de afgassen moet hier in zo’n geval worden gecorrigeerd.
Afdeling 2.4 Bodem
Artikel 2.9
In dit artikel is bepaald dat bodembeschermende voorzieningen en
bodembeschermende maatregelen moeten worden getroffen indien
binnen de inrichting een bodembedreigende activiteit wordt uitgevoerd.
Deze voorzieningen in combinatie met de daarbij behorende maatregelen
moeten leiden tot een zogenoemd verwaarloosbaar bodemrisico. Het
verwaarloosbaar bodemrisico is gedefinieerd in artikel 1.1. In paragraaf
7.7.3 van het algemeen deel van deze toelichting wordt hierop nader
ingegaan. De term bodembeschermde voorziening is het overkoepelende
begrip waaronder alle fysieke voorzieningen vallen, zoals vloeren,
verhardingen en lekbakken. Bij bodembeschermende maatregelen gaat
het om bijvoorbeeld organisatorische beheermaatregelen. Zie voor
verdere uitleg van deze termen paragraaf 7.7.3 van het algemeen deel van
deze toelichting. In de ministeriële regeling zal voor de verschillende
bedrijfsmatige activiteiten worden aangegeven welke combinaties van
voorzieningen en maatregelen leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico
en binnen die inrichting getroffen moeten worden zodat aan dit
doelvoorschrift wordt voldaan. In artikel 6.10 is overgangsrecht met
betrekking tot dit artikel opgenomen.
Artikel 2.10
Dit artikel geeft een grondslag voor het bij ministeriële regeling stellen
van eisen aan ondergrondse tanks. Met het voldoen aan deze eisen wordt
een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt. Verder kunnen regels worden
gesteld met betrekking tot de goede werking van de kathodische
bescherming.
Artikel 2.11
Indien binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit wordt
uitgevoerd dient er binnen drie maanden na de oprichting van de
inrichting een rapport met de resultaten van een bodemonderzoek te
worden toegestuurd aan het bevoegd gezag. Een bodembedreigende
activiteit is in artikel 1.1 gedefinieerd als een bedrijfsmatige activiteit als
bedoeld in paragraaf 3.1 van deel A 3 van de NRB. In principe is het aan
de drijver van de inrichting om aan de hand van de NRB te beoordelen of
er sprake is van een bodembedreigende activiteit. Aan de hand van de
melding die voor de oprichting van de inrichting is gedaan kan ook het
bevoegd gezag beoordelen of een bodembedreigende activiteit wordt
uitgevoerd. Indien geen bodemrapport is ingediend en het bevoegd gezag
Staatsblad 2007 415 194
zelf tot de conclusie komt dat er sprake is van een bodembedreigende
activiteit kan alsnog door middel van het toepassen van een handhavingsmiddel
worden afgedwongen dat een bodemonderzoek wordt uitgevoerd.
Het bevoegd gezag heeft geen beleidsvrijheid om af te zien van het
bodemonderzoek indien het gaat om nieuwe inrichtingen. Voor aanvang
van de activiteiten in een nieuwe inrichting dient altijd de bodemkwaliteit
te zijn vastgesteld. Ook bodemonderzoek na beëindiging van de inrichting
moet altijd worden uitgevoerd. Zie verder hiervoor het algemene deel van
de Nota van toelichting.
In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen voor het bevoegd
gezag om maatwerkvoorschriften te stellen met betrekking tot een
bodemonderzoek indien er sprake is van een verandering van de
inrichting. Afhankelijk van de aard van de verandering kan het bevoegd
gezag besluiten om wel of geen verplichting op te leggen tot het uitvoeren
van bodemonderzoek. Dit onderzoek dient er toe om vast te stellen of de
kwaliteit van de bodem moet worden vastgelegd in verband met
eventuele toekomstige verontreinigingen of aantastingen. Relevante
veranderingen die een bodemonderzoek noodzakelijk kunnen maken zijn
bijvoorbeeld wijzigingen in het productieproces, uitbreidingen van de
inrichting, verplaatsing van machines waaruit stoffen kunnen lekken en
het op een andere plaats binnen de inrichting vullen en legen van vaten of
opslaan van vloeibare bodembedreigende stoffen.
Op grond van het derde lid is het verplicht een bodemonderzoek te
verrichten dat tot doel heeft om te bepalen of de bodem als gevolg van de
activiteiten binnen de inrichting is verontreinigd of aangetast. Indien uit
het onderzoek blijkt dat de bodem is verontreinigd of aangetast dan zal
deze moeten worden hersteld (zie het vijfde lid). Over de resultaten van
het bodemonderzoek moet uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging
van de inrichting zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag. In het rapport
moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van
degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de
bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd zal over het
algemeen een weergave bevatten van de beoordelingsrichtlijn en
protocollen (van toepassing verklaard in het Besluit uitvoeringskwaliteit
bodembeheer) die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan
moeten worden vastgelegd. Op grond van onderdeel d zal in het rapport
moeten worden vastgelegd in hoeverre de bodemkwaliteit is verslechterd
ten opzichte van de situatie bij oprichting of verandering van de inrichting.
Dat is alleen mogelijk indien bij oprichting of verandering van de
inrichting een bodemonderzoek is uitgevoerd en de resultaten daarvan
zijn weergegeven in een rapport. Wanneer is gebleken dat de bodem is
verontreinigd of aangetast zal in het rapport tevens moeten worden
vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate
waarin dat plaatsvindt op grond van het vijfde lid.
Het vierde lid bepaalt dat de bodemonderzoeken moeten worden
uitgevoerd en de bodemrapporten moeten worden opgesteld door een
persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit
uitvoeringskwaliteit bodembeheer.
De bodemonderzoeken zijn alleen gericht op de bodembedreigende
stoffen die als gevolg van de activiteiten in de bodem kunnen geraken of
daarin terecht kunnen zijn gekomen (achtste lid). Indien in een inrichting
bijvoorbeeld geen olie wordt opgeslagen of gebruikt dan hoeft dus ook
geen onderzoek te worden verricht naar eventueel aanwezige
olieverontreiniging. Daarnaast moet het bodemonderzoek alleen worden
uitgevoerd op de plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende
activiteiten zijn of worden uitgevoerd (achtste lid). Daar waar een
Staatsblad 2007 415 195
dergelijke activiteit niet is of wordt uitgevoerd zal namelijk geen sprake
zijn van bodemverontreiniging of -aantasting.
Indien uit het bodemonderzoek na beëindiging van de inrichting of na
beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstof of afgewerkte olie in
een ondergrondse opslagtank, blijkt dat de bodem is verontreinigd of
aangetast dan moet op grond van het vijfde lid uiterlijk binnen zes
maanden de bodemkwaliteit zijn hersteld. In paragraaf 7.7.4 van het
algemene deel van deze nota van toelichting is reeds aangegeven dat de
procedurebepalingen van de Wet bodembescherming op deze herstelwerkzaamheden
niet van toepassing zijn. Indien de bodemkwaliteit bij
oprichting of verandering van de inrichting is vastgelegd in een bodemrapport
dan dient de bodemkwaliteit te worden hersteld tot de waarden
die in dat rapport zijn vermeld. Wanneer de bodemkwaliteit bij oprichting
of verandering van de inrichting om wat voor reden dan ook (voorheen
was het veelal niet verplicht bodemonderzoek te verrichten of heeft het
bevoegd gezag ermee ingestemd dat dergelijk onderzoek niet hoeft te
worden uitgevoerd) niet is vastgelegd dan dient herstel plaats te vinden
tot de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Tot
slot is bepaald dat herstel van de bodemkwaliteit niet verder hoeft te gaan
dan met de best beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is. Hierbij
zal per situatie een afweging van belangen moeten plaatsvinden waarbij
onder andere financiële, bedrijfseconomische en milieubelangen worden
betrokken.
In het zesde lid is bepaald dat het herstel van de bodemkwaliteit moet
worden uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe is erkend op
grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer. Gezien de
formulering in het vijfde lid gaat het hierbij niet om herstelwerkzaamheden
die worden uitgevoerd na een calamiteit waarbij de verontreiniging
direct wordt opgeruimd hetgeen ook verplicht is op grond van artikel 13
Wet bodembescherming. In laatstgenoemde situatie zal de drijver van de
inrichting dus zelf direct maatregelen kunnen treffen en is hij niet verplicht
daartoe een erkende persoon of instelling in te schakelen. Zowel de
aanvang als de afronding van de werkzaamheden moeten op grond van
het zevende lid door de drijver van de inrichting worden gemeld aan het
bevoegd gezag dat daarop zijn toezichtsactiviteiten kan afstemmen.
Volgens het negende lid wordt een aanwezige vloerstofdichte vloer of
verharding in het kader van het bodemonderdoek niet doorboord of
anderszins aangetast. In de praktijk kwam het geregeld voor dat het
bevoegde gezag een bodemonderzoek verlangde waarbij het noodzakelijk
was door een deugdelijke vloer te boren teneinde bodemmonsters te
kunnen nemen. Met het negende lid wordt aan die praktijk, die niet in het
belang is van de bescherming van de bodem, een einde gemaakt.
Afdeling 2.5 Afvalbeheer
Artikel 2.12
In dit artikel is bepaald dat gevaarlijke stoffen van elkaar en van andere
afvalstoffen worden gescheiden, gescheiden worden gehouden en
gescheiden worden afgegeven. Het gaat daarbij om gevaarlijke afvalstoffen
als bedoeld in de bijlage bij de Regeling scheiden en gescheiden
houden van gevaarlijke afvalstoffen. In die regeling is richtlijn nr.
91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van
12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (Pb EG L377)
geïmplementeerd.
Voor andere afvalstoffen geldt eveneens als hoofdregel dat deze
gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven worden,
tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Voor diverse stromen in
Staatsblad 2007 415 196
het Landelijk Afvalbeheersplan is aangegeven wanneer gescheiden
inzameling redelijk kan worden geacht. Ook voor stromen oud papier,
karton, kunststof en elektrische en elektronische apparatuur zal een
indicatie worden gegeven wanneer het redelijk is dat afvalscheiden
plaatsvindt. Er is met betrekking tot deze stromen afval voor gekozen geen
absolute scheidingsplicht op te nemen. In een aantal situaties is het niet
redelijk dit van inrichtingen te eisen. Dit geldt vooral voor kleinere
bedrijven waarbij beperkte hoeveelheden van deze afvalstromen
vrijkomen. Het is in die situaties niet redelijk afvalscheiding te vragen en
het afsluiten van contracten met inzamelaars voor het apart inzamelen en
verwerken te eisen. Derhalve is besloten dat ook voor de stromen oud
papier, karton, kunststof en elektrische en elektronische apparatuur het
uitgangspunt de redelijkheideis zal gaan gelden. In de praktijk zal het
Landelijke Afvalbeheersplan het richtsnoer zijn voor afvalscheiding. Ter
ondersteuning daarvan zijn verschillende bronnen beschikbaar zoals de
handreiking «Wegen naar preventie bij bedrijven» en de «databank met
milieumaatregelen en praktijkvoorbeelden» op de website van Infomil.
Artikel 2.13
In paragraaf 3.4 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer was een bepaling opgenomen die ertoe strekt dat uit de
inrichting afkomstig zwerfafval wordt opgeruimd. In het onderhavige
besluit is een vergelijkbare bepaling opgenomen. Met dit artikel wordt
degene die de inrichting drijft verplicht zwerfafval van welke aard dan ook
dat afkomstig is vanuit die inrichting op te ruimen. De straal, waarbinnen
de verplichting tot verwijderen geldt, is 25 meter.
Artikel 2.14
Zie de toelichting over dit onderwerp bij het onderdeel afvalbeheer van
het algemeen deel van deze toelichting.
Afdeling 2.6 Energiebesparing
Artikel 2.15
Eerste lid
In een inrichting met een energieverbruik in een periode van twaalf
maanden van 50.000 kilo Watt uur of meer aan elektriciteit of 25.000
kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen dienen op grond
van het eerste lid, energiebesparingsmaatregelen te worden genomen. Dit
wil zeggen, dat alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd
van ten hoogste vijf jaar moeten worden genomen. Dit komt
overeen met een positieve netto contante waarde bij een interne
rentevoet van 15% zoals vastgesteld door SenterNovem. Degenen die
inrichtingen drijven dienen deze maatregelen te nemen met als doel
energiebesparing. Energiebesparing draagt bij aan het verminderen van
broeikasgasemissies en luchtverontreiniging. In principe geldt dat
maatregelen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen redelijk zijn,
tenzij er (niet-financiële) redenen zijn waarom de maatregel niet inpasbaar
is in de bedrijfsvoering of de maatregel een onaanvaardbaar effect heeft
op een ander milieucompartiment. Het ligt in de rede dat bij het uitvoeren
van maatregelen wordt aangesloten bij natuurlijke momenten zoals
investeringsmomenten waaronder begrepen vervangingsmomenten. Als
hulpmiddel zullen zogeheten informatiebladen ter beschikking worden
gesteld met voorbeelden van rendabele energiebesparingsmaatregelen.
Het ministerie van VROM zal er voor zorgdragen dat deze informatiebladen
jaarlijks geactualiseerd worden. Hierbij zal worden samengewerkt
met het EnergieCentrum van MKB Nederland en het bevoegd gezag.
Staatsblad 2007 415 197
Voorts staat het degene die de inrichting drijft vrij andere energiebesparende
maatregelen te nemen die een langere terugverdientijd hebben.
Deze laatste maatregelen kan het bevoegd gezag echter niet opleggen in
het kader van handhaving van het onderhavige besluit.
Er wordt gesproken over aardgasequivalenten aan brandstoffen omdat
dit een standaard hoeveelheid energie uitdrukt waaraan andere brandstoffen
gerelateerd kunnen worden. De ondergrenzen van 25.000 en
75.000 m3 betreffen het totaal aan aardgasequivalenten. Dit betekent dat
de verbruiksgegevens van de door het bedrijf gebruikte brandstoffen
moeten worden omgerekend naar aardgasequivalenten om deze
vervolgens bij elkaar op te tellen. Ook het gebruik van biobrandstoffen
moet in het totaalverbruik worden meegenomen. De verbruiksgegevens
van de brandstoffen (anders dan aardgas) kunnen met onderstaande tabel
omgerekend worden naar aardgasequivalenten.
Tabel: Vergelijking aardgas en andere brandstoffen (bron: Cijfers en tabellen,
SenterNovem 2006)
Brandstof Aardgasequivalent (m3) 25.000 m3 a.e.
=
Stadsverwarming 1 GJ = 31,6 m3 800 GJ
Huisbrandolie 1 liter = 1,20 m3(1) 21.000 liter
Stookolie 1 liter = 1,30 m3(1) 19.000 liter
Steenkool 1 kg = 0,93 m3(1) 27 ton
Vloeibaar propaan 1 liter = 0,73 m3 34.000 liter
LPG 1 liter = 0,95 m3 26.000 liter
Diesel 1 liter = 1,13 m3 22.000 liter
Benzine 1 liter = 1,04 m3 24.000 liter
Droog hout 1 kg = 0,48 m3(1) 52 ton
(1) Gemiddelde waarde.
Voor de overige (bio)brandstoffen kunnen de aardgasequivalenten
worden berekend met de gegevens uit Cijfers en tabellen (SenterNovem,
2006).
De verbruiken staan op de jaarafrekeningen van de energieleverancier(
s). Het is gebruikelijk deze rekeningen tenminste vijf jaar te
bewaren. Bij een bedrijfsoprichting wordt het jaarverbruik geschat voor
het afsluiten van een contract met een energieleverancier. Deze schatting
kan ook als basis dienen voor toetsing aan de ondergrenzen.
In de brief van 28 april betreffende het Project vereenvoudiging
vergunningen (2005–2006 TK 29 515, nr. 140) is onder andere ingegaan op
de algemene regels voor energiebesparing. In deze brief is een eerder
voorstel uit het voorontwerp van 15 december 2005 naast het huidige
artikel gelegd. Naar aanleiding van de reacties van bedrijfsleven en
overheden op het voorstel van 15 december 2005 is ervoor gekozen om
de grens voor het treffen van rendabele maatregelen te leggen op 50.000
kilo Watt uur aan elektriciteit of 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten
aan brandstoffen, beiden gerekend over een periode van twaalf maanden.
De grens voor het kunnen verplichten tot een energieonderzoek wordt
gelegd op 200.000 kilo Watt uur aan elektriciteit of 75.000 kubieke meter
aardgasequivalenten aan brandstoffen. De grens voor eventueel
onderzoek lag in het voorontwerp op 600.000 kilo Watt uur in een periode
Staatsblad 2007 415 198
van twaalf maanden waarbij de grens voor het treffen van rendabele
maatregelen op 50.000 kilo Watt uur lag.
Tot de in het eerste lid bedoelde maatregelen worden niet gerekend
maatregelen die volgens enig wettelijk voorschrift al zijn vereist. Bijvoorbeeld
maatregelen die volgens het Bouwbesluit 2003 al genomen moeten
worden om bij nieuwbouw aan de voorgeschreven energieprestatiecoëfficiënt
(EPC) te voldoen. Wanneer men een nieuwe inrichting bouwt
(gebouw), dan moeten bepaalde gebouwen volgens het Bouwbesluit 2003
al aan energiebesparingeisen voldoen, zoals de voorgeschreven EPC. Dat
is een wettelijk voorschrift. Dat voorschrift heeft betrekking op onder meer
verwarming, koeling, verlichting, ventilatie, benutting actieve zonneenergie,
isolatie van de schil en dergelijke. Hoe aan de EPC wordt voldaan,
moet worden bepaald volgens een voorgeschreven bepalingsmethode:
een NEN-normblad.
In richtlijn nr. 2002/91/EG betreffende de energieprestatie van
gebouwen, welke richtlijn is omgezet in het Besluit energieprestatie
gebouwen, is bepaald dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een
gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of
huurder, naar gelang van het geval, een energieprestatiecertificaat wordt
verstrekt. Het certificaat is niet langer dan tien jaar geldig. Het certificaat
gaat vergezeld van aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering
van de energieprestatie. Die aanbevelingen, voor zover het certificaat nog
geldig is, zullen, voor zover die voldoen aan het criterium van de
terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar, en betrekking hebben op een
inrichting als bedoeld in dit besluit, door de drijver van die inrichting
moeten worden uitgevoerd. Het gaat hier met name om gebouwen die ten
behoeve van het daarin verblijven van mensen worden verwarmd. Daarbij
valt, wat dit besluit betreft, onder meer te denken aan woongebouwen,
kantoorgebouwen, logiesgebouwen (hotels en dergelijke), horecainrichtingen,
bijeenkomstgebouwen (bioscopen, theaters en dergelijke).
Indien een drijver van een inrichting deelneemt aan het convenant
Meerjaren afspraken (MJA) energie efficiency en voldoet aan de eisen van
dat convenant, dan mag er van worden uitgegaan dat daarmee wordt
voldaan aan de eisen van het onderhavige besluit.
Tweede lid
In dit lid is de bevoegdheid opgenomen om degene die de inrichting
drijft te verplichten om een onderzoek te verrichten waaruit blijkt of aan
het eerste lid wordt voldaan. Het bevoegd gezag heeft deze bevoegdheid
indien aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan het eerste lid. De
bevoegdheid om onderzoek te laten verrichten geldt alleen voor inrichtingen
die in een periode van twaalf maanden een energieverbruik
hebben van meer dan 200.000 kilo Watt uur aan elektriciteit of 75.000
kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen. De bevoegdheid
geldt dus niet voor inrichtingen met een geringer energieverbruik dan
bedoeld in het vierde lid.
De grens van 200.000 kilo Watt uur elektriciteit of 75.000 kubieke meter
aardgasequivalenten aan brandstoffen, beiden berekend over een periode
van twaalf maanden, waarboven onderzoek verplicht kan worden,
betekent dat deze onderzoeksgrens uit de voorgangers van dit besluit met
een factor drie tot vier is verhoogd. Bij het omzetten van de voorgangers
van dit besluit in het onderhavige besluit is een afweging gemaakt tussen
het verminderen van de administratieve lasten en het waarborgen van het
milieubeschermingsniveau. De administratieve lasten kunnen fors worden
teruggebracht terwijl het milieubeschermingsniveau niet ingrijpend wordt
aangetast.
Staatsblad 2007 415 199
Het wordt degene die de inrichting drijft aanbevolen om alvorens hij het
onderzoek opdraagt het onderzoeksvoorstel voor te leggen aan het
bevoegd gezag.
De kosten voor zodanig onderzoek bedragen doorgaans niet meer dan
10% van de jaarlijkse energiekosten. Dit wordt als redelijk gezien voor dit
type inrichtingen.
Wanneer het bevoegd gezag onderzoek oplegt, zal dat onderzoek
moeten uitwijzen of alle mogelijke energiebesparende maatregelen met
een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar door de drijver van de
inrichting zijn genomen. Met dit onderzoek krijgt naast degene die de
inrichting drijft het bevoegd gezag inzicht in de technische mogelijkheden,
financiële gevolgen zoals terugverdientijden en milieugevolgen van
bepaalde maatregelen, activiteiten en faciliteiten. Een energieonderzoek
kan niet meer worden verplicht voor relatief kleine bedrijven, maar wel
aan bedrijven met een groot besparingspotentieel.
Met de term «aannemelijk» in het tweede lid wordt bedoeld dat door
het bevoegd gezag in redelijkheid wordt aangetoond, bijvoorbeeld met
behulp van de informatiebladen van SenterNovem/Infomil, dat rendabele
energiebesparende maatregelen die genomen kunnen worden, niet
genomen zijn.
Derde lid
Het bevoegd gezag kan eisen stellen met betrekking tot het treffen van
energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd tot en met vijf
jaar indien uit het onderzoek, zoals bedoeld in het tweede lid, blijkt dat
deze maatregelen niet genomen zijn. Het bevoegd gezag zal aan de drijver
van de inrichting een termijn aangeven waarbinnen deze maatregelen
alsnog genomen dienen te worden. Het bevoegd gezag treedt alvorens
een tijdstip op te leggen in overleg met de drijver van de inrichting, over
het tijdstip waarop de nog te nemen energiebesparende maatregelen
genomen moeten worden teneinde binnen termen van redelijkheid
aansluiting te zoeken bij andere investeringsbeslissingen, zoals verbouw
van de inrichting of vervanging van apparatuur.
Vierde lid
In het vierde lid is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is
indien het energiegebruik in de inrichting in enig kalenderjaar kleiner is
dan 50.000 kilowatt uur aan elektriciteit of kleiner is van 25.000 kubieke
meter aardgasequivalenten aan brandstoffen. Voor de betreffende
inrichtingen geldt derhalve geen verplichting tot het nemen van alle
bekende energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van
vijf jaar of minder of die een positieve netto contante waarde hebben bij
een interne rentevoet van 15%. Deze verplichting kan nu dit in dit artikel
uitputtend is geregeld ook niet bij maatwerkvoorschrift op grond van de
zorgplicht worden opgelegd.
Afdeling 2.7 Verkeer en vervoer
Artikel 2.16
Algemeen
Met artikel 2.16 worden voorschriften voorgesteld om de nadelige
gevolgen van vervoersbewegingen te voorkomen. De nadelige gevolgen
kunnen bestaan uit onder andere:
– broeikaseffect door uitstoot CO2 bijdrage verkeer: 20%
– luchtverontreiniging door NOX bijdrage verkeer: 62%
– luchtverontreiniging door CO bijdrage verkeer: 62%
Staatsblad 2007 415 200
– luchtverontreiniging door VOS (benzeen) bijdrage verkeer: 30%
– luchtverontreiniging door fijn stof bijdrage verkeer: 36%
– geluidhinder;
– congestie.
(Bronnen: www.cbs.nl; Emissies van wegverkeer en Nota Verkeersemissies van VROM)
Afhankelijk van de aard van de inrichting kan deze te maken hebben
met één of meerdere vervoersstromen:
– verkeer van de eigen medewerkers (woon-werkverkeer en zakelijk
verkeer);
– verkeer van bezoekers;
– transport van goederen.
De drie typen verkeersbewegingen hebben elk een eigen dynamiek en
vereisen dan ook elk een specifieke aanpak.
Eerste lid
In het eerste lid is opgenomen dat de inrichting ten aanzien van het
vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting de in de
ministeriële regeling genoemde maatregelen treft die tezamen ten minste
het op grond van die ministeriële regeling benodigde aantal punten
behalen. Op grond van het vierde lid geldt dit niet indien in de inrichting
minder dan 50 werknemers werkzaam zijn.
De systematiek werkt met een keuzelijst van erkende maatregelen.
Degene die de inrichting drijft, kiest zelf de maatregelen waar ze baat bij
heeft (of heeft die al gekozen en voldoet daarmee aan de eisen). Het
belang voor de inrichting kan liggen in lagere kosten, hogere tevredenheid
personeel, betere bereikbaarheid of een beter imago. De
systematiek is opgezet vanuit een win-win situatie voor bedrijven en
handhaver. Voor alle maatregelen geldt dat ze onderdeel kunnen uitmaken
van een normale bedrijfsvoering en dat ze voor een handhaver goed zijn
te controleren.
Elke maatregel kent een aantal punten dat hoger is naarmate de
milieueffectiviteit groter is (minder schadelijke stoffen, minder verbruik
brandstoffen, minder geluidhinder en ruimtebeslag). Voorbeelden van
maatregelen die hoog scoren zijn: regeling thuiswerken of minder
reisdagen, volledige vergoeding openbaarvervoerskosten, lease-auto’s in
zuinigheidsklassen A en B en «de beschikking hebben over weinig
parkeerplaatsen».
Degene die de inrichting drijft wordt geacht maatregelen te hebben
genomen om een aantal punten te halen zoals die voor een gemiddeld
bedrijf is vastgelegd. Bedrijven die boven dit gemiddelde scoren hoeven
niets extra’s te doen.
Voor gebieden met een relatief lage belasting van aan de inrichting
gebonden verkeer is het te behalen puntenaantal lager (zogenaamd licht
regime) dan voor overige gebieden (normaal regime).
Werknemers
Onder werknemers wordt verstaan «het totaal van de bij de inrichting
behorende fulltime medewerkers, parttime medewerkers en medewerkers
in de buitendienst die een dienstverband voor bepaalde of onbepaalde tijd
hebben. Uitgangspunt is dat er een dienstverband dient te zijn. Uitzendkrachten
en andere ingehuurde medewerkers hoeven niet te worden
meegeteld omdat de invloed van de inrichtingen op deze groep
medewerkers gering is. «Buitendienstmedewerkers» horen wel bij het
Staatsblad 2007 415 201
aantal ingeschreven werknemers. Tot de inrichting worden niet gerekend
werknemers die meer dan 80% van de diensttijd vanuit huis opereren.
Tweede lid
De verwachting is dat circa 1.300 inrichtingen zich boven de grens van
500 medewerkers bevinden. Van deze bedrijven kan worden gevraagd een
onderzoek naar personenvervoer te doen. Wat betreft het bedoelde
onderzoek kan nog worden opgemerkt dat het bevoegd gezag kan
bepalen welke aspecten moeten worden beschouwd. Naar aanleiding van
dat onderzoek kan het bevoegd gezag besluiten bij maatwerkvoorschrift
aanvullende maatregelen voorschrijven.
Bezoekersverkeer en goederenvervoer
In artikel 2.16 zijn bezoekersverkeer en goederenvervoer niet
opgenomen. Beiden vallen onder de zorgplicht (artikel 2.1) en zijn op
dezelfde wijze ingevuld zoals dat nu al in de Handreiking PD09 Preventie,
«Wegen naar preventie bij bedrijven» is beschreven.
Lastendruk
De administratieve lastendruk voor inrichtingen neemt op het onderdeel
«vervoer» met 24% af. In de afname is verdisconteerd dat dit artikel van
toepassing is op een grotere groep inrichtingen (de Handreiking gaat uit
van een ondergrens van 100 werknemers) en het wegvallen van de
onderzoeksplicht en het onderhandelen voor de groep inrichtingen met
minder dan 500 werknemers. Bij de afname met 24% dient aangetekend te
worden dat deze uitgaat van een praktijk met volledige handhaving.
De out-of-pocket kosten, beheerkosten en eventueel terugverdientijd
kan per maatregel sterk variëren. Aantoonbaar leveren enkele maatregelen
direct financieel voordeel (inzet bedrijfs/poolauto’s), andere leveren
beheerkosten op met baten in de sfeer van «werknemers tevredenheid»
(«regeling fiets van de zaak») of «bereikbaarheid» («pendeldienst tijdens
spits»). Hoe dit voor de niet administratieve onderdelen van de lastendruk
uitpakt, zal in de praktijk moeten blijken (afhankelijk van de maatregelen
die genomen worden en de situatie bij de bedrijven). Voorgesteld wordt
de monitoring op dit punt nationaal op te zetten.
Overgangsrecht
In artikel 6.9 is overgangsrecht opgenomen.
Afdeling 2.8 Geluidhinder
Artikel 2.17
In dit artikel zijn normen met betrekking tot geluidhinder opgenomen.
Eerste lid
Inrichtingen die onder de werking van het besluit vallen verschillen van
elkaar, ook in omvang en impact op de omgeving. Dit betekent dat een
norm die voor het ene bedrijf passend is, problemen oplevert voor een
ander bedrijf. In die gevallen waarbij dit speelt is niet de ruimste, meest
vergaande norm voor het grootste bedrijf als standaard opgenomen. Er is
gekozen voor een norm waarmee de meeste bedrijven uit de voeten
kunnen, waarbij eventueel maatwerk kan worden toegepast voor
inrichtingen die meer ruimte nodig hebben.
Zowel voor bestaande als nieuwe bedrijven is in beginsel de voorkeursgrenswaarde
van de Wet geluidhinder opgenomen als de standaard
geluidsnorm; het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (Lar, LT). Voor het
buitenniveau betekent dat een etmaalwaarde van 50 dB(A), voor het
Staatsblad 2007 415 202
binnenniveau van in- of aanpandige woningen een etmaalwaarde van
35 dB(A). Voor de toegestane maximale geluidsniveaus zijn waarden
gesteld die overeenkomen met de grenzen zoals opgenomen in de
voormalige besluiten alsmede de gangbare praktijk bij vergunningverlening.
Uitgangspunt daarbij is dat met deze normen doorgaans een
acceptabele geluidskwaliteit in de zin van geluidsbeleving en risico’s voor
de persoonlijke gezondheid, in de directe omgeving van het bedrijf wordt
bereikt. De normen hebben alleen betrekking op de in de inrichting
aanwezige toestellen en installaties en in de inrichting verrichte activiteiten
en werkzaamheden. Wanneer net buiten het terrein van de
inrichting, bijvoorbeeld op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid
van het pand, laad- en losactiviteiten plaatsvinden ten behoeve van de
inrichting zijn de normen ook hierop van toepassing. Overigens kunnen
ter voorkoming van indirecte hinder op grond van artikel 2.1, derde lid,
aanvullende maatwerkvoorschriften gesteld worden.
Van aanpandige woningen is sprake als geluidsoverlast kan ontstaan
door contactgeluid, dat wil zeggen als geluidsoverdracht plaatsvindt via
een constructieve verbinding. Sommige begrippen, zoals gevoelige
gebouwen en terreinen, zijn wel gewijzigd.
De normen gelden op de gevel van gevoelige objecten. In de definitie
van het begrip gevel wordt verwezen naar de Wet geluidhinder. Daarin
wordt een gevel zonder te openen delen (een zogenoemde dove gevel)
niet als gevel aangemerkt, zodat de waarden uit artikel 2.17 daarop niet
van toepassing zijn. Indien het hanteren van de gevel als punt waard de
waarden uit artikel 2.17 gelden tot onwenselijke situaties leidt, kan het
bevoegd gezag op grond van artikel 2.20, vierde lid, een ander punt
vaststellen waar de waarden gelden.
Eerste lid, onderdeel b
De waarden voor de maximale geluidsniveaus zijn in de dagperiode niet
van toepassing op laad- en losactiviteiten. In de praktijk blijken overschrijdingen
van de maximale geluidsniveaus door laad- en losactiviteiten
gedurende de dagperiode in het algemeen niet tot hinder te leiden. Onder
de laad- en losactiviteiten worden tevens aanverwante activiteiten
verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden,
manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen.
Laden en lossen buiten de dagperiode leverde vaak problemen op,
omdat het lastig bleek om hierbij aan de geldende geluidsnormen te
voldoen. Om laden en lossen buiten de dagperiode beter mogelijk te
maken, wordt gewerkt aan stillere technieken. Op die manier kan levering
buiten de filetijden plaatsvinden en kunnen gemeenten actief beleid
voeren met betrekking tot tijden waarop levering bij detailhandel
plaatsvindt, teneinde de leefbaarheid van het dorp of de stad te vergroten
en oponthoud in het verkeer aan het begin en eind van de dagperiode te
voorkomen. In 1999 is in dit kader door de ministeries van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken en
Verkeer & Waterstaat het Meerjarenprogramma PIEK opgezet. Dit
stimuleert de ontwikkeling en toepassing van technische innovaties en
gedrag, die het laden en lossen in de bewoonde omgeving stiller maken.
Het programma heeft inmiddels onder andere geleid tot een groot aantal
direct toepasbare technische innovaties om die activiteiten stiller te
maken. De toepassing van de in het Meerjarenprogramma Piek ontwikkelde
nieuwe geluidarme technieken voor vrachtwagens, bestelwagens,
aanhangwagens en trailers is gestimuleerd door het Subsidieprogramma
piek. Dit in het kader van de Subsidieregeling Milieugerichte Technologie
ontwikkelde subsidieprogramma is in 2007 afgerond.
Staatsblad 2007 415 203
Daarnaast is op 24 maart 2006 door het ministerie van VROM een
convenant gesloten met tien belangrijke steden, bedrijfsleven en het
ministerie van Verkeer en Waterstaat over beperking van de luchtverontreiniging
door vrachtauto’s in binnensteden. Het convenant «Stimulering
schone vrachtauto’s en milieuzonering» past in het voornemen om
luchtverontreiniging en geluidhinder in stedelijke gebieden aan te pakken.
Het convenant leidt ertoe dat vanaf begin 2007 in de «milieuzones» (vaak
de stadscentra) van de deelnemende gemeenten alleen vrachtwagens
worden toegelaten die voldoen aan verscherpte eisen voor de uitstoot van
schadelijke uitlaatgassen en fijn stof, op plekken waar dat vanuit milieuoogpunt
effectief is. Bovendien kunnen schone en stille vrachtauto’s ook
voordelen verwachten. Naast de milieuzones nemen gemeenten in
overleg met het bedrijfsleven maatregelen voor een slimmere organisatie
van de stedelijke distributie, bijvoorbeeld door verbeterde doorstroming
voor vrachtverkeer en een effectiever gebruik van de zogenaamde
venstertijden voor de bevoorrading.
Eerste lid, onderdeel e
De waarden in woningen gelden in geluidsgevoelige ruimten en de
waarden in andere gevoelige gebouwen gelden in verblijfsruimten.
Hiermee wordt afgeweken van de oude 8.40 besluiten en aangesloten bij
de Handreiking industrielawaai. Als geluidsgevoelige ruimten worden
aangemerkt: een woonkamer, een slaapkamer en een keuken van ten
minste 11 m2. Verblijfsruimten zijn, gelijk als in het Besluit geluidhinder:
– leslokalen en theorie(vak)lokalen van onderwijsgebouwen;
– onderzoeks- en behandelingsruimten en ruimten voor patiëntenhuisvesting,
alsmede recreatie- en conversatieruimten van ziekenhuizen
en verpleeghuizen;
– onderzoeks-, behandelings-, recreatie-, en conversatieruimten,
alsmede woon- en slaapruimten van verzorgingstehuizen, psychiatrische
inrichtingen, medisch centra, poliklinieken, en medische
kleuterdagverblijven.
Bedacht moet nog worden dat ook in het krachtens de Woningwet
vastgestelde Bouwbesluit 2003 eisen zijn gesteld met betrekking tot de
geluidswering van verblijfsruimten in woningen en andere geluidsgevoelige
gebouwen.
Tweede lid
Inrichtingen die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein oefenen
invloed uit op het zonebeheer, doordat zij op grond van dit besluit over
geluidsruimte beschikken zonder dat getoetst wordt of deze geluidsruimte
binnen de zone past. Indien voor deze inrichtingen de norm uit artikel 2.17
van toepassing zou zijn zou een groot deel van deze inrichtingen over
geluidsruimte beschikken die in veel gevallen niet wordt gebruikt. Om
deze – vaak alleen papieren – ruimte, die ten koste gaat van de geluidsruimte
van andere inrichtingen binnen het industrieterrein, in te perken is
in dit artikel bepaald dat de norm van 50 dB(A) geldt op een afstand van
50 meter van de grens van de inrichting. Als binnen 50 meter van de
inrichting een woning, ander gevoelig gebouw of gevoelig terrein buiten
het industrieterrein is gelegen, geldt de norm op dit object (dit volgt uit
het eerste lid). Naar verwachting hebben de meeste 8.40-inrichtingen
genoeg aan 50 dB(A) op 50 meter, zodat met dit artikel meer recht wordt
gedaan aan de feitelijke situatie. Wanneer een inrichting meer geluidsruimte
nodig heeft kan maatwerk worden toegepast, waarbij het
zonebeheer in acht genomen wordt. Met betrekking tot de maximale
geluidsniveaus zijn de normen uit artikel 2.17 onverkort van toepassing.
Staatsblad 2007 415 204
Derde lid
Voor inrichtingen die zijn gelegen op bedrijventerreinen gelden op
gevoelige gebouwen die op die bedrijventerreinen zijn gelegen hogere
waarden dan de standaardetmaalwaarde van 50 dB(A). Hiermee is
aangesloten bij de handreiking Industrielawaai en vergunningverlening,
waarin wordt geadviseerd om bij vergunningverlening uit te gaan van het
ter plaatse heersende referentieniveau.
Vierde lid
Het Besluit tankstations milieubeheer kende voor tankstations twee
perioden per etmaal, in plaats van drie. Van 7.00 tot 21.00 uur gold een
etmaalwaarde van 50 dB(A) en van 21.00 tot 7.00 uur van 40 dB(A). Dit is
in dit besluit gehandhaafd voor inrichtingen voor openbare verkoop van
vloeibare brandstoffen, mengsmering of aardgas aan derden voor
motorvoertuigen voor het wegverkeer.
Vierde lid, onderdeel d
Voor inrichtingen voor openbare verkoop van vloeibare brandstof,
mengsmering en aardgas aan derden voor motorvoertuigen voor het
wegverkeer die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, gelden de
normen op 50 meter van de grens van de inrichting, tenzij op kortere
afstand een gevoelig object is gelegen.
Overgangsrecht
In artikel 6.12 is het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel
opgenomen.
Artikel 2.18
Het eerste lid, onderdelen a en b, komt overeen met die uit de oude
Besluiten woon- en verblijfsgebouwen, detailhandel en ambachtsbedrijven
en horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen, maar is van
toepassing op alle inrichtingen waar de betreffende activiteiten plaatsvinden.
Eerste lid, onderdeel a
Dit onderdeel bevat een verbijzondering van de meet- en rekenregels
voor het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting. Bij het bepalen
van het geluidsniveaus wordt buiten beschouwing gelaten het stemgeluid
van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is
van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een
binnenterrein. Het betrekken van stemgeluid van bezoekers in de
beoordeling van de geluidsnormen is problematisch. Geluid afkomstig
van terrassen wordt niet of nauwelijks afgeschermd en kan direct
omliggende gevels belasten. Rigide toepassing van de geluidsnormen zou
het in veel gevallen onmogelijk maken een terras in gebruik te hebben. De
uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein geldt feitelijk
uitsluitend voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een
andere openbare ruimte is gelegen. In deze gevallen mag worden
aangenomen dat het van bijvoorbeeld het terras afkomstige geluid opgaat
in het omgevingsgeluid. Echter indien een buitenterrein omsloten is door
bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn.
Stemgeluid van het terras zal dan eerder leiden tot overlast. De beoordeling
van dergelijke situaties dient overeenkomstig artikel 2.17 te
geschieden. Met onoverdekt terrein wordt bedoeld een voor publiek
toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, dus een buitenterrein
zoals een tuin of een terras. Met een overdekking wordt een vaste
overdekking bedoeld en niet een zonnescherm of luifel. Verwarmde of
overdekte terrassen noden tot een gebruik in alle jaargetijden en moeten
overeenkomstig artikel 2.17 worden beoordeeld.
Staatsblad 2007 415 205
Eerste lid, onderdeel b
In dit onderdeel wordt bepaald dat bij het bepalen van de geluidsniveaus,
bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 buiten beschouwing blijft
het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor
sport- of recreatieactiviteiten. Het beheersen daarvan is slechts mogelijk
door zeer vergaande maatregelen en buitensporige kosten, hetgeen niet
gewenst is. Het zou daarbij kunnen gaan om het geheel of gedeeltelijk
afschermen of overkappen van open terreinen van aanzienlijke
afmetingen. Door het voeren van een juist ruimtelijke ordeningsbeleid is
doorgaans te voorkomen dat overlast ontstaat in een omliggende
woonomgeving. Nu uitsluitcriteria uit het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer zijn vervallen, vallen ook grotere
inrichtingen voor sport en recreatie, zoals sommige voetbalstadions,
onder de werking van dit besluit. Overlast vanwege dergelijke inrichtingen
wordt in de regel door gemeenten beperkt op grond van evenementenbeleid
en de Algemene Plaatselijke Verordening. Er kan bijvoorbeeld een
maximum gesteld worden aan het aantal evenementen per jaar en de
tijdsduur per evenement. Ook kunnen maatregelen voorgeschreven
worden die tijdens het evenement getroffen moeten worden. Meer dan
door stemgeluid van bezoekers wordt overlast doorgaans veroorzaakt
door verkeersbewegingen, parkeren en bezoekers buiten de inrichting op
weg naar en van het evenement.
Eerste lid, onderdeel c
In de Grondwet is bepaald dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of
levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te
belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter
bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter
bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. In de Wet openbare
manifestaties is aangegeven dat klokgelui in verband met de godsdienstige,
levensbeschouwelijke of lijkplechtigheden is toegestaan en dat de
gemeenteraad ter zake regels kan stellen. Het samenstel van beide
regelingen wordt geacht het geëigende kader en verdient de voorkeur
boven regulering in dit besluit.
Eerste lid, onderdelen d, e en f
Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en
strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij
militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het
oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht kan soms niet
worden voldaan aan de waarden uit de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 2.20.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht, is het
doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de
geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te
maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten
beschouwing gelaten. Hetzelfde geldt voor het ten gehore brengen van
onversterkte muziek. Het kan echter zijn dat de lokale situatie wel om
regels ten aanzien van het ten gehore brengen van onversterkte muziek
vraagt. De gemeente is daartoe is staat door middel van een gemeentelijke
verordening.
Tweede lid
De toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij muziekgeluid is in
tegenstelling tot de Handleiding meten en rekenen industrielawaai niet
toegestaan. In de handleiding is de correctie geïntroduceerd met het oog
op met name continu bedrijven. Toepassing van de bedrijfsduurcorrectie
bij muziekgeluid bij bijvoorbeeld horecabedrijven die om 1.00 of 2.00 uur
sluiten brengt met zich mee dat het geluidsniveau in de periode van 23.00
uur tot sluitingstijd hoger mag zijn dan in de periode voor 23.00 uur.
Staatsblad 2007 415 206
Omdat dit niet wenselijk is, is toepassing van de bedrijfsduurcorrectie bij
muziekgeluid niet toegestaan.
In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer was
een overgangsbepaling opgenomen op grond waarvan in gevallen waarin
een inrichting is opgericht voor 1 december 1992, in de nachtperiode wel
bedrijfsduurcorrectie mocht worden toegepast voor muziekgeluid, tenzij
voor de inrichting op grond van een verleende vergunning het toepassen
van bedrijfsduurcorrectie niet was toegestaan. Het geluidsniveau mocht in
de nachtperiode gedurende de bedrijfstijd in elk geval niet hoger zijn dan
de norm die gold voor de avondperiode. Met bedrijfstijd wordt de periode
bedoeld dat de inrichting geopend is. Deze overgangsbepaling was tot
1 december 2002 van toepassing. Met de branche is afgesproken dat de
bepaling verlengd zou worden met een periode van vijf jaar, tot
1 december 2007. Deze verlenging is echter nooit in regelgeving
vastgelegd. Wel heeft staatssecretaris van Geel op 22 maart 2006 een brief
(LMV 2006 245099) gestuurd aan de Regionale Milieudienst West-Brabant
en een afschrift daarvan aan de Voorzitter van de Vaste Commissie van
VROM, waarin gewezen wordt naar de mogelijkheid een gedoogbesluit te
nemen, omdat regelgeving in voorbereiding is waarvan redelijkerwijs
verwacht kan worden dat deze de eisen in de overtreden regels op korte
termijn zal versoepelen. Gebleken is dat er momenteel nog steeds
inrichtingen zijn waarvan redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat met
onmiddellijke ingang geen bedrijfsduurcorrectie voor muziekgeluid meer
wordt toegepast. Voor deze inrichtingen is in artikel 6.14 bepaald dat het
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift kan bepalen dat in de nachtperiode
voor muziekgeluid bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Het
geluidsniveau mag daarbij niet hoger zijn dan de norm die voor de
avondperiode geldt. Aan de maatwerkbepaling kan een einddatum
gekoppeld worden, bijvoorbeeld het moment dat het bouwwerk waar de
inrichting is gevestigd aan onderhoud toe is.
Derde lid
Het verrichten van sportactiviteiten in de openlucht en het komen en
gaan van bezoekers kan gepaard gaan met maximale geluidsniveaus die
hoger liggen dan de toegestane maximale geluidsniveaus. Voor inrichtingen
waar uitsluitend of in hoofdzaak horeca-, sport- en recreatieactiviteiten
worden uitgevoerd worden, evenals op grond van het Besluit
horeca-, sport- en recreatieactiviteiten milieubeheer het geval was, ook de
maximale geluidsniveaus ten gevolge van het komen en gaan van
bezoekers buiten beschouwing gelaten. Onder het geluid door het komen
en gaan van bezoekers wordt onder meer begrepen het dichtslaan van
autoportieren en het starten en gas geven bij het wegrijden van
voertuigen. Redelijkerwijs is het niet mogelijk deze pieken te beheersen op
basis van een objectieve normstelling. Om eventuele hinder tegen te gaan
of zo veel mogelijk te beperken is op een andere wijze voorzien in
beheersing van ongewenste gevolgen. In artikel 2.20, vijfde lid, is bepaald
welke maatregelen of voorzieningen kunnen worden getroffen in de sfeer
van de bedrijfsvoering en het houden van toezicht.
Vierde lid
Uit onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Organisatie
Voor Energie en Milieu (2002), naar de geluidemissie van vrachtwagens is
gebleken dat een maximaal geluidsniveau van 65 dB(A) (op een meetpunt
van 7,5 meter) het laagst haalbare niveau is voor aandrijfgeluid van deze
motorvoertuigen. Hierdoor is het niet altijd haalbaar om in de nachtperiode
aan het maximale geluidsniveau uit tabel 2.17a te voldoen,
namelijk 60 dB(A) op de gevel van gevoelige objecten. Een overschrijding
van het maximale geluidsniveau wordt daarom toegestaan, mits de
houder van de inrichting aantoont dat het geluidsniveau van het aandrijfgeluid
van de motorvoertuigen niet meer dan 65 dB(A) bedraagt op een
Staatsblad 2007 415 207
afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig. Uiteraard moet eerst
worden bekeken of mogelijk op andere manieren aan het maximale
geluidsniveau uit de tabel kan worden voldaan, bijvoorbeeld het kiezen
van een andere route.
Overgangsrecht
In artikel 6.15 is het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel
opgenomen.
Artikel 2.19
In artikel 2.17 is in overeenstemming met de meeste oude
8.40-besluiten de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder
opgenomen als de standaard geluidsnorm Lar, LT. Uitgangspunt daarbij is
dat met deze normen doorgaans een acceptabele geluidskwaliteit in de zin
van geluidsbeleving en risico’s voor de persoonlijke gezondheid, in de
directe omgeving van het bedrijf wordt bereikt. Deze norm is de grootste
gemene deler die voor de meeste gebiedstypen passend is. In sommige
gevallen zal echter duidelijk zijn dat de norm niet passend is, bijvoorbeeld
omdat het omgevingsgeluid aanzienlijk hoger of lager is of de aard en de
hoeveelheid van de inrichtingen in het gebied zodanig is dat een andere
norm gewenst is. In die gevallen kan op grond van artikel 2.19 in een
gemeentelijke verordening een andere norm worden vastgesteld. Gedacht
kan worden aan een hogere norm in een horecaconcentratiegebied, of
een lagere norm in rustig landelijk gebied. Vanwege de gevolgen voor de
in het gebied gelegen inrichtingen dient spaarzaam en zorgvuldig
omgegaan te worden met het instrument van de gemeentelijke
verordening.
Van groot belang is dat bij het vastleggen van gemeentelijk geluidsbeleid
een afweging plaatsvindt van de belangen van bewoners, bedrijven
en overige belanghebbenden in het betreffende gebied. Het algemene
gemeentelijk gebiedsgericht geluidsbeleid komt tot uiting in de verordening.
De individuele belangenafweging wordt gemaakt bij het concreet
aanwijzen van die gebieden. Voor de in het gebied gelegen inrichtingen
betekent dit dat tevens rekening gehouden wordt met het geluidsniveau
dat de inrichting voor het in werking treden van de verordening veroorzaakte
en mocht veroorzaken. Bij verlaging van de waarden in het gebied
hoeven de geldende geluidsniveaus voor die inrichtingen niet zonder
meer gehandhaafd te worden, het is immers niet onredelijk dat van
individuele burgers of bedrijven inspanningen gevergd worden om een
maatschappelijk doel te dienen. Een verlaging van de geluidswaarden in
een gebied mag echter niet tot gevolg hebben dat de bedrijfsvoering van
een inrichting technisch onmogelijk wordt gemaakt, of onnodig wordt
beperkt.
Het effectueren van gemeentelijk beleid middels een verordening
gebeurt in twee stappen. De eerste stap is het vaststellen van een
verordening, waarin het kader van het gemeentelijk beleid wordt
vastgelegd. In de verordening worden voorwaarden vastgelegd op grond
waarvan krachtens de verordening gebieden worden aangewezen. De
gemeente beschrijft daarbij aan welke voorwaarden een gebied moet
voldoen om te kunnen worden aangewezen als gebied waarvoor een
andere norm geldt. De voorwaarden kunnen gebiedskenmerken betreffen,
bijvoorbeeld een bepaalde dichtheid aan woningen of inrichtingen, maar
een voorwaarde kan ook een benaming van een bepaald type gebied
behelzen, bijvoorbeeld een horecaconcentratiegebied of stiltegebied. In de
verordening wordt daarnaast vastgesteld wat de geluidsnorm is die hoort
bij gebieden die aan de voorwaarden voldoen. Zo kan in de verordening
bepaald worden dat in horecaconcentratiegebieden die krachtens de
Staatsblad 2007 415 208
verordening worden aangewezen een etmaalwaarde geldt van 55 dB(A),
of dat in gebieden met minder dan een woning per hectare die krachtens
de verordening worden aangewezen een etmaalwaarde geldt van
45 dB(A). De tweede stap ter effectuering van gemeentelijk beleid is het
nemen van een concretiserend besluit waarin een bepaald gebied wordt
aangewezen als gebied waar de bijbehorende normen uit de verordening
daadwerkelijk van toepassing zijn. Het concretiserende besluit is een
besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend
voorschrift, waartegen bezwaar en beroep open staat. Het biedt belanghebbenden
de mogelijkheid om een onafhankelijke rechter de besluitvorming
te laten toetsen.
De mogelijkheid om voor bepaalde gebieden een afwijkende norm vast
te stellen was tevens opgenomen in het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven
milieubeheer en het Besluit glastuinbouw.
In het Besluit landbouw wordt aan de gebiedsgerichte benadering vorm
gegeven door als algemene norm een etmaalwaarde te stellen van
45 dB(A). De inrichtingen die onder de werking van het Besluit landbouw
vallen zijn doorgaans gelegen in een landelijke omgeving, alwaar een
etmaalwaarde van 45 dB(A) gelet op de aard van het gebied en het
omgevingsgeluid passender is dan een norm van 50 dB(A). Indien het
Besluit landbouw te zijner tijd mogelijk wordt samengevoegd met het
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, zal bekeken
worden in hoeverre de etmaalwaarde van 45 dB(A) als standaardnorm
voor alle inrichtingen in landelijk gebied kan gelden.
Overigens moet primair het ruimtelijke ordeningsinstrument ingezet
worden om per deelgebied binnen de gemeente een bepaalde (akoestische)
kwaliteit te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door middel van het
bestemmingsplan inrichtingen die doorgaans veel geluid produceren te
weren uit bepaalde gebieden.
Voor het geluidsniveau binnen geluidsgevoelige ruimten van woningen
en verblijfsruimten van andere gevoelige gebouwen is ongeacht de
hoogte van de buitenwaarden een vast beschermingsniveau vastgelegd in
tabel 2.19. Vóór de vaststelling van de verordening dient derhalve te
worden nagegaan in hoeverre het geluidsniveau binnen geluidsgevoelige
ruimten en verblijfsruimten van gevoelige gebouwen die binnen de
akoestische invloedssfeer zijn gelegen, wordt beïnvloed. Met de akoestische
invloedssfeer wordt hier bedoeld de geluidsbelasting vanwege de
inrichtingen op de gevels van omliggende woningen voor zover dat hoger
is dan 50 dB(A). Een verordening mag niet tot gevolg hebben dat de
geluidsniveaus uit tabel 2.19 binnen geluidsgevoelige ruimten en
verblijfsruimten worden overschreden.
In het vijfde lid is geregeld dat in de gemeentelijke verordening bepaald
kan worden dat het bevoegd gezag binnen een gebied waarvoor op grond
van een verordening een andere norm geldt maatwerkvoorschriften kan
stellen.
Artikel 2.20
Eerste tot en met derde lid
In dit artikel is de mogelijkheid voor het bevoegd gezag opgenomen om
onder voorwaarden in afwijking van de waarden, bedoeld in artikel 2.17,
en de waarden, bedoeld in artikel 2.19, andere waarden voor het
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau
(LAmax) vast te stellen. Een gelijkluidend voorschrift was in de
oude artikel 8.40-besluiten opgenomen. De afwijkingsmogelijkheid geldt
Staatsblad 2007 415 209
niet voor de geluidsniveaus binnen woningen van derden; daarvoor is
ongeacht de hoogte van de afwijking van de buitenwaarde een vast
beschermingsniveau vastgelegd overeenkomstig de binnenwaarde uit
artikel 2.17. Bij toepassing van de afwijkingsmogelijkheden dient derhalve
te worden nagegaan in hoeverre het geluidsniveau binnen woningen van
derden die binnen de akoestische invloedssfeer zijn gelegen, wordt
beïnvloed. Met de akoestische invloedssfeer wordt hier bedoeld de
geluidsbelasting vanwege de inrichting op de gevels van omliggende
woningen voor zover dat hoger is dan 50 dB(A).
Uiteenlopende redenen of argumenten kunnen ten grondslag liggen
aan de wens, behoefte of noodzaak tot afwijken. In beginsel zal het
omgevingsgeluid bepalend kunnen zijn voor de mate van afwijking van de
standaard geluidsnorm. De volgende invulling kan dan bijvoorbeeld aan
de orde zijn.
a. Indien het omgevingsgeluid zodanig laag is, dat de in dit voorschrift
gestelde standaard geluidsnorm zal leiden tot hinder voor de omgeving,
kan een lagere geluidsgrenswaarde aan het bedrijf worden opgelegd. Dit
kan zich voordoen in situaties waarbij bedrijven gevestigd zijn in een
rustige omgeving zoals bijvoorbeeld een stille woonwijk of landelijk
gebied. Bij het in overweging nemen van een lagere geluidsgrenswaarde
zal het bevoegd gezag rekening dienen te houden met de rechtszekerheid
van gevestigde bedrijven. Alternatieve maatregelen kunnen in de
afweging worden betrokken waarbij zonodig aandacht moet worden
geschonken aan een evenredige lastenverdeling. Van belang is voorts dat
bezien kan worden in hoeverre eventuele maatregelen gefaseerd kunnen
worden uitgevoerd. Indien het gaat om een groter gebied, waarin
meerdere inrichtingen zijn gelegen, kan ook een gemeentelijke verordening
worden vastgesteld.
b. Indien het omgevingsgeluid zodanig hoog is dat redelijkerwijs van
het bedrijf niet kan worden verlangd de lagere standaard geluidsnorm na
te leven en de handhaving van geluidsnorm een onevenredige beperking
van de bedrijfsvoering of zelfs sluiting zou kunnen betekenen, terwijl de
lokale situatie een soepeler normstelling toelaat. In een dergelijk geval kan
de geluidsgrenswaarde worden verhoogd. Dit kan zich voordoen in
drukkere gebieden zoals stadswinkelcentra of bedrijfsterreinen. Ook in
deze gevallen kan het gemeentebestuur ervoor kiezen een gemeentelijke
verordening vast te stellen, waarin bepaald wordt dat voor een aangewezen
gebied een hogere norm geldt.
c. Niet uitsluitend het omgevingsgeluid behoeft maatgevend te zijn om
afwijking van de norm te wensen. Ook maatschappelijke ontwikkelingen
en de al of niet hierdoor veranderende regelgeving kan daartoe aanleiding
vormen. Het kan daarbij voorkomen dat wellicht in specifieke gevallen
meer ruimte geboden moet worden.
d. Ten slotte kunnen eventueel ook geluidsgrenswaarden boven het
omgevingsgeluid worden vastgesteld, bijvoorbeeld indien individuele
bedrijfseconomische redenen motief zijn om aan de behoeften van het
bedrijfsleven tegemoet te komen, en indien is aangetoond dat maatregelen
onvoldoende soelaas bieden. In dergelijke gevallen zal het bevoegd
gezag een afweging moeten maken tussen de belangen van het bedrijfsleven
en de belangen van de woonomgeving rond de inrichting. Met
name kan zich deze problematiek voordoen rond laad- en losactiviteiten
en waarbij in specifieke situaties extra geluidsruimte moet worden
geboden om de bedrijfsvoering niet geheel onmogelijk te maken. In het
algemeen moet worden bedacht dat afwijking van het heersende
geluidsniveau aanleiding kan zijn voor hinder of het uiten van klachten.
Het gebruik maken van de mogelijkheid tot afwijking van de
standaardnorm vindt plaats op basis van een plaatselijke afweging met
inachtneming van bovengenoemde motieven. Omdat voor het onderwerp
geluid een vergaande mate van decentralisatie gewenst wordt geacht, is
Staatsblad 2007 415 210
afgezien van het opnemen van een bandbreedte waarbinnen deze
afweging kan plaatsvinden. Deze lokale afweging en besluitvorming zijn
daarbij overigens gebonden aan de opgebouwde praktijk rond de
benadering van het onderwerp geluid. Immers geluid is geen nieuw item
maar reeds jarenlang een structureel element in de uitvoeringspraktijk van
vergunningverlening, de planologie, de rechtspraak en de handhaving, in
technische zin gevoed door uitvoeringsbesluiten, circulaires, richtlijnen en
handreikingen.
Voor het omgaan met muziekgeluid geldt het volgende. Het kan
voorkomen dat bijzondere geluiden zoals tonale-, impulsachtige- of
muziekgeluiden waarneembaar zijn ter plaatse van de ontvanger. Deze
waarneembare bijzondere geluiden worden zwaarder beoordeeld dan
omgevingseigen en geaccepteerde geluiden. Voor geluiden veroorzaakt
door muziek (al dan niet vervormd) wordt ingevolge de Handleiding
meten en rekenen industrielawaai bij hoorbaarheid bij de ontvanger een
toeslag op de gemeten waarde gerekend van 10 dB. In de praktijk kunnen
in een woning hoorbare muziekgeluiden een lager geluidsniveau hebben
dan 25 dB(A). Beneden 20 dB(A) zijn geluidsniveaus niet meer te meten
omdat de geluidsniveaumeters een fysieke ondergrens hebben van circa
20 dB(A). Indien te verwachten is dat zeer lage niveaus door de inrichting
worden veroorzaakt binnen een woning, verdient het aanbeveling om na
te gaan welke geluidbelasting reeds heerst, zonder dat de muziek
aanstaat. In vele gevallen zal dan blijken dat de in de woning aanwezige
apparaten of toestellen (wekkers, klokken, centrale verwarming etc.) al
zoveel geluid maken dat muziekgeluiden van de buren worden gemaskeerd.
Aangezien de muziekcorrectie alleen wordt toegepast indien
muziek hoorbaar is, is het in dergelijke gevallen niet altijd noodzakelijk dat
de isolatieberekeningen worden uitgevoerd op de volle 10 dB correctie. Zo
kan bijvoorbeeld door verlaging van het zendniveau van een inrichting
met muziekgeluid met 5 dB de hoorbaarheid van muziek al volledig teniet
worden gedaan door bijvoorbeeld het aanwezige verkeerslawaai in de
omgeving; dan vervalt de muziekcorrectie bij de woning.
Vierde lid
Maatwerk als bedoeld in artikel 2.20, vierde lid, kan bijvoorbeeld
worden toegepast in gevallen waarbij een inrichting ver van woningen,
andere gevoelige gebouwen of gevoelige terreinen is gelegen en
daardoor onbeperkt geluid mag produceren. Het bevoegd gezag kan dan
bepalen dat de waarden uit tabel 2.17a in plaats van op de gevel van
gevoelige objecten gelden op een punt dat dichter bij de inrichting is
gelegen. Ook kan het bevoegd gezag kan met deze maatwerkbepaling
objecten bescherming bieden die op grond van artikel 2.17 niet
beschermd worden. De plaats waarop de geluidsnormen gelden kan
bijvoorbeeld worden vastgesteld ter plaatse van een woonboot. Daarnaast
kan de bepaling bijvoorbeeld worden gebruikt als de waarden uit artikel
2.17 gelden op een onderdeel van een gevoelig object waar dit niet
wenselijk is. Als bijvoorbeeld een woning is uitgebreid met een garage en
de gevel van die garage geen dove gevel is, kan het bevoegd gezag
bepalen dat de waarden niet gelden op de gevel van de garage maar op
een ander deel van de woning, bijvoorbeeld een gevel waarachter een
geluidsgevoelige ruimte is gelegen.
Vijfde lid
Technische voorzieningen en gedragsregels kunnen bijvoorbeeld
betrekking hebben op het gesloten houden van ramen en deuren, het
aanbrengen van geluidsdempende wielen onder rijdend materieel in
bijvoorbeeld een supermarkt of het aanbrengen van een geluidsbegrenzer
op een muziekinstallatie. In het Besluit horeca-, sport- en recreatieinrichtingen
milieubeheer was, naast de mogelijkheid tot het vaststellen
Staatsblad 2007 415 211
van een andere norm of een andere plaats waarop de norm geldt, een
limitatieve opsomming opgenomen van de op te leggen nadere eisen. Om
te bereiken dat aan de geluidsvoorschriften werd voldaan, konden nadere
eisen gesteld worden ten aanzien van:
– het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting;
– de periode van openstelling van de gehele inrichting, een terras, een
parkeerterrein of een ander gedeelte van de inrichting;
– de situering van een terras of een parkeerterrein;
– het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht
moeten worden genomen, waaronder regels ten aanzien van aan- en
afrijdend verkeer en komende en gaande bezoekers.
Omdat de maatwerkbepaling in onderhavig besluit niet alleen op
horecabedrijven van toepassing is, is voor een algemenere strekking
gekozen. De in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
milieubeheer genoemde mogelijkheden tot het opleggen van nadere
eisen zijn op te vatten als technische voorzieningen en gedragsregels,
zodat ten opzichte van de op grond van het Besluit horeca-, sport- en
recreatie-inrichtingen milieubeheer bestaande praktijk geen wijziging
plaatsvindt.
Zesde lid
In dit lid is bepaald dat het bevoegd gezag voor specifieke activiteiten
een ander norm mag vaststellen als maatwerkvoorschrift. Het lid is
gebaseerd op paragraaf 5.3 van de handreiking. Hierin worden twee
afwijkingsmogelijkheden onderscheiden: regelmatige afwijkingen van de
representatieve bedrijfssituatie en afwijkingen in het kader van het 12
dagencriterium (niet-representatieve bedrijfssituaties en afwijkingen in het
kader van het 12 dagencriterium). De eerste vorm ziet op activiteiten die
met enige regelmaat voorkomen, bijvoorbeeld het eens per week lossen
door een meelwagen bij een bakkerij, of het 20 avonden per jaar
overwerken bij een houtbewerkingsbedrijf. De tweede vorm ziet op
bijzondere activiteiten die niet kunnen worden gerekend tot de representatieve
bedrijfssituatie.
In dit lid wordt het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om deze
afwijkingsmogelijkheden bij maatwerkvoorschrift vast te leggen. Bij het
stellen van een maatwerkvoorschrift moet hinder zoveel mogelijk beperkt
worden, bijvoorbeeld door niet meer geluidsruimte te bieden dan nodig is
en door het aantal dagen of dagdelen waarop de activiteit plaatsvindt te
beperken. Daarnaast kunnen voorzieningen en gedragsregels worden
voorgeschreven. Bij activiteiten waarvan op voorhand niet bekend is
wanneer zij zullen plaatsvinden, kan bepaald worden dat de activiteiten
vooraf aan het bevoegd gezag gemeld moeten worden. De maatwerkmogelijkheid
is niet van toepassing op festiviteiten als bedoeld in artikel
2.21.
Overgangsrecht
In artikel 6.13 is het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel
opgenomen.
Artikel 2.21
Eerste lid
Bij het vieren van incidentele festiviteiten en activiteiten met een
maatschappelijk belang, kan niet altijd voldaan worden aan de gestelde
geluidsvoorschriften. De gemeenteraad kan daarom bij verordening
vaststellen dat gedurende bepaalde perioden de geluidsvoorschriften niet
gelden. Onderdeel a van dit artikel is van toepassing op de zogenaamde
collectieve festiviteiten. In de verordening is daartoe een nadere gebiedsdifferentiatie
binnen de gemeente mogelijk. Van deze mogelijkheid kan
Staatsblad 2007 415 212
bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt tijdens carnaval, kermissen of
culturele-, sport- en recreatieve- manifestaties die een gemeente aangaan.
Daarnaast kan bij verordening een aantal dagen of dagdelen worden
aangewezen, waarop individuele inrichtingen voor andere festiviteiten,
met een meer individueel karakter, een vrijstelling verkrijgen van de
geluidsvoorschriften (onderdeel b). Het bij verordening aan te wijzen
aantal dagen of dagdelen mag niet meer dan 12 per jaar bedragen. Met dit
nieuwe besluit wordt deze mogelijkheid voor festiviteiten ook aan andere
inrichtingen dan horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen geboden,
bijvoorbeeld voor het geven van een personeelsfeest of het houden van
een open dag. Bij de toepassing van onderdeel b wordt elke inrichting op
zichzelf beschouwd.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat ter voorkoming of beperking van
geluidhinder bij of krachtens gemeentelijke verordening voorwaarden
kunnen worden gesteld aan de festiviteiten en activiteiten. Hierbij valt te
denken aan een geluidsnorm van bijvoorbeeld 10 of 20 dB(A) hoger dan
de reguliere norm of de verplichting om bepaalde maatregelen te treffen.
Artikel 2.22
Met dit besluit zijn inrichtingen waarbij motorvoertuigen uitrukken voor
ongevallenbestrijding en brandbestrijding onder algemene regels
gebracht. Het gaat daarbij om brandweer, politie en ambulances, maar
ook om bergingsbedrijven die na een ongeval de weg vrijmaken. Deze
hulpdiensten hebben een algemeen maatschappelijk belang. Kenmerkend
voor deze diensten is dat zij regelmatig moeten uitrukken en daarbij (op
en buiten het terrein van de inrichting) gebruik moeten maken van
optische- en geluidssignalering. Het is niet de bedoeling het uitrukken van
deze voertuigen onmogelijk te maken doordat voldaan moet worden aan
geluidsnormen. Daarom blijft het geluid als gevolg van het uitrukken van
deze diensten bij het bepalen van het maximale geluidsniveau buiten
beschouwing. Om geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken ligt het
voor de hand dat bij de locatiekeuze van een dergelijke inrichting rekening
gehouden wordt met de maximale geluidsniveaus die inherent zijn aan
deze inrichtingen.
Daarnaast kan eraan gedacht worden verkeerssignalen, zoals verkeerslichten,
te koppelen aan het uitrukken van de voertuigen, zodat minder
gebruik hoeft te worden gemaakt van de geluidssignalering van de
voertuigen. Op grond van het tweede lid kan het bevoegd gezag de
inrichting technische en organisatorische maatregelen voorschrijven om
geluidsoverlast zoveel mogelijk te beperken. Voorbeelden van degelijke
maatregelen zijn het aanpassen van de indeling van het terrein en
rijroutes, het inzetten van zo stil mogelijk materieel en het treffen van
redelijkerwijs mogelijke voorzieningen aan het bestaande materieel. Het is
daarnaast een verantwoordelijkheid van de bestuurder van het voertuig
om geen onnodige overlast te veroorzaken.
Afdeling 2.9 Trillinghinder
Artikel 2.23
Eerste lid
Het uitgangspunt bij trillinghinder is primair dat continue trillingen niet
voelbaar mogen zijn. Continue trillingen worden doorgaans veroorzaakt
door stationaire installaties zoals compressoren of koelmachines. Niet alle
inrichtingen zullen trillinghinder veroorzaken. Bij trillingshinder valt te
denken aan het aan- en afrijden van vrachtwagens voor het bevoorraden
van grotere instellingen. Daarnaast kan bij stans- en ponsactiviteiten, die
Staatsblad 2007 415 213
met name worden toegepast in de metaal-elektrobranche, trillinghinder
veroorzaakt worden. Er is een mogelijkheid voor het bevoegd gezag om
maatwerk toe te passen indien specifieke situaties daartoe aanleiding
geven. Naar verwachting zullen trillingsmetingen slechts sporadisch
noodzakelijk zijn omdat de trillingsnormen niet snel overschreden zullen
worden. Voor het objectief vaststellen van trillingen kan in beginsel
gebruik worden gemaakt van indicatieve meetmethodieken. een gelijkluidende
bepaling was in bijna alle oude artikel 8.40-besluiten opgenomen.
In 2002 heeft de Stichting Bouwresearch een nieuwe richtlijn uitgebracht.
Dit is in het artikel verwerkt.
Tweede lid
De trillingnormen gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten.
Om te kunnen bepalen wat de trillingsterkte in een gebouw of
ruimte is, is het nodig in het gebouw metingen uit te voeren. Als hieraan
door de gebruiker van de ruimte geen medewerking wordt verleend is het
niet mogelijk de trillingssterkte vast te stellen. De normen zijn in die
ruimten niet van toepassing.
Derde lid
Indien trillingen zoals discontinue, intermitterende of sporadisch
voorkomende trillingen (bijvoorbeeld door transportactiviteiten)
problemen opleveren, kan het bevoegd gezag de trillingsterkte daarop
aanpassen waarbij de streefwaarden uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn
deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van Stichting Bouwresearch
Rotterdam als ondergrens gelden. Bij het aanpassen van de maximale
trillingssterkte kan het bevoegd gezag aansluiten bij de Handreiking
industrielawaai en vergunningverlening en bij de Meet- en beoordelingsrichtlijn
deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting
Bouwresearch Rotterdam. In probleemsituaties kan gebruik worden
gemaakt van de in de richtlijn voorgeschreven methode. Deze methode
geeft naar de thans beschikbare kennis, de beste reproduceerbare
resultaten. Naar verwachting wordt in 2007 de Handreiking Industrielawaai
gepubliceerd, die in de plaats treedt van de Handreiking industrielawaai
en vergunningverlening. Indien nodig wordt dit besluit op nieuwe
inzichten uit de Handreiking Industrielawaai aangepast.
Afdeling 2.10 Financiële zekerheid
De bepalingen in deze afdeling zijn overgenomen uit het voormalige
Besluit tankstations milieubeheer en het voormalige Besluit opslaan
ondergrondse tanks 1998.
Artikel 2.24
Dit artikel verlangt financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid
voor schade tijdens het gebruik van ondergrondse tanks of het
drijven van een tankstation voor het wegverkeer. Daaronder valt ook
schade die wordt ontdekt bij beëindiging van het opslaan of het exploiteren
van het tankstation. In het algemeen wordt nu reeds de bezitter van
een tank of de drijver van een tankstation, in gevallen waarin schade is
veroorzaakt, aansprakelijk geacht voor de kosten die samenhangen met
deze schade. In het Burgerlijk Wetboek (BW) is een risicoaansprakelijkheid
gelegd op de bezitter van een gebrekkige roerende zaak of van een opstal
(artikel 6:173 en artikel 6:174 BW). Onder een opstal wordt onder meer een
werk verstaan dat rechtstreeks, of via een gebouw of ander werk,
duurzaam met de grond is verenigd, zoals een ondergrondse tank. Voorts
geldt een risicoaansprakelijkheid voor de bezitter (of de professionele
bewaarder) van gevaarlijke stoffen.
Staatsblad 2007 415 214
Wat de vorm van financiële zekerheid betreft wordt de voorkeur
gegeven aan een schadeverzekering. Inmiddels zijn de nodige verzekeringspolissen
ontworpen op basis waarvan verzekeraars de mogelijkheid
van schadeverzekering bieden. De termijn waarvoor zekerheid moet
worden gesteld vangt aan op het moment dat het opslaan in een tank of
het drijven van het tankstation begint en eindigt op het moment dat bij
beëindiging van het opslaan of het drijven uit een bodemonderzoek
(eindsituatiebodemonderzoek) is gebleken dat de bodem als gevolg van
dat opslaan of het drijven niet is verontreinigd dan wel bij gebleken
verontreiniging de gewenste maatregelen zijn getroffen.
Zekerheid moet in principe voor alle ondergrondse tanks worden
gesteld. Er wordt derhalve geen onderscheid gemaakt tussen tanks in
gebruik bij een particulier of een bedrijf. Van het Rijk mag redelijkerwijs
worden verwacht dat het zijn financiële verplichtingen zal nakomen om
die reden is de verplichting zoals neergelegd in het eerste lid niet van
toepassing op het Rijk. Dit doet overigens niets af aan het feit dat het Rijk
in voorkomende gevallen aansprakelijk is voor door het Rijk veroorzaakte
bodemverontreiniging.
Dit artikel komt overeen met artikel 15 van het Besluit opslaan in
ondergrondse tanks 1998 en artikel 8 van het Besluit tankstations
milieubeheer. In artikel 15 van het Besluit opslaan in ondergrondse tanks
1998 was het maximale bedrag van de zekerheid € 226.8901,08 bij tien of
meer ondergrondse tanks. Met het oog op uniformering is in dit besluit de
maximale zekerheid € 1.361.340,65 bij zes tanks of meer zoals dat ook was
opgenomen in artikel 8 van het Besluit tankstations milieubeheer.
Artikel 2.25
De verplichting een schriftelijk bewijsstuk te overleggen is in dit artikel
opgenomen met het oog op een goede controle op de naleving van de
verplichting tot het stellen van financiële zekerheid. Uit het document zelf
moet genoegzaam blijken dat aan de verplichting tot het stellen van
financiële zekerheid en de daarmee verband houdende voorschriften is
voldaan. Gedacht moet bijvoorbeeld worden aan de overeenkomst die
aan de zekerheid ten grondslag ligt, zoals een verzekeringsovereenkomst,
een toelatingsovereenkomst of een Certificaat van deelneming aan het
Collectief Financieel Zekerheidsfonds tussen degene die de inrichting drijft
en de stichting Collectief Financieel Zekerheidsfonds.
Het bevoegd gezag zal niet alleen moeten beoordelen of de geleverde
stukken voldoende bewijskracht bezitten, maar ook of de gestelde
zekerheid voldoende garanties biedt. De financiële zekerheid moet met
name ook voorzien in situaties dat faillissement dreigt of is uitgesproken
en in het geval dat degene die de inrichting drijft niet meer te traceren is.
Indien de financiële zekerheid, bedoeld in artikel 2.24, komt te vervallen
anders dan door reguliere bedrijfsbeëindiging, is het van belang dat het
bevoegd gezag hiervan zo spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld. Te
denken valt aan situaties als:
– eenzijdige opzegging van de overeenkomst die aan de financiële
zekerheid ten grondslag ligt, doordat degene die de inrichting drijft niet
voldoet aan zijn verplichtingen jegens de garant (zoals de betaling van de
premie);
– situaties waarbij de oorspronkelijke financiële zekerheid vervalt en
wordt vervangen door een andere, te weten een wijziging van de vorm
van financiële zekerheid of doordat een ander zich garant stelt voor de
financiële zekerheid.
Samengevat gaat het om al die zaken die de omvang van de gestelde
zekerheid verminderen.
Staatsblad 2007 415 215
Hoewel de primaire verplichting om deze situaties aan het bevoegd
gezag kenbaar te maken, ligt bij degene die de inrichting drijft, zijn er
gevallen denkbaar dat hij deze melding achterwege laat. Dit zou zich
bijvoorbeeld kunnen voordoen in het geval dat de overeenkomst
strekkende tot het verlenen van financiële zekerheid eenzijdig is opgezegd.
Omdat financiële zekerheid onder alle omstandigheden aanwezig moet
zijn, is het ook in die gevallen noodzakelijk dat het bevoegd gezag
geïnformeerd wordt over wijzigingen met betrekking tot de financiële
zekerheid. Voor zover sprake is van het drijven van een tankstation voor
het wegverkeer wordt zoals ook in het ingetrokken Besluit tankstations
milieubeheer was geregeld de garant (degene die contractueel instaat
voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid) verplicht het
bevoegd gezag te informeren over opzegging van, en de opneming van
uitsluitingen en andere fundamentele wijzigingen in de afgesloten
overeenkomst.
De kennisgeving hangt voorts samen met de beperkte uitloopdekking
van een jaar, geregeld in onderdeel d. Indien binnen die periode blijkt dat
er sprake is van bodemverontreiniging, dient het bevoegd gezag, of een
andere schadelijdende partij, binnen de genoemde periode een verzoek
tot herstel of tot betaling van schadevergoeding in te (kunnen) dienen bij
de garant. De zekerheidsdekking moet dan in stand worden gehouden tot
aan alle voorwaarden voor uitkering is voldaan en naar genoegen van
gedeputeerde staten herstelmaatregelen zijn genomen. De termijn
waarbinnen dit laatste dient te geschieden is niet bepaald.
Artikel 2.26
Om te waarborgen dat de financiële zekerheid voldoende is draagt
degene die een tankstation voor het wegverkeer drijft, er zorg voor dat de
vorm van de financiële zekerheid en de hoedanigheid van degene die
contractueel instaat voor de financiële dekking van de aansprakelijkheid,
bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, niet wordt gewijzigd dan nadat aan het
bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat
de gewijzigde financiële zekerheid voldoet aan artikel 2.24.
Artikel 2.27
Artikel 88 van de Wet bodembescherming stelt dat voor de uitvoering
van die onderdelen van de wet die betrekking hebben op de sanering van
de bodem de burgemeester en wethouders van de vier grote gemeenten
en van de andere aangewezen gemeenten en een regionaal bestuur als
bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering worden gelijkgesteld met
gedeputeerde staten.
Hoofdstuk 3 Bepalingen met betrekking tot activiteiten in
inrichtingen, tevens geldend voor inrichtingen type C
In dit hoofdstuk staan de voorschriften voor activiteiten die voorheen in
het Besluit tandartspraktijken milieubeheer, in bijlage 1 van het Besluit
voorzieningen en installaties en in bijlage I van het Besluit tankstations
milieubeheer en in de bijlagen van het Besluit opslaan in ondergrondse
tanks waren opgenomen. Evenals in die besluiten het geval was, blijven
deze voorschriften zowel van toepassing op niet-vergunningplichtige
inrichtingen die onder dit besluit vallen (inrichtingen type B), als op
vergunningplichtige inrichting en inrichtingen die onder het Besluit
landbouw milieubeheer of het Besluit glastuinbouw vallen (oftewel de
inrichtingen type C).
Ten opzichte van de situatie onder de verschillende oude branchegerichte
8.40-besluiten treedt dus geen verandering op.
Staatsblad 2007 415 216
Nieuw is daarentegen dat de bovenbedoelde voorschriften zijn
aangevuld met voorschriften voor een aantal activiteiten met betrekking
tot water die bij vele inrichtingen plaatsvinden (lozen van huishoudelijk
afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater).
Afdeling 3.1 Afvalwaterbeheer
§ 3.1.1 Lozen van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering
Artikel 3.1
Bij het reinigen van grond en grondwater kunnen, naast het positieve
milieueffect dat de sanering met name met betrekking tot de bodem en
het grondwater heeft, ook nadelige gevolgen voor lucht, water en bodem
optreden.
Om de nadelige gevolgen voor het milieu van bij reinigen van grond en
grondwater vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in het besluit
voorschriften opgenomen met betrekking tot het lozen daarvan.
Voor de overige milieuaspecten (te weten andere aspecten dan water,
dus bijvoorbeeld lucht of energie) zijn geen voorschriften opgenomen in
hoofdstuk 3. Voor zover ook in de op dit besluit gebaseerde regeling geen
middelvoorschriften zijn opgenomen, vormt hoofdstuk 2 het kader
waaraan de overige nadelige gevolgen voor het milieu moeten worden
getoetst. Zo zijn in paragraaf 3.1.1 geen doelvoorschriften opgenomen
met betrekking tot de emissies naar de lucht. Deze emissies vinden echter
wel plaats, als gevolg van zuivering van verontreinigd water op locatie
(bijvoorbeeld in een striptoren), maar ook wanneer afvalwater met daarin
vluchtige stoffen op de riolering wordt geloosd. De vluchtige bestanddelen
kunnen tijdens het transport in het riool naar de lucht ontsnappen.
Afhankelijk van de aard en totale hoeveelheid vluchtige bestanddelen in
het grondwater en de plaats waar de emissie optreedt, kunnen zo nodig
op grond van artikel 2.1 bij maatwerkvoorschrift maatregelen worden
voorgeschreven om de emissies van deze vluchtige bestanddelen naar de
lucht te beperken.
Bij het opstellen van dit artikel is uitgegaan van de nota van de
Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) «Vrijkomend grondwater bij
bodemsaneringen». Bij bodemsaneringen komt naast vervuilde grond
vaak verontreinigd grondwater vrij. De meest voorkomende verontreinigingen
in het grondwater zijn benzeen, tolueen, ethylbenzeen en xyleen
(BTEX), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl), olie, en in
mindere mate ook polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s) en
zware metalen. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Daarbij worden
verschillende zuiveringstechnieken toegepast. Een veel toegepaste
grondwaterzuiveringstechniek is een striptoren met nabehandeling van de
lucht door middel van actieve koolfiltratie. Naast striptorens worden
(waterzijdige) actiefkoolfiltratie, biologische technieken (biofilm en
bioreactor), olieafscheiders en coagulatie/flocculatietechnieken regelmatig
toegepast. De technieken worden vrijwel altijd in combinatie gebruikt. Het
afvalwater wordt vervolgens afhankelijk van de locatie, hoeveelheid en
samenstelling van het afvalwater in het oppervlaktewater, de bodem of in
een rioolstelsel geloosd. Voor lozingen via al deze lozingsroutes zijn in dit
besluit regels opgenomen.
Historie
Dit besluit stelt niet alleen regels voor lozingen vanuit bodemsaneringen
en proefbronneringen, die nu nog onder de Wm en
Wvo-vergunningplicht vallen, maar ook regels voor lozingen, die onder
het Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering vielen. Dat
Staatsblad 2007 415 217
Wvo-besluit blijft derhalve slechts relevant voor lozingen vanuit bodemsaneringen
en proefbronneringen, die geen inrichting in de zin van de
Wm zijn. In het in voorbereiding zijnde Besluit algemene regels voor
lozingen buiten inrichtingen zullen overeenkomstige voorschriften worden
opgenomen waarmee ook de lozingen ten gevolge van saneringen buiten
inrichtingen op dezelfde wijze gereguleerd worden. Genoemd Wvo-besluit
zal daarmee komen te vervallen.
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit was een deel van
de lozingen in een vuilwaterriool algemeen toegestaan op grond van het
Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering in samenhang
met het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. Met betrekking
tot die algemene regeling werden in de praktijk twee bezwaren naar voren
gebracht.
Vanuit de zijde van de lozers werd de normering in het Wvo-besluit als
te streng ervaren. Het Wvo-besluit gaf wel de mogelijkheid om ruimere
lozingseisen toe te staan, maar dat kon alleen via een Wvo-vergunning.
Vanuit de zijde van de riool- en zuiveringsbeheerders werd als nadeel
gezien, dat lozing van dun water op het vuilwaterriool was toegestaan ook
in geval er milieuhygiënisch betere opties mogelijk waren. De gekozen
regeling waarbij lozing in een vuilwaterriool in beginsel is verboden, maar
bij maatwerkvoorschrift kan worden toegestaan, biedt de mogelijkheid om
zowel het toestaan van ruimere lozingseisen als het aanwezig zijn van
alternatieven per geval te beoordelen. De eerdergenoemde CIW nota en
het daarbij, eveneens door de CIW, uitgegeven informatieblad «Integrale
afweging lozingsvarianten bij bodemsaneringen» kunnen hiervoor als
richtsnoer dienen.
Lozen in oppervlaktewater
Voor lozingen in het oppervlaktewater zijn onderscheidenlijk lozingseisen
geformuleerd voor oppervlaktewater dat met het oog op lozingen
geen bijzondere bescherming behoeft, en wateren waarbij een bijzondere
bescherming wel aan de orde kan zijn. Voor oppervlaktewateren die een
bijzondere bescherming behoeven zijn soms aanvullende maatregelen
nodig om een significante verslechtering van de waterkwaliteit te
voorkomen. In die gevallen zullen bij lozing strengere lozingseisen nodig
zijn, hetgeen tot hogere kosten kan leiden. Deze hogere kosten zijn te
rechtvaardigen omdat anders een significante verslechtering van de
waterkwaliteit optreedt. De in het besluit opgenomen lozingseisen zijn
zodanig gekozen, dat deze voor de desbetreffende categorie oppervlaktewateren
(wel of geen bijzondere bescherming) te allen tijde een adequate
bescherming waarborgen. Afhankelijk van de specifieke situatie zijn echter
soms ruimere lozingseisen mogelijk. Het bevoegd gezag heeft daarom
met het zevende lid de mogelijkheid om, al dan niet op aanvraag van de
lozer, bij maatwerkvoorschrift ruimere lozingseisen te stellen. Het CIW
rapport Emissie-immissie, prioritering van bronnen en de immissietoets
van juni 2000 kan daarbij als leidraad dienen.
Lozen in de bodem
Ook bij lozing in de bodem is er voor gekozen doelvoorschriften op te
nemen die te allen tijde een adequate bescherming van de bodem
waarborgen. Gekozen is daarom voor lozingseisen op het niveau van de
streefwaarden in de circulaire Streefwaarden- en interventiewaarden
bodemsanering. Evenals bij lozen in het oppervlaktewater heeft het
bevoegd gezag de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift ruimere
lozingseisen te stellen.
Lozen in rioolstelsels
Voor lozen in rioolstelsels die niet op een rioolwaterzuiveringsinstallatie
uitkomen, maar rechtstreeks op het oppervlaktewater of in de bodem
(zoals regenwaterriolen en drainagestelsels) gelden dezelfde voorschriften
Staatsblad 2007 415 218
als bij lozen in oppervlaktewater, dat geen bijzondere bescherming
behoeft. Indien het rioolstelsel waarop geloosd wordt direct loost op een
oppervlaktewater dat wel bijzondere bescherming behoeft heeft het
bevoegd gezag op grond van het zevende lid, onderdeel b, de
mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift de lozingseisen van tabel 3.1a
aan te scherpen in het belang van de bescherming van de kwaliteit van
het ontvangende oppervlaktewater.
Het lozen van al dan niet gezuiverd grondwater in een vuilwaterriool en
vervolgens behandelen daarvan in een zuiveringstechnisch werk (een
rioolwaterzuiveringsinstallatie) heeft een aantal nadelen. Zoals hiervoor
aangegeven zal in geval van lozing van vluchtige stoffen een groot deel
van deze stoffen reeds tijdens het transport in een vuilwaterriool naar de
lucht worden geëmitteerd, zodat van zuivering van deze stoffen in de
rioolzuiveringsinstallatie nauwelijks sprake zal zijn.
Het lozen van bodemsaneringwater op het vuilwaterriool kan daarnaast
leiden tot een toename van de overstorten door overbelasting van het
rioolstelsel. Ook heeft lozing van dergelijk «dun water» (water met weinig
verontreinigingen) een nadelig effect op de werking van de rioolzuiveringsinstallatie.
In beginsel is een lozing van bij reiniging van grond
en grondwater vrijkomend afvalwater op het vuilwaterriool milieuhygiënisch
geen voor de hand liggende optie. In aan aantal situaties kan
het echter de enige of de meest doelmatige optie zijn, vanwege onder
meer:
– de te grote afstand tot oppervlaktewater of schoonwaterriool, zodat
daarop niet geloosd kan worden;
– een te hoge grondwaterstand waardoor bodemlozing niet mogelijk is;
– een beperkte tijdsduur van de lozing, of beperkte vracht aan verontreiniging,
waardoor de kosten voor vergaande zuivering niet in verhouding
staan tot de milieuwinst die daarmee kan worden bereikt;
– het feit dat voor de in het grondwater aanwezige verontreinigingen de
restverontreiniging niet met gangbare technieken kan worden beperkt tot
de concentratie-eisen die gelden voor lozing in oppervlaktewater en in de
bodem. Dit kan zich vooral voordoen bij metalen en bij naftaleen en
overige PAK’s.
In het eerdergenoemde CIW-rapport is per te lozen stof een afwegingsmodel
ontwikkeld waarmee met name gebaseerd op kosteneffectiviteit,
kan worden bepaald in welke situaties lozing op het vuilwaterriool de
meest aangewezen route kan zijn.
Gelet op het voorgaande is er in het besluit voor gekozen om eventuele
lozing in een vuilwaterriool aan een voorafgaande toetsing door de
bevoegde instanties te onderwerpen. Indien lozen op oppervlaktewater,
op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het
transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, redelijkerwijs niet
mogelijk is, kan bij maatwerkvoorschrift worden toegestaan om wel op
het vuilwaterriool te lozen. De lozer kan het bevoegd gezag verzoeken om
een dergelijk maatwerkvoorschrift te stellen. In dit maatwerkvoorschrift
worden tevens de lozingseisen ten aanzien van verontreinigingen gesteld,
waarbij BBT het uitgangspunt dient te zijn, en kunnen bovendien
voorschriften ten aanzien van het te lozen debiet worden gesteld. Omdat
lozing van vrijkomend grondwater bij bodemsanering in een vuilwaterriool
zowel onder de Wm als de Wvo valt, zullen bevoegde instanties op
grond van beide wetten toestemming bij maatwerkvoorschrift moeten
verlenen, en zal de aanvraag om een maatwerkvoorschrift dus tot beide
instanties moet zijn gericht.
De waterbeheerder toetst de aanvraag met het oog op de bescherming
van de zuiveringstechnische werken en het oppervlaktewater, de
gemeente met het oog op de bescherming van het rioolstelsel en overige
milieuaspecten.
Staatsblad 2007 415 219
Van de bevoegde instanties wordt uiteraard verwacht, dat zij de
beslissing op deze aanvragen in gezamenlijk overleg nemen. De noodzaak
van deze dubbele toestemming zal overigens vervallen bij inwerkingtreding
van de wetsvoorstellen voor de Waterwet en de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (zie paragraaf 3.4.1 van het algemene deel
van deze toelichting).
Proefbronneringen
Naast regels voor lozing vanuit bodemsaneringen bevat artikel 3.1 ook
regels voor lozing vanuit proefbronneringen, die plaatsvinden in kader
van een saneringsonderzoek in de zin van de Wbb.
Voor lozingen anders dan in een vuilwaterriool komen de regels
overeen met regels voor bodemsaneringen. Voor lozing in een vuilwaterriool
is geen toestemming bij maatwerkvoorschrift vereist. Het is primair
aan de lozer om te beoordelen of de andere lozingsroutes redelijkerwijs
mogelijk zijn. Is dat niet zo, dan mag vanuit een proefbronnering in een
vuilwaterriool worden geloosd. Aan een lozing vanuit een proefbronnering
op een vuilwaterriool wordt slechts een voorschrift gesteld ten
aanzien van onopgeloste bestanddelen. Voor het overige vormt de
zorgplichtbepaling (artikel 2.1) het kader waaraan de lozing getoetst
wordt.
Het lozingsdebiet
Voor de lozingen ten gevolge van bodemsaneringen worden met dit
besluit geen eisen gesteld aan het te lozen debiet of hoeveelheid. Gezien
de omvang die deze lozingen soms kunnen hebben kan het debiet in
bepaalde gevallen wel een probleem vormen, met name bij lozing op een
rioolstelsel. In die gevallen biedt de zorgplicht van artikel 2.1 de
mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift eisen te stellen aan het te lozen
debiet. Dit kan een beperking van het debiet betekenen, maar ook kan
gekozen worden voor een lozingsregime, waarbij de lozing vooral plaats
vindt in de perioden dat er voor het overige weinig geloosd wordt op dat
riool, bijvoorbeeld in de nacht. Een buffervoorziening ter plaatse van de
sanering kan dan noodzakelijk zijn. Ter beperking van de overstorten kan
ook een begrenzer in de riolering dan wel een vlotter worden opgenomen,
die aanvoer van water vanuit de bodemsanering afsluit wanneer bij grote
regenval het waterniveau in de riolering boven een bepaalde hoogte
uitkomt.
§ 3.1.2 Lozen van grondwater bij ontwatering
Artikel 3.2
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van grondwater bij ontwatering
van gronden. Het gaat daarbij veelal om grondwater dat vrijkomt bij
bronneringen en water uit drain- en drainagebuizen. Bij bronneringen
wordt het grondwater weggepompt om werkzaamheden in de bodem
onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren. Dit kan kleinschalige
kortdurende activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, zoals
het uitgraven van een boomstronk of een reparatie aan het riool. Het kan
echter ook grootschalige projecten betreffen, vooral in de bouw, die tot
jaren duren en waar (zeer) grote hoeveelheden grondwater worden
weggepompt, zoals bij de ontwatering van een gebied om het bouwrijp te
maken. Er zijn ook (bouw)objecten ten behoeve waarvan voortdurend
gebronneerd moet worden.
Deze activiteiten geven al aan dat bronneringen zowel binnen als buiten
inrichtingen in de zin van de Wm kunnen plaatsvinden. Voor zover lozen
bij ontwatering vanuit de inrichting plaatsvindt, is op dat lozen onderhavig
artikel van toepassing. In het aankomende Besluit lozing afvalwater buiten
inrichtingen zal een soortgelijk voorschrift worden opgenomen dat van
Staatsblad 2007 415 220
toepassing is op lozingen die buiten inrichtingen plaatsvinden, waaronder
lozingen vanuit de openbare ruimte.
Lozingen van grondwater die niet plaatsvinden bij ontwatering vallen
niet onder dit artikel. Wanneer binnen inrichtingen grondwater in het
proces wordt toegepast (bijvoorbeeld voor het koelen) en vervolgens
geloosd, gelden de desbetreffende eisen voor het lozen van proceswater
(voorbeeld: koelwater). Ook lozing van brijn van omgekeerde osmose valt
niet onder dit artikel. In het besluit zijn met betrekking tot het lozen van
grondwater bij ontwatering, niet zijnde verontreinigd grondwater in het
kader van een bodemsanering geen doelvoorschriften opgenomen,
behoudens de doelvoorschriften voor ijzer, onopgeloste bestanddelen en
zuurstof bij sommige lozingsroutes. Daarbij is er van uitgegaan, dat bij het
lozen van grondwater bij ontwatering aan dit grondwater geen stoffen
worden toegevoegd, en het gehalte aan stoffen ook niet door bewerking
toeneemt. Uitzondering hierop kunnen situaties vormen, waarbij het gaat
om toevoegingen of bewerkingen om te voldoen aan de voorwaarden van
dit artikel. Zo kunnen bijvoorbeeld flocculanten zijn toegevoegd waarmee
ijzerzouten zijn verwijderd waardoor voorkomen wordt dat visuele
verontreiniging optreedt bij de lozing (zie derde en vierde lid).
Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering
vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Het
is echter niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt
grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen
bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend
uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de bevoegde instanties. Het behoort
tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de hem bekende
gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het
grondwater te melden op grond van artikel 1.13, onderdeel b. Dit is met
name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt
van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de
vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn is het raadzaam om contact op te
nemen met de waterkwaliteitsbeheerder om na te gaan of er in het
betreffende gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing
tot problemen zou kunnen leiden.
Wanneer het bevoegd gezag aan de hand van de gemelde of hem
bekende gegevens van oordeel is dat het lozen van grondwater gelet op
de samenstelling tot problemen kan leiden, kan op grond van artikel 2.1
een maatwerkvoorschrift worden gesteld waarin maatregelen worden
opgenomen die een adequate bescherming van het milieu waarborgen.
Ook tijdens het lozen dient de kwaliteit van het grondwater aandacht te
hebben. Bij opvallende verandering van het te lozen grondwater
(verkleuring of geurontwikkeling) brengt de zorgplicht van artikel 2.1 met
zich mee dat de lozing zo mogelijk gestaakt dient te worden en dat overleg
met het bevoegd gezag dient plaats te vinden over het treffen van
eventuele maatregelen. Het elfde lid biedt overigens aan het bevoegd
gezag de mogelijkheid om het te lozen grondwater te bemonsteren.
De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde
voor het beheer van afwater, zoals opgenomen in artikel 10.29a van de
wet, als uitgangspunt. De verschillende lozingsroutes worden hier
achtereenvolgens behandeld.
Lozen op of in de bodem
Schoon grondwater kan zonder probleem geloosd worden op of in de
bodem of op het oppervlaktewater. Lozen op of in de bodem heeft daarbij
over het algemeen de voorkeur. Het grondwater wordt weer teruggebracht
in het compartiment waar het vandaan komt, waardoor de minste
verstoring van het milieu plaatsvindt. Het lozen van grondwater op of in
de bodem, voor zover dat niet direct in het grondwater plaatsvindt is met
het besluit dan ook toegestaan en behoeft niet gemeld te worden.
Staatsblad 2007 415 221
Wanneer lozing direct in het grondwater plaatsvindt, is artikel 2.2 van
toepassing, hetgeen inhoudt dat voor het lozen een voorafgaande
toestemming bij maatwerkvoorschrift vereist is.
Bij gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de wet en
bij maatwerkvoorschrift op grond van artikel 2.2 kunnen aan het lozen van
grondwater op of in de bodem ook voorwaarden worden gesteld.
Lozen in oppervlaktewater
Lozen in het oppervlaktewater is toegestaan, waarbij met betrekking tot
een aantal basisparameters emissiegrenswaarden gelden. Het bevoegd
gezag kan bij maatwerkvoorschrift andere waarden vaststellen, en ook
emissiegrenswaarden stellen voor in het artikellid niet genoemde stoffen
(zie toelichting zorgplicht – niet gereguleerde aspecten).
De kwantiteitsaspecten bij lozen in oppervlaktewater vallen niet onder
dit besluit. Deze worden gereguleerd op grond van de Wet op de
waterhuishouding. Het zesde lid van artikel 3.2 biedt wel de mogelijkheid
om bij maatwerkvoorschrift eisen te stellen aan het te lozen debiet, maar
dat kan op grond van dit besluit uitsluitend met het oog op de kwaliteit
van het ontvangende water. Het gaat dan bijvoorbeeld om grondwater dat
van nature veel arseen bevat. Dit te lozen arseen kan een probleem voor
de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaken. De
hoeveelheid arseen die geloosd wordt moet dan beperkt worden, zodat de
kwaliteitsdoelstelling gewaarborgd blijft. De praktische manier om de
hoeveelheid te lozen arseen te beperken is om het debiet van de lozing
(met bekend arseengehalte) te beperken. Verlaging van het arseengehalte
in de lozing zou een omvangrijkere lozing rechtvaardigen. Arseenverwijdering
uit het grondwater zal in de praktijk echter vrijwel ondoenlijk
zijn gezien de omvang van de lozing (en dus de hoeveelheid te zuiveren
grondwater) en de lage concentraties die hier aan de orde zijn.
Lozing in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen bijzondere
bescherming behoeven is in beginsel slechts beperkt toegestaan op grond
van dit besluit. De beperking van het vierde lid is echter niet zozeer
bedoeld om lozingen in deze wateren te ontmoedigen – het betreft
immers lozingen van schoon grondwater – maar om de grotere lozingen
aan een individuele toets van het bevoegd gezag te onderwerpen. Het
vijfde en zesde lid bieden vervolgens de mogelijkheid om ook de
omvangrijke lozingen van grondwater op deze wateren, binnen het
gestelde in het maatwerkvoorschrift, toe te staan.
Lozen in een schoonwaterriool
Voorschriften voor lozen in een ontwateringsstelsel of hemelwaterstelsel
komen wat het kwaliteitsaspect betreft overeen met de
voorschriften voor lozingen in oppervlaktewateren die met het oog op de
lozingen geen bijzondere bescherming behoeven, alleen kunnen in dit
geval andere emissiegrenswaarden ook bij gemeentelijke verordening
worden vastgesteld, naast de mogelijkheid bij maatwerkvoorschrift.
In tegenstelling tot bij lozing in het oppervlaktewater kunnen hier, bij
maatwerkvoorschrift of verordening, wel kwantiteitseisen gesteld worden.
Het kunnen stellen van eisen in een gemeentelijke verordening is mogelijk
gelet op artikel 10.32a van de wet.
Er is voor gekozen om geen grens aan de geloosde hoeveelheid in het
besluit op te nemen, omdat de noodzaak van het stellen van deze eisen
sterk lokaal bepaald wordt. Dit is onder andere afhankelijk van het stelsel
waarop geloosd wordt. Een rioolstelsel heeft een bepaalde capaciteit en
bij een «verbeterd gescheiden stelsel» zal een belangrijk deel van het op
een dergelijk stelsel geloosd grondwater alsnog op de rioolwaterzuiveringsinstallatie
aankomen. Dit soort lokale aspecten zullen het
maximale lozingsdebiet bepalen.
Staatsblad 2007 415 222
Lozen in een vuilwaterriool
Conform de voorkeursvolgorde zijn lozingen van grondwater op een
vuilwaterriool in beginsel verboden. Lozing van het relatief schone
grondwater op het vuilwaterriool veroorzaakt een onnodige hydraulische
belasting, die bij een gemengd stelsel bovendien het aantal overstortingen
kan doen toenemen. Daarnaast kan een grote hoeveelheid schoon
water nadelig zijn voor de doelmatige werking van de zuivering.
Vanuit praktische overwegingen wordt in het negende lid van artikel 3.2
wel de mogelijkheid geboden om geringe hoeveelheden grondwater op
het vuilwaterriool te lozen. Zoals hiervoor reeds aangegeven kunnen
(zeer) kleinschalige en kortdurende activiteiten een hoeveelheid te lozen
grondwater veroorzaken. In stedelijk gebied is het vuilwaterriool dan vaak
eenvoudiger binnen bereik dan oppervlaktewater, grondwater of zelfs het
hemelwaterriool. De inspanningen die dan genomen moeten worden om
te voldoen aan de voorkeursvolgorde wegen dan niet op tegen milieuwinst
die daarmee wordt bereikt. Vanwege hiervoor genoemde redenen
wordt deze hoeveelheid met dit besluit echter wel sterk beperkt.
Het tiende lid biedt de gemeente vervolgens weer wel de mogelijkheid
om, bij maatwerkvoorschrift of verordening, grotere hoeveelheden
grondwater op het vuilwaterriool toe te staan. De lokale omstandigheden
(afstand tot oppervlaktewater, mogelijkheid tot bodemlozing, aard van het
rioolstelsel, en dergelijke) zijn dan bepalend.
§ 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende
voorziening
Artikel 3.3
Dit artikel heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat
niet afkomstig is van een bij of krachtens dit besluit verplichte bodembeschermende
voorziening (een bestaande of aan te leggen voorziening
die aanwezig is in verband met het uitvoeren van bodembedreigende
activiteiten). Eventuele lozingen van afvloeiend hemelwater afkomstig van
bodembeschermende voorzieningen zijn in samenhang geregeld met de
regels voor de activiteit waarbij die voorzieningen zijn verplicht. Waar in
hoofdstuk 3 en 4 voor een activiteit een bodembeschermende voorziening
is voorgeschreven is een eventuele lozing van afvloeiend hemelwater
daarvan dus geregeld in dat hoofdstuk. Artikel 3.3. is daarop niet van
toepassing. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater
afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die niet op grond van
artikel 2.9 of hoofdstuk 3 of 4 zijn voorgeschreven, maar vrijwillig zijn
aangebracht. Overigens zal bij bodembeschermende voorzieningen lang
niet altijd afstromend hemelwater vrijkomen, omdat veel activiteiten
waarvoor bodembeschermende voorzieningen zijn vereist inpandig
plaatsvinden.
Het meeste afvloeiend hemelwater komt bij inrichtingen vrij buiten
bodembeschermende voorzieningen. Het gaat dan met name om
afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen
bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.
Bij het lozen van afvloeiend hemelwater bestaat een voorkeur voor het
zo mogelijk lokaal in het milieu terugbrengen van afvloeiend hemelwater.
In de huidige praktijk wordt afvloeiend hemelwater nog veelal door
middel van een gemengd stelsel afgevoerd, samen met huishoudelijk
afvalwater. In de op 21 juni 2004 aan de Tweede Kamer der Staten-
Generaal toegezonden brief van de Staatssecretaris van VROM over de
herijking van het hemelwaterbeleid is het toekomstig hemelwaterbeleid
uiteengezet en zijn aanpassingen in regelgeving in het vooruitzicht
gesteld, waardoor die regelgeving beter dan in het verleden de benodigde
omslag in het omgaan met afvloeiend hemelwater ondersteunt.
Staatsblad 2007 415 223
Uitgangspunt van de regelgeving is dat afvloeiend hemelwater lokaal in
het milieu wordt gebracht door lozing in het oppervlaktewater of op of in
de bodem, of op een hemelwaterstelsel wordt geloosd, van waaruit lozing
op of in de bodem of in het oppervlaktewater plaatsvindt. In lijn met dit
uitgangspunt is het formele vereiste van een vergunning of ontheffing
voor het direct lozen van afvloeiend hemelwater vanuit een inrichting op
of in de bodem of in het oppervlaktewater, zoals dat gold voorafgaand aan
de inwerkingtreding van dit besluit in gevallen waarin het hemelwater bij
het afvloeien in enige mate verontreinigd raakte, in dit besluit vervangen
door een stelsel van algemene regels.
Op grond van het eerste lid mag het afvloeiend hemelwater in de
meeste situaties zonder verdere restricties in het oppervlaktewater, op of
in de bodem of op een hemelwaterstelsel worden geloosd. Dit geldt niet
voor afvloeiend hemelwater afkomstig van een, in het besluit voorgeschreven,
bodembeschermende voorziening. De milieuhygiënische
noodzaak voor deze voorziening maakt dat ook de lozingen daarvan
afkomstig niet in alle gevallen zonder restricties geloosd kunnen worden.
De voorschriften voor deze lozingen worden zoveel mogelijk gesteld in
samenhang met de regels voor de activiteit waarvoor de bodembeschermende
voorziening is bedoeld.
Bij het zonder restricties toestaan van het lozen van afvloeiend
hemelwater is er van uitgegaan, dat in de praktijk tijdens het afvloeien van
het hemelwater enige verontreiniging bijna onontkoombaar is. De
oppervlakken waarover het hemelwater afvloeit zijn immers niet volledig
schoon, en afhankelijk van het materiaal waarmee het hemelwater in
aanraking komt vindt veelal enige mate van uitloging plaats.
Tevens is er echter van uitgegaan dat het mogelijk is om door het
treffen van preventieve maatregelen te voorkomen dat het afvloeiend
hemelwater dusdanig verontreinigd raakt, dat het niet rechtstreeks in het
milieu gebracht zou kunnen worden. De beheerder van het terrein/
oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor
het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond
van de zorgplichtbepaling (artikel 2.1) worden aangesproken op het
nemen daarvan, eventueel geëffectueerd met een maatwerkvoorschrift.
De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden het schoonhouden van
de inrichting, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat
verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het rekening
houden met uitloging bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn
blootgesteld, of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige
verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In het besluit is er
voor gekozen deze preventieve maatregelen over het algemeen niet in
concrete voorschriften te vertalen. Slechts bij een aantal activiteiten zijn
concrete voorschriften opgenomen. Voor het overige worden preventieve
maatregelen als onderdeel gezien van de algemene zorgplicht.
Conform de uitgangspunten van het herijkte regenwaterbeleid wordt
lozing van afvloeiend hemelwater op een vuilwaterriool als een minder
gewenste optie gezien. Het leidt tot transporteren van «schoon» water
over grote afstanden, waarbij dit water door vermenging met ander
afvalwater in het vuilwaterriool sterk verontreinigd raakt. Tijdens het
transport kunnen overstortingen plaatsvinden wanneer het stelsel de
hoeveelheden niet kan verwerken. Daarnaast heeft het hemelwater ook
negatieve effecten op het zuiveringsproces van het zuiveringstechnisch
werk. In de praktijk is het hemelwater op het moment dat het vanuit het
zuiveringstechnisch werk op het oppervlaktewater wordt geloosd veelal
meer verontreinigd dan op het moment dat het in het riool kwam.
Voor nieuwe lozingen van afstromend hemelwater is dan ook in het
tweede lid bepaald dat deze lozingen slechts dan op een vuilwaterriool
mogen plaatsvinden, als er redelijkerwijs geen andere mogelijkheid tot
lozen is. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een bedrijf dat gevestigd
is op een locatie met een dusdanig hoge grondwaterstand dat bodem-
Staatsblad 2007 415 224
lozingen niet in redelijkheid mogelijk zijn, geen oppervlaktewater in de
buurt is waarop geloosd kan worden en ook geen hemelwaterstelsel
aanwezig is.
In het besluit is er aldus niet voor gekozen om lozing op het vuilwaterriool
toe te staan om de minder milieubewuste ondernemer de mogelijkheid
te bieden om van de preventieve maatregelen af te zien. Ook het
voor de zekerheid lozen op het vuilwaterriool, voor het geval er bij de
activiteit iets fout zou gaan, waardoor verontreiniging van het oppervlaktewater
zou kunnen optreden, wordt bij de meeste activiteiten niet
noodzakelijk en wenselijk geacht.
Lokaal beleid
Zoals hierboven gesteld wordt er van uitgegaan dat bij de meeste
activiteiten door preventieve maatregelen verontreiniging van het
hemelwater in voldoende mate kan worden voorkomen. Om welke
maatregelen het gaat spreekt over het algemeen voor zich.
Soms kan het echter gewenst zijn om, rekening houdend met de
specifieke situatie, deze maatregelen te concretiseren, of zelfs –
aanvullend op de preventieve maatregelen – enige mate van behandeling
van het hemelwater voor te schrijven. Ook kan het zijn dat het kwantiteitsaspect
bij lozen van afvloeiend hemelwater aandacht verdient en in
concrete voorschriften moet worden vertaald.
Dit lokaal beleid kan op verschillende manieren gestalte krijgen.
Allereerst kan overleg met degene die de inrichting drijft leiden tot de
gewenste concretisering van de preventieve maatregelen, of het treffen
van maatregelen voorafgaand aan het lozen, zoals het realiseren van
enige mate van berging. Er is ook een tweetal mogelijkheden om dit
lokaal beleid te formaliseren. Voor individuele gevallen biedt een
maatwerkvoorschrift bij de zorgplichtbepaling (artikel 2.1) daartoe de
mogelijkheid en de verordening zoals bedoeld in artikel 10.32a van de Wm
biedt de mogelijkheid om gebiedsgerichte regels ten aanzien van
afvloeiend hemelwater te stellen.
Bij een maatwerkvoorschrift op grond van de zorgplicht kunnen
bijvoorbeeld specifieke voorschriften gericht op het voorkomen van
bovenmatige verontreiniging van het hemelwater worden gesteld. Dit kan
bijvoorbeeld aan de orde zijn indien bij een bouwwerk gekozen is voor
toepassing van grote oppervlakken uitlogende materialen. Ook kunnen bij
maatwerkvoorschrift voorschriften worden gesteld die nodig zijn met het
oog op de capaciteit van het stelsel waarop het hemelwater geloosd
wordt. Dit kan zowel aan de orde zijn bij het lozen op een hemelwaterstelsel
als op een vuilwaterriool. Ook bij het lozen in het oppervlaktewater
of op of in de bodem kunnen voorschriften met betrekking tot de
hoeveelheid nodig zijn.
De verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wm biedt de
mogelijkheid om aan het lozen van afvloeiend hemelwater regels te
stellen. Artikel 10.32a wordt in de Wm opgenomen bij het bij koninklijk
besluit van 31 mei 2006 ingediende voorstel van wet houdende wijziging
van de Gemeentewet, de Wet op de waterhuishouding en de Wet
milieubeheer in verband met de introductie van zorgplichten voor
gemeenten voor het afvloeiend hemelwater en het grondwater, alsmede
verduidelijking van de zorgplicht voor afvalwater, en de aanpassing van
het bijbehorende bekostigingsinstrument (verankering en bekostiging van
gemeentelijke watertaken) (hierna: het wetsvoorstel verankering en
bekostiging van gemeentelijke watertaken). De gemeente krijgt daarmee
het instrumentarium om de doelstellingen van het lokale hemelwaterbeleid
te verwezenlijken.
Deze verordening biedt de gemeente onder meer de mogelijkheid om te
bepalen dat bestaande lozingen van afvloeiend hemelwater op een
vuilwaterriool binnen een in de verordening genoemde termijn moeten
Staatsblad 2007 415 225
worden beëindigd. Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt
wanneer lokaal overgeschakeld wordt naar een gescheiden inzameling
van het afvalwater. Maar er kan ook van gebruik worden gemaakt om een
bestaand gemengd stelsel te ontlasten in situaties dat lozing direct in het
oppervlaktewater of op of in de bodem in het desbetreffende gebied tot
de mogelijkheden behoort.
De verordeningsmogelijkheid van de gemeente geldt voor lozingen op
of in de bodem en lozingen in een voorziening voor inzameling en
transport van afvalwater, zoals een openbaar vuilwaterriool of een
openbaar hemelwaterstelsel, en kan met name relevant zijn daar waar het
afvloeiend hemelwater door middel van een openbaar hemelwaterstelsel
op of in de bodem of in het oppervlaktewater wordt gebracht. Die
mogelijkheid heeft geen betrekking op directe lozingen vanuit inrichtingen
op het oppervlaktewater. Die lozingen vallen namelijk niet onder de Wm,
maar onder de Wvo.
§ 3.1.4 Lozen van huishoudelijk afvalwater
Artikelen 3.4 en 3.5
Met het wetsvoorstel verankering en bekostiging van gemeentelijke
watertaken (zie ook paragraaf 5.3 van het algemene deel van deze
toelichting) wordt de definitie van huishoudelijk afvalwater herzien.
Voorheen was huishoudelijk afvalwater per definitie afkomstig van
particuliere huishoudens. Huishoudelijk afvalwater dat ontstond bij
inrichtingen in de zin van de Wm was onderdeel van het bedrijfsafvalwater.
Met de genoemde wetswijziging wordt huishoudelijk
afvalwater gedefinieerd als «afvalwater dat overwegend afkomstig is van
menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden». Daarmee
kan bij elke inrichting huishoudelijk afvalwater ontstaan. In de praktijk
zullen er zelfs zeer weinig inrichtingen zijn waar geen huishoudelijk
afvalwater ontstaat, want er is altijd wel een toilet, wastafel of gootsteen
aanwezig.
In de praktijk zijn de meeste inrichtingen aangesloten op de openbare
gemeentelijke vuilwaterriolering, en wordt het huishoudelijk afvalwater
daarop geloosd. Net als het Besluit lozing afvalwater huishoudens stelt dit
besluit voor deze lozingen geen concrete voorschriften; de lozingen
mogen derhalve in beginsel zonder beperkingen plaatsvinden. Wel moet
op grond van de zorgplichtbepaling, artikel 2.1, voorkomen worden dat
lozingen plaatsvinden die de doelmatige werking van de voorzieningen
voor het beheer van afvalwater zouden belemmeren of onnodige nadelige
gevolgen voor de milieukwaliteit, in casu de kwaliteit van het oppervlaktewater
of de bodem, zouden veroorzaken. Voor een nadere toelichting
wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit lozing
afvalwater huishoudens (paragraaf 5.1).
De artikelen 3.4 en 3.5 zijn bedoeld voor een beperkt aantal situaties
waarbij huishoudelijk afvalwater binnen een inrichting ontstaat en er geen
gemeentelijk vuilwaterriool in de directe omgeving aanwezig is. Binnen de
in het eerste lid van artikel 3.4 aangegeven afstanden tot de riolering in
combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt is het
verboden direct in het oppervlaktewater of op of in de bodem te lozen.
Aansluiting op de riolering ligt dan voor de hand. Buiten deze afstandsgrenzen
dient het huishoudelijk afvalwater gezuiverd te worden alvorens
het geloosd mag worden op of in de bodem of in het oppervlaktewater.
Het huishoudelijk afvalwater kan ook per as afgevoerd worden naar een
inzamelaar. In dat geval dient het afvalwater behandeld te worden als een
normale afvalstof waar de afvalstoffenregelgeving onverkort op van
toepassing is.
Staatsblad 2007 415 226
De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen van huishoudelijk
afvalwater worden gesteld komen in grote lijnen overeen met de hieraan
voorafgaande voorwaarden op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming
(artikel 14) en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk
afvalwater. Voor de grotere lozingen is bij het opstellen van de algemene
regels uitgegaan van aanbevelingen zoals die voor vergunningverlening
in kader van de Wvo zijn opgesteld.
De afstanden in artikel 3.4, eerste lid, zijn de afstanden van het
vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk tot de kadastrale grens van het
gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrij komt. Ook in de hieraan
voorafgaande besluiten werd de afstand op deze wijze bepaald. Voor een
aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die reeds (ver) in het
verleden plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving
de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het
vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk was gelegen. Voor deze
lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd
overgenomen uit de voorgaande besluiten: het Lozingenbesluit bodembescherming
en het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater. Het
overgangsrecht is opgenomen in artikel 6.19.
In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde
vuilwaterriool minder dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, maar is het in
de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld
omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet
worden. Daartoe is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de
afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een
afvoerleiding aangelegd kan worden.
In een aantal gevallen wordt het rioolstelsel uitgebreid waardoor
locaties die aanvankelijk buiten de afstandsgrenzen van het eerste lid van
artikel 3.4 waren gelegen binnen die afstandgrenzen komen. Aansluiting
op de riolering is dan volgens dit besluit geboden, terwijl er mogelijk via
een adequate voorziening geloosd wordt. Het derde lid, onderdeel a, biedt
hier de mogelijkheid om gedurende een vast te stellen termijn lozing via
die voorziening toe te staan. Na afschrijving van die voorziening dient dan
te worden aangesloten op het vuilwaterriool. Eventueel kan de lozer ook
gecompenseerd worden zodat direct wordt aangesloten op de riolering.
In de situaties dat een klein deel van het huishoudelijk afvalwater dat
vrijkomt binnen de inrichting afkomstig is van een afgelegen lozingspunt
op het bedrijfsterrein kan het mogelijk niet doelmatig zijn om dit
lozingspunt aan te sluiten op het vuilwaterriool. Hierbij valt te denken aan
een toilet of wastafel op een uithoek van het terrein, verafgelegen van de
bedrijfsriolering. In het besluit (artikel 3.4, derde lid, onderdeel b) wordt
daarom de mogelijkheid geboden om via een maatwerkvoorschrift een
afgelegen lozing van minder dan 3 vervuilingseenheden via een andere
zuiveringsvoorziening te lozen op het oppervlaktewater of in de bodem.
In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct
wordt geloosd in het oppervlaktewater of op of in de bodem worden met
artikel 3.5 lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld.
Hierbij wordt ten aanzien van lozingen in het oppervlaktewater een
onderscheid gemaakt tussen lozingen in wateren die wel of geen
bijzondere bescherming behoeven met het oog op het lozen. In de
ministeriële regeling is aangegeven welke oppervlaktewateren geen
bijzondere bescherming behoeven. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt
het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen»
van januari 1999 ten grondslag.
Staatsblad 2007 415 227
Voor lozingen in de bodem worden geen gedetailleerde voorschriften
gesteld ten aanzien van de infiltratievoorziening. De bij dit besluit
behorende regeling stelt een drietal (algemene) voorwaarden aan deze
lozingen. Voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit is het van
belang dat de lozing niet direct in het grondwater plaatsvindt. Aandacht
van het lozingspunt ten opzichte van de grondwaterstand is dus van
belang bij de aanleg van de infiltratievoorziening. Daarnaast moet
voorkomen worden dat de lozing hinder, bijvoorbeeld in de vorm van
stank of aantrekking van ongedierte, veroorzaakt. Maatregelen in deze zin
voorkomen ook eventuele nadelige gevolgen voor de volksgezondheid.
Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in
afwijking van de emissiegrenswaarden op grond van artikel 3.5, voor
kiezen te lozen via een septic tank zoals omschreven in de ministeriële
regeling. Dit is overeenkomstig de voorschriften voor lozingen van
huishoudelijk afvalwater vanuit huishoudens, zoals geregeld met het
Besluit lozing afvalwater huishoudens en bijbehorende ministeriële
regeling. De in het Besluit lozing afvalwater huishoudens omschreven
voorziening, die hier onveranderd is overgenomen, is geschikt voor
lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid
van artikel 3.5 is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater
van minder dan 6 inwonerequivalenten via een dergelijke voorziening
geloosd mogen worden. Voor een nadere toelichting ten aanzien van
lozingen van huishoudelijk afvalwater via een septic tank wordt verwezen
naar de nota van toelichting bij het Besluit lozing afvalwater huishoudens.
In sommige gevallen kan het, ondanks de geringe omvang van deze
lozingen, gewenst zijn om bij beperkte lozingen van huishoudelijk
afvalwater in oppervlaktewateren die met het oog op het lozen bijzondere
bescherming behoeven verdergaande maatregelen voor te schrijven dan
de in de regeling opgenomen septic tank. Het vierde lid biedt de waterkwaliteitsbeheerder
de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift een
zuiveringsvoorziening voor te schrijven die het gewenste beschermingsniveau
biedt.
Het vijfde lid van artikel 3.5 biedt de mogelijkheid om op aanvraag van
de lozer andere voorwaarden te stellen aan de lozing van huishoudelijk
afvalwater dan de emissiegrenswaarden van het eerste lid. Dit kan
bijvoorbeeld aan de orde zijn bij lozingen van huishoudelijk afvalwater die
qua omvang kleiner zijn dan lozingen vanuit een particulier huishouden,
bijvoorbeeld omdat de desbetreffende inrichting niet continu is bemand,
zodat er ook weinig huishoudelijk afvalwater vrijkomt. In dergelijke
gevallen kan ook de zuiveringsvoorziening als bedoeld in het derde lid
onnodig groot zijn in relatie tot de omvang van de lozing. Het bevoegd
gezag kan dan een kleinere voorziening voorschrijven. Het vaststellen van
andere waarden kan bijvoorbeeld aan de orde zijn daar waar de lozing
weliswaar groter is dan bij een particulier huishouden, maar waar gelet op
de omvang en kwetsbaarheid van het oppervlaktewater waarin geloosd
wordt met een minder vergaande behandeling kan worden volstaan. In
het verleden zijn in Wvo-vergunningen soms ook lagere waarden dan in
tabel 3.5 vergund. Het overgangsrecht biedt de mogelijkheid om deze
vergunde situaties voort te zetten.
§ 3.1.5 Lozen van koelwater
Artikel 3.6
Voor de beoordeling van lozingen van koelwater is in CIW-verband (nu
het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water) een beoordelingssystematiek
ontwikkeld om warmtelozingen te beoordelen. Na toepassing van BBT kan
hiermee de impact van de warmtelozing in het ontvangende oppervlakte-
Staatsblad 2007 415 228
water worden ingeschat. Dit resulteert in een berekening van de maximaal
toegestane warmtevracht.
Met dit besluit worden naar schatting 80% van de koelwaterlozingen
afkomstig van activiteiten die onder dit besluit vallen gereguleerd. Voor de
overige 20% is lozing met name in de grotere oppervlaktewateren op
voorhand niet uit te sluiten, maar blijft een individuele afweging
(maatwerk) gewenst. De onttrekking van koelwater uit het oppervlaktewater
of uit het grondwater is niet opgenomen in dit besluit. Daarvoor is
een vergunning nodig op grond van respectievelijk de Wet op de
Waterhuishouding en de Grondwaterwet.
Ondergrens
Uit eenvoudige modelberekeningen is gebleken dat als gevolg van een
warmtelozing van maximaal 10 kilojoule per seconde op oppervlaktewater
de mengzone waarbinnen de temperatuursverhoging als gevolg van de
lozing meer is dan 3 graden Celsius beperkt blijft tot een gebied met een
straal van enkele meters. Om die reden wordt het acceptabel geacht om
voor koelwaterlozingen een ondergrens te hanteren van 10 kilojoule per
seconde.
Ontvangende oppervlaktewater
Bij het lozen in oppervlaktewateren die met het oog op lozingen geen
bijzondere bescherming behoeven wordt een warmtevracht van 1000
kilojoule per seconde acceptabel geacht.
Handhaving
Het bevoegd gezag kan met de in artikel 3.6 genoemde rekenregel de
warmtevracht berekenen uit meetgegevens en vaststellen of lozing
geschiedt binnen de voorwaarden van dit besluit.
Maatwerk
Bij het opstellen van de maximaal toegestane warmtevracht zijn een
aantal conservatieve uitgangspunten gehanteerd. Indien de te lozen
warmtevracht meer bedraagt dan bij dit besluit is toegestaan kan de lozer
een meer gedetailleerde berekening uitvoeren voor een beoordeling van
de warmtelozing op maat. In deze berekening kunnen dan de lokale
gegevens van het ontvangende oppervlaktewater gebruikt worden en kan
er bijvoorbeeld rekening gehouden worden met seizoensinvloeden. Voor
het uitvoeren van deze beoordeling van de warmtelozing op maat kan de
beoordelingssystematiek voor warmtelozingen worden gehanteerd, die is
opgesteld in opdracht van het Nationaal Bestuursakkoord Water.
Indien blijkt dat een grotere warmtelozing dan is toegestaan bij dit
besluit acceptabel is, kan het bevoegd gezag na een hiertoe strekkende
aanvraag deze met behulp van een maatwerkvoorschrift toestaan.
Chemicaliën
Gangbare behandelingschemicaliën voor koelwater vereisen een
individuele afweging. Het gebruik van chemicaliën behoeft daarom
instemming van het bevoegde gezag. Voor de beschrijving van het effect
van de chemicaliën lozing kan een immissietoets uitgevoerd worden.
Afdeling 3.2 Installaties
§ 3.2.1 In werking hebben van een warmtekrachtinstallatie
Artikel 3.7
In dit artikel wordt de werkingssfeer van deze paragraaf beperkt. Dit
hoofdstuk is ook van toepassing op inrichtingen type C. Om te voorkomen
dat hierdoor de werkingssfeer van deze bepalingen wordt uitgebreid ten
Staatsblad 2007 415 229
aanzien van de bepalingen in het Besluit voorzieningen en installaties
milieubeheer zijn hier dezelfde grenzen opgenomen die in dat besluit
waren opgenomen.
Artikel 3.8
De veiligheidseisen voor een warmtekrachtinstallatie worden
opgenomen in de ministeriële regeling op grond van dit artikel. Eisen ten
aanzien van het vegen van de schoorsteen, het niet combineren met
opslag en de bescherming tegen vandalisme, zijn geschrapt.
Artikel 3.9
In dit artikel is de rendementseis ten aanzien van een warmtekrachtinstallatie
opgenomen. In het Besluit voorzieningen en installaties stond
reeds een rendementseis voor warmtekrachtinstallaties. Deze was
gebaseerd op de energie-investeringsaftrek (EIA). De eis van de EIA is
inmiddels aangescherpt. Die aanscherping is opgenomen in dit besluit. De
strekking van de rendementseis is om te waarborgen dat het rendement
bij gebruik gelijk is aan het rendement bij installatie.
Ten aanzien van dit artikel is in artikel 6.20 overgangsrecht opgenomen.
Artikel 3.10
In dit artikel is voorgeschreven dat het brandstofgebruik en de geproduceerde
elektriciteit door een warmtekrachtinstallatie jaarlijks wordt
geregistreerd. Daarnaast dient bij een warmtekrachtinstallatie die is
aangesloten op een noodkoeler de hoeveelheid nuttig toegepaste warmte
jaarlijks te worden geregistreerd. De registratie van het warmtegebruik is
versimpeld voor installaties zonder noodkoelers. Dit onderscheid is
gemaakt omdat een noodkoeler het rendement van de warmtekrachtinstallatie
kan verlagen. De termijnen voor het controleren van het
rendement zijn aangepast om aan te sluiten bij de keuringen die verplicht
zijn op grond van artikel 4.18. Via artikel 1.4, onderdeel c, is dit artikel ook
van toepassing op warmtekrachtinstallaties bij inrichtingen type C.
§ 3.2.2 In werking hebben van een installatie voor het reduceren van
aardgasdruk, meten en regelen van aardgashoeveelheid of
aardgaskwaliteit
Artikel 3.11
In dit artikel wordt de werkingssfeer van deze paragraaf beperkt. Dit
hoofdstuk is ook van toepassing op inrichtingen type C. Om te voorkomen
dat hierdoor de werkingssfeer van deze bepalingen wordt uitgebreid ten
aanzien van de bepalingen in het Besluit voorzieningen en installaties
milieubeheer zijn hier dezelfde grenzen opgenomen die in dat besluit
waren opgenomen.
Deze paragraaf is van toepassing op aardgasmeet- en/of regelstations
en op aardgasdrukregelinstallaties, die noodzakelijk zijn voor aardgasverbruikstoestellen.
In vergelijking met Het Besluit voorzieningen en
installaties milieubeheer is het toepassingsgebied verruimd. De algemene
regels komen in beginsel te gelden voor alle gasdrukmeet- en regelstations
met een inlaatdruk lager dan 100 bar. Het is mogelijk dat een
station een zelfstandige inrichting vormt, waar geen andere activiteiten
worden verricht. Een gasdrukmeet- en regelstation dat niet boven de
grenzen van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit uit komt, valt niet
onder het regime van de wet en zodoende ook niet onder de werking van
dit besluit.
Staatsblad 2007 415 230
Wanneer een dergelijk gasdrukmeet- en regelstation onderdeel uitmaakt
van een grotere inrichting die als gevolg van de andere activiteiten in de
inrichting, onder het regime van de wet valt, dan is het besluit wel van
toepassing op deze installatie. Er zijn echter geen specifieke voorschriften
voor deze installatie in dit besluit opgenomen.
Uit jurisprudentie (AGRS 26-4-1989, nr. G05.87 130) blijkt dat bij of
binnen inrichtingen geplaatste gasdrukregel- en meetstations in bepaalde
situaties als aparte inrichtingen moeten worden beschouwd. Het gaat dan
vooral om situaties waarin het beheer van het gasdrukregel- en meetstation
valt onder het beheer en de verantwoordelijkheid van het
aardgastransportbedrijf. Dit besluit is ook op die situaties van toepassing.
Het geleiden van gas door gasreinigers (cyclonenfilters) die ervoor
zorgen dat het condensaat en/of stof uit gas worden afgevangen, maakt
onderdeel uit van het reduceren van aardgasdruk en het meten van de
aardgashoeveelheid. Gasbehandeling, bijvoorbeeld het reinigen van gas
bij de gasproductie waarbij het gas gereinigd (ontdaan van condensaat)
wordt door toevoeging van andere stoffen (bijvoorbeeld glycol), valt niet
onder deze activiteit.
Het aanwezig hebben van meetapparatuur ten behoeve van kwaliteitsmetingen,
het met elkaar mengen van twee of meer gassoorten, en
het aanwezig hebben van een expansieturbine valt wel onder deze
activiteit en derhalve binnen de werkingsfeer van dit besluit.
Artikel 3.12
De in het zevende lid opgenomen norm NEN 1059 waarborgt dat wordt
uitgegaan van de laatste stand der techniek van gasdrukregelinstallaties,
drukbeheerssystemen, buisleidingen, drukbeproeving en brandpreventie.
In het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer stond de eis dat
installaties opgericht na 1 mei 1994 moesten voldoen aan NEN 1059, 1994.
Voor installaties opgericht voor 1 mei 1994 werd verwezen naar de eisen
zoals gesteld in het Besluit gasdrukmeet- en regelstations Hinderwet. In
dit besluit is geen algemene verwijzing naar dergelijke normen
opgenomen, maar zijn de voorschriften die betrekking hebben op de
bescherming van het milieu opgenomen in dit besluit en daaronder
hangende ministeriële regeling.
Indien een gasdrukmeet- en regelstation is opgenomen in een regionaal
bedrijfsnoodplan, of een bedrijfsnoodplan per rayon en ter informatie aan
het bevoegd gezag of de (regionale) brandweer is gestuurd is aan de
verplichting informatie beschikbaar te hebben conform NEN 1059
voldaan. Een bedrijfsnoodplan per inrichting is in die gevallen niet vereist.
De verplichting voor het opstellen van een bedrijfsnoodplan is opgenomen
aangezien een gasdrukregelinstallatie is te beschouwen als secundaire
gevarenbron. Dit betekent dat een gasdrukregel- en meetstation
milieubelasting kan veroorzaken als gevolg van een incident elders in of
buiten de inrichting. De effecten die dan optreden, kunnen effecten
hebben buiten de inrichting. Een belangrijk aspect van het bedrijfsnoodplan
is dat gegarandeerd moet worden dat de inrichting en de
aanwezige installaties te allen tijde goed bereikbaar dienen te zijn.
Overgangsrecht
In artikel 6.21 is het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel
opgenomen.
Staatsblad 2007 415 231
§ 3.2.3 In werking hebben van een windturbine
Artikel 3.13
In dit artikel wordt de werkingssfeer van deze paragraaf beperkt. Dit
hoofdstuk is ook van toepassing op inrichtingen type C. Om te voorkomen
dat hierdoor de werkingssfeer van deze bepalingen wordt uitgebreid ten
aanzien van de bepalingen in het Besluit voorzieningen en installaties
milieubeheer zijn hier dezelfde grenzen opgenomen die in dat besluit
waren opgenomen.
Artikel 3.15
De gestandaardiseerde windsnelheden gelden op 10 meter hoogte en
op een terrein met een ruwheidslengte van 0,05. In NEN-EN-IEC 61400–11
«Generatorssystemen voor windturbines- Deel 11: Meettechnieken voor
akoestische geluidhinder» wordt behalve de bronsterktemeting ook de
meting van de tonaliteit en richtingsafhankelijkheid van het windturbinegeluid
beschreven. Voor het meten van de tonaliteit is echter nog geen
goed gevalideerde meetmethode beschikbaar. Hetzelfde geldt voor het
overdrachtsmodel en de criteria voor het «bestraffen» van de tonaliteit.
Tonaliteitsmetingen zijn derhalve niet voorgeschreven. In gevallen waar
een tonaliteitsmeting toch wenselijk is wordt uitsluitend de aanvullende
meetmethode voor tonaliteit uit NEN-EN-IEC 61400–11 toegepast,
aangevuld met de procedures beschreven in «Measnet acoustic noise
measurements procedure version 1», van het Eurec-Agency te Leuven in
België, uitgave oktober 1997. Voor het beoordelen van de toon kan
gebruik worden gemaakt van de criteriacurve uit Annex 4 van de
«Recommended practices for wind turbine testing and evaluation no 4.
Acoustic measurements of noise emission from windturbines, 3rd edition
1994». Dit is een handreiking uitgegeven door International Energy
Agency Wind R&D Implementing Agreement, onder Annex XI Base
Technology Information Exchange. Daar metingen in benedenwindse
richting in het algemeen de grootste gemeten bronsterkte opleveren, is
het meten van de richtingsafhankelijkheid niet noodzakelijk. Hoewel de
voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan een andere
methode worden gebruikt, mits deze meetmethode ten minste als
gelijkwaardig kan worden aangemerkt. Voorbeelden van gelijkwaardige
meetmethoden zijn de Duitse VDI-norm 2058 of de Deense regels van het
Dept. of Environment (nr. 304, 14 mei 1991).
Inrichtingen, zoals solitaire windturbines en windparken, kenmerken
zich doordat een duidelijke relatie aanwezig is tussen de windsnelheid en
de hoogte van de geluidemissie. Normaliter worden vergunningplichtige
bedrijven en bedrijven waarvoor een 8.40-besluit geldt, beoordeeld onder
representatieve condities, waarbij de omgeving rustig, de geluidsoverdracht
optimaal, en de bedrijfsomstandigheden maximaal zijn.
Aangezien windturbines alleen in bedrijf zijn onder condities waarbij de
omgeving eveneens een duidelijk rumoeriger karakter heeft (veel
windgeruis), dient dit ook in de wijze van beoordelen van geluid door
windturbines tot uiting te komen. Van belang hierbij is de relatie tussen de
windsnelheid en het optredende geluidsniveau. In grafiek 3.15 is deze
relatie in de vorm van de op praktijkmetingen gebaseerde windnormcurves
(WNC) weergegeven. Indien er géén relatie zou worden gelegd
tussen de op te leggen grenswaarden en de windsnelheid, zal zich voor
elke windturbine of elk windpark een situatie voordoen waarbij de van
toepassing zijnde standaardnorm wordt overschreden. Vanwege het
toenemen van geluid bij hoge windsnelheden van windturbines, zal deze
overschrijding zich dan met name voor kunnen doen bij zeer hoge
windsnelheden, bijvoorbeeld 10 meter per seconde of hoger. Bij dergelijke
windcondities is het omgevingsgeluid, ten gevolge van windgeruis echter
Staatsblad 2007 415 232
dermate hoog, dat de kans op geluidhinder dan nagenoeg nihil is. De
berekende of gemeten immissieniveaus moeten dan ook worden
geprojecteerd op de in grafiek 3.15 opgenomen WNC.
Grafiek 3.15 is gebaseerd op een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
(LAr,LT) van 40 dB(A). Als op de inrichting een andere waarde van
toepassing is, moeten de waarden van de grafiek daarop worden
aangepast. Dit betekent bijvoorbeeld voor een inrichting waarvoor een
waarde van 50 dB(A) geldt, dat de waarden in de grafiek oplopen van
50 dB(A) tot 60 dB(A).
Bij de bepaling van het te beoordelen geluidsniveau komt een aantal
complicerende factoren naar boven met betrekking tot met name de
toepassing van de bedrijfsduurcorrectie. Er zullen gedurende één
beoordelingsperiode vanwege het altijd fluctuerende karakter van de
windsnelheid namelijk meerdere representatieve bedrijfssituaties
optreden. Zo kan elke windsnelheid aangemerkt worden als zijnde een
afzonderlijk te beoordelen bedrijfssituatie met een aparte normwaarde en
een apart te beoordelen geluidsniveau. Mede vanwege de complexiteit
hiervan is dan ook gekozen voor genoemde WNC die bij de lage windsnelheden
tot ongeveer 5 meter per seconde (ofwel de representatieve
bedrijfssituatie voor nagenoeg alle andersoortige inrichtingen) een
grenswaarde voor het geluidsniveau geeft voor de nachtperiode conform
de standaardgeluidsnorm, dan wel de bij nadere eis of in de geldende
vergunning vastgestelde specifieke waarde. Meer specifiek is de wijze van
geluid meten beschreven in de serie Recommended Practices for Wind
Turbine Testing and Evaluation, nummer 10 «Measurements of Noise
Immission from Wind Turbines at Noise receptor Locations, first edition
1997». Deze handreiking is uitgegeven door International Energy Agency
Wind R&D Implementing Agreement en biedt waardevolle technische
informatie voor degenen die belast zijn met het meten van geluid door
windturbines.
Grafiek 3.15 gebruikt de windsnelheid in meters per seconde. Hieronder
wordt aangegeven hoe zich dat verhoudt tot andere eenheden:
Windkracht volgens Beaufort Windsnelheid in m/s Windsnelheid in km/uur
0 – geen wind 0 – 0,2 0 – 0,7
1 – zeer zwakke wind 0,3 – 1,5 1 – 5,4
2 – zwakke wind 1,6 – 3,3 5,8 – 12
3 – matige wind 3,4 – 5,4 12 – 19,5
4 – matige wind 5,5 – 7,9 19,5 – 29
5 – vrij krachtige wind 8,0 – 10,7 29 – 38,5
6 – krachtige wind 10,8 – 13,8 38,5 – 49,7
7 – harde wind 13,9 – 17,1 50 – 61,6
8 – stormachtige wind 17,2 – 20,7 62 – 74
9 – storm 20,8 – 24,2 75 – 87,4
10 – zware storm 24,3 – 28,4 88 – 102
Ter verduidelijking wordt verwezen naar het Infomil informatieblad met
betrekking tot windturbines (R19). Dit blad is gebaseerd op de
voorschriften uit het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer.
Veel van de daarin genoemde informatie is nog steeds relevant voor dit
besluit.
Staatsblad 2007 415 233
Afdeling 3.3 Voorzieningen
§ 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas ten
behoeve van openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer
In deze paragraaf is de activiteit: «Afleveren van vloeibare brandstoffen,
mengsmering en aardgas ten behoeve van verkoop aan derden voor
motorvoertuigen voor het wegverkeer» geregeld. Het begrip «vloeibare
brandstoffen» is ontleend aan de Wet op de Accijns. Onder dit begrip
vallen onder andere benzine (zijnde lichte olie) en diesel (zijnde gasolie)
maar ook biobrandstoffen.
De voorschriften zijn gebaseerd op het oude Besluit tankstations
milieubeheer. Gelijk aan de werking van het Besluit tankstations milieubeheer
zijn de hier genoemde voorschriften zowel van toepassing op
bedrijven die volledig onder dit besluit worden geregeld (inrichting type
B) als ook op de vergunningplichtige bedrijven die deze activiteit
uitvoeren (inrichting type C). Welke bedrijven vergunningplichtig blijven,
is vastgelegd in de bijlage bij dit besluit.
In aanvulling op de werkingssfeerbepaling van het Besluit tankstations
milieubeheer zijn afleverstations van gecomprimeerd aardgas ook onder
dit besluit gebracht en zijn er eisen opgenomen ten aanzien van het
afleveren van gecomprimeerd aardgas. De veiligheidsafstanden voor het
afleveren van gecomprimeerd aardgas zijn gebaseerd op RIVM-studies.
Veiligheidsafstanden zijn afhankelijk van doorzet (aantal voertuigen per
etmaal), grootte van de buffertank en aflevering aan bussen of personenvoertuigen.
Het afleveren van liquified petroleum gas (LPG) valt niet onder de
werkingssfeer van dit besluit. Deze voorschriften zijn opgenomen in het
Besluit LPG-tankstations. De activiteit: «het afleveren van vloeibare
brandstoffen en aardgas ten behoeve van eigen gebruik» wordt niet in
deze paragraaf geregeld, maar in een aparte paragraaf «Afleveren van
vloeibare brandstoffen en aardgas ten behoeve van eigen gebruik» in
hoofdstuk 4.
In het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 werd de term
vloeibare brandstoffen gehanteerd en in het Besluit tankstations milieubeheer
was dat de term motorbrandstoffen. Er is in dit besluit voor
gekozen één begrip te hanteren, daarbij is gekozen voor het begrip
vloeibare brandstoffen. Voor de definitie van dat begrip is aangesloten bij
het bestaande begrip uit de Wet op de accijns. In dat kader wordt ook
gesproken van lichte olie in plaats van benzine. Ook hierbij is aangesloten
en er wordt in dit besluit dan ook gesproken van lichte olie in plaats van
benzine.
Artikel 3.17
In dit artikel wordt de werkingssfeer van deze paragraaf beperkt. Om te
voorkomen dat de werkingssfeer van de bepalingen van deze paragraaf
wordt uitgebreid ten aanzien van de bepalingen in het Besluit tankstations
milieubeheer zijn hier dezelfde grenzen opgenomen die in dat besluit
waren opgenomen.
Artikel 3.21
Dit artikel is een inhoudelijke voortzetting van voorschrift 4.1.17a van
bijlage I van het Besluit tankstations milieubeheer. Door middel van dit
artikel wordt een gedeelte van richtlijn nr. 2003/30/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie ter bevordering van het
Staatsblad 2007 415 234
gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het
vervoer (PbEU L 123) geïmplementeerd. Het rijden op brandstof waarin
meer dan 5% biobrandstof is bijgemengd in niet daartoe uitgeruste auto’s
kan schade aan de motor veroorzaken. Bij tankstations moet dus duidelijk
worden aangegeven wanneer brandstof wordt aangeboden waarin meer
dan 5% biobrandstoffen is bijgemengd. Als gevolg van de technische
vooruitgang zijn de meest momenteel in de Europese Unie in het verkeer
zijnde voertuigen in staat zonder probleem een brandstofmengsel te
gebruiken dat voor een klein percentage bestaat uit biobrandstoffen.
Artikel 3.22
In dit artikel is bepaald dat de resultaten van de metingen, keuringen en
controles aan installaties of installatieonderdelen die op grond van artikel
3.20 worden verricht moeten worden bewaard in een installatieboek. Dat
installatieboek wordt in de inrichting bewaard. Een uitzondering is daarbij
gemaakt voor onbemande tankstations. Uit de praktijk is gebleken dat het
voor de onbemande tankstations veelal praktische en organisatorische
problemen oplevert wanneer het installatieboek op het station aanwezig
diende te zijn. Het vierde lid is dan ook niet van toepassing op onbemande
tankstations. Het bevoegd gezag kan middels maatwerkvoorschriften
bepalen dat het installatieboek bijvoorbeeld in het gemeentelijk archief of
op het hoofdkantoor van de inrichting aanwezig dient te zijn. Er kan ook
overwogen worden om het installatieboek via internet benaderbaar te
maken.
Artikel 3.23
Vloeibare brandstof, mengsmering en aardgas moeten op grond van dit
besluit afgeleverd worden boven een vloeistofdichte vloer of verharding.
Het afstromende afvalwater van deze verharding wordt door een
olieafscheider gecombineerd met een slibvangput geleid. Dit heeft een
tweeledig doel. Bij het afleveren van brandstoffen vinden vaak kleinere
morsingen van de brandstoffen plaats, dat zich vermengt met het
afstromende (hemel)water. De olieafscheider heeft tot doel te voorkomen
dat deze olie geloosd wordt. Daarnaast is het altijd mogelijk dat er een
calamiteit optreedt waardoor er grotere hoeveelheden brandstof
uitstromen. De olieafscheider dient dan als calamiteitenvoorziening. De
bulk van die brandstof zal in de afscheider opgevangen worden en zal zich
niet verder verspreiden. Naast het voorkomen van milieuverontreiniging
wordt daarmee ook het veiligheidsrisico ingeperkt.
§ 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen
Artikel 3.25
Voor een algemene toelichting op het olievoorschrift wordt verwezen
naar paragraaf 4.6.1.
In 8.40-besluiten werd een uitzondering gemaakt op de norm van 20
milligram pet liter aan olie voor het afvalwater afkomstig van het wassen
van uitsluitend de carrosserie van motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens
of opleggers. Vanwege stroomlijning van de regelgeving, maar
ook vanwege veranderde bouw van motorvoertuigen, is die uitzondering
komen te vervallen.
Het begrip carrosserie, dat in het voorgaande voorschrift centraal stond,
blijkt bij nieuwe auto’s tot misverstanden te leiden. Bij het voorgaande
voorschrift was het uitgangspunt dat de onderkant van de auto, inclusief
de wielkasten, niet tot de carrosserie behoorden en dus ook de uitzondering
op de norm van 20 milligram per liter niet van toepassing was. Bij
nieuwere automodellen vormt de onder- en bovenkant van het voertuig
Staatsblad 2007 415 235
een geheel waardoor niet meer duidelijk is wat tot de carrosserie behoort
en wat niet. Er is daarom voor gekozen deze uitzondering te laten
vervallen.
Ook onder dit besluit blijft echter de mogelijkheid om voertuigen te
wassen zonder dat een olieafscheider nodig is. De lozing zal dan getoetst
worden op de norm van 20 milligram per liter. Dit zal niet tot problemen
leiden zolang het te wassen object niet met olie verontreinigd is. Als er
wel olieverontreiniging aanwezig is, zal het afvalwater via een olieafscheider
geloosd moeten worden, waarbij getoetst wordt aan een norm
van 200 milligram per liter. Het afvalwater dusdanig verdunnen dat aan de
norm van 20 milligram per liter wordt voldaan is niet toegestaan.
De ondernemer heeft dus de verantwoordelijkheid om voorafgaande
aan de reiniging te beoordelen of het voertuig dermate olievrij is dat deze
gewassen kan worden zonder dat het afvalwater meer dan 20 milligram
per liter gaat bevatten. Is dat niet het geval dan zal het wassen uitgevoerd
moeten worden op een wasplaats waar het afvalwater ten aanzien van
olie gezuiverd wordt.
In vrijwel alle gevallen zal een slibvangput noodzakelijk zijn om te
voldoen aan de norm van 300 milligram per liter aan onopgeloste
bestanddelen zoals zand. In de praktijk zijn de meeste autowasinstallaties
uitgerust met uitgebreidere voorzieningen waar bijvoorbeeld ook
waterhergebruik plaats vindt. De olieafscheider en slibvangput maken dan
onderdeel uit van deze installatie. De grenswaarde van 200 milligram per
liter aan olie is hier van toepassing.
§ 3.3.3 Tandheelkunde en tandtechnische bewerkingen
Artikel 3.26
Almagaamafscheiders moeten op grond van dit artikel voldoen aan de
NEN-EN-ISO 11143. Dit is de Nederlandse versie van de Europese norm
EN ISO 11143 met dezelfde status. Essentie van deze norm is dat
amalgaamafscheiders een afscheidingsrendement van ten minste 95%
moeten hebben. Dit rendement wordt bepaald volgens de testmethode
beschreven in de norm. Dit is een aanzienlijke vereenvoudiging ten
opzichte van de regelgeving voor almagaamafscheiders in het Besluit
tandartspraktijken milieubeheer. Volgens dat besluit moest de leverancier
van een nieuw model amalgaamafscheider deze afscheider uitgebreid
laten testen bij speciale, bij name genoemde, instellingen. Aan de hand
van dat testrapport moest het ministerie van VROM desbetreffende
amalgaamafscheider opnemen in de Regeling amalgaamafscheiders
tandartsenpraktijken (Staatscourant 1998, 5). Hierin werden alle goedgekeurde
amalgaamafscheiders opgesomd. Ook kon een amalgaamafscheider
erkend worden na een zeer uitgebreide testprocedure te volgen
die was voorgeschreven op grond van de Regeling testmethoden
amalgaamafscheiders (Staatscourant 1998, 5).
§ 3.3.4 Opslaan van propaan
Artikel 3.27
In dit artikel wordt de werkingssfeer van deze paragraaf beperkt. Dit
hoofdstuk is ook van toepassing op inrichtingen type C. Om te voorkomen
dat hierdoor de werkingssfeer van deze bepalingen wordt uitgebreid ten
aanzien van de bepalingen in het Besluit voorzieningen en installaties
milieubeheer zijn hier dezelfde grenzen opgenomen die in dat besluit
waren opgenomen.
Staatsblad 2007 415 236
Artikel 3.28
De afstanden voor propaanreservoirs ten aanzien van woningen en
(beperkt) kwetsbare objecten zijn afwijkend van de afstanden uit het
Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer. De huidige afstanden
zijn gebaseerd op berekeningen van het RIVM.
In de tabel is onderscheid gemaakt tussen een bevoorrading van
maximaal 5 keer per jaar hetgeen overeenkomt met huishoudelijk gebruik
en een bevoorrading van meer dan 5 keer per jaar hetgeen overeenkomt
met bedrijfsmatig gebruik.
In het derde lid zijn veiligheidsafstanden tot een aantal specifieke
kwetsbare objecten opgenomen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen
dat op korte afstand van een propaanreservoir objecten met grote
bevolkingsdichtheden aanwezig zijn.
Alle afstanden zijn kleiner geworden met uitzondering van de afstand
voor een opslagtank met propaan groter dan 5 kubieke meter, die vaker
dan vijf keer per jaar wordt gevuld. Hiervoor is voor bestaande opslagtanks
(van voor het inwerkingtreden van het besluit) een overgangstermijn
van drie jaar opgenomen (zie overgangsrecht).
Tevens gelden nu andere afstanden ten opzichte van (beperkt)
kwetsbare objecten die zelf ook over een opslagtank met propaan
beschikken. Ook hiervoor geldt een overgangstermijn van drie jaar voor
bestaande opslagtanks.
Hoofdstuk 4 Bepalingen met betrekking tot overige activiteiten in
inrichtingen; niet geldend voor inrichtingen type C met uitzondering
van de in artikel 1.4, derde lid, onderdeel b tot en met e
genoemde activiteiten
Afdeling 4.1 Op- en overslaan van (gevaarlijke) stoffen en gassen en het
vullen van gasflessen
§ 4.1.1 Opslaan van gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking niet
zijnde vuurwerk, nitraathoudende kunstmeststoffen en andere ontplofbare
stoffen
Artikel 4.1
Tweede en derde lid
In de 8.40-besluiten was vastgelegd dat voor de opslag van gevaarlijke
stoffen in verpakking bij meer dan 2.500 kilogram en minder dan 10.000
kilogram een veiligheidsafstand geldt van ten minste 20 meter. Deze
afstand was gebaseerd op het voorkomen van brandoverslag en met het
oog op bereikbaarheid van de opslagvoorziening ingeval van brand. Op
basis van onderzoek van de Nederlandse Organisatie voor toegepast
natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) en Rijksinstituut voor Volksgezondheid
en Milieu (RIVM) is vastgesteld dat de betreffende afstand van
20 meter voldoende groot is om risicovolle situaties ten gevolge van het
ontstaan van toxische verbrandingsproducten te voorkomen. Ook
constateren TNO en RIVM dat deze veiligheidsafstand kan worden
gereduceerd tot 8 meter indien voor de opslagvoorziening een weerstand
tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) geldt van 60 minuten of
een daaraan gelijkwaardige voorziening (bijvoorbeeld een sprinklerinstallatie).
Naar aanleiding daarvan is in het derde lid opgenomen dat indien
de opslagvoorziening is uitgevoerd in als brandcompartiment of indien
tussen de opslagvoorziening en de woning van derden een brandwerende
voorziening van voldoende omvang aanwezig is, de afstand ten minste 8
meter bedraagt. In de ministeriële regeling is nader bepaald wat kan
Staatsblad 2007 415 237
worden verstaan onder een brandwerende voorziening van voldoende
omvang.
De afstandseisen, als bedoeld in artikel 4.1, tweede en derde lid, gelden
zodra er brandbare gevaarlijke stoffen in de opslagvoorziening aanwezig
zijn. In dit opzicht is het van belang om conform PGS 15 de in de
opslagvoorziening aanwezige goederen te beperken tot gevaarlijke stoffen
en aanverwante stoffen. Indien andere brandbare goederen in een
opslagvoorziening aanwezig zijn bestaat de mogelijkheid op een brand in
de betreffende ruimte waardoor de gevaarlijke stoffen of verbrandingsproducten
daarvan toch in de buitenlucht terechtkunnen komen.
In deze afstandsbepaling is afgeweken van de formulering kwetsbare of
beperkt kwetsbare objecten (zoals die normaliter bij veiligheidsafstanden
worden gebezigd), omdat ook in de 8.40-besluiten het begrip woning van
derden werd gehanteerd. Om te voorkomen dat er situaties kunnen
ontstaan dat een bedrijf niet meer aan een afstandseis kan voldoen ten
gevolge van een begripswijziging, is ook in het huidige besluit het begrip
woning van derden gebruikt als formulering voor het te beschermen
object.
Vijfde lid
Bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening voor meer dan
1.000 liter gasflessen met brandbare inhoud, gemeten naar de waterinhoud,
geldt een afstand van 15 meter tussen de opslagvoorziening en
een woning van derden. Indien er sprake is van twee opslagvoorzieningen
van elk 500 liter gasflessen met brandbare inhoud hoeft niet te worden
voldaan aan deze afstand. Echter moet op grond van voorschrift 6.2.5 van
de PGS 15 (waaraan op grond van de ministeriële regeling moet worden
voldaan) een opslagvoorziening op een bepaalde afstand zijn gelegen van
andere brandbare objecten binnen de inrichting. De opslagvoorziening
met gasflessen met brandbare inhoud wordt hierbij als brandbaar object
binnen de inrichting beschouwt. In de ministeriële regeling staat tevens
aangegeven aan welke eisen een opslagvoorziening – zowel in de
buitenlucht gesitueerd als binnen een gebouw – moet voldoen. Voor een
opslagvoorziening voor gasflessen, die in een gebouw is gesitueerd,
gelden geen afstandseisen.
Zesde lid
In dit lid is opgenomen dat het voorhanden hebben en het gebruik van
gasflessen die gevuld zijn met autogas zijn verboden, met uitzondering
van ten behoeve van interne transportmiddelen aanwezige gasflessen
(vorkheftrucks e.d.). Dit lid is in lijn met het Besluit LPG-tankstations
milieubeheer dat voorschrijft dat uitsluitend autogas aan motorvoertuigen
en LPG-vorkheftrucks afgeleverd mag worden. Dit lid ziet niet op
motorvoertuigen die binnen de inrichting zijn gestald of geparkeerd.
§ 4.1.2 Opslaan van vuurwerk en andere ontplofbare stoffen
Artikel 4.2
De voorschriften die in dit artikel zijn opgenomen komen naast de
voorschriften van het Vuurwerkbesluit. Dat besluit blijft onverkort van
toepassing. Indien meer dan 1.000 kilogram consumentenvuurwerk wordt
opgeslagen, is niet dit besluit van toepassing maar is de inrichting
vergunningplichtig.
Tweede lid
Opslag van vuurwerk in combinatie met het afleveren van vloeibare
brandstof, mengsmering of aardgas ten behoeve van openbare verkoop
voor motorvoertuigen voor het wegverkeer is niet toegestaan.
Staatsblad 2007 415 238
Artikelen 4.3 en 4.4
Op basis van TNO-onderzoek is vastgesteld dat voor zwart kruit,
rookzwak kruit en patronen voor vuurwapens rekening moet worden
gehouden met effectafstanden van circa 8 meter. Derhalve is in de
artikelen 4.3 en 4.4 opgenomen dat een afstand van ten minste 8 meter
van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten in acht moet worden
genomen bij de opslag daarvan. Voor vuurwapenpatronen hoeft deze
effectafstand niet meer te worden aangehouden indien de opslagvoorziening
in een brandcompartiment is gelegen of als brandcompartiment
is uitgevoerd. Door de vuurwapenpatronen in een
brandcompartiment te plaatsen, zullen de externe effecten zo ver zijn
teruggebracht dat afstand houden niet meer noodzakelijk is.
§ 4.1.3 Opslaan van stoffen in opslagtanks
Artikel 4.5
Tweede lid
In dit lid is opgenomen dat bij twee tanks gevuld met zuurstof van elk
meer dan 25 kubieke meter de afstand tussen die tanks en kwetsbare en
beperkt kwetsbare objecten ten minste 20 meter moet bedragen. Deze
afstand is bepaald op basis van onderzoek van RIVM en TNO. Uit ditzelfde
onderzoek blijkt dat bij minder dan 50 verladingen van zuurstof van een
half uur per keer geen 10-6 contour ontstaat. Om deze reden zijn geen
afstanden opgenomen ten aanzien van de tankwagen en zijn geen verdere
eisen gesteld aan het vullen van de tank.
§ 4.1.4 Parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen
Artikel 4.7
Zie toelichting bij artikel 4.1 en bij categorie w van de bijlage.
§ 4.1.5 Opslaan van bulkgoederen en stukgoederen
Artikel 4.8
Onder bulkgoederen wordt verstaan goederen die niet verpakt maar als
stortgoed worden opgeslagen. Hierbij kan worden gedacht aan losse
stenen, hopen grind of kolen. Het kan daarbij ook gaan om stuifgevoelige
goederen, zoals zand.
In het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer was alleen de
opslag van zand, grond en grind toegestaan. Voor de opslag van andere
stuifgevoelige goederen binnen inrichtingen was een vergunning vereist.
Daarnaast was een Wvo-vergunning vereist als de opslag plaatsvond in
combinatie met een laad- en loswal. In dit besluit is het opslaan en
overslaan van bulkgoederen in het algemeen gereguleerd, waardoor de
voorheen uitgesloten goederen zoals cement, gips, granen en
peulvruchten, kalk, wegenzout en zwavel nu onder het besluit vallen.
Daarnaast zijn voorschriften gesteld voor de bescherming van het
oppervlaktewater bij bulkop- en overslag, waardoor ook de opslag die bij
een laad- en loswal plaatsvindt door dit besluit is gereguleerd.
De voorschriften voor deze activiteit zijn een doorvertaling van
paragraaf 3.8.1 van NeR, aangevuld met eisen ter bescherming van het
oppervlaktewater.
De betekenis van de klassen S1 tot en met S5 is als volgt:
S1: sterk stuifgevoelig niet bevochtigbaar
S2: sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar
S3: licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar
Staatsblad 2007 415 239
S4: licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar
S5: nauwelijks of niet stuifgevoelig.
In bijlage 4.6 van de NeR is een lijst opgenomen met de indeling in
stuifklassen van de stuifgevoelige goederen. Voor stoffen die in de bijlage
niet zijn ingedeeld in een bepaalde stuifklasse maakt het bevoegd gezag in
overleg met het bedrijf een passende indeling.
De opslag en mengen van de bulkgoederen die behoren tot stuifklassen
S1 of S3, en die dus niet bevochtigbaar zijn, moet plaatsvinden in
gesloten ruimtes. Voor stoffen behorend tot stuifklasse S1 betekent dit dat
zij worden opgeslagen in gesloten containers of volledig afgesloten
ruimtes. Dergelijke ruimtes hebben (uitzonderingen daargelaten) geen
ventilatie en zullen daardoor een dermate geringe emissie hebben dat
deze altijd onder de in artikel 4.13 genoemde massastroom blijft. Indien er
wel sprake is van ventilatie dan moet bij een emissie boven de massastroom
een stoffilter worden toegepast.
Stoffen behorend tot stuifklasse S3 kunnen worden opgeslagen in een
loods met ventilatiesleuven. Zolang er niet geforceerd geventileerd wordt
zal ook hier de emissie niet boven de massastroom uitkomen.
Voor stoffen die behoren tot stuifklasse S5 zijn in dit besluit en de
bijbehorende regeling geen voorschriften gesteld om stuiven tegen te
gaan.
Artikel 4.9
Voor stoffen van stuifklasse S1, S2 en S3 mag vanaf bepaalde windsnelheden
geen overslag meer plaats vinden. Paragraaf 3.8.1 van de NeR
bevat daarnaast ook de eis dat voor klasse S4 en S5 geen overslag plaats
vindt bij windsnelheden groter dan 20 meter per seconde (windkracht
8-9). Dit laatste is dermate vanzelfsprekend dat het niet in de voorschriften
is opgenomen.
In veel vergunningen voor overslagbedrijven, die onder dit besluit gaan
vallen, zijn voorschriften opgenomen voor het geval dat tijdens het
overslaan de wind toeneemt tot boven de maximale waarden. In die
gevallen mag volgens de vergunning de overslag worden voortgezet, op
voorwaarde dat extra maatregelen genomen worden tegen
stofverspreiding. Om te voorkomen dat deze voorschriften vervallen is
een maatwerkmogelijkheid opgenomen. De mogelijkheid voor maatwerk
is breed gehouden, maar in het algemeen is het niet de bedoeling dat bij
hogere windsnelheden gewerkt wordt, en wordt aanbevolen deze
mogelijkheid alleen te gebruiken voor gevallen waarin de wind toeneemt
tijdens het overslaan.
Artikel 4.10
In artikel 4.10, onderdeel a, is opgenomen dat bulkgoederen in de
buitenlucht zodanig moeten worden op- of overgeslagen dat op een
afstand van 2 meter van de bron de uitstoot van stof met het blote oog
niet waarneembaar is. In de ministeriële regeling wordt aangegeven met
welke maatregelen in elk geval aan dit artikel wordt voldaan. Dit betreft
voorschriften zoals het bevochtigen van de bulkgoederen uit de klassen
S2 en S4, het afdekken van de goederen of het aanleggen van
windreductieschermen.
Voor de overslag worden in een ministeriële regeling maatregelen
beschreven zoals een maximale storthoogte van een meter, maatregelen
bij storttrechters en maatregelen bij continu mechanisch transport
overeenkomstig hetgeen nu in paragraaf 3.8.1 van de NeR is geregeld.
Staatsblad 2007 415 240
Aandachtspunt is op- en overslag van bulkgoederen langs oppervlaktewateren.
Zo veel mogelijk moet voorkomen worden dat de goederen
afvloeien in het oppervlaktewater (bijvoorbeeld zand of grind op de
oever). Hetzelfde geldt voor het in de bedrijfsriolering geraken van
bulkgoederen omdat daarmee een adequate afvoer van afvloeiend
hemelwater zou kunnen worden belemmerd en het hemelwater onnodig
wordt vervuild door de opgeslagen bulkgoederen.
Artikel 4.11
Artikel 4.11 heeft betrekking op afvalwater dat met de bulkgoederen in
contact is geweest en daardoor verontreinigd is met deze bulkgoederen.
Op grond van het eerste lid dient dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt
te worden voor bevochtiging van de bulkgoederen, ter voorkoming van
stofverspreiding, zoals dat op diverse plaatsen in de regeling wordt
voorgeschreven. In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering
van afvalwater (artikel 10.29a Wm) wordt het afvalwater bijvoorkeur
hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de
voorwaarden die in artikel 4.11 worden gesteld. In het algemeen zal dit
(verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van
een nevelgordijn zijn.
In de regeling worden inerte stoffen aangewezen. Afvalwater dat slechts
met deze stoffen in aanraking is geweest dient bij voorkeur direct geloosd
te worden (oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de
hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt dient te worden tot
minder dan 50 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd
worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput
voorafgaande aan de lozing. Indien een directe lozing redelijkerwijs niet
mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater
of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor
lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool,
waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 50 milligram per
liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben
van het vuilwaterriool.
Bij op- en overslag van andere stoffen dan genoemd in de regeling
geeft de regelgeving geen voorkeur voor de lozingssroute, alhoewel ook
hier het uitgangspunt van artikel 10.29a Wm opgang doet. Dus bij
voorkeur directe lozing. Bij directe lozing op oppervlaktewater, de bodem
of het schoonwaterriool dienen de grenswaarden volgens tabel 4.11 als
voorwaarden en bij lozing op het vuilwaterriool mag het te lozen
afvalwater niet meer dan 50 milligram per liter onopgeloste bestanddelen
bevatten. (Niet voor alle bulkgoederen zijn alle parameters uit tabel 4.11
relevant. Zo zijn bijvoorbeeld voor agribulk alleen het chemisch zuurstofverbruik,
totaal stikstof en fosfor van belang.) Voorwaarde is wel dat het
vuilwaterriool deze hoeveelheid afvalwater kan verwerken. Dit kan
eventueel worden beperkt met een maatwerkvoorschrift op grond van
artikel 2.1 van het besluit. Voorstaande geldt niet voor lozing op
oppervlaktewateren die met het oog op het lozen bijzondere bescherming
behoeven, zoals aangewezen bij de ministeriële regeling. Lozingen op
deze wateren zijn in beginsel verboden, maar kunnen bij maatwerkvoorschrift
op grond van artikel 2.2 van het besluit alsnog worden
toegestaan.
Het te lozen afvalwater kan in alle gevallen op doelmatige wijze worden
bemonsterd. Dit enerzijds ter toetsing aan de grenswaarden genoemd in
dit artikel en anderzijds ter controle of voldaan wordt aan de zorgplichtbepaling.
Staatsblad 2007 415 241
Artikel 4.13
In artikel 4.13 zijn emissieconcentratienormen voor totaal stof
opgenomen voor opslag, overslag en mengen van stuifgevoelige
goederen in gesloten ruimtes. Onder gesloten ruimtes wordt verstaan
opslag in een gebouw of in een silo of gesloten container.
Aan de opslag van niet-stuifgevoelige bulkgoederen, zoals bijvoorbeeld
stenen, hoeven geen voorschriften te worden gesteld. Het Besluit bouwen
houtbedrijven milieubeheer en het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven
milieubeheer stelden eisen aan de opslag van meel en houtmot.
De reikwijdte is uitgebreid ten opzichte van de hiervoor genoemde
besluiten, zodat alle opslag waarbij stof vrijkomt is gereguleerd. De
voorschriften van deze besluiten waren licht verschillend en zijn nu
geüniformeerd. De term «fijnkorrelig» is vervangen door «stuifgevoelig»
om aan te sluiten bij de terminologie van de NeR.
Voorschriften voor de overvulsignalering, de aarding, beveiliging tegen
blikseminslag en het voorkomen van stofexplosies zijn verplicht op grond
van Arbeidsomstandighedenwet 1998 en daarom niet in dit besluit
opgenomen.
Onder artikel 4.13 vallen ook discontinue stofemissies, zoals het stof dat
vrijkomt bij het overslaan (storten) van meel bij een bakkerij. In het
algemeen geldt dat de eisen voor stofemissies alleen van toepassing zijn
als de grensmassastroom van 200 gram per uur wordt overschreden en er
jaarlijks meer dan 100 kilogram stof geëmitteerd wordt (zie artikel 2.6). Bij
incidentele emissies zoals die in de bakkerijbranche is vaak lastig te
bepalen of deze grenzen overschreden worden. Vanuit het Arbo-convenant
grondstofallergie worden in de sector bovendien brongerichte
maatregelen genomen om de stofemissies zoveel mogelijk te voorkomen.
Bakkerijen die aan dit convenant meewerken stellen een
stofbeheersingsplan op. Meer informatie over deze aanpak is te vinden op
www.blijmetstofvrij.nl. Het is aannemelijk dat de bakkerijen op deze
manier tevens onder de grensmassastroom blijven en derhalve aan dit
artikel voldoen.
De voorschriften ten aanzien van de stofemissies vanwege het vullen
van het transportmiddel zijn verduidelijkt. Deze eisen kunnen soepeler zijn
dan voor de opslag, omdat het hier gaat om een incidentele emissie. De
stofemissienorm is aangepast aan de nieuwe waarde in de NeR met een
overgangstermijn voor bestaande installaties. Het aanscherpen van de
norm heeft weinig financiële gevolgen voor bedrijven, de filtrerende
afscheiders op de markt halen bijna allemaal dit rendement. Hierbij is
aansluiting gezocht bij de uitgezette lijn bij de metalelektro-activiteiten.
Pneumatisch transport van hout mot en andere stuifgevoelige goederen
komt steeds minder vaak voor. Als een transportwagen pneumatisch
gevuld wordt is er op de wagen een afblaaspunt voor de transportlucht.
Om emissie van de stuifgevoelige goederen te beperken en te kunnen
voldoen aan artikel 4.13 kan er op dat afblaaspunt een stoffilter worden
aangebracht.
Naast dit artikel blijft de afdeling 2.3 Lucht onverminderd van
toepassing, die afdeling is van belang indien er ook vanwege andere
activiteiten stof kan vrijkomen.
Het overgangsrecht met betrekking tot artikel 4.13 is opgenomen in
artikel 6.26.
Staatsblad 2007 415 242
Artikel 4.14
Bij inrichtingen die onder dit besluit vallen is het houden van een klein
aantal landbouwhuisdieren toegestaan, bijvoorbeeld in een dierenweide
of een kinderboerderij. De precieze aantallen zijn te vinden in categorie s
van de bijlage. Omdat het om een klein aantal gaat, zijn voor de stal of
dierenweide zelf meestal geen voorschriften nodig. Wel gelden er eisen
aan de bijbehorende opslag van vaste mest. Door dit artikel zijn de
voorschiften uit de afdelingen 2.2, 2.3 en 2.4 van de bijlage van het Besluit
landbouw milieubeheer van toepassing.
Afdeling 4.2 Installaties
§ 4.2.1 Het in werking hebben van een stookinstallatie
Artikel 4.18
In dit artikel zijn voorschriften gegeven voor de keuring van
verwarmings- en stookinstallaties. In het eerste lid is bepaald dat
niet-gasgestookte ketels met een nominaal vermogen tussen de 20 en 100
kilowatt ten minste eenmaal per vier jaar gekeurd moeten worden op
veilig functioneren, optimale verbranding en energiezuinigheid. Ketels
met een vermogen van meer dan 100 kilowatt moeten ten minste eenmaal
per twee jaar worden gekeurd. In het vijfde lid is bepaald dat binnen twee
weken na een keuring onderhoud moet plaatsvinden om te zorgen dat
geconstateerde gebreken zo snel mogelijk worden hersteld.
Deze voorschriften spelen mede een rol bij de implementatie van de
richtlijn 1006/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16
december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen. Deze
richtlijn heeft tot doel het stimuleren van verbeterde energieprestatie voor
gebouwen en voorziet daartoe in artikel 8 in de regelmatige keuring van
cv ketels. Zoals in de toelichting op het Besluit energieprestatie gebouwen
is aangegeven heeft Nederland gekozen voor de in artikel 8b van de
richtlijn geboden mogelijkheid gebruikers te stimuleren tot het periodiek
uitvoeren van keuringen en het zonodig vervangen van cv ketels. Bij deze
beslissing heeft een rol gespeeld dat voor een groot deel van de ketels
waarop artikel 8 van de richtlijn van toepassing is reeds voorschriften
gelden op grond van de Wet milieubeheer. Het gaat daarbij om de
voorschriften zoals deze in dit artikel zijn opgenomen. Van belang is
daarbij nog dat de degene die de inrichting drijft de door de leverancier
van een verwarmings- of stookinstallatie nauwgezet de gebruiksaanwijzingen,
behorende bij die installatie volgt. Bij het voor het eerst in gebruik
nemen van een verwarmings- of stookinstallatie is het bovendien voor
degene die de inrichting drijft van belang dat hij een rapport verkrijgt
waaruit blijkt dat de installatie aan de eisen voldoet waaraan de installatie
volgens dit artikel ten minste moet voldoen. In het kader van de
handhaving kan het bevoegd gezag hem immers vragen aan te tonen dat
de installatie aan de eisen voldoet. Verder moet nog worden bedacht dat
in het algemeen (brand)verzekeraars verlangen dat een verwarmings- of
stookinstallatie jaarlijks wordt gekeurd en onderhouden, wil eventuele
brandschade gedekt worden.
Artikel 4.19
Bij moderne stookinstallaties kunnen geringe hoeveelheden spui- en
condenswater vrijkomen. Indien een vuilwaterriool beschikbaar is, heeft
het de voorkeur dat lozingen via die route plaatsvinden. Spuitwater bevat
de gebruikelijke mineralen, die ook in drink- of grondwater voorkomen,
alleen in een hogere concentratie. Condenswater kan wat zuur zijn, maar
gelet op de omvang van de lozing kan lozing op oppervlaktewater
Staatsblad 2007 415 243
eveneens worden toegestaan, als aansluiting op het vuilwaterriool
evenwel redelijkerwijs niet mogelijk is.
§ 4.2.2 Het in werking hebben van een koelinstallatie
Artikel 4.20
Ammoniakkoelinstallaties die voldoen aan de stand der techniek,
kunnen tot een inhoud van 1.500 kilogram ammoniak onder dit besluit
vallen. In PGS 13 is de stand der techniek voor ammoniakkoelinstallaties
(zowel voor installaties kleiner als groter dan 1.500 kilogram) vastgelegd.
PGS 13 bevat voorschriften op het gebied van brandveiligheid, arbeidsveiligheid
en milieuveiligheid. In dit artikel wordt uitsluitend verwezen
naar het hoofdstuk dat betrekking heeft op milieuveiligheid.
Bij directe koelsystemen kan in geval van een lekkage ammoniak
rechtstreeks in contact komen met het te koelen product, opgenomen
worden in de ventilatielucht die in een ruimte wordt ingeblazen of direct
uitstromen in een ruimte. Bij een indirect koelsysteem is er altijd een
tussenmedium waardoor een extra barrière aanwezig is tussen de
ammoniak en de het product of de lucht. Voor nieuwe ijsbanen worden
indirecte koelsystemen als stand der techniek beschouwd; voor nieuwe
situaties zijn directe koelsystemen dus niet meer toegestaan. In artikel
6.28 is opgenomen dat deze bepaling niet van toepassing is op reeds
bestaande ijsbanen.
Afdeling 4.3 tot en met afdeling 4.8
Omwille van de uniformiteit zijn alle voorschriften met betrekking tot de
opslag van de hieronder genoemde materialen uit afdeling 4.3 e.v.
opgenomen in afdeling 4.1. Zo zijn bepalingen omtrent het opslaan van
houtmot dan ook niet te vinden onder «activiteiten met betrekking tot
hout», maar onder «opslag van bulkgoederen».
Afdeling 4.3 Activiteiten met betrekking tot hout
§ 4.3.1 Mechanische bewerkingen van hout, kurk dan wel van houten,
kurken of houtachtige voorwerpen
Artikel 4.21
De emissieconcentratie-eis voor totaal stof (S) is aangepast aan de
nieuwe waarde in de NeR met een overgangstermijn voor installaties die
al in werking waren op het moment van inwerkingtreding van dit besluit
(opgenomen in artikel 6.29). Voor de normering en de wijze van formulering
is aansluiting gezocht bij de uitgezette lijn bij de
metal-elektro-activiteiten.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van de houtbewerkingsactiviteiten
tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste
dimensionering, uitvoering en onderhoud aan de emissieconcentratieeisen
in dit artikel wordt voldaan (zie ook de toelichting onder paragraaf
2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de ministeriële regeling).
§ 4.3.2 Reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk dan wel houten, kurken
of houtachtige voorwerpen
In deze paragraaf wordt het reinigen, coaten en lijmen van hout, kurk
dan wel op houten, kurken of houtachtige voorwerpen geregeld. Reinigen
betreft het schoonmaken en ontdoen van vetten (ontvetten) met behulp
Staatsblad 2007 415 244
van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in ieder geval de volgende
bewerkingen begrepen:
– reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk
ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen: hieronder worden
in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: reinigen in open
systemen, reinigen in halfgesloten systemen, reinigen in gesloten
systemen;
– reinigen met waterige reinigingsmiddelen: dit kan zowel met een zure,
neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing
surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, complexvormers, schuimremmers
en corosie-inhibitoren in voorkomen;
– chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van
chemicaliën.
Coaten betreft het aanbrengen van organische deklagen, het
aanbrengen van een verfraaiende of beschermende laag van organisch
materiaal (verf/lak). Hieronder worden in ieder geval de volgende
bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden, gieten,
dompelen.
Lijmen betreft het verbinden met hulp van lijm of kit. Hieronder worden
in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: verbinden door het
toepassen van dispersielijm of -kit, verbinden door het toepassen van
oplosmiddellijm of -kit, verbinden door het toepassen van smeltlijm of
-kit, verbinden door het toepassen van chemisch-hardende lijm of kit.
Artikel 4.22
Om overlast van verf- en lijmdeeltjes naar de omgeving te voorkomen
moeten coating- en lijmactiviteiten inpandig (binnen het bebouwde deel
van de inrichting) plaatsvinden, indien deze activiteiten worden uitgevoerd
met nevelspuitapparatuur (apparatuur waar onder druk coating of
lijm verneveld wordt). Daarnaast is het ter beperking van geuroverlast niet
toegestaan om VOS-houdende producten met behulp van nevelspuitapparatuur
in de buitenlucht toe te passen. Als het vanwege de omvang
van het te behandelen object onmogelijk is deze activiteiten inpandig uit
te voeren is het eerste lid niet van toepassing.
Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk reinigings-, coating- en
lijmwerkzaamheden binnen het bebouwde delen van de inrichting moeten
uitvoeren onder meer vanwege de kwaliteitseisen. In de open lucht
reinigen, coaten of lijmen zal dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk
is vanwege de omvang van het object om inpandig te werken. Hierbij
moet worden opgemerkt dat het uitgangspunt moet zijn dat voor de
reguliere werkzaamheden faciliteiten beschikbaar moeten zijn waarbinnen
de producten in het geheel, dan wel in segmenten kunnen worden
samengesteld en behandeld, zodat alleen activiteiten die verband houden
met het samenstellen van segmenten en het kleinschalig afwerken en
nabehandelen daarvan, uitpandig plaatsvinden.
Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen
vrijkomen vallen niet onder het verbod. Dit geldt ook voor het coaten en
lijmen dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend
tot de inrichting zijn uitgezonderd in dit besluit.
Artikel 4.23
Ook bij het inpandig coaten en lijmen met spuitapparatuur moet
voorkomen worden dat verf- en lijmdeeltjes e.d. die geëmitteerd worden
tot overlast kunnen leiden. Daarom wordt in artikel 4.23 verlangd dat de
Staatsblad 2007 415 245
emissie van vrijkomende deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan een
emissieconcentratie-eis.
In het tweede lid is zijn de activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden
uitgezonderd van de emissieconcentratie-eis omdat de emissies over het
algemeen niet beheerst afgevangen kunnen worden. Voor deze gevallen
zijn in de ministeriële regeling op grond van artikel 4.25 concrete
maatregelen opgenomen.
Voor het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen door derden
bij een jachthaven zijn de voorschriften opgenomen in de regeling bij de
desbetreffende activiteit.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van de (inpandige) coatingen/
of verfspuitactiviteiten tevens concrete maatregelen opgenomen
waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de
emissieconcentratie-eisen uit het eerste lid wordt voldaan (zie ook de
toelichting onder paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de
ministeriële regeling).
Het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel is opgenomen in
artikel 6.30.
Artikel 4.24
Eerste, tweede en zesde lid
Voor een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelbesluit, als
implementatie van Europese regelgeving van toepassing. Dit kunnen
zowel inrichtingen zijn die binnen als buiten de reikwijdte van het
onderhavige besluit vallen. Dit artikel is van toepassing op die inrichtingen
die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en de drempelwaarden,
genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit niet
overschrijden. Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op
vergunningplichtige inrichtingen, om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige
inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit
van toepassing is, is in het zesde lid bepaald dat indien de drempelwaarden
van bijlage IIa van dat besluit worden overschreden het
Oplosmiddelenbesluit van overeenkomstige toepassing is.
In de ministeriële regeling zijn concrete maatregelen opgenomen
waarmee invulling gegeven moet worden aan artikel 4.24. Hierbij moet
gedacht worden aan maatregelen die in het kader van het Project KWS
2000 (zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de NeR) uitgevoerd hadden
moeten worden, en maatregelen die zijn opgenomen in Handboeken
milieumaatregelen van de betreffende bedrijfstakken. Het gaat om
maatregelen zoals het toepassen van producten met zo weinig mogelijk
VOS, het gebruiken van applicatiemethoden met een zo laag mogelijke
VOS emissie en het treffen van good-housekeeping maatregelen.
Derde lid
Het Oplosmiddelenbesluit stelt ook eisen aan de drijver van een
inrichting met betrekking tot het boekhouden van het oplosmiddelengebruik.
Voor zover het een inrichting betreft die buiten de reikwijdte van
het Oplosmiddelenbesluit valt, worden in het derde lid vereenvoudigde
eisen gesteld wat betreft de oplosmiddelenboekhouding.
Deze boekhouding dient drie doelen. Op grond hiervan is objectief vast
stellen of het oplosmiddelengebruik al dan niet de 1000 kilogram per jaar
overschrijdt zoals bedoeld in het tweede lid. Verder draagt een dergelijke
boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de
VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de
NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op de resultaten van deze boekhouding
Staatsblad 2007 415 246
worden vastgesteld wat als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare
VOS-emissiereducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.
De eisen zullen in de kern niet meer omvatten dan op transparante wijze
inzicht geven in het gebruik van oplosmiddelen op basis van een in- en
verkoopbalans.
Aannemelijk dient gemaakt te worden dat de maximale hoeveelheid
ingekochte VOS houdende producten per jaar minder dan 1000 kilogram
bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid producten boven de 1000
kilogram ligt, maar vanwege het VOS-gehalte of ander gebruik van de
producten dan waarop artikel 4.24 ziet, dan zal een gedetailleerdere
boekhouding nodig zijn. Hierin zal dan een optelling moeten plaatsvinden
van de hoeveelheid ingekochte producten met VOS, vermenigvuldigd met
de afzonderlijke VOS gehalten. Eventuele voorraadverschillen moeten,
mist deze relevant kunnen zijn, meegenomen worden. Indien verbruiken
in mindering worden gebracht van producten die buiten de grens van de
inrichting gebruikt zijn, of gebruikt zijn voor gebouwen e.d. binnen de
inrichting, dan moet dit onderbouwd worden. Verder moet de
boekhouding een aaneengesloten periode van 12 maanden omvatten.
Door de introductie van een drempelwaarde voor het VOS-verbruik zijn
de verplichte boekhouding en maatregelen uit het Besluit bouw- en
houtbedrijven sterk verminderd. Door deze drempelwaarde zullen de
meeste bedrijven die voorheen bijvoorbeeld onder het Besluit inrichtingen
voor motorvoertuigen milieubeheer vielen, maar als nevenactiviteit
bijvoorbeeld wat VOS-houdende coatings op hout toepassen, geen extra
maatregelen hoeven te treffen. Verder richten de voorschriften zich in dit
besluit alleen op die producten die binnen de inrichting worden
toegepast. Het werken op locatie (buiten de inrichting) valt hier dus
buiten. Ook producten die worden toegepast ten behoeve voor onderhoud
aan apparatuur, panden e.d. die tot de inrichting zelf behoren vallen hier
nu buiten. Het betreft alleen de bedrijfsmatige activiteit van de inrichting
waarop dit besluit van toepassing is.
Vierde lid
In het vierde lid wordt in dit kader tevens een relatie gelegd met het
Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
Omdat het besluit eisen stelt aan onder andere VOS-gehalten van in de
handel te brengen producten voor schilderwerk op of aan gebouwen
(waaronder ook het in bedrijven coaten van kozijnen, deuren, trappen en
dergelijke) en het overspuiten (schadeherstelling) van motorvoertuigen
wordt er ten aanzien van deze specifieke activiteiten van uitgegaan dat er
buiten good-housekeeping maatregel, geen verdere maatregelen nodig
zijn ten aanzien van artikel 4.24, eerste lid.
Artikel 4.26
Dit artikel stelt voorschriften met betrekking tot het in het vuilwaterriool
lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen, coaten of lijmen van
hout of kurk dan wel houten, kurken of houtachtige voorwerpen. Voor de
reiniging van hout, dat wil zeggen het verwijderen van oude verflagen,
wordt natronloog of dichloormethaan (methyleenchloride) toegepast. Het
afvalwater van loogbedrijven kan zware metalen (met name zink en lood)
bevatten. In het afvalwater van bedrijven die dichloormethaan gebruiken
kunnen ook andere vluchtige organohalogeenverbindingen aanwezig zijn.
De beperking van de emissie van zware metalen kan qua effectiviteit en
kosten het beste geschieden door toepassing van flocculatie/sedimentatie.
De beperking van de emissie van vluchtige organohalogeenverbindingen
kan het beste worden bewerkstelligd door het beluchten of luchtstrippen
van het afvalwater. De behandeling van met dichloormethaan verontrei-
Staatsblad 2007 415 247
nigde lucht kan plaatsvinden met behulp van actieve kool. Uitgaande van
toepassing van deze technieken die als beste beschikbare technieken
kunnen worden aangemerkt zijn emissiegrenswaarden in het artikel
geformuleerd.
Afdeling 4.4 Activiteiten met betrekking tot kunststof
§ 4.4.1 Mechanische bewerkingen van kunststof of kunststofproducten
Artikel 4.27
De emissieconcentratie-eis voor totaal stof (S) is aangepast aan de
nieuwe waarde in de NeR met een overgangstermijn voor installaties die
al in werking waren op het moment van inwerkingtreding van dit besluit
(artikel 6.31).
Voor de normering en de wijze van formulering is aansluiting gezocht
bij de uitgezette lijn bij de metalelektro-activiteiten.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van de kunststofbewerkingsactiviteiten
tevens concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste
dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratieeisen
in dit artikel wordt voldaan (zie ook de toelichting onder paragraaf
2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de ministeriële regeling).
§ 4.4.2 Reinigen, coaten en lijmen van kunststof of kunststofproducten
In deze paragraaf wordt het reinigen, coaten en lijmen van kunststof of
kunststofproducten geregeld.
Onder reinigen wordt verstaan het schoonmaken en ontdoen van vetten
(ontvetten) met behulp van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in
ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
– reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk
ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen: Hieronder worden
in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: reinigen in open
systemen, reinigen in halfgesloten systemen, reinigen in gesloten
systemen;
– reinigen met waterige reinigingsmiddelen: Dit kan zowel met een zure,
neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing
surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, -complexvormers, schuimremmers
en corosie-inhibitoren in voorkomen;
– chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van
chemicaliën.
Onder coaten wordt verstaan het aanbrengen van organische deklagen
of het aanbrengen van een verfraaiende of beschermende laag van
organisch materiaal (verf/lak). Hieronder worden in ieder geval de
volgende bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden,
gieten, dompelen.
Het lijmen betreft het verbinden met hulp van lijm of kit. Hieronder
worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: verbinden
door het toepassen van dispersielijm of -kit, verbinden door het toepassen
van oplosmiddellijm of -kit, verbinden door het toepassen van smeltlijm
of -kit, verbinden door het toepassen van chemisch-hardende lijm of kit.
Artikel 4.28
Om overlast van verf- en lijmdeeltjes naar de omgeving te voorkomen
moeten coating- en lijmactiviteiten inpandig (binnen het bebouwde deel
van de inrichting) plaatsvinden, indien deze activiteiten worden uitgevoerd
met nevelspuitapparatuur (apparatuur waar onder druk coating of
lijm verneveld wordt). Daarnaast is ter beperking van geuroverlast niet
Staatsblad 2007 415 248
toegestaan om VOS-houdende producten met behulp van nevelspuitapparatuur
in de buitenlucht toe te passen. Als het vanwege de omvang
van het te behandelen object onmogelijk is deze activiteiten inpandig uit
te voeren is dat verbod niet van toepassing.
Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk reinigings-, coating- en
lijmwerkzaamheden binnen het bebouwde delen van de inrichting moeten
uitvoeren onder meer vanwege de kwaliteitseisen. In de open lucht
reinigen, coaten of lijmen zal dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk
is vanwege de omvang van het object om inpandig te werken. Hierbij
moet worden opgemerkt dat het uitgangspunt moet zijn dat voor de
reguliere werkzaamheden faciliteiten beschikbaar moeten zijn waarbinnen
de producten in het geheel, dan wel in segmenten kunnen worden
samengesteld en behandeld, zodat alleen activiteiten die verband houden
met het samenstellen van segmenten en het kleinschalig afwerken en
nabehandelen daarvan, uitpandig plaatsvinden.
Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen
vrijkomen vallen niet onder het verbod. Dit geldt ook voor het coaten en
lijmen dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend
tot de inrichting zijn niet vallen onder dit artikel.
Artikel 4.29
Ook bij het inpandig coaten en lijmen met spuitapparatuur moet
voorkomen worden dat verf- en lijmdeeltjes en dergelijke die geëmitteerd
worden tot overlast kunnen leiden. Daarom wordt in artikel 4.29 verlangd
dat de emissie van vrijkomende deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan
een emissieconcentratie-eis.
In het tweede lid zijn de activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden
uitgezonderd van de emissieconcentratie-eis omdat de emissies over het
algemeen niet beheerst afgevangen kunnen worden. Voor deze gevallen
zijn in de ministeriële regeling op grond van artikel 4.31 concrete
maatregelen opgenomen.
Voor het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de
buitenlucht door derden bij een jachthaven zijn de voorschriften
opgenomen in de regeling bij de desbetreffende activiteit.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van de (inpandige) coatingen
verfspuitactiviteiten tevens concrete maatregelen opgenomen
waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de
emissieconcentratie-eisen uit het eerste lid wordt voldaan (zie ook de
toelichting onder paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de
ministeriële regeling).
Het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel is opgenomen in
artikel 6.32.
Artikel 4.30
Eerste en zesde lid
Voor een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelbesluit, als
implementatie van Europese regelgeving van toepassing. Dit kunnen
zowel inrichtingen zijn die binnen als buiten de reikwijdte van het
onderhavige besluit vallen. Dit artikel is van toepassing op die inrichtingen
die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en buiten de
reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit. Dit artikel is van toepassing op
artikelen die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en de drempelwaarden,
genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit niet
Staatsblad 2007 415 249
overschrijden. Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op
vergunningplichtige inrichtingen, om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige
inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit
van toepassing is, is in het zesde lid bepaald dat indien de drempelwaarden
van bijlage IIa van dat besluit worden overschreden het
Oplosmiddelenbesluit van overeenkomstige toepassing is.
In de ministeriële regeling zijn concrete maatregelen opgenomen
waarmee invulling gegeven moet worden aan artikel 4.30. Hierbij moet
gedacht worden aan maatregelen die in het kader van het Project KWS
2000 (zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de NeR) uitgevoerd hadden
moeten worden, en maatregelen die zijn opgenomen in Handboeken
milieumaatregelen van de betreffende bedrijfstakken. Het gaat om
maatregelen zoals het toepassen van producten met zo weinig mogelijk
VOS, het gebruiken van applicatiemethoden met een zo laag mogelijke
VOS emissie en het treffen van good-housekeeping maatregelen.
Derde lid
Het Oplosmiddelenbesluit stelt ook eisen aan de drijver van een
inrichting over het boekhouden van het oplosmiddelengebruik. Voor zover
het een inrichting betreft die buiten de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit
valt, worden in het derde lid vereenvoudigde eisen gesteld wat
betreft de oplosmiddelenboekhouding.
Deze boekhouding dient drie doelen. Op grond hiervan is objectief vast
stellen of het oplosmiddelengebruik al dan niet de 1000 kilogram per jaar
overschrijdt zoals bedoeld in het derde lid. Verder draagt een dergelijke
boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de
VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de
NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op de resultaten van deze boekhouding
worden vastgesteld wat als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare
VOS-emissiereducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.
De eisen zullen in de kern niet meer omvatten dan op transparante wijze
inzicht geven in het gebruik van oplosmiddelen op basis van een in- en
verkoopbalans.
Aannemelijk dient gemaakt te worden dat de maximale hoeveelheid
ingekochte VOS houdende producten per jaar minder dan 1000 kilogram
bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid producten boven de 1000
kilogram ligt, maar vanwege het VOS-gehalte of ander gebruik van de
producten dan waarop artikel 4.30 ziet, dan zal een gedetailleerdere
boekhouding nodig zijn. Hierin zal dan een optelling moeten plaatsvinden
van de hoeveelheid ingekochte producten met VOS, vermenigvuldigd met
de afzonderlijke VOS gehalten. Eventuele voorraadverschillen moeten,
mist deze relevant kunnen zijn, meegenomen worden. Indien verbruiken
in mindering worden gebracht van producten die buiten de grens van de
inrichting gebruikt zijn, of gebruikt zijn voor gebouwen en dergelijke
binnen de inrichting, dan moet dit onderbouwd worden. Verder moet de
boekhouding een aaneengesloten periode van 12 maanden omvatten.
Door de introductie van een drempelwaarde voor het VOS-verbruik zijn
de verplichte boekhouding en maatregelen uit het Besluit bouw- en
houtbedrijven sterk verminderd. Door deze drempelwaarde zullen de
meeste bedrijven die voorheen bijvoorbeeld onder het Besluit inrichtingen
voor motorvoertuigen milieubeheer vielen, maar als nevenactiviteit toch
bijvoorbeeld wat VOS-houdende coatings op kunststof toepassen, geen
extra maatregelen hoeven te treffen.
Verder richten de voorschriften zich in dit Besluit alleen op die
producten die binnen de inrichting worden toegepast. Het werken op
locatie (buiten de inrichting) valt hier dus buiten. Ook producten die
worden toegepast ten behoeve voor onderhoud aan apparatuur, panden
Staatsblad 2007 415 250
e.d. die tot de inrichting zelf behoren, vallen hier nu buiten. Het betreft
alleen de bedrijfsmatige activiteit van de inrichting waarop dit besluit van
toepassing is.
Vierde lid
In het vierde lid wordt in dit kader tevens een relatie gelegd met het
Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
Omdat dat besluit eisen stelt aan onder andere VOS-gehalten van in de
handel brengen van producten voor schilderwerk op of aan gebouwen
(waaronder ook het in bedrijven coaten van kozijnen, deuren, trappen en
dergelijke) en het overspuiten (schadeherstelling) van motorvoertuigen
wordt er ten aanzien van deze specifieke activiteiten van uitgegaan dat er
buiten good-housekeeping maatregelen, geen verdere maatregelen nodig
zijn ten aanzien van artikel 4.30, eerste lid.
Afdeling 4.5 Activiteiten met betrekking tot metaal
§ 4.5.1 Spaanloze, verspanende, thermische bewerking en mechanische
eindafwerking van metalen
Algemeen
Onder spaanloze bewerkingen wordt verstaan het vervormen of
scheiden van het materiaal zonder dat verspaning optreedt. Hieronder
worden in ieder geval begrepen: knippen, knabbelen, uithoeken, ponsen,
stansen, kanten, zetten, buigen, felsen, kralen, persen, extruderen,
trekken, dieptrekken, duntrekken, navormen, flessen, strekken, forceren,
vloeidraaien, smeden, warmpersen en interen. Onder grof verspanende
bewerkingen wordt verstaan het wegnemen van een deel van het
materiaal (spanen) met verspanend gereedschap (beitels, boren, frezen,
zagen en dergelijke). Onder grof verspanende bewerkingen worden in
ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: zagen, boren, tappen,
draaien, frezen, kotteren, schaven, steken en brootsen.
Fijn verspanende bewerkingen betreffen het wegnemen van een deel
van het materiaal met fijn verspanend gereedschap (schuurmachine,
slijptol etc). Onder fijn verspanende bewerkingen worden in ieder geval
de volgende bewerkingen begrepen: schuren, slijpen, graveren en
vonkverspanen.
Thermische bewerkingen betreffen het door zeer plaatselijk te
verwarmen scheiden van materiaal. Hieronder worden in ieder geval de
volgende bewerkingen begrepen: thermisch snijden en gutsen. Onder
thermisch snijden wordt onder andere verstaan: plasmasnijden, lasersnijden
autogeen snijden en watersnijden. Formeel zijn lasersnijden en
watersnijden geen thermische bewerkingen, maar ze zijn hiermee wel
vergelijkbaar. Om die reden worden deze bewerkingen wel onder deze
activiteit behandeld.
Onder mechanische eindafwerking wordt verstaan een bewerking
waarbij het materiaal glad wordt gemaakt. Hieronder worden in ieder
geval de volgende bewerkingen begrepen: mechanisch polijsten, honen,
leppen, superfijnen, (staal)borstelen.
Artikel 4.32
Om overlast van stofdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te
voorkomen moeten spaanloze, verspanende, thermische bewerking en
mechanische eindafwerking van metalen inpandig plaatsvinden. Alleen
als het onmogelijk is deze activiteiten inpandig uit te voeren vanwege de
omvang van het te bewerken object is het verbod om buiten te bewerken
niet van toepassing.
Staatsblad 2007 415 251
Een situatie waarbij het wellicht niet mogelijk is om de werkzaamheden
inpandig uit te voeren kan zich bijvoorbeeld voordoen bij constructiebedrijven
waar inpandig geconstrueerde segmenten samengesteld en
eventueel afgewerkt moeten worden tot een zodanig groot object dat dit
niet inpandig kan plaatsvinden.
Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk werkzaamheden inpandig
willen uitvoeren onder meer vanwege de kwaliteitseisen.
Artikelen 4.33 tot en met 4.35
Significante emissies naar de lucht zullen naar verwachting niet
optreden bij spaanloze bewerkingen, met uitzondering van het smeden.
Onder smeden wordt verstaan: het door handmatig hameren bewerken
van gloeiend metaal, waarbij het metaal gloeiend wordt gemaakt door het
te verhitten in een kolenvuur.
Onder droogverspanende bewerkingen worden de grof en fijn verspanende
bewerkingen verstaan waarbij niet gewerkt wordt met
metaalbewerkingsvloeistoffen.
Bij gebruik van metaalbewerkingsvloeistoffen zullen naar verwachting
geen significante emissies van totaal stof en chroom(VI)-verbindingen
naar de lucht optreden.
Bij verspanende bewerkingen zullen significante emissies vooral
kunnen optreden bij de fijnverspanende bewerkingen schuren en slijpen.
Bij het thermisch bewerken van metaal, zoals thermisch snijden en
gutsen en bij mechanische eindafwerking, kunnen significante emissies
optreden.
Significante emissies die kunnen vrijkomen betreffen voornamelijk
stoffen die zijn ingedeeld in de categorie S (totaal stof). Bij het verwerken
van roestvaststaal kan daarnaast mogelijk chroom VI vrijkomen. Bij het
snijden van koper kunnen mogelijk koper, koperverbindingen en
koperrook vrijkomen.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder de
artikelen 2.5 en 2.6 en de toelichting daarop.
In de ministeriële regeling zijn erkende maatregelen opgenomen
waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud aan de
emissieconcentratie-eisen uit het eerste lid wordt voldaan (zie ook de
toelichting onder paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de
ministeriële regeling).
Artikel 4.33
Eerste lid
In geval van inpandig smeden, droogverspanende bewerkingen,
thermische bewerkingen en bij mechanische eindafwerking van metalen,
moet voorkomen worden dat stofdeeltjes e.d. die geëmitteerd worden tot
overlast kunnen leiden.
Daarom wordt in het eerste lid verlangd dat de emissie van vrijkomende
deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan een emissieconcentratie-eis voor
totaal stof (zie hiervoor ook de toelichting bij paragraaf 2.4).
Tweede lid
In het tweede lid zijn de activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden
uitgezonderd van de emissieconcentratie-eis omdat de emissies over het
Staatsblad 2007 415 252
algemeen niet beheerst afgevangen kunnen worden. Voor deze gevallen
zijn in de ministeriële regeling concrete maatregelen opgenomen.
Voor het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de
buitenlucht zijn voorschriften opgenomen in de regeling bij de desbetreffende
activiteit.
Artikel 4.36
Emissies kunnen optreden bij processen waarbij verneveling van
metaalbewerkingsvloeistoffen voorkomt. Het artikel bevat geen duidelijk
kwantificeerbare norm, omdat de NeR deze ten aanzien van deze stoffen
ook niet kent.
In de meeste gevallen zullen bij werkzaamheden met metaalbewerkingsvloeistoffen
geen emissies naar de buitenlucht optreden,
onder andere omdat de ontstane nevels (aërosolen) niet worden
afgezogen, binnen de inrichting zullen blijven en neerslaan. Er zullen naar
verwachting amper diffuse emissies optreden. Als in specifieke gevallen
wel (bron)afzuiging wordt toegepast om ontstane nevel van bewerkingsvloeistoffen
naar de buitenlucht af te voeren, geldt op grond van artikel
4.36 dat voorkomen moet worden dat deze emissies zich zichtbaar in de
buitenlucht verspreiden. Van zichtbare verspreiding is sprake indien nevel
vanuit de afgaskanalen zichtbaar is, maar ook indien de omgeving
(waaronder het dak) rondom het emissiepunt of het emissiepunt zelf
duidelijke sporen van geëmitteerde bewerkingsvloeistoffen bevat.
Indien dit het geval is, dienen maatregelen te worden getroffen om dit
te voorkomen. Een mogelijke maatregel is het voeren van geëmitteerde
lucht door een doelmatige nabehandelingsinstallatie, zoals een aerosofilter
of mistfilter. Een verdere beschrijving van deze technieken en onder
welke voorwaarden deze doelmatig zijn en de goede werking in de loop
van de tijd behoudt is beschreven in de toelichting van de regeling.
§ 4.5.2 Lassen van metalen
Algemeen
Het lassen is een verbindingstechniek waarbij metaaldelen verbonden
worden door gebruik te maken van warmte of druk. Bij lassen liggen de
smeltpunten van de basismaterialen en de eventuele toevoegmaterialen
dicht bij elkaar.
Artikel 4.39
Om overlast van stofdeeltjes en lasrook naar de omgeving zoveel
mogelijk te voorkomen moeten laswerkzaamheden inpandig plaatsvinden.
Alleen als het niet mogelijk is deze activiteiten inpandig uit te voeren
vanwege de omvang van het te bewerken object is het verbod om buiten
te lassen niet van toepassing.
Een situatie waarbij het niet mogelijk is om de werkzaamheden
inpandig uit te voeren kan zich bijvoorbeeld voordoen bij constructiebedrijven
waar inpandig geconstrueerde segmenten samengesteld en
eventueel afgewerkt moeten worden tot een zodanig groot object dat dit
in niet inpandig kan plaatsvinden.
Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk werkzaamheden inpandig
willen uitvoeren onder meer vanwege de kwaliteitseisen.
De artikelen 4.40 tot en met 4.42
Afhankelijk van het lasproces, soort en hoeveelheid lastoevoegmateriaal,
elektrode en het te lassen materiaal zullen er significante
emissies naar de lucht optreden.
Staatsblad 2007 415 253
Hierbij zullen hoofdzakelijk stoffen vrijkomen uit de categorie S (totaal
stof). Bij het lassen van roestvaststaal kan chroom VI vrijkomen. Bij het
lassen van Beryllium kan Beryllium vrijkomen. Bij het lassen van
materialen die geverfd zijn met loodmenie kan lood vrijkomen.
Daarom zijn hier ten aanzien van deze stoffen emissie-eisen gesteld, die
gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in
gram per tijdseenheid) de in de artikelen 4.40 tot en met 4.42 genoemde
grensmassastromen overschrijdt.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet gekeken worden naar de massastroom vanuit de
gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een
sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie.
De verschillende lasprocessen zijn opgedeeld in de klassen I tot en met
VII waarbij de lasprocessen van klasse I het minst milieubelastend zijn en
de lasprocessen van klasse VII het meest milieubelastend. De klassenindeling
is ontleend aan de «Praktijkrichtlijn Lasrook, beschrijving
doeltreffende maatregelen bij blootstelling aan rook en/of gassen en/of
aanverwante processen» en is afhankelijk van het toegepaste lasproces,
soort en hoeveelheid lastoevoegmateriaal, elektrode en het te lassen
materiaal.
Aan de lasprocessen van de klasse I en II zijn geen emissie-eisen
gesteld, omdat bij deze lasprocessen geen significante emissies naar de
lucht zullen optreden.
Onder de verschillende klassen wordt verstaan:
Klasse I en II:
TIG-lassen, plasmalassen, druklassen, autogeen lassen en onder
poederlassen van alle materialen met uitzondering van geverfde
materialen.
Klasse III:
– Lassen met beklede elektroden van alle materialen met uitzondering
van roestvast staal, Beryllium- en vanadiumlegeringen en m.u.v. geverfde
materialen,
– Lassen met MAG gevulde draad van alle materialen met uitzondering
van roestvast staal en geverfde materialen;
– Lassen met MIG/MAG massieve draad van alle materialen met
uitzondering van koper-, Beryllium- en Vanadium-legeringen en met
uitzondering van geverfde materialen.
Klasse IV:
Het lassen van geverfde materialen (m.u.v. loodmenie) met behulp van
één van de volgende technieken:
– TIG-lassen, plasmalassen, druklassen, autogeenlassen, onder poeder
lassen;
– Lassen met beklede elektroden, lassen met MAG gevulde draad en
lassen met MIG/MAG massieve draad.
Klasse V, VI en VII:
– Lassen met beklede elektroden, van de materialen: roestvast staal,
Vanadium-legeringen en Berylliumlegeringen;
– Lassen met MAG gevulde draad van de materialen: roestvast staal;
– Lassen met gelegeerde elektrode of met gelegeerde gevulde draad;
Staatsblad 2007 415 254
– Lassen met MIG gevulde draad of massieve draad van de materialen:
koperlegeringen en Beryllium- en Vanadium-legeringen;
– Lassen met gevulde draad van de materialen: ongelegeerd en
gelegeerd staal;
– Lassen van de materialen: geverfd staal met loodmenie.
In de ministeriële regeling zal per klasse worden aangegeven met
behulp van welke erkende maatregelen, bij juiste dimensionering,
uitvoering en onderhoud, wordt voldaan aan de emissieconcentratie-eisen
uit het eerste lid (zie ook de toelichting onder paragraaf 2.4 en de
artikelsgewijze toelichting van de ministeriële regeling). In de regeling
wordt ook per klasse aangegeven bij welke ondergrenzen (uitgedrukt in
per jaar gebruikt lastoevoegmateriaal) er geen maatregelen behoeven te
worden getroffen om aan de emissie-eisen te voldoen.
Artikel 4.40, tweede lid
Aangezien bij lassen in de buitenlucht emissies niet hoeven te worden
afgezogen en er derhalve geen gekanaliseerde emissies zijn kan niet
worden voldaan aan artikel 4.40, eerste lid. In dit geval is artikel 4.40,
eerste lid, dan ook niet van toepassing.
§ 4.5.3 Solderen van metalen
Algemeen
Solderen is een verbindingstechniek waarbij de metaaldelen onder
verhitting met elkaar verbonden worden met behulp van een toevoegmateriaal.
Bij solderen is de temperatuur van het soldeermiddel lager dan
die van de te verbinden materialen. Hierdoor wordt de verbinding tot
stand gebracht zonder dat de te verbinden materialen smelten. Hieronder
worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen: zachtsolderen
en hardsolderen. Als het smeltpunt van het toegevoegde soldeer ligt
beneden 450° C is er sprake van zachtsolderen. Bij smelttemperaturen
boven 450° C is er sprake van hardsolderen. Een bijzondere vorm van
hardsolderen is het hoogtemperatuursolderen. Deze vorm van solderen
gebeurt in een beheerste atmosfeer (de atmosfeer wordt gevormd door
een reducerend of inert gas of het solderen gebeurt onder vacuüm)
zonder vloeimiddel én bij zeer hoge temperatuur (veelal meer dan 800° C).
Emissies die kunnen optreden bij de verschillende vormen van solderen
zijn zeer divers. Er worden diverse processen (bout, golf, vlam, inductief,
oven, etc.) toegepast die bij verschillende temperatuur werken (zacht-,
hard- en hoogtemperatuursolderen). Er worden diverse soldeermaterialen
en vloeimiddelen (niet bij hoogtemperatuursolderen) gebruikt.
Loodhoudend soldeer dat werd toegepast door zachtsoldeerders, mag
vanaf juli 2006 in een groot aantal gevallen niet meer worden toegepast
vanwege het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur.
Onder soldeermiddel wordt verstaan een metaal(leggering) die tijdens het
solderen wordt toegevoegd en wordt gesmolten en waarmee na stolling
een verbinding tot stand wordt gebracht tussen de te verbinden metalen.
Onder vloeimiddel wordt verstaan een vloeistof, pasta of vaste stof die de
te verbinden metaaldelen reinigt en het vloeigedrag van het soldeermiddel
over de te verbinden oppervlakken verbetert, waardoor een betere
hechting ontstaat. Vloeimiddelen maken geen deel uit van de te vormen
verbinding.
Artikelen 4.44 en 4.45
Zachtsolderen
Uit een inventariserend onderzoek (Van der Sluis, december 2006) naar
emissies naar de lucht bij solderen is gebleken dat bij zachtsolderen met
Staatsblad 2007 415 255
loodhoudend soldeer met een jaarverbruik van minder dan 250 ton
soldeermiddel een significante emissie, namelijk een overschrijding van
de vrijstellingsbepaling van de NeR (opgenomen in artikel 2.6) voor stof
niet te verwachten is. In artikel 4.44, tweede lid, is daarom opgenomen dat
de emissie-eisen voor totaal stof niet gelden bij een jaarverbruik van
minder dan 250 ton soldeermiddel. Naar verwachting zullen niet veel
inrichtingen boven dit jaarverbuik uitkomen.
Uit hetzelfde onderzoek is gebleken dat nog weinig gegevens
beschikbaar zijn over emissies die vrijkomen bij de alternatieven voor het
loodhoudend soldeermiddel. Mogelijke alternatieven zijn soldeermiddelen
met tinkoper, tinzilver en tinzilverkoper.
De verwachting is dat in analogie met de loodhoudende soldeermiddelen
ook hier bij een jaarverbruik van minder dan 250 ton soldeermiddel
er geen relevante emissies van stof optreden.
Hardsolderen
Uit eerder genoemd onderzoek is gebleken dat bij hardsolderen
significante emissies van stof kunnen optreden. Bij welk jaarverbruik aan
soldeermateriaal er significante emissie te verwachten zijn, hangt af van
het soort soldeermiddel dat wordt toegepast.
Daarnaast wordt nog een klein aantal (wettelijk toegestane) toepassingen
cadmiumhoudend zilversoldeer gebruikt. Bij toetsing aan de
vrijstellingsbepaling van de NeR (opgenomen in artikel 2.6) bleek voor die
toepassing cadmium de bepalende factor.
In de artikelen 4.44 en 4.45 zijn daarom emissie-eisen gesteld aan de
emissies van totaal stof en cadmium.
In de ministeriële regeling is aangegeven met behulp van welke erkende
maatregelen, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de
emissieconcentratie-eisen in de artikelen 4.44 en 4.45 wordt voldaan (zie
ook de toelichting onder paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting
van de ministeriële regeling).
In de toelichting bij de ministeriële regeling is aangegeven bij welke
indicatieve drempels gebaseerd op jaarlijks verbruik van hardsoldeermiddel,
geen overschrijding van de in artikel 2.6 opgenomen vrijstellingsbepaling
te verwachten valt. Deze indicatieve drempels zijn afgeleid van
de resultaten van het eerder genoemde onderzoek Van der Sluis.
Artikel 4.46
Uit onderzoek (Van der Sluis, december 2006) is gebleken dat zowel bij
zacht- als bij hardsolderen significante emissies van gasvormige stoffen
afkomstig van de gebruikte vloeimiddelen kunnen optreden. Bij zachtsolderen
kunnen diverse vloeimiddelen worden toegepast. Gasvormige
emissies die daarbij kunnen ontstaan zijn anorganische zuren (bijvoorbeeld
zoutzuur, zwavelzuur en salpeterzuur), vluchtige organische stoffen
(bijvoorbeeld Isopropylaclohol (IPA)) en ontledingsproducten zoals
formaldehyde.
Ook bij hardsolderen kunnen diverse vloeimiddelen worden toegepast.
Gasvormige emissies die daarbij kunnen ontstaan zijn onder andere fluoren
chloorverbindingen.
Omdat er zoveel verschillende vloeimiddelen toegepast kunnen worden
en er gasvormige emissies van diverse stoffen kunnen optreden, is in
artikel 4.46 aangegeven voor welke stofklassen er voldaan moet worden
aan de emissieconcentratie-eisen van artikel 2.5.
Het genoemde onderzoek heeft tot onvoldoende gegevens geleid om
voor iedere mogelijke stof die tot significante emissies kunnen leiden
indicatieve drempels (op basis van jaarlijks verbruik aan vloeimiddelen) te
formuleren.
Staatsblad 2007 415 256
Artikel 4.47
Eerste lid
Op verzoek van het bevoegd gezag dient een inrichting informatie te
overleggen waaruit blijkt in hoeverre significante emissies kunnen
optreden vanwege de activiteit solderen van metaal. Het bevoegd gezag
heeft met dit artikel de mogelijkheid om in situaties dat er twijfel bestaat
of er significante emissies optreden en er geen of onvoldoende maatregelen
zijn getroffen om de emissies te beperken om informatie over de
aard en omvang van de emissies van het bedrijf te vragen.
In onderdeel a wordt aangegeven dat de verbruiks- en samenstellingsgegevens
per type soldeermiddel en type vloeimiddel worden overlegd.
Uit deze gegevens blijkt dan onder andere of het gaat om hard- of
zachtsolderen.
Hardsolderen
Stofvormige emissies kunnen afkomstig zijn van het soldeermiddel en
het vloeimiddel. Verbruiksgegevens per type soldeermiddel zijn relevant
voor het hardsolderen omdat er in de toelichting van de ministeriële
regeling bij hardsolderen per type soldeermiddel zal worden aangegeven
bij welke indicatieve drempels (gebaseerd op jaarlijks verbruik) er geen
significante emissies te verwachten zijn. Verbruiksgegevens per type
vloeimiddel zijn relevant omdat hiermee inzicht wordt verkregen in de
omvang en het type emissies die kunnen ontstaan ten gevolge van de
gebruikte vloeimiddelen.
Zachtsolderen
Indien een bedrijf alleen aan zachtsolderen doet, zal er geen reden zijn
voor het bevoegd gezag om extra informatie te vragen over het verbruik
van soldeermiddelen (tenzij de grens van 250 ton op jaarbasis mogelijk
wordt overschreden). Verbruiksgegevens per type vloeimiddel zijn altijd
relevant, zie hardsolderen.
Vloeimiddelen
Op grond van onderdeel b kan gevraagd worden om een overzicht van
de aard en omvang van de gasvormige emissies vanwege de gebruikte
vloeimiddelen. Hiermee kan een inschatting worden gemaakt of voldaan
is aan de emissie-eisen in artikel 4.46. In veel gevallen wordt bij zachtsolderen
gebruik gemaakt van traditionele vloeimiddelen als zinkchloride en
ammoniumchloride. Bij toepassing van deze vloeimiddelen zullen vrijwel
geen gasvormige emissies vrijkomen. Indien alleen deze vloeimiddelen
worden toegepast, zijn er geen significante gasvormige emissies van
stoffen als genoemd in artikel 4.46 te verwachten. Indien een inrichting
informatie kan overleggen waaruit blijkt dat slechts deze twee vloeimiddelen
worden toegepast, mag worden aangenomen dat er geen
significante emissies te verwachten zijn en zal de informatie bedoeld in
onderdeel b, niet nodig zijn. Indien ook andere vloeimiddelen worden
toegepast, dient op grond van onderdeel b de emissie in beeld te worden
gebracht.
Tweede lid
Om te voorkomen dat inrichtingen waar kleinschalig wordt gesoldeerd
en emissiebeperkende maatregelen nooit nodig zullen zijn, worden belast
met een verplichting tot het leveren van informatie over de aard en
omvang van gasvormige emissies, is in het tweede lid een uitzondering
opgenomen met betrekking tot inrichtingen waar het jaarverbruik aan
vloeimiddelen niet meer bedraagt dan 100 kilogram per jaar.
Staatsblad 2007 415 257
§ 4.5.4 Stralen van metalen
Algemeen
Het stralen van metalen en metalen voorwerpen betreft het verwijderen
van roest, wals, gloei en giethuid, oude verflagen en vuil door kleine
harde delen straalmiddel tegen het te reinigen object te laten botsen.
Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
– pneumatisch stralen: bij pneumatisch stralen wordt de benodigde
energie om het straalmiddel met hoge snelheid tegen het te bewerken
oppervlak te laten botsen, opgewekt door perslucht;
– werpstralen: bij werpstralen wordt het straalmiddel met behulp van
turbines door centrifugaalkracht op het te bewerken oppervlak geslingerd;
– natstralen: alle straaltechnieken bedoeld waarbij water wordt gebruikt;
– koolzuurstralen: bij koolzuurstralen worden koolzuurkorrels (circa –
80°C) met behulp van zeer droge perslucht via een straalpijp op het te
bewerken oppervlak geblazen.
Artikel 4.49
Om overlast van stofdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te
voorkomen moeten straalwerkzaamheden inpandig plaatsvinden. Alleen
als het onmogelijk is deze activiteiten inpandig uit te voeren vanwege de
omvang van het te bewerken object is het verbod om deze activiteiten
buiten te verrichten niet van toepassing.
Een situatie waarbij het niet mogelijk is om de werkzaamheden
inpandig uit te voeren kan zich bijvoorbeeld voordoen bij constructiebedrijven
waar inpandig geconstrueerde segmenten samengesteld en
eventueel afgewerkt moeten worden tot een zodanig groot object dat dit
niet inpandig kan plaatsvinden. Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk
werkzaamheden inpandig willen uitvoeren onder meer vanwege de
kwaliteitseisen.
Artikel 4.50
De emissie-eisen in dit artikel hebben betrekking op de emissie van
stoffen naar de lucht. De emissies zijn afhankelijk van het gebruikte
straalmiddel en de staat van het te stralen object. Omdat bij onderhoudswerkzaamheden
vaak bestaande (an)organische deklagen worden
verwijderd, kunnen de geëmitteerde stoffen zeer divers zijn. Daarom
worden in artikel 4.50 eisen gesteld aan alle mogelijke typen stofemissies,
die gelden op het moment dat de massastroom (de vracht van de emissie
in gram per tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet gekeken worden naar de massastroom vanuit de
gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën een
sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder de artikelen 2.5
en 2.6 en de toelichting daarop.
§ 4.5.5 Reinigen, lijmen en coaten van metalen (inclusief (delen van)
motorvoertuigen)
In deze paragraaf wordt het reinigen, lijmen en coaten van metalen en
metalen voorwerpen toegelicht. Onder metalen voorwerpen worden hier
tevens voertuigen begrepen. Alleen het wassen van voertuigen en het
afspuiten van pleziervaartuigen zijn voor de duidelijkheid als aparte
activiteit in paragraaf 3.3.2 en paragraaf 4.6.6 opgenomen. Met reinigen
wordt hier bedoeld het schoonmaken en ontdoen van vetten (ontvetten)
Staatsblad 2007 415 258
van metalen met behulp van reinigingsmiddelen. Hieronder worden in
ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
reinigen met organische oplosmiddelen: het reinigen (voornamelijk
ontvetten) met behulp van organische oplosmiddelen. Hieronder worden
in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
– reinigen in open systemen, reinigen in halfgesloten systemen,
reinigen in gesloten systemen;
– reinigen met waterige reinigingsmiddelen. Dit kan zowel met een zure,
neutrale en alkalische middelen, waar al naar gelang de toepassing
surfactanten, dispergatoren, emulgatoren, complexvormers, schuimremmers
en corosie-inhibitoren in voorkomen;- vlamstralen/vlamreinigen:
het reinigen van materialen (staal) door middel van hitte. Door de hete
vlam zal een verschil in uitzetting plaatsvinden tussen het staal en de
walshuid of roest. Het vuil zal daardoor van het oppervlak afspringen,
waarna het losse vuil weggeborsteld wordt. Hieronder wordt nadrukkelijk
niet begrepen het verbranden van verontreinigingen, coatings of andere
materialen;
– elektrolytisch ontvetten van metalen: het ontvetten van metalen met
behulp van elektrolyse. De gasontwikkeling die aan het werkstuk ontstaat,
oefent een vetafsleurende en daardoor intensief reinigende werking uit;
– chemisch ontlakken: het verwijderen van lakken met behulp van
chemicaliën.
Coaten betreft het aanbrengen van organische deklagen op metalen/ het
aanbrengen van een verfraaiende of beschermende laag van organisch
materiaal (verf/lak) op metalen. Hieronder worden in ieder geval de
volgende bewerkingen begrepen: kwast of rollermethoden, spuitmethoden,
gieten, lakwalsen, dompelen, wervelsinteren/poederdompelen,
poederspuiten, spatelen. Onder coaten wordt ook verstaan het tectyleren
van motorvoertuigen.
Met lijmen wordt hier bedoeld het verbinden van metalen met hulp van
lijm of kit. Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen
begrepen: verbinden door het toepassen van dispersielijm of -kit,
verbinden door het toepassen van oplosmiddellijm of -kit, verbinden door
het toepassen van smeltlijm of -kit, verbinden door het toepassen van
chemisch-hardende lijm of kit.
Artikel 4.53
Om overlast van verf- en lijmdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk
te voorkomen moeten coating- en lijmactiviteiten inpandig (binnen het
bebouwde deel van de inrichting) plaatsvinden, indien deze activiteiten
worden uitgevoerd met nevelspuitapparatuur (apparatuur waar onder
druk coating of lijm verneveld wordt). Daarnaast is het ter beperking van
de geuroverlast niet toegestaan om VOS-houdende producten met behulp
van nevelspuitapparatuur in de buitenlucht toe te passen.
Als het vanwege de omvang van het te behandelen object onmogelijk is
deze activiteiten inpandig uit te voeren is dat verbod niet van toepassing.
Onder nevelspuiten wordt niet verstaan het gebruik van spuitbussen en
het gebruik van kleine handmatige vernevelpompjes die worden gebruik
om te ontvetten.
Bedrijven zullen meestal zoveel mogelijk reinigings-, coating- en
lijmwerkzaamheden binnen het bebouwde delen van de inrichting moeten
uitvoeren onder meer vanwege de kwaliteitseisen. In de open lucht
reinigen, coaten of lijmen zal dan ook alleen gebeuren als het onmogelijk
is vanwege de omvang van het object om inpandig te werken. Hierbij
moet worden opgemerkt dat het uitgangspunt moet zijn dat voor de
reguliere werkzaamheden faciliteiten beschikbaar moeten zijn waarbinnen
de producten in het geheel, dan wel in segmenten kunnen worden
samengesteld en behandeld, zodat alleen activiteiten die verband houden
Staatsblad 2007 415 259
met het samenstellen van segmenten en het kleinschalig afwerken en
nabehandelen daarvan, uitpandig plaatsvinden.
Het reinigen waarbij geen vluchtige organische stoffen kunnen
vrijkomen vallen niet onder het verbod. Dit geldt ook voor het coaten en
lijmen dat niet met spuitapparatuur geschiedt. Voor de volledigheid wordt
opgemerkt dat ook werkzaamheden aan panden of apparatuur behorend
tot de inrichting niet onder dit artikel.
Artikel 4.54
Ook bij het inpandig coaten en lijmen met spuitapparatuur moet
voorkomen worden dat verf- en lijmdeeltjes e.d. die geëmitteerd worden
tot overlast kunnen leiden. Daarom wordt in artikel 4.54 verlangd dat de
emissie van vrijkomende deeltjes bij deze activiteiten, voldoet aan een
emissieconcentratie-eis.
In het tweede lid is zijn de activiteiten die in de buitenlucht plaatsvinden
uitgezonderd van de emissieconcentratie-eis omdat de emissies over het
algemeen niet beheerst afgevangen kunnen worden.
Voor deze gevallen zijn in de ministeriële regeling op grond van artikel
4.56 concrete maatregelen opgenomen.
Voor het onderhouden en repareren van pleziervaartuigen in de
buitenlucht zijn de voorschriften opgenomen in de regeling bij de
besbetreffende activiteit.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van de (inpandige) coatingen/
of verfspuitactiviteiten tevens concrete maatregelen opgenomen
waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud, aan de
emissieconcentratie-eisen uit het eerste lid wordt voldaan (zie ook de
toelichting onder paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting van de
ministeriële regeling).
Artikel 4.55
Eerste en zesde lid
Voor een aantal Wm-inrichtingen is het Oplosmiddelbesluit, als
implementatie van Europese regelgeving van toepassing. Dit kunnen
zowel inrichtingen zijn die binnen als buiten de reikwijdte van het
onderhavige besluit vallen. Dit artikel is dus van toepassing op die
inrichtingen die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en buiten de
reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit. Dit artikel is van toepassing op
die inrichtingen die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en buiten
de reikwijdte van het Oplosmiddelenbesluit. Dit artikel is van toepassing
op artikelen die binnen de reikwijdte van dit besluit vallen en de drempelwaarden,
genoemd in bijlage IIa van het Oplosmiddelenbesluit niet
overschrijden. Het Oplosmiddelenbesluit is alleen van toepassing op
vergunningplichtige inrichtingen, om te voorkomen dat op niet-vergunningplichtige
inrichtingen noch dit artikel noch het Oplosmiddelenbesluit
van toepassing is, is in het zesde lid bepaald dat indien de drempelwaarden
van bijlage IIa van dat besluit worden overschreden het
Oplosmiddelenbesluit van overeenkomstige toepassing is.
In de ministeriële regeling zijn concrete maatregelen opgenomen
waarmee invulling gegeven moet worden aan dit artikel. Hierbij moet
gedacht worden aan maatregelen die in het kader van het Project KWS
2000 (zoals opgenomen in paragraaf 3.4 van de NeR) uitgevoerd hadden
moeten worden, en maatregelen die zijn opgenomen in Handboeken
milieumaatregelen van de betreffende bedrijfstakken. Het gaat om
maatregelen zoals het toepassen van producten met zo weinig mogelijk
Staatsblad 2007 415 260
VOS, het gebruiken van applicatiemethoden met een zo laag mogelijke
VOS emissie en het treffen van good-housekeeping maatregelen.
Derde lid
Het Oplosmiddelenbesluit stelt ook eisen aan de drijver van een
inrichting over het boekhouden van het oplosmiddelengebruik. Voor zover
het een inrichting betreft die buiten de reikwijdte van het oplosmiddelenbesluit
valt, worden in het derde lid vereenvoudigde eisen gesteld wat
betreft de oplosmiddelenboekhouding.
Deze boekhouding dient drie doelen. Op grond hiervan is objectief vast
stellen of het oplosmiddelengebruik al dan niet de 1000 kilogram per jaar
overschrijdt zoals bedoeld in het derde lid. Verder draagt een dergelijke
boekhouding bij aan het verbeterde inzicht in het landelijke beeld van de
VOS-emissies. Deze gegevens zijn mede relevant voor het voldoen aan de
NEC-richtlijn. Tenslotte kan mede op de resultaten van deze boekhouding
worden vastgesteld wat als kosteneffectieve en technisch uitvoerbare
VOS-emissiereducerende maatregelen kunnen worden beschouwd.
De eisen zullen in de kern niet meer omvatten dan op transparante wijze
inzicht geven in het gebruik van oplosmiddelen op basis van een in- en
verkoopbalans.
Aannemelijk dient gemaakt te worden dat de maximale hoeveelheid
ingekochte VOS houdende producten per jaar minder dan 1000 kilogram
bedraagt. Als de ingekochte hoeveelheid producten boven de 1000
kilogram ligt, maar vanwege het VOS-gehalte en/of ander gebruik van de
producten dan waarop artikel 4.55 ziet, dan zal een gedetailleerdere
boekhouding nodig zijn. Hierin zal dan een optelling moeten plaatsvinden
van de hoeveelheid ingekochte producten met VOS, vermenigvuldigd met
de afzonderlijke VOS gehalten. Eventuele voorraadverschillen moeten,
mist deze relevant kunnen zijn, meegenomen worden. Indien verbruiken
in mindering worden gebracht van producten die buiten de grens van de
inrichting gebruikt zijn, of gebruikt zijn voor gebouwen en dergelijke
binnen de inrichting, dan moet dit onderbouwd worden. Verder moet de
boekhouding een aaneengesloten periode van 12 maanden omvatten.
Door de introductie van een drempelwaarde voor het VOS verbruik zijn
de verplichte boekhouding en maatregelen uit het Besluit bouw- en
houtbedrijven sterk verminderd. Door deze drempelwaarde zullen de
meeste bedrijven die voorheen bijvoorbeeld onder het Besluit
houtverwerking milieubeheer vielen, maar als nevenactiviteit bijvoorbeeld
wat VOS-houdende coatings op metaal toepassen, geen extra maatregelen
hoeven te treffen. Verder richten de voorschriften zich in dit besluit
alleen op die producten die binnen de inrichting worden toegepast. Het
werken op locatie (buiten de inrichting) valt hier dus buiten. Ook
producten die worden toegepast ten behoeve voor onderhoud aan
apparatuur, panden e.d. die tot de inrichting zelf behoren, vallen hier nu
buiten. Het betreft alleen de bedrijfsmatige activiteit van de inrichting
waarop dit besluit van toepassing is.
Vierde lid
In het vierde lid wordt in dit kader tevens een relatie gelegd met het
Besluit organische oplosmiddelen in verven en vernissen milieubeheer.
Omdat dat besluit eisen stelt aan onder andere VOS gehalten van in de
handel brengen van producten voor schilderwerk op of aan gebouwen
(waaronder ook het in bedrijven coaten van kozijnen, deuren, trappen en
dergelijke) en het overspuiten (schadeherstelling) van motorvoertuigen
wordt er ten aanzien van deze specifieke activiteiten van uitgegaan dat er
buiten good-housekeeping maatregelen, geen verdere maatregelen nodig
zijn ten aanzien van artikel 4.55, eerste lid.
Staatsblad 2007 415 261
§ 4.5.6 Aanbrengen anorganische deklagen op metalen
Algemeen
Het aanbrengen van anorganische deklagen op metalen betreft het
aanbrengen van een verfraaiende of beschermende laag van anorganisch
materiaal (keramiek, emaille, metaallagen) op metalen. Hieronder worden
in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
– Thermisch spuiten, waaronder:
o Vlamspuiten (verhitting door verbranding van een brandstof-zuurstof
mengsel), zoals:
• autogeen draadspuiten;
• autogeen poederspuiten;
• High velocity oxyfuel (HVOF).
o Elektrisch spuiten (verhitting door boogontlading), zoals:
• elektrisch draadspuiten.
o Plasmaspuiten (verhitting door boog, met gasinjectie), zoals:
• plasmaspuiten;
• lage druk plasma spuiten.
– Emailleren.
Schooperen is een vorm van autogeen of elektrisch spuiten waarbij een
corrosiebestendige laag onder hoge druk op het object wordt gespoten.
Deze laag is een legering van gesmolten zink of aluminium. Wanneer deze
legering aangebracht en gestold is, is het object klaar voor verdere
bewerking.
Artikel 4.57
Om overlast van stofdeeltjes naar de omgeving zoveel mogelijk te
voorkomen moet het aanbrengen van anorganische deklagen inpandig
plaatsvinden. Alleen als het onmogelijk is om schoopeerwerkzaamheden
inpandig uit te voeren vanwege de omvang van het te bewerken object, is
het verbod uit het eerste lid niet van toepassing.
Een situatie waarbij het niet mogelijk is om de werkzaamheden
inpandig uit te voeren kan zich bijvoorbeeld voordoen bij constructiebedrijven
waar inpandig geconstrueerde segmenten samengesteld en
eventueel afgewerkt moeten worden tot een zodanig groot object dat dit
in alle redelijkheid niet inpandig kan plaatsvinden. Bedrijven zullen
meestal zoveel mogelijk werkzaamheden inpandig willen uitvoeren onder
meer vanwege de kwaliteitseisen.
Artikel 4.58
De emissie-eisen in dit artikel hebben betrekking op de emissie van
stoffen naar de lucht. De emissies zijn afhankelijk van de gebruikte
techniek en de toegepaste deklaag. De geëmitteerde stoffen kunnen zeer
divers zijn. Daarom worden in dit artikel eisen gesteld aan alle mogelijke
typen stofemissies, die gelden op het moment dat de massastroom (de
vracht van de emissie in gram per tijdseenheid) de genoemde grens
overschrijdt.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie.
Staatsblad 2007 415 262
Artikel 4.58 is ook van toepassing op schoopeerwerkzaamheden in de
buitenlucht die binnen de inrichting, buitenpandig maar binnen een
omkapping worden uitgevoerd zoals omschreven bij de verplichte
maatregelen in de ministeriële regeling. Wanneer de lucht vanuit deze
omkapping wordt afgezogen, moet voldaan worden aan de emissie-eisen,
voordat de lucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd.
§ 4.5.7 Beitsen en etsen van metaal
Algemeen
Het beitsen en etsen van metalen is het behandelen van metalen met
een agressief middel waarbij het metaaloppervlak wordt aangetast met
het doel dit te reinigen (beitsen). Hieronder wordt ook verstaan het
strippen van metaal. Bij het strippen van metalen wordt een metaallaag
volledig verwijderd. Bij een langere blootstelling aan het middel vindt een
diepere inwerking plaats en wordt meer materiaal weggenomen (etsen).
Hieronder worden in ieder geval de volgende bewerkingen begrepen:
kwastbeitsen, dompelbeitsen/-etsen, sproeibeitsen, circulatiebeitsen en
strippen.
Bij het elektrolytisch beitsen en etsen wordt het werkstuk aangesloten
op een stroombron en in een beits/etsvloeistof gedompeld. De
gasontwikkeling die aan het werkstuk ontstaat, zorgt ervoor dat de
oxidehuid op het materiaal beter loslaat.
Artikel 4.60
Emissies naar de lucht bij bedrijven waar metalen en metalen
voorwerpen worden gebeitst en geëtst zullen hoofdzakelijk bestaan uit de
meer «vluchtige» zuren zoals zoutzuur (HCl) en Waterstoffluoride (HF).
Andere zuren die bij beits- en etsprocessen kunnen leiden tot significante
emissies naar de lucht zijn salpeterzuur, zwavelzuur en azijnzuur.
Omdat er zoveel onduidelijkheid bestond over de aard en grootte en
significantie van emissies naar de lucht bij vloeistofbaden bij de
metalectro-industrie, is in opdracht van VROM in 2006–2007 onderzoek
gedaan naar de relevantie van emissies die vrijkomen bij deze processen
(Onderzoek luchtemissies bij vloeistofbaden in de metaalelektro industrie,
deel 1 en 2, Tauw 27 maart 2007). Naar aanleiding van dit onderzoek is
geconcludeerd dat emissies ten gevolge van het beitsen en etsen
significant zijn voor zover de hiervoor genoemde stoffen vrijkomen. In dit
artikel zijn daarom eisen gesteld aan deze emissies, die gelden op het
moment dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per
tijdseenheid) de genoemde grens overschrijdt.
Of deze emissies de grensmassastroom zullen overschrijden, is onder
meer afhankelijk van de grootte van de procesbaden, de procestemperatuur
en de concentraties van de gebruikte vloeistoffen. In de
ministeriële regeling is aangegeven in welke gevallen het treffen van
emissiereducerende maatregelen niet nodig is om te voldoen aan de
emissie-eisen van dit artikel. De hierbij gehanteerde ondergrenzen zijn
bepaald op basis van het eerder genoemde onderzoek van Tauw.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie.
Staatsblad 2007 415 263
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van beitsen en etsen
concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering,
uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratie-eisen in artikel 4.60
wordt voldaan (zie ook de toelichting bij paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze
toelichting van de ministeriële regeling).
Meestal zal een bedrijf eerst bekijken welke bron- of procesgeïntegreerde
maatregelen kunnen worden getroffen om de emissie naar
de lucht te kunnen verlagen. Dit kan bijvoorbeeld door additieven aan de
beits- of etsvloeistof toe te voegen die emissies naar de lucht vanuit het
bad verminderen. Een andere mogelijke bronmaatregel die getroffen kan
worden, is het verlagen van de temperatuur waarop gebeitst en geëtst
wordt.
Deze maatregelen zijn niet als erkende maatregel geformuleerd omdat
niet generiek is vast te stellen welke maatregelen nodig zijn en op welke
zijde deze moeten worden toegepast om in alle gevallen aan de emissieeisen
te kunnen voldoen.
Wanneer een bedrijf alleen bron- en procesgeïntegreerde maatregelen
heeft getroffen om de emissie te reduceren, kan het bevoegd gezag op
grond van artikel 2.8 vragen om aan te tonen dat aan de emissie-eisen
wordt voldaan.
Mogelijke andere (minder vluchtige) beits- en etsmiddelen zullen naar
verwachting bij normale bedrijfsvoering de grensmasastroom niet
overschrijden. Om die reden zijn er ten aanzien van deze middelen geen
emissie-eisen opgenomen.
§ 4.5.8 Elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van metaallagen op
metaal
Algemeen
In deze paragraaf wordt het elektrolytisch aanbrengen van metaallagen
en het stroomloos aanbrengen van metaallagen op metalen en metalen
voorwerpen geregeld.
Bij het elektrolytisch aanbrengen van een metaallaag op een voorwerp
(ook wel galvaniseren genoemd) wordt gebruik gemaakt van een
elektrische stroom en een waterige oplossing met daarin opgeloste
metaalverbindingen (elektrolyt). Hieronder worden in ieder geval de
volgende bewerkingen begrepen: hangwerk, trommelwerk, continu
galvaniseren, tampongalvaniseren.
Bij het stroomloos aanbrengen van metaallagen door een chemisch
proces is geen uitwendige stroomvoorziening nodig. Hieronder worden in
ieder geval de volgende processen verstaan: autokatalytische metaalafscheiding,
dompelneerslag en het contactproces.
Autokatalytisch metaalafscheiding betreft de afscheiding van een
metaallaag door gecontroleerde chemische reductie, die door het
afgescheiden metaal of de afgescheiden legering gekatalyseerd wordt.
Dompelneerslag is de vorming van een metallische deklaag op het
werkstuk door een verdringingsproces, waarbij één metaal een ander
metaal uit een oplossing verdringt.
Het contactproces betreft een afscheiding van een metaalneerslag door
de galvanische werking op een metaalsubstraat, waarbij dit metaalsubstraat
in contact met een ander metaal in een oplossing wordt
gedompeld die een verbinding van het af te scheiden metaal bevat.
Artikel 4.62
Onder de werkingssfeer van dit besluit vallen niet de galvanobedrijven
met een capaciteit die groter is de drempelwaarde van activiteit 2.6 van de
IPPC-richtlijn. Onder de werkingssfeer van dit besluit vallen derhalve de
«kleinere» galvanobedrijven waar het gezamenlijke volume van de
Staatsblad 2007 415 264
procesbaden niet meer bedraagt dan 30 kubieke meter. Daarnaast vallen
ook de bedrijven waar gewerkt wordt met cyanidehoudende baden, met
een totale inhoud van meer dan 100 liter, en de bedrijven die vallen onder
het Besluit risico’s zware ongevallen (BRZO) niet onder de werkingssfeer
van dit besluit.
Emissies naar de lucht zijn voornamelijk te verwachten bij processen
waar een zodanige gas/dampontwikkeling optreedt dat dampen vrijkomen
of aerosolen gevormd worden die toxische/gevaarlijke componenten mee
kunnen voeren. Dit kan onder meer het geval zijn bij elektrolytisch
aanbrengen van metaallagen maar ook bij het inbrengen van lucht in het
bad om het contact te bevorderen tussen de badvloeistof en het werkstuk.
Uit geraadpleegde literatuur zoals de BREF Surface treatment with metals
en twee EPA-rapportages (Verenigde Staten, EPA/626/R-98/002, december
1998 en EPA-450/2-89-002, augustus 1989) blijkt dat bij het aanbrengen
van chroomlagen (hard- en sierverchromen) een overschrijding van de
grensmassastroom (0,5 gram/uur) voor Chroom IV al bij gebruik van vrij
kleine badoppervlakken te verwachten valt. Ook emissies van cadmium
worden in de BREF als relevant benoemd. Het gebruik van cadmium mag
nog slechts in specifieke situaties worden toegepast conform het
Cadmiumbesluit en het Besluit beheer elektrische en elektronische
apparatuur. In Nederland blijkt er in een enkel geval toch nog gecadmeerd
te worden. Om die reden is voor cadmium ook een emissieconcentratie-
eis in dit artikel opgenomen.
In BREF worden ook het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van
nikkellagen en koperlagen genoemd, waarbij mogelijk relevante emissies
kunnen vrijkomen. Uit beperkt beschikbare emissiemeetgegevens en de
geraadpleegde literatuur, waaronder de BREF, Surface treatment with
metals blijkt dat emissies van onder andere koper zodanig laag zijn dat bij
normale bedrijfsvoering en vanwege het toepassen van arbeidsomstandighedenmaatregelen
(zoals bronmaatregelen als het toepassen van een
schuimdeken en het toevoegen van oppervlaktespanningverlangende
stoffen waardoor de emissies naar de lucht worden verminderd) voldaan
wordt aan de emissieconcentratie-eis uit de NeR. In de BREF wordt
aangegeven dat zonder end of pipe-maatregelen voldaan kan worden aan
emissie-eisen conform BBT, waardoor het ook onwaarschijnlijk is dat de
emissieconcentratie-eis zoals die is opgenomen in de NeR wordt
overschreden.
Omdat er zoveel onduidelijkheid bestond over de aard, grootte en
significantie van emissies naar de lucht bij vloeistofbaden bij de
metalectro-industrie, is in opdracht van VROM in 2006–2007 onderzoek
gedaan naar de relevantie van emissies die vrijkomen bij deze processen
(Onderzoek luchtemissies bij vloeistofbaden in de metaalelektro-industrie,
deel 1 en 2, Tauw 27 maart 2007).
Uit fase 1 van het onderzoek: het literatuuronderzoek bleek dat emissies
van chroom VI vanwege het aanbrengen van chroomlagen, en de
emissies van cadmium vanwege cadmeren ook bij toepassing van
kleinere baden al relevant worden beschouwd. Om die reden zijn in fase 2
van het onderzoek geen emissiemetingen uitgevoerd aan deze baden. In
fase 2 van het onderzoek is een selectie gemaakt van processen waarover
twijfel bestond of er relevantie emissies te verwachten zijn. Processen die
niet geregeld worden in het kader van dit besluit zoals processen met
cyanidebaden, zijn niet meegenomen bij de selectie.
Uit de resultaten van de emissiemetingen in fase 2 van het onderzoek
bij de overige processen waarbij elektrolytisch en stroomloos metalen
worden aangebracht op metaallagen bleken de emissies van de verschillende
metalen en zuren dermate laag dat de grensmassastroom voor de
verschillende geëmitteerde stoffen in geen enkel geval werd
overschreden.
Staatsblad 2007 415 265
Naar aanleiding van dit onderzoek is geconcludeerd dat emissies ten
gevolge van het elektrolytisch en stroomloos aanbrengen van chroom- en
cadmiumlagen significant zijn vanwege de emissie van chroom
VI–verbindingen, cadmium of cadmiumverbindingen. In dit artikel zijn
daarom alleen eisen gesteld aan deze emissies, die gelden op het moment
dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid)
de genoemde grens overschrijdt.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder de
artikelen 2.5 en 2.6 en de toelichting daarop.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van het elektrolytisch
aanbrengen van cadmium en chroomlagen concrete maatregelen
opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering, uitvoering en onderhoud,
aan de emissieconcentratie-eisen in artikel 4.62 wordt voldaan (zie
ook de toelichting bij paragraaf 2.4 en de artikelsgewijze toelichting van
de ministeriële regeling).
Meestal zal een bedrijf eerst bekijken welke bron- of procesgeïntegreerde
maatregelen kunnen worden getroffen om de emissie naar
de lucht te kunnen verlagen. Dit kan bijvoorbeeld door additieven aan de
baden toe te voegen die emissies naar de lucht vanuit het bad verminderen.
Deze maatregelen zijn niet als erkende maatregel geformuleerd
omdat niet generiek is vast te stellen welke maatregelen nodig zijn en op
welke wijze deze moeten worden toegepast om in alle gevallen aan de
emissie-eisen te kunnen voldoen.
Wanneer een bedrijf alleen bron- en procesgeïntegreerde maatregelen
heeft getroffen om de emissies te reduceren, kan het bevoegd gezag op
grond van artikel 2.8 vragen om aan te tonen dat aan de emissie-eisen
wordt voldaan.
§ 4.5.9 Drogen van metalen
Artikel 4.64
Het drogen van metalen betreft het verwijderen van vocht van het
oppervlakte van het metaal of de laag die op het metaal is aangebracht.
Drogen kan op verschillende manieren plaatsvinden, al dan niet gecombineerd
of geïntegreerd in andere behandelingen van het oppervlak
Drogen van metalen vindt plaats na bewerkingen zoals lakken, reinigen
en ontvetten, maar ook na het elektrolytisch aanbrengen van metaallagen,
fosfateren/chromateren e.d.
Bij het drogen van metalen – na welke bewerking dan ook – is het
drogen met gebruik van oplosmiddelen (door middel van waterverdringing)
in beginsel niet toegestaan. Het Werkboek Milieumaatregelen
Metaal- en electrotechnische industrie (1998) geeft aan dat vlekvrije
droging zonder gebruik van oplosmiddelen tot de stand der techniek
(BBT) kan worden gerekend. Allereerst dient te worden nagegaan of
vlekvrije droging wel noodzakelijk is. Indien dit het geval is, dan is het
bijvoorbeeld mogelijk demiwater bij de laatste spoelstap te gebruiken,
drogen met lucht, drogen met absorberende materialen en centrifugatie.
Slechts indien een bedrijf aangeeft dat in een heel specifieke situatie het
niet mogelijk is om anders te drogen dan met behulp van oplosmiddelen
Staatsblad 2007 415 266
kan het bevoegd gezag besluiten om het gebruik van oplosmiddelen
onder voorwaarden toe te staan. Een dergelijke situatie zou zich mogelijk
kunnen voordoen bij een bedrijf dat in het verleden reeds geïnvesteerd
heeft in een VOS-emissiereducerend proces voor reiniging van metalen
objecten. Het bedrijf is daarvoor overgeschakeld van een VOS-houdend
procédé naar een alkalisch reinigingsproces. In een heel enkel geval kan
het drogen van een dergelijk nat object na reiniging met bijvoorbeeld
lucht moeilijk zijn, vanwege de vorm van het product en bestaat er de
noodzaak dat een object na droging vlekvrij moet zijn.
§ 4.5.10 Aanbrengen van conversielagen op metalen
Algemeen
Conversielagen zijn hechtende anorganische deklagen op een metaaloppervlak.
Het aanbrengen van een dergelijke hechtende anorganische
deklaag op een metaaloppervlak betekent dat een laag wordt gevormd
door een chemische of elektrochemische reactie tussen bestanddelen van
de badvloeistof en het metaaloppervlak zelf. Het metaal van het te
behandelen werkstuk werkt zelf mee aan de vorming van de deklaag.
Artikel 4.65
Veel voorkomende processen waarbij conversielagen op metalen
worden aangebracht zijn: anodiseren, fosfateren en chromateren. Uit de
geraadpleegde literatuur en een beperkt aantal emissiemeetgegevens,
waaronder de BREF, Surface treatment with metals, blijkt dat hoofdzakelijk
bij het chromateren met chroomzuur relevante emissies van chroomVIverbindingen
kunnen optreden. Omdat er zoveel onduidelijkheid bestond
over aard en grootte van emissies naar de lucht bij vloeistofbaden bij de
metalectro-industrie, is in opdracht van VROM in 2006–2007 onderzoek
gedaan naar de relevantie van deze emissies die vrijkomen bij deze
processen (Onderzoek luchtemissies bij vloeistofbaden in de metaalelektro
industrie, deel 1 en 2, Tauw 27 maart 2007).
Naar aanleiding van dit onderzoek is geconcludeerd dat emissies ten
gevolge van het aanbrengen van conversielagen op metalen significant
zijn voor zover er chroom-VI danwel zwavelzuur bij vrijkomt. In dit artikel
zijn daarom eisen gesteld aan deze emissies, die gelden op het moment
dat de massastroom (de vracht van de emissie in gram per tijdseenheid)
de genoemde grens overschrijdt.
Bij de overige processen waarbij conversielagen worden aangebracht
zijn de emissies naar verwachting dermate klein van omvang dat de
grensmassastroom voor de geëmitteerde stoffen niet wordt
overschreden. Mogelijke andere emissies zullen naar verwachting bij
normale bedrijfsvoering de grensmasastroom niet overschrijden. Om die
reden zijn er ten aanzien van deze processen geen emissie-eisen
opgenomen in dit besluit.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder artikelen
2.5 en 2.6 en de toelichting daarop.
In de ministeriële regeling zijn ten aanzien van conversielagen op
metalen concrete maatregelen opgenomen waarmee, bij juiste dimensionering,
uitvoering en onderhoud, aan de emissieconcentratie-eisen in
Staatsblad 2007 415 267
artikel 4.65 wordt voldaan (zie ook de toelichting onder paragraaf 2.4 en
de artikelsgewijze toelichting van de ministeriële regeling).
Meestal zal een bedrijf eerst bekijken welke bron- of procesgeïntegreerde
maatregelen kunnen worden getroffen om de emissie naar
de lucht te kunnen verlagen. Deze maatregelen zijn niet als erkende
maatregel geformuleerd omdat niet generiek is vast te stellen welke
maatregelen nodig zijn en op welke wijze deze moeten worden toegepast
om in alle gevallen aan de emissie-eisen te kunnen voldoen.
Wanneer een bedrijf alleen bron- en procesgeïntegreerde maatregelen
heeft getroffen om de emissies te reduceren, kan het bevoegd gezag op
grond van artikel 2.8 vragen om aan te tonen dat aan de emissie-eisen
wordt voldaan.
Artikel 4.66
Perfluoroctaansulfonaten(PFOS) is een bio-accumulerende en persistente
stof, die tevens toxisch is voor zoogdieren, en dus ook de mens. Het
wordt met name in chromateringsbaden gebruikt om de emissies van
Chroom VI-verbindingen uit de baden naar de lucht te beperken. Dit in
eerste instantie ten behoeve van gezondheidsomstandigheden op de
werkvloer. PFOS wordt slechts in geringe hoeveelheden aan de baden
toegevoegd. De uiteindelijke lozing naar het milieu is dan ook beperkt,
maar gezien de aard van de stof ongewenst. Bij anodiseren blijkt PFOS
goed vervangbaar door alternatieve middelen hetgeen aanleiding is om
voor deze toepassing het gebruik van PFOS te verbieden. Hiervoor wordt
verwezen naar de BREF «Surface Treatment of Metals and Plastics»
paragraaf 5.2.5.2.
§ 4.5.11 Thermisch aanbrengen van metaallagen op metalen
Algemeen
Bij het thermisch aanbrengen van zinklagen op metalen (verzinken)
wordt het te behandelen werkstuk ondergedompeld in een laag vloeibaar
zink dat na stolling een deklaag vormt.
Artikel 4.68
Ten gevolge van het vloeimiddel dat wordt gebruikt ontstaan
gasvormige emissies van chloriden naar de lucht. Daarnaast komen
stofvormige emissies vrij die onder andere zinkchloride bevatten.
Met de verwijzing naar de artikelen 2.5 en 2.6 wordt voorkomen dat bij
de toetsing aan de grensmassastroom alleen de bij deze activiteit
geëmitteerde stoffen worden beoordeeld. Voor de toetsing aan de
grensmassastroom moet namelijk gekeken worden naar de massastroom
vanuit de gehele inrichting. Verder geldt voor bepaalde stofcategorieën
een sommatiebepaling ten aanzien van de toetsing aan de grensmassastroom
en de beoordeling van de emissieconcentratie. Zie verder de
artikelen 2.5 en 2.6 en de toelichting daarop.
§ 4.5.12 Lozen van afvalwater afkomstig van activiteiten in § 4.5.1 tot en
met § 4.5.11
De emissies van metalen naar het water vormen bij metaalbewerkende
en metaalverwerkende industrie een belangrijk milieuaspect. Afgelopen
decennia zijn deze emissies aanzienlijk gereduceerd, enerzijds door
procesgeïntegreerde maatregelen en anderzijds door behandeling van het
afvalwater met end-of-pipe zuiveringen zoals een ONO-installatie. Bij veel
bedrijven is er geen sprake van een continue afvalwaterstroom, maar
Staatsblad 2007 415 268
vinden de lozingen batchgewijs plaats. Zowel nationaal als internationaal
wordt de voorkeur gegeven aan procesgeïntegreerde maatregelen boven
end-of-pipe maatregelen. Het doorvoeren van procesgeïntegreerde
maatregelen heeft vaak tot gevolg dat de hoeveelheden vrijkomend
afvalwater verminderen en de concentraties aan metalen daarin stijgen.
Cascadespoelen en sproeispoelen zijn hier voorbeelden van. In deze
gevallen zullen concentratie-eisen belemmerend werken op het treffen
van procesgeïntegreerde maatregelen. Door de na te streven restvracht
aan te geven, wordt bedrijven een keuzevrijheid gegeven ten aanzien van
de te nemen maatregelen. Hiermee wordt het nemen van procesgeïntegreerde
maatregelen mogelijk. Het uiteindelijk na te streven doel is
een zoveel mogelijk gesloten kringloop voor de procesbaden met een
minimale emissie naar water.
Deze aanpak is in het verleden uitgewerkt in het CIW-rapport
«Afvalwaterproblematiek bij oppervlaktebehandeling van materialen» van
juni 1997 en is in overeenkomstige vorm opgenomen in het werkboek
metaalelektro. In onderhavig besluit is deze aanpak uitgewerkt in
algemene regels.
Artikel 4.70
Gezien de aard van het afvalwater dat bij de activiteiten genoemd in de
paragrafen 4.5.1 tot en met 4.5.11 vrijkomt, is het uitgangspunt dat
geloosd wordt op het vuilwaterriool. Op grond van artikel 2.2 kan het
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift, onder voorwaarden, lozing op
oppervlaktewater of op of in de bodem toestaan.
Artikel 4.71
Binnen de bedrijfstak worden op diverse plaatsen olieën gebruikt
waardoor oliehoudend afvalwater kan ontstaan. Daartoe is het standaard
voorschrift voor oliehoudend afvalwater opgenomen.
Artikel 4.72
Preventieve aanpak
De onderhavige bedrijfstak is zeer divers zowel qua omvang van de
bedrijven als de aard van de processen, die bij diverse bedrijven
bovendien wisselend plaatsvinden. Tevens is algemeen aanvaard dat de
metaalemissies via het afvalwater het beste met procesgeïntegreerde en
goodhouse-keeping maatregelen beperkt kunnen worden. Het binnen
deze randvoorwaarden uitwerken van concrete doelvoorschriften voor de
verschillende activiteiten onder alle in de praktijk voorkomende omstandigheden
is dan ook niet mogelijk. Daarom is gekozen voor een algemeen
voorschrift dat de emissies van metalen en hulpstoffen zoveel mogelijk
moeten worden beperkt. In de ministeriële regeling is hier als verplichte
maatregel aan gekoppeld dat het bedrijf een gedragsvoorschrift opstelt
waarin wordt aangegeven welke maatregelen genomen worden om de
emissies te beperken. In de ministeriële regeling wordt aangegeven welke
informatie dit gedragsvoorschrift ten minste moet bevatten.
Bij de diverse metaalbewerkende activiteiten worden verschillende
hulpstoffen gebruikt die schadelijk zijn voor het watermilieu. Hierbij kan
gedacht worden aan stoffen als Perfluoroctaansulfonaten (PFOS),
Ethyleendiaminetetra-acetaat (EDTA). Deze stoffen worden in kleine
hoeveelheden in diverse fasen van het proces toegepast en zullen in
zekere mate ook in het te lozen afvalwater geraken. Gezien de wisselende
toepassing van deze stoffen, afhankelijk van het proces, is het niet
mogelijk doelvoorschriften voor deze stoffen te formuleren. Door
zorgvuldig handelen kunnen de emissies van deze stoffen naar het
Staatsblad 2007 415 269
afvalwater echter wel beperkt blijven. Van het bedrijf wordt vereist dat in
het gedragsvoorschrift dat gekoppeld is aan artikel 4.72 wordt aangegeven
waarom bepaalde stoffen, ondanks hun schadelijkheid voor het
watermilieu, toegepast worden en welke maatregelen vervolgens worden
genomen om de emissies zoveel mogelijk te beperken.
Verbod van gebruik van kwik
Kwik is een zwartelijststof waarvan de emissies naar het milieu
maximaal moeten worden beperkt. Het streven is naar een nulemissie.
Omdat in Nederland geen kwik in de oppervlaktebehandeling wordt
toegepast is in dit besluit een verbod op het gebruik van kwik bij
metaalbewerkende en metaalverwerkende processen opgenomen.
Hiermee wordt maximaal aan de beoogde doelstelling voldaan.
Artikelen 4.73 en 4.74
Categorieën van lozers
Metaalbewerking en verwerking wordt op verschillende schaalgroottes
uitgevoerd; van grotere bedrijven die continu een veelvoud van dit soort,
vaak wisselende, activiteiten uitvoeren tot bedrijven die slechts af en toe
op kleine schaal zo’n activiteit uitvoeren. Mede naar aanleiding van
internationale afspraken (commissie van Parijs) worden metaalbewerkende
en verwerkende bedrijven op grond van de potentiële
metaallozingen in ingedeeld in drie categorieën:
1. De relatief grotere lozers hebben gemiddeld per dag een vracht van
meer dan 200 gram metalen in het afvalwater dat het proces verlaat. Dit
betreft het afvalwater dat nog geen eindzuivering heeft gepasseerd. Deze
bedrijven beschikken in het algemeen over een eindzuivering in de vorm
van een ONO-installatie (Ontgiften, Neutraliseren, Ontwateren). Op deze
bedrijven zijn de grenswaarden van kolom A van toepassing.
2. Bedrijven waarbij het afvalwater dat het proces verlaat voor
eindzuivering gemiddeld per dag minder dan 200 gram maar meer dan
80 gram aan metalen bevat. Voor deze bedrijven zijn hogere concentraties
aan metalen in het te lozen afvalwater toegestaan. Met een maatwerkvoorschrift
op grond van artikel 4.74 kunnen concentraties tot de waarden
genoemd in kolom B worden toegestaan.
3. Bedrijven die per dag gemiddeld minder dan 80 gram metalen in het
afvalwater hebben voordat eindzuivering heeft plaats gevonden worden
gezien als kleine lozers. Deze bedrijven kunnen volstaan met procesgeïntegreerde
maatregelen en goodhousekeeping om aan de lozingseisen
voor metalen te voldoen. Dit betreft een lozingseis voor de som van de
metalen (chroom, koper, nikkel, lood, zink, tin en zilver) van 15 milligram
per liter.
Het lozen van metalen die niet genoemd zijn in artikel 4.73
Voor de metalen die niet genoemd zijn in artikel 4.73 zijn in dit besluit
geen specifieke lozingseisen opgenomen. Hierop is artikel 4.72 van
toepassing, hetgeen inhoud dat de lozing van metalen zoveel mogelijk
moet worden beperkt. Dat biedt voldoende aanknopingspunten voor het
bevoegd gezag om te kunnen ingrijpen en om de emissies te beheersen.
Op grond van artikel 2.1 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften
stellen voor het lozen van niet in artikel 4.73 genoemde metalen. Zo kan
een waterkwaliteitsbeheerder een maatwerkvoorschrift stellen voor het
lozen van aluminium of zirkoon indien daartoe een gerede aanleiding is.
Indien een bedrijf toestemming heeft om te werken met cadmium op
basis van het Cadmiumbesluit is het voor de handhaving wenselijk dat er
middels het hiervoor genoemde maatwerkvoorschrift een lozingseis
wordt geformuleerd voor cadmium. Dit maatwerkvoorschrift dient dan
een tijdelijk karakter te hebben om te voldoen aan de Regeling tijdelijke
vergunning voor lozing van zwartelijststoffen.
Staatsblad 2007 415 270
Het toestaan van hogere lozingseisen op grond van artikel 4.74
Er wordt nadrukkelijk naar gestreefd de emissies zoveel mogelijk te
beperken door procesgeïntegreerde en goodhousekeeping maatregelen.
Ten aanzien van bedrijven ondanks toepassing van de best beschikbare
technieken niet aan de grenswaarden volgens kolom A kunnen voldoen
wordt in artikel 4.74 de mogelijkheid geboden om hogere grenswaarden
toe te staan bij maatwerkvoorschrift. Als door middel van procesgeïntegreerde
maatregelen de vracht voldoende wordt beperkt, kunnen
ruimere concentratie-eisen worden toegestaan tot maximaal de waarden
die genoemd zijn in kolom B.
Voor de beoordeling of de vracht in voldoende mate wordt beperkt
wordt de gemiddelde dagvracht na het proces voorafgaand aan de
eindzuivering van 200 gram, hetgeen genoemd is in de aanbevelingen van
de commissie van Parijs uit 1992 betreffende de reductie van emissie van
de elektrochemische behandeling van materialen, als de referentie
beschouwd. Indien de vracht na het proces minder dan 200 gram per dag
bedraagt, kan worden gesteld dat de vracht in voldoende mate wordt
beperkt. Indien de gemiddelde dagvracht boven de 200 gram uitstijgt is
het van belang te weten in hoeverre de vracht nog verder beperkt kan
worden met behulp van de best beschikbare technieken. Daarbij speelt het
kostenaspect een rol. Daarvoor is een tweede mogelijkheid geopend tot
verruiming van de lozingseisen.
In artikel 4.74 is bepaald dat indien de concentratie-eisen in kolom A
niet door toepassing van best beschikbare technieken behaald kunnen
worden er verruiming mogelijk is tot maximaal de waarden die genoemd
zijn in kolom B. Aspecten die veelal een rol kunnen spelen bij het niet
behalen van de concentratie-eisen zijn de discontinuïteit van de lozing en
de aanwezigheid van meerdere metalen in het afvalwater. Voor deze twee
aspecten zijn de aanbevelingen vanuit de commissie van Parijs, CIW of de
BREF duidelijk. In geval van discontinuïteit dient er voldoende buffercapaciteit
geïnstalleerd te worden om de zuivering van het afvalwater
voldoende beheersbaar te maken. Dit kan resulteren in het afvlakken van
de pieken in de belasting van de zuivering tot het batchgewijs opereren
van de zuivering. Ten aanzien van het tweede genoemde aspect, de
aanwezigheid van meerdere metalen in het afvalwater, wordt de aanbeveling
gedaan om afvalstromen gesegregeerd te behandelen. Dit komt
voort uit het feit dat de optimale pH waarbij de metaalhydroxiden
neerslaan in een ONO te veel verschillen zodat gelijktijdige behandeling
tot een suboptimaal resultaat leidt.
Het installeren van voldoende buffercapaciteit en het gesegregeerd
behandelen van afvalwater resulteert in een significante kostenpost. Bij
bestaande bedrijven met een reeds geconfigureerde afvalwaterbehandeling
leidt deze investering veelal tot slechts een marginale
verbetering van het zuiveringsrendement. Om dit voldoende inzichtelijk te
maken dienen in dit verband de jaarlijkse kosten van de zuivering afgezet
te worden tegen de emissiereductie die hiermee wordt bereikt. De
jaarlijkse kosten omvatten onder andere de interest kosten wegens het
vastleggen van kapitaal, de operationele kosten zoals water, elektriciteit en
grondstoffen en de daarop in mindering gebrachte kostenbesparingen.
Dit was op soortgelijke wijze vastgelegd in het CUWVO-rapport,
Afvalwaterproblematiek bij oppervlaktebehandeling van materialen, juni
1997 en het werkboek Metalelektro, waarbij als kosteneffectiviteitdrempel
een bedrag van 300 gulden per kilogram emissiereductie aan zware
metalen is aangehouden (prijspijl 1985, zou anno 2006 overeenkomen met
ongeveer 200 euro). Op deze wijze wordt gewaarborgd dat de vracht aan
metalen die geloosd wordt maximaal zijn beperkt en stringente grenswaarden
hier niet belemmerend op werken.
Staatsblad 2007 415 271
Indien de vracht aan metalen na het proces, voor eindzuivering, is
teruggebracht naar het niveau van 80 gram per dag kunnen aanvullende
maatregelen niet kosteneffectief haalbaar worden geacht. Dit kan het
geval zijn bij bedrijven die op vergaande wijze de afvalwaterbehandeling
hebben geoptimaliseerd of bij heel kleine bedrijven.
Indien met behulp van metingen en berekeningen of schattingen
aannemelijk gemaakt kan worden dat de vracht minder is dan 80 gram per
dag en de som van de genoemde metalen in een representatief etmaalmonster
niet meer dan 15 milligram per liter bedraagt dan wel indien de
som van de genoemde metalen in een steekmonster niet meer dan 45
milligram per liter bedraagt, kan het bevoegde gezag instemmen met het
lozen van afvalwater dat vrijkomt bij de processen als bedoeld in de
paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift toestaan.
In artikel 6.33 is met betrekking tot deze activiteiten overgangsrecht
opgenomen.
Afdeling 4.6 Activiteiten met betrekking tot motoren, motorvoer- en
vaartuigen en andere gemotoriseerde apparaten
§ 4.6.1 Lozen van afvalwater (algemeen)
Artikel 4.75
Olievoorschrift
Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van
20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan
worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken
volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze binnen het
bedrijf, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling
in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden. Een werkwijze die
hier in extremo aan voldoet zijn de «droge» reinigingsmethoden, die
steeds meer ingang vinden binnen de branche. Hierbij wordt het ontstaan
van oliehoudend afvalwater voorkomen hetgeen uiteraard een betere
optie is dan het naderhand zuiveren.
Onze Minister is, naar aanleiding van Kamervragen, per brief d.d.
10 oktober 2000 (vrom000823) ingegaan op de normstelling voor de lozing
van oliehoudend afvalwater, die met dit besluit niet gewijzigd wordt.
Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt
als het afvalwater geleidt wordt door een olie-afscheider en slibvangput
die voldoen aan en worden gedimensioneerd, geplaatst, gebruikt en
onderhouden overeenkomstig NEN-EN 858-1 en 2. Voorwaarde is wel, dat
de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden
beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water.
Gebleken is dat bij een goed gebruikte en gedimensioneerde afscheider
en slibvangput de concentratie olie onder de waarde van 200 milligram
per liter zal blijven. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze binnen
de inrichting ten aanzien van keuze reinigingsmiddel en wijze toepassing
hogedrukreiniger, zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet
onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. De norm van
200 milligram per liter dient dus ter controle van de goede werking van de
afscheider, en geeft niet het te allen tijde milieuhygiënisch aanvaardbare
gehalte aan olie aan.
Het gemiddelde oliegehalte zal bij het voldoen aan deze norm
aanzienlijk lager zal liggen. De reden waarom bij toepassing van een goed
gedimensioneerde, geplaatste, onderhouden en gebruikte combinatie van
slibvangput en olie-afscheider getoetst wordt aan hogere concentratiewaarde
in enig monster ligt in het feit, dat tegenover het nadeel van een
iets hogere vracht aan olie in het afvalwater het voordeel staat, dat een
goed gedimensioneerde, geplaatste, onderhouden en gebruikte combi-
Staatsblad 2007 415 272
natie van slibvangput en olie-afscheider wat betreft het geheel aan
nadelige gevolgen voor het milieu goed scoort. Dit heeft vooral te maken
met de betrekkelijk geringe productie aan slib (er worden geen chemicaliën
aan het water toegevoegd). In de praktijk zal dus het verschil tussen
de geloosde vracht aan olie lager zijn dan het verschil tussen de 200 en
20 milligram per liter norm suggereert.
Goed onderhoud van de slibvangput en de olieafscheider omvat het
tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van
geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afscheiden olie
en slib exact aan de orde moet zijn kan afhankelijk van het type afscheider
verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte
worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met
slib/zand.
Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te
waarborgen dient bij alle afscheiders naast het zo nodig verwijderen van
olie en slib eens per jaar – behalve indien dit naar de mening van het
bevoegd gezag niet noodzakelijk is – de afscheider volledig geleegd en
gereinigd te worden en onderzocht te worden op aantasting en andere
gebreken. Gebleken gebreken dienen zo spoedig mogelijk verholpen te
worden.
Specifiek voor de lozing vanuit motorrevisiebedrijven zijn aanvullende
eisen opgenomen gebaseerd op de CIW-nota auto en aanverwante
bedrijven. Belangrijk is dat het gebruik van gechloreerde koolwaterstoffen
zo veel mogelijk moet worden beperkt. Worden deze stoffen toch gebruikt
dan heeft afvoer naar een erkende verwerker de voorkeur.
§ 4.6.2 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Artikel 4.76
Relatie met het besluit luchtkwaliteit
Bij parkeergarages is vooral de verkeersaantrekkende werking van
invloed op de uitvoering van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Hiermee moet
al bij de bestemmingsplanfase rekening worden gehouden. In dit besluit
is hierover niets geregeld. Wanneer door de emissie van benzeen uit de
parkeergarage de luchtkwaliteitsnormen voor benzeen in het Besluit
luchtkwaliteit 2005 worden overschreden dan kan met behulp van een
maatwerkvoorschrift verdergaande eisen worden opgenomen ten aanzien
van de beperking van emissie van benzeen en ten aanzien van de
situering van de uitblaasopening. Ten aanzien van parkeergarages zijn in
de ministeriële regeling voorschriften worden opgenomen die sterk
overeen komen met de bepalingen uit de oude artikel 8.40-besluiten. In de
ministeriële regeling zijn onder meer eisen opgenomen ten aanzien van
de ventilatie in een parkeergarage, locatie uitblaasopeningen en de
geurbelasting.
§ 4.6.3 Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen
In deze paragraaf is zijn de milieuvoorschriften ten aanzien van de
activiteit: «Afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen»
opgenomen. De artikelen zijn gebaseerd op het Besluit jachthavens.
Inrichtingen voor afleveren van vloeibare brandstoffen aan beroepsvaartuigen
vallen niet onder dit besluit. Let wel: als in een jachthaven
incidenteel een rondvaarboot of ander beroepsvaartuig tankt, is er nog
geen sprake van een inrichting voor het afleveren van vloeibare brandstoffen
aan beroepsvaartuigen.
Staatsblad 2007 415 273
Dit besluit stelt in overeenstemming met de werkingssfeer van het
besluit jachthavens alleen eisen aan het afleveren van vloeibare brandstoffen
voor de pleziervaart. Door het loslaten van de koppeling met de
jachthaven zelf, kan ook een zelfstandig bunkerstation onder dit besluit en
dit voorschrift vallen, mits het bedoeld is voor de pleziervaart. Overigens
zal het op grond van de voorschriften in de ministeriële regeling wel
moeten gaan om een bemand station. Ten aanzien van de in deze
paragraaf genoemde activiteit worden zowel in dit besluit als in de (nog te
publiceren) bijbehorende ministeriële regeling regels gesteld ten aanzien
van het afleveren van vloeibare brandstoffen aan vaartuigen. Ten aanzien
van de opslag van vloeibare brandstoffen (en ook het vullen) in ondergrondse
dan wel bovengrondse tanks worden in paragraaf 4.1.3 en de
ministeriële regeling regels gesteld.
Artikel 4.77
Dit artikel is opgenomen om de risico’s voor personen die in de
nabijheid van het bunkerstation ophouden te beperken. Door het RIVM is
een onderzoek uitgevoerd naar de risico’s van de opslag van benzine en
andere vloeibare brandstoffen in een bunkerstation (Risico-analyse
brandstofpontons, RIVM, november 2000). Uit dat onderzoek is gebleken
dat een afstand van ten minste 20 meter van de randen van het bunkerstation
tot plaatsen waar personen zich langdurig kunnen ophouden of
waar personen kunnen overnachten of anderszins rusten moet worden
gehanteerd. De afstand van 20 meter heeft te maken met de gevolgen van
een vloeistofbrand en geldt daarom alleen voor het verblijf op het water.
Vanaf het bunkerstation richting interne en externe objecten op de wal
gelden geen afstanden.
Handelingen die direct verband houden met het afleveren van
brandstof, het vullen van de voorraadtanks of onderhoud en reparatie van
de installatie en handelingen die direct betrekking hebben op het afmeren
dan wel vaarklaar maken van open pleziervaartuigen zijn binnen deze
veiligheidszone uiteraard wel toegestaan. Om voor de houder van het
bunkerstation en de drijver van de jachthaven toch de mogelijkheid te
bieden de ruimte binnen deze veiligheidszone als ligplaatsen te benutten,
kunnen hier wel handelingen worden verricht die betrekking hebben op
het afmeren dan wel vaarklaar maken van open pleziervaartuigen.
Ligplaatsen voor kajuitboten zijn derhalve binnen deze zone van 20 meter
niet toegestaan, omdat controle op verblijf aan boord in dat geval niet
voldoende mogelijk is.
Artikel 4.78
In dit artikel wordt voorgeschreven dat bij een afleverpunt voor
brandstof aan vaartuigen voldoende hulpmiddelen aanwezig zijn voor de
bestrijding van een verontreiniging van het oppervlaktewater. Daarbij gaat
het om hulpmiddelen bedoeld om de gevolgen van bijvoorbeeld een
oliemorsing op het oppervlaktewater te beperken. Gedacht kan worden
aan absorptiemateriaal, oliebooms, enzovoort.
Afleverinstallaties voor benzine of gasolie in jachthavens die in rivier- en
getijdengebieden zijn gelegen, moeten zijn uitgevoerd met voorzieningen
die de werking van de installatie waarborgen bij hoge en lage waterstanden.
Het gaat hierbij om voorzieningen, zoals een langere ontluchtingsleiding
om te voorkomen dat de tank volstroomt met water, een klep
in de zuigleiding, het aanbrengen van betonfundatie tegen opdrijven. Op
grond van het derde lid kan bij maatwerkvoorschrift nadere invulling
worden gegeven aan de hoeveelheid en het soort hulpmiddelen dat
aanwezig moet zijn voor de bestrijding van een verontreiniging van het
oppervlaktewater. Dat kan aan de orde zijn indien in verband met de aard
of de ligging van de installatie niet op voorhand duidelijk is welke
Staatsblad 2007 415 274
hulpmiddelen het meest zijn aangewezen. Het bevoegd gezag kan die
onduidelijkheid wegnemen door het stellen van een maatwerkvoorschrift
hieromtrent.
§ 4.6.4 Afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen
gebruik en niet-openbare verkoop aan derden voor motorvoertuigen voor
het wegverkeer
In deze paragraaf zijn milieuvoorschriften ten aanzien van de activiteit:
«Afleveren van vloeibare brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik»
opgenomen. De artikelen zijn gebaseerd op de voorschriften zoals
opgenomen in een aantal besluiten milieubeheer, zoals het Besluit bouwen
houtbedrijven milieubeheer, het Besluit opslag en transportbedrijven
milieubeheer en op een aantal punten aangevuld met voorschriften uit het
Besluit tankstations milieubeheer, en vervolgens waar nodig geüniformeerd.
Daar waar dat relevant is, is onderscheid gemaakt tussen
grootschalig en kleinschalig afleveren van vloeibare brandstoffen en
aardgas voor eigen gebruik. Zo zijn in lijn met het Besluit tankstations
milieubeheer voor het afleveren van benzine boven een doorzet van
500 kubieke meter per jaar dampretour stage II-voorzieningen verplicht
gesteld. Voor bestaande installaties is een overgangstermijn van 5 jaar
opgenomen (artikel 6.34).
Ten aanzien van de in deze paragraaf genoemde activiteit worden zowel
in dit besluit als in de (nog te publiceren) bijbehorende ministeriële
regeling regels gesteld ten aanzien van het afleveren van vloeibare
brandstoffen en aardgas voor eigen gebruik. Ten aanzien van de opslag
van vloeibare brandstoffen (en ook het vullen) in ondergrondse dan wel
bovengrondse tanks worden in paragraaf 3.3.5, paragraaf 4.1.3.2 en in de
ministeriële regeling regels gesteld.
Artikel 4.81
In dit artikel is de activiteit afleverstations van gecomprimeerd aardgas
opgenomen. De verwachting is dat het gebruik van aardgas voor eigen
gebruik bij bijvoorbeeld busmaatschappijen in de toekomst zal toenemen.
In deze afstandsbepaling is aansluiting gezocht bij de objecten die ten
aanzien van externe veiligheid in het Besluit LPG-tankstations milieubeheer
in vergelijkbare situaties beschermd worden.
§ 4.6.5 Onderhouden en repareren van motoren, motorvoertuigen en
andere gemotoriseerde apparaten en proefdraaien van motoren
Artikel 4.84
In het kader van het doelmatig beheer van afvalstoffen is het niet
wenselijk dat inrichtingen die onder dit besluit vallen, autowrakken nuttig
toepassen of verwijderen. Nuttig toepassen of verwijderen van
autowrakken valt onder het verwerken van afvalstoffen waarvoor
vergunningplicht blijft gelden op grond van de bijlage, categorie ll, vierde
bolletje.
Een uitzondering is gemaakt voor de opslag van ten hoogste 4
autowrakken bij een inrichting voor onderhoud en reparatie van motorvoertuigen,
omdat het in de praktijk vaak voorkomt dat de laatste eigenaar
of houder zijn autowrak afgeeft aan een dealer-, garage- of schadeherstelbedrijf.
Dat bedrijf moet een dergelijk wrak tijdelijk kunnen opslaan.
Het is niet zo dat een inrichting voor onderhoud en reparatie van
motorvoertuigen vergunningplichtig is indien er meer dan 4 wrakken
aanwezig zijn. Dat bedrijf zal de (overtollige) wrakken moeten afvoeren of
een vergunning moeten aanvragen voor het opslaan, bewerken,
Staatsblad 2007 415 275
verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken. Zie hiervoor de
bijlage, categorie ll.
Eveneens uit praktische overwegingen is een uitzondering gemaakt
voor het geval dat de laatste particuliere eigenaar of houder (degene die
zich als eerste van een autowrak ontdoet) het dealer-, garage- of schadeherstelbedrijf,
anders dan in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf,
vraagt om bepaalde accessoires, zoals een autoradio, een trekhaak of een
lichtmetalen velg, van het autowrak te demonteren met het doel om die
accessoires opnieuw te gebruiken ten behoeve van een ander motorvoertuig
waarvan hij de eigenaar of houder is. In de praktijk komt dat veel
voor en dit stuit niet op milieuhygiënische bezwaren. Met de laatste
particulier eigenaar of houder wordt in dit verband bedoeld de particuliere
eigenaar of houder die zich als eerste van het autowrak ontdoet en niet
een garage- of schadeherstelbedrijf dat een autowrak ontvangt en als
zodanig eigenaar of houder van dat autowrak wordt. Het verwijderen van
accessoires voor hergebruik onder deze randvoorwaarden valt binnen de
uitzondering van de bijlage, categorie ll, vierde bolletje, onder i.
Met het proefdraaien wordt bedoeld het proefdraaien in het kader van
motorrevisie en het draaien tijdens onderhoud of reparatie van een motor
of motorvoertuig. Ook het proefdraaien dat vereist is voor de APK valt
hieronder. Het starten en stoppen van een motorvoertuig om te laten zien
dat hij het doet of het opwarmen van een dieselmotor vallen hier niet
onder.
§ 4.6.6 Onderhouden en repareren van pleziervaartuigen
Artikelen 4.85 en 4.86
Bij onderhoud en reparatie van pleziervaartuigen vinden verschillende
activiteiten met hout, kunststof of metaal plaats die terugkomen onder
andere afdelingen. Zo kan er sprake zijn van mechanische bewerking van
hout, kunststof of metaal (paragraaf 4.3.1, 4.4.1 of 4.5.1), het lassen van
metalen (paragraaf 4.5.2), het coaten van hout, kunststof of metaal
(paragraaf 4.3.2, 4.4.2 of 4.5.5) en het proefdraaien van motoren
(paragraaf 4.6.5). Op de winterberging van jachthavens vinden dergelijke
werkzaamheden vaak door derden plaats. In lijn met het Besluit jachthavens
gelden voor deze werkzaamheden door derden andere bepalingen
wanneer deze werkzaamheden in principe binnen (in een werkplaats) of in
de buitenlucht plaats vinden. In afwijking van paragraaf 4.3.1, 4.4.1, 4.5.1
en 4.5.2 kan vanwege de kleinschaligheid mechanische bewerking van
hout, kunststof en metaal en het lassen op de winterberging in de
buitenlucht plaats vinden. Anders dan in paragraaf 4.3.2, 4.4.2 en 4.5.5
vindt het coaten door middel van nevelspuiten zonder uitzonderingen in
een daartoe bestemde ruimte plaats. Voor het proefdraaien «op de kant»
geldt dat dit in een daartoe bestemde ruimte plaats vindt; dit is geen
afwijking van paragraaf 4.6.5. Andere onderhoudswerkzaamheden mogen
buiten plaats vinden. Overigens zijn bij de werkzaamheden door derden
op de winterberging vaak bodembeschermende en andere voorzieningen
nodig. De voorschriften hiervoor zijn te vinden in de ministeriële regeling.
Afdeling 4.7 Activiteiten met betrekking tot papier en textiel
§ 4.7.1 Ontwikkelen en afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 4.89
De voorschriften uit dit artikel zijn overgenomen uit het Besluit
detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer. Daarbij wijkt dit artikel
Staatsblad 2007 415 276
in één opzicht af van de van het voorschrift in het Besluit detailhandel en
ambachtsbedrijven milieubeheer. De lozingseis van 1 milligram per liter
aan zilver bij een gebruik van minder 700 liter fixeer per jaar is vervallen
omdat bij gebruik van waterbesparende maatregelen de lozingseis van
1 milligram per liter niet altijd kosteneffectief gerealiseerd kan worden.
§ 4.7.2 Zeefdrukken
Artikel 4.90
Met de voorschriften die zijn opgenomen in dit artikel zijn de belangrijkste
maatregelen uit module 120 Zeefdruk van het Handboek grafische
industrie en verpakkingsdrukkerijen overgenomen. Een aantal maatregelen
is opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling. Het gaat dan
met name om het verbod op schoonmaak- en verdunningsmiddelen met
di- of trichloormethaan of vluchtige monoaromaten (maatregel 120.1 van
het handboek) en K1-reinigingsmiddelen (maatregel 120.1a van het
handboek), en om de verplichting om voor het bedrukken van papier of
karton met een gewicht van 135 gram per vierkante meter of meer en
bestemd voor binnentoepassingen inkten toe te passen met een
maximaal VOS-gehalte van 150 gram per kilogram product (maatregel
120.2a van het handboek). Stoffen zoals di- of trichloormethaan houdende
of monoaromaathoudende schoonmaak- en verdunningsmiddelen die
vanwege hun giftigheid niet gebruikt mogen worden mogen overigens
ook niet naar de lucht worden uitgestoten of geloosd op grond van artikel
4.94 en de algemene zorgplicht.
Een aantal maatregelen uit het handboek is niet opgenomen, maar kan
wel een goede invulling zijn van de algemene zorgplichtbepaling. Het gaat
dan bijvoorbeeld om aanbevelingen zoals het niet gebruiken van emulsies
met chroomzouten (maatregel 120.9 van het handboek), het gebruik van
biologisch afbreekbare ontvettingsmiddelen (120.10), het gebruik van
ontvettingsmiddelen zonder organisch oplosmiddel (120.11) en voorzieningen
voor het goed leegmaken van inktblikken (maatregel 120.13-14 van
het handboek).
Maatregelen die zich alleen richten op afvalpreventie (maatregel 120.12
en maatregel 120.15-17 van het handboek) zijn niet overgenomen.
Maatregel 120.2/120.3 (Waar mogelijk verder toepassen van
oplosmiddelarme inkten) leent zich niet voor dit besluit. In geval van
geurhinder kan bij maatwerk naar oplosmiddelarme inkten gekeken
worden. In het algemeen is geregeld dat zeefdrukkerijen met een
VOS-emissie groter dan 10 ton vergunningplichtig blijven. Bij bedrijven
met een groot VOS-verbruik ligt het voor de hand dat naar verdere
VOS-maatregelen gekeken wordt. Bij een jaarlijkse emissie kleiner dan
10 ton hoeft alleen naar zijn maatregelen voor VOS uit inkten gekeken te
worden als er sprake is van geurhinder.
Eerste en tweede lid
Deze leden komen overeen met maatregel 120.1b en 120.21 uit het
handboek milieumaatregelen grafische industrie en verpakkingsdrukkerijen.
Naast de eindreiniging is er nog de kleinschalige tussenreiniging
of spookbeeldverwijdering. Hiervoor mogen nog wel vluchtige
koolwaterstoffen worden gebruikt. Het handboek noemt nog de
mogelijkheid reinigingsmiddelen te gebruiken met een vlampunt groter
dan 100 graden Celsius. Deze voorwaardelijke maatregel is niet algemeen
verplicht te stellen.
Derde lid
Voor registratie van VOS wordt aangesloten bij de grenzen bij andere
activiteiten; meestal is dit 500 kilogram VOS per jaar, maar voor de
Staatsblad 2007 415 277
eenvoud is hier een grens in inktverbruik opgenomen. Alleen de totale
hoeveelheid VOS hoeft te worden bijgehouden. Doel van de registratie is
vooral controle van de bovengrens. Daarnaast kan hier bij geurproblemen
gebruik van worden gemaakt. Maatregelen ter voorkoming van geurhinder
bij zeefdruk zijn te vinden in de ministeriële regeling (zie artikel
4.93).
Artikel 4.91 en 4.92
De zeefdrukvorm bestaat uit een gaas dat gedeeltelijk is afgedicht met
behulp van een uitgeharde emulsie. De niet-afgedichte delen laten inkt
door. Zeefdrukramen worden meestal meermalen gebruikt. Na het
drukken wordt de inkt met oplosmiddelen verwijderd. Om de vorm weer
voor een volgende drukgang te kunnen gebruiken wordt het zeefdruksjabloon
gestript door de emulsie te verwijderen met natriumperjodaat en
water. Vervolgens wordt het zeefdrukraam vaak nabehandeld voor de
verwijdering van hardnekkige inktresten en «spookbeelden» en daarna
met behulp van water nagespoeld. Als het scheiden van de inktverwijdering
en het strippen van het sjabloon onzorgvuldig gebeurt,
kunnen inkt en oplosmiddelen in het afvalwater terechtkomen. Dit moet
worden voorkomen.
Het lozen van waterige en UV-inkten moet net zo goed worden
voorkomen als dat van oplosmiddelhoudende inkten. Voor reiniging van
de zeefdrukramen die vervuild zijn met waterige en UV-inkten gelden
daarom dezelfde regels als voor degene, die vervuild zijn met
oplosmiddelhoudende inkten.
Indien bij het vervaardigen van het zeefdruksjabloon fotografische
filmen worden gebruikt zijn voor het ontwikkelen van de fotografische film
de bepalingen uit de gelijknamige activiteit van toepassing.
Emissiebeperkende maatregelen
Emissies naar water tijdens het reinigen van zeefdrukramen dient zoveel
mogelijk te worden voorkomen door het verwijderen van inkt en het
strippen van de sjabloon procesmatig te scheiden.
Minimaliseren vracht
Dit is mogelijk door het uitvoeren van eenvoudige technische en
organisatorische maatregelen. De meest voor de hand liggende maatregel
is schoonmaken in stappen. Dat wil zeggen:
1. zoveel mogelijk inkt wegschrapen;
2. met weinig water spoelen; het sterk verontreinigde water dat hierbij
ontstaat, mag niet worden geloosd, maar moet worden verwijderd als
gevaarlijk afval;
3. met veel water spoelen, het nu vrijkomende spoelwater:
lozen;
voor zover mogelijk gebruiken voor de activiteiten onder stap 2 of
voor zover mogelijk gebruiken voor het aanlengen van nieuwe inkt; dit
is alleen mogelijk als het spoelwater geen zeepresten bevat.
Het algemene zorgplichtartikel van dit besluit wordt als afdoende
beschouwd om het minimaliseren van de vracht door de drijver van de
inrichting voor te schijven. Tevens wordt verondersteld dat dit zorgplichtartikel
het handhavend optreden mogelijk maakt bij handelen in strijd met
dit zorgplichtartikel.
Lozing van spoelwater
Bij schoonmaakwerkzaamheden komt spoelwater vrij met mogelijk
daarin waterige inkt. De stoffen in de inkt zijn meestal milieubezwaarlijk
voor water, met name vanwege de slechte afbreekbaarheid en meestal
Staatsblad 2007 415 278
niet vanwege de toxiciteit ofwel giftigheid. Lozen van deze restanten kan
daarom meestal niet worden toegestaan. Tegen het lozen van spoelwater
met slechts geringe hoeveelheden inkt bestaat veelal geen bezwaar. Er
zijn echter uitzonderingen hierop. Leveranciers kunnen dit op productniveau
toetsen met behulp van het Toetsingsschema voor water.
Milieu-informatie
Leveranciers zijn op grond van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit
Wet milieugevaarlijke stoffenverplicht bij hun producten productveiligheidsbladen
met milieu-informatie te leveren. Deze informatie moet
duidelijk maken of een stof geloosd mag worden en op welke wijze een
stof in de afvalfase verwijderd moet worden (als bedrijfsafval of als
gevaarlijk afval).
Voor deze laatste vraag kunnen bedrijven ook uitgaan van de Europese
afvalstoffenlijst (bijlage bij beschikking nr. 2000/532/EG van de Commissie
van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2000 houdende vaststelling
van een lijst van afvalstoffen). Leveranciers zijn meestal niet zelf fabrikant.
Toepassing van het toetsingsschema voor water (zie verderop) vraagt alle
informatie, die zij van hun veelal buitenlandse toeleveranciers kunnen
verlangen. Dit zijn informatiebladen die door de leveranciers aan
afnemers moeten worden verstrekt. De EG heeft in 1991 de richtlijn
91/155/EEG gepubliceerd met eisen Productveiligheidsbladen voor de
uitgifte en samenstelling van productveiligheidsbladen. Deze richtlijn is
aangepast conform de nieuwe EG-richtlijn (2001/58/EG). De Produktveiligheidsbladen
bevatten onder meer informatie over de samenstelling
en de fysische eigenschappen van hulpstoffen zoals kookpunt, zuurgraad
en vlampunt. Tevens wordt op deze bladen veel informatie over arbeidshygiëne
gegeven.
Leveranciers voor grafische hulpstoffen zullen op deze bladen uitgebreide
milieu-informatie verstrekken.
Toetsingsschema voor water
De noodzaak om informatie over stoffen te leveren is wettelijk verplicht.
In mei 2000 is door de CIW de Algemene Beoordelingsmethodiek voor
stoffen en preparaten in het kader van de uitvoering van het emissiebeleid
water vastgesteld (ABM). Deze ABM sluit aan op de Europese Preparatenrichtlijn
(1999/45/EG). Hiermee wordt de informatieverschaffing, met name
uit het buitenland gemakkelijker. Met de ABM kunnen leveranciers elke
hulpstof op loosbaarheid beoordelen.
Aan de hand van de eigenschappen van de stof kan het potentiële
milieugevaar worden ingeschat. Naarmate het potentiële milieugevaar
hoger is, moet een zwaardere inspanning worden getroffen om emissies
te voorkomen of te verminderen. De milieubezwaarlijkheid van preparaten
wordt afgeleid aan de hand van de eigenschappen van de in het preparaat
voorkomende componenten (stoffen). Dit betekent dat voor de componenten
waaruit een preparaat is samengesteld de ABM afzonderlijk moet
worden uitgevoerd. De beoordeling van het preparaat wordt bepaald op
grond van de beoordeling van de verschillende componenten van het
preparaat en de hoeveelheid van deze componenten in het preparaat. De
systematiek hiervoor is ontleend aan de conventionele methode uit de
Preparatenrichtlijn, waarbij gebruik wordt gemaakt van concentratiegrenzen.
De ABM deelt stoffen/preparaten in drie categorieën in. Aan elke
categorie is een «gewenste saneringsinspanning» (A, B of C) gekoppeld.
Saneringsinspanning A wil zeggen: in principe niet lozen; zo ja, dan
toepassen van beste bestaande technieken. Voor B geldt: lozing minimaliseren;
toepassen van best uitvoerbare technieken. Voor C geldt: lozing
minimaliseren.
Staatsblad 2007 415 279
Voor de zeefdrukkerijen kunnen stoffen en preparaten met saneringsinspanningen
B of C, met in acht neming van de voorschriften die volgen uit
dit besluit, «loosbaar» worden verondersteld.
Toepassing van de ABM vereist grondige kennis van receptuur en
stofeigenschappen. Van leveranciers wordt verlangd deze kennis middels
de veiligheidsinformatiebladen door te geven aan de gebruikers.
In sommige gevallen zou het toetsingsschema onterecht tot het oordeel
«loosbaar» kunnen leiden. Tot een verbod op lozing leiden in elk geval de
aanwezigheid van carcinogene (kankerverwekkende) of mutagene
(genetische veranderingen aanbrengende) componenten. In de
leveranciersinformatie blijven concentraties kleiner dan 0,1% echter
buiten beschouwing. Van leveranciers en gebruikers behoort niet geëist te
worden dat zij informatie verschaffen over componenten die in kleinere
concentraties dan 0,1% in de hulpstof aanwezig kunnen zijn. Dergelijke
informatie is in de regel bij hen niet beschikbaar en kan dus niet als
voorwaarde voor het toestaan van lozing dienen. Het eventueel in
afwijking van het toetsingsschema verbieden van lozing zal door het
bevoegd gezag dan ook op andere bronnen van informatie moeten
worden gestoeld.
Maatwerk
Het bevoegd gezag kan het lozen van afvalstoffen of spoelwater
verbieden of beperken indien dit in het belang is van de bescherming van
de zuiveringstechnische werken of het milieu. Hiertoe kan het bevoegd
gezag gebruik maken van een maatwerkvoorschrift op basis van het
zorgplichtartikel (artikel 2.1). Dit is bijvoorbeeld mogelijk bij lozing van
ongebruikelijk grote hoeveelheden, bij een zuiveringsinstallatie die om
technische redenen afwijking van de regels nodig maakt of als het
toetsingsschema aantoonbaar onterecht tot oordeel «loosbaar» leidt.
Hulpstoffen
Dit zijn stoffen die in de productie worden gebruikt, in het bijzonder de
niet te bedrukken materialen. Het betreffen hier alleen grondstoffen die
worden gebruikt in de productie en niet die welke in kantoor, kantine,
laboratorium of technische dienst worden toegepast.
Spoelen emballage
Emballage van sommige chemicaliën kan gespoeld worden. Deze
gespoelde emballage kan dan zonder bezwaar als bedrijfsafval worden
afgevoerd. Het spoelwater dat hierbij vrijkomt, dient volgens de in de
Milieu-informatie leveranciers aangegeven methode behandeld te
worden. Als het de emballage betreft van hoofdzakelijk fotovloeistoffen en
plaatontwikkelaar, dan is spoelen van emballage alleen zinvol als het
vrijkomende spoelwater óf gebruikt wordt voor verdunnen, óf volgens de
Milieu-informatie leveranciers geloosd mag worden.
§ 4.7.3 Overige druktechnieken
Artikel 4.94
De voorschriften van dit artikel zijn onveranderd overgenomen uit de
oude 8.40-besluiten. Ten opzichte van het besluit Detailhandel en
ambachtsbedrijven milieubeheer, is het volgende voorschrift geschrapt:
«Bedrijfsafvalwater dat afkomstig is van een ruimte waar grafische
processen plaatsvinden, en dat het door een filter is geleid dat deeltjes
groter dan 75 micron daaruit vrijkomt bij het reinigen van vochtrollen,
wordt slechts in een openbaar riool gebracht nat.»
Staatsblad 2007 415 280
De stoffen die met genoemd filter worden verwijderd zijn vooral
kleurstoffen die in voorkomende (zeer geringe) hoeveelheden nauwelijks
tot geen milieueffecten hebben, maar wel intensieve verkleuring van het
afvalwater veroorzaken. Deze verkleuring wekt de indruk van sterke
verontreiniging, maar rechtvaardigt geen regelgeving.
§ 4.7.4 Reinigen en wassen van textiel
Artikel 4.96
Met het reinigen van textiel wordt gedoeld op het reinigen met
chemische middelen. Uit nieuwe wetenschappelijke gegevens (onder
andere een rapport van de Wereld Gezondheids Organisatie uit 1995)
heeft het RIVM eind 1996 voor PER een nieuwe maximaal toelaatbaar
risico-waarde (MTR-waarde) afgeleid. De meest kritische effecten bij de
afleiding van deze waarde betreffen de effecten op de nieren en het
centrale zenuwstelsel van de mens. Voor de afleiding van de nieuwe
MTR-waarde zijn vele (vooral buitenlandse) onderzoekgegevens geanalyseerd.
Vooral een studie bij werknemers in stomerijen naar beginnende
nierschade en een studie bij vrijwilligers naar de neurotoxiciteit van PER
(duizeligheid, verminderde visuele vermogens en verminderde controle
over bewegingen) waren daarbij belangrijk. Het RIVM heeft op basis van
deze gegevens een waarde van 0,25 milligram per normaal kubieke meter
als MTR gerapporteerd. Deze waarde wordt ook door de Wereld Gezondheids
Organisatie gehanteerd als veilige waarde. Volgens het RIVM
kunnen effecten bij langdurende concentratieniveaus van PER van meer
dan 0,25 milligram per normaal kubieke meter niet uitgesloten worden.
Boven 1,1 milligram per normaal kubieke meter kunnen ernstige effecten
op gaan treden. Reden waarom in het voorheen geldende Besluit
textielreinigingsbedrijven milieubeheer een aan het MTR gerelateerde eis
was gesteld.
Indien PER wordt gebruikt voor de reiniging van textiel, is het aan
degene die de inrichting drijft, om aan te tonen dat de immissie van PER
in naastgelegen besloten ruimten van bijvoorbeeld een woning en van
andere gevoelige objecten, zoals tuinen en balkons de daarvoor gegeven
normstelling niet overschrijdt. Om te bepalen of aan die normstelling
wordt voldaan, zijn meetmethoden gegeven voor het meten in de binnenen
in de buitenlucht. De keuze welke methode voor de binnen- of
buitenlucht wordt gehanteerd, is aan de drijver van de inrichting.
Artikel 4.97 tot en met 4.100
Om een bedrijf aan te kunnen laten tonen dat de gestelde norm niet
wordt overschreden is het noodzakelijk te beschikken over betrouwbare
meetmethoden. Ten opzichte van de voor de inwerkingtreding van dit
besluit geldende bijlage, waarin meetmethoden waren gegeven, is nu ook
voor het meten in de buitenlucht een vereenvoudigde methode gegeven.
Deze methode is in nauwe samenwerking tussen het ministerie van VROM
en de brancheorganisatie (NETEX) tot stand gebracht. De vereenvoudigde
meetmethode leidt tot een aanmerkelijke lastenvermindering voor de
betrokken inrichtingen.
Artikel 4.102
Bij bedrijven die reinigen met oplosmiddelen in conventionele
reinigingsmachines, zal tijdens de reiniging van kleding en textiel een
kleine hoeveelheid PER in het bedrijfsafvalwater terechtkomen en op het
openbaar riool worden geloosd. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in de
volgende situaties:
Staatsblad 2007 415 281
– bij het reinigingsproces wordt water in de trommel toegevoegd, of
– bij conventionele machines waar leidingwater als koelmedium wordt
gebruikt.
Een dergelijke lozing van PER op het openbaar riool is toegestaan
wanneer de concentratie van PER in het bedrijfsafvalwater niet hoger is
dan 0.1 milligram per liter in enig steekmonster.
Voor natwasserijen bevat het besluit geen specifieke voorschriften. Ook
waterbesparing komt in dit besluit niet specifiek aan de orde.
Natwasserijen gebruiken veel water met een relatief hoge temperatuur,
waardoor waterhergebruik met terugwinning van warmte al snel rendabel
is. Daarbij worden vaak bijzondere textielproducten, zoals bedrijfskleding,
poetsdoeken en beddengoed van zorginstellingen, gewassen. Hiertoe
worden speciale reinigingsmiddelen toegepast en kunnen bepaalde
verontreinigingen zoals olie of PAK’s voorkomen. De omvang van de
lozing kan noodzaken tot een maatwerkvoorschrift in verband met de
doelmatige werking van de riolering. Bij hergebruik van het waswater kan
de spuistroom die dan alsnog op het riool geloosd moet worden de
nodige aandacht vragen in verband met de (geconcentreerde) verontreinigingen
of de temperatuur, als die hoger is dan 30 graden Celsius. In
bepaalde gevallen zal dan een maatwerkvoorschrift op grond van de
zorgplicht (artikel 2.1) noodzakelijk zijn.
Afdeling 4.8 Overige activiteiten
§ 4.8.1 Inwendig reinigen van tanks en tankwagens
Artikel 4.104
Het inwendig reinigen van tanks en tankwagens is, binnen de reikwijdte
van dit besluit uitsluitend toegestaan bij inrichtingen waar de
tank(wagen)s geladen of gelost worden. Bij deze inrichtingen vinden dus
reeds handelingen met deze producten plaats, waardoor er ook afvalwater
verontreinigd met deze producten ontstaat, bijvoorbeeld van reinigingsactiviteiten.
Indien relevant, en dat is het geval als het milieurelevante
stoffen betreft, zijn in dit besluit voorschriften opgenomen met betrekking
tot de lozing van dit afvalwater. Daar waar dit niet expliciet is bepaald is
de zorgplicht (artikel 2.1) van toepassing en kan basis daarvan een
maatwerkvoorschrift opgesteld worden.
Het afvalwater dat ontstaat bij het uitwendig reinigen van de tanks en
tankwagens kan bij dat reeds aanwezige afvalwater van soortgelijke
samenstelling gevoegd worden en via hetzelfde traject gezuiverd en
geloosd worden. De eventuele zuiveringsvoorzieningen voor dit afvalwater
dienen wel zodanig gedimensioneerd te worden dat dit extra
afvalwater daar ook adequaat gezuiverd kan worden.
Veelal kan het eerste spoelwater van de tanks en tankwagens, dat in
feite bestaat uit met water verdund product, toegevoegd worden aan deze
productstroom binnen het bedrijf. Bijvoorbeeld als het gaat om producten
die in geconcentreerde vorm worden aangeleverd en verdund worden
toegepast. Het spoelwater kan dan dienen als verdunningswater,
waarmee dan voorkomen wordt dat waardevol product geloosd wordt.
Het daaropvolgende reinigingswater zal vervolgens weinig product meer
bevatten, maar mogelijk wel reinigingsmiddelen e.d. Hiervoor dienen
vanzelfsprekend niet-schadelijke stoffen te worden gebruikt, eventueel
nader te regelen met maatwerk op grond van de zorgplicht (artikel 2.1).
Deze mogelijkheid tot het reinigen van eigen tanks en tankwagens was
ook reeds aanwezig in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer.
Staatsblad 2007 415 282
§ 4.8.2 Bieden van gelegenheid tot het afmeren van pleziervaartuigen
De verplichtingen in deze paragraaf richten zich tot jachthavens. Er is
sprake van een jachthaven zodra in de inrichting gelegenheid wordt
geboden tot het afmeren van pleziervaartuigen. De voorschriften gelden
dus ook als er naast de jachthaven andere activiteiten plaatsvinden, of
wanneer er ook beroepsvaartuigen afmeren. Bepalend voor de verplichtingen
is het aantal ligplaatsen voor pleziervaartuigen.
Artikel 4.105
Afhankelijk van de grootte moeten jachthavens gefaseerd in de tijd
beschikken over voorzieningen om afvalwater en de inhoud van
chemische toiletten in te zamelen (artikel 6.35). Standaard manier om dit
afvalwater te verwijderen is lozing op het vuilwaterriool.
Jachten gelegen in een jachthaven zijn onderdeel van deze inrichting.
De inrichtinghouder van de jachthaven is verantwoordelijk voor alle
activiteiten die binnen de jachthaven plaats vinden. Dit betreft ook de
gedragingen van de individuele booteigenaren binnen de jachthaven.
Gedragsregels gericht tot de booteigenaren, bijvoorbeeld in het havenreglement,
en het uitoefenen van toezicht daarop door de havenmeester
kunnen daarbij een belangrijke rol spelen, evenals voorlichting door de
branche aan de leden.
Artikel 4.107
Dit artikel stelt strengere eisen voor jachthavens waar zeegaande
pleziervaartuigen worden afgemeerd. Dit vloeit voort uit de Europese
richtlijn nr. 2000/59/EG van 27 november 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen
voor scheepsafval en ladingresiduen. Deze
richtlijn is in hoofdzaak geïmplementeerd via de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen (Wvvs). De regels die die wet stelt zijn
vooral bedoeld voor de beroepsvaart en gaan verder dan de eisen die het
Besluit jachthavens en dit besluit stellen. De regels van die wet gelden
uitsluitend voor havens die zijn aangewezen bij of krachtens artikel 6 van
die wet. Hoewel het zeldzaam is, is niet uitgesloten dat havens die niet op
die manier zijn aangewezen toch worden aangedaan door zeegaande
pleziervaartuigen. In die gevallen moeten op grond van de richtlijn
dezelfde eisen gelden voor de havenontvangstvoorzieningen. Via dit
artikel wordt gezorgd dat in die gevallen in lijn met de richtlijn strengere
eisen gelden.
Artikel 4.108
Indien een jachthaven is aangewezen bij of krachtens artikel 6 van de
Wvvs gelden op grond van die wet strenge regels voor het hebben van
havenontvangstvoorzieningen. Aangezien die regels verder gaan dan de
eisen die artikel 4.106 stelt, kan in die gevallen artikel 4.106 buiten
toepassing blijven. In die gevallen voegt dit besluit alleen de lozingsvoorschriften
van artikel 4.105 voor ingenomen huishoudelijk afvalwater,
chemische toiletten en de afgescheiden waterfractie van bilgewater van
pleziervaartuigen aan de regeling van de Wvvs toe.
§ 4.8.3 Bereiden van voedingsmiddelen
Artikel 4.109
Het voorschrift ten aanzien van vethoudend afvalwater is gewijzigd ten
opzichte van het voorschrift in de voorgaande 8.40-besluiten. Naast de
Staatsblad 2007 415 283
norm (NEN) waarnaar wordt verwezen voor de vetafscheider is ook de
wijze van regulering aangepast.
Het voorschrift is van toepassing op afvalwater van het bereiden van
voedingsmiddelen inclusief daarmee samenhangende activiteiten. De
voor afvalwater belangrijkste activiteit naast het bereiden van voedingsmiddelen
zelf is het afwassen van bestek en kookgerei. Het voorschrift
geldt ook indien het afwassen in een andere inrichting plaatsvindt dan het
koken (bijvoorbeeld bij een cateringbedrijf).
NEN-EN 1825
In het voorgaande 8.40-besluit werd verwezen naar NEN 7087, uitgave
1990 voor de eisen waar een slibvangput en vetafscheider aan moet
voldoen. Deze NEN is op Europees niveau vervangen door NEN-EN 1825-1
en 2. Vanaf juni 2004 mocht de NEN 7087 niet meer toegepast worden als
nationale standaard. Slechts op detailniveau stellen deze onderscheidenlijke
NEN’s verschillende eisen aan de vetafscheider en de slibvangput.
Regulering
In de voorgaande 8.40-besluiten was het plaatsen van een
vetafscheider/slibvangput slechts verplicht als het bevoegd gezag had
aangetoond dat geloosde afvalwater meer dan 300 milligram per liter aan
vet bevatte in enig steekmonster en tevens werd aangetoond dat ten
gevolge van die lozing de doelmatige werking van de riolering nadelig
werd beïnvloed. Vooral het aantonen door het bevoegd gezag van dit
laatste aspect leverde in de praktijk veel problemen.
Rioolverstoppingen door gestold vet is een veel voorkomend
verschijnsel, dat aanleiding kan geven tot hinder, overlast en milieuverontreiniging.
Door de verstopping wordt het rioolwater niet afgevoerd en
kan het riool overlopen. Dat kan leiden tot (riool)water op straat en in
extremere gevallen tot rioolwater in de kelder, of andere lager gelegen
delen van (particuliere) woningen. Ook kunnen ten gevolge van verstoppingen
riooloverstorten ontstaan waardoor ongezuiverd rioolwater op het
oppervlaktewater wordt geloosd. Maar zelfs als er nog geen sprake is van
verstopping kan gestold vet al de afvoer capaciteit van de riolering
nadelig beïnvloeden. Het voorkomen dat vet in het riool geraakt is dus van
het grootste belang.
Genoemde verschijnselen kunnen optreden op grote afstand van de
locatie waar de lozing, die hiervan de oorzaak is, plaatsvindt. Hierdoor is
een directe relatie tussen het effect (vetafzetting/verstopping) en de
veroorzaker daarvan moeilijk te leggen is. Daarnaast komt het vaak voor
dat verschillende bedrijven op hetzelfde gedeelte van het riool
vethoudend afvalwater lozen. Als er dan een verstopping ten gevolge van
vet optreedt, is het vrijwel onmogelijk één individuele veroorzaker aan te
wijzen, hetgeen noodzakelijk is om handhavend op te treden. Het vet van
de verstopping is immers afkomstig van de diverse bedrijven en het is
niet achterhaalbaar van welke bedrijf de overmatige hoeveelheid vet
afkomstig is waardoor de verstopping is ontstaan.
Met het nieuwe voorschrift is iedere inrichting waar voedingsmiddelen
bereid worden en waarbij vethoudend afvalwater vrijkomt in eerste
instantie verplicht een vetafscheider gecombineerd met een slibvangput
te plaatsen. Het vijfde lid van dit artikel biedt echter de mogelijkheid om
daarvan in bepaalde situaties van af te zien met instemming van het
bevoegd gezag.
De beperkte omvang van de activiteit vervaardigen en bereiden van
voedingsmiddelen binnen de inrichting, of omdat bij de voedselbereiding
geen vetten worden gebruikt, kan een reden zijn om geen afscheider te
plaatsen. Naarmate er echter meer bedrijven vethoudend afvalwater op
hetzelfde gedeelte van het rioolstelsel lozen zal het probleem door
Staatsblad 2007 415 284
vetafzetting in dat riool toenemen en de aanleiding om af te zien van een
afscheider reduceren.
De beoordeling is aan het bevoegd gezag. Het is van de wetgever
uitdrukkelijk de bedoeling dat van deze mogelijkheid gebruik wordt
gemaakt, zodat niet onnodig vetafscheiders geplaatst worden. In deze
gevallen kan van de ondernemer speciale aandacht gevraagd worden om
te voorkomen dat het afvalwater met vet wordt verontreinigd.
Daar waar een vetafscheider vereist is wordt als enige voorwaarde
gesteld dat deze goed wordt gedimensioneerd, conform NEN-EN 1825-2,
en goed wordt onderhouden. Er bestaat in het veld een sterke wens om
een getalsmatige emissiegrenswaarde voor vet in het te lozen afvalwater
te stellen. Het idee is dat dit de handhaving van een adequaat beheer,
inclusief onderhoud, zou vereenvoudigen. In de praktijk blijkt dit echter
niet goed mogelijk, omdat het vetgehalte in het effluent van een vetafscheider
in de praktijk sterk blijkt te fluctueren. Zelfs als de vetafscheider
of slibvangput goed is gedimensioneerd en recent is schoongemaakt
kunnen de vetgehaltes in twee direct na elkaar genomen monsters sterk
van elkaar verschillen, waardoor een steekmonster geen juist beeld geeft.
Het nemen van een representatief monster zou echter onevenredige
inspanningen vergen.
Een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van een
vetafscheider is dat deze goed is gedimensioneerd voor de situatie waar
die is geplaatst. De vereiste grootte van een vetafscheider wordt uitgedrukt
in de nominale grootte (nominal size: NS). Dit is de maximale
afvalwaterstroom die de afscheider ingaat, uitgedrukt in liters per
seconde, gecorrigeerd met drie factoren. Met deze factoren wordt
gecorrigeerd voor de temperatuur van het afvalwater, de dichtheid van
het afgescheiden vet en het gebruik van reinigingsmiddelen. De maximale
afvalwaterstroom kan volgens de NEN-EN 1825 op vier verschillende
methoden worden bepaald. Hoe de maximale afvalwaterstroom wordt
bepaald en welke correctiefactoren worden toegepast is in eerste instantie
aan de drijver van de inrichting op grond van NEN-EN. Het bevoegd gezag
heeft hier een toetsende taak.
Gebruik en onderhoud
Zoals hiervoor reeds aangegeven is er alle aanleiding om te voorkomen
dat vet in het riool geraakt. De aanwezigheid van een goed gedimensioneerde
vetafscheider, die bovendien goed wordt onderhouden is geen
garantie dat geen overtollig vet wordt geloosd op het openbaar riool. De
ondernemer zal de nodige preventieve maatregelen moeten nemen om te
voorkomen dat vet in het afvalwater geraakt. Maaltijdrestanten dienen
zoveel mogelijk droog van het servies verwijderd te worden alvorens
gespoeld wordt. Het gebruik van een voedselrestvermaler in de afvoer is
expliciet verboden in het derde lid van dit artikel.
Ook met reinigingsmiddelen dient zorgvuldig omgegaan te worden.
Aanhouden van de gebruiksvoorschriften van de fabrikant is hierbij
geboden. Overdosering leidt ertoe dat vet emulgeert en als emulsie met
het effluent van de vetafscheider in het riool wordt geloosd, waar het,
vanwege de andere condities die daar heersen, weer tot stolling komt en
vetafzetting veroorzaakt hetgeen weer aanleiding kan geven tot rioolverstopping.
Het regelmatig grondig reinigen van de vetafscheider is zowel van
belang voor de duurzaamheid als de prestaties van de vetafscheider. Door
(bio)chemische reacties worden vetten omgezet in vetzuren, die agressief
zijn ten aanzien van de materialen waar de afscheider van is gemaakt. Dit
is natuurlijk afhankelijk van het desbetreffende materiaal, maar vrijwel alle
materialen worden in meer of minder mate door deze vetzuren aangetast.
Die aantasting kan er aanleiding toe geven dat de afscheider vervangen
moet worden met alle kosten voor de ondernemer van dien. Een slecht
Staatsblad 2007 415 285
onderhouden vetafscheider heeft ook tot gevolg dat het vet minder goed
wordt afgescheiden, waardoor grotere vetemissies optreden.
Goed onderhoud van de afscheider omvat het tijdig ledigen en reinigen
en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken.
Het vetopslaggedeelte mag maximaal voor 80% gevuld zijn met vet,
hetgeen bij vetafscheiders conform de oude NEN 7087 overeenkomt met
een vetlaagdikte van 16 centimeter. Vetafscheiders die voldoen aan de
nieuwe NEN-EN 1825-1 en 2 zijn voorzien van een naamplaatje, dat op een
goed zichtbare plaats onlosmakelijk vast zit aan de afscheiders. Hierop zijn
een aantal gegevens van de vetafscheider vermeld waaronder de
nominale grootte en de grootte van de slibvangruimte van de vetafscheider
alsmede de maximale vetlaagdikte.
Daarnaast moet ook de slibvangruimte geleegd worden voordat deze
voor meer dan 50% gevuld is met slib.
In de NEN-EN 1825, waarnaar het artikel voor wat betreft gebruik van de
afscheider naar verwijst, is bepaald dat de vetafscheider ten minste elke
maand en bij voorkeur elke veertien dagen geleegd, gereinigd en met
schoon water hervuld dient te worden. Ten aanzien hiervan is in het
besluit een afwijking opgenomen. De afwijking houdt in, dat deze hoge
frequentie niet behoeft te worden aangehouden en een lagere frequentie
mag worden toegepast, mits daarmee de goede werking van de vetafscheider
wordt gewaarborgd.
Voor afscheiders die gelet op het overgangsrecht niet behoeven te
voldoen aan en te worden gebruikt conform NEN-EN 1825 (de afscheiders
die voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit zijn geplaatst), is
vanzelfsprekend ook de in de NEN-EN 1825 genoemde frequentie van ten
minste elke maand en bij voorkeur elke veertien dagen niet van
toepassing.
Om de goede werking van een slibvangput en vetafscheider te
waarborgen dient bij alle afscheiders naast het zo nodig verwijderen van
vet en slib eens per jaar – behalve indien dit naar de mening van het
bevoegd gezag niet noodzakelijk is – de afscheider volledig geleegd en
gereinigd te worden en onderzocht te worden op aantasting en andere
gebreken. Gebleken gebreken dienen zo spoedig mogelijk verholpen te
worden.
De lozing
Ook in geval een goed gedimensioneerde vetafscheider met
slibvangput is geplaatst, die bovendien goed wordt onderhouden, zal er
een zekere hoeveelheid vet geloosd worden. Het heeft daarom de
voorkeur dit afvalwater te lozen op het vuilwaterriool. In sommige
gevallen zal de inrichting niet aangesloten zijn op het vuilwaterriool,
bijvoorbeeld omdat deze is gevestigd in het buitengebied waar geen
riolering aanwezig is. In de inrichting zal vrijwel altijd ook huishoudelijk
afvalwater ontstaan door de aanwezigheid van toiletten en wasbakjes. Dit
afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden van activiteit «lozen van
huishoudelijk afvalwater». Het tweede lid bepaalt tevens dat het
vethoudend afvalwater samen met het huishoudelijk afvalwater wordt
geloosd en dat de voorzieningen voor die lozing daarop gedimensioneerd
moeten zijn.
Indien op grond van het vijfde lid geen vetafscheider geplaatst hoeft te
worden geeft het bevoegd gezag naast de instemming geen afscheider te
plaatsen tevens aan waar de lozing dient plaats te vinden. Gezien de aard
van de afvalwater zal het vuilwaterriool over het algemeen de meest voor
de hand liggende lozingsroute zijn.
Voedselvermaler
In het derde lid van dit artikel is het verbod op het gebruik van voedselrestvermalers
opgenomen. Naar aanleiding van het ontwerpbesluit lozing
afvalwater huishoudens, waar dit verbod ook is opgenomen, heeft de
Staatsblad 2007 415 286
staatssecretaris van VROM de Tweede Kamer desgevraagd ingelicht
waarom dit verbod in stand dient te blijven (kamerstukken 27 664, nr. 40
en 42). De belangrijkste argumenten zijn:
Toelaten van lozing op de riolering via de voedselrestvermaler staat
haaks op de uitgangspunten van het Nederlandse afval(scheidings)-
beleid. Het biedt namelijk de mogelijkheid om vaste afvalstoffen via de
«natte route» af te voeren. De Nederlandse regering acht het verlaten van
dit uitgangspunt, dat vast en nat afval gescheiden worden afgevoerd en
verwerkt, niet in het belang van de afvalverwerking en van het milieu.
Het afvalwatersysteem wordt met de lozing van vermalen voedselresten
extra belast. Elke verhoging van de belasting van dit systeem zal leiden tot
een verhoging van de emissies vanuit dit systeem zowel via de
overstorten als via de effluentlozingen. Dit is vanuit het «stand still»
beginsel ongewenst.
De huidige wetgeving en uitgangspunten op het gebied van
afval(water)verwerking laten geen ruimte voor lozing van vaste afvalstoffen
via de natte stroom. Verkoop van de voedselrestvermaler is op
zich in Nederland niet verboden. Het beleid vormt als zodanig geen
handelsbelemmering in de zin van concurrentievervalsing. Het resultaat
van gebruik van de voedselrestvermaler – namelijk vaste afvalstoffen in
de natte afvalverwerking – verhoudt zich niet met de uitgangspunten van
het afvalbeleid met bewuste scheiding en hergebruik van afvalstromen en
verhoudt zich evenmin met het afvalwaterbeleid waarbij onnodige
verhoging van de belasting en onnodige verhoging van de emissies van
de afvalwaterketen dient te worden voorkomen. De Regering acht het
daarom niet wenselijk om omwille van de verkoop van het product
voedselrestvermaler de uitgangspunten van het afvalstoffenbeleid en het
afvalwaterbeleid te verlaten.
Overgangsrecht
Het overgangsrecht met betrekking tot dit artikel is opgenomen in
artikel 6.36.
§ 4.8.4 Slachten van dieren
Artikel 4.111
Dit artikel is van toepassing op het kleinschalig slachten waarbij de
dieren «met de hand» worden gedood en uitgesneden, zoals dit bijvoorbeeld
bij slagers voorkomt. De hygiëneregelgeving sprak tot voor kort van
slachthuizen met een erkenning geringe capaciteit; hiervoor gold een
maximum van 20 grootvee-eenheden per week. Dit maximum is ook
opgenomen in onderdeel s van bijlage 1. Over het algemeen is bij
zelfslachtende slagers de capaciteit aanzienlijk lager. Het ritueel slachten
voor het islamitisch offerfeest is grootschaliger. Vaak worden hier speciale
locaties voor ingericht, waarvoor speciale ontheffingen of voorschriften in
de milieuvergunning gelden. Deze locaties waar één week per jaar meer
dan 20 grootvee-eenheden worden geslacht, zijn op grond van de bijlage
vergunningplichtig.
Onder het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer was
het ambachtelijk slachten van konijnen of kippen reeds toegestaan, het
ambachtelijk slachten van hoefdieren was een uitsluitcriterium. Een
inrichting waarin deze activiteit plaatsvond, was dus vergunningplichtig.
Het betrof ongeveer 200 van dergelijke inrichtingen (bron: Structuuronderzoek
zelfstandige slagersbedrijven 2004, HBA 2004). In dit besluit is
het ambachtelijk slachten van hoefdieren wel opgenomen als activiteit.
Voor het ambachtelijk slachten gelden op grond van de Warenwet strenge
hygiëneregels (deze zijn gebaseerd op een internationale standaard voor
analyse van kritische punten, de Hazard Analysis Critical Control Points),
Staatsblad 2007 415 287
die de milieubelasting ook verminderen. Relevante documenten op dit
gebied zijn:
– Code voor hygiënisch werken in het slagersbedrijf
– Hygiënecode voor het poeliersbedrijf
– Hygiënecode voor slachthuizen met een erkenning geringe capaciteit.
Eisen die vanuit de hygiëneregels gesteld worden zijn bijvoorbeeld:
– het gekoeld opslaan van destructiemateriaal
– waterdichte uitvoering van de vloer
– het zoveel mogelijk schoon opvangen van bloed.
– het zoveel mogelijk voorkomen dat bloed in het schoonmaakwater
terechtkomt (dit is een belangrijke good housekeeping maatregel).
Geluid
De geluidspiek bij het slachten van vee (hoefdieren) is kort, maar kan
wel bijzonder hinderlijk zijn. Zelfs als voldaan wordt aan de norm voor
pieklawaai kan nog steeds hinder optreden. Bij deze activiteit kan het dus
voorkomen dat het bevoegd gezag op grond van artikel 2.20 voorschriften
stelt voor geluid.
Artikel 4.112
Bloed en slachtafval zijn geurbronnen. Door de hygiëneregels zal
geurhinder meestal worden voorkomen, omdat bloed en slachtafval
gesloten moet worden opgeslagen. Er is geen voorschrift over opslag van
dierlijk afval omdat dit reeds in de regelgeving omtrent hygiëne wordt
geregeld. Een andere mogelijke bron van geurhinder is het schoonmaakwater
(van ruimte, gereedschap en voorschoten). Als dit water via putjes
in de ruimte zelf of met een schrobmachine wordt afgevoerd zal hierdoor
in het algemeen geen geurhinder optreden. Bij ongebruikelijke afvoer
(bijvoorbeeld via goten of een putje in de buitenlucht) kan wel geurhinder
ontstaan. In een dergelijk geval kan op grond van artikel 2.1 gevraagd
worden om maatregelen ter voorkoming van geurhinder. Er is in dit artikel
immers geen sprake van een uitputtende regeling ten aanzien van dit
aspect. Dit is tot uitdrukking gebracht middels de zinsnede «ten minste
voldaan aan de bij ministeriële regeling te stellen eisen».
§ 4.8.5 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport op
sportterreinen
Artikel 4.113
Eerste lid
Lichthinder dient beperkt te worden door de lichten direct na beëindiging
van de activiteiten uit te doen. Naast deze specifieke voorschriften
m.b.t. sportverlichtingsinstallaties, geldt voor sportinrichtingen de
algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis en de
daaraan gekoppelde mogelijkheden tot het stellen van maatwerkvoorschriften.
Hierbij kunnen de «Algemene Richtlijnen betreffende lichthinder» van
de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt
worden gehanteerd.
Ten aanzien van het aspect tijdstippen waarop lichtinstallaties in
werking mogen zijn, kunnen de bevoegde autoriteiten geen strengere
eisen stellen dan in dit artikel aangegeven. Wel kunnen de bevoegde
autoriteiten dan nog op basis van artikel 2.1 maatwerkvoorschriften
stellen ten aanzien van bijvoorbeeld de afstelling van lichtkappen van
lichtinstallaties of ten aanzien van de bescherming van de specifiek
gebieden waarvoor in een verordening of bestemmingsplan eisen ten
Staatsblad 2007 415 288
aanzien van de bescherming van de duisternis of het donkere landschap
zijn vastgesteld.
Tweede lid
Het tweede lid is opgenomen in verband met sportverenigingen die
buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen,
gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Dit kan bijvoorbeeld het
geval zijn bij het houden van een veteranentoernooi of een «vroege
vogels» -toernooi.
Naast deze ontheffingsmogelijkheid m.b.t sportverlichtingsinstallaties,
blijft de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisterte
voor de sportinrichtingen gelden. Enige mate van hinder is bij incidentele
activiteiten aanvaardbaar. Het bevoegd gedag zal bij de beoordeling of er
sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een
festiviteit, steeds een belangenafweging moeten maken, aan de hand van
onder andere het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van
voorkomen, het karakter van de lichtverschijnselen en de redelijkerwijs te
treffen maatregelen.
Hoofdstuk 5 Wijziging van besluiten
Artikel 5.1
Voor wat betreft de Wvo-aspecten van lozingen op de riolering komen
deze regels in de plaats van de regels opgenomen in het Lozingenbesluit
Wvo bodemsanering en proefbronnering, dat daardoor voorlopig slechts
relevant blijft voor lozingen vanuit bodemsaneringen, die geen inrichting
in de zin van de Wm zijn.
Artikel 5.2
De enige inrichtingen die op grond van dit besluit autowrakken mogen
aannemen zijn inrichtingen waar tevens onderhoud en reparatie van
motorvoertuigen plaatsvindt. Overigens zijn die door artikel 4.84
gebonden aan een maximum van vier autowrakken.
Artikel 5.7
Er is sprake van een jachthaven zodra in de inrichting de gelegenheid
wordt geboden tot het afmeren van pleziervaartuigen. Door deze bepaling
wordt gesproken van een inrichting zodra er 10 of meer ligplaatsen voor
pleziervaartuigen zijn.
Hoofdstuk 6 Overgangs-en slotbepalingen
§ 6.1 Algemeen overgangsrecht
Artikel 6.1
Eerste lid
Dit artikellid is van toepassing op inrichtingen die vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 vergunningplichtig waren, maar als
gevolg van de inwerkingtreding van dit besluit niet meer vergunningplichtig
zijn. Voor die inrichtingen bepaalt dit artikellid dat bepaalde
vergunningvoorschriften gedurende drie jaar blijven gelden als maatwerkvoorschrift.
Daarna vervallen deze voorschriften, tenzij het bevoegd gezag
deze maatwerkvoorschriften heeft aangepast. Dit artikellid laat namelijk
onverlet de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om in deze periode van
Staatsblad 2007 415 289
drie jaar het maatwerkvoorschrift te wijzigen dan wel in te trekken. Artikel
8.42, vierde lid, van de wet is immers van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is van toepassing op alle inrichtingen, dus ook op type
C-inrichtingen. Niet het hele besluit is van toepassing op type
C-inrichtingen. Om tot uitdrukking te brengen dat dit artikel alleen van
belang is voorzover dit besluit van toepassing is, is de zinsnede «en voor
zover dit besluit op de inrichting van toepassing is» opgenomen.
Dit overgangsrecht geldt slechts indien de inhoud van het vergunningvoorschrift
valt binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het
stellen van maatwerkvoorschriften. Het gaat daarbij ook om de
bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van de
zorgplicht, echter wel dient in het oog te worden gehouden dat het stellen
van maatwerkvoorschriften op grond van de zorgplicht is beperkt daar
waar een aspect al uitputtend is geregeld. Het voorgaande geldt voor alle
vergunningvoorschriften ongeacht de vraag of zij strenger dan wel
soepeler zijn dan de voorschriften van het besluit.
Op grond van artikel 6.44 kan de inwerkingtreding voor verschillende
artikelen of onderdelen verschillend worden vastgesteld. Om die reden
moet het eerste lid worden gekoppeld aan de inwerkingtreding van een
specifiek artikel. Er is voor gekozen deze te koppelen aan de inwerkingtreding
van artikel 2.1, omdat dat artikel een van de spilartikelen uit dit
besluit is.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat de op grond van de in artikel 6.43
genoemde besluiten gestelde nadere eisen gelden als maatwerkvoorschriften,
gesteld krachtens dit besluit. Ook het tweede lid geldt
slechts indien in dit besluit de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften
door het bevoegd gezag is opgenomen, voor het onderwerp
waarop de nadere eisen, gesteld krachtens de in artikel 6.43 genoemde
besluiten, betrekking hebben. Het voorgaande geldt voor alle gestelde
nadere eisen ongeacht de vraag of zij strenger dan wel soepeler zijn dan
de voorschriften van het besluit. Ook hier geldt dat het bevoegd gezag te
allen tijde de mogelijkheid heeft om de oude nadere eisen dan wel de
nieuwe maatwerkvoorschriften te wijzigen of in te trekken.
Derde lid
Het eerste en tweede lid zijn slechts van toepassing op voorschriften of
nadere eisen die vallen binnen de bevoegdheid op grond van dit besluit
tot het stellen van maatwerkvoorschriften door het bevoegd gezag.
Wanneer er met betrekking tot het onderwerp geen bevoegdheid tot het
stellen van maatwerkvoorschriften is opgenomen en de bepalingen van
dit besluit strenger zijn gelden die voorschriften of nadere eisen
gedurende zes maanden nog als maatwerkvoorschriften. Na deze
overgangstermijn van zes maanden zijn de bepalingen van dit besluit
onverkort van toepassing.
Vierde lid
Het komt niet zelden voor, dat vergunningvoorschriften slechts kunnen
worden verstaan in verbinding met de gegevens die behoren bij de
aanvraag om de vergunning. Ook zijn gevallen bekend waarin die
gegevens hoewel niet opgenomen als voorschrift, bepalend zijn voor de
vaststelling of de inrichting binnen de grenzen van hetgeen is vergund in
werking is. In zo’n geval gaat het meestal om de omvang van de activiteiten
waarbij het bevoegd gezag ervoor heeft gekozen de aanvraag deel
te laten uitmaken van de vergunning, in plaats van een uitdrukkelijke
vermelding van de aangevraagde activiteiten in de voorschriften. Doet
zich het eerste geval voor, dan zou in het geheel geen maatwerk-
Staatsblad 2007 415 290
voorschrift blijven gelden, hoewel dit wel nodig kan zijn. Om hieraan
tegemoet te komen is tot uitdrukking gebracht dat voorschriften worden
geacht aan de vergunning te zijn verbonden, indien in de aanvraag
gegevens staan die zich lenen voor opname of omzetting in voorschriften.
Hieronder een schema waarin het overgangsrecht wordt weergegeven:
Voorschriften
vergunning binnen
bevoegdheid
maatwerkvoorschrift
Voorschrift
vergunning buiten
bevoegdheid
maatwerk
voorschrift en
strenger
Nadere eis binnen
bevoegdheid
maatwerkvoorschrift
Nadere eis buiten
bevoegdheid
maatwerk
voorschrift en
strenger
Type A 3 jaar 6 maanden Onbepaald 6 maanden
Type B 3 jaar 6 maanden Onbepaald 6 maanden
Type C 3 jaar 6 maanden Onbepaald 6 maanden
Artikel 6.2
Met dit artikel wordt hetgeen in artikel 6.1 is geregeld met betrekking tot
inrichtingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit
vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding van
dit besluit niet meer vergunningplichtig zijn, op een vergelijkbare wijze
geregeld voor lozingen die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit
besluit vergunningplichtig waren, maar als gevolg van de inwerkingtreding
van dit besluit niet meer vergunningplichtig zijn.
Artikel 6.3
Dit besluit biedt in artikel 2.2, tweede lid, de mogelijkheid om het lozen
in het oppervlaktewater, op of in de bodem of in een voorziening voor de
inzameling en het transport van afvalwater, die geen vuilwaterriool is, die
bij of krachtens dit besluit niet expliciet zijn toegestaan, bij maatwerkvoorschrift
alsnog toe te staan. Wanneer voor dergelijke lozingen
voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit reeds een
vergunning op grond van de Wvo of een ontheffing van het Lozingenbesluit
bodembescherming gold, wordt deze vergunning of ontheffing
gelijkgesteld met bovenbedoeld maatwerkvoorschrift, zodat niet opnieuw
een toestemming behoeft te worden verleend.
Artikel 6.4
Eerste en tweede lid
Deze leden, alsmede het derde lid, gelden voor inrichtingen, reeds
opgericht voordat dit besluit op die inrichtingen van toepassing wordt, die
niet vielen onder een van de oude 8.40-besluiten, maar niet beschikken
over een geldige vergunning. Degene die een dergelijke inrichting drijft,
dient ten hoogste vier weken na de inwerkingtreding van dit besluit
overeenkomstig artikel 1.10 aan het bevoegd gezag te melden dat hi